U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 25 april 2018, 10.35u

Voorzitter
Lofredes
De voorzitter

Lofredes aan de heer Herman De Croo voor zijn vijftig jaar parlementair mandaat

Geachte heer minister-president Bourgeois, geachte dames en heren ministers van de Federale en de Vlaamse Regering, geachte heer Boel, erevoorzitter van de Vlaamse Raad, geachte heer Etienne De Groot, erevoorzitter van het Grondwettelijk Hof, geachte collega’s-volksvertegenwoordigers, zowel Vlaamse als federale, geachte heer Dirk Van Mechelen, voormalig ondervoorzitter van het Vlaams Parlement, geachte mevrouw de partijvoorzitster Gwendolyn Rutten, geachte mevrouw De Croo, geachte vicepremier Alexander De Croo, geachte mevrouw Ariane De Croo, beste familieleden, vrienden en kennissen van de jubilaris, en vooral … geachte heer De Croo, beste Herman, al vijftig jaar lang staat u ten dienste van de parlementaire instelling, van de Kamer, de Senaat en ten slotte van het Vlaams Parlement. U bent de eerste aan wie in dit halfrond hulde wordt gebracht voor vijftig jaar onafgebroken parlementaire en ministeriële werkzaamheid. U bent wellicht ook de laatste. (Gelach)

U hebt dat trouwens deze morgen al aan mij bekend op mijn kantoor, maar het stond al in mijn toespraak. Een gemiddelde politieke loopbaan beslaat vandaag acht tot negen jaar. U daarentegen hebt het vijftig jaar volgehouden en u bent telkens opnieuw verkozen.

Na grondig opzoekingswerk zijn we erachter gekomen dat u nu als ‘50-plusser’ het gezelschap geniet van zes andere illustere vijftigers, parlementsleden en ministers. Ze heten Pierre Tack, Amedée Visart de Bocarmé, Auguste Raemdonck van Megrode, Henri Carton de Wiart, Frans Van Cauwelaert, Camille Huysmans, en dan hebben we nu Herman De Croo de Brakel. (Gelach)

U hebt me deze morgen alweer terechtgewezen, want u bent een lopende encyclopedie. U hebt immers tegen mij gezegd: “Ja, maar die twee, Frans Van Cauwelaert en Camille Huysmans, hebben onderbrekingen gehad, al dan niet tijdens de Eerste of de Tweede Wereldoorlog.” Ze waren niet fysiek aanwezig, zoals u dat deze morgen aan mij hebt uitgelegd, en u bent vijftig jaar wel altijd fysiek aanwezig geweest. (Gelach)

Al deze eerbiedwaardige voorgangers werden geboren in de 19e eeuw, in een andere tijd. Behalve Camille Huysmans, die een socialist was, waren het allemaal volksvertegenwoordigers voor de Katholieke Partij. U bent de eerste liberaal met een ononderbroken mandaat van vijftig jaar! (Applaus)

Het applaus werd vooral aangezet door Bart Somers toen ik het woord ‘liberaal’ uitsprak, maar goed …

U bent dus bij wijze van spreken een politieke marathonloper. Slechts zeer weinigen wagen zich aan die combinatie van politiek en marathon. En wie dat toch riskeert, zo hebben we zondag nog gehoord, spreekt achteraf van een bijna-doodervaring.

Beste Herman, u bent geboren en getogen in de streek van Brakel. U bent er in de politiek opgegroeid, in een familie van welgestelde boeren met meer dan één burgemeester. Ook uw vader was burgemeester. Thuis was het de zoete inval, een komen en gaan van mensen die geholpen werden.

Als student deed u het uitstekend: primus perpetuus aan het jezuïetencollege in Bergen. Uw bedje leek al gespreid in het seminarie, maar dat belette u toch niet om later te kiezen voor de niet zo godsvruchtige PVV.

Uw studies in de rechten en de politieke en diplomatieke wetenschappen aan de ULB fleurde u elk jaar op met een grote onderscheiding. Daar, in Brussel, zette u ook uw eerste stappen in de politiek: in 1957 werd u voorzitter van de nationale vereniging van liberale studenten. Een jaar later maakte u al deel uit van het nationale partijbureau. U wist toen al dat u minister van Onderwijs wilde worden, al moest u eerst nog een paar andere stappen zetten, onder andere in het huwelijksbootje.

U was een beloftevol academicus en een advocaat aan de balie van Oudenaarde. Samen met uw vrouw vertrok u naar Amerika, waar u nog een jaar ging bijstuderen aan de universiteit van Chicago. Kort na uw terugkeer, in 1964, trad u in de sporen van uw vader en u werd gemeenteraadslid en ook de laatste burgemeester van het landelijke Michelbeke.

Vier jaar later begon u aan het avontuur waarvoor u nu gehuldigd wordt, omdat het al een halve eeuw voortduurt. U werd verkozen als PVV-volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Oudenaarde. U hebt deze morgen nog eens helemaal uitgelegd hoe het ging met de apparentering. Dat was niet altijd een vanzelfsprekendheid.

Het was 1968, een revolutionair jaar maar niet in het parlement. Hoewel … Al na enkele maanden moest u van voorzitter Achiel Van Acker het halfrond verlaten omdat u geen das droeg: u werd als 30-jarig groentje beschouwd als een liberaal ‘joenk’ avant la lettre. Maar u liet uw rechten gelden en dwong ze desnoods af. U verzette zich met de woorden: “Ik zit hier door de macht van het volk en ga pas weg met de kracht van de bajonetten!”  Dat zou niet uw laatste pittige uitspraak worden.

Leo Tindemans nam u in 1974 op in zijn regering als minister van Nationale Opvoeding. U omschreef uw departement zelf als ‘de zwaarste op zijn buik liggende olifant die u ooit heeft ontmoet’.

Bovendien, en ook dat hebt u ooit zelf gezegd, bent u “een windhaan, de beweeglijkheid zelf, gevoelig voor elke verandering maar rotsvast op zijn spil.” Tot groot jolijt van heel Vlaanderen voerde u het VSO overal in – voor de jongere generatie hier aanwezig: het Vernieuwd Secundair Onderwijs.

In 1978 keerde u als fractieleider van de Vlaamse liberalen terug naar de oppositie. Met hand en tand verzette u zich toen tegen de toekenning van de volmachten aan de regering.

Twee jaar later, in 1980, zat u weer in de regering, de tripartite van Wilfried Martens, als minister van PTT en van Pensioenen. Een jaar later verhuisde u naar Verkeerswezen en tussen 1985 en 1988 kwam ook Buitenlandse Handel onder uw hoede. In die periode joeg u de vakbonden en menig politicus tegen u in het harnas. U regeerde volgens het motto “streng wat de principiële kant van de zaak betreft, soepel in de uitvoering”. U hervormde de noodlijdende NMBS en RTT, en met het aantrekken van koerierdienst DHL voerde u op Zaventem de nachtvluchten in. Daarmee hebt u de politici al meer dan dertig jaar overwerk bezorgd. (Gelach)

Niets of niemand kon u stoppen. Ook Louis Tobback niet, toen die ermee dreigde zichzelf op de sporen te leggen als de hogesnelheidstrein bij hem in de buurt aangelegd zou worden. Integendeel, die uitspraak zette u tot nog meer spoed aan. (Gelach)

In 1991 maakte u een zijsprong. U ging naar de Senaat, waar u het pluche deelde met enkele van uw goede vrienden uit de koninklijke familie. Volgens heel recente verklaringen in de pers gaf u prins Laurent daar niet alleen politiek advies. (Gelach)

Dat staat vandaag in een of ander blaadje. Zo heb ik het toch gelezen, nietwaar, mijnheer De Croo?

Hoogtepunten in uw carrière zijn ongetwijfeld uw benoeming tot minister van Staat en uw verkiezing tot voorzitter van de Kamer in 1999. Deze laatste functie oefende u acht jaar lang uit, waarna u ook nog twee jaar ondervoorzitter bleef. In de Kamer gooide u de deuren open en liet u de media binnen. Met het wekelijks vragenuurtje bracht u de politiek een stap dichter bij de burger.

Bij de recentste verkiezingen in 2014 ruimde u plaats in de Kamer voor uw zoon Alexander en kwam u eindelijk terecht in het heilige der heiligen, het Vlaams Parlement. Dat u hier onder meer actief was in de commissie Landbouw, mag niet verwonderen. U gaat er namelijk nog altijd prat op dat u een landbouwer bent. U noemt dat zelfs uw eerste beroep.

Beste Herman, hoelang uw carrière duurt, blijkt uit de vaststelling dat u de enige verkozen politicus bent die over alle zes de staatshervormingen mee heeft gedebatteerd en beslist. Die staatshervormingen versterken het regionale niveau. Als uitgesproken belgicist hebt u al deze hervormingen toch mee correct uitgevoerd. Daarmee bewijst u dat u zich telkens loyaal opstelt voor de instelling waarvoor u verkozen bent of waar u deel van uitmaakt.

Deze loyauteit bewees u ook bij uw speech na de verkiezingen van 2014. U mocht toen als verkozene met de meeste anciënniteit de nieuwe legislatuur van dit Vlaams Parlement openen. Ik zie u overigens elk jaar opnieuw in september glunderen, wanneer u als de nestor vanop de voorzittersstoel het parlementaire jaar mag openen. Van zulke momenten geniet u, en ze bewijzen dat het politieke vak voor u een roeping is. “Als je in je ziel en je hart geen passie en geen ambitie hebt voor de stiel van politicus, blijf er dan uit”, zo was en is uw credo.

Die roeping hebt u op vele manieren in de praktijk omgezet. Naast de parlementaire vergaderingen was u actief op de beide uiteinden van het spectrum: enerzijds deed u dienstbetoon op gemeentehuizen en alle mogelijke plaatselijke buurtactiviteiten, anderzijds vertoefde u vaak in verre buitenlanden. U bouwde een enorm netwerk op, van Congo tot Azerbeidzjan en van de Verenigde Staten tot Letland. Het is en blijft een bijzondere combinatie: u schuift met evenveel plezier aan bij het banket van een staatshoofd als bij de pensenkermis van uw dorp.

In al die omstandigheden bleef u trouw aan uw principiële liberale overtuiging, Als rasoptimist geloofde u in vooruitgang en verdraagzaamheid. En u bent “een beetje stout”. Dat zei u zelf en dat heb ik persoonlijk, als lid van mijn huidige fractie en de voorganger daarvan, aan den lijve ondervonden. Ik zal u straks wel uitleggen waarover dit gaat. (Gelach)

Ook al was ze soms stout, uw welsprekendheid was legendarisch. U doorspekte uw doodernstige tussenkomsten geregeld met een soms cryptische vorm van eigenzinnige humor. Als men u vraagt hoe De Croo wordt geschreven, antwoordt u steevast: “Met twee nullen”! Dergelijke oneliners cultiveerde u als uw handelsmerk. Artistieke vrijheid schuwt u niet. Wanneer de taal u tekort schiet, vindt u de woorden zelf maar uit.

Naast uw politieke loopbaan bekleedde u nog tal van andere functies. Uw dagen telden blijkbaar 28 uur of nog meer, want u dartelde van prinselijke stichtingen naar het blinkende Autoworld en tussendoor hield u uw advocatenpraktijk draaiende. Herbronnen deed u thuis, samen met uw gezin, te midden van uw fruitbomen, uw land en ook tijdens ritjes te paard. Nochtans is paardrijden een sport, en dat hebt u zelf ondervonden, die soms nog gevaarlijker is dan politiek.

In 2012 verliet u de Brakelse politiek en droeg u de burgemeesterssjerp over aan uw zoon. Dat was een emotioneel moment, net zoals ook deze hulde ongetwijfeld de nodige ontroering losweekt.

Beste Herman, we kennen allemaal het bekende politieke citaat van James Freeman Clarke: “Een politicus denkt aan de volgende verkiezing, een staatsman aan de volgende generatie.” Ik durf u niet resoluut bij een van die beide categorieën te rangschikken. Het zou van verregaande arrogantie getuigen als wij, politici, onszelf meteen staatsman zouden wanen. Wij kunnen als sterfelijke wezens het etiket van staatsman alleen maar nastreven. En laat de geschiedenis achteraf maar oordelen of we dat etiket verdienen.

Beste Herman, waarom u blijft doorgaan in de politiek, hebt u zelf vijf jaar geleden in de media aan de hand van volgende anekdote toegelicht, en ik citeer: “Een oudere landbouwer zei tegen mij: ‘Herman, jij moet stoppen met politiek. Je bent nu 75.’ Ik zeg: ‘Je hebt gelijk. Maar dan moet jij stoppen met stemmen. Als ik te oud ben om kandidaat te zijn, ben jij te oud om te stemmen.’ En het debat was voorbij.” Einde citaat. (Gelach)

Over oude knarren – als ik het zo oneerbiedig mag zeggen – wordt dikwijls verteld dat ze plaats moeten maken voor jong geweld. Maar oude knarren zijn ook oude vossen, en daarom ben ik ervan overtuigd dat u ook na uw tachtigste uw onherroepelijk afnemende energie in de politiek zult compenseren met sluwheid en ervaring.

Ik wens u daarbij in de allereerste plaats een goede gezondheid, en veel succes in uw 51e en eventueel daaropvolgende parlementaire jaren. En ik vraag nu een heel groot applaus voor Herman De Croo. (Applaus)

– De voorzitter overhandigt de medaille voor vijftig jaar parlementair mandaat aan de heer Herman De Croo.

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Mijnheer de voorzitter, geachte leden van het Vlaams Parlement en van de Kamer van volksvertegenwoordigers, geachte collega’s van de Vlaamse Regering, van de Federale Regering en van de Brussels Hoofdstedelijke Regering, geachte familieleden van Herman De Croo, in het bijzonder mevrouw De Croo, zoon Alexander en dochter Ariane en de lieve kleinkinderen, zeer geachte genodigden allemaal, maar in het bijzonder, geachte heer De Croo, beste Herman.

Toen het nog vrij uitzonderlijk was dat iemand de leeftijd van 100 jaar bereikte, luidde een klassieke vraag aan de eeuweling: “Wat hebt u gedaan om 100 jaar te worden?” Nu we hier samen zijn om het vrij uitzonderlijke feit te vieren dat iemand vijftig jaar onafgebroken zitting heeft in het parlement, zouden we aan de betrokkene de vraag kunnen stellen: “Wat hebt u gedaan om vijftig jaar parlementslid te zijn?” En dan zou de jubilaris van vandaag net hetzelfde antwoord kunnen geven als de 100-jarige: “Ik ben er op tijd aan begonnen.”

Beste Herman, u bent er op tijd aan begonnen, in 1965 al. U was amper 28 jaar, nog maar enkele maanden gemeenteraadslid en burgemeester van Michelbeke, en bij de parlementsverkiezingen van 23 mei 1965 eerste kandidaat-opvolger op de PVV-Kamerlijst in het piepkleine arrondissement Oudenaarde. Drie jaar later, in 1968, was u al lijsttrekker en werd u tot Kamerlid verkozen.

Uw parlementaire loopbaan is begonnen bij een van de belangrijkste en gevolgenrijkste verkiezingen van de 20e eeuw. Op 7 februari 1968 was de regering-Vanden Boeynants gevallen over de Leuvense kwestie, over de doortrekking van het staatsrechtelijke territorialiteitsbeginsel tot het hoger onderwijs, het laatste publieke domein waar het nog niet van toepassing was.

De verkiezingen van 31 maart waren een politieke aardschok. De vier zogenaamde nationale partijen – de christelijke, de socialistische, de liberale en de communistische – verloren vijftien Kamerzetels aan de zogenaamde federalistische partijen: de Volksunie, het Rassemblement wallon en het FDF.

De politieke elite kon uit de verkiezingsuitslag niets anders concluderen dan dat – en ik citeer toenmalig eerste minister Gaston Eyskens – “de unitaire Staat, met zijn structuur en zijn werkwijze zoals die thans door de wetten nog geregeld zijn, door de gebeurtenissen achterhaald is” – einde citaat – en dan te beginnen met de verbouwing van het unitaire België tot een federale staat.

Dames en heren, het is al gezegd, van alle actieve parlementsleden in dit land, is Herman De Croo de enige die, weliswaar vanuit de oppositie, nog meegewerkt heeft aan de grondwetsherziening van 1970 en de eerste staatshervorming: een staatshervorming waarvan het zwaartepunt de invoering was van cultuurautonomie en de oprichting van de cultuurraden, onder meer de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, de voorloper van dit Vlaams Parlement.

En zo kunnen we een boog van een halve eeuw spannen tussen dinsdag 23 april 1968, de dag waarop Herman De Croo de eed aflegde als lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, en vandaag, de dag waarop wij Herman De Croo als lid van het Vlaams Parlement huldigen voor zijn vijftigjarig parlementair mandaat.

Herman, ooit hebt u voorspeld: “Ik blijf in de Kamer tot ik sterf, en dan ga ik naar de Senaat.” (Gelach)

Het is enigszins anders gelopen. U hebt de Kamer levend verlaten en u bent naar het Vlaams Parlement gekomen. Dat u hier, in het Vlaams Parlement, uw gouden parlementair jubileum zou vieren, dat zult u zelfs in uw meest morbide dromen niet verwacht hebben. (Gelach)

Zeker, u plaatst hier geregeld een kwinkslag, u strooit geregeld een decrooïsme in dit halfrond, u doet geregeld een gevatte tussenkomst, u houdt geregeld een aparte en aperte toespraak, maar eigenlijk weten we allemaal: dit is niet uw echte biotoop. De boom is jong en krachtig, maar de parlementaire boom was wellicht iets te oud om nog verplant te worden.

Beste Herman, van uw lange en rijke politieke loopbaan heeft de voorzitter een breed panorama geschetst. Voor die lange en rijke politieke loopbaan heeft hij u van harte gefeliciteerd. In mijn persoonlijke naam en in naam van de Vlaamse Regering sluit ik me volgaarne en welgemeend bij die felicitaties aan.

Vijftig jaar parlement, dat betekent honderden tussenkomsten, honderden wetsvoorstellen, honderden en wellicht veel meer amendementen. En in het geval van Herman De Croo ook enkele honderden huisgemaakte uitspraken, daarom en alom bekend als decrooïsmen.

Afgezien van vergelijkingen tussen, bijvoorbeeld, Vlaams-nationalisten en mensen met een mentale handicap, zijn decrooïsmen doorgaans pareltjes van prikkelende scherpzinnigheid of puntige geestigheid, die tot nadenken stemmen of een instemmende glimlach uitlokken. Een enkele keer vragen ze om een corrigerende kanttekening.

Zo’n kanttekening wil ik maken bij het vaak geciteerde decrooïsme – ik citeer: “Oppositie voeren is als fietsen op rollen. Men maakt zich moe, kneedt de spieren, versterkt hart en longen, maar raakt geen millimeter vooruit.” Afgezien van het feit dat geknede spieren, een sterk hart en sterke longen een conditio sine qua non zijn voor een lang leven, is deze uitspraak vrij denigrerend voor de oppositie. Ze wekt minstens de indruk dat oppositiewerk vruchteloos, ja zelfs nutteloos zou zijn. Dat is het evenwel niet. Helmut Schmidt, de grote Duitse staatsman, schreef: „Demokratie ohne Opposition ist keine Demokratie” – democratie zonder oppositie is geen democratie.

Het systeem om politieke conflicten te beheersen door in verkiezingen en in het parlement oppositiepartijen in competitie te laten treden met regeringspartijen, noemde de Amerikaanse politicoloog Robert Dahl een van de grootste sociale uitvindingen van de mensheid. Toen Dahl in 1966 zijn standaardwerk ‘Political oppositions in Western democracies’ schreef, waren er onder de 113 lidstaten van de Verenigde Naties slechts een dertigtal die een dergelijke vorm van oppositie hadden.

Dames en heren, vandaag zijn er 193 staten lid van de Verenigde Naties, maar nog altijd heeft minder dan de helft ervan een oppositie die naam waardig. Helmut Schmidt slaat de nagel op de kop: democratie zonder oppositie is geen democratie. Zoals het strand bij de zee hoort, en de Berendries bij Michelbeke, zo hoort oppositie bij regeren.

Een sterke regering heeft een sterke oppositie nodig. Oppositiewerk is niet steriel, niet vruchteloos, niet nutteloos. Onderzoek van Wilfried Dewachter heeft aangetoond dat ook oppositiepartijen een belangrijk deel van hun verkiezingsprogramma kunnen realiseren, niet alleen programmapunten die ze gemeen hebben met andere partijen, maar ook eigen programmapunten.

In 1998 zei toenmalig VLD-voorzitter Guy Verhofstadt dat de voorbije tien oppositiejaren, ik citeer, “geen frustrerend verblijf in de wachtkamer” waren geweest. Hij had het gevoel, ik citeer opnieuw, “dat wij de voorbije tien jaar een serieuze stempel hebben gedrukt op het maatschappelijk debat. Heel de discussie over de privatisering van overheidsbedrijven als middel om de overheid te dynamiseren hebben wij aangetrokken. Men heeft dat in de meerderheid voor een stuk overgenomen”.

En viel, beste Herman, een van de hoogtepunten in uw parlementaire loopbaan niet op 2 oktober 1996? Die dag, ik herinner het me nog zeer levendig, aan het begin van de bespreking van de regeringsverklaring, de zogenaamde State of the Union, legde u de regering-Dehaene het oppositievuur aan de ministeriële schenen met uw onthullingen over swap-operaties met overheidsgeld. Zelf heb ik als Kamerlid in de oppositie mijn parlementair werk nooit als luchtfietserij, als trappelen ter plaatse beschouwd, integendeel.

Beste Herman, tussen uw eerste parlementaire rede in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, op 10 juli 1968, bij de openbare bespreking van de begroting voor de rijkswacht, en uw voorlopig laatste tussenkomst in de plenaire vergadering van dit Vlaams Parlement, op 21 maart bij het bezoek van de Luxemburgse eerste minister, ligt een halve eeuw.

Mocht iemand ooit willen inventariseren wat u in die vijftig jaar politiek hebt gezegd en gedaan, dan zou zij of hij er met één boekdeel niet komen. Onder de mannen en vrouwen die in die halve eeuw gedurende korte, lange tot heel lange tijd het volk hebben vertegenwoordigd, behoorde u nooit tot de grijze mussen. Integendeel, u was een witte merel – zelfs onder uw blauwe collega’s.

U was en u bent, Herman, een briljante geest, met een formidabele kennis van haast alle domeinen van de samenleving en met een bliksemsnel verstandelijk reactievermogen.

U was en u bent, Herman, een knap redenaar, die alle knepen van de retorica beheerst en die op ambachtelijke wijze een eigen woordenschat en beeldspraak boetseert.

Aan die beide kwaliteiten – uw briljante geest en uw retorisch talent – zal noch uw klassieke humaniora bij de priesters van de Societas Jesu noch uw gehechtheid aan het vrije denken vreemd zijn. Ik geloof niet dat ik de waarheid geweld aandoe, als ik zeg dat u het beste van de jezuïeten en van de vrijzinnigheid in u verenigd hebt.

Uw meertaligheid is een van uw sterkste politieke troeven. En ook uw ijzersterke fysiek kunnen de meesten onder ons alleen maar benijden.

Vanuit mijn persoonlijke ervaring kan ik getuigen dat u een goed, wat zeg ik, een uitstekend Kamervoorzitter was. Ik bewaar aan die periode de beste herinneringen.

U zat urenlang gebeiteld op de voorzittersstoel – de ‘perchoir’, zoals onze Franstalige collega’s zeggen. U liet iedereen aan bod komen, maar u volgde attent en wie in herhaling viel, kreeg het bekende time-outteken van Herman De Croo te zien.

Dames en heren, beste Herman, in 1966 schreef u als assistent van Walter Ganshof van der Meersch en samen met Robert Huenens ‘Het parlement aan het werk’. Twee jaar later ging u zelf aan het werk in het parlement. Vijftig jaar al schrijft u mee onze parlementaire en politieke geschiedenis.

Ik eindig met mijn grote dank, mijn grote waardering voor uw onovertroffen bijdrage aan de publieke zaak. Ik wens u veel gezonde, veel creatieve en veel inspirerende jaren toe. (Applaus)

De voorzitter

Dames en heren, wij luisteren nu naar mevrouw Emma Posman, sopraan, begeleid door de heer Bert De Rycke aan de piano.

Zij brengen voor ons de aria ‘Geme la tortorella’ uit de opera ‘La finta Giardiniera’ van Wolfgang Amadeus Mozart.

– Emma Posman en Bert De Rycke brengen de aria 'Geme la tortorella'. (Applaus)

Dames en heren, indien u wilt weten wie Emma Posman en Bert De Rycke zijn, in het programma staat het beschreven. Het is voor hun jeugdige leeftijd al een indrukwekkende lijst. Proficiat.

De heer Somers, fractievoorzitter van Open Vld, heeft het woord.

Bart Somers (Open Vld)

Geachte leden van de Federale Regering, de Vlaamse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, geachte partijvoorzitter, dames en heren, in het bijzonder mevrouw De Croo, beste Alexander en Ariane, geachte collega’s, beste Herman, ik wil met de deur in huis vallen.

Herman, u houdt van risico’s. U hebt uitgerekend mij gevraagd de laatste laudatio uit te spreken. Uw lot ligt nu in mijn handen. Ik sta overigens voor een onmogelijke taak, want een indrukwekkende loopbaan van vijftig jaar als parlementslid kan niet in een kort tijdsbestek worden beschreven. Ik zal me daarom noodgedwongen tot de hoofdlijnen beperken en slechts een viertal uur spreken. (Gelach)

Laat me beginnen met enkele misverstanden weg te werken, zeker ten aanzien van onze jongere collega’s. De eerste keer dat Herman werd verkozen, was het algemeen enkelvoudig stemrecht wel degelijk ingevoerd en konden vrouwen ook al naar de stembus. Neen, Herman was niet aanwezig op het stichtingscongres van de liberale partij in 1846, was er niet bij toen België werd gesticht en is nooit, daar wil ik duidelijk over zijn, samen met Leopold II naar Congo geweest. (Applaus. Gelach.)

Herman, niettegenstaande dat blijft de omvang van uw parlementaire loopbaan van vijftig jaar adembenemend indrukwekkend. U hebt generaties politici zien komen en gaan. U zat in het parlementaire halfrond of in de regeringsbanken met de vaders en soms zelfs met de grootvaders van hen die vandaag uw collega’s zijn.

U hebt de volledige evolutie van unitaire naar federale staat meegemaakt, elke staatshervorming, maar ook de industrialisering van Vlaanderen, de digitale revolutie en de emancipatiestrijd van vrouwen, holebi’s en mensen met een migratieachtergrond. Toen uw carrière begon, was er van fileleed geen sprake, was er geen migratiedebat, waren er geen gewestplannen en zelfs geen ruimtelijkeordeningsbeleid, waren er geen computers. Er waren geen sociale media. Wat een mooie tijd. Er was zelfs geen man op de maan geweest. De staat was veel vetter en logger dan vandaag. Door de schuld van de vele overheidsmonopolies, die mede dankzij u werden doorbroken, moesten mensen, bijvoorbeeld, meer dan een maand op een telefoonaansluiting wachten en waren vliegtuigreizen voor gewone gezinnen onbetaalbaar. Senatoren moesten toen nog minstens 40 jaar oud zijn en Kamerleden moesten 25 jaar oud zijn. Ze hadden nog geen medewerkers. Ze moesten toen nog zelf werken. (Gelach)

Het was een merkwaardige tijd. De ministers waren nog tegelijkertijd parlementslid. De verzuiling stond pal overeind en de kerken zaten vol.

Uw carrière begon op een scharniermoment in onze geschiedenis. Net in het jaar dat u uw intrede in het parlement deed, liep een jonge generatie storm tegen het gezag, en tegen de verstikkende, vaak schijnheilige moraal van die tijd. Ze eisten democratisering en kondigden nieuwe tijden aan.

In datzelfde revoltejaar brak eveneens de Vlaamse beweging door en kwam het federalisme op de politieke agenda, met ‘Leuven Vlaams’ als breekijzer. De Club van Rome werd toen net opgericht, een club die vier jaar later een verontrustend rapport publiceerde dat leefmilieu in één klap tot politiek hangijzer bombardeerde.

In dat ongemeen boeiend tijdsgewricht begon uw indrukwekkende politieke loopbaan. Sindsdien hebt u zowat alle denkbare en ondenkbare posities in het politiek speelveld bezet. Er is, zonder enig overdrijven, niemand met uw op ervaring gebaseerde kennis van onze politieke instellingen, niemand die op de eerste lijn zo veel veranderingen, hervormingen, crisissen, nederlagen en successen heeft gezien. U hebt dat niet enkel gedaan als toeschouwer vanop de zijlijn. Veel meer nog had u de rol van actor, katalysator en beslisser.

U hebt tijdens die vijf decennia met brio uw politieke rol op verschillende manieren ingevuld. De ene keer was u de briljante inspirator. Want inspireren, dat kunt u. Wie met u mocht werken, kent uw indrukwekkende dossierkennis, uw historische besef en intellectuele creativiteit, uw openheid voor nieuwe inzichten. U kijkt over de landsgrenzen, beschikt over een nooit gezien netwerk van vrienden en geestesgenoten en was vaak erg innoverend. Soms liep u te ver voorop. Hoeveel keer hebben wij in de fractie, collega’s, niet moeten horen dat nieuwe beleidsmaatregelen al tien soms vijftien jaar geleden door u werden bepleit, maar toen nog werden weggezet als futuristisch of onhaalbaar. U bent daar niet door gefrustreerd, maar vindt er integendeel een zekere intellectuele voldoening in, een zoete streling van het politieke ego. U was eerst, misschien te vroeg, maar u hebt uiteindelijk gelijk gekregen.

U kunt inspireren, maar u kunt ook bruggen bouwen. Verzoenen. Binnen en buiten de partij. Met uw neiging tot speelsheid – die we delen –, met uw – laat ik zeggen – taalkundige capriolen, kunt u een klimaat van ontspanning en camaraderie creëren. Herman, dames en heren, heeft de gave om als eerste onverwachte verbanden te zien en te leggen. Soms ziet hij zelfs verbanden die er niet zijn. Maar dat is niet erg, hij overtuigt de rest van de vergadering dat er is wat er niet is. (Gelach)

U kunt mild zijn, met een zweem van minzaam sarcasme. U bent empathisch, verplaatst u gemakkelijk in de gedachtegang van anderen. U kunt politiek verleiden, overtuigen. En daarbij komt soms Machiavelli om de hoek kijken: het doel durft wel eens de middelen te heiligen. Niet altijd en niet te veel, maar een akkoord, een toezegging, hoe ze ook verkregen wordt, blijft toch ook altijd een overwinning. En winnen, dat doet u graag.

Iemand die inspireert en een bruggenbouwer, maar wanneer nodig, is Herman De Croo evenzeer een rots in de branding. Hij verdedigt consequent wat voor hem essentieel is, vaak met een zekere hardnekkigheid, waar – en ik druk me voorzichtig uit –  pedagogische herhaling niet wordt geschuwd. Partij- en fractiegenoten weten dat u kunt hameren en blijven hameren op een nagel als het thema u na aan het hart ligt. Hameren, blijven hameren, en nog eens... Voor een fractieleider, Herman, niet altijd gemakkelijk. Als uw principes worden aangevallen, ontwaakt in u een zeker vuur van verontwaardiging, van politieke opwinding. U kunt dan scherper worden. U hebt geen angst voor confrontatie als onze liberale beginselen in het geding zijn. U durft in de wind te staan, stug, onbuigzaam, kordaat. Desnoods alleen. Helemaal alleen, moedig tegen alles en iedereen in. Er zit trouwens een einzelgänger in u, een non-conformist. Iemand die als iedereen A roept, zich afvraagt: waarom niet B?

U bent van nature ook een milde conservatief. Tradities moeten niet zomaar overboord worden gegooid. Ze bieden houvast, ze brengen structuur in onze samenleving. Die overtuiging merk je wanneer u privé met liefde over uw vader, uw grootvader en uw familie spreekt, of vertelt over de geschiedenis van uw streek, de Vlaamse Ardennen, die altijd de vrijheid heeft omarmd.

Die ongewone combinatie van enerzijds creativiteit, speelsheid, non-conformisme en anderzijds hechten aan traditie, maakt u enigszins enigmatisch, moeilijk leesbaar voor buitenstaanders. Het vraagt, dames en heren, vele jaren observatie of – als ik het in uw onnavolgbare taal mag zeggen – vele jaren studie in het vak van de ‘croo-o-logie’ – vier nullen – om dit goed en vooral goed naar waarde te kunnen schatten. Onrustig, weetgierig, zoekend en tegelijkertijd vasthoudend in wat essentieel is. Voluntaristisch en traditioneel tegelijk. Wie in u alleen de klassieke burgerlijke liberaal ziet, heeft heel weinig van Herman De Croo begrepen. Er zit in u een zoete rebel, een zachte geus. U leeft en handelt als een man van stand, maar tegelijkertijd is uw geest te vrij om zich door conventies te laten inkapselen. De etiquette, de structuren en instellingen: u respecteert ze en verdedigt ze. U hecht er belang aan, meer dan de meesten hier aanwezig. Maar tegelijkertijd kunt u alles relativeren, subtieler, maar tegelijkertijd diepgaander dan velen van ons. Uw grondhouding roept soms zachte melancholie op, vergelijkbaar met de manier waarop Stefan Zweig zijn verloren gegane burgerlijke, ethisch rijke Europa heeft beschreven.

Collega’s, ik wil tot slot een aantal uitgesproken eigenschappen van Herman De Croo analyseren. Ik laat bij deze studie zijn gebreken buiten beschouwing... anders zitten we hier vanavond nog. Ik beperk mij tot drie bijzondere positieve kwaliteiten die de politicus De Croo volgens mij maken tot wie hij is.

Vooreerst ken ik eigenlijk niemand met zoveel onuitputtelijke energie. Ik heb Bart Tommelein al heel vaak in uw richting zien kijken en denken: ‘Kon ik daar maar ergens een stekker in steken’. (Gelach)

Hard werken, Herman, heeft u nooit afgeschrikt. Niet 7 maar 8 dagen per week, 52 weken per jaar. En nog steeds: elke dinsdag bent u stipt aanwezig op de fractievergadering. Een voorbeeld – dat mag ik hier ook eens zeggen – voor veel collega’s. De laatkomers worden steevast getrakteerd op uw opmerking dat u “nog nooit zoveel tijd verloren hebt met op tijd te komen”. Tomeloze energie, altijd alles noterend, voor een immens archief vermoed ik, maar tegelijk ook om u nog scherper te concentreren. Bij elk probleem meezoekend naar oplossingen, in elk debat uw stem verheffend. Alert, geestig, onderbouwd.

Ook binnen de partij is uw harde werken en alomtegenwoordigheid een begrip. Er kan geen eetfestijn doorgaan, dames en heren, of Herman De Croo is er geweest. Elk weekend is een marathon in aanwezigheidspolitiek. Soms bezoekt u tien, zelfs vijftien activiteiten op een zaterdag. Uw rustperiode in het weekend start nooit voor zondagavond 18 uur. U doet dat alles met overgave, met focus, met hardnekkigheid, dit letterlijk sociaal omploegen van uw regio. In uw politieke aanpak echoot de hardnekkigheid van de boerenstiel. Ik denk zelfs dat die aanwezigheidspolitiek een licht obsessieve dwang kent, de angst om ergens afwezig te zijn waar u had moeten of ten minste had kunnen zijn. Wie weet, is dit nog een sediment van uw Jezuïetenopleiding. Bijna evangelisch: ‘Waar twee of drie verenigd zijn in de Vlaamse Ardennen is Herman in hun midden’. (Gelach. Applaus)

Maar door dit jarenlang vol te houden hebben veel mensen in uw regio een warme, persoonlijke band opgebouwd met u.

Ik zou dit beter niet doen, collega’s, zeker niet op amper 172 dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen, maar vandaag moet ik een van de vele uitstekende campagnetips van Herman meegeven. Ik weet dat wij liberalen zo een concurrentieel voordeel prijsgeven, maar het geeft u een kleine blik in de campagne-opleidingen die we van Herman De Croo krijgen. Wil je dat iedereen je ziet, aldus Herman, begeef je door de zaal in de vorm van een acht. Schud volop handjes – voor alle duidelijkheid, collega’s van de christendemocraten: mannen én vrouwen. (Applaus. Gelach)

Iedereen heeft je gezien en herinnert zich je warme groet. Succes gegarandeerd.

Ondertussen kent ook heel de Wetstraat uw motto: “De campagne van de volgende verkiezingen begint de dag na de vorige”. Het klinkt een beetje Wetstraat-macho, maar is tegelijk een waarheid als een koe. En bovenal een credo waar u echt naar leeft. Maandagochtend na de verkiezingen bent u terug campagne aan het voeren. U hebt maar liefst 40 campagnes op uw teller, en elke keer opnieuw beleeft u ze met het enthousiasme van een kakelverse kandidaat.

Naast werken is uw vrijheidsliefde, uw onversneden liberale levenshouding uw tweede grote kwaliteit. U bent een vrij man en daar hecht u veel belang aan. U staat niet graag in het krijt. Financieel onafhankelijk, maar ook politiek zo ongebonden mogelijk zijn.

Vrijheid is wat u in de politiek drijft. Elk dossier, elk debat wordt hieraan getoetst: maakt het mensen meer vrij of wordt die vrijheid net aan banden gelegd. Eigendomsrecht beschermen, de vrijheid van ondernemen bewaken, de onafhankelijkheid van zuilen en machtsgroepen bewerkstelligen, het doorbreken van monopolies en machtskartels. Dat passioneert u. Daar ligt uw politiek slagveld.

Maar uw mooiste kant is uw sociaal engagement. Toen ik net parlementslid was, zei u ooit iets in de fractie wat ik nooit vergeten ben: “Wie politiek bedrijft, doet dat op de eerste plaats voor de zwakkeren in de samenleving. De sterken en de rijken zorgen wel voor zichzelf.” Dat is Herman De Croo ten voeten uit. Als bemiddeld man hebt u politiek niet nodig. Maar toch is het geen hobby, geen lichtvoetigheid, geen zoektocht naar een BV-schap.

Politiek is voor u geen noodzaak, het is een roeping. Bij u gaat het om engagement. Oprechte inzet voor de medemens. Uw humanisme is uw mooiste kant. Ik heb uw ontroering al vaak mogen zien, ontroering voor de kwetsbaarheid van de mens, voor zijn streven naar het goede, zijn vallen en terug opstaan. De mensen die tegenslag hebben, de hulpbehoevenden, de eenzamen en verwaarloosden. U wilt er voor hen zijn – nee, u moét er voor hen zijn.

Vrijheid en sociaal engagement, dat is geen tegenstelling. Dat weet een doorleefde sociale liberaal als u beter dan wie ook. Vrijheid, dames en heren, is voor Herman De Croo iets heel anders dan egoïsme, erop los leven. Echte vrijheid, dat is een morele opdracht. Dat is moeten. “Du sollst”, zei Immanuel Kant al. De plicht uw talenten in te zetten voor anderen. Het besef geluk te hebben, met de thuis waar u opgroeide, met het verstand dat u kreeg, de energie die in u zit. En dat geluk delen, met inzet, met engagement en betrokkenheid. Vijftig jaar lang, onafgebroken.

Herman, vijftig jaar halfrond. Een record. Olympisch. Iets wat we waarschijnlijk nooit meer zullen meemaken. Alhoewel, Patrick Dewael ligt op de loer. (Gelach)

Je bent ermee bezig, al een hele tijd en erg intens. Sommigen van ons hebben de neiging dat wat te relativeren, soms zelfs wat cynisch te doen over een viering als die van vandaag. Dat is eigen aan onze stiel, je weet dat. Zwakheid tonen in de Wetstraat is gevaarlijk. Lacherig doen verbergt soms een beetje jaloezie, of het niet goed weten welke houding men moet aannemen. Mij ontroert deze viering, oprecht. Het is de getuigenis van een leven in dienst van een missie. Een kelder vol dienstbetoondossiers, een relict uit een andere politieke tijd. Ongetwijfeld mensen die je wou winnen, aan jou binden, overtuigen, maar tegelijk, en nog veel meer, mensen die je hebt geholpen, de weg gewezen. De kleine man, zij die tegenslag hadden, de verdwaalden in de bureaucratische doolhoven, de radelozen en hulpelozen. Jij was er voor hen, vaderlijk, oprecht betrokken, vijftig jaar lang.

Je weet het misschien niet meer, maar ik denk dat het nu al meer dan 20, 25 jaar geleden is. Een partijvergadering. Ik hield er een emotioneel pleidooi om meer te strijden tegen discriminatie. Ik beschreef, ik denk met passie, de vernederingen, de moeilijkheden, de hindernissen die mensen met een migratieachtergrond soms meemaken in hun leven. Op het einde kwam je naar mij, met de tranen in je ogen, letterlijk, diep ontroerd. Je nam mij vast, omarmde mij – voor het eerst – en fluisterde in mijn oor: ‘Bart, je bent een echte liberaal.’ Dat greep mij aan. Ik begreep toen wat het liberalisme echt voor je was: een familie en liefde, liefde voor de mensen. Herman, je bent geen gemakkelijke, maar een hoogst unieke politicus, en een heel bijzondere man. Dank voor alles wat je voor ons land en voor het liberalisme betekent. Dank u. (Applaus)

De voorzitter

Dames en heren, Emma Posman en Bert De Rycke vertolken voor ons nu de aria ‘O zittre nicht, mein lieber Sohn’ uit de opera ‘Die Zauberflöte’ van Wolfgang Amadeus Mozart.

– Emma Posman en Bert De Rycke brengen de aria 'O zittre nicht, mein lieber Sohn'. (Applaus)

Dank u wel.

Beste dames en heren, ik had vorige week in de rand van de commissie Buitenlandse Zaken een gesprek met Herman De Croo, wat ik trouwens regelmatig met hem heb, en soms gebeurt dat hier naast mij in de voorzittersstoel – hij komt af en toe tips geven. Hij vroeg hoe die viering van hem, vijftig jaar, zou gebeuren. Ik zei hem: Herman, doe me een plezier, je moet geen voorgekookte toespraak maken maar helemaal uit de buik spreken – zoals Herman dat eigenlijk heel goed kan. Blijkbaar heeft hij daar gevolg aan gegeven en heeft hij eens een keer naar de voorzitter van het parlement geluisterd. Ik heb begrepen, Herman – en je hebt me dat vanmorgen nog eens bevestigd – dat je gewoon gaat spreken, zoals je op je best bent. Oh, je doet dat zo? Dit zien ze in de zaal niet. Ik ben echt benieuwd om te horen wat uw toespraak gaat zijn. Ik geef nu graag het woord aan Herman De Croo. (Applaus)

Herman De Croo (Open Vld)

Voorzitter, minister president, collega's van de regering, collega's van dit parlement, vrienden en collega's van deze uitnodiging, het is juist dat ik wellicht ten onrechte naar uw advies luisterde. Het zal een van mijn moeilijkste toespraken worden.

Tezelfdertijd, voorzitter, heb ik een zin uit uw betoog onthouden en de Latijnse vertaling – dode talen vreemd aan het Nederlands mogen hier worden gebruikt – van wat u zei, heeft mij getroffen. Voor de latinisten onder jullie – waarschijnlijk zijn ze niet allemaal door het vso vermorzeld – wil ik zeggen: ‘Vulpes pilum mutat, non mores’, de vos verliest zijn haren maar niet zijn streken. Dat is de vertaling van wat u mij zo vriendelijk hebt verweten.

Misschien, om het ijs te breken na al deze prachtige, voor mij zeer gevoelige – ik beken dat – lofbetuigingen, wil ik u zeggen wat de deken van Brakel – ze worden schaars – zei aan zijn vrienden met wie wij een pint dronken: “Kent u het verschil tussen God de Vader en Herman De Croo?” Komende van een klerikale autoriteit, spitste ik de oren. Het verschil blijkt eenvoudig te zijn: God de Vader is overal en Herman De Croo is overal geweest. (Gelach)

Dat heb ik ook vandaag gehoord, maar ik ben getroffen door verschillende dingen: de klassieke, ‘lichtige’ hoekigheid van mijn goede vriend Geert Bourgeois, die ik als voorzitter van de Kamer en van de grondwetsherziening van deze keure met bijzondere aandacht beluisterde en die, dames en heren, met Maingain een van de beste constitutionalisten des parlements was, op voorwaarde dat het buiten de communautaire arena viel. (Gelach. Applaus)

Ik heb altijd voor de spitsvondige intelligentie, wanneer ze de mijne overstijgt, respect en genegenheid getoond. (Gelach)

Ik weet wel dat uw lange oppositiejaren u wat hebben versteend in de reactie dezer, maar ik heb reeds gezegd dat er collega's zijn die zo uitstekend zijn in de oppositie dat je ze moet aanmoedigen er te blijven. (Gelach. Applaus)

U bent daar na enige jaren en enige politieke trapladderbeïnvloeding aan ontsnapt. Maar er is geen eeuwigheid in het succes. U sprak over 1968. Voorzitter, je suis un soixante-huitot, et pas un soixante-huitard. In die tijd heb ik toch ontdekt dat in de Kamer, waar ik toch lang heb mogen zijn – en u weet dat ik hier met genoegen ben en me hier thuis voel, ik zeg het luidop – ik drie partijen heb gekend, minister-president, die met één Kamerlid zijn gestart. Eentje zit aan mijn rechter-rechterzijde, een andere zit de regeringsbanken voor en er was nog een derde. En allen hebben ‘gefleureerd’, zoals men zegt, zijn in kwaliteiten en in getal gestegen. Onder de drie die ik met een eenmansbegin heb mogen bewonderen en waarderen, is er één aan wie dat getij nog niet is gekomen. Maar het ongeduld dat je daarvoor hebt, wordt een dag beloond. U mag gerust zijn. (Gelach)

Wat mij treft, voorzitter, en ik zeg het u met één zin die mijn vertolking naar klanken geeft: dankbaarheid is het geheugen van het hart. En dat geheugen wil ik vandaag met jullie delen. Ik ben u van harte dankbaar. Dankbaar aan de commilitones van het eerste uur. Daar bestaat ook een vrouwelijke term voor, maar dat moet ik eens in het Deweveriaans Latijn natrekken. Ziet u, voorzitter, ik spreek soms Latijn, maar ik loop geen marathon. Het Latijn heeft mij nooit doen hijgen. (Gelach)

In elk geval is het zo dat zij die me kennen, en sommigen hebben daar een proeve van bewezen – Bart, welbedankt –, zich misschien de zin van de Franse auteur Léautaud herinneren. Frans Vlaanderen behoort ook toe tot onze expansiedrang, dus ik mag dit in de taal van Molière zeggen. Léautaud zegde: “Il y a deux sortes de personnes: ceux qui font ce que l’on veut et ceux qui font ce qu’ils veulent.” Ik behoor tot de laatste categorie. Maar dat is maar mogelijk door de enorme vriendschap, genegenheid, warmte. Geloof mij vrij: dankbaarheid voor al degenen – en er is maar een kleine schare, door plaatsgebrek, voorzitter. Red uw receptie. (Gelach)

Maar in elk geval moet ik zeggen dat zoveel vrienden hier aanwezig zijn, die weten hoe dankbaarheid wordt uitgesproken, in welke taal, in welk gevoel.

Wij zijn allen volksvertegenwoordiger. Dat predicaat hebben wij verdiend, want wij zijn gekozen geweest. Ik was afgelopen donderdag in het Liberaal Archief in Gent. Ik liep over het Kramersplein, dat des donderdags vol jeugdige studenten is – misschien niet halfnaakt, de temperatuur liet het minder toe – maar in elk geval werd ik begroet door een schare studenten. De garçon die de tafels aan het uitzetten was, zei me: “Maar, mijnheer De Croo, ze kennen u nog.” Ik zei: “Dat is normaal. Het zijn de kleinkinderen van mijn eerste kiezers.” En ondanks dat, blijven zij wellicht mijn kiezers, zoals hun grootouders het ook deden.

Maar we zijn dus volksvertegenwoordigers. En ons systeem maakt dat wij dat doen met een verplichte samenwerking. Denk eens na dat, mochten we verkozen zijn, ook zo democratisch als wij het zijn, in Frankrijk, Groot-Brittannië, in Engeland beter gezegd, en in Amerika, wij met ‘één district, één persoon’ een heel andere politiek zouden voeren dan deze die we democratisch te voeren hebben. We zouden alternaties hebben aan de macht. We zouden ‘vertrumpen’ in het systeem. We zouden niet de verplichte samenwerking moeten koesteren die we nu hebben. We zijn veroordeeld – maar welke mooie veroordeling – tot coalitieregeringen, zelfs van tijd tot tijd tot coalitieopposities – en die houden het minder lang uit dan de coalitiemeerderheden. We zijn dus door ons systeem gedwongen, gedreven omdat we in de Kamer, in het Vlaams Parlement, in de Senaat ‘in illo tempore’ de weerspiegeling zijn van wat de krachten van de politiek zijn.

Ik zeg dat omdat ik begonnen ben in 1968 in het systeem met apparentering. Dat is nu misschien een woord dat u ontsnapt. Drie volksvertegenwoordigers in het gebied waar de familie Van Rompuy terecht hun opeenvolgende echtgenotes hebben gevonden… Opeenvolgend wil zeggen: vader en zoon weliswaar. (Gelach)

We waren met drie verkozenen en daar prijkte, met al mijn respect, Jan Verroken, vandaag 101 jaar. Ik ben hem gaan groeten toen hij 100 jaar werd en ik heb bij mezelf gedacht: “Onkruid vergaat niet”. Jan Verroken, Herman De Croo, en van tijd tot tijd, twee liberalen op drie, van tijd tot tijd, een socialist. We hebben zelfs met 450 stemmen een groene gehad die verkozen was. Mirakels zijn deze wereld niet uit. (Gelach)

We waren met drie wier uitslag, welke ook de kracht was van je aanwezigheid, pas op maandagavond werd bekendgemaakt. U moest eens weten, want men wou dat in het parlement het percentage van wat een partij behaalde zich reflecteerde, maar men hield geen rekening met wie verkozen zou kunnen zijn. En om verkozen te blijven, moest je 33 procent van de stemmen halen. Ik begon met 17. De burgemeester van Oudenaarde zal met mij beleefd hebben hoe we dat hebben kunnen opdrijven in dat kleine gebied totdat we de zekerheid hadden van verkozen te blijven. Anders had u al die moeite niet moeten doen, voorzitter, voor deze prachtige huldeviering.

Dat systeem legt me uit dat we relatief moeten zijn over wat we zijn, wat we vertegenwoordigen, dat we moeten nadenken. We zijn een van de weinige landen waar het verplicht is om te gaan stemmen. Ik heb daar een gevoel voor. We zijn maar met drie meer: Luxemburg, Griekenland en wij. We proberen te zoeken dat de bevolking zich verklankt voelt in getale naar de keuze die ze heeft gedaan, niet altijd in de personen die ze heeft gewenst. U moet daarover nadenken.

Bart Somers heeft op een prachtige wijze – je wordt niet de beste burgemeester des werelds als je het voor je eigen parlement niet beter kunt doen – alles gezegd wat veranderd zou kunnen zijn in die vijftig jaar. We hebben geen leger meer dat gerekruteerd is bij de bevolking. We hebben geen Pact van Warschau meer met een Sovjet-Unie die verdampte. We hebben dus geen reden meer om tegen de raketten te gaan manifesteren, mocht dit ooit nog gebeuren. Voor onze kinderen vandaag en morgen wordt op hun kaart hun DNA, de identiteit tot de laatste fractie van een cel, gezet. Er is geen geheim meer voor wat we zijn en wat we soms vrezen te worden.

Wij hebben belangrijke zaken zien veranderen na mei ‘68. De pil is aangekomen. De vrouwen hebben zich geënci… U ziet, ik heb daar moeite mee. (Gelach. Applaus)

Ze hebben zich geëmancipeerd. Zij zijn niet onze gelijken geworden, want ze zijn superieur. Wij hebben hun wijsgemaakt dat ze onze gelijken moesten worden, wat voor velen natuurlijk een ‘diminutio capitis’ zou vergen.

De wereld is zo veranderd! Toen ik in 1968 in het parlement aankwam, waren er 6 vrouwen op de 212. Ondanks mijn relatief jeugdige leeftijd heb ik de eerste vrouwelijke minister gekend: mevrouw Marguerite De Riemaecker-Legot, dochter van de stafhouder van Oudenaarde en gehuwd met een jurist in Brussel. Ik heb het eerste vrouwelijke Rekenhoflid gekend: mevrouw Dreze. Ik heb de eerste vrouwelijke staatsraad weten benoemen: mevrouw Georgette Ciselet. En sommigen onder u zullen zich nog Eliane Liekendael herinneren, de eerste vrouwelijke procureur-generaal bij het Hof van Cassatie. Ongelooflijke vooruitgang van de vrouw in onze maatschappij! Ongelooflijke erkenning van de waardering van de vrouw! Ongelooflijke verwerving van beschavingswaarde! Zelfs als het van tijd tot tijd voor sommigen minder gemakkelijk is andere culturen de tijd te geven om zich aan te passen. In deze laatste vijftig jaar is de emancipatie, niet in de zin van een hulpvragende maar wel van een fundamentele verlening van waarden aan de vrouw in onze maatschappij, een van de meest waardevolle verwezenlijkingen geweest.

Voorzitter, u hebt gezegd dat ik nog veel op reis ga. Ik behoor van tijd tot tijd tot de politici die denken wat de Chinezen zeggen: “Je hebt twee oren en één mond, spreek dus half zoveel en luister tweemaal meer.” De wereld is veranderd. China is een grote mogendheid geworden. Het bezit voor honderden en honderden miljard dollar of euro operationele bezittingen in Europa, ook ten onzen lande en in Vlaanderen, minister-president. Rusland is een verlaten land. U weet dat ik van cijfers houd. Ik zal er twee geven en ik zal met het beste beginnen.

Het federaal berekende bruto nationaal product (bnp) van ons land bedraagt bijna een derde van dat van Rusland. Het bnp van de Benelux – Nederland, Luxemburg en wijzelf – overtreft het bnp van dat immense land. We hebben met België het 557e deel van de Russische oppervlakte. De ongelooflijke kracht van dat kleine deeltje tegenover dat grote, immense continent is opvallend. Maar wij hangen ervan af. Siberië is het Katanga van het Noorden. De concentratie van de rijkdommen in dat deel is immens. Van de 140 miljoen Russen woont 80 procent aan deze zijde van de Oeral. Zij kunnen die staat niet meer in stand houden, bewaken. We zullen moeten nadenken over de relaties van Europa met dat continent. Het is potentieel rijk, maar ook potentieel gevaarlijk.

Een derde element dat voor ons belangrijk is, lijkt mij Afrika te zijn. In de tijd dat ik in het parlement ben, is het aantal bewoners van deze aardbol gegroeid van 3,5 naar 7,6 miljard. We waren ten tijde van Nazareth en Bethlehem met 100 miljoen. De stijging gaat onafwendbaar aanhouden tot 11 of 12 miljard.

Jacques Dutronc zong in zijn liedje ‘Et Moi, Et Moi’: Trois ou quatre cent millions de noirs, et moi, et moi et moi. 1,3 miljard nu, binnenkort 2 miljard. Wij zijn, met alle respect voor de ouderdom die ik mag dragen, met 500 miljoen Europeanen, van wie de gemiddelde leeftijd boven de 50 jaar ligt. Zij zijn binnenkort met 2 miljard inwoners, van wie de gemiddelde leeftijd 19 jaar is. Laat ons nadenken hoe we met dit immens probleem zullen omgaan.

Voorzitter, wij zijn verzekerd voor alles wat we hebben, we hebben een verzekering voor onze wagen, ons appartement, onze woning, ons pensioen en zelfs voor slecht weer op vakantie. Maar ik stel u, en daarbij kijk ik u allemaal in de ogen, de uitdagende vraag of wij verzekerd zijn voor onze beschaving. Betalen wij de premies voor deze ongelofelijke emancipatie van de vrouw, voor deze gelijkheid, voor deze rechtsstaat, voor deze mogelijkheid om zich te bewegen, te spreken, zich te uiten, voor deze ongelofelijke waarden die maken dat een democratie – en u hebt het gezegd, minister-president – schaars is in de ruimte en misschien ook tijdelijk in de tijd? Zullen wij denken aan wat onze kinderen en kleinkinderen, ook de mijne, te wachten kan staan? Zullen wij dat probleem ook in de actualiteit brengen als we geen technieken vinden ondanks de inspanningen van ontwikkelingssamenwerking, giften en steun?

Zullen wij weten dat het tweede grootste oerwoud ter wereld, het Congolese, twintigmaal België, binnen dit en enkele jaren, onze manier van leven, van bouwen en verbouwen diep zal beïnvloeden? Zullen wij dat tropisch woud verder laten opbranden door de eigen bevolking met houtskool die zij nodig heeft, namelijk precies 15 kilo hout voor 1 kilo houtskool? Gaan wij iets doen aan de echte beveiliging, bescherming, vertegenwoordiging, wat wij zijn, voor wie wij zijn, en waar wij voor staan zonder met de noodzakelijke inzichten op te treden, te helpen, te assimileren, ter plekke te laten? Wij weten immers, na alle ervaringen, dat geen enkel condoom of anticonceptiemiddel het geboortecijfer van 8,3 kinderen per vrouw in Midden-Afrika zal doen dalen. Dat kan alleen mogelijk worden gemaakt door een zekere welvaart, een zeker welzijn, een zekere bezorgdheid voor de gezondheid en voor de toekomst. Dat zijn de zaken waar wij, Vlaamse volksvertegenwoordigers, namens degenen die wij vertegenwoordigen, aan moeten denken.

Misschien is het een fout van mijnentwege, maar ik heb nooit een wagen bestuurd met mijn blik in de achteruitkijkspiegel. Men moet ver vooruit denken, voorzitter. Ook het moedig, kranig, ongelofelijk weerbaar Vlaanderen moet ver vooruit denken over de relaties van Europa met China, Rusland en zichzelf. Er is één land dat na veertig jaar scheidt van de 28 andere landen, en wij voelen al de koude wind en rillingen van het ongemak en de nadelen. Is het ook niet zo op andere vlakken dat wij zonder een greintje van onze eigenheid, geloof me vrij… Ik heb al tijdens mijn eerste tussenkomst bij de opening van dit parlement gezegd dat ik in heel mijn leven negentien keer nationaal, elf keer in Brakel enkel door Vlamingen ben verkozen en dat ik heb dankbaar ben.

Maar gaan wij ook denken aan de toekomst van de generaties wereldwijd, Europabreed, ook in het federale land dat we bevolken en waarvan ik alle nuances min of meer heb aangevoeld en begrepen?

Indien zo’n boodschap u kan raken, en het mijn geluk zou zijn niet met grote keien te gooien, maar alleen het kleine kiezelsteentje van een zeker beschavingsongemak te hebben nagelaten bij u allen, dan ben ik u dankbaar. (Applaus)

De voorzitter

Dank u wel, Herman. De boodschap was, voor mij ten minste, helder en duidelijk. Ik weet dat uw Afrikaverhaal iets is wat u zeer na aan het hart ligt. Waarvoor dank.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.