U bent hier

De heer Depoortere heeft het woord.

Minister-president, in juni 2014 raasde een zware hagelstorm over Vlaanderen. Die richtte heel wat schade aan aan huizen en auto’s en niet het minst aan serres.

Die storm was uitzonderlijk, want in juni 2015 verscheen in het Staatsblad het koninklijk besluit dat het fenomeen effectief erkende als natuurramp. Vanaf dat moment mochten gedupeerden hun dossier daadwerkelijk indienen bij het Vlaams Rampenfonds. Drieënhalf jaar na het natuurfenomeen in juni 2014 blijkt dat meer dan de helft van de dossiers nog niet in orde is geraakt en dat gedupeerden nog altijd wachten op een compensatie.

Minister-president, u zult wellicht een aantal oorzaken van die achterstand kunnen opsommen, maar de belangrijkste vraag is wanneer die gedupeerden een compensatie zullen krijgen.

De heer De Croo heeft het woord.

Minister-president, het is 1339 dagen geleden dat die storm plaatsvond. Dat is nog sprekender dan ‘drieënhalf jaar’. Wat mij treft, is de eigenaardigheid van het percentage afgehandelde dossiers.

Er zijn 3250 dossiers in de provincie Antwerpen waarvan er 375 nog niet afgehandeld zijn. Dat is 6 procent. Er zijn 1400 dossiers in uw eigen provincie West-Vlaanderen, waarvan er amper 57 overblijven die niet afgehandeld zijn. Er zijn 6000 dossiers in Oost-Vlaanderen waarvan er 3000 niet afgehandeld zijn. Dat is 50 procent. Het vervelende is dat, zoals zopas gezegd, het bij vele van de dossiers van Oost-Vlaanderen om belangrijke schade gaat, schade die voor een aantal omstandigheden niet wordt vergoed door de verzekering. Men zegt dan: gebrek aan personeel, gebrek aan deskundigen. Ik kan het begrijpen, het was het laatste dossier dat door het federale bewind als catastrofe of als ramp is goedgekeurd. Maar hoe legt u me uit dat het uitstekend kan in West-Vlaanderen, dat het goed afloopt in Antwerpen, relatief uitstekend, en dat wij het ‘zelf doen we het niet beter’ doen in Oost-Vlaanderen?

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Voorzitter, collega's, ik kan begrijpen dat collega De Croo, die bijna een halve eeuw actief is geweest op het Belgische federale niveau, enigszins gebiologeerd is door dat Belgische niveau. Dat ook het Vlaams Belang een Belgische ramp zou willen afroepen over Vlaanderen, had ik nu helemaal niet verwacht.

Collega's, het gaat hier over de Pinksterstorm van 2014. Zoals zeker collega De Croo, met zijn gedegen jezuïtische opleiding weet, valt Pinksteren nooit na 1 juli. Op 1 juli 2014 is Vlaanderen toevallig bevoegd geworden voor het rampenbeleid. Zoals de collega's die deze zaak goed opvolgen, weten, zitten wij helemaal op schema met de afhandeling van de rampen. Wij hebben in 2014 één ramp bij gekregen. Die is helemaal afgehandeld, op een expertisediscussie na. We zitten ook voor de drie rampen van 2015 op schema, ver boven de 90 procent als ik me niet vergis – want ik zeg het uit het hoofd – en ook voor de vier rampen van 2016. Zo zullen we, zoals gezegd, eind 2018 alle zaken hebben behandeld. Maar wat deze Pinksterstorm van 2014 betreft, moet ik u verwijzen naar het federale niveau.

Minister-president, voor de gedupeerden zelf maakt het weinig uit wie uiteindelijk voor de schade zal moeten opdraaien. Wat ik wel merk, is dat ze drieënhalf jaar moeten wachten vooraleer ze enige compensatie kunnen krijgen. Ik zou erop durven aandringen, als er inderdaad sprake is van een personeelstekort, dat dit wordt opgevangen door bijvoorbeeld, waarom niet, tijdelijk experten aan te stellen zodat die dossiers sneller worden opgevolgd en sneller worden afgehandeld en de gedupeerden de compensatie krijgen waar ze recht op hebben.

Mocht ik niet zeker zijn van uw opleiding, minister-president, ik zou u verdenken om wel bij de jezuïeten te zijn geweest. (Gelach)

De vaststelling als ramp was de laatste die gebeurd is door de federale overheid. De afhandeling – ik ken de gretigheid om dat Vlaams af te handelen als het Vlaams afhandelbaar is – zal u eigen zijn. Maar wat ik niet begrijp, is het verschil van percentage in het oplossen van de dossiers. Leg me toch niet uit, met alle respect, dat de West-Vlamingen om geld te krijgen veel handiger zouden zijn dan de Oost-Vlamingen wanneer het over de staat zou gaan. Leg me niet uit dat de Antwerpenaren, wat ik kan begrijpen, betere contacten hebben met uw beleid omdat het in Antwerpen zou zijn en niet in West-Vlaanderen zou zijn. Het heeft niets te maken met wat u aanhaalt. De administratie is nalatig geweest en heeft niet op tijd de maatregelen genomen. De feiten zijn onbetwistbaar: 3 procent blijft nog over in één provincie, 8 procent in de andere provincie en 50 procent in de laatste provincie.

De heer Cordy heeft het woord.

Ik heb aandachtig geluisterd naar onze minister-president.

Dan hoor ik toch duidelijk dat wordt gesteld dat dit niet onder zijn bevoegdheid valt. Er worden hem nu dus zaken gevraagd en verweten die hem niet aan te rekenen zijn. Ik hoor hier mensen spijkers op laag water zoeken, waarbij zowel het water als de spijkers ontbreken. (Applaus bij de N-VA)

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Collega’s, ik wil me toch graag aansluiten bij deze vraagstelling. Minister-president, ik begrijp dat u er trots op kunt zijn – enigszins terecht, denk ik – dat de jongste rampen correct worden opgevolgd en dat men kort op de bal speelt ter zake. Hopelijk kan de Vlaamse overheid dat ook in de toekomst aanhouden als er zich nog rampen voordoen. Wat is er echter in het verleden gebeurd, namelijk in 2014? Dat was net voor er een overheveling is gebeurd, met andere woorden net voor de dienst die federaal de dossiers moest behandelen, eigenlijk werd leeggehaald en overgebracht naar Vlaanderen. Men stelt dan dat men totaal niet verantwoordelijk is en eigenlijk geen hulp kan bieden opdat die mensen daadwerkelijk hun dossiers zouden kunnen afhandelen en uitbetalen. Dat vind ik eigenlijk een beetje betreurenswaardig. Minister-president, ik hoop dat u ook bezorgd bent over die mensen die schade hebben, en ik hoop dat u ook de dienst die vandaag de expertise heeft op Vlaams niveau, de federale dossiers mee kunt laten afhandelen. Dat zijn experts. Ze hebben kennis van zaken. U kunt niet van de federale overheid verwachten dat ze voor een of twee maanden mensen gaat aantrekken om die dossiers te behandelen. Ik denk dat u misschien wel een sleutel in handen hebt in dezen om eindelijk die dossiers ook af te handelen.

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Voorzitter, minister-president, drieënhalf à vier jaar wachten op een uitbetaling in het kader van een ramp is sowieso onaanvaardbaar, maar ik zou eigenlijk het bruggetje willen maken naar de rampen waarvoor u alleszins wel bevoegd bent, namelijk die van 2016. U maakte zich zojuist nog eens sterk dat die tegen eind dit jaar afgehandeld zouden zijn. Ik hoop dat dat daadwerkelijk zo is, want ik vang geruchten op, zowel vanuit het Rampenfonds als vanuit de landbouwsector, dat er ook wat dat betreft op dit moment toch een aanzienlijke achterstal is. U hebt zich ertoe geëngageerd om zeker wat de fruittelers betreft een versnelde uitbetaling te doen. Als ik goed ben geïnformeerd, zou ter zake op dit moment nog maar 50 procent van de dossiers zijn afgehandeld. Ik hoop dus dat we over een jaar niet opnieuw vooraan moeten gaan staat om vragen te stellen over de rampen van 2016, waarvoor u wel degelijk bevoegd bent.

Minister-president Geert Bourgeois

Mijnheer De Croo, het is zo dat jezuïeten altijd antwoorden met een vraag, wat u niet doet, integendeel, u gaat eigenlijk over tot de aanval en u probeert, net zoals de oppositie dat doet en mevrouw Rombouts helaas ook doet, die verantwoordelijkheid in mijn schoenen te schuiven. Ik heb alle empathie voor de slachtoffers daarvan, maar ik ben niet politiek verantwoordelijk, ik ben niet politiek bevoegd. Ik heb ook de middelen niet om voor die ramp te betalen. Ik heb de mensen niet om voor die ramp te betalen.

Mevrouw Rombouts, u zou beter dan wie ook moeten weten dat ik, op drie mensen na, geen personeel van de federale overheid heb gekregen. Er was niks van expertise overgekomen. Er waren drie mensen. Men was totaal niet in staat om de acht rampen af te handelen die er zijn geweest sinds 1 juli 2014. Ik heb de ongelooflijke oefening gedaan om tien bijkomende mensen binnen de Vlaamse overheid samen te brengen om die cel te versterken zonder de aanwerving van personeel.

Nu is men met meer dan 13 dossierafhandelaars, om exact te zijn 13,4. Ik heb bijkomend tientallen miljoenen euro moeten uittrekken, want we hadden ook geen budgetten gekregen om al die rampen te kunnen vergoeden. We zijn ter zake op schema. Als die ramp van pinksterzondag, die pinksterstorm van 2014, helaas nog niet is afgehandeld, dan heeft dat niks te maken met mijn dienst. Dat zijn dan de buitendiensten van de federale overheid. Ik heb begrepen dat de arrondissementscommissaris van Oost-Vlaanderen daarmee bezig is. Ik heb daar geen dossiers over. Ik heb daar geen mensen voor. Ik heb daar geen middelen voor. Ik ben daar niet verantwoordelijk voor.

Ik kan best begrijpen dat er grote bekommernis leeft, en terecht, door de laattijdigheid van betalingen. Ik zal de provinciale discussie hierbuiten laten, mijnheer De Croo. Stel uw vragen echter op het juiste niveau. Stel ze niet aan mij. De mensen, de middelen en de bevoegdheid zijn er niet voor rampen van vóór 1 juli 2014.

Mevrouw Robeyns, ik heb het gezegd: dat valt buiten het bestek van deze vraag. Ik heb herhaaldelijk op vraag van collega’s duiding gegeven: wij zitten op schema. We zijn overvallen door een zeer groot aantal rampen. We waren nog maar bevoegd of we kregen al een ramp in 2014. Ik stelde vast dat we geen mensen hadden: drie mensen, waarvan één, geloof ik, permanent ziek is. Ik heb alles gedaan om die dienst te versterken, om daar middelen voor uit te trekken en we zitten op schema.

Ik ben daar niet trots op. Wij proberen goed bestuur te leveren. Ik moet daar niet trots op zijn. Ik zeg alleen dat wij al het mogelijke doen om de rampen naar behoren af te handelen. Er is nog één dossier van 2014 niet afgehandeld. Soms zijn er discussies: expertises, niet akkoord gaan met bedragen,.. Dat is ook het volste recht, maar 2014 is op één dossier na afgehandeld, 2015 is voor meer dan 90 procent afgehandeld, en ook voor de vier rampen van 2016 zitten we op schema. Ik ga echt proberen te doen wat ik beloofd heb, namelijk eind 2018 alle dossiers voor de rampen die onder onze bevoegdheid vallen, afhandelen. Maar ik zal niet toelaten dat de verantwoordelijkheid voor deze ramp uitgespeeld wordt als de verantwoordelijkheid van de minister-president van de Vlaamse Regering. (Applaus bij de N-VA)

Wat we zelf doen, doen we beter. Dat is een mooi motto, dat ooit gold voor onze Vlaamse Regering. Ik ben blij met de overheveling van die bevoegdheden, maar ze mag er niet toe leiden dat de gedupeerden van 2014 niet in aanmerking komen en dat er dossiers niet in orde worden gemaakt, precies vanwege die overheveling.

Het zijn uitzonderingssituaties, en dan kunnen en moeten ook uitzonderlijke maatregelen worden genomen. Ook Vlaanderen kan daarin een versterkende rol spelen. U spreekt van bijkomende middelen en bijkomend personeel. Op dat vlak hebben we wel nog wat werk voor de boeg, zodat in de toekomst bij zulke rampen de gedupeerden alleszins geen 3,5 jaar moeten wachten vooraleer ze krijgen waar ze recht op hebben.

Minister-president, ik wou u niet raken als minister-president. U bent de verantwoordelijke voor dit systeem, voor het Rampenfonds. Ik heb u de cijfers gegeven. Ik betreur dat het zo lang duurt.

Ik wil eindigen op de wijze waarop u hebt gesproken: het worden helaas vijgen na Pasen.

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.