U bent hier

Tekst nog niet goedgekeurd door de sprekers.

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, daarnet ging het óver de leerkrachten. Hier zijn het de leerkrachten – mensen met een heel rijke ervaring – die zelf aangeven dat ze ervaren dat het in de klas achteruitgaat. We moeten daar natuurlijk al één belangrijke bemerking bij aangeven: het gaat over een gevoel bij de leerkrachten. Ze hebben zelf examens en toetsen vergeleken met hun eigen ervaring, en ze hebben vastgesteld dat het toch een beetje anders loopt.

Die vaststelling halen we ook wel uit internationaal onderzoek. Ik breng het PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment) uit 2015 onder de aandacht. Als we de vergelijking tussen 2003 en 2015 maken, dan daalt onze populatie van sterkst presterende leerlingen van een op de drie naar een op de vijf leerlingen.

Als ik kijk naar begrijpend lezen in het lager onderwijs, tuimelen we van de 8e naar de 32e plaats. Helaas scoren onze 15-jarigen in Vlaanderen in hun ambitie om het goed te doen in het onderwijs het slechtst binnen de OESO.

Dan komen we bij onze leerkrachten, die aangeven of ze nog wel iets mogen of kunnen vragen, want ze worden door allerlei richtlijnen op de vingers getikt. Er zijn zaken die niet meer mogen. Recent klonk er nog op de radio dat ze op een examen of toets geschiedenis niet op zinsconstructies mogen evalueren. Ze begrijpen de leerling, denken dat het juist is wat er staat, maar doordat hij zo slecht taalvaardig is, kunnen ze het eigenlijk niet lezen. Dat is natuurlijk wel iets wat mensen afschrikt om aan de job te beginnen. Want je wilt absoluut trots zijn op wat je aflevert, je wilt inhoud brengen.

Als ik dit alles samenleg, minister, en ook de signalen vanuit het terrein als dit in de kranten komt, dan is dit uiteraard geen reclame voor de job wanneer mensen dat vaststellen. Ik denk dus dat we die klacht en die oproep van de leerkrachten au sérieux moeten nemen. We moeten niet alleen kijken naar de eindtermen, waarover we straks een belangrijk decreet hebben, en we moeten ook niet alleen kijken naar lerarenplatforms en dergelijke meer. We moeten ons wel de vraag stellen hoe we ervoor kunnen zorgen dat we de mogelijkheden die de leerkrachten zelf zien inzake pedagogische aanpak en organisatie van een klas, beter kunnen ondersteunen om er op die manier voor te zorgen dat het beroep aantrekkelijk blijft en zal worden.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u, mijnheer Daniëls voor de vraag. Ik wil wel een kanttekening maken. Ik heb het artikel en de enquête ook gelezen en ik lees daarin inderdaad dat leerkrachten zeggen dat ze het gevoel hebben dat het niveau achteruitgaat. In 80 procent van de gevallen zeggen ze echter dat er op hun eigen school zeker voldoende aandacht is voor de theorie, en in 76 procent van de gevallen voor de praktijk.

Daarmee wil ik zeggen dat er een aanvoelen is bij de leerkrachten – je moet de twee een beetje naast elkaar leggen – dat gelijkloopt met de onderzoeken waar u naar verwijst. Als ik PIRLS bekijk, dan stel ik vast dat begrijpend lezen er niet op vooruit is gegaan. Als ik PISA bekijk, dan zie ik onze beste presteerders minder goed presteren en zie ik dat de groep minst goede presteerders groter wordt en de groep beste presteerders kleiner. Er zijn dus zeker knipperlichten of rode lampen of strepen, zo u dat wilt. Het moet inderdaad beter worden, die ambitie hebt u zelf verwoord, maar de vraag is hoe we daarop kunnen ingrijpen.

Ik zal proberen in de korte tijd van een minuut u tien zaken mee te geven. Zo is er de modernisering van het secundair onderwijs waar we heel veel meer aandacht hebben voor basisvorming, ook in de B-stroom. Er komen extra uren theorie. We hebben alle studierichtingen gescreend.

Er zijn de eindtermen waarbij we nu hopelijk de eerste graad bespreken maar straks hopelijk ook de tweede en de derde graad en het basisonderwijs. We moeten die hele lijn scherp stellen. Er moet voldoende aandacht zijn voor kennis.

Er zijn de leerplannen. De eerste echo’s die ik nu hoor, zeggen dat de vrijheid voor de leraar een stuk groter zal worden. Niet elke leraar wil die vrijheid maar in elk geval zullen zij er gebruik van kunnen maken.

Er zijn de controles. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we meer nog dan vandaag investeren in onze peilingproeven om goed te testen of het niveau dat moet worden behaald, ook wordt behaald.

Er is het nieuwe kwaliteitsbeleid waarbij onze inspectie erop zal toezien dat bovenschoolse proeven, wanneer scholen daaraan deelnemen, ook worden gebruikt om het kwaliteitsbeleid in de school beter te maken.

Er is de wens van velen om te kijken naar wat leerlingen vroeger konden maar de uitdagingen zijn vandaag een stuk groter geworden. Ik geef twee voorbeelden. Er is de digitale uitdaging, leerlingen moeten digitaal vaardig worden. Daarnaast is er de financiële geletterdheid waarbij er vroeger van uit werd gegaan dat de ouders dat zouden doen. Nu komt dat allemaal richting school, wat de uitdrukkelijke wens was van velen.

We willen dat kinderen heel vroeg starten met de school. Daar is ook nog wat werk aan de winkel.

Er zijn zeker extra investeringen nodig in de toekomst van het basisonderwijs en een plan voor het basisonderwijs dat realistisch is. Voor het hoger onderwijs moeten we duidelijk de lat leggen inzake de verwachtingen die we scheppen.

U stelde daarnet de vraag hoe ver leerkrachten mogen gaan. Ik heb het daar in het verleden al over gehad en ik vind dat eigenlijk vreemd. Zelfs professoren in het hoger onderwijs mogen perfect de taal mee evalueren wanneer ze examens verbeteren. Dat kan ook perfect in elke school in het secundair onderwijs in Vlaanderen als daar goede afspraken over worden gemaakt, ook bij de start van het schooljaar. Het is goed dat ouders weten dat daar een focus wordt gelegd.

Mijnheer Daniëls, ik vind het een grote evidentie dat de manier waarop men zich uitdrukt op een of ander examen, mee een rol speelt in de beoordeling die wordt gemaakt. En wanneer ik ernstige signalen zou krijgen dat dit absoluut verboden is door een of andere instantie, zal ik daar mijn verantwoordelijkheid in nemen. Maar in de manier waarop men dingen overbrengt, word ik verondersteld me zo weinig mogelijk te mengen.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Collega’s, ik denk dat we de signalen van de leerkrachten echt au sérieux moeten nemen. Dit is hun vak, hun kennis, hun inhoud. Wij zeggen hier in het parlement dat men dat zeker nog mag doen. Afgelopen dinsdag hoorde ik in Bij Debecker meerdere leerkrachten zeggen dat ze dat niet mogen doen en dat de overheid moet ingrijpen en zeggen dat de leerkracht dat opnieuw mag doen. Gisteren heb ik nog leerkrachten gesproken die beweerden daar geen tijd voor te hebben omdat ze aan het vergaderen zijn over de verplichte fusie van hun school.

Minister, wij blijven hier vanuit de politiek zeggen dat dat niet moet, dat het een keuze is die men links kan laten liggen en dat men andere keuzes kan maken, maar men gelooft ons nauwelijks omdat er signalen van elders komen.

Minister, ik ben blij dat u zelf zegt dat we meer moeten halen uit die gevalideerde proeven maar de vraag is hoe we ervoor kunnen zorgen dat de mededeling dat het wel mogelijk is, effectief bij de leerkracht geraakt, zodat die zich gesteund voelt en weet dat zijn oproep au sérieux wordt genomen.

De heer Bogovic heeft het woord.

De signalen van de leerkrachten zijn vrij fel en zijn niet nieuw. In vrijwel elk contact dat ik persoonlijk heb met leerkrachten, komt het telkens opnieuw naar voren. Belangrijk om daarbij op te merken is dat deze meerderheid, zoals u zelf al aangaf, minister, grote stappen vooruit zet. Er zijn nieuwe eindtermen, het secundair onderwijs is gemoderniseerd, het basisonderwijs is versterkt, er is een nieuwe lerarenopleiding et cetera. Ik heb dan ook niet zozeer een vraag, maar eerder een suggestie: het zou niet slecht zijn om na te gaan hoe al die verbeteringen en stappen vooruit langzaam aan inbedden en hoe we kunnen zien dat dat op een goede, efficiënte en effectieve manier gebeurt, zodat we ervoor kunnen zorgen dat de leerkrachten de best mogelijke omkadering hebben om hun job uit te voeren.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ons onderwijs heeft nood aan ambitie, voorzitter, ambitie om de lat hoger te leggen en ook om de bestaande kloof te verkleinen. Het goede nieuws is dat we straks de kans hebben om in het belangrijke debat over de nieuwe eindtermen toch wel met zijn allen die ambitie te versterken door de ambitie te hebben om elke leerling over de minimumlat in ons onderwijs te halen in plaats van op populatieniveau tevreden te zijn dat leerlingen minimumdoelen halen die wij als samenleving en parlement belangrijk vinden. Dan zullen we er met zijn allen op vooruitgaan en dan zal de kwaliteit van ons onderwijs en het signaal aan de leerkrachten, mijnheer Daniëls, eindelijk versterkt worden.

De heer De Meyer heeft het woord.

De zorg voor kwaliteitsvol onderwijs is natuurlijk een zorg die ons allen eigen is, niet aan één fractie. Dat er knipperlichten zijn, minister, is duidelijk. De kwaliteit is op sommige vlakken mogelijk minder, maar tegelijkertijd moeten we daartegenover stellen dat de kwaliteit op andere vlakken toegenomen is. De vraag voor mij is natuurlijk of we alleen een megafoon moeten zijn van de knipperlichten dan wel of er een strategie is om daar gezamenlijk tegen in te gaan.

Voorzitter, vanavond gaan we het decreet over de eindtermen goedkeuren. Dat is niet onbelangrijk. De minister heeft gewezen op een hele reeks belangrijke beslissingen die reeds genomen zijn en ik meen mij te herinneren dat veel fracties in de loop van de legislatuur uitzonderlijk fier waren op hun inbreng, toen die decreten – en het zijn er nooit zoveel geweest – goedgekeurd werden. Bij ons is dat nog steeds het geval, minister. Ik denk dat de kwaliteit van onderwijs een werkwoord is voor ons allen, zowel voor het parlement, de minister, het werkveld, de leerkrachten en de ouders als voor de studenten.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, de kwaliteit van ons onderwijs, ik denk dat dat iets is wat ons allen heel fel beroert. Elke ouder wenst dat zijn kind het best mogelijke onderwijs krijgt. Collega Daniëls, u weet dat wij een zeer duidelijke rolverdeling hebben. Als overheid leggen wij vast wat wij verwachten dat onze leerlingen moeten kennen. U weet ook dat ik het niet eens ben met collega Gennez, als ze zegt dat we die eindtermen, die we straks goedkeuren, zomaar voor iedereen persoonlijk bindend hadden moeten maken. U hebt op Twitter wellicht ook de berichten gezien van een aantal leerkrachten die lesgeven op bepaalde scholen, in bepaalde richtingen, en die zeggen dat die eindtermen voor hun leerlingen zeer moeilijk te halen zijn en dat we rekening moeten houden met wat jongeren aankunnen.

Wij hebben ervoor gekozen om zeer ambitieuze eindtermen te maken voor de eerste graad en ik heb nog geen enkele Vlaamse leerkracht ontmoet die ze niet ambitieus vindt. Die eindtermen barsten van ambitie, maar ze moeten ook haalbaar zijn en uitgevoerd kunnen worden. Dat moeten we nu samen doen met scholen, sterke schoolbesturen en onze onderwijsverstrekkers. Wat dat betreft, denk ik dus dat we heel sterk inzetten op dat pad van ambitie en ik vind dat ook een beetje een breuk met het verleden, collega Gennez.

Ik zie dat veel scholen een enorme ambitie hebben om dat uitgevoerd te krijgen en om aan de slag te gaan met de nieuwe mogelijkheden die de modernisering van het secundair onderwijs hun biedt en met onze verwachtingen in verband met wat scholen effectief zullen geven.

Mijnheer Daniëls, u hebt gezegd dat leraren geen tijd hebben om tijdens de verbetering van examens rekening te houden met de taal omdat ze moeten vergaderen over de fusie van de school. (Opmerkingen van Koen Daniëls)

In dat geval heb ik u verkeerd begrepen, maar ik vind het bij de haren getrokken. Binnen een school worden afspraken gemaakt over de wijze waarop onder meer met het taalbeleid en met de beoordeling van taal wordt omgegaan. Ik vind het trouwens belangrijk dat de ouders dat ook weten. Ik vind het persoonlijk een goede zaak dat hier extra aandacht aan wordt besteed.

Mijnheer Bogovic, de gevalideerde proeven en de peilingproeven zijn twee verschillende zaken en dat brengt me bij uw opmerking over een goede monitoring. Dit hangt allemaal een beetje samen.

We mogen niet vergeten dat de modernisering volgend schooljaar begint. Sommigen wekken de indruk dat de modernisering al bezig is en klagen nu al over het niveau. Dat is niet correct. Als alles goed gaat, start de modernisering volgend schooljaar.

Mijnheer De Meyer, we doen dit om het niveau zeker voldoende hoog te houden. Ik ben daar trots op en ik ga ervan uit dat de N-VA daar ook trots op is. We hebben veel ambitie met ons onderwijs, maar dit zou niet met de eerste graad van het secundair onderwijs mogen stoppen. We zullen de tweede graad en de derde graad van het secundair onderwijs en het basisonderwijs natuurlijk ook grondig moeten herbekijken. Ik vind het relevant de komende jaren iets vaker te peilen om na te gaan of de lat wordt gehaald, of onze doelstellingen worden verwezenlijkt en of er al dan niet moet worden bijgestuurd. We moeten vooral het werkveld de kans geven met al deze zaken aan de slag te gaan. Ik ben ervan overtuigd dat scholen dit op veel plaatsen in Vlaanderen nu al op de best mogelijke wijze doen.

Minister, ik ben blij dat u het discours over ambitie en kennis overneemt. Dit is een van de thema’s die we als N-VA van in het begin hoog op de agenda hebben gezet en dat we letterlijk in de eindtermen vertaald hebben gezien. Daar gaat het echter niet over. De leerkrachten geven zelf aan dat het niet de eindtermen zijn die ervoor zorgen dat ze een doelstelling al dan niet halen. Het komt erop aan dat we die ambitie hier heel hard verkondingen en in eindtermen en andere zaken opnemen, maar dat er van de andere kant signalen komen om met de handrem op te rijden. Ik vind het dan ook heel positief dat hier vanop de bühne in het Vlaams Parlement tegen de leerkrachten wordt gezegd dat ze in alle vakken en voor alle toetsen taalvaardigheid mee mogen evalueren. Ik denk dat dit een belangrijk signaal is dat we dadelijk misschien allemaal moeten tweeten en facebooken, zodat leerkrachten weten dat de signalen dat dit niet mag, onjuist zijn en dat het wel degelijk mag.

Ik denk dat iedereen, zowel de leerkrachten als de overheid en de leerlingen, erbij gebaat is dat we peilingproeven en gevalideerde proeven zullen houden. Zo kan iedereen op een valide en wetenschappelijk betrouwbare wijze zien waar we staan. (Applaus bij de N-VA)

De actuele vraag is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.