U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, de peilingsproeven van het Frans hebben aangetoond dat 50 procent van de leerlingen uit het zesde leerjaar de eindtermen niet behalen. Uit die peilingsproeven halen we uiteraard nog meer informatie. Zo leren we dat 7 procent van de leerlingen die deelgenomen hebben, het Frans als thuistaal hebben of tweetalig worden opgevoed. Die 7 procent van de leerlingen haalt soms tot 50 procent hogere scores op de verschillende proeven dan de andere leerlingen. Zij hebben dus een gunstige invloed op de algemene gemiddeldes.

We leren ook uit het verslag dat, in tegenstelling tot de conclusie van de onderwijsinspectie vorig jaar, leerkrachten vrij zelfzeker zijn in het overbrengen van het  Frans aan de leerlingen, vooral als ze kunnen terugvallen op een handleiding. Zodra ze die handleiding moeten loslaten, daalt die zelfzekerheid van 90 procent tot 60 en zelfs 50 procent, wanneer ze bijvoorbeeld uitdagend materiaal moeten zoeken voor sterke leerlingen of wanneer ze willen inspelen op de interesses van de leerlingen.

We leren echter ook dat, wanneer er taalinitiatie wordt gegeven in het eerste leerjaar, dit een gunstig effect heeft op de resultaten. Ook wanneer er Frans gesproken wordt tijdens de lessen, heeft dat een gunstig effect op de resultaten.

Ook nog een klein element omtrent de nascholing. Leerkrachten voelen zich zelfzeker en voelen zich minder geneigd om nascholing te volgen. 54 procent volgt nooit nascholing Frans en 89 procent volgt ook geen bijkomende taalcursus Frans.

Dat zijn belangrijke conclusies die we trekken uit de peilproeven, naast nog vele andere, maar de tijd is te kort. Minister, waar wilt u op inzetten om ervoor te zorgen dat de leerlingen van het basisonderwijs wel de eindtermen bereiken?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Collega, ik dank u voor deze analyse van de peiling. Er waren trouwens twee peilingen. Er was ook een peiling techniek die zeer goede resultaten gaf in de eerste graad van het secundair onderwijs. Ik vind dit ook vermeldenswaardig, maar we zijn nogal gefocust op de zaken die minder goed lopen, en dat begrijp ik ook wel.

Wat u niet hebt aangehaald en wat voor mij ook niet zonder belang is, is dat meisjes zoveel beter scoren dan jongens. Er zijn gemengde klassen met een leerkracht, het is wel vreemd dat je dan tot andere resultaten komt als het gaat over jongens of meisjes. We moeten dat ook in het oog houden.

Ik denk dat we moeten werken op een aantal fronten omdat het de derde keer is dat we zo'n signaal krijgen. We hebben het vorig jaar gekregen bij de inspectie waar leraren zich niet zo zeker voelden om Frans te geven. U zegt dat het er nu anders staat, maar ik zou het niet helemaal zo volgen. Een aantal leerkrachten voelt zich heel zeker, maar er zijn ook leraren die zich niet zeker voelen. Als we kijken naar de resultaten, zien we dat een op vier altijd Frans spreekt in de les. Ik vind dat veel te weinig. De helft praat gemengd Nederlands of Frans, maar een op vier praat nooit Frans. Je voelt dat er toch iets schort aan de zelfzekerheid.

Het tweede signaal dat we hebben gekregen, is dat de toelatingsproef Frans na het secundair onderwijs voor mensen die leerkrachten willen worden, slecht is. Je zou kunnen denken dat er toch vakleerkrachten zijn in het in het secundair onderwijs en dat dit zou kunnen worden ingelopen, maar het blijkt niet zo te zijn. De resultaten na zes jaar secundair onderwijs zijn ook niet goed. Ook daar moeten we aan werken.

Wat zou ik nu doen? Ik heb de onderwijsverstrekkers bij mij geroepen. De eindtermen zijn gewijzigd in 2010. Er wordt een hoger abstractieniveau voor lezen gevraagd. De eindtermen bestaan dus wel, maar ze zijn onvoldoende geïmplementeerd. Dit kan niet. Onderwijsverstrekkers moeten eindtermen implementeren en uitvoeren. We zien dus dat leraren eigenlijk nog een beetje zijn blijven steken op het niveau zoals het vroeger was geformuleerd.

Ik ga ook advies vragen aan de Vlaamse Onderwijsraad, zeker als het gaat over hoe we leraren moeten inzetten. Er is bijvoorbeeld de discussie rond de vakleraar. Is dat een oplossing ja of neen? Voor mij is dat toch wel interessant om te weten. Een specialisatie lijkt me nuttig voor zij die het best zijn. Dat kan trouwens nu al.

We zijn aan het spreken met de academie voor Frans in Rijsel om leraren de kans te geven om in Frankrijk een opleiding te volgen. We moeten de nascholingsmogelijkheden verruimen en extra kansen bieden om in te zetten op Frans.

De resultaten van de toelatingsproef zijn niet goed, maar dit zal de lerarenopleidingen ertoe moeten aanzetten om extra in te zetten op Frans. Onderwijzer zijn, blijft een geïntegreerde opleiding. Dat moet dus zeker gebeuren.

U hebt het zelf gezegd: er is een enorm verschil tussen scholen die al of niet inzetten op vroege taalinitiatie. Goed begonnen, is half gewonnen. Het is zeer goed dat we als regering die mogelijkheden hebben verruimd. Ook dat neem ik op met de scholen om na te gaan op welke manier ze daar plaats aan kunnen geven. We zien dat er wel tijd genoeg wordt besteed aan het Frans, maar dat de tijd die wordt geïnvesteerd toch onvoldoende toelaat om de eindtermen te halen. Dus, zowel de opleiding als de nascholing en bijscholingsmogelijkheden als de houding van de leraren in de klas, is belangrijk.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt veel elementen aangeraakt. Ik zou er graag op ingaan, maar de tijd is te kort. Ik wil dus even de nadruk leggen op het belang dat onze fractie hecht aan het inzetten van vakleerkrachten. Vakleerkrachten Frans zijn doordrongen van Frans en van de taal, en zij kunnen naast de kennis van de taal ook de liefde voor de taal overbrengen. We denken dat het heel belangrijk is om in een mooi evenwicht te werken aan zowel de taalvaardigheid als aan de kennis van grammatica en woordenschat.

Vorig jaar zagen we in de resultaten van de Onderwijsinspectie dat van de toen onderzochte scholen slechts 2 procent inzet op vakleerkrachten. Minister, we zouden toch willen vragen hoe we dit meer kunnen stimuleren en meer kunnen inzetten op vakleerkrachten. Hoe wilt u de scholen daarvan overtuigen?

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, meertaligheid is voor Vlamingen altijd een troef geweest. Onze fractie vindt het cruciaal dat we blijven inzetten op die meertaligheid in het onderwijs. We moeten wel beseffen dat de context waarin we Frans leren veranderd is. Vroeger kwamen zowel leerlingen als leerkrachten in hun omgeving veel meer in contact met het Frans als taal. Dit heeft consequenties voor de kennis van de Franse taal, zowel bij leerkrachten als bij leerlingen. Dat betekent dat we het onderwijs op het vlak van Frans anders moeten inrichten.

U heb zelf positief en juist aangegeven waar de knelpunten zitten en waar het aangepakt moet worden. Het is belangrijk om in ons onderwijs vroeg genoeg te beginnen met het aanbieden van meerdere talen. Cruciaal is toch dat we blijven inzetten op de leerkracht. Elke leerkracht is een talenleerkracht, zowel voor Nederlands als Frans. Onze fractie vraagt om daar vooral sterk op in te zetten.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Vroeger beginnen met talen is in ons partijprogramma al decennialang een belangrijk issue. Meertaligheid is een troef, zeker voor een kleine regio. Ik begrijp dat mevrouw Krekels hier die vragen stelt. Het leeft al lang bij verschillende collega’s. Alleen kijken naar vakleerkrachten zal niet helpen, want in het secundair onderwijs vinden we al niet altijd de juiste mensen om het vak Frans te geven. We zullen verder moeten kijken om de mensen in het lager onderwijs te versterken om die taal te onderwijzen.

Vanuit onze fractie denken we een beetje buiten de gekende paden. Met de centra voor volwassenenonderwijs (CVO) hebben we onderwijsinstellingen, verspreid over heel Vlaanderen, waar andere burgers Frans gaan leren. Waarom zouden zij niet onze leerkrachten van het lager onderwijs versterken?

In een tweetalig land hebben we een ongelooflijk reservoir aan native speakers Frans. Hoever staan we met het inzetten van meer Franstalige Belgen, zeker in de grensgebieden tussen Vlaanderen en Wallonië, of in Vlaams-Brabant dat rond Brussel ligt? Daar zouden we toch mensen moeten kunnen vinden met een pedagogisch diploma die het Frans machtig zijn.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Ik haal enkele aspecten naar voren uit dit interessante debat, het is ook voer voor de discussie in de commissie. De opleiding van de leerkrachten is heel belangrijk. We zien dat mensen die stage lopen in scholen heel onzeker zijn als ze Franse les moeten geven.

Het al dan niet inzetten van een vakleerkracht is een heel interessant debat. We moeten wel opletten dat we niet te veel vakleerkrachten krijgen in de basisschool. De sterkte van het basisonderwijs is nog altijd de horizontale en verticale samenhang en de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de kinderen. Het kan gevaarlijk zijn om dat te veel in blokjes onder te verdelen.

Een derde, niet onbelangrijk punt, is de aansluiting op het secundair onderwijs. Vroeger waren er diverse goede proefprojecten, zoals Clef d’or, waarmee er gezamenlijke projecten werden gedaan tussen de derde graad en het eerste jaar van het secundair onderwijs, maar waar de secundaire scholen te veel op afhaakten.

Al die zaken moeten we doen. Ik wil vooral terugkomen op het leerplan, zoals de minister al zei: het leerplan van 2010 bepaalt duidelijk dat men in de klas moet inzetten op het spreken. Eigenlijk moeten de leerkrachten in elke les Frans ook met de kinderen Frans spreken. Dat gebeurt te weinig, en daarom halen de kinderen de eindtermen niet.

Mijn eerste opmerking hierbij is dat het inzetten van vakleerkrachten inderdaad opgenomen kan worden, maar wat mij betreft is de opleiding tot onderwijzer een geïntegreerde opleiding. Ik vind het van belang dat Frans een elementair onderdeel is van de opleiding die elke onderwijzer moet genieten. Je ziet dat veel scholen in Vlaanderen voor bepaalde vakken expertise delen. Leerkrachten die goed zijn in een bepaald vak gaan dan vaak wisselen. Zo kan dezelfde leerkracht in drie klassen van het vijfde leerjaar Frans geven. Dat vind ik zeer goed, zolang dat niet voor alle vakken gebeurt.

Frans kan daar zeker voor in aanmerking komen. Mevrouw Krekels, u hebt een punt omdat de liefde voor een taal op die manier ook wordt overgebracht. Om nu te zeggen dat dit het wondermiddel is, daar zou ik voorzichtig mee zijn omdat we na zes jaar secundair onderwijs zien dat de resultaten van de toelatingsproef toch niet goed zijn. En daar zijn het allemaal vakleraren. Dus verwacht er niet alle heil van. Elke leerkracht is een taalleraar, en dat moet in de opleiding blijven.

De toelatingsproef heeft iedereen wakker gemaakt. De resultaten Frans zijn slecht, ronduit slecht. De opleiding zal even een tandje moeten bijsteken om dat Frans weer op niveau te krijgen. Het gaat erom te durven praten. Ik heb ooit het verwijt gekregen dat mijn Engels niet goed was, maar ik heb wel durven spreken. Als je niet durft spreken, maak je fouten, en dan wordt het zeker niet beter. Ik zou dus zeggen: heb lef, durf een fout maken. Het is beter te spreken en een fout te maken dan om het niet te doen.

Als ik in de resultaten zie dat een kwart van de leraars blijkbaar nauwelijks Frans spreekt, dat de anderen voor de helft Frans spreken en dat één op vier in de Franse les Frans spreekt, dan maak ik me ernstig zorgen. Het gaat hier over basis-Frans, het gaat niet over het Frans van het zesde middelbaar, het is het Frans van het vijfde en het zesde leerjaar. Dit zouden we toch moeten kunnen.

Collega Vandenberghe, u hebt zeer terecht gezegd dat de eindtermen gewijzigd zijn en dat de focus op het spreken is komen te liggen. Daar knelt net het schoentje. De eindtermen zijn gewijzigd. Ik heb aan de professor die het onderzoek heeft geleid, gevraagd om te kijken naar het resultaat als men het niveau van de oude eindtermen zou hanteren. Hij zegt dat we dan niet zouden kunnen zeggen dat het niveau Frans achteruit is gegaan. Net op datgene waarop we wilden focussen, namelijk luisteren en je goed kunnen uitdrukken, is het niet beter geworden. Je ziet dus dat die eindtermen onvoldoende geïmplementeerd zijn. Daar moeten de onderwijsverstrekkers samen met ons en met de leraren aan werken om ervoor te zorgen dat het spreken erop vooruitgaat.

Collega's, er zijn dus heel veel zaken waarop we moeten inzetten. Iedereen is wakker. Ik heb van de onderwijsverstrekkers een duidelijke communicatie gezien. Dat is goed. We moeten de leraren ondersteunen.

Collega De Ro, ik ben zeker bereid om uw piste te bekijken, maar er moet ook tijd voor worden gemaakt. Vandaar ook nieuwe maatregelen in de cao om leraren wat meer ruimte te geven om te worden bijgeschoold en versterkt. Dat is broodnodig. Het kan niet allemaal binnen de uren die men op school moet zijn.

Iedereen heeft een wake-upcall gehad. We gaan zeer intens aan de slag om in een tweetalig land de kennis en de spreekvaardigheid van het Frans een stukje beter te maken. (Applaus bij CD&V)

Minister, ik wil nog drie zaken aanhalen, terugkomend op de zelfzekerheid van de leerkracht. Je hebt inderdaad een punt dat niet iedereen even zelfzeker is. Maar in de peilingsproef hangt het ook samen met de handleiding die wel of niet kan worden gebruikt. De onderzoekers hebben in hun toelichting aangegeven dat sommige handleidingen ronduit slecht zijn. Als we daar vragen over stellen, dan geven zij die handleidingen natuurlijk niet prijs, maar dan moeten we misschien toch durven kijken, als er scholen zijn die slecht scoren, naar de handleiding die ze gebruiken. Misschien kunt u als minister wel een zicht krijgen op welke handleidingen eventueel slecht zijn.

Een tweede zaak zijn de eindtermen Frans. Wij hebben de verantwoordelijkheid van de eindtermen, maar het zijn de onderwijsverstrekkers die daar leerplandoelen aan koppelen. Het is de derde keer op rij dat we een wake-upcall krijgen. Misschien moeten we dan ook wel eens naar de onderwijsverstrekkers gaan en een verantwoording vragen. Als dat negatief blijft, moeten we daar dan misschien ook een of andere consequentie aan verbinden.

Een laatste punt is dat de UCLL een banaba-opleiding opricht rond meertaligheid. Het principe waarin ze dat hebben gedaan, is misschien een goed idee om over te brengen naar Frans, wetenschap, techniek en muzische opvoeding om de leerkrachten die zijn afgestudeerd als bachelor nog een banaba te laten volgen voor die vakken waarin we heikele punten ondervinden. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Je vous remercie.

De actuele vraag is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.