U bent hier

De voorzitter

De heer Rzoska heeft het woord.

Gisteren verschenen de cijfers van Vias institute met betrekking tot de verkeersslachtoffers in de eerste negen maanden van dit jaar. Eerlijk gezegd, het algemene beeld ziet er positief uit, we blijven nog altijd in die dalende trend zitten. Maar een belangrijke nuance, een tendens die toch al een tijdje bezig is, is dat het aantal slachtoffers bij fietsers in stijgende lijn zit. Niet enkel de letselslachtoffers, maar ook de dodelijke slachtoffers zitten in stijgende lijn.

Vias institute gaf de uitleg dat het deze zomer goed weer was en er dus meer fietsers waren, wat meer incidenten en meer slachtoffers met zich meebrengt. Minister, u reageerde onmiddellijk met een aantal maatregelen die u ziet of die u wilt nemen om het aantal slachtoffers naar beneden te halen. U had het over het terugkommoment binnen de rijopleiding voor beginnende chauffeurs, u had het over trajectcontroles – ik vermoed trajectcontroles tot op de gewestwegen, want het is toch ook de bedoeling dat we dat uitbouwen. Dit zijn dingen waar ik een voorstander van ben. Maar ik denk dat er veel meer aan de hand is, dat het structureler is.

Mensen die veel fietsen – en ik reken u daar ook toe – zien dat de laatste jaren de fietspaden veel drukker worden. Dat is natuurlijk een goede zaak. Er zijn meer Vlamingen aan het fietsen, waardoor meer Vlamingen ontdekken dat het efficiënter is, dat het interessanter is, dat het leuker is, dat het gezonder is om woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer met de fiets te doen. Die fietspaden worden drukker, en je hebt ook een stijgend aantal soorten fietsers: fietsers die met een bakfiets rijden, fietsers met een snelle fiets, fietsers met een cargofiets die boodschappen gaan doen. De fietsersverenigingen wezen er eigenlijk op dat we meer ruimte voor al deze verschillende soorten fietsers nodig hebben.

Bent u, naast de aangekondigde maatregelen, bereid om als minister meer werk te maken van ruimte voor die verschillende soorten fietsers, en over het algemeen fietsers dus meer ruimte te geven in het straatbeeld zodanig dat zij zich veilig kunnen verplaatsen? Want het is enkel op die manier dat we de modal shift naar de fiets en naar een gezondere verplaatsing kunnen inzetten.

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Aansluitend, minister, wat gaat u doen om die tendens te keren? We zitten op dit ogenblik aan 35 fietsdoden, we komen van 25 vorig jaar. De uitleg is inderdaad mooi weer en meer fietsers, we zijn evenzeer ook altijd met steeds meer mensen. U trekt extra budgetten uit. Er worden allerlei verklaringen gegeven. Je zit hier inderdaad bij de groep zwakke weggebruikers. Wat is nu uw visie, wat is nu uw plan van aanpak? Want je ziet dat ook in Nederland het aantal fietsdoden stijgt, dus er moet structureel iets gebeuren. Ik kan een heel lange inleiding geven. Wat is nu de visie van de regering?

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

De cijfers van Vias institute zijn bemoedigend – zoals collega Rzoska zei – als het gaat over het aantal verkeersdoden, maar niet als het gaat over het aantal fietsdoden. En dat is geen verrassing. Minister, ik heb in de commissie al twee keer de problematiek heel duidelijk tegen het licht gehouden. Het aantal verkeersdoden daalt, maar niet het aantal fietsdoden en zwaargewonden. Je hebt daar zelfs een stijging van 20 procent naar 29 procent in het totale aandeel. Ik zie u neen schudden, minister, ik denk dat we daar al voor de derde keer de discussie over voeren. Het is goed dat het aantal verkeersdoden daalt, maar op het vlak van het aantal fietsdoden blijven we ter plaatse trappelen. Daar moeten we iets aan doen.

Ik wou het met u over één heel concrete zaak hebben – waarover we in het verleden al van gedachten hebben gewisseld –, namelijk de nieuwe aanpak van de zwarte punten. In het verleden verhoogden we de punten voor de fietsers met 50 procent. U hebt dat gelijkgetrokken omdat u zei ‘Een dode is een dode’. En daar hebt u gelijk in. Alleen was er wel een reden waarom we dat in het verleden deden: het was omwille van een onderregistratie van het aantal fietsdoden. Voor wat betreft de minimale klinische gegevens is dat voor een fietser een factor 5,5 terwijl het voor een automobilist een factor 2 is. Daar zijn gegevens over. We hebben daarom die beweging teruggetrokken. Nu lees ik in De Standaard een citaat van u: “Bij de aanpak van fietsonveilige kruispunten willen we de kruispunten van gewestwegen, waar verhoudingsgewijs meer fietsslachtoffers vallen, sneller aanpakken.”

Dat is precies de vraag die we hebben gesteld.

Minister, mijn vraag is duidelijk. Wilt u het puntensysteem voor de zwarte punten herbekijken in functie van het aantal ondergeregistreerde fietsongevallen?

De voorzitter

De heer Vandenbroucke heeft het woord.

Joris Vandenbroucke (sp·a)

Voorzitter, er zijn dit jaar langs de Vlaamse wegen tien fietsdoden meer gevallen. We zijn het er allemaal over eens dat dit natuurlijk verschrikkelijk slecht nieuws is. Dat is ook de reden waarom nu zo veel vraagstellers op het spreekgestoelte staan.

Het zou intellectueel oneerlijk zijn te zeggen dat we hier met een schrikbarende trend te maken hebben. Als we naar de afgelopen jaren kijken, lijkt die verhoging duidelijk een piekmoment te zijn. Volgens sommigen is dit te wijten aan de lange droge zomer. Die uitleg volstaat volgens mij niet en is net niet cynisch. Voor hetzelfde geld kan de slechte zichtbaarheid als het veel heeft geregend ook een uitleg voor een toename van het aantal doden of gewonden zijn.

Er heeft zich echter een interessant debat op gang getrokken over de fietsinfrastructuur. Zoals de heer Rzoska al heeft verwoord, merken we dat de capaciteit op een aantal punten tekortschiet. We zien ook dat er langs heel wat Vlaamse wegen te weinig veilige fietspaden zijn en dat er langs veel belangrijke verbindingen helemaal geen fietspaden zijn.

Minister, wat is eigenlijk uw analyse van de recente cijfers waarvan we nu het voorwerp van een debat hebben gemaakt?

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Voorzitter, aangezien de waarheid haar rechten heeft, wil ik eerst twee correcties aanbrengen.

De eerste correctie is cijfermatig. Ikzelf mag op alles worden afgerekend en de Vlaamse Regering mag worden afgerekend op haar beleid en op de resultaten die ze sinds haar aantreden in 2014 heeft geboekt. Ook wat de fietsers betreft, zijn we erin geslaagd het aantal verkeersdoden drastisch naar beneden te halen. Indien we enkel de eerste negen maanden van het jaar vergelijken, vielen in 2014 onder de fietsers 42 verkeersdoden te betreuren. In de eerste negen maanden van 2018 waren dat er 35. Dat is een verschil van 17 procent.

Mijnheer Ceyssens, u hebt het de ene keer over aantallen en de andere keer over aandelen. Indien we met 2010 vergelijken, klopt het dat het aandeel van de fietsers in het totaal aantal verkeersslachtoffers is toegenomen. Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat we enerzijds gelukkig een daling van het totale aantal verkeersslachtoffers en anderzijds een stijging van het fietsverkeer zien. We zijn dus een beetje het slachtoffer van ons eigen succes. Als we met 2010 vergelijken, doen we het in 2018 beter. Wat het aantal verkeersdoden onder de fietsers betreft, is er een verbetering met 10 procent. Fietsen is vandaag niet onveiliger dan in 2014. Het is veiliger geworden, zowel met betrekking tot het aantal slachtoffers als met betrekking tot het aantal dodelijke slachtoffers. Dat is de eerste correctie.

Mijnheer Ceyssens, de tweede correctie betreft de aanpak van de zwarte punten. Volgens u werd vroeger een correctiefactor gehanteerd. Wat we vroeger deden en nu ook nog doen, is een vorm van morbide rekenkunde. We delen de kruispunten in op basis van de ongevallenstatistieken. We kennen vijf punten toe per dodelijk slachtoffer, drie punten per zwaargewonde enzovoorts. Zo komen we tot een weging en een rangorde van elk kruispunt. We maken geen onderscheid tussen slachtoffers in een wagen, op een fiets of te voet.

Als we moeten kiezen welk kruispunt op de lijst we het eerst zullen aanpakken, zullen we wel nagaan waar de meeste slachtoffers zwakke weggebruikers zijn. Dat hebben we gedaan en dat is tijdens de vorige legislatuur ook gebeurd. Er is op dat vlak geen enkel verschil. Dat is de tweede correctie.

Ik zal nu ten gronde op de vragen ingaan. Wat de fietsers betreft, zijn de cijfers niet goed. De cijfers met betrekking tot de voetgangers zijn heel goed. Wat het aantal verkeersdoden bij de voetgangers betreft, zitten we met een historisch laagterecord.

Dat is dus zeer positief, maar inzake de fietsers is het inderdaad niet goed en is het gissen naar de oorzaken – ik treed u bij, mijnheer Vandenbroucke, in wat u zegt over het goede weer als oorzaak. Laat ons maar aannemen dat het in eerste instantie te wijten is aan een toename van het fietsverkeer, wat op zich positief is. Het is gissen naar verdere oorzaken en het is niet allemaal zo logisch of verklaarbaar, want bij voetgangers en bromfietsers zie je bijvoorbeeld wel een daling van slachtoffers. Het heeft er natuurlijk ook mee te maken dat we statistisch gezien spelen met kleine getallen. Het gaat om de eerste 9 maanden en om 25 à 35 slachtoffers, dus dat zijn statistisch en methodologisch gezien betrekkelijk kleine getallen. Laat het ons er maar op houden dat het vooral te wijten zal zijn aan een toename van het fietsverkeer, wat op zich niet slecht is.

Gelet op die vaststelling dat er meer fietsers zijn, vind ik dat we ook meer inspanningen moeten doen op het vlak van verkeersveiligheidsmaatregelen, specifiek ten aanzien van die fietsers. Ik vind vooral dat een goed criterium. Als we vaststellen dat er meer met de fiets gereden wordt, dan moeten we ook meer inspanningen doen op het vlak van verkeersveiligheid, want die massa wordt groter. Vandaar stel ik concrete maatregelen voor, waarvan ik er jullie maar zes zal noemen.

Ten eerste weten jullie dat we wat investeringen betreft nu op een historisch niveau van 110 miljoen euro zitten. Ik heb de cijfers nog eens gecheckt en we hebben die 110 miljoen euro gehaald. Voor volgend jaar hebben we de lat op 120 miljoen euro gelegd, maar ik ben het met jullie eens dat we in de volgende regeerperiode een kwantumsprong zullen moeten maken op vlak van investeringen in fietsveiligheid, gelet op de toename van het fietsverkeer. Nu hebben we nog maar de basis gelegd.

Ten tweede wil ik nog meer dan vroeger focussen op het stimuleren van lokale overheden wat betreft hun duit in het zakje inzake fietsinvesteringen. Het gros van de fietsinfrastructuur bevindt zich namelijk niet op onze Vlaamse gewestwegen, maar is in eigendom van lokale besturen. We hebben eerder gezien dat het wel mogelijk is.

Jullie kennen het fietsfonds, een fonds dat wij als Vlaamse overheid hebben en dat 10 miljoen euro beheert om lokale fietsinvesteringen aan te moedigen met een subsidiemechanisme. We hebben dat subsidiemechanisme herzien, waardoor de Vlaamse overheid nu tot zelfs 100 procent kan tussenkomen, ook voor kosten die niet uitsluitend verbonden zijn aan de infrastructuur zelf, zoals studiekosten. Dat heeft er dit jaar, voor het eerst in de geschiedenis, voor gezorgd dat we die 10 miljoen euro op gekregen hebben. Dat fietsfonds bestaat sinds 2007 en we hebben we het nog nooit op gekregen, maar door de verruiming van de subsidiemogelijkheden en de verhoging van het subsidiebedrag zijn we daar voor het eerst wel in geslaagd. Dat helpt dus.

Op basis van die logica hebben we een tweede maatregel uitgewerkt om lokale overheden te stimuleren om te investeren in veilige schoolpoorten. Schoolomgevingen hebben 10 miljoen euro vrijgemaakt, wat samen met het bovenstaande moet leiden tot extra veiligheidsinvesteringen ter waarde van 20 miljoen euro via lokale besturen.

Een derde maatregel, die ook in de begroting staat, is dat we volgend jaar 6 miljoen euro extra investeren in fietsmarkeringen, waarvan 3 miljoen voor de oversteekplaatsen en 3 miljoen voor duidelijkere fietsbegeleiding. Dat is een bedrag van 6 miljoen euro dat we investeren in de leesbaarheid en het opvallen en de saillantie van de fietsers in het verkeer.

Een volgende maatregel is een negatieve maatregel: er komen meer trajectcontroles. Er is niet onmiddellijk een verband – hetzij een onrechtstreeks – met het aantal ongevallen waarbij fietsers betrokken zijn, want het gaat hem hier vooral om trajectcontroles op gewestwegen. We hebben er nu 54 en daar komen er tegen eind volgend jaar 66 bij. Ook dat is een sterke verruiming. Daar zitten trajectcontroles op snelwegen bij, maar we gaan vooral investeren in gewestwegen a rato van meer dan 20 per jaar. Tegen eind volgend jaar komen er 66 bij. Ten slotte werkt professor Brijs nu een systematiek uit, zodat we, als we de lijst van zwarte punten samenstellen, fietsers en voetgangers wat optillen en voorrang geven op die kruispunten waar zij als zwakke weggebruikers naar verhouding vaker slachtoffer worden van ongelukken. Dat gebeurt inderdaad voor het eerst en is ook al besproken in de schoot van het Vlaams Huis voor de Verkeersveiligheid.

Dat hebben we nu dus. We hebben die systematiek. Ik heb gevraagd aan professor Brijs om dat wat uit te werken, zodat je niet te veel vertekening hebt maar een rechtvaardige voorrang voor de zwakke weggebruikers.

Tot slot investeren we volop in conflictvrije kruispunten. Daarover hebben we de afgelopen weken nog gedebatteerd in de commissie.

Slotsom. Een koerswijziging? Neen. Wel resoluut doorgaan op de wegen die we hebben uitgestippeld, samen met uw commissie, ten voordele van meer verkeersveiligheid. We zien dat het werkt. We gaan resoluut door.

Minister, u lijst al die investeringen op. Die zijn ook broodnodig. Die zijn ook goed. Daar doe ik geen euro van af, bij wijze van spreken. Maar veel heeft ook te maken met de fundamentele vraag of we niet meer ruimte moeten maken voor fietsers. Daarover heb ik een zeer specifieke vraag. U verwijst naar de lokale besturen, maar op Vlaams niveau hebben we ook iets als een fietsvademecum. Dat fietsvademecum, collega’s, legt de spelregels op voor hoe fietspaden er in de ideale situatie uitzien, met bijvoorbeeld een minimumbreedte, ook voor tweerichtingsfietspaden. Ik weet dat er af en toe aanpassingen aangebracht worden aan dat fietsvademecum, minister. Toch vraag ik me eerlijk gezegd af of het niet aangepast moet worden aan de realiteit van vandaag in steden en gemeenten en op gewestwegen, namelijk het stijgend aantal fietsers. Mijn concrete bijkomende vraag is dus: bent u bereid dat fietsvademecum aan te passen aan de realiteit en misschien ook kracht van wet te geven? Want nu is dat een regel die we eigenlijk niet kunnen afdwingen.

Minister, ik denk dat u met uw zes stappen opnieuw beduidende stappen voorwaarts zet in de richting van meer verkeersveiligheid voor fietsers. Ik denk dat u ook moet nadenken over uw procedures. Ik ken weinig projecten waar een fietspad alleen, geïsoleerd wordt aangepakt. Meestal maakt dat deel uit van een groter geheel: nieuwe rioleringen, een nieuwe weg, onteigeningen … Na lange tijd gemeentepolitiek, is mijn ervaring dat er veel spelers betrokken zijn bij vele projecten: VMM en Aquafin voor de rioleringen, AWV voor de wegen, vastgoedtransacties voor onteigeningen, de gemeente of de stad voor de voetpaden… Als alles meezit, duurt het zes jaar eer alle neuzen in dezelfde richting staan. Als een van de partners tegenwerkt of minder geïnteresseerd is, – living apart together, maar vooral living apart, want de Vlaamse administratie laat zich nogal kenmerken door verkokering – dan duurt het langer dan tien jaar.

Als de Fietsersbond morgen pleit voor een budget van 500 miljoen euro, dan denk ik dat je daar absoluut projecten voor vindt, maar dat je dat geld nooit besteed krijgt vanwege van de procedures. Ik denk dat de grote doorstart gemaakt kan worden, de winst gemaakt kan worden, door kortere procedures of eventueel door fietspaden toch geïsoleerd te herstellen of apart nieuw aan te leggen. Zo kunnen we echt voortgang maken.

Minister, ik ga niet verder met u discussiëren over de cijfers. Churchill geloofde alleen de cijfers die hij zelf geïnterpreteerd had. Maar we zijn het er samen over eens dat we een tandje bij moeten steken voor de fietsveiligheid. Daar zijn we partners in, denk ik.

Ik ben blij met de opening die u laat op het einde van uw antwoord, dat u de professor vraagt om eens te bekijken hoe we het gewicht van die zwakke weggebruiker in de weging van die zwarte punten opnieuw wat kunnen verhogen, want die noodzaak is er op basis van de onderregistratie. Ik ben dus blij met het initiatief ter zake.

Ik heb een bijkomende vraag, minister, over de schoolstraten. Oorspronkelijk had ik begrepen dat u daar 20 miljoen euro voor uittrok. Dat blijkt nu 10 miljoen te zijn en er wordt ook 10 miljoen lokaal gecofinancierd. Daar valt absoluut wat voor te zeggen. Alleen vraag ik me af wanneer het kader ter beschikking zal zijn om lokaal aan de slag te gaan met die schoolstraten, want dat kan een stap in de goede richting zijn.

Joris Vandenbroucke (sp·a)

Dank u voor uw antwoord, minister. Ik heb u horen zeggen – en dat deed me wel plezier – dat er de volgende legislatuur nog een kwantumsprong nodig zal zijn voor de investeringen in fietsinfrastructuur. Ik wil erkennen dat u er de afgelopen legislatuur al een stuk bij hebt gedaan, dat we inderdaad op een zogenaamde recordhoogte zitten. Van een kwantumsprong is echter geen sprake. Ik wil verwijzen naar een plan waarover we het in dit parlement al twee decennia eens zijn en dat uitgevoerd moet worden: het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk, 12.000 kilometer aan veilige fietspaden die we nodig hebben om mensen naar het werk te laten gaan, naar de winkel of naar school.

Van die 12.000 kilometer heeft 4000 kilometer helemaal geen fietspad, 3500 kilometer een veilig fietspad en 4500 kilometer weliswaar een fietspad, maar geen conform of veilig fietspad.

Het Rekenhof heeft berekend dat we er aan het huidige investeringstempo een halve eeuw over zullen doen om dat plan effectief te realiseren. U spreekt over een kwantumsprong. Wij staan daar volledig achter. Ik stel echter voor dat we niet wachten tot de volgende legislatuur, maar proberen nog een tandje bij te steken, volgende week, bij het goed- of afkeuren van de begroting – dat is afhankelijk van u, van wat u nog wenst te doen –, en nog een versnelling hoger schakelen. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

De heer Parys heeft het woord.

Collega's, ik dank u voor uw vraag. Wat ik wel apprecieerde in sommige van jullie betogen, is de vaststelling dat de evolutie in het algemeen positief is. We moeten daar oog voor hebben in deze vraag. Het is waar dat deze cijfers ons echt doen focussen op die fietsers. Maar dat komt natuurlijk omdat fietsen populairder is geworden. We zijn daar allemaal heel tevreden mee. En we kunnen en moeten nog beter doen. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat we begonnen zijn met de schande van de vierhonderd en dat we daar nu een pak onder zitten. Maar er is nog werk voor de boeg.

Minister, ik wil u graag aanbevelen om verder te gaan op de ingeslagen weg, met de recordinvesteringen, met de maatregelen die u hebt aangekondigd. Dan kunnen we er samen voor zorgen dat we geen doembeeld ophangen over fietsen, want dat is in Vlaanderen echt veiliger geworden dan een aantal jaren geleden. Maar dat aandeel is natuurlijk wel veranderd, omdat er gewoon meer fietsers zijn. Laat ons daar samen werk van maken. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Ik vind de discussie die wordt gevoerd met betrekking tot de ruimte interessant. U zou inderdaad kunnen zeggen dat dat fietsvademecum voorziet in een zekere typologie. Het zegt bijvoorbeeld dat fietspaden, fietssnelwegen met een heel grote intensiteit aan fietsverkeer, minstens 4 meter breed moeten zijn. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer mag de breedte ook 3 meter of minder zijn. 

Als je dat dwingend wilt maken, als je aan de lokale besturen wilt opleggen dat de fietspaden, in geval van een bepaalde hoeveelheid verkeer, een minimale breedte van 4 meter moeten hebben, denk ik dat je in veel gevallen geen fietspad zult hebben. Je moet de lokale besturen, die het toch wel goed menen, de ruimte laten om heel praktische, lokale situaties aan te pakken.

Ons grote probleem is net dat wij geen ruimte hebben. Wij moeten vooral langs de klassieke steenwegen investeren in verkeersveiligheid voor fietsers. En daar heb je die lintbebouwing, die blijkbaar nog gevoelig toeneemt. Dat maakt het heel moeilijk om te onteigenen. Ik zie dat in mijn eigen gemeente. Als we het fietspad langs een belangrijke steenweg met tweerichtingsverkeer willen verbreden tot 4 meter, zou dat betekenen dat we een kilometer lang rijhuizen moeten onteigenen. Dat zal niet gebeuren.

We moeten dat vooral als een richtlijn naar voren blijven schuiven. We moeten dat vooral blijven actualiseren, zoals we voor het laatst in 2014 hebben gedaan. We moeten ervoor zorgen dat de gemeentebesturen worden gestimuleerd. Dat vademecum is een goed instrument, maar we moeten ervoor zorgen dat het eerder een stimulans betekent dan een hinderpaal is om te zorgen voor meer fietsinvesteringen.

U zegt dat er geen kwantumsprong werd gemaakt. Wel, de investeringen voor fietsinfrastructuur op onze gewestwegen zijn gestegen van 89 miljoen euro naar 120 miljoen euro volgend jaar. Dat betekent een stijging van meer dan 30 procent. Dat is toch wel een gevoelige stijging. Ik denk niet dat alle budgetten in de Vlaamse Regering in dezelfde mate zijn gestegen. Dat is dus een serieuze vooruitgang. Maar ik ben het met u eens: we zullen de volgende regeerperiode vooral die kwantumsprong moeten doen, net omdat we zien dat het werkt en rendeert, dat het zorgt voor een toename van het aantal fietsers, voor een toename van de verkeersstroom bij de fietsers.

Tot slot, ik ben de grootste voorstander van een vereenvoudiging van de procedures inzake ruimtelijke ordening, inzake milieu. Zo kunnen we meer investeringen doen. Want dikwijls is het inderdaad zo dat we wel de middelen hebben. We moeten vechten voor centen in de begroting, maar krijgen die centen vervolgens niet op. Dat is een beetje dramatisch en pijnlijk. Ik hoop dat we daar werk van kunnen maken. Niet alleen hier, maar ook bij de herziening van de wetten op de Raad van State, waarbij we het moeilijker maken dat mensen of organisaties kunnen procederen.

We zijn in Vlaanderen zover geraakt dat we uit Oosterweel de les hebben getrokken dat we een maximale inspraak en betrokkenheid organiseren. Ik heb er ongelooflijk veel in geïnvesteerd om Oosterweel uiteindelijk vlot te trekken. We organiseren zoveel inspraak, dat is prima, maar op een bepaald moment neem je op basis van de inspraakprocedures een beslissing. Dan moet je volle kracht vooruit kunnen gaan. Je kunt niet maximale inspraak en betrokkenheid organiseren en vervolgens deze of gene organisatie die in die inspraakprocedure niet volledig gelijk heeft gekregen na de beslissing stokken in de wielen laten steken. ‘Le beurre et l’argent du beurre’, dat mogen we niet laten gebeuren. (Applaus bij de N-VA en Open Vld)

De voorzitter

De heer Rzoska heeft het woord.

Minister, ik ben het met u eens. Over uw laatste uitspraken zal ik het niet hebben, maar wel over de ruimtelijke ordening. Dat is een van de problemen waarmee we worden geconfronteerd. Iedereen weet dat lintbebouwing, waarover straks een actuele vraag wordt gesteld, ons zeer veel geld kost en absoluut niet veilig is. We moeten op een andere manier met de ruimtelijke ordening omgaan.

Ik wil het ook hebben over de fietsers. Ik gebruik liever de term ‘actieve weggebruiker’ want fietsers zijn de meest actieve weggebruikers. Het is inderdaad een goede zaak dat meer Vlamingen de fiets gebruiken voor woon-werk- en woon-schoolverkeer. Wat ik bedoel met dat fietsvademecum, is dat je ruimte moet maken voor de fietser. Ik zie nog te veel steden en gemeenten die het fietspad niet voldoende in de vingers hebben zitten. Ik pleit niet voor overal afgescheiden fietspaden, maar in het fietsvademecum zit een zeer duidelijke hiërarchie op basis van de beschikbare ruimte.

Daarom vind ik dat we een tandje moeten bijsteken. Het beleid moet de tendens volgen. Ik heb de indruk dat we wat achteroplopen. De modal shift is van onderuit gebeurd en nu moet het beleid een tandje bijsteken om te kunnen bijbenen. Het is goed dat Vlamingen meer fietsen naar het werk en naar de school. Daar hebben we toch jarenlang met zijn allen voor gepleit?

Minister, naast de procedures en het vereenvoudigen ervan – daar zitten we op dezelfde golflengte – hebt u een budgettaire kwantumsprong gemaakt voor uw eigen wegpatrimonium. U zou ook kunnen zorgen voor meer verkeersveiligheid door steden en gemeenten daarmee budgettair te ondersteunen.

Een laatste punt is uiteraard ook sensibilisering. Wees een heer in het verkeer, wees een dame in het verkeer. Dat is elke weggebruiker responsabiliseren om een verkeersveiligheid aan de dag te leggen ten aanzien van zichzelf – je hebt maar één leven, je bent sowieso langer dood dan dat je leeft, dus dat moet je uitstellen –, maar ook ten aanzien van de andere weggebruikers. We zien alle dagen hoe gemotoriseerde verkeersdeelnemers in de fout gaan ten aanzien van de zwakke weggebruikers, maar ook het omgekeerde. We moeten via sensibilisering iedereen bij de les houden. Verander de wereld, begin bij jezelf. (Applaus bij Open Vld)

Die laatste uitspraak was van Phil Bosmans, ereburger van Oudsbergen nota bene, toen nog Gruitrode.

Minister, heel wat procedures zijn al gestroomlijnder als het gaat over ruimtelijke ordening. We hebben de toegang tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen al bemoeilijkt als er geen bezwaar is ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Maar het probleem is dat er te lang wordt getalmd met de gerechtelijke onteigening. Dat heb ik al gezegd. Er wordt veel en te lang onderhandeld. Ofwel is men bereid om te verkopen, ofwel niet. Minister, u mag uw diensten attent maken op het algemeen belang. Er mag sneller gerechtelijk onteigend worden.

Mijnheer Parys, ik ben het er niet mee eens als u zegt: er zijn meer fietsers, dus er zijn ook meer ongevallen. Er zijn ook meer auto's de afgelopen jaren, terwijl er minder doden zijn. ‘Safety by number’ is een internationaal aanvaard en wetenschappelijk onderbouwd principe: als er meer fietsers zijn, heeft men ook meer aandacht voor fietsers. Op basis van deze cijfers geloof ik dat het onze plicht is om daar iets aan te doen. (Applaus bij CD&V)

Joris Vandenbroucke (sp·a)

Minister, er werden hier verschillende mensen geciteerd. Ik weet niet of u Marco te Brömmelstroet kent. Dat is de directeur van het Urban Cycling Institute, alias de fietsprofessor. Hij heeft gezegd: fietsen maakt kinderen autonoom, adolescenten gelukkig en senioren gezond. Voorzitter, ik zie dat u instemmend knikt wat dat laatste betreft. (Gelach)

Niet alleen de voorzitter knikt instemmend, ook heel wat Vlamingen blijken het daarmee eens te zijn. Ze springen effectief meer en meer op de fiets, ook op de elektrische fiets. De helft van de nieuw verkochte fietsen zijn elektrische fietsen, dan moet het beleid absoluut volgen.

Hier zijn dure eden over kwantumsprongen in de investeringen in fietsinfrastructuur gezworen. Laten we het maar waarmaken. Over een half jaar zijn er Vlaamse verkiezingen. Ik ben benieuwd naar de partijprogramma’s en naar hoe hoog die kwantumsprong zal zijn die daarin wordt beloofd, en die hier een maand later dan in het Vlaams Parlement kan worden gerealiseerd.

De voorzitter

Mijnheer Vandenbroucke, moet u hier volgende week het standpunt van uw fractie verkondigen? Ik stel voor dat u een opvolger zoekt om dat te doen. (Gelach)

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.