U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2018 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018.

De voorzitter

Werk, Economie, Wetenschap en Innovatie

We bespreken nu het onderdeel Werk, Economie, Wetenschap en Innovatie.

Mevrouw Christiaens heeft het woord.

An Christiaens (CD&V)

Minister, ik wil het hebben over innovatie en economie. Meer innovatiemiddelen, dat zou één van de paradepaardjes van de regering worden. Vorig jaar heb ik u hier vanop deze tribune de man van bijna 200 miljoen euro extra genoemd, want afgelopen jaar werd er 195 miljoen euro extra in het beleidsdomein Innovatie geïnvesteerd. Meer investeringen zijn broodnodig, willen we een topregio blijven in deze kennismaatschappij. Maar de 3 procentnorm is nog veraf. Daarom is het toch opmerkelijk dat ondanks die grote vraag naar innovatiesteun en ondanks de 3 procentnorm het gestegen en voorziene budget niet volledig werd benut.

Daartegenover staat het beperkte budget voor de vernieuwde hinderpremie die in uitvoering is gegaan. Zoals gewoonlijk bij nieuwe dingen wordt er in het begin nog geworsteld met de gebruikelijke kinderziektes. Automatisering bij de toewijzing van rechten is redelijk pionierswerk, maar het duidt wel de opportuniteiten die schuilgaan achter gekruiste databanken. Bij het aanpakken van enkele van de huidige knelpunten zien we, en dat hebben we ook al meermaals besproken in de commissie, nog andere opportuniteiten. Door meer samenwerking met lokale besturen bij de afbakening van de zones en bij het aanschrijven van de ondernemingen, kan de premie een essentieel belangrijk instrument worden voor onze handelaars om nog meer op punt stellen. De begrotingsaanpassing zal raad brengen omtrent eventuele budgettaire uitbreidingen.

Voorzitter, wat kinderziektes betreft, die willen we bij onze startende ondernemers alleszins vermijden, door hen gedegen voor te bereiden. Hoewel de verplichte attesten bedrijfsbeheer en de andere beroepskwalificaties worden afgeschaft ten gevolge van de omzetting van een Europese richtlijn, boden beide wel meer garanties op succes, of alleszins minder kans op faling. Er wordt gewerkt aan een actieplan om desondanks deze gewijzigde context, toch afdoende alternatieven aan te bieden en concrete scholing aan te bevelen.

Minister, collega's, onze Vlaamse economie is erg kmo-rijk. Meer nog dan bij grotere ondernemingen is bij de kmo's de focus op de corebusiness groter. Dit maakt dat er vaak meer nodig is om hen te bereiken. Zo ook wat betreft bijvoorbeeld innovatie.

De speerpuntclusters en bedrijfsnetwerken worden tot nog toe positief onthaald. En uiteraard dient clustering en betrokkenheid tot op zekere hoogte van onderuit te groeien. Maar een kmo vraagt soms een zetje.

Tot slot wil ik u nog een pluim geven. Het landschap van agentschappen en instellingen binnen het beleidsdomein Economie en Innovatie is fel veranderd. Dit traject is nog niet ten einde, maar gaat de goede kant op, en dat volgen we samen met u op.

De voorzitter

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, vorig jaar startte ik mijn tussenkomst met een citaat uit Ploegsteert, een lied van de West-Vlaamse groep én tevens knelpuntopleiding Het Zesde Metaal. Dit jaar kan ik me opnieuw ‘jeunen’. Niet alleen omdat Ploegsteert alweer op nummer 1 is geëindigd in de Belpop 100 maar ook omdat ‘jeunen’ – wat wil zeggen zich goed voelen, zich amuseren – werd verkozen tot het Vlaams dialectwoord van 2017. Ik geef het u graag mee, al was het maar omdat u die kennis van het West-Vlaams misschien ooit zelf nog kunt verzilveren als elders verworven competentie. (Applaus)

U weet dat West-vlaanderen worstelt met een forse krapte op de arbeidsmarkt en dus alle talenten kan gebruiken, ook 55-plussers uit Edegem!

Minister, ik heb me het afgelopen jaar ook gejeund toen het over het beleidsdomein Werk ging. De werkloosheid blijft systematisch dalen en het activeringsbeleid is op dreef: de doelgroepkorting en de premie voor het aanwerven van langdurig werklozen hadden we al, het wijk-werken en tijdelijke werkervaring voor werklozen starten vanaf nieuwjaar, de hervorming van de werkhervattingstoeslag wordt straks goedgekeurd, het drieluik van het Banenpact wordt uitgevoerd en het controle- en sanctioneringsbeleid van VDAB wordt bijgeschroefd.

Maar we mogen ook niet blind zijn, minister: er blijven werkpunten die onze aandacht nodig hebben, niet het minst als we de vooropgestelde werkzaamheidsgraad van 76 procent willen bereiken. Want de werkloosheid neemt dan wel al ruim twee jaar maandelijks af, er zijn nog steeds een 200.000-tal Vlaamse werkzoekenden, dat is natuurlijk een inherent deel van een dynamische arbeidsmarkt en 1 op 2 vindt wel degelijk binnen het jaar een nieuwe job, maar u weet ook dat er onder die 200.000 eveneens een relatief groeiende kern van moeilijk bemiddelbare, langdurig werklozen zit. En dat is een ware uitdaging.

Op 1 januari start het wijk-werken, de opvolger van het PWA. U weet dat wij achter die filosofie staan: een activeringsstrategie in de plaats van een inactiviteitsval. U hebt wellicht een punthoofd gekregen van mijn vele schriftelijke vragen over de implementatie van wijk-werken, maar het feit dat ik die vragen heb gesteld, bewijst dat er nog vragen zijn en ongerustheid leeft, maar dat is ook te verwachten bij nieuwe regelgeving.

Ik heb gisteren nog gewezen op de noodzaak van een monitoring op geregelde basis, per kwartaal, waar VDAB zich tot mijn tevredenheid ook toe engageerde.

Voor de langdurig werklozen wacht ik ook vol ongeduld op het nieuwe Versnellingsplan van VDAB. Ik ben alvast enthousiast dat VDAB de stap zet om gespecialiseerde hulp in te huren bij private spelers. Idem dito voor het geplande systeem van opleidingsvouchers, zodat we die complementaire opleidingen waarover VDAB zelf niet beschikt, kunnen aankopen bij private opleidingsverstrekkers.

Ook de uitvoering van het vormingsluik van het Banenpact wordt een van de belangrijkste ‘to do’s’ in 2018. Met een gemiddelde van 7,1 procent zitten we nog veraf van de 15 procentdoelstelling uit het Pact 2020 voor levenslang leren. Zeker bij de laaggeschoolden zijn de cijfers alarmerend. Hopelijk kan de hervorming van de opleidingsincentives hier de juiste schwung geven op weg naar de 15 procentdoelstelling.

Een ander aandachtspunt is de invoering van duaal leren. De uitrol wordt met een jaar uitgesteld.

U zit dan misschien achter op de tandem met uw collega-minister Crevits in dit project, maar u kunt wel het tempo erin houden. Als minister van Sport is dat vast en zeker een makkie. En duw meteen ook wat harder op die trappers om samen te komen tot een geïntegreerd EVC-beleid.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Een korte reactie: in de praktijk is duaal leren niet een jaar uitgesteld, want er zullen, zoals afgesproken tussen de sociale partners en de koepels, op 1 september 2018 55 opleidingen zijn die kunnen worden aangeboden aan de jongeren. In de praktijk zal het dus geen verschil uitmaken. Er is natuurlijk wel of niet een volledig uitgerold decreet. Er zal een voorstel naar jullie zijn om ongeveer de helft van de artikels van het decreet al op 1 september 2018 van kracht te laten worden, en ongeveer de helft een jaar later. Maar in de praktijk, voor de mensen, de jongeren, voor de bedrijven en voor de scholen en voor SYNTRA zal het relatief weinig verschil maken of het met een proeftuin is of met een decreet is. Dit wil ik toch wel meegeven. De indruk mag niet ontstaan dat we vertragen, dat duaal leren niet wordt uitgerold of vertraagd wordt uitgerold. Het blijft op koers, zoals gepland.

Minister, ik dank u voor de verduidelijking. Ik kon het niet allemaal in vier minuten zeggen. Ik ben dus blij dat u het van mij hebt overgenomen.

Ik reken op u, en op VDAB, om verder te timmeren aan de weg naar een goed geoliede arbeidsmarkt waar iedereen zijn talenten kan en ook wil verzilveren, maar ik reken evenzeer op de medewerking en inzet van onze bedrijven, onze werknemers en onze werkzoekenden. Door naar elkaar te kijken of naar elkaar te wijzen, creëren we geen jobs en vullen we geen vacatures. Onze arbeidsmarkt is een gedeelde verantwoordelijkheid. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Voorzitter, minister, collega’s, de economie trekt aan, en dat vertaalt zich ook in een stijging van de vacatures. Zoals ik gisteren ook al heb gezegd, is het positief dat er jobs bij komen, en we delen uw enthousiasme daarover.

Maar ik heb ook gewaarschuwd voor zelfgenoegzaamheid, want niet iedereen profiteert mee van de heropleving van de arbeidsmarkt. Heb je een handicap, een vreemde naam, een andere kleur of ben je 50-plusser, dan bots je nog veel te vaak op een muur van vooroordelen en discriminatie, zelfs al heb je het juiste diploma, zelfs al spreek je perfect Nederlands. Minister, dat is toch onaanvaardbaar. Dat is een regelrechte schande, en ik zou echt willen pleiten voor meer daadkracht op dat vlak.

Minister, ik begrijp niet waarom een krachtig antwoord uitblijft omdat er goede voorbeelden zijn. Er is al herhaaldelijk verwezen naar Gent. Gent toont aan dat een krachtig beleid tegen discriminatie kan met toepassing van praktijktesten, samen met sectoren, samen met het middenveld.

Dus, u hoeft niet bang te zijn. Het is geen heksenjacht. Praktijktesten zijn een krachtig instrument. Daarom zou ik er toch voor willen pleiten om ook op Vlaams niveau die kentering waar te maken.

Toen ik gisteren uw collega’s hoorde van CD&V en Open Vld, was ik echt oprecht blij, want ik heb daar wel een signaal gehoord. Ik heb van hen een pleidooi gehoord voor een krachtiger beleid, en zelfs een openheid vastgesteld ten overstaan van de invoering van praktijktesten. Collega’s van de N-VA, ik zou u dan ook willen zeggen: blijf alstublieft niet achter met de collega’s van Vlaams Belang in de strijd tegen discriminatie, en zet een stap vooruit. (Applaus bij sp.a en Groen)

Mevrouw Kherbache, het spijt me eens te meer dat u heel het gehandicaptenbeleid, het allochtonenbeleid en het 50-plusbeleid herleidt tot de mystery calls door de overheid. Ik ben het daar uiteraard niet mee eens. Ik denk dat we heel veel en zelfs nieuwe instrumenten inzetten om voor die mensen specifiek te werken. Dat zie je ook ondertussen aan de cijfers. Er zijn nog nooit zoveel 50-plussers aan het werk geweest als nu. We zien de werkloosheidscijfers maandelijks dalen, ook van de 50-plussers, zelfs van de allochtonen, niettegenstaande er een heel grote extra instroom is geweest. Wat de gehandicapten betreft, zie ik ook dat die cijfers vandaag niet goed zijn. Ik wil gerust verder bekijken op welke manier we iets kunnen doen ter zake.

U weet dat ik wel geloof in mystery calls als een sensibiliserend instrument. Ik heb begrepen dat de federale collega, die de wetgevende mogelijkheden heeft om mystery calls te doen, stappen zet op dat vlak. Ik zie niet in waarom ik er dan nog bovenop zou zetten. Ik ben het er ook niet helemaal mee eens. Ik denk dat dat een moeilijk en slecht instrument is om wetgevend op te treden, maar die discussie is heel lang geleden zelfs al heel uitgebreid gevoerd in de commissie, ook juridisch, over uitlokking of niet-uitlokking en al de rest. Die discussie wens ik echt niet opnieuw te voeren, maar alles wat er gebeurt voor de groepen die u naar voren hebt gebracht, herleiden tot het wel of niet invoeren door de overheid van mystery calls, lijkt me toch wel overdreven. Ik blijf echter voor die groepen werken en ben met u tevreden dat de cijfers in het algemeen toch veel beter zijn.

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Ik wil een kleine aanvulling doen op wat de minister zegt. Collega Kherbache, ik vind het eigenlijk aandoenlijk hoe u vanuit de oppositie zo vaak vol lof verwijst naar het ‘zeer krachtdadige’ beleid inzake praktijktesten en mystery calls dat in Gent wordt gevoerd. We hebben, ongeveer een half jaar geleden, denk ik, op uw initiatief trouwens, de schepen van Gent uitgenodigd in de commissie, samen met Stijn Baert, de man die dat onderzoek toen heeft gedaan. Ik dacht: nu gaan we het horen, de oppositie zegt ons hier al zo lang dat het in Gent wel kan, dat ze het in Gent doen.

Maar wat doen ze in Gent? Dat is een klein onderzoekje dat ze hebben gedaan naar een aantal handelaars. In de krant deed men daarover uitschijnen dat wie tegen de lamp loopt, van de lijst van aanbestedingen wordt geschrapt. Dat hebben een aantal collega’s hier in het halfrond trouwens zelf ook zeer stoer gezegd. Groot was mijn verbazing toen ik aan die schepen vroeg wat hij eigenlijk doet als iemand tegen de lamp loopt. Hij zei dat het stadsbestuur niet weet wie tegen de lamp loopt, gezien de privacy. Het bestuur krijgt enkel van de onderzoeker door hoeveel er tegen de lamp zijn gelopen.

Collega Kherbache, zet dat naast het beleid dat wij hier op Vlaams niveau voeren. Daarbij doet een onafhankelijk bureau voor de twee sectoren waarvoor we bevoegd zijn, de uitzendsector en de dienstenchequesector, daadwerkelijk mystery calls, controles. Als echt herhaaldelijk, na drie keer blijkt dat er problemen zijn, dan wordt er wel opgetreden. Dat is dus minder vrijblijvend dan het Gentse onderzoek waar u steeds, keer op keer naar verwijst.

Ik ben het ook een klein beetje beu om telkens in de hoek te worden gezet als degenen die achterblijven wat het aanpakken van discriminatie betreft. Kijk gewoon eens naar wat de vorige minister die bevoegd was voor de dienstencheques, heeft gedaan inzake antidiscriminatie, en leg dat naast wat minister Muyters ter zake heeft gedaan, en zeg me dan nog een keer wie er lessen te leren heeft over antidiscriminatie. (Applaus bij de N-VA)

Yasmine Kherbache (sp·a)

Het is duidelijk dat de N-VA zich zal blijven inspannen om argumenten te zoeken om niets te hoeven doen op vlak van discriminatie. Kijk naar de realiteit en luister naar wat men zegt vanuit wetenschappelijke hoek. Het is overduidelijk. Er zijn instrumenten die werken. Het Gentse voorbeeld mag u niet minimaliseren. Dat is een succesverhaal, wat door iedereen wordt erkend. Ik vind het bijzonder jammer dat u de uitgestoken hand niet aangrijpt en blijft vastzitten in dogma’s en in de onwil om een verschil te maken op het vlak van discriminatie.

Minister, u had het ook over de andere doelgroepen zoals personen met een handicap, personen met een arbeidsbeperking. Uiteraard is het discriminatiebeleid niet het enige dat u moet doen om die mensen meer kansen op werk te geven. Er is een onrustwekkende trend op de arbeidsmarkt waarbij VDAB vaststelt dat steeds meer mensen nood hebben aan extra steun en aangepast werk op de arbeidsmarkt. Volgens VDAB zijn er 50.000 werkzoekenden die zonder extra ondersteuning of zonder gepast werk geen jobkans hebben. 50.000, dat is een kwart van de werkzoekenden. Via de sociale economie wordt daar een antwoord op gegeven, maar het aanbod van plaatsen is ruim onvoldoende. Er is een groeipad, bescheiden, maar het beantwoordt niet aan de nood die er is. Die nood groeit.

Bovendien dreigt die groep ook in verdrukking te geraken als men die taken steeds meer overlaat aan mensen die al een job hebben maar bijklussen. Er is vanuit het socioculturele middenveld en vanuit de zorgsector een signaal gekomen dat we moeten oppassen met het onbelaste bijklussen omdat het volwaardige jobs in de verdrukking brengt. Ik heb begrepen dat op federaal niveau de wet nog niet zal worden goedgekeurd, dat er werkgroepen zullen worden georganiseerd om te luisteren naar de bekommernissen van het middenveld. Ik zou u willen vragen om die bekommernissen ter harte te nemen. Voor alle duidelijkheid, we zijn niet tegen het stimuleren van vrijwilligerswerk, maar dat mag niet ten koste gaan van volwaardig werk in de socioculturele sector. Ik hoop dat u uw federale collega kunt overtuigen om de nodige bijsturingen te doen. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Sabine Vermeulen (N-VA)

Mevrouw Kherbache, op vlak van sociale economie werd tijdens deze legislatuur het grootste groeipad ooit verwezenlijkt. U kunt het niet vergelijken met wat tijdens de vorige legislatuur is gebeurd. (Applaus bij de N-VA)

Yasmine Kherbache (sp·a)

Er is effectief een groeipad in de sociale economie, en ik vind dat positief. Ik heb de cijfers niet bij, maar ik denk dat er ongeveer 655 extra plaatsen zijn in de beschutte werkplaatsen en dergelijke. Tegenover die extra plaatsen echter zijn er duizenden volwaardige jobs geschrapt. Denk maar aan de WEP-plus, de jongerenbonus, de zorgsector. Bravo voor de extra plaatsen in de sociale economie. Ik ben daar heel blij om. Die wegen echter niet op tegen de geschrapte jobs die minister Muyters heeft doorgevoerd. Hij had zijn budget beter doorgestuurd naar minister Homans in plaats van die jobs te schrappen en minder jobkansen te creëren voor mensen die het extra nodig hebben. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik heb de instrumenten anders ingezet zodat de doorstroming kan gebeuren naar het normale economische circuit. Dat moet een positief effect hebben. In plaats van een werkloosheidsval te creëren waarbij mensen op een of andere manier in een speciaal statuut blijven, met daar nuttig en zinvol werk, proberen we er een activerende maatregel van te maken. U weet dat. U doet alsof die jobs geschrapt zijn, weg zijn, verdwenen.

Er wordt op een andere manier met de instrumenten omgegaan, terug naar de oorsprong ervan, zoals ze door mijn voorgangers zijn uitgetekend.

De voorzitter

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Minister Muyters, ik ben ervan overtuigd dat uw bijsturing correct was en dat we ervoor hebben gezorgd dat mensen niet langer in de werkloosheid blijven zitten. Tegelijkertijd komt natuurlijk een heel grote groep mensen niet aan de bak. In de huidige opdeling komen zij in de sociale economie terecht, maar volgens mij is die opdeling achterhaald. Vorige week hebben we in de commissie de mensen uit West-Vlaanderen gehoord die sociale economie en economie aan elkaar verbinden en eigenlijk zeggen dat sociale economie ook economie is. Dan ben ik er ook wel van overtuigd dat VDAB zich in de toekomst veel meer zal moeten inzetten voor de zwaksten, want zij blijven over. Als Vlaamse overheid zullen we ook daarop moeten inzetten. Ik ben heel blij met de uitbreiding in maatwerk en lokale diensteneconomie, minister Homans, maar we moeten toch erkennen dat de groep mensen voor wie we geen oplossing hebben, bijzonder groot is. Daar zullen we de volgende legislatuur extra aandacht voor moeten hebben.

De voorzitter

De heer Beenders heeft het woord.

Rob Beenders (sp·a)

Voorzitter, het lijkt wel alsof collega Claes mijn uiteenzetting kon lezen. Wat ze zegt, is uiteraard juist, en haar pleidooi verdient alleen maar bijval. Het gepingpong – ik doe toch meer voor die groep en ik doe meer voor die andere groep – moet stoppen. We hebben samen één geïntegreerd doel, en dat is zorgen dat elke werkzoekende met zijn profiel zo snel mogelijk op de juiste plek terechtkomt. Daarom is sociale economie geen aparte bevoegdheid meer en moet het zo snel mogelijk worden geïntegreerd in de beleidsdomeinen Werk en Economie, met het oog op hervormingen. Het beste voorbeeld is de PWA. De toekomstige PWA’er of wijk-werker heeft een ander profiel dan de PWA’er vandaag. Heel wat mensen die vandaag het profiel PWA hebben, zullen richting sociale economie worden gestuurd. Om u dan vandaag alleen maar op de borst te kloppen, collega’s van de N-VA, dat het groeipad de oplossing voor alles is, is niet correct. Het moet zijn plaats krijgen in een geïntegreerd verhaal. Goed dat er een groeipad is, maar zorg ervoor dat de wachtlijst met mensen die een ticketje sociale economie hebben, echt daalt. Helaas zien we op dat punt vandaag nog geen structurele daling.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Beenders, ik wil opnieuw zeggen dat ook bij PWA de filosofie is dat men dankzij wijk-werk een eerste stap zet richting het normaal economisch circuit. De vele mensen die vandaag in de PWA meedraaien, zijn in staat om daarna verder te groeien richting normaal economisch circuit. En dat wensen we te bereiken. Dat was trouwens ook de oorsprong van de PWA: werkervaring opdoen om door te groeien. Alleen is het een werkloosheidsuitkering geworden met een paar euro per uur extra. Dat was niet de oorspronkelijke filosofie van de PWA, en wij gaan daar nu met wijk-werken naar terug. Dat weten alle commissieleden. We hebben niet alleen het groeipad in de sociale economie, maar we hebben ook de start genomen van het W²-decreet. In dat geheel zijn ook de zorg-werktrajecten belangrijk. Ja, we zullen daarvoor blijvend aandacht moeten hebben, maar ik hoop en ga ervan uit dat mensen die vroeger in bepaalde statuten vast bleven zitten, nu dankzij de nieuwe manier van werken naar het normaal economisch circuit kunnen doorgroeien, waar vandaag toch ook heel veel vraag is.

De voorzitter

De heer Beenders heeft het woord.

Rob Beenders (sp·a)

Minister, we zijn het erover eens dat een hervorming nodig is. Wij zeggen alleen dat door de hervorming de groep mensen met een ticketje sociale economie aanzienlijk groeit.

Minister, bij elke hervorming gaat een steeds groter wordende groep naar minister Homans. Het vooropgestelde groeipad is een goed startmoment, maar is niet voldoende. De groep wordt immers enkel groter. Wij vinden dan ook dat het een geïntegreerd verhaal moet worden. Wat arbeidszorg betreft, klopt u zich op de borst. Ik betreur dat het geen geïntegreerd verhaal is geworden.  Het is ook jammer dat de sociale economie met aparte schotten blijft werken. Dat is nochtans wat de sector vraagt. U moet de schotten afschaffen en meer samenwerken. Er moet worden gewerkt in functie van de doelgroep.

Dat een materie onder twee verschillende ministers valt, betekent niet dat er niet kan worden samengewerkt. Ik heb met de vorige minister van Sociale Economie zeer goed samengewerkt. Ik werk zeer goed samen met de huidige minister van Sociale Economie. Ik werk zeer goed samen met de minister van Onderwijs met betrekking tot het duaal leren. Ik werk met andere ministers zeer goed samen met betrekking tot innovatie. Dat het om verschillende ministers gaat, betekent niet dat het geen geïntegreerd geheel kan zijn.

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik weet niet of het in het verslag staat, maar toen u net zei dat u met iedereen goed samenwerkt, begon mevrouw Claes keihard te lachen. Ik weet niet waarom ze dat deed.

Ik beschik over 180 seconden. In een begroting wordt vooruitgekeken naar wat er het volgende jaar zal gebeuren. Voor mij is het echter ook een jaaroverzicht. We spelen de hits opnieuw af. De hits zijn dan die zaken waarover wij altijd clashen. Jammer genoeg, blijven die hits ook overeind in het komend begrotingsjaar. Ik zal eerst beginnen met de bloemen en dan pas met de bloempotten komen. Ik heb dat van mijn fractievoorzitter geleerd.

Minister, ik begin met een compliment. Wat ik goed vind aan de begroting is het initiatief dat u hebt genomen om een premie op te zetten die werkzoekenden naar het ondernemerschap kan leiden. We hebben daarover in de commissie al een eerste debat gevoerd. Op zich is dat een goed idee. Het is nog te vroeg om alle details te krijgen, maar ik ben gerustgesteld: u zult dat op een goede wijze uitrollen. In de commissie heb ik me onthouden. Er moet immers nog veel worden beslist door middel van uitvoeringsbesluiten. Volgens mij zit u hiermee alvast op een goed spoor. Ik kijk uit naar de stappen die u zult zetten.

Nu volgen de bloempotten. De eerste hit is iets wat me vorig jaar, het jaar voordien en ook nu is opgevallen. In alles wat u doet, blijft u ontzettend stil over werkbaar werk. Indien we die woorden in de beleidsbrief en in de begroting opzoeken, blijkt dat daar bijna geen aandacht aan wordt gegeven. Indien we kijken naar uw communicatie op de sociale media ­– in deze tijden zowat de Belga van de politici en het persmiddel bij uitstek – merken we dat u amper over werkbaar werk communiceert. Ik vind dat jammer. We kampen in Vlaanderen met heel wat uitdagingen. Dat blijkt uit alle signalen uit de monitoring. Op sommige vlakken is het nog nooit zo erg geweest.

Mijnheer Annouri, u weet wat ik altijd heb gezegd. De sociale partners hebben me een aanbod gedaan. Ze hebben verwezen naar de werkbaarheidsmonitor van de Stichting Technologie Vlaanderen en Technology Assessment. Die resultaten waren onrustwekkend. Aangezien ze bepaalde zaken raar vonden, wilden ze eerst nog bijkomend onderzoek uitvoeren. Ze hebben verklaard met een voorstel te zullen komen.

Tijdens de bespreking van de beleidsbrief in de commissie had ik nog geen voorstel van de sociale partners gekregen. Ik herinner me echter goed dat ik diezelfde ochtend een telefoontje van de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) heb gekregen. Hij heeft toen een gesprek gevraagd.

Dat gesprek heeft ondertussen plaatsgevonden. De sociale partners hebben een aanzet voorgesteld voor maatregelen die ze als sociale partners zelf kunnen nemen, die de sectoren kunnen nemen en die de overheid moet nemen. De dialoog hierover is gestart. Ik wil, voor alle duidelijkheid, in mijn beleidsbrief geen schot voor de boeg geven terwijl de sociale partners een aanzet willen geven. Zoiets zou het sociaal overleg enkel bemoeilijken. De ene of de andere groep zou dan immers verwijzen naar wat ik wil en besluiten dat het niet nodig is een compromis of consensus te vinden.

Mijnheer Annouri, dit lijkt me de juiste werkwijze. U kunt er van op aan dat er met betrekking tot werkbaar werk dit jaar iets zal gebeuren. Dit zal gebeuren in samenwerking met de SERV, met de sociale partners en met de andere leden van de Vlaamse Regering. Gelukkig komt werkbaar werk niet enkel op mijn agenda terecht: dit geldt voor veel ministers.

Ik heb de documenten van de SERV gelezen. In januari 2018 vindt een eerste vergadering van het Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité (VESOC) plaats. De Vlaamse Regering en de sociale partners zullen de werkwijze bespreken om het voorstel over werkbaar werk van de sociale partners uit te rollen. Ik hoop dat ik u hiermee duidelijk heb gemaakt dat dit in mijn ogen een thema is dat in 2018 hot zal zijn.

Minister, ik ben het ermee eens dat het natuurlijk over meer dan enkel werk gaat. Werkbaar werk, burn-outs en dergelijke vormen een maatschappelijk probleem. Op de arbeidsmarkt is dit echter een cruciaal probleem.

Ik ben het niet met u eens. Het is goed dat de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) met voorstellen zal komen. We hebben daar in de commissie over gesproken, over of die er al zijn, en over de uitrol ervan. Ik vind alleen niet dat anno 2017 in Vlaanderen een minister van Werk die vorig jaar en het jaar daarvoor heel weinig heeft gedaan rond werkbaar werk, in zijn beleidsbrieven en begrotingen zegt: ‘Er komt een telefoontje en dan zal ik daarop mijn beleid uitrollen.’ Ik verwacht meer initiatief. Ik verwacht dat u meer lijnen uitzet. U kunt daar wel het voortouw in nemen. Dat is alleszins mijn mening.

Nogmaals, werkbaar werk moet uiteindelijk vooral op de werkvloer gebeuren. Dat wil zeggen tussen de werkgevers en de werknemers, dus tussen de werkgeversorganisaties en de werknemersorganisaties. Als sociale partners aan de minister vragen om voorlopig geen initiatief te nemen en hen de lead te laten nemen voor goede voorstellen, die gedragen zullen zijn door werkgevers en werknemers, dan vind ik het de juiste houding van een minister van Werk om die kans te geven aan de sociale partners. De sociale partners zouden het helemaal niet hebben gewaardeerd mocht ik dan, net vóór zij tot akkoorden komen, zelf met voorstellen komen. Maar daarover kunnen we van mening verschillen. Daar heb ik geen probleem mee.

We verschillen inderdaad van mening. U kunt zowel tot gedragenheid komen als initiatief nemen, en u moet niet zomaar passief wachten tot er een soort van consensus is. Er zijn verschillende zaken die u gedaan zou kunnen hebben. Maar goed, daarover verschillen we van mening. De situatie op de arbeidsmarkt zoals ze nu is, is zeer, zeer alarmerend, en dat is jammer.

Een tweede hit die jullie vaak afspelen, gaat over het doelgroepenbeleid. Vandaag zien we dat zowel laaggeschoolden als 55-plussers het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt. U hebt gelijk dat de cijfers aan het verbeteren zijn en dat er meer mensen aan de slag zijn. Dat juichen wij ook toe. Maar ik verwijs toch naar onder andere professor Baert, die heeft aangehaald dat hij moeilijk precies kan aanwijzen of dat nu is door het beleid of door de aantrekkende economie in Europa. Je kunt dus niet zomaar zeggen: ‘We voeren dit soort beleid, we zien dat er meer mensen aan de slag zijn. Hoera voor ons!’ We hebben onze kritiek op het gevoerde beleid al heel vaak duidelijk gemaakt. Volgens mij bent u te veel middelen in de verkeerde doelgroepen aan het steken. We zien op dit moment dat de problemen bij laagopgeleiden en bij 55-plussers nog steeds een pijnpunt vormen op onze arbeidsmarkt.

Het verwondert me altijd dat, als er succes is, dat zeker niet aan het beleid ligt, en als er fouten zijn, het de schuld van het beleid is. Als de werkloosheid stijgt, is het de schuld van het beleid. Als de werkloosheid daalt, is het dankzij de economie. Laat ons het erop houden dat beide spelen, en dat we aan de conjunctuur een surplusje kunnen geven door goed beleid. Als ik vergelijk met elders, doen we het niet slecht op het vlak van de werkloosheid en de daling van de werkloosheid. De werkzaamheidsgraad is nog onvoldoende, maar gaat vooruit. Heb ik gezegd dat ik klaar ben met de 55-plussers? Neen, zeker niet, maar we nemen meer en meer maatregelen. We stoppen nooit met nieuwe maatregelen. Ik geef gewoon het nieuwe plan van VDAB, met de snelle screening die daarnet al aan bod is gekomen, met de opleiding op verplaatsing, met de voucher, zoals mevrouw Talpe het heeft genoemd. We proberen telkens opnieuw. Ik zou niet de laaggeschoolden als doelgroep nemen, ook al moeten we daar altijd iets aan doen en doen we daar ook veel voor.  De grootste moeilijkheid zijn de langdurig werklozen. Het is ongeveer de eerste keer dat we echt actief met deze regering inzetten om die langdurig werklozen echt terug kansen op de arbeidsmarkt te geven.

Minister, u zit aan de knop. Dan is het natuurlijk logisch dat als er dingen goed zijn, mensen u daar complimenten voor zullen geven. Dat heb ik ook gedaan. Maar als er dingen fout lopen, zullen mensen naar u kijken. Mijn punt is net dat, als er geen duidelijk bewijs is dat het het beleid is dat ervoor zorgt dat er bepaalde zaken veranderen, men niet te snel moet zeggen: ‘Onder dit soort beleid hebben we zoveel jobs bij gecreëerd en zijn we ervoor aan het zorgen dat de zaken opgelost raken, enzovoort.’ Dat is ook het punt van professor Baert – een onverdachte bron, lijkt mij – dat ik nog eens herhaal.

U hebt trouwens helemaal gelijk over de focus die we moeten leggen op de langdurig werklozen en ook over de premies die nu worden uitgereikt. Er zal wel een tandje bij moeten worden gestoken, omdat we zien dat ze nog niet voldoende worden opgenomen. Ik volg u daar voor een groot stuk in. Mijn punt blijft dat het doelgroepenbeleid dat vandaag wordt ingezet, op een verkeerde manier wordt ingezet en op een andere manier zal moeten worden ingezet. Maar ook daar verschillen wij van mening. Dat is ook een klassieke hit tussen u en mij. We blijven van mening verschillen.

Een laatste punt, een klassieker ondertussen in dit parlement, maar jammer genoeg ook in de samenleving, is de discriminatie op de arbeidsmarkt, niet enkel op basis van afkomst, ook op basis van leeftijd, functiebeperking, noem maar op. Ik was eigenlijk blij dat de heer Somers gisteren hier een bevlogen tussenkomst heeft gedaan over hoe deze regering meer werk moet maken van de aanpak van discriminatie op onze arbeidsmarkt.

Iedereen, over alle partijgrenzen heen, of toch bijna alle, is het erover eens dat discriminatie absoluut verwerpelijk is en moet worden aangepakt. Maar als je kijkt naar de kloof tussen de woorden en de daden, dan blijf ik op mijn honger zitten. Collega Ronse, als u zegt dat u het beu bent dat de oppositie een bepaald mantra aanhoudt, dan kan ik u verzekeren dat de mensen die al tientallen jaren opnieuw onderzoeken zien die racisme bevestigen op een structurele manier, het beu zijn dat er men telkens opnieuw dezelfde resultaten ziet en dat de oplossingen uitblijven. Maak daar werk van. Neem verantwoordelijkheid als Vlaamse Regering. In het superdiverse Vlaanderen van vandaag pleegt u schuldig verzuim. (Applaus bij Groen en sp.a)

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Collega's, het zal u misschien niet verwonderen, maar ik heb de bloempotten vandaag niet bij. Mijn kerstrozen staan thuis. Als we kijken naar de algemene economische situatie, denk ik niet dat er bloempotten nodig zijn. Het aantal ondernemingen groeit, de motor slaat opnieuw aan in Vlaanderen, de werkloosheid daalt al meer dan twee jaar onophoudelijk en de tewerkstelling zit eindelijk op een recordhoogte. We zien dus dat Vlaanderen groeit, op economisch vlak, op vlak van tewerkstelling en inzake innovatie. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de overheid meer vraaggestuurd werkt dan vroeger, door het feit dat er meer ingezet wordt op een aantal speerpunten, collega Tobback, zoals de recent getekende cluster Flux50 en Flanders’ FOOD, en dat onze regering inzet op werk. Minister, ik zie in het beleidsdomein dat u beheert, vijf speerpunten waarop u werkt.

De Vlaamse Regering speelt de rol van voortrekker en accelerator, vraaggestuurd in plaats van aanbodgestuurd. Dit zie je duidelijk in de initiatieven rond bijvoorbeeld Industrie 4.0, ‘Fiber to the Home’ en het hervormen van het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO).

Een volgende speerpunt is dat het beleid gebaseerd is op het bouwen van bruggen, bruggen tussen alle mogelijke organisaties en instanties, bruggen die ervoor moeten zorgen dat er samengewerkt wordt, over de beleidsdomeinen heen. Voorbeelden daarvan zijn duaal leren, de samenwerking tussen Europa en Vlaanderen, de samenwerking van de verschillende industrieën in clusters en netwerken enzovoort.

U vertrekt als minister zo veel mogelijk vanuit een helicopterview, waarbij u het enge domein van economie, met nog vele federale bevoegdheden, overstijgt, en dus ook banden legt met bijvoorbeeld onderwijs, leefmilieu en energie, met de bouw van geothermiecentrales bij de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), of zelfs binnenlands bestuur bij de uitbouw van ‘smart cities’ en e-government, of, zoals daarnet bediscussieerd, de sociale economie

We zien ook een duidelijk horizontaal en verticaal beleid terugkeren. U voert een integraal beleid, dat horizontaal is, en tegelijk een sectoraal beleid dat verticaal is. De som van die twee maakt dat groei in Vlaanderen mogelijk is.

U zet in op iedereen: elk talent is nodig op de arbeidsmarkt. Het is daarnet aangekaart dat er in West-Vlaanderen reeds een arbeidsmarktkrapte is. Dat is een grote uitdaging, want het dreigt structureel te worden. Het is echter een positieve uitdaging, want een krapte op de arbeidsmarkt klinkt toch beter dan spreken over een hoge werkloosheidsgraad.

Er zijn nog veel uitdagingen voor het komende jaar. We hebben een aantal heel mooie eigen innovatieve bedrijven, ook rond Research and Development (R&D), die altijd maar meer groeien, die begrepen hebben dat ze van elkaar kunnen leren en dus meer gaan netwerken en samenwerken. Ikzelf geloof heel sterk in de digitale economie van de toekomst. In de commissie Energie bijvoorbeeld blijf ik pleiten om digitale meters slim te maken en nieuwe energiemarkten te ontwikkelen en te faciliteren. Ook de ‘smart cities’-projecten zie ik vorm krijgen, en die omhelzen ook het verhaal van de slimme digitale meter. En inzake de digitale netwerkinfrastructuur, ‘Fiber to the Home’, formuleert u terecht de vier doelstellingen: de capaciteit van het netwerk moet hoog genoeg zijn, de dekkingsgraad zo hoog mogelijk, het netwerk moet open zijn en de prijs zo laag mogelijk. In Vlaanderen hebben we dus oog voor de toekomstige uitdagingen, want de wereld evolueert, en dus verandert ook de samenleving, of we dat willen of niet.

Uitdagingen vragen dus een gepast antwoord. Via onderzoek en ontwikkeling proberen we dat gepast antwoord te vinden. Innovatie is een sleutelwoord om onze samenleving en economie meer slagkracht te geven en beter voor te bereiden op de toekomst. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Het wordt moeilijk om beter te doen. Collega Gryffroy is erin geslaagd om als eerste applaus van de regering te krijgen voor zijn tussenkomst. Het is een uitdaging.

Voorzitter, collega’s, een korte tussenkomst over het beleidsdomein Werk. Straks zal collega Claes ongetwijfeld over Sociale Economie spreken. Beide hebben uiteraard met elkaar te maken. Een geïntegreerd beleid is nodig, ook voor de term die ik hier naar voren wil schuiven als mijn woord van het jaar. Het zijn er eigenlijk twee: full employment, of volledige tewerkstelling. Het debat daarover waaide over vanuit de Duitse verkiezingscampagne. Iedereen was er vrij kritisch over als een onhaalbare doelstelling, maar eigenlijk is dat net wat we in Vlaanderen nodig hebben. Iedereen aan het werk. Daarin spelen de beleidsdomeinen Werk en Sociale Economie een cruciale rol.

Jobs worden aan een sneltreintempo gecreëerd. En tegelijk stromen, vergrijzingsgewijs, nooit geziene aantallen werknemers uit op onze arbeidsmarkt. We hebben dus effectief iedereen nodig om de vele vacatures in te vullen. Het gaat dan ook over niet evidente groepen, zoals langdurig werkzoekenden en mensen zonder diploma enzovoort.

Deze regering heeft een aantal belangrijke hervormingen voorbereid met tijdelijke werkervaring en met wijkwerken. Het zijn systemen waarin bij uitstek een beroep wordt gedaan op een goede samenwerking met het lokale niveau. Ook dat vinden we bijzonder positief en belangrijk. Er wordt ook gewerkt aan de loonkost, enerzijds met de doelgroepmaatregelen, anderzijds met de aanwervingsstimulans om langdurig werkzoekenden effectief een duurzame job te bezorgen.

Op dat vlak is er nog wat verbetering mogelijk. Er is een budget gepland. 2018 wordt een cruciaal jaar, want dan hebben we tijdelijke werkervaring en loonkostmaatregelen met de aanwervingsstimulans. We hopen dat daarmee het verschil kan worden gemaakt voor veel langdurig werkzoekenden. Op al die maatregelen is natuurlijk de monitoring van toepassing en zullen we evalueren en bijsturen waar nodig.

Waarin ook stappen vooruit zijn gezet, is de strijd tegen discriminatie. Mensen van allochtone origine blijven nog al te vaak achter op onze arbeidsmarkt. Deze regering heeft een vernieuwd diversiteitsbeleid uitgerold. Het driesporenbeleid moet, wat ons betreft, in 2018 worden geëvalueerd.

Ook inzake taalopleidingen steekt VDAB een tandje bij met het geïntegreerde werk- en taalbeleid. Dat is bijzonder positief qua insteek en filosofie, maar als we kijken naar de aantallen, duizenden, zelfs tienduizenden werkzoekenden zijn het Nederlands niet of nauwelijks machtig. Daartegenover staan honderden, misschien een paar duizend taalopleidingen. Het kan en het moet meer zijn voor ons. Hier ligt een grote uitdaging voor de VDAB.

Een andere grote uitdaging is het duaal leren. Ik wil hier opnieuw een lans breken om ook de leertijd niet te verwaarlozen. Minister, u hebt opnieuw een actieplan aangekondigd in de commissie. We kijken ernaar uit, want de leertijd georganiseerd door SYNTRA, is een belangrijke steunpilaar voor de uitbouw van het duaal leren en een bijzonder belangrijk project voor deze regering. We hopen dat u die leertijd in 2018 effectief alle kansen geeft.

Minister, voor dit beleid zult u in onze fractie een waardevolle partner vinden.

De voorzitter

Mevrouw Vanwesenbeeck heeft het woord.

Daniëlle Vanwesenbeeck (Open Vld)

Voorzitter, ministers, collega's, ik ben nu bijna een jaar als ondernemer actief in het Vlaams Parlement. Ik vind het ongelooflijk interessant te mogen deelnemen aan de debatten. Ook in de commissies hebben we al plezierige gesprekken gehad en interessante inhoudelijke debatten gevoerd.

Ik zie goede dingen, als ondernemer. Ik zie echt goede dingen. En ik zeg dat niet alleen omdat we in de meerderheid zitten: ik zie oprecht goede dingen.

Eerst en vooral gaat er 2,8 miljard euro naar economie, wetenschap en innovatie. Dat is een record. 1,6 miljard euro daarvan gaat naar onderzoek en ontwikkeling. Dat zijn toch wel serieuze bedragen. Ik sta daar volledig achter. We moeten van Vlaanderen een kenniscentrum, een kennisregio maken.

Ik zie nog andere goede dingen, op een ander niveau. Zo is er de vereenvoudiging van de kmo-portefeuille. Er worden ook heel wat drempels verlaagd om het ondernemerschap te stimuleren. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het afschaffen van de Vestigingswet. Ik zie verder dat er inspanningen worden gedaan om werklozen niet alleen aan te zetten om een job te zoeken bij bedrijven, maar ook om hen ertoe aan te zetten eens te overwegen om de stap te zetten naar het ondernemerschap. Ik kan er alleen maar achter staan. Ik ben zelf vaak gaan spreken in parochiezalen voor mensen die overwegen om te ondernemen.

Het is fijn om vast te stellen dat dat dan ook effectief gebeurt. Deze regering slaagt erin om mensen in dat ondernemerschap te krijgen. We hebben laatst cijfers opgevraagd. 2103 werklozen hebben de stap gezet om een zelfstandige nevenactiviteit op te starten. Dat is knap. We krijgen die mensen in dat zelfstandig ondernemerschap.

Maar op een gegeven moment ben je dan ondernemer. Dan sta je daar. Je begint aan je zaak. Je werkt zeven dagen op zeven. Op een gegeven moment word je dan geconfronteerd met de overheid. Dat is zo. Als je onderneemt, word je sowieso geconfronteerd met de overheid. Daar wil ik eigenlijk mijn punt maken. Waar liggen ondernemers nu echt wakker van als ze worden geconfronteerd met de overheid? Dat is eigenlijk een heel algemeen punt. Dat is – en alstublieft, begin nu niet te zuchten – de rechtszekerheid, op federaal, op Vlaams, op elk niveau.

Ik geef een voorbeeld. Zo zijn er de hybridewagens. Twee dagen geleden heb ik gesproken met iemand uit de automotive sector. Die zei tegen mij: ‘Daniëlle, wij weten het niet meer. Wij weten niet meer of we hybride wagens nu nog moeten aanraden of niet.’ Het creëert rechtsonzekerheid wanneer je als ondernemer niet meer weet welk product je eigenlijk moeten verkopen. Dat is de rechtsonzekerheid op federaal niveau. Maar ook op Vlaams niveau zijn er problemen. Als ondernemers investeren in vastgoed, bij de notaris een compromis tekenen en een paar weken later telefoon krijgen waarin wordt gezegd dat de regio of de plaats waar ze hun vastgoed hebben gekocht, misschien een groenzone wordt, dan is dat rechtsonzekerheid.

Beste leden van de regering, dat is toch een signaal. We moeten werken aan die rechtszekerheid. Ik snap wel dat er af en toe zaken moeten worden gewijzigd, maar we moeten er wel voor zorgen dat onze ondernemers het vertrouwen blijven hebben.

Waarvan liggen ze nog wakker? Van mobiliteit. Ze kijken ook naar de geopolitiek. Wat zal er gebeuren met de brexit? Ze kijken ook naar Trump. Welke invloed zal hij hebben op de economie? Maar ze liggen ook wakker van administratieve vereenvoudiging. Het is allemaal nog wat moeilijk. Beste minister, ik weet dat u hard aan het werk bent om de subsidies te stroomlijnen. Ik kan u alleen maar vragen om dat pad verder te gaan, zodat het duidelijker wordt voor onze ondernemers.

Voorzitter, mijn conclusie is: er gebeurt heel veel om mensen naar dat ondernemerschap te trekken. En zodra ze op dat speelveld staan, is het mijn vraag aan deze regering: zorg er alstublieft voor dat ze dat ondernemerschap ook nog plezant vinden, dat het eenvoudiger wordt om te ondernemen en dat er meer rechtszekerheid is. Dat was mijn punt. Ik dank u. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan (sp·a)

Collega's, ik kan de oproep van mevrouw Vanwesenbeeck naar rechtszekerheid alleen maar beamen. We hebben hier gisterenavond met velen de lichten gedoofd. We hebben op sociale media gedeeld dat we bezig waren met de begroting.

Ik moet jullie één ding zeggen. Ik had heel wat voorbereid om vandaag in zoveel seconden te zeggen. Maar één ding blijft nazinderen. ‘Wat zitten jullie daar te doen?’

Innovatieve, hardwerkende mensen worden niet beloond. Er zijn regels, we leven die na, maar die vergunningen duren veel te lang, wat betreft de omgevingsvergunning van mensen: ‘Ik voldoe aan alle voorwaarden om een gezinsherenigingsvisum te kunnen krijgen, ik heb een aanvraag ingediend, ik wacht al anderhalf jaar, en ik krijg nog geen reactie.’

Ik weet dat wij een ingewikkeld landje zijn. We hebben federale bevoegdheden, Vlaamse bevoegdheden en lokale bevoegdheden. Wat geldt voor ondernemers, geldt voor alle mensen. Lees mijn sociale media: wij zijn niet de stilstand beu, maar de achteruitgang. Ik ben ook politicus. Ik zit mee in die zetels. Ik vind dat ook erg. Maar dat is iets waar we toch even naar moeten kijken. Wat denken de mensen? Hoe helpen we hen vooruit?

Ik had hier eigenlijk van alles voorbereid, minister. Ik had de -Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) genomen en een aantal doelstellingen gekozen uit Pact 2020. Ik wou u erop wijzen dat we niet voldoende vooruit raken. Er zijn inspanningen. Ik ben de laatste om alle mogelijke inspanningen te ontkennen. Meer ondernemerschap, daar zetten we verder op in. De economie trekt weer aan. Wat zien we? We hebben inderdaad meer ondernemers. Maar wat dan? En wat als het misloopt? Het is niet altijd zonneschijn. Het is niet allemaal hip en jong en oké. Die flankerende maatregelen moeten er staan. We moeten inzetten op die begeleidingen. We moeten gericht beleid voeren ten aanzien van de zelfstandigen zonder personeel en de kleinere ondernemingen, ook wat betreft de subsidie-industrie die vandaag werkt. Wij hebben een miljardenindustrie aan subsidies, op alle mogelijke niveaus. Het zijn bepaalde mensen, die de netwerken kennen, die de weg daarnaartoe vinden. We nemen het hen niet kwalijk, maar het is wel aan het beleid om het zo laagdrempelig en toegankelijk mogelijk te maken, vooral voor diegenen die het nodig hebben.

Ik volg uw pleidooi 100 procent. Ik denk dat ik dat ook al heb aangetoond in mijn beleid. We hebben de master call gehad, waarbij organisaties ondersteund worden om bedrijven in elke fase van hun levensloop te ondersteunen. Ik probeer het instrumentarium zo te hervormen dat subsidiologen geen werk meer hebben. Het belangrijkste is daar ondertussen al gebeurd, bijvoorbeeld bij ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV), waar we de filosofie hebben omgedraaid. In januari zal dat ook zo zijn bij mijn Agentschap Innoveren en Ondernemen. Dan moet je niet meer zelf gaan zeggen in welk instrument je geïnteresseerd bent, maar je doet je verhaal, je zegt wat je team is, je zegt welk plan je hebt, en zij zullen jou zeggen op welke manier ze kunnen steunen. Misschien is dat met een lening, misschien is dat met een waarborg, misschien is dat met een steunmaatregel hier of daar. Dat is de weg die we zijn opgegaan en die u nu ook beschrijft. Ik ben blij om opnieuw te horen dat u dat ondersteunt. (Applaus bij de N-VA)

Mevrouw Turan, in heel uw pessimistische verhaal, wat vindt u van de kmo-portefeuille?

Güler Turan (sp·a)

De kmo-portefeuille is hervormd, en ik vind die hervorming en vereenvoudiging om toe te juichen, maar we moeten vooral kijken of de maatregelen het doel bereiken dat we willen. Wat de kmo-portefeuille betreft, hebben we zeer recent een aantal misbruiken of ‘mis-gebruiken’ vastgesteld. Automatische toekenning is goed, controle is essentieel. De kmo-portefeuille is net een van de weinige maatregelen waar we veel ondernemers en kleine ondernemers mee bereiken. Dat zijn peanuts, collega’s, vergeleken met de hele andere subsidie-industrie die naar bedrijven, onderwijs, innovatie, technologie en ontwikkeling gaat. Ik denk dat de kmo-portefeuille nog een voorbeeld kan zijn voor alle andere maatregelen waar we niet naar kijken. Ik maak wel voorbehoud bij het gebruik daarvan. Komen die subsidies bij de juiste bedrijven terecht, bij diegenen die het verschil gaan maken, de ondernemers die echt een investering gaan doen en die stap al dan niet zetten? Dat is natuurlijk nog de vraag.

Daniëlle Vanwesenbeeck (Open Vld)

Mevrouw Turan, ik ga echt niet akkoord met de teneur van uw uiteenzetting. Ik vind dat het woord ‘achteruitgang’ niet op zijn plaats is. Echt niet. (Applaus bij de N-VA)

Vijftien jaar geleden werd een ondernemer vies bekeken. De grote helden waren rocksterren, acteurs, enzovoort. De grote helden van vandaag – en dat heeft voor een deel te maken met het beleid van deze regering – zijn jonge, hippe ondernemers, die iets durven op te starten en die werk creëren. (Applaus bij Open Vld en de N-VA)

U gaat er met die kmo-portefeuille nogal lichtjes over. Dat is een goede zaak. En inderdaad, er zullen hier en daar nog wat bijsturinkjes nodig zijn. Daar ben ik het mee eens, maar u zegt dat de rest eigenlijk op niet veel trekt. Ik kom terug op wat ik daarjuist heb gezegd: er is met 2,8 miljard euro een enorm groot bedrag gegaan naar Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI). Wij behoren nu bij de top in Europa. Ik denk dat we op de vijfde plaats staan. Ik vind dus dat u er nogal lichtjes over gaat als u zegt dat de kmo-portefeuille goed is, maar dat de rest eigenlijk op niets trekt. Voorzitter, ik wou dit toch even rechtzetten. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan (sp·a)

Mevrouw Vanwesenbeeck, u moet wel luisteren naar wat ik zeg vooraleer u het niet eens bent met mij. Wat betreft die achteruitgang heb ik gezegd dat ik het zeer spijtig vind om te moeten vaststellen welke indruk de mensen buiten deze zaal hebben over wat wij hier doen. Ik vind dat jammer. Ik vind dat spijtig. Hoewel ik in de oppositie zit, zit ik naast u.

Het gaat absoluut niet over onze ondernemers. Niemand in deze zaal zal mij kunnen beschuldigen van geen respect te hebben voor onze ondernemers. Integendeel! Ik juich dat toe. Ik vind dat wij mensen die initiatief willen nemen en die een idee hebben moeten stimuleren in de richting van ondernemerschap. En dat wordt ook gedaan. Zolang het goed is, staan wij allemaal klaar om te applaudisseren en te stimuleren. Maar de minister moet, als overheid, ook de flankerende maatregelen bekijken voor het geval het niet goed gaat en voor het geval de ondernemer zijn weg niet vindt naar de EWI’s en naar de kmo-portefeuilles. Ik wil iedereen een kans geven om die maatregelen maximaal te benutten. Want wij hebben die ondernemers nodig. Onze kmo’s zijn de motor van onze economie. Op de multinationals, die van de ene dag op de andere beslissen om te vertrekken, kunnen we niet blijven rekenen voor onze Vlaamse economie.

Ik reik u de hand, ik sta niet achter die woorden. Het is gewoon een heel spijtige samenstelling. Dat wij flankerende maatregelen stimuleren, daar ben ik het mee eens, maar die middelen moeten gaan naar de ondernemers die het heel hard nodig hebben en voor wie die middelen een verschil van groei, van succes, van tewerkstelling, van innovatie kunnen maken. Dat is mijn punt. Ik ben hier geen oppositie aan het voeren om oppositie te voeren: ik ben hier aan het bekijken hoe we zoveel mogelijk ondernemers op een laagdrempelige, toegankelijke manier kunnen bereiken. Ik denk dat dat essentieel is. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Mevrouw Turan, in een socialistisch economisch model werkt men aanbodgestuurd. Deze regering en deze ploeg werken in een vraaggestuurd systeem. In een vraaggestuurd systeem bereik je zoveel mogelijk ondernemers. Iedereen mag ondernemen. Iedereen met vragen gaat naar het uniek loket. U bent hier iets aan het vertellen zoals het misschien was toen de socialisten in de meerderheid zaten. Maar zo werkt het niet meer. Er worden jobs gecreëerd, er  komen ondernemingen bij, er wordt geïnnoveerd. Het gaat goed in Vlaanderen. Stop met die pessimistische boodschap! (Applaus bij de N-VA)

Güler Turan (sp·a)

Stop met die valse boodschap! Stop daarmee! Uiteraard gaat het goed met ons. Gelukkig! Wij zijn een van de beste regio’s. Uiteraard gaat het ook goed met onze economie. (Applaus bij de meerderheid)

Maar kom niet af met excuses over aanbodgestuurd werken. U hoort niet wat ik zeg.

Het spijt me, maar u moet leren luisteren, ook naar mensen die niet in uw directe entourage bezig zijn. Kijk naar buiten, luister naar ondernemers, de zelfstandigen zonder personeel, de schijnzelfstandigen, al die mensen die in een zeer moeilijke situatie zitten. Het is allemaal wel goed en ondernemen is fantastisch, maar hoeveel jonge mensen zien het nog zitten?

Vorige week heb ik een dame gesproken die een winkel heeft. Ze zei: ik werk heel hard en ik wil het allemaal op een legale manier doen – daar gaan we uiteraard van uit – maar, vervolgde ze, ik slaap achteraan in mijn winkel omdat ik niets kan overhouden voor mezelf. Dat is ook de ondernemer van vandaag. Daar moeten we maatregelen voor nemen, om iedereen die geen familiaal vermogen heeft een gelijke kans te bieden tot dat ondernemerschap. Ik wil nog eens een punt maken wat betreft de Pact 2020-doelstellingen die de vorige Vlaamse Regering heeft vooropgesteld, en die deze Vlaamse Regering ook onderschrijft. Daarin staat namelijk: “We stimuleren iedereen in ondernemerschap. We gaan ook kijken welke doelgroepen we meer kunnen laten ondernemen.” Ik sta daar voor 100 procent achter, om meer vrouwen te laten ondernemen, meer mensen met een migratieachtergrond en meer mensen met een beperking. Er zijn duidelijke kritieke prestatie-indicatoren (KPI) vooropgesteld wat betreft mensen met een migratieachtergrond, wat betreft vrouwen en wat betreft mensen met een beperking. Op dat gebied blijven we achter. De laatste rechte lijn voor het einde van deze legislatuur en de laatste rechte lijn voor de Pact 2020-doelstellingen is ingezet. Ik heb hier maar één van die doelstellingen besproken en u gaat ze niet halen. En u doet er niets voor om ze wel te halen! (Applaus bij sp.a)             

De voorzitter

Mevrouw Vanwesenbeeck heeft het woord.

Daniëlle Vanwesenbeeck (Open Vld)

Mevrouw Turan, ik wil reageren op uw schrijnend voorbeeld. Het ondernemerschap is inderdaad een jungle en alleen de sterken overleven. Zo is dat, het is niet anders dan in de politiek.

Wat kan de politiek doen aan situaties zoals u ze schetst? Als je in je winkel moet slapen omdat je geen middelen van overleven hebt, moet je je businessplan herbekijken. De Syntra’s en gelijkaardige instellingen zijn er om opleidingen aan te bieden. Daar wordt wel iets aan gedaan, maar het is en blijft een harde wereld om in te overleven, net zoals hier. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Aan het aantal afwezigen te zien valt het hier nog wel mee, denk ik.

De heer Gryffroy heeft het woord.

Ik weiger te aanvaarden dat hier een beeld wordt geschapen van een ondernemer die achteraan in zijn winkel moet slapen. Er zijn heel veel mooie voorbeelden van ondernemingen die starten met een klein innovatief product en die kunnen doorgroeien omdat ze succes hebben en omdat er het goed aangepakt hebben. De overheid staat klaar, werkt vraaggestuurd. Ze slapen niet allemaal achteraan in de winkel. De economie draait goed en het gaat goed met Vlaanderen. Ik wil een positieve boodschap! (Applaus bij de meerderheid) 

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Het debat over dit onderdeel van werk en economie was vurig en ik ben blij dat ik dit debat, als consensusfiguur en verzoener, mag afsluiten.

Ik heb tijdens dit debat heel veel bijgeleerd: ik zag groenen met bloemen smijten en ik heb een liberale politica horen zeggen dat ze in parochiezalen wil gaan spreken. Mevrouw Van Wesenbeeck, ik ben blij met uw fel betoog van vandaag en u mag zeker in onze parochiezaal komen spreken.

Minister, ik heb maar vier minuten en dat is niet genoeg om op te sommen wat u allemaal goed deed. Ik zal vandaag dus geen laudatio uitbrengen, maar ik zal het wel hebben over de uitdagingen waarvan onze fractie vindt dat u, op het vlak van werk, hard aan de weg moet blijven timmeren. Die zijn onder één noemer te vatten, namelijk: zorg ervoor dat het bestaande talent maximaal geactiveerd wordt.

Gisteren kwam het aan bod: er werden 240.000 nieuwe opportuniteiten gecreëerd. Die mensen krijgen nieuwe kansen. We moeten natuurlijk ook mensen vinden om die opportuniteiten in te vullen: mensen die goed geschoold zijn, die gedreven zijn.

Ik heb vier concrete dingen genoteerd waarop u moet werken. Eén: federaal is het mogelijk gemaakt dat we werkzoekenden die competent zijn voor een job maar die job niet willen doen, kunnen aanpakken en sanctioneren. Het is heel belangrijk dat we met VDAB volgend jaar die cultuur erin krijgen. Men mag niet langer alleen nagaan of het diploma of de praktijkervaring en de job bij elkaar passen, men moet echt kijken naar de competenties. Dat zal niet evident zijn. Dat vereist een mentaliteitswijziging bij VDAB. Dat is een cultuuromslag. Als we daarin slagen, gaan we al een groot deel van onze activering op een deftige manier kunnen doen.

Twee – het is al aan bod gekomen –: er zijn 32 voorstellen van de Vlaamse sociale partners die er moeten voor zorgen dat mensen langer hun werk willen doen, en met meer arbeidsvreugde dat werk willen doen. We moeten dat zeer erg ter harte nemen, minister, en met een zeer voluntaristische bril kijken hoe we – en het is inderdaad niet de overheid die de sfeer op de werkvloer bepaalt, absoluut niet – met Vlaanderen die voorstellen kunnen ondersteunen. Ik kijk er alleszins naar uit om hen in de commissie Economie en Werk te horen en met u van gedachten te wisselen over de verdere aanpak.

Drie, het is hier ook al veelvuldig aan bod gekomen, ik ga er niet te hard op ingaan, maar ook onze fractie vind het stuitend wanneer mensen vol talent op basis van hun afkomst of op basis van kenmerken die ze niet zelf hebben gekozen, geen kansen krijgen. Daarom hebben we er ook zelf op aangedrongen om samen met u werk te maken van die problematiek. U hebt eigenlijk heel vernieuwend werk gedaan. Ik blijf het zeggen: Monica De Coninck heeft nul, echt nul, gedaan rond discriminatie inzake de dienstencheques. U, minister, heb ervoor gezorgd dat er een onafhankelijk bureau komt dat controles doet en dat er effectief voor zal zorgen dat de inspectiedienst tussenbeide komt als er fouten worden gemaakt. We moeten daar keihard op verder werken. We zijn het die mensen verschuldigd.

Vier: als we het aanwezige talent niet voldoende kunnen activeren, dan moeten we buiten de grenzen kijken, ook buiten de grenzen van Europa. U hebt het aangekondigd met de Septemberverklaring, minister-president: de regels rond arbeidsmigratie en arbeidskaart B moeten worden aangepast zodat bedrijven die hoger opgeleiden willen aantrekken dat op een evidenter manier kunnen doen.

Collega's, ik hoop dat ik rust en verzoening heb gebracht. (Applaus bij de N-VA en Open Vld)

De voorzitter

Sociale Economie

Het onderdeel Sociale Economie hebben we eigenlijk al behandeld, denk ik. (Opmerkingen)

Mijnheer Beenders, u vraagt toch het woord? (Opmerkingen)

Dan bespreken nu nog verder het onderdeel Sociale Economie.

De heer Beenders heeft het woord.

Rob Beenders (sp·a)

Minister, collega's, we hebben vorige week in de commissie Sociale Economie misschien wel de meest boeiende commissievergadering gehad in deze legislatuur. Het was zonder u, minister, inderdaad, maar daar wou ik niet toe komen.

Er was een sector die vanuit West-Vlaanderen op een perfect georganiseerde manier kwam uitleggen dat er eigenlijk geen drempel mag zijn tussen de reguliere en de sociale economie. Wij, de Limburgers in de commissie, samen met mevrouw Claes, wij waren eigenlijk jaloers. Wij waren jaloers op West-Vlaanderen. Normaal gezien is het Limburg dat zich goed organiseert en samenwerkt, maar West-Vlaanderen had ons nu een en ander bijgeleerd.

Ik moet zeggen, de sfeer in de commissie was zeer goed en we hebben daar echt aangevoeld hoe belangrijk het is om voor sociale economie een beleid te voeren waarmee die bedrijven vooruitgaan, perspectief krijgen. De mensen die tewerkgesteld zijn in die bedrijven moeten erkenning en respect krijgen. Deze visie werd vorige week in de commissie door iedereen gedeeld. Daarom is het goed dat u gestart bent met een groeipad. We hebben het in de commissie erkend. We zijn blij dat er na een aantal jaren van toch wel stilstand op het vlak van een groeipad, nu toch perspectief is. In 2017 hebt u dat aangekondigd, u hebt dat nu opnieuw aangekondigd. Wij hopen dat u dat voor de volgende begroting nog kunt voortzetten. Het is echt wel nodig dat we binnen Sociale Economie dat groeipad een versnelling hoger gaan inzetten. Het aantal mensen dat een ticketje krijgt voor Sociale Economie, stijgt jaar na jaar.

Als het goed gaat met de economie, is het onze plicht in een welvarende regio om er ook voor te zorgen dat het goed gaat met de sociale economie.

Minister, toch zijn er een aantal bezorgdheden die ik kort aanhalen. Het ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’-systeem (ICF) staat nog niet op punt. Na 2,5 jaar zijn er nog heel wat problemen op het terrein. We hopen dat er snel verbetering komt zodat, wanneer het groeipad op volle kracht is, de toeleiding ook op de juiste manier gebeurt.

U hebt de hervorming van de lokale diensteneconomie een jaar uitgesteld. We zijn vooral benieuwd wat u gaat doen om de problemen die er vandaag in de sector zijn – fusies die misschien niet zo goed evolueren –, op te lossen.

We verschillen van mening over W2. Wij gaan voluit voor een geïntegreerd kader rond werk en welzijn. We zien dat minister Muyters met minister Vandeurzen afspraken maakt rond een geïntegreerd kader. We zien uw verhaal daarlangs staan. We betreuren dat. We zouden liever die schotten zien verdwijnen omdat we ervan uitgaan dat een apart regelgevend kader nadelig gaat zijn voor de sector.

Wat de sociale inschakelingseconomie (SINE) betreft, willen we u oproepen om het dossier opnieuw op tafel te leggen. Sp.a heeft er altijd voor gepleit om die SINE-middelen te gebruiken om de sociale economie te versterken en niet om ze te verschuiven naar de individuele tewerkstelling in reguliere bedrijven omdat wij vinden dat het een taak is voor de minister van Werk en Economie.

Minister, u hebt aan ons een bondgenoot. Zet verder in op uw groeipad. Wij danken u hiervoor. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Collega Beenders, ik dank u om uw betoog constructief te beginnen en ook te eindigen. Ik ben ook blij dat u erkent dat er inderdaad inspanningen voor het groeipad zijn gedaan, niet alleen nu bij de begrotingsopmaak 2018 maar ook bij de begrotingscontrole 2017 heb ik nog een bijkomend groeipad voor LDE in de wacht kunnen slepen. Nu heb ik 12 miljoen euro. Ik zit hier naast mijn momenteel meest favoriete collega, namelijk de persoon die de centen beheert. Ik zal het groeipad dat ik voor 2018 uit de brand heb kunnen slepen, ook proberen te realiseren in 2019.

We verschillen inderdaad van mening over SINE, maar ik ben in ieder geval al wel blij dat de federale collega's ervoor gezorgd hebben dat bedrijven die wel een erkenning krijgen maar tegelijk geen enkele doelgroepwerknemer tewerkstellen, ook geen fiscale voordelen meer krijgen. Dat was zeer onrechtvaardig. Ik denk dat u ook weet – en ik hoop dat we het daarover eens zijn – dat er heel veel bedrijven waren die wel die erkenning hadden, niemand uit de sociale economie tewerkstelden, en tegelijkertijd wel allerlei fiscale tarieven en kunsten konden genieten. Dat lijkt mij niet sociaal te zijn, integendeel, eerder asociaal.

Over W2 en arbeidszorg hebben we het niet alleen bij de bespreking van de begroting en de beleidsbrief gehad, maar ook tijdens de bespreking van uw uitgebreide vraag om uitleg in de commissie. U weet – en u hebt dat ook erkend – dat ik altijd structurele middelen ben blijven uittrekken voor arbeidszorg in de sociale economie, meer bepaald 3,5 miljoen euro. Nu komt er in 2018 1,1 miljoen euro structureel bij. Dat maakt dus samen 4,6 miljoen euro. Ik verschil met u van mening als u zegt ‘alle schotten moeten weg’, omdat het profiel van iemand die wij onder het luik arbeidszorg meenemen in de sociale economie, nu eenmaal een ander profiel heeft dan iemand die arbeidszorg krijgt in de sector welzijn. Iemand die arbeidszorg krijgt in de sociale economie, moet in mijn ogen iemand zijn die ook potentieel heeft om door te groeien en tewerkgesteld te worden in die sociale economie. Dat lijkt mij de logica zelve.

Maar, mijnheer Beenders, nogmaals bedankt voor uw constructief betoog. Het zou maar vreemd zijn mochten we ook niet van mening verschillen.

Rob Beenders (sp·a)

Minister, dank u voor uw antwoorden. Die kapstok van het groeipad is belangrijk, maar ik merk dat, telkens er een debat komt over sociale economie, u rechtschiet en zegt ‘kijk eens wat ik allemaal doe, kijk eens welk groeipad ik heb, en het is meer dan vorige legislatuur’. Net was dat weer het geval. Ik betreur dan altijd dat er altijd wordt afgemeten aan het verleden, en dat blijkbaar met een groeipad alleen heel het beleid inzake sociale economie zou zijn gevormd. Dat is niet zo. Ik vind dat u het groeipad moet voortzetten, wij appreciëren u daar ook voor, maar met een groeipad alleen voert u geen beleid voor de sociale economie. Een groeipad is nodig binnen de sociale economie, maar is niet alles, en ik denk dat men ter zake wel een tandje moet bijzetten.

Wat de sociale inschakelingseconomie (SINE) betreft, dat ligt al twee jaar stil. Die conceptnota ligt er. We hebben daar vergaderingen over gehad. Daar is nog geen verslag van rondgestuurd. Daar zitten een aantal cruciale zaken in die voor de sector belangrijk zijn. Inzake de lokale diensteneconomie lag er een heel goed decreet, maar dat hebt u gewoon met een jaar uitgesteld omdat u niet klaar was. En dan is er ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health). U mag wel een groeipad hebben, maar als de mensen die een ticketje sociale economie hebben, via VDAB op een verkeerde plek worden tewerkgesteld, dan is dat ook geen oplossing. Ik denk dus dat een groeipad absoluut belangrijk is, en ik zal blijven herhalen dat wij dat appreciëren en u bedanken omdat u dat doet, maar ICF, SINE, arbeidszorg en de lokale diensteneconomie zijn zaken die we ook moeten oplossen, en wat dat betreft, vinden wij dat het iets te traag gaat.

Misschien kort iets over ICF, want daarover is er ook ruim gedebatteerd in de commissie, ook op basis van een vraag van mevrouw Claes, als ik me niet vergis. Er is ook een gedachtewisseling met VDAB geweest. U weet dat er een aantal knelpunten aan het licht zijn gekomen, die al enige tijd bestonden. Die zijn nu geremedieerd. Men heeft voor een aantal oplossingen gezorgd. Recent heeft mevrouw Claes ook nog een aantal pijnpunten aan het licht gebracht, bijvoorbeeld mensen die eigenlijk niet waren toegeleid naar de sociale economie, maar wel recht hadden op een ticket sociale economie. Ik heb ook heel duidelijk gezegd in de commissie dat die mensen allemaal opnieuw een ticket sociale economie zullen krijgen.

Waren er dus pijnpunten wat ICF betreft? Absoluut. Ik steek er mijn hand niet voor in het vuur dat er nergens nog een klein probleempje zal zijn, maar ik denk dat de grootste knelpunten wat de sector van de sociale economie betreft, toch wel zijn weggewerkt. Ik denk dat dat ook een zeer goede zaak is. Mijnheer Beenders, ik ben het echter met u eens dat sociale economie niet alleen gaat over een groeipad, maar een groeipad hebben, is natuurlijk ook wel goed om die sector draaiende te houden.

De voorzitter

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Sabine Vermeulen (N-VA)

Minister, collega’s, collega Beenders, nog nooit werd zoveel geïnvesteerd in de sociale economie. 12 miljoen euro extra wordt in de lokale diensteneconomie en de maatwerkbedrijven geïnjecteerd. Voor maatwerk is er een groeipad van 10 miljoen euro, en dat is goed voor 500 extra voltijdse equivalenten. Voor de lokale diensteneconomie is er een groeipad van 2 miljoen euro, goed voor 160 extra voltijdse equivalenten.

Minister, ik ben onder de indruk: u realiseert het grootste groeipad ooit dat werd bereikt in een legislatuur. U neemt ook absoluut uw verantwoordelijkheid om de bestaande capaciteit arbeidszorg in de sociale economie te behouden en in te zetten op doorstroomgerichte arbeidszorg. U hebt zelfs 1,1 miljoen euro veil voor doorstroomgerichte arbeidszorg binnen de sociale economie voor de werkplaatsen.

Ondertussen hebt u ook de regularisatie van de gesubsidieerde contractuelen (gesco’s) voltooid. En ondertussen hebt u ook de regelgeving en subsidiering van de werkplaatsen in orde gebracht. En ondertussen hebt u ook de lokale diensteneconomie een jaar extra de tijd gegeven om zich te conformeren aan de minimale schaalgrootte. En ondertussen wordt ook het ICF-instrument bijgestuurd, waardoor mensen eindelijk op de juiste plaats zullen terechtkomen. En ondertussen is ook het hernieuwde Maatwerkbesluit in volle uitrol en zijn de voorbereidende werkzaamheden op kruissnelheid.

Ikzelf vind dat de grootste uitdaging van de sociale economie nu ligt in het dichterbij brengen bij de reguliere economie. Mensen die sterk genoeg zijn, laten doorstromen naar de reguliere economie, moet een ambitie zijn, maar geen fetisj. We zijn er ons allen van bewust dat er altijd mensen zijn voor wie dat niet zal lukken, en voor die mensen moeten we zorg blijven dragen in de sociale economie. We hebben een moeilijke periode gekend. Dat erkent iedereen. Maar na die moeilijke periode herleeft de sociale economie en is er door uw beleid ruimte om te ondernemen. De samenwerking met de sectoren is opperbest en dat stemt onze fractie heel tevreden. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Voorzitter, de heer Bothuyne zei het al bij het begin van de bijeenkomst met betrekking tot economie: full employment is belangrijk. Er is krapte op de arbeidsmarkt, maar dan moeten we kijken naar wie nog werkloos is. Ik heb dat gedaan voor Heusden-Zolder en heb vastgesteld dat er ergens iets scheelt bij 88,9 procent, wat enorm veel is. Ofwel zijn het jongeren, ofwel zijn het ouderen, ofwel zijn het migranten. Het is niet de hoogopgeleide blanke man die nog een job zoekt. Van die 88,9 procent behoort ongeveer 20 procent – ik schrok daarvan – tot de zwaksten op de ladder van de sociale economie. Er is dus een grote groep mensen die op een of andere manier maatwerk nodig heeft of een rugzak moet hebben om aan het werk te komen. U hebt een groeipad in de begroting gezet, en we zijn daar heel erg blij mee. Het geeft ondernemingen en maatwerkbedrijven de mogelijkheid om door te groeien in de lokale diensteneconomie.

ICF is hopelijk inderdaad uitgeklaard. Ik vraag wel om dit blijvend in het oog te houden. Bij het creëren van een groeipad, zijn er ook mensen nodig om in te zetten. Daarom is die ICF echt wel noodzakelijk.

Ik wil nog even blijven stilstaan bij het individueel maatwerk. Toen het Maatwerkdecreet bijna vier jaar geleden werd goedgekeurd, was individueel maatwerk ook een van de elementen. SINE en individueel maatwerk kunnen aan elkaar worden verbonden. Het lijkt dan ook belangrijk dat we verder werk maken van het individueel maatwerk.

Minister, we hebben een heel moeilijke start gekend aan het begin van deze legislatuur op het vlak van sociale economie. Vandaag zijn de verhoudingen met de sector hersteld. Ik hoop dat we dit jaar echt verder kunnen werken en de sociale economie echt kunnen laten ondernemen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Onderwijs en Vorming

Dan gaan we nu over naar het onderdeel Onderwijs en Vorming.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Dames en heren, leden van de regering, we hebben het vandaag inderdaad over grote uitdagingen voor Vlaanderen. Als u het ons vraagt, kunnen we die grote uitdagingen voor een stuk beantwoorden door een degelijk en goed onderwijsbeleid. De uitdagingen in ons Vlaams onderwijs zijn bekend. We zijn het er met z'n allen over eens dat de lat hoger moet voor alle leerlingen en dat de kloof die ons onderwijs nog steeds kenmerkt, kleiner kan. We mogen geen enkel talent achterlaten. We hebben het in onze gemeenschap en onze economie meer dan nodig.

We zijn de voorbije weken soms toch wel wakker geschud door wetenschappelijk onderzoek dat aangeeft dat we van een koploper een middenmoter dreigen te worden in ons Vlaams onderwijs. Dat is iets wat we ons niet kunnen permitteren. We hebben de resultaten van PISA, waaruit blijkt dat we jaar na jaar een beetje afzakken voor wiskundige geletterdheid, wetenschappelijke geletterdheid en kennis van het Nederlands. We hebben recent ook de PIRLS-studie, waarvan de resultaten alarmerend zijn op het vlak van begrijpend lezen in het Nederlands.

Ik heb het in de commissie ook al gezegd, collega’s: de taal is gans het volk, maar vooral, de taal is de basis van elke kennis. Daarom wil de sp.a inzetten op een versterking van dat taalniveau.

We zijn het erover eens dat goed onderwijs begint met investeren op jonge leeftijd en we zijn met z’n allen in blijde verwachting van een degelijk plan voor het basisonderwijs. We zijn zelfs in blijde verwachting van een kaderdecreet.

Als we in onderwijs iets willen veranderen, moeten we drie elementen aan elkaar koppelen. Ten eerste is er moed nodig, een visie, een overtuiging. Ten tweede zijn er mensen, leerkrachten, directies, nodig die het op het terrein ook echt waarmaken, want onderwijs is mensenwerk. Ten derde zijn er middelen nodig, de investeringen die nodig zijn om de machine effectief te doen draaien in het belang van onze toekomst, onze kinderen, hun hersenen en hun handen.

Kijken we naar het basisonderwijs, minister, dan moet ons toch iets van het hart. Het is enorm jammer dat er deze legislatuur drastisch is bespaard. Minder dan in andere onderwijsniveaus, maar toch gaat het, los van de openendfinanciering, om 60 miljoen euro door het niet indexeren van de werkingsmiddelen en lineaire besparingen, die uiteraard recurrent zijn. De huidige begroting geeft, naast die besparingen, wel 10 miljoen euro terug als opstapje voor de werkingsmiddelen van de kleuters. Dat is goed, maar het is natuurlijk niet bijzonder doortastend. Eigenlijk hebt u het basisonderwijs eerst een flinke tik verkocht om het dan met een aai over de bol proberen goed te maken. Dat vinden wij geen moedig beleid. Het getuigt van weinig respect voor de mensen die dag in, dag uit onze kinderen vormen. Wij hadden u wat meer moed, wat meer menselijkheid en wat meer middelen toegewenst.

Op het terrein geven de mensen aan dat de werkdruk stijgt. We zien dat ook jaar na jaar in de werkbaarheidsmonitor van de SERV. In het onderwijs werken wordt zwaar. Mensen moeten er nieuwe maatschappelijke uitdagingen het hoofd bieden en moeten aan de slag met het kader dat de overheid geeft. Dan staat de motivatie soms wat onder druk. Mensen verwachten een ambitieus lerarenloopbaanpact, met investeringen voor jonge starters, die nu al te vaak al na vijf jaar uit het onderwijs verdwijnen. Mensen verwachten ook een ontspannen loopbaan met een deftig pensioen aan het einde van de rit. Daar knelt toch wel het schoentje. Door de gecombineerde inspanningen van de Vlaamse en de federale regeringen wordt van mensen in het onderwijs gevraagd langer te werken voor minder pensioen aan het einde van de rit. Dat is natuurlijk geen opwaardering van de lerarenloopbaan.

Het secundair onderwijs vinden we helemaal een gemiste kans: foute keuzes, niet de moed van de overtuiging om de studiekeuze uit te stellen, om te zorgen voor een grondige modernisering en het terugdringen van de schooluitval.

Het grootste euvel van dit jaar – en we hopen echt op verbetering volgend schooljaar – is de holderdebolder invoering van het zorgondersteuningsmodel. Vandaag ontving u nog, minister, een open brief van veertig katholieke scholen uit mijn eigen regio Mechelen. Ze schrijven dat inclusie onmogelijk is in een besparingscontext. Dat er vandaag in onze scholen, basis en secundair, kinderen zijn die van de noodzakelijke zorg verstoken blijven en dat kan niet. En dat hen het werken onmogelijk wordt gemaakt. (Applaus bij de sp.a)

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, ik wil op vier punten reageren. Het klopt dat we in het begin van de legislatuur met de hele Vlaamse Regering een besparingsoefening moesten doen. Dat heeft ervoor gezorgd dat de begroting vandaag gezond is. Investeren in onderwijs lijkt u te zien als iets wat enkel gaat over investeren in werkingsmiddelen. Investeren in onderwijs is echter ook investeren in mensen.

Ik zal het nog eens herhalen. Tijdens deze legislatuur is er in totaal al 750 miljoen euro aan investeringen in het onderwijs bij gekomen. Het betreft voornamelijk investeringen in meer leerkrachten, dus in mensen. Op het einde van de legislatuur zullen die bedragen tot 1 miljard euro oplopen. Dit gebeurt in tijden waarin we voor zware budgettaire uitdagingen staan.

Ten tweede hebt u vermeld dat u het spijtig vindt dat het loopbaanpact er nog niet is. We voeren nu, samen met de sociale partners, een werkbelastingsonderzoek. Dat onderzoek had er al kunnen zijn. Het wordt nu gevoerd. Bovendien heeft de Vlaamse Regering een enveloppe met meer dan 100 miljoen euro klaarliggen om de juiste maatregelen te treffen om het lerarenberoep te versterken.

– Wilfried Vandaele, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

Minister Hilde Crevits

Ten derde moet het me van het hart dat ik volgens u de foute keuze maak door niet voor een uitgestelde studiekeuze in het secundair onderwijs te gaan. Dit maakt echter geen deel uit van het plan dat we, samen met sp.a, tijdens de vorige legislatuur hebben goedgekeurd. Sommigen zullen allicht hun eigen woorden herkennen. Het gaat hier om een getrapte studiekeuze waarin jongeren langzaam maar zeker tot finale keuzes komen. We willen er vooral voor zorgen dat niemand vastzit in de studierichting die hij heeft gekozen. Het moet mogelijk zijn van rijstrook te veranderen, om niet in hiërarchische termen over zalmen en zo te vervallen. Het moet mogelijk zijn in de loop van de rit te switchen zonder vast te zitten.

Ten vierde klopt het dat met betrekking tot de zorgondersteuning vernieuwingen altijd op wat moeilijkheden stuiten. Volgens u bevinden we ons in een besparingscontext, maar dat klopt niet. Op het ogenblik dat het M-decreet is ingevoerd, had het Vlaams Parlement in 0 euro voorzien. Voor het nieuw ondersteuningsmodel hebben we al 15 miljoen euro meer aan recurrente middelen uitgetrokken. Er komen ook werkingsmiddelen bij. Elke euro die het buitengewoon onderwijs verlaat omdat er minder kinderen naar het buitengewoon onderwijs gaan, wordt in het gewoon onderwijs geïnjecteerd.

Mevrouw Gennez, we bevinden ons nog niet in de ideale wereld. Om die reden volgen we de evoluties heel zorgzaam op. Dit systeem is echter veel beter dan het systeem waarmee we een paar jaar geleden moesten starten. Toen hadden we een totaal nieuw decreet, maar eigenlijk geen plan om dit in de toekomst aan te pakken. Ik heb er begrip voor dat u oppositie moet voeren, maar ik denk dat de Vlaamse Regering krachtige antwoorden geeft op elk van uw vier punten van kritiek. In het belang van de leerkrachten en de jongeren proberen we de juiste keuzes te maken.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, u moet eens op het terrein komen. U moet dan niet enkel lintjes doorknippen, maar ook luisteren naar wat er leeft. Die open brief komt niet van sp.a, maar is geschreven door veertig katholieke scholen uit de regio van Mechelen. Ze hebben het over wat u door de strot van het Vlaams Parlement en van de scholen hebt geduwd. Ze vinden dat wat u op 1 september 2017 hebt laten ingaan, nu niet werkt.

Kinderen met autisme blijven verstoken van de zorg waarop ze recht hebben. Leerkrachten schurken aan tegen een burn-out omdat ze niet weten waar ze de zorg eerst moeten verstrekken. Individuele hulp en zorg komen niet toe bij de leerlingen omdat de leerkrachten in het buitengewoon onderwijs misschien niet de beste leerkrachtenopleiders in het gewoon onderwijs zijn. Dat is de situatie op dit ogenblik.

U kunt dit wegcommuniceren of u kunt luisteren naar wat nu op het werkveld aan de gang is. We kijken met verwachting uit naar de eerste evaluatie van het ondersteuningsmodel die u hebt aangekondigd. We hopen dat u de euvele moed zult hebben om vanaf 1 januari 2018 bij te sturen en ervoor te zorgen dat het op het terrein wel zal draaien. (Applaus bij sp.a)

De heer Daniëls heeft het woord.

Mevrouw Gennez, ik ben blij dat u vindt dat we eens op het terrein moeten komen. Met onze fractie doen we dat veel. Ik kom eigenlijk zeer weinig leerkrachten tegen die vragen om alle leerlingen tot 16 jaar samen te houden. Ik kom die leerkrachten niet tegen. U meent te lezen dat er een brede eerste graad moet komen en dat de studiekeuze moet worden uitgesteld. Ik kom de leerkrachten die dat vragen, niet tegen. Indien ze dat zouden vragen, zou een conflict ontstaan met wat u net hebt gezegd. De leerkrachten vinden het niet evident te differentiëren in zeer diverse klassen. Ze vragen niet om dat uit te stellen. Ik vind het zeer bizar dat u dit aangeeft.

Twee, wat het ondersteuningsmodel betreft, krijgen wij inderdaad signalen van het veld, absoluut. Wij kijken ook heel hard uit naar de evaluatie van het ondersteuningsmodel. Het is belangrijk dat we die evaluatie op korte termijn doen. Het is ook korte termijn: het is nu zes maanden in werking. We zullen goed moeten kijken wat daaruit komt, hoe het wordt georganiseerd, want er is nog een verschil tussen een decreet waarin staat hoe het zou moeten zijn en hoe het op het terrein wordt georganiseerd. Vanuit onze fractie hebben we ook al regelmatig aangegeven dat er richtlijnen worden gegeven die helemaal niet de geest en op sommige vlakken zelfs niet de letter van het decreet zijn. Ik kijk dus samen met u uit naar de evaluatie. Als we die evaluatie hebben gehad, zullen we allicht hier of daar moeten bijsturen.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik wou even kort reageren op het gegeven van het ondersteuningsnetwerk en de ondersteuning in het kader van het inclusief onderwijs. Ik wou voor een stukje herhalen wat de minister zei: op het einde van de vorige legislatuur is er een M-decreet goedgekeurd en er lag gewoon geen plan klaar om dat uit te voeren. We hebben een pre-waarborg moeten uitvoeren, een waarborg moeten garanderen om het een beetje te kunnen rechttrekken. Dat geeft natuurlijk heel veel moeilijkheden. Dat is de reden waarom we via bijsturing zoveel mogelijk proberen te ondersteunen en waarom uiteraard niet alles loopt zoals het zou moeten lopen. Als er iets wordt beslist en er ligt op voorhand geen plan klaar, dan is dat een beetje het gevolg. Maar we proberen en we zetten alle middelen in die we hebben om dit zoveel mogelijk te ondersteunen. We proberen nog bij te sturen. We wachten inderdaad op de evaluatie. De minister heeft zich ook geëngageerd om geen drie jaar te wachten om eventueel bij te sturen als het nodig is, maar onmiddellijk bij te sturen als dat nodig zou zijn. Mevrouw Gennez, u weet dat, u bent er elke week getuige van dat we daarvoor ons best doen. Het zou toch ook fair zijn om dat een beetje te erkennen. Wij erkennen de zorgen die er zijn, maar u moet ook erkennen dat we ons echt uiterst inzetten om er toch zoveel mogelijk een succes van te kunnen maken.

Minister Hilde Crevits

Als u er twijfels over zou hebben of ik ooit op het veld kom of er alleen zou komen om lintjes door te knippen, kan ik zeggen dat de mensen van Mechelen gisteren ontvangen werden op het kabinet. We hebben er geluisterd naar een zeer geëngageerde groep. Er worden nog meer open brieven geschreven. Soms kunnen de briefschrijvers komen, soms niet, maar gisteren werden ze ontvangen. We hebben er mensen gezien die zeer geëngageerd waren en die vooral één zorg hadden, een zorg die weer aantoont dat onderwijs mensenwerk is. Een van hun zorgen was dat een school kan aangeven dat op een bepaald moment haar draagkracht wordt overschreden.

U geeft het voorbeeld van autisme. We hebben potverdorie in het decreet net voor kinderen die lijden aan autismespectrumstoornissen een type buitengewoon onderwijs opgericht, omdat we weten dat het niet voor alle kinderen mogelijk is om gewoon onderwijs te volgen. De school wil weten waar de grens ligt en hoe ze daarmee om kan gaan. Ik nodig u uit eens naar Blankenberge te gaan. Daar is een school gebouwd van gewoon en buitengewoon onderwijs samen. Daar gaan leerkrachten samen kijken wat ze het beste kunnen doen. Zij maken al gebruik van de dubbele expertise.

Ik hoorde vandaag nog een voorbeeldje uit mijn streek. Een leerkracht in de derde graad secundair onderwijs zegt dat er eindelijk iemand op school is die hen leert hoe ze aan die inclusie kunnen werken. Dat is de allereerste keer, dankzij dat netwerk, dat dat gebeurt, omdat er uren zijn om iemand aan te nemen. De personen komen op de klasvloer. Waar u gelijk in hebt, mevrouw Gennez, is dat dat nog niet overal gebeurt. Maar het decreet dat hier goedgekeurd werd, heeft zeer expliciet bepaald dat onze middelen op de klasvloer moeten terechtkomen. Het is mensenwerk. We hebben niet alles tot in het extreme geregeld. We zijn ervan uitgegaan dat mensen op het terrein zullen zoeken hoe ze dat gaan doen, in het belang van het kind. Ik merk dat dat op sommige plaatsen in Vlaanderen zeer goed werkt en dat er op andere plaatsen nog veel werk aan de winkel is.

Waarover ik het met u eens ben, is dat we moeten evalueren. Maar dat kan niet na één maand. Men heeft gevraagd om tijd te krijgen tot eind dit jaar om de evaluatie af te werken. Ik hoop dat u daarmee kunt leven. Dat is niet mijn beslissing, het is de stuurgroep zelf die dat heeft gevraagd. Ik zal daarover in alle openheid met jullie de dialoog aangaan. Ik ben zeker bereid om bij te sturen, maar ik ben er niet van overtuigd dat bijsturingen centraal vanuit Brussel allemaal goed zullen zijn, als de harten en de geesten van de mensen niet overtuigd zijn dat we op het goede pad zitten.

Laat ons de polemiek die er soms dreigt te zijn, niet oppoken. We moeten elkaar niet verwijten dat we niet op het terrein gaan. U gaat veel op het terrein, dat weet ik. Ik ga ook veel op het terrein, en dat weet u ook, als u in uw hart kijkt. Laat ons vooral binnen het budgettaire kader zoeken hoe we het beter kunnen maken op de klasvloer en samen niet aanvaarden dat middelen ergens blijven hangen en dat mensen dan het gevoel hebben dat er geen netwerk is, dat mensen dat netwerk eigenlijk niet zien.

We zien het op bepaalde plaatsen op een echt goede wijze functioneren, op andere plaatsen zien we dat niet en zie ik ook nog dat in een school 's morgens twee of drie autootjes toekomen met verschillende mensen. Ik vind dat persoonlijk niet aanvaardbaar waar we moeten zoeken hoe we de juiste instrumenten kunnen inzetten om dat te vermijden.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

In de geest van Kerstmis kijk ik inderdaad uit naar een duurzame een grondige evaluatie. Ik wil aan de collega's zeggen dat uw best doen in Brussel niet noodzakelijk goed genoeg is voor elke leerkracht en elke leerling op het terrein in ons Vlaams onderwijs. De Christelijke Onderwijscentrale (COC) heeft ook aangegeven als kritiek en commentaar bij de decreten die vandaag voorliggen dat het onderwijsbeleid van deze regering ontaard is in een puur politiek beleid van politieke compromissen en onvoldoende geschraagd wordt door aandacht voor het belang van de mensen die het elke dag op het terrein moeten doen. Duurzame hervormingen met een visie in een richting die ons Vlaams onderwijs versterken, daar knelt het schoentje. U doet uw best, maar u fietst en treint met zijn allen in de verkeerde richting. (Applaus bij sp.a en Groen)

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Als collega Gennez de christelijke vakbond als bron neemt en eigenlijk woordvoerder wordt van het COC… Mevrouw Gennez, u bent vandaag woordvoerder van het COC. U hecht zoveel belang aan de leerkrachten, u komt op het terrein. Ik heb bijvoorbeeld nog geen enkele leerkracht of directeur gehoord die het eens is met het standpunt dat de middelen die de Vlaamse Regering wil vrijmaken voor leerkrachten, allemaal moeten gaan naar een kleine loonsverhoging. De mensen op het terrein vragen dat er wordt ingezet op de begeleiding van jonge startende leerkrachten en dat er betere ondersteuning voor directeurs komt. Als u vandaag de woordvoerder bent van het COC, dan vraag ik u wat het standpunt is van uw fractie. Als er geïnvesteerd wordt door de Vlaamse Regering in de leerkrachten, zijn jullie dan voorstander van wat de vakbonden vragen, een heel kleine loonsverhoging voor iedereen? Of zijn jullie er voorstander van om het in te zetten op die plaatsen waarvan we over de partijgrenzen heen weten dat het moet worden ingezet? De leerkrachten vallen uit en de directeurs vallen uit. Een euro kan je maar één keer uitgeven. Ik vraag u dus nu wat u vindt van dat standpunt. Ik ben benieuwd naar uw antwoord nu u woordvoerder van het COC bent geworden.

De heer Daniëls heeft het woord

Collega Gennez, ik heb dezelfde vraag als collega De Ro.

Collega's, het is nogal evident dat de investeringen van deze regering in het lerarenloopbaanpact een ongelooflijk, ongelooflijk mager beestje is. Die 108 miljoen euro waarin is voorzien, is voor de volgende regering. Zo kunt u het onderwijs natuurlijk niet ondersteunen.

Onze fractie vindt het evident dat de lonen in het onderwijs minstens gelijke tred houden met die in de privésector. Dat lijkt me het minimum minimorum. Daarnaast moet u uiteraard investeren om ons onderwijs te versterken door de directies basisonderwijs te versterken en te omkaderen en door het omgekeerde te doen dan te besparen op de werkingsmiddelen. Dat is de evidentie zelf! Tracht toch niet, zoals u steeds doet, tegenstellingen in het onderwijs op te poken: het basis- tegen het secundair onderwijs, de leerkrachten tegen de directies. Het gaat om een totaalaanpak waarbij we investeringen vragen in plaats van besparingen. Daar zal elke leerkracht, elke ouder en elke directeur ons, waarschijnlijk samen met het COC, in volgen. Dat jullie dat anders zien, is inderdaad een politieke keuze, maar wel een met zware maatschappelijke gevolgen die ik niet wens te onderschrijven. (Applaus bij sp.a)

– Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

Minister Hilde Crevits

Collega Gennez, u maakt er een karikatuur van. U zegt dat het COC zegt dat wij politiek beslissen. Kijk ook eens naar wie een protocol van akkoord heeft gegeven als het gaat over de onderhandelingen die zopas zijn gevoerd rond de modernisering. Het COC gaat akkoord, he. Het is dus helemaal niet zo dat zij in alle dossiers dergelijke statements maken. In sommige dossiers zijn ze het inderdaad niet eens, zoals dat in de vorige legislatuur ook gebeurde. In andere dossiers zijn ze het wel eens.

Ik vind dat net zo rijk, het feit dat we in Onderwijs over alle dossiers onderhandelen. Dan maakt de regering keuzes, en die keuzes proberen we op een zo gedragen mogelijke wijze te maken. De ene keer is dat met de volle overtuiging van de vakbonden, de andere keer is dat zonder de volle overtuiging van de vakbonden, maar wel altijd met een belang voor ogen, en dat is het belang van het kind en het belang van de leraar.

Collega Gennez, het is uw taak als oppositie, maar als u luid roept over wat er allemaal verkeerd loopt en over de tegenstellingen, welnu, alle problemen waar ik voor sta, zijn problemen die al twintig jaar bestaan, en waarvan u nu vraagt dat ik ze allemaal oplos. Ik probeer het beste te doen, maar alles in drie jaar oplossen wat in het verleden fout is gelopen, dat gaat ook niet. (Applaus bij de meerderheid)

Collega Gennez, u zegt: daar moet meer geld naartoe en daar moet meer geld naartoe en daar moet meer geld naartoe. Ik ben aan het kijken in de begroting en de amendementen, maar misschien kunt u me helpen, want ik vind het amendement van uw fractie niet direct, weliswaar budgetneutraal, waarmee u allemaal wilt dat er gebeurt. Kunt u mij even helpen op welke pagina in de bundel dat staat? Ik vind het immers niet direct terug. Het kan zijn dat ik het niet vind, en dan kunnen we daarover spreken, over het amendement dat aanduidt in de begroting: zoveel honderden miljoenen ga ik erbij steken en die komen van daar.

Jo De Ro (Open Vld)

Daarjuist heeft collega Krekels al gezegd hoe groot de enveloppe was waarin de vorige minister van Onderwijs voorzag voor de invoering van het M-decreet. Die enveloppe was leeg. Mevrouw Gennez, nu wilt u een hele grote enveloppe voor het lerarenloopbaanpact. Dat is een term die deze minister van Onderwijs niet heeft uitgevonden, het lerarenloopbaanpact is een uitvinding van de vorige minister van Onderwijs. We weten hoeveel er in de enveloppe zat die minister Crevits heeft aangetroffen bij het erven van dat kabinet. Die enveloppe was leeg, net als de enveloppe voor de ondersteuning van de M-decreet.

Nu kunt u schamper doen over de middelen die wij uittrekken om tot een akkoord te komen, maar de realiteit is dat er in de vorige meerderheid vier jaar is gesproken over een lerarenloopbaanpact, dat er niet kwam, met alle gevolgen van dien, en dat er nu opnieuw over wordt gesproken door deze minister en deze Vlaamse Regering. In ieder geval zit er in die portefeuille wel geld. Mag dat meer zijn? Uiteraard, maar dat mag voor iedereen meer zijn, maar in de vorige regering zat er nul euro in. Nu zit er geld in. (Applaus bij de meerderheid)

Collega’s, doe toch alstublieft niet zo schamper. Wijs uw verantwoordelijkheid toch niet af. Het is een beetje zielig dat u, minister, als lid van de vorige regering, nu na vier jaar beleid alle zonden van Israël op de vorige twintig jaar laadt. Laten we in Onderwijs toch een eerlijke analyse maken van de problemen die er vandaag zijn. Sp.a heeft u overigens de hand gereikt in tal van dossiers, zoals het lerarenloopbaanpact, zoals een nieuw zorgondersteuningsmodel.

Het is waar dat u met middelen alleen niet alles kunt oplossen, maar zonder middelen en met enkel besparingen gaat u het zeker niet oplossen. Dat is waar het schoentje knelt bij deze regering en dat zeggen we al vier jaar, samen met de mensen van het veld. We gaan dat blijven zeggen, ook als jullie naar het verleden willen verwijzen. In Onderwijs gaat het voor ons over de toekomst. (Applaus bij sp.a)

Ann Brusseel (Open Vld)

Collega Gennez, u klinkt ontzettend verontwaardigd, maar die verontwaardiging is nogal theatraal als u niet antwoord op de eerste vraag die is gesteld. U bent niet naïef – ik zal nog eens met een rode sacoche afkomen –, u weet dat geld niet zomaar ergens is te vinden, misschien wel in uw ideologie, maar dat is niet zo. Het valt niet uit de hemel, het groeit niet aan de bomen, het zit hier ook niet in.

Als u dus 100 miljoen euro hebt en wij vragen u wat u gaat doen – kiest u voor een lineaire loonsverhoging of kiest u voor gerichte maatregelen? – antwoord dan op de vraag. Zit hier geen verontwaardigd theater te spelen. Daar trappen wij niet in. Niemand trapt daarin. Komaan, wees nu eens serieus. We hebben het over de inhoud. En dan wordt u de vraag gesteld: wat gaat u doen, lineaire loonsverhoging of gerichte maatregelen? En u antwoordt zelfs niet. Hoe zwak is dat? Waar zit uw visie op de onderwijsloopbaan als u niet eens antwoordt op de vragen erover?

En u zegt dat er een gelijke tred moet komen met de privésector. Mag ik u erop wijzen, collega Gennez, dat niet alle jobs in de privésector zo geweldig goed verdienen? Hebt u eigenlijk al eens een benchmark gedaan van de lonen in ons onderwijs, met andere landen, zoals Luxemburg, Duitsland, Nederland enzovoort? Hebt u wel eens een benchmark gedaan voor de starters, de start van de masters in ons onderwijs? Hebt u dat al eens vergeleken met de brede privémarkt? U bevestigt de mythe dat er elders enorm veel geld te scheppen valt en dat men in onderwijs onderbetaald is om hard te werken. Een aantal dingen behoeven toch wat meer nuance dan dat.

Laat het ons alstublieft eens over de inhoud hebben. Vorige legislatuur hebben wij vanuit de oppositie ook voorstellen gedaan over de inhoud. Maar die heb ik nog niet gehoord van u. U vraagt alleen meer geld. Dat is simpel. Simpel!

De voorzitter

De heer de Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega's, bij de cao moeten we uiteraard niet in de plaats treden van de sociale partners. Voor ons is het evident dat er hierbij bijzondere aandacht is voor de starters en uiteraard ook voor de directies.

Maar op een moment dat alle privésectoren en alle ambtenaren loonsverhoging krijgen, kunt u toch moeilijk stellen dat dit niet zou mogen voor de onderwijssector? Want in de praktijk zou dat dan loonsverlaging zijn. Op een moment dat er een dergelijke competitieve arbeidsmarkt is, vind ik dit een totaal verkeerd signaal naar de onderwijssector. (Applaus van Caroline Gennez)

Mevrouw Gennez, u zegt dat we niet mogen terugkijken naar het verleden en dat we moeten werken met het heden. Maar dat is eigenlijk heel moeilijk. Als je de eerste jaren van de legislatuur niet anders moet doen dan rechttrekken wat de vorige legislatuur vergeten is, dan is dat heel moeilijk. Ik kom terug op die ondersteuningsnetwerken. Uw minister had gepland om twee jaar na de invoering van het decreet een waarborg in te stellen. Twee jaar nadien! (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Dat wil zeggen dat heel de regeling, heel de inzet van de mensen van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs door uw minister gepland was twee jaar na de inwerkingtreding van het M-decreet. Weet u wat een fiasco het dán op het veld zou zijn geweest, als wij niet de moeite hadden gedaan om de prewaarborg in te stellen? Het zou een fiasco geweest zijn, van hier tot Tokyo. En dat weet u ook heel goed!

Gelukkig hebben wij een minister gehad die heeft gezegd: ‘We moeten hier vroeger in optreden en we moeten in een prewaarborg voorzien.’ En zo is alles natuurlijk in gang gezet. We hebben een beetje achter de feiten moeten aan hollen, maar potverdorie, we hebben het wel gedaan! (Applaus bij de meerderheid)

Omdat u het in het verleden hebt nagelaten!

Ik val van verbazing van mijn stoel, omdat mevrouw Gennez hier eigenlijk zegt: ‘Jullie hebben alleen maar bespaard en niets extra’s gedaan.’ Ik weet niet welke begroting u leest, maar in mijn begroting wordt er deze legislatuur 740 miljoen euro extra uitgetrokken.

En ja, dat is voor een deel ‘open end’, omdat er leerlingen bij komen. Maar ze moeten er wel liggen, die 740 miljoen euro. En als het geld aan de bomen zou groeien of in de ‘sacoche’ van mevrouw Brusseel zou zitten – en het is een grote, dus ik heb hoop, al ziet ze er wel wat plat uit en vrees ik dat er al veel is uitgegeven –, als we dat geld zouden hebben, mevrouw Gennez, weet u waaraan we het dan zouden uitgeven? Aan het kleuter- en lager onderwijs: ja. Aan de ondersteuning van het basisonderwijs: ja. Aan de ondersteuning van het onderwijs aan kinderen met noden: ja. Aan het hoger onderwijs: ja. Ja. Maar dat geld is er niet.

Ik stel u opnieuw de vraag over diezelfde begroting. Want u doet uitschijnen, voor iedereen thuis en op de publiekstribune, dat het geld er is, en u zegt: ‘Geef het geld daaraan, want het is er.’ Ik vraag u: waar is het berekende voorstel van sp.a, waarin u zegt: ‘We gaan meer geld geven dááraan en we vinden dat geld dáár’? En dan kunnen we opnieuw verder spreken over de inhoud. Maar zolang dat er niet is, bent u hier gewoon lucht aan het verkopen.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, ik was eigenlijk van plan om te zeggen wat de heer Daniëls net heeft gezegd. (Opmerkingen van de voorzitter)

Maar als het mag, doe ik nog graag een kleine aanvulling, voorzitter. Ik wil u in het kader van kerst toch ook meegeven dat de 10 miljoen euro voor de kleuterscholen morgen wordt gestort. Dus die middelen komen er nog in 2017. Dat is weer een bewijs dat we, de Vlaamse Regering, waar we kunnen, in budgettair uitdagende tijden, toch zoeken hoe we het felst kunnen inzetten, in dit geval op de meest kwetsbaren, namelijk de kleuterscholen.

Als sp.a zijn we hier de vertolker van veel verzuchtingen op het terrein. De onderwijsbegroting is een openendbegroting: meer kinderen, meer middelen. Wij willen dat graag zo houden. Wij vinden het evident dat je het recht op onderwijs garandeert, met extra omkadering, als het aantal kinderen toeneemt. Wij stellen vast dat collega De Meyer namens CD&V effectief vindt dat de lerarenlonen gelijke tred moeten houden met die van de privésector. Wij stellen tegelijkertijd vast dat de N-VA en Open Vld eigenlijk vinden dat de leerkrachten te veel verdienen in dit land. (Rumoer)

Wel, wij vinden dat een spijtige zaak. Wij zouden de mensen op het veld graag ondersteunen. Wij zouden inderdaad de keuze maken, collega’s, om extra te investeren in ons onderwijs. Maar, collega Daniëls, zelfs binnen de onderwijsbegroting zijn er middelen die meer oordeelkundig kunnen worden ingezet. We hadden vanuit sp.a de hand gereikt om in de eindtermendiscussie rond levensbeschouwing naar convergenties te gaan, om daar effectief te kunnen besparen op die 380 miljoen euro. Die zouden best kunnen renderen voor het kleuter- of het basisonderwijs. Ik weet dat u daar een partner bent, collega Daniëls. Waarom hebt u niet de moed van uw overtuiging om daarin mee te stappen? Er zijn middelen beschikbaar. Investeer er gewoon in. Dan zal de chaos op het terrein een stuk minder zijn dan vandaag het geval is. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, ik kan het niet anders zeggen, als ik kijk naar de toekomst die op onze publieksbanken zit, dat we daarin moeten investeren. Dat onderwijs voor de N-VA, maar ook voor deze meerderheid, belangrijk is, staat als een paal boven water. De N-VA, CD&V en Open Vld hebben deze legislatuur 740 miljoen euro extra geïnvesteerd. (Opmerkingen van Bart Van Malderen)

Ik zou ook weggaan, als je hen zo wijsmaakt dat er niets is. (Opmerkingen)

Maar ze gaan wel weg met een dikke duim. Dat lijkt mij het belangrijkste te zijn. Dank u wel voor jullie aanwezigheid, trouwens, in het licht van de eindtermen burgerschap. (Opmerkingen)

We hebben 740 miljoen euro extra geïnvesteerd, en die extra’s komen niet uit de zakken van deze politici. Dat zijn inspanningen die we vragen aan alle burgers in Vlaanderen. Daarover gaat het. Deze regering zet die daar in.

Waarop zetten wij die in? Scholenbouw. Je kunt geen onderwijs geven als je geen degelijk lokaal hebt. En als leraar, kan ik u zeggen, is het net iets aangenamer lesgeven in een aangepaste, gerenoveerde, moderne school dan in een bouwval. Daar zetten we op in.

Twee: leraren. Dat zijn de mensen in die klassen. Daar zetten we wel degelijk op in. We willen vanuit de N-VA toch een aantal zaken naar voren schuiven. Als we scholen bijbouwen en capaciteit uitbreiden, dan moeten we ook zorgen dat er extra omkadering is, want je bent natuurlijk niets met extra lokalen waar leerlingen in zitten, als je geen leerkrachten hebt.

Wat betreft die leraren: de lerarenopleiding. We kunnen veel zeggen en doen, maar de kwaliteit van onze leraren, daar draait het om. We hebben in die lerarenopleiding eindelijk gezegd dat we een niet-bindende toelatingsproef gaan doen, om ook te voldoen aan de verzuchtingen van het hoger onderwijs, dat zegt: je moet eens zien wat er binnenkomt, wij moeten wel een bepaald programma afwerken. En daar ligt absoluut nog een uitdaging, op vakkennis, op vakdidactische vaardigheden en op klasmanagement, om die leerkrachten effectief klaar te stomen.

Wat betreft de middelen die we inzetten en de werkingsmiddelen, moeten we ervoor zorgen dat middelen en mensen terechtkomen waar ze nodig zijn. Dat is in de scholen, want daar zitten de leerlingen. Dat is een belangrijk punt waar we in de toekomst naar zullen moeten kijken. Want als we inderdaad die 10 miljoen euro bij geven aan kleuteronderwijs – waar we zeer blij mee zijn, want je kunt zeggen dat het ‘maar’ 10 miljoen euro is, maar 10 miljoen euro is een hoop geld – moeten we er wel voor zorgen dat dat geld in het kleuteronderwijs is en blijft. Dat is voor onze fractie een niet onbelangrijk gegeven.

Collega’s van Groen en sp.a, het masterplan voor het secundair onderwijs is inderdaad geen big bang waarbij we alle leerlingen tot in het oneindige samenhouden en niet hun ware talenten ontwikkelen. Dat is het niet. Het is wel een gestructureerde, stapsgewijze keuze die leerlingen maken. En met de eindtermen zullen we inzetten op de minimumdoelen, waarbij we in de leerplannen de leerkrachten duidelijk zullen maken wat nu van de overheid komt – dat zal er letterlijk in staan, en er zijn geen andere betekenissen dan letterlijk – en welke doelen er daarnaast nog zijn. Die duidelijkheid creëert vrijheid voor leerkrachten. En ja, mijn fractie zal erop toezien dat de doelen ambitieus zijn geformuleerd, ook die minimumdoelen, ook op het vlak van begrijpend lezen. We gaan niet voor de vaagheid, wel voor de duidelijkheid.

Er is ook sterke inhoud op het vlak van hoger onderwijs. Die sterke inhoud in het secundair onderwijs hebben we nodig. Want wie uit het secundair onderwijs uitstroomt, komt terecht op de arbeidsmarkt of in het hoger onderwijs. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) heeft gisteren nog gezegd dat we misschien vooral moeten kijken naar de niveaus voor de universiteit en voor het hoger onderwijs om ervoor te zorgen dat leerlingen slagen. Dus roep ik u allemaal op om positief te kijken naar het onderwijs, als we mensen nog willen laten kiezen voor onderwijs. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Voorzitter, collega’s, leden van de regering, we ronden dit jaar af, zeer goed wetende dat we na Nieuwjaar terugkomen met heel wat op onze plank in het parlement. We hebben daarover in de commissie een heel boeiende discussie gehad, vanuit het gemeenschappelijke doel dat wij optimale ontwikkelingskansen moeten bieden aan onze kinderen en jongeren, en optimale leerkansen aan onze volwassenen. Wij stellen bij dit doel allemaal de kwaliteit van ons onderwijs voorop. Daarom, minister, is het belangrijk dat u werk maakt van een nieuwe externe kwaliteitszorg. Ik ben ervan overtuigd dat Inspectie 2.0 er niet alleen voor gaat zorgen dat er een goede externe kwaliteitszorg komt, maar ook zal leiden tot een zeer goede interne kwaliteitszorg, die een professionalisering binnen ons onderwijs tot gevolg zal hebben, niet enkel en alleen voor de leerkrachten maar ook voor de directies en schoolbesturen. Wij hebben sterk leiderschap nodig, wij hebben onderwijs nodig dat evidencebased te werk gaat en dat effectiviteit sterk vooropstelt.

Daarom moet de overheid heel duidelijk maken wat zij van het onderwijs verwacht. Daarom willen wij de nieuwe doelen duidelijk en evalueerbaar formuleren. Ze zijn belangrijk om het onderwijs te ondersteunen. Daarom moet de overheid ook voldoende vertrouwen bieden aan het onderwijsveld, zodat het vanuit de eigen kracht en de eigen identiteit aan de slag kan gaan. Zij hebben vandaag meer dan ooit vrije ruimte nodig omdat zij flexibel moeten inspelen op de noden van leerlingen, op de noden die bepaalde contexten en regio’s hebben. Dat vraagt ruimte, maar ook vertrouwen. CD&V wil dat beleid voeren.

Het is cruciaal dat dit in elk dossier dat hier op de tafel komt, voldoende aan bod komt. Om die reden moeten wij voldoende tijd nemen voor het overleg met alle partners die betrokken zijn bij het onderwijs.

Het is ook cruciaal dat de overheid het onderwijsveld stimuleert om samen te werken. Ik leg de nadruk op ‘stimuleren’ omdat CD&V niet gelooft in de verplichte samenwerking. Wij geloven in de kracht van het stimuleren van een veld, in samenwerking: tussen leerkrachten, tussen scholen, tussen scholen en bedrijven, tussen ouders en scholen, tussen verschillende onderwijsniveaus. Er moet een goede samenwerking zijn tussen het basis- en het secundair onderwijs, tussen het secundair en het hoger onderwijs, tussen het deeltijds kunstonderwijs en het leerplichtonderwijs, maar ook binnen de volledige hogeronderwijsruimte, die moet worden uitgebouwd als een continuüm waarbinnen studenten zeer vlot kunnen schakelen. Er moet ook een zeer goede samenwerking zijn tussen hoger onderwijs en volwassenenonderwijs.

Dat zijn allemaal dingen die binnen de voorliggende decreten cruciaal zullen worden en die het succes van ons toekomstig onderwijs zullen bepalen. We willen die stimulansen heel sterk terugzien, met respect voor de eigenheid en de sterkte van ieders pedagogisch project, omdat daarin toch wel de eigen visie op mens en samenleving vervat zit. Dat is een belangrijk vertrekpunt binnen ons onderwijs.

Tot slot kom ik tot de middelen. We moeten als overheid voldoende middelen ter beschikking stellen en na de vele jaren die ik binnen onderwijs actief ben, stel ik vast dat het nooit genoeg is. Vandaag is het belangrijk om de juiste keuzes te maken. In het verleden hebben we vooral de meeste middelen ingezet voor de hoogste onderwijsniveaus. We moeten evenwel onder ogen zien dat net de grootste inspanningen bij de laagste onderwijsniveaus de meeste effectiviteit teweegbrengen. Daarom zijn we heel tevreden dat de eerste stap gezet wordt in de richting van het sterker ondersteunen van de kleuters, van een integraal plan voor ons basisonderwijs vertrekkend vanuit een globale visie met respect voor de eigenheid van dat onderwijsniveau en kijkend naar wat de toekomstige middelen kunnen zijn. Er is ook een extra input voor de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) om de meest kwetsbaren in ons onderwijs sterk te ondersteunen.  

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Wat minister Tommelein in de Vlaamse Regering als bevoegdheid heeft, mag ik in mijn mooie stad aan de Zenne doen: begroting. Toen ik daaraan begon, werd mij gevraagd of met centen bezig zijn niet saai was, en of een begrotingsvoorstelling niet wat grijs was. Het zou een Exceltabel zijn die moet kloppen en meer zit daar niet in. Welnu, we hebben maandag onze begroting goedgekeurd, met een halvering van de uitstaande schuld van onze stad, met het wegwerken van alle kortlopende schulden van onze stad, en met zware investeringen in onderwijs, jeugd, cultuur, openbare ruimte en het handelscentrum. Daarmee hebben we een begroting ingediend die allesbehalve grijs en saai is. Een begroting vertelt eigenlijk een verhaal. Dat verhaal moeten we hier proberen zo levendig mogelijk aan de Vlamingen uit te leggen.

Is er in dit stuk over onderwijs een verhaal te duiden? Absoluut: mevrouw Helsen legde er zopas zeer sterk de nadruk op aan het einde van haar betoog, ze zal me vergeven dat ik ermee begin. Kleuters zijn voor onze partij heel belangrijk. Op de tweede rij hier zit een voormalig minister van Onderwijs die ooit de 2,5-jarigen naar de school bracht, en het zal u niet verbazen dat ik daarop terugkom. Het begin van een verhaal van gelijke financiering van het kleuteronderwijs ten opzichte van het lager onderwijs zit in deze begroting. De stap die we zetten om inderdaad aan kleuters en kleuterleiders de middelen te geven die ze verdienen, en waar steeds meer wetenschappelijk onderzoek over gepubliceerd wordt dat aantoont dat elke euro die je in dat jonge kind investeert meer opbrengt dan eender welke euro later, is een logische stap. Kleuterleidsters en kleuterleiders zijn vragende partij om dat onmiddellijk in te voeren en ik begrijp hen. Maar we hebben op een aantal momenten in de onderwijsgeschiedenis ook stappen gezet die nadien konden worden afgerond. We hadden nooit het vrij en het gesubsidieerd officieel onderwijs evenveel kunnen geven als niet twintig jaar voor het bereiken van die eindmeet mensen de moed hadden gehad om in de begroting de eerste Polder- en Tivoli-akkoorden te honoreren. Mijnheer Van Dijck, ministers hadden nooit het Gelijkekansendecreet verder kunnen uitvoeren, zonder de moedige stappen in de periode van paars-groen. Zo zal een volgende minister van Onderwijs op een bepaald moment kunnen aankondigen dat er een gelijke financiering komt door de eerste stappen die wij nu zetten met deze regering.

Ik herinner mij: twee, drie jaar geleden, fractieleider van mijn fractie, was er nog heel veel hoongelach, niet alleen in het parlement maar ook daarbuiten, omdat wij altijd met die kleuters kwamen aandraven. Ik hoor dat niet meer. Na dat hoongelach kwam ‘boter bij de vis’. Als we zo met die kleuters bezig waren, moesten we via onze minister van Financiën en Begroting bewijzen dat we er ook geld voor wilden uittrekken. Dat geld ligt er nu.

Het is mijn taak – u zult me dat hopelijk vergeven, minister – om de rol die mijn fractie in dat dossier heeft gespeeld, toch even naar voren te brengen. We zullen dat ook blijven doen, want na de gelijke financiering moeten we misschien – mevrouw Helsen, u hebt het ook aangehaald – wel eens goed gaan kijken waar in het onderwijs de middelen terecht moeten komen. Na ons discours om kinderen jong en veel naar school te laten gaan, zeggen de professoren die over het welbevinden van kleuters waken ons: ‘Ja, dit is goed, maar dat moet wel in de beste en meest comfortabele omgeving gebeuren’. Op die vraag moet er ook een antwoord worden geboden.

Voorzitter, mijn begroting werd in Vilvoorde goedgekeurd mede door de grootste oppositiepartij. Ik was daar blij over. Ik ga daar geen politiek spelletje van maken. Ik was oprecht tevreden. Ik vrees dat het naïef zou zijn om dat hier ook te verwachten. Maar goed, er moet toch een beetje verschil zijn tussen Vilvoorde en Vlaanderen.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Collega's, voorzitter, minister, als we het debat voeren over Onderwijs, in de commissie maar ook vandaag, doen we dat in het belang van één grote groep: de kinderen en jongeren. Daar gaat het om.

Minister, als we goed onderwijs willen geven aan onze kinderen, hebben we daar een heel degelijke omkadering voor nodig. Dat is cruciaal. En waar wordt de basis gelegd in het onderwijsgebeuren of in de onderwijsloopbaan? Dat is in de basisschool: in de kleuterklas en in het lager onderwijs. Wie is daar de draaischijf? Dat zijn, samen met het hele team, de directeurs.

We hebben daarover al veel debatten gevoerd. Ik denk dat het in uw beleid het cruciale punt moet zijn, dat dat in uw plan basisonderwijs het belangrijkste punt moet zijn: de omkadering van de directeurs en bij uitbreiding van de leerkrachten. Want al de tijd dat het team niet kan steken in het pedagogisch gebeuren, is tijdverlies. Jammer genoeg gaat er heel veel tijd verloren aan dingen en werkzaamheden die niets met het pedagogisch gebeuren te maken hebben. De mensen haken daardoor ook af. Te weinig ondersteuning voor de directeurs heeft gevolgen voor de leerkrachten, want die mensen worden te weinig gecoacht door gebrek aan tijd. Het heeft ook gevolgen voor de kinderen, want die leerkrachten moeten met veel te veel bezig zijn buiten het feit dat ze met hun kinderen kunnen bezig zijn.

Ik zal de cijfers niet allemaal herhalen. Ik denk dat dat niet nodig is, we hebben daar in de commissie al uitgebreid over gedebatteerd. Er is de daling van het aantal studenten die beginnen aan de lerarenopleiding onderwijs. Er zijn minder inschrijvingen. Mensen die een diploma in het onderwijs willen behalen, nemen dat al te veel als tweede keuze. Zodra de leerkrachten in een school terechtkomen, is er een gebrek aan begeleiding en ondersteuning, aan coaching. We komen altijd op hetzelfde uit: tijdsgebrek. Minister, ik denk dat u een partner hebt over alle partijgrenzen heen, ik ben daar zeker van. Investeer in het basisonderwijs. Ik kijk met veel vertrouwen maar ook heel geïnteresseerd uit naar het plan basisonderwijs dat hopelijk binnenkort op de tafel komt te liggen en waar we fundamenteel het debat kunnen voeren over de bijsturing van het basisonderwijs.

Minister, ik werp zeker geen steen naar u. Het is een werk van lange adem. We kunnen niet alles in één keer doen en niet alles heeft met geld te maken. Integendeel, er kunnen ook heel veel bijsturingen gebeuren op de werkvloer: inhoudelijk investeren in mensen en met mensen. Dat debat willen wij met onze fractie voeren en niet altijd de discussie over ‘het kost meer’ en ‘we hebben geen geld’, maar ‘hoe kunnen we de mensen op de juiste plaats zetten’ en ‘hoe kunnen we de mensen nog beter ondersteunen’?

Minister, in uw repliek zult u zeggen dat onze partij daar tijd genoeg voor heeft gehad omdat wij ook een minister van Onderwijs hebben gehad. Dat is allemaal waar, maar ik ben een politicus die – en onze fractie ook – naar de toekomst wil kijken. We moeten samen nagaan wat mogelijk is, wat haalbaar is en een duidelijk signaal geven aan onze directeurs, aan onze leerkrachten, aan de ouders, aan de leerlingen dat er nu eindelijk fundamenteel iets op de werkvloer zal veranderen.

We hebben twee resoluties ingediend over de directeurs en de leerkrachten. Minister, wij zullen constructief meewerken. Wij zullen een partner voor u zijn, maar laat ons samenwerken, in het belang van de leerlingen, om vooral in het basisonderwijs de structuren nog beter te maken, en dat voor de toekomst van onze kinderen. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

De heer De Croo heeft het woord.

Herman De Croo (Open Vld)

Voorzitter, minister, ik hou zelden een betoog in onderwijsdebatten, ofschoon mijn eerste ministerschap Onderwijs was. Ik wil iets herinneren voor alle collega's hier aanwezig.

Ik heb één keer mijn ontslag aangeboden als minister, minister van Onderwijs, in 1975. Het ging toen over het toelaten van de kleuters tot een zekere vorm van vorming vanaf 2,5 jaar. De hevigste tegenstanders waren toen mijn goede collega's van de CVP. Ik heb moeten dreigen met ontslag om die maatregel erdoor te krijgen. Het doel was de aandacht te vestigen op de ongelooflijke pedagogische rijkdom van de vroegtijdige incontactkoming met een vorm van onderwijs, een soort van, om u een plezier te doen, ‘socialisering’ van kinderen in een milieu buiten hun familie.

Ik stel nu vast, met een zekere mentale ontroering, dat vandaag de dag alles wat de klok luidt het vroegtijdig benaderen is van vorming en onderwijs van de kinderen. Na 42 jaar doet dat deugd. Dank u wel. (Applaus)

Minister Hilde Crevits

Collega De Croo, het gaat zelfs nog verder. Ik zal uw mentale ontroering nog een beetje meer stimuleren. Ook collega Vandeurzen, die straks aan bod komt, heeft een heel plan om in de kinderopvang te zorgen dat er al veel meer wordt gewerkt rond educatie. Ook kinderopvang is geen bezigheidstherapie, het is het vaardig maken van kinderen. Ik was misschien al geboren toen u dreigde met uw ontslag. In welk jaar was dat dan?

Herman De Croo (Open Vld)

In 1975.

Minister Hilde Crevits

Toen was ik al een tijdje geboren. (Gelach)

Herman De Croo (Open Vld)

U was misschien een voorwerp van mijn maatregel.

Minister Hilde Crevits

Ik was daar zelfs al voorbij. Ik heb ondertussen toch ook al wel een zeer respectabele leeftijd bereikt.

Collega De Croo, het klopt inderdaad dat doorheen de jaren de aandacht voor het vroeg beginnen met vorming van kinderen, toegenomen is. Ik wil u in die zin ook geruststellen dat wij intussen wereldkampioen zijn inzake het vroegtijdig naar school gaan. Er is een participatie van bijna 99 procent in de derde kleuterklas. Dat is schitterend. 

Wat collega De Roo daarnet zei, is dat Open Vld inderdaad zwaar pleit om voldoende ondersteuning te bieden, net zoals CD&V intussen. Ik ben volop mee aan de kar aan het trekken, net zoals de N-VA. We delen dezelfde zorgen.

Collega Vandenberghe, ik heb gemengde gevoelens over uw betoog. Ik ben bijzonder blij dat u de hand reikt om samen werk te maken van dat plan voor het basisonderwijs, dat u zegt dat het plan er niet van dag op dag kan komen en dat we het genuanceerd moeten aanpakken. Dat is ook de reden waarom ik naar een van uw studieavonden ben gekomen om samen van gedachten te wisselen.

Ik wil u ook meegeven dat het deze regering is die nu voor het eerst sinds heel lang ook werk maakt van de hervorming van de lerarenopleiding. Daar zijn de jongste jaren drieduizend pagina’s over geschreven, over wat er allemaal moest worden hervormd. Ik weet dat er nu nóg zorgen zijn: zal het wel goed zijn wat we doen? Ik kijk naar mevrouw Brusseel en anderen. We moeten echter ook in dezen de knoop durven door te hakken en voor een ambitieuze hervorming gaan, zonder dat we de goede dingen die er vandaag zijn, gaan weggooien. Wat me het meest zorgen baart, naast de inhoud van de opleiding, is vooral de vraag hoe we jongeren kunnen stimuleren na hun secundair onderwijs om met fierheid te kiezen voor een loopbaan in het onderwijs. Ik heb meer zulke geëngageerde jongeren nodig. Ik zie in tv-programma’s waar heel veel mensen – tot zelfs miljoenen – naar kijken, dat in een familiale context iemand zegt dat hij als derde keuze leraar wordt. In dat programma wordt daar dan op geantwoord: ‘Oh, leraar, wil je dat echt worden?’ Dat zijn tv-programma’s die dezer dagen of toch een tijdje geleden bij ons te zien waren. Daar kijken zoveel mensen, honderdduizenden mensen naar. Men spreekt dat prachtige beroep kapot. Nochtans, wat vinden ouders zo belangrijk voor hun kleine kinderen? Die leraar. Ik kijk naar de heer De Croo, maar ook naar de heer Vandenberghe. We geven onze kinderen uit handen, aan een leraar en verwachten daar zoveel van. Laten we dus niet alleen inhoudelijk die opleiding vernieuwen, maar ook in onze hoofden opnieuw die appreciatie geven aan die leerkrachten en aan die directies die ze zo verdienen. Mijnheer Vandenberghe, ik hoop echt dat sp.a ook daarin een partner wil zijn. (Applaus bij de meerderheid)

Minister, dank u wel voor uw tussenkomst, maar dat is het punt dat ik daarnet ook heb willen maken. Ik denk dat er nog heel veel mensen met heel veel moed en ambitie leerkracht willen worden. We hebben inderdaad al heel veel gedebatteerd. Er ligt enorm veel op de plank, maar wat de mensen mij melden als ik mijn rondes doe, is dat ze op de werkvloer nu die signalen willen krijgen dat hun job wordt gewaardeerd, dat ze die flankerende maatregelen nog meer krijgen. Dan zal dat automatisch gebeuren. Ik denk dat dat een mechanisme is dat aan twee kanten werkt. Dan zullen de mensen automatisch graag opnieuw naar het onderwijs gaan, of nog liever. Ik ben ervan overtuigd dat meer dan 90 procent van de leerkrachten – toch diegenen die ik ken – nog met heel veel plezier zijn job doet, nog heel graag leerkracht is. (Applaus bij sp.a en Groen)

Ik wil nog even tussenkomen, omdat ik wel begrip en appreciatie heb voor de manier waarop collega Vandenberghe zijn betoog brengt, wat toch een beetje in contrast staat met collega Gennez. Ik heb immers van u gehoord dat we alleen met geld niet alles zullen oplossen, en ik denk dat wat u aanhaalt, zeer juist is.

Een ander punt, dat we nog niet hebben aangebracht, maar waarvan ik weet dat dat ook een van uw zorgen is, is het volgende: als het gaat over die extra taken, vanwaar komen die? U weet net als ik dat dat niet alleen van de overheid komt, dat een aantal tussenstructuren ook allerlei zaken afvuren op die directies en leerkrachten, soms ook een aantal richtlijnen waarop die mensen echt niet zitten te wachten en waarvan ze zich afvragen wat ze daar nu weer mee moeten. Ze moeten daarop antwoorden, zeggen of dat wel of niet zo is enzovoort. Ik denk dat we daar toch ook aan moeten werken, maar dat signaal hebt u ook al gegeven. Daarom wou ik dat hier nog eens expliciet zeggen in deze vergadering.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, heren en dames ministers, het zijn stormachtige tijden in ons onderwijs. Minister, het is immers niet omdat u het heel goed kunt uitleggen en we meer dan 11 miljard euro besteden aan ons onderwijs, dat het helemaal goed gaat met ons onderwijs. De collega’s verwezen al naar meerdere studies die aantonen dat we onze gemiddelde en onze sterke leerlingen eigenlijk te weinig uitdagen. We moeten opletten met de sociale wenselijkheid om de ongelijkheid tussen leerlingen op een gelijke wijze te benaderen. Als er naast het reguliere onderwijs privé-initiatieven moeten worden opgestart om tegemoet te kunnen komen aan de leerhonger van onze heel sterke leerlingen, dan komen we ergens tekort. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we voor ogen moeten houden dat het onderwijs nog altijd een leerinstelling is, waar men kennis moet opdoen en vaardigheden en attitudes moet verwerven. In onze klassen van vandaag zitten leerlingen met een heel grote diversiteit op het vlak van onderwijsmogelijkheden. Onze leerkrachten, ondersteuners, zorgcoördinatoren, directies doen enorm hun best om tegemoet te komen aan die diversiteit en aan de noden van iedere leerling. Via de ondersteuningsnetwerken proberen wij dat ook zo goed als mogelijk haalbaar te houden.

Maar het loopt niet altijd even goed en we kijken daarom zeker uit naar de eerste evaluatie. Op basis daarvan kunnen we misschien al wat bijsturen waar nodig. Gelijktijdig moeten we ook durven nadenken over hoe we ons inclusief onderwijs verder vorm geven.

We krijgen voorbeelden van scholen die inclusieklassen inrichten. Het buitengewoon onderwijs richt in het gewoon onderwijs klassen in. We horen ook van scholen die duoklassen maken, waar leerlingen voor een deel samenzitten maar waar ze ook apart zitten zodat ze extra zorg of extra uitdagingen kunnen krijgen. Maar uiteraard heeft niet iedere school voldoende omkadering om dit te kunnen organiseren.

We moeten dus kijken naar de regelgeving op het vlak van vestigingsplaatsen, op het vlak van prestatieregeling van leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs tegenover leerkrachten uit het gewoon onderwijs, op het vlak van omkadering op basis van SES-kenmerken. We moeten de manier waarop we onze ondersteuners inzetten, de samenwerking met het CLB en de pedagogische begeleiding onder de loep nemen, evalueren en durven bijsturen.

Om dit alles in goede banen te kunnen leiden, is de directeur en zijn beleidsvoerend vermogen van cruciaal belang. Een professionalisering, een volwaardige beleidsondersteuning en administratieve kracht, zeker in de basisschool, zijn hiervoor van cruciaal belang en onontbeerlijk. Deze hiaten moeten we zo snel mogelijk wegwerken, willen we in ons Vlaams onderwijs behouden wat goed is en opnieuw optimaliseren wat minder goed loopt. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, dames en heren, het zal u wellicht niet verbazen dat ik vandaag voor onze fractie opnieuw de vinger aan de pols van de Vlaamse schoolinfrastructuur zal houden. Laat me toe om eerst een klein vooronderzoek te doen dat zich richt op aspecten die zelfs geen deel uitmaken van de begroting 2018, maar die mijns inziens uitermate illustratief zijn voor de volgehouden inzet van de Vlaamse Regering.

Voor het eerst sinds lang heeft de minister van Onderwijs niet alleen de zorg verwoord om meer aandacht te besteden aan de didactische en technische uitrusting van onze arbeidsmarktgerichte studierichtingen, maar er ook daadwerkelijk middelen voor uitgetrokken. Via de begrotingsbuffer 2017 kan namelijk nog 5 miljoen euro extra worden ingezet. Het zijn middelen waar onze scholen nog dit schooljaar over kunnen beschikken. Samen met onze fractie hoop ik dat dit initiatief de hele Vlaamse Regering mag blijven inspireren en dat we het in de toekomst recurrent kunnen inbedden.

De bespreking van de beleidsbrief Onderwijs leerde ons eveneens dat minister Crevits – zodra de nieuwe capaciteitsmonitor schoolinfrastructuur 2018 is opgeleverd – in een nieuw volume van bijkomende capaciteitsmiddelen zal voorzien en toekennen voor een totaalbedrag van 150 miljoen euro.

Als we daar nog de 550 miljoen euro verhoogde investeringsmiddelen voor projectspecifieke DBFM-dossiers aan toevoegen, kunnen we er nu al van overtuigd zijn dat deze minister van Onderwijs ook de volgende jaren voluit zal inzetten op het moderniseren van onze schoolinfrastructuur.

Maar vergis u niet, ook het begrotingsjaar 2018 getuigt van dezelfde blijvende ambitie. Meer nog, met 398 miljoen euro voor het basis- en secundair onderwijs zijn de investeringskredieten in geen enkel voorgaand jaar zo hoog geweest.

Er is 50 miljoen euro voor capaciteitsuitbreiding, als laatste deel van de 150 miljoen euro die voor de periode 2016-2018 in het vooruitzicht werden gesteld. Er is 40 miljoen euro extra investeringskredieten. Door 9,5 miljoen euro uit te trekken voor beschikbaarheidsvergoedingen in het kader van Scholen van Morgen zorgt de regering ervoor dat er recurrent kan worden geïnvesteerd in scholen. Het bedrag voor huursubsidies wordt met 3 miljoen euro opgetrokken en bedraagt nu 6,6 miljoen euro. Er is in 3 miljoen euro voorzien voor de uitvoering van de werken en voor het dekken van de exploitatiekosten voor de lokale openstelling van schoolinfrastructuur. We begrijpen dat de minister van Sport op zijn begroting een gelijkaardige inspanning doet.

Voor opleidings- en onderwijsinfrastructuur, opgenomen in het Strategisch Actieplan voor Limburg in het Kwadraat (SALK), is in de begroting 2 miljoen euro ingeschreven en de Hogere Zeevaartschool kan rekenen op een eenmalige investering van 10 miljoen euro. Wat rest van de 40 miljoen euro, bestemmen we voor reguliere investeringskredieten, die, zo begrepen we, bij de begrotingscontrole nog kunnen stijgen in het kader van de compensatieregeling voor de btw-verlaging van 21 naar 6 procent.

Tot slot verwijs ik naar de middelen van het Vlaams Klimaatfonds en het Zonneplan, die ook in het onderwijs voor energiezuinige maatregelen kunnen worden ingezet.

Collega’s, voorzitter, we hebben de pols gevoeld, en de diagnose is eenduidig: het hart klopt sterker dan ooit. Om af te sluiten met een onderwijsterm: doe zo voort, minister.

De voorzitter

Mevrouw Brussel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Collega’s, minister, dit is een cruciaal jaar, het voorlaatste jaar van de legislatuur, en er staat nog heel wat op de onderwijsagenda.

Het deeltijds kunstonderwijs (dko) krijgt eindelijk een niveaudecreet, en daar zijn we blij om. Vorige week hebben we het werkveld gehoord en we zullen met het parlement zeker nog proberen op een constructieve manier enigszins aan de verzuchtingen van deze mensen tegemoet te komen.

Ook voor de lerarenopleiding vindt mijn fractie het zeer belangrijk dat we een zeer ambitieuze hervorming hebben en dat we dit moment gebruiken om de uitdagingen van de 21e eeuw aan te gaan. Visie en ambitie moeten daarbij vooropstaan. Veranderingen aan de structuur kunnen een goede zaak zijn, maar de inhoud is voor ons het allerbelangrijkste.

Laten we het nog eens over de grote uitdagingen in het onderwijs hebben. Het is een moeilijk departement, minister. Heel wat mensen kijken kritisch naar het onderwijs, maar vaak ook louter vanuit één bepaald perspectief. Sociologisch, intellectueel vormend, arbeidsmarktgericht, eerder humanistisch, vertrekkend vanuit de persoonlijke ontwikkeling: het zijn allemaal verschillende benaderingen. Voor ons is het echter én én én. Er zit veel in het onderwijs, er zit veel in de mens.

Voor Open Vld moet ons onderwijs in de 21e eeuw tegelijk inspelen op de nieuwe vragen van die 21e eeuw en de lat hoog leggen voor wat altijd al belangrijk is geweest en niet veronachtzaamd mag worden: kennis, degelijk vakkennis, geen snelle Google- of Wikipedia-weetjes en -info. Onderwijs moet die garantie blijven geven. Kennis, vaardigheden en attitudes, iets grondig willen studeren, bijvoorbeeld, kritisch denken, creatief zijn, reflecteren en zich vlot in meerdere talen kunnen uitdrukken: dat zijn de kerntaken van het onderwijs. In tijden van digitalisering en robotisering moet ons onderwijs enerzijds de nieuwe technologie een plaats geven en anderzijds de leerlingen wapenen tegen vervlakking, tegen een overvloed aan prikkels, tegen desinformatie, ‘fake news’, absurd rendementsdenken. Eigenlijk wil ik alle leerlingen aanbevelen om ‘1984’ te lezen. We leggen hier niet zomaar specifieke vakinhouden op, maar als ik vanuit mijn hart aan de jeugd in deze tijden één ding mag aanbevelen, dan is het dat: zorg dat je technologisch en digitaal vaardig bent, maar lees ook, lees, lees ‘1984’, lees ‘Brave New World’, en spreek erover in de klas. Dat kan ons tot sterke mensen maken en tegelijk een sterke kenniseconomie vormen, dankzij ons onderwijs.

Concreet komt het er voor Open Vld op aan om met een open geest te praten over de onderwijsdossiers, zonder dat we worden tegengehouden door bepaalde geledingen, zoals een koepel of een bepaalde groep sociologen. Als we aan de lerarenopleiding en de lerarenloopbaan denken, dan moeten we aan de essentie denken: vakkennis en eigenaarschap van de leerkracht, professionalisering en een betere ondersteuning van directies en een flexibeler personeelsbeleid op school, met teamwerk waarbij elkeen wordt ingezet naar zijn talenten, sterktes en expertise.

Minister, ik heb nog twee korte aanbevelingen. U moet structureel inzetten op Science, Technology, Engineering, Mathematics (STEM), op digitale leerlijnen en op meer computationeel denken. Mijn andere aanbeveling is een stokpaardje waar we het later nog over zullen hebben, namelijk het Engels in het basisonderwijs. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Voorzitter, gisterenochtend is in De Standaard een artikel verschenen met de kop ‘Van elke euro maken universiteiten er zes’. Elke euro die we in ons hoger onderwijs investeren, brengt de maatschappij later 6 euro op. Voor een dergelijk rendement zouden veel mensen tekenen. In hetzelfde artikel waarschuwt rector Van Goethem echter voor de erosie van de financiering. Die erosie wordt zeer problematisch. De index wordt niet volledig doorgerekend. De financiering stijgt niet proportioneel met het aantal studenten. Op dit ogenblik worden ongeveer 10.000 studenten niet door de overheid gefinancierd. Dat begint een niveau te bereiken dat het moeilijk maakt de basisopdracht te vervullen.

Minister, u zult nu antwoorden dat er nog nooit zo veel in ons onderwijs is geïnvesteerd. Het is echter een evidentie dat de middelen voor de hogescholen en de universiteiten gewoon de stijging van het aantal studenten volgen. Voor ons zijn dat geen bijkomende investeringen. Dat is niet meer dan logisch.

Er zijn uitdagingen voor ons hoger onderwijs, en die uitdagingen zijn groot. Ons hoger onderwijs is momenteel nog te weinig een afspiegeling van onze samenleving. Nog te veel aula’s zijn te weinig divers. Het gaat dan niet enkel om studenten met een migratieachtergrond die te weinig de weg vinden naar ons hoger onderwijs. Het gaat, bijvoorbeeld, ook om studenten met een handicap of om jongeren wier ouders geen diploma van het hoger onderwijs hebben gehaald. Als ze daar al geraken, eindigen ze nog te vaak zonder diploma.

Een aantal universiteiten en hogescholen maken bewust de keuze om de jongeren die nu nog al te vaak onderweg afhaken, ook mee te krijgen. Mijn oproep houdt in dat u heel bewust de keuze moet maken die de universiteiten en de hogescholen maken. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

De heer De Croo heeft het woord.

Herman De Croo (Open Vld)

Mevrouw Soens, Brussel, de hoofdstad van Europa, is een van de rijkste hoofdsteden van dit continent. Tegelijkertijd kent Brussel een van de hoogste werkloosheidscijfers bij jongeren. Een van de verklaringen is het gebrek aan tijdige scholing of vorming van dit type van kinderen uit dat type van gezinnen. Ze komen in het lager onderwijs toe zonder kennis van een of andere landstaal. Ze blijven die vertraging met zich meedragen. Als ze 18 jaar worden, verlaten ze het onderwijs zonder diploma en komen ze terecht in wat u aanklaagt. Ik hoop dat u het met me eens bent dat het onderwijs ook hier aandacht aan moet besteden.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Mijnheer De Croo, dat is niet echt een vraag. We delen uiteraard de mening dat dit al in het kleuteronderwijs of daarvoor begint. We zien nu dat nog te veel jongeren om diverse redenen de overstap naar het onderwijs niet maken. We kunnen niet stellen dat het een of-ofverhaal is. Het is een en-enverhaal. We moeten proberen zo veel mogelijk jongeren die het aankunnen, in het hoger onderwijs te krijgen. We moeten ervoor zorgen dat ze op een goede manier uitstromen.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Mijnheer De Croo, ik denk dat u dit punt terecht aanhaalt. Volgens u moeten we de Brusselse jongeren vanaf jonge leeftijd in de scholen krijgen. Dat is absoluut waar. De realiteit is echter dat onze Nederlandstalige scholen vorig jaar achthonderd jonge kindjes hebben geweigerd die nog niet leerplichtig waren, maar wel graag naar school wilden. Er zijn ook anderstalige kinderen die tijdig naar Nederlandstalige scholen moeten kunnen gaan. Vanwege de bestaande voorrangsregels is dit echter de eerste groep die uit de boot valt. Die ouders zullen dan als eersten beslissen dat ze hun kinderen dan maar een jaartje later naar school zullen sturen.

Ik hoop dat de Vlaamse Regering het meent. Het Inschrijvingsdecreet moet eindelijk worden veranderd. De Vlaamse Regering belooft dit al vier jaar, maar doet het niet. Er moet bijkomende schoolcapaciteit komen, zodat ieder kind zijn plek op school krijgt.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik wil nog even terugkomen op het hoger onderwijs. Mevrouw Soens, ik deel uw mening dat wie de capaciteiten heeft om naar het hoger onderwijs te gaan, er absoluut moet kunnen geraken, dat er geen drempels zouden mogen zijn. Maar als u mij eens concrete voorstellen doet, dan kunnen wij daarover praten. Het volstaat immers niet om in deze plenaire zitting te zeggen dat het onrechtvaardig is dat er te weinig kansengroepen doorstromen naar het hoger onderwijs en dat daar echt eens iets aan moet worden gedaan. ‘Iets’. Wat is ‘iets’? En welke zijn de drempels volgens u? Want we geven studiebeurzen. Zoals meerdere collega’s al hebben aangestipt, wie in het lager en het secundair onderwijs de eindmeet niet haalt, of bepaalde leerdoelen niet realiseert, met andere woorden, wie op zijn achttiende bijvoorbeeld geen samenvatting kan maken van een krantenartikel, zal niet slagen in het hoger onderwijs. Het is niet de bedoeling dat we de lat op de grond gaan leggen, simpelweg om zomaar meer studenten te hebben. Uiteraard moet iedereen er geraken, maar zeg mij welke de drempels precies nog zijn. We geven al studiebeurzen en de ingang aan onze hogescholen en universiteiten is vrij. Er zijn geen bindende toelatingsproeven, behalve voor de artsen, en dat heeft een reden, dat weet u. Maar zeg eens: wat stelt u voor?

Tine Soens (sp·a)

Mijn fractie heeft het afgelopen jaar talloze voorstellen ingediend in het Vlaams Parlement, die ook werden behandeld in de commissie Onderwijs, onder andere over studiekosten, over het transparant communiceren van bijkomende kosten bovenop het inschrijvingsgeld, over de toegang tot ons hoger onderwijs voor studenten met een handicap. Die zijn helaas allemaal weggestemd, onder andere door uw partij. Ik wil gerust nog eens met extra voorstellen komen, maar als ze dan toch gewoon worden weggestemd, zonder boe of ba, dan vind ik het eigenlijk heel jammer dat u vandaag oproept om met voorstellen te komen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Sorry dat we tijdens uw middagpauze verder vergaderen, maar ik zie dat u tijd hebt.

Mevrouw Soens, ik vind het wel opmerkelijk wat u zegt. U laat uitschijnen dat er mensen in dit parlement of hierbuiten, jongeren wegens hun achtergrond zouden willen tegenhouden om naar het hoger onderwijs te gaan. Ik ken zulke mensen niet. Ik wil ze ook niet kennen en ik zou ook niet weten waarom ze dat zouden willen doen. We weten immers dat zowel voor de mensen zelf als voor Vlaanderen een diploma hoger onderwijs inderdaad een meerwaarde is. Maar, er zullen altijd mensen zijn die, helaas, of we dat nu willen of niet, niet de capaciteiten hebben om bepaalde studierichtingen in het hoger onderwijs tot een goed einde te brengen. Helaas, maar dat is de realiteit. Dus begrijp ik niet dat u vanuit uw fractie niet wil dat we mensen goed oriënteren. Immers, een foute studiekeuze, een foute oriëntering, en daarin blijven ronddraaien – de heer Cordy zal daar straks nog uitvoerig op ingaan, denk ik – maakt net dat het heel duur wordt en dat mensen eindigen met niets. Dan pas heb je een probleem op de arbeidsmarkt.

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Soens, u verwijst naar een studie die de universiteiten in Vlaanderen samen hebben besteld. Ze hebben gisteren een seminarie georganiseerd over de resultaten van die studie. Daar komt uit dat de universiteiten in Vlaanderen een belangrijke meerwaarde realiseren, niet enkel en alleen economisch, maar ook wat het welzijn van onze Vlamingen betreft.

Ik heb in een panelgesprek een reactie mogen geven op de onderzoeksresultaten. Ik heb daar heel duidelijk gesteld dat het belangrijk is dat we proberen om zoveel mogelijk jonge mensen naar ons hoger onderwijs te leiden. Maar, als we daarin willen slagen, we dan vooral moeten kijken naar het moment dat kinderen al opereren vooraleer ze in onderwijs terechtkomen, en dat investeren in de jongste kinderen zeer belangrijk is om ervoor te zorgen dat er weinig kansen verloren gaan om die doorstroom van kleuterschool naar lagere school, naar secundaire school en nadien naar hoger onderwijs zo maximaal mogelijk te realiseren.

Ik heb kunnen vaststellen dat de universiteiten het daar helemaal mee eens waren en dat zij dat bevestigd hebben. Ik was heel tevreden dat ook in het panel iemand uit het bedrijfsleven aanwezig was en duidelijk zei dat het al te gemakkelijk is om steeds aan de overheid extra middelen te vragen. Ik heb kunnen vaststellen dat het bedrijfsleven de hand heeft gereikt om samen met ons hoger onderwijs te kijken hoe men met de beperkte middelen de uitdagingen voor de toekomst tegemoet kan treden. Die zijn enorm, want als de toestroom naar ons hoger onderwijs toeneemt, zullen er nog meer middelen nodig zijn. Daar werd de suggestie gedaan om vanuit het bedrijfsleven in overleg met onze universiteiten en hogescholen te kijken hoe we de uitdagingen voor de toekomst kunnen waarmaken en dat het niet altijd de goede oplossing is om daarvoor te kijken naar de overheid om opnieuw extra middelen op de tafel te leggen.

Tine Soens (sp·a)

Voorzitter, ik wil nog even terugkomen op de oriëntering. Collega Daniëls, u weet dat onze fractie een grote voorstander is van een goede oriëntering, van een goed proces dat al in het secundair onderwijs begint en dat het niet enkel met een eenmalige proef opgelost wordt. Als we bijvoorbeeld kijken naar de studievoortgangsmaatregelen die in ons hoger onderwijs bestaan aan bepaalde universiteiten, dan zegt bijvoorbeeld de cel diversiteit van de KU Leuven dat de kansengroepen heel hard getroffen zijn door die studievoortgangsmaatregelen aan de KU Leuven. Dat blijkt ook uit een onderzoek van twee weken geleden. Ik wil oproepen dat we ons in de commissie zouden afvragen en onderzoeken hoe dat eigenlijk komt. Ik hoop dat u er dan niet mee afkomt dat jongeren uit kansengroepen dommer zouden zijn dan andere jongeren, want dat is absoluut niet het geval. (Opmerkingen bij de meerderheid)

We moeten alleszins onderzoeken hoe het komt dat kansengroepen harder worden getroffen door die studievoortgangsmaatregelen dan andere groepen.

De voorzitter

Goethe heeft ooit gezegd: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.” Moet ik dit nog eens voorlezen?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik zal me proberen ‘beschränkt’ te houden. Zolang de gedachten niet ‘beschränkt’ zijn, is het goed, maar Goethe had het vooral over de woorden.

Collega Van den Brandt, we hebben al een paar keer van gedachten gewisseld over de toestand in Brussel. Wij bieden als overheid geen onderwijs aan. Het GO! zit in een bijzonder decreet en is gedelegeerd. Het klopt inderdaad dat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel zeer aantrekkelijk is voor veel mensen, ook voor ouders die thuis geen Nederlands spreken. Ik deel uw zorg dat we zoveel mogelijk mensen kansen moeten proberen te geven. Omdat er twee talen worden gesproken en ook de Franse Gemeenschap daar onderwijs inricht, kunnen wij nooit de ambitie hebben om alle kinderen te vatten.

Maar, collega Van den Brandt, u moet eens kijken naar de investeringen in Brussel en de Rand in de vorige legislatuur en vandaag. Ik denk dat we met opgeheven hoofd kunnen zeggen dat we veel, veel meer investeren in de capaciteit in Brussel. Ik werk trouwens wat dat betreft zeer goed samen met Brussels minister Vanhengel en de Vlaamse Gemeenschapscommissie die ook grote investeringen doet. Ik ben het ermee eens dat het nog wat meer kan zijn, maar wij zijn volop middelen aan het vrijmaken. We proberen zelfs te forceren dat die scholen effectief gebouwd worden, want met papieren middelen ben je natuurlijk niets, de scholen moeten op het terrein nog gerealiseerd geraken. Dat lukt steeds beter en stap voor stap.

Ook van belang is dat we een register bijhouden. Er zijn ook kindjes die op meerdere plaatsen ingeschreven worden en waar we achteraf van willen weten waar ze nu school lopen: in het Franstalig onderwijs, of nergens, of worden zij verstoten van de school? Ik ben gevoelig voor uw opmerking dat mensen geen plaats vinden en dat de kinderen dus niet naar school kunnen. Daarom wisselen we die gegevens uit met de Franse Gemeenschap. Ik ben er gevoelig voor en we zetten er ook echt fel op in.

Collega Soens, u dwingt mij om toch op een paar punten een antwoord te geven. Uw eerste opmerking ging over het feit dat u zegt dat die middelen trager komen. Dat is waar, maar dat is eigen aan het financieringsmechanisme in het hoger onderwijs. Er zijn twee punten.

Mevrouw Soens, probeer uw lichaamstaal te beheersen, ik heb dat ook gedaan toen u aan het spreken was. Een, we hebben de kliks. Twee, we hebben het groeipad. Dat is nu terug aan het stijgen. Het is inderdaad geen volledige vertaling, maar – ik hoop dat u dat mee zult goedkeuren in het parlement – wat we wel doen, is voor hbo5, dus het hoger beroepsonderwijs, voor het eerst een open end invoeren. Dat betekent dat voor elke leerling die de toegang krijgt tot dat hoger beroepsonderwijs, straks de financiering zal volgen. Dat is zelfs revolutionair, want het is tot nu nog nooit gebeurd in het hoger onderwijs. Waarom doen we dat? We doen dat om net die jongeren die beroepsonderwijs hebben gevolgd, de kans te geven ook hoger onderwijs te volgen. Dit kan wat mij betreft ook zelfs een springplank zijn naar bachelors en zelfs masters later. We zetten daarop in en we proberen het juiste te doen.

Mevrouw Soens, u haalt de beperkingen die onder andere in Leuven zijn ingevoerd, aan. Mij baart het bijzonder grote zorgen, in een tijd waarin meer jongeren hoger onderwijs volgen, in een tijd waarin meer diploma's worden uitgereikt in het hoger onderwijs, dat een op de vier jongeren die start, nooit een diploma hoger onderwijs haalt. Dat is een ongelooflijk slechte zaak. Dat kost niet alleen veel geld, het is ook voor de jongeren een slechte zaak. Stel u voor hoe dat inhakt op het zelfvertrouwen. Daar moeten we proberen bij te sturen. Hoe doen we dat? Door een oriënteringsproef in het secundair onderwijs, Columbus, en ook door niet-bindende toelatingsproeven bij de start.

Uw fractie, collega Soens, zegt: ja – en dat vind ik jammer –, we zijn er eigenlijk niet voor, maar we vinden het ook geen goede zaak dat je kunt remediëren van bij de start. Ik vind het een schitterende zaak dat je van bij de start in het hoger onderwijs aan de jongere kunt zeggen: je zit nog niet helemaal waar je zou moeten zitten, maar we voorzien in begeleidingstrajecten om ervoor te zorgen dat je er wel geraakt.

Om de groep, die nu nog te weinig hoger onderwijs volgt, de sprong te laten maken, is het nu ook voor de allereerste keer – collega Cordy, ik zie u heen en weer bewegen, waarschijnlijk zult u daarover een betoog houden – dat alle rectoren van de universiteiten bij de start van het academiejaar hebben gezegd: we moeten inzetten op een doelgroep die we nog niet genoeg kunnen bereiken. Dat is de reden waarom ik als minister, gesteund door het parlement, volop de kaart trek van tutoring. Laat studenten, laat rolmodellen, laat voorbeeldstudenten die wel de capaciteit hebben om dat te doen, naar gezinnen gaan waar het niet vanzelfsprekend is dat jongeren voortstuderen. Laat ze hen overtuigen om hun kinderen wel te laten studeren.

Als u nu komt zeggen dat de regering ongevoelig is voor die zaken, dan probeer ik u nu voluit te overtuigen dat de instrumenten die we inzetten, goede instrumenten zijn die wel meer jongeren dan vroeger op het pad naar hogere studies zullen brengen, niet alleen om ze te volgen, maar om ze met succes te voltooien. (Applaus bij de meerderheid)

Tine Soens (sp·a)

Uiteraard ondersteunen we en vinden we het positief dat er extra middelen voor die tutoring komen. Het is heel belangrijk om rolmodellen aan onze jongeren te tonen, en zo te tonen dat ook jongeren uit kansengroepen een plek hebben in ons hoger onderwijs.

Naar de niet-bindende toelatingsproeven kijkt niet alleen mijn fractie met grote zorgen, maar ook een aantal rectoren van onder andere de Universiteit Antwerpen en de VUB, die diversiteit in hun aula’s hebben. Zij zeggen: pas daar toch alsjeblieft mee op. Voor de niet-bindende toelatingsproeven worden ingevoerd in het hele hoger onderwijs, zorg dat ze gevalideerd en geëvalueerd zijn.

Tot slot, minister, onder uw bevoegdheid hebt u de kliks twee keer uitgesteld. Dat zorgt voor een extra vertraging in ons hoger onderwijs.

Minister Hilde Crevits

Dat is niet juist. Als je met 2 procent stijgt, als je die twee jaar niet hebt gehad, dan spring je sneller met de kliks. Op zich zal men die middelen niet verliezen. We hebben dat inderdaad moeten doen. Het is niet zo dat die middelen nu verloren zijn, integendeel, je springt.

Collega Soens, de cel Diversiteit van de Katholieke Universiteit Leuven heeft vastgesteld dat de studievoortgang van jongeren uit kansengroepen inderdaad minder goed is. Ik vind het schitterend dat die universiteit dat nu ten minste opvolgt en monitort, en uitzoekt hoe ze die jongeren beter kunnen begeleiden. U maakt er nu het omgekeerde van. U zegt: doordat ze dat doen, krijg je nu slechte resultaten. Het is niet waar. Net door het eindelijk op te volgen, kun je de jongeren helpen. Dat is dus eigenlijk een schitterende zaak. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord. 

Ann Brusseel (Open Vld)

Voorzitter, er zijn een aantal factuele fouten gezegd.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel, de minister heeft dat rechtgezet. We kunnen bezig blijven.

Ann Brusseel (Open Vld)

Neen, neen, ik heb het over nog andere zaken.

De voorzitter

Nee, de heer Cordy heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Voorzitter, ik vind dat men het debat eerlijk moet voeren.

De voorzitter

Ik heb hier de microfoon in de hand, mevrouw Brusseel. Als ik oordeel dat er voldoende over gediscussieerd is, moet u zich daar niet kwaad over maken. Men kan daar eindeloos over bezig blijven. (Opmerkingen van Ann Brusseel)

En ik ben hier de baas! (Gelach. Opmerkingen van Ann Brusseel)

Ja maar, u hebt zich zo al eens heel kwaad gemaakt op mij. Toen had ik echt schrik van u. En nu heb ik ook schrik. (Gelach. Opmerkingen van Ann Brusseel)

Zo vlug heb ik geen schrik, hoor.

Mijnheer Cordy, voelt u zich nog in staat om iets te zeggen?

Paul Cordy (N-VA)

In staat wel, maar het zal nogal overbodig zijn. Want waarover ging mijn betoog? Over studievoortgangsbewaking. En die discussie is net gevoerd.

Niettemin wil ik toch de bezorgdheid uiten die ik vorig jaar op deze plaats ook heb geuit, met name het feit dat we door de gevolgen van de flexibilisering van het hoger onderwijs toch wel merken dat heel wat studenten duidelijke studievertragingen oplopen. Op dit moment denk ik dat minder dan een op drie studenten binnen het normale tijdsbestek zoals gepland afstuderen. Een tiental jaar geleden lag dat nog ruim boven de 40 procent. We merken dus dat studenten door die flexibilisering inderdaad een veel langer traject afleggen, met alle gevolgen van dien,  zowel voor de studenten en hun ouders zelf, die extra studietijd moeten financieren, als voor de maatschappij die een extra studiekost krijgt. We mogen niet vergeten dat de pure studiekost toch nog altijd voor meer dan 90 procent wordt gedragen door belastinggeld, niet onbelangrijk in deze discussie. Maar verder heeft dat evengoed gevolgen voor de onderwijsinstellingen, die zich eigenlijk geconfronteerd zien met een heel gamma aan studenten in allerhande momenten van hun opleiding. Zij moeten proberen de logische opbouw van een programma te handhaven, het onderwijs te blijven garanderen enzovoort.

De meeste zaken zijn al even aangehaald, maar ik zal toch nog even de maatregelen aanhalen die wij belangrijk vinden. Ten eerste is dat waarover het daarnet ging: de studieoriëntering. Er moet een zeer degelijke studieoriëntering zijn die op tijd begint en die inderdaad vormgegeven wordt met een verplichte, niet-bindende oriënteringsproef – let daarbij op alle woorden: het gaat over verplicht, maar niet bindend – voor het secundair onderwijs, en ook niet-bindende toelatingsproeven voor de inschrijving in het hoger onderwijs. Op die manier kunnen we studenten ondersteunen bij hun studiekeuze en kunnen we erover waken dat zij een gemotiveerd, duidelijk engagement aangaan voor hun studie.

Het tweede waarnaar we moeten streven, is het handhaven van meer bindende modeltrajecten. Dat geeft studenten een betere houvast, maar laat ook toe om het onderwijs beter georganiseerd te krijgen, ook academisch verantwoorder georganiseerd te krijgen.

Ten derde moeten we inderdaad misschien ook eens bekijken hoe op dit moment het leerkrediet georganiseerd is. Ook daar moeten we een aantal zaken grondig bijsturen, om ook daar weer studenten te ondersteunen in hun studievoortgang en in de keuzes die ze daarbinnen maken. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, eigenlijk moest mevrouw Celis hier staan, maar door omstandigheden buiten haar wil om, kan ze hier vandaag niet aanwezig zijn.

Minister, ik wil graag drie boodschappen brengen, in haar naam, maar ik ondersteun ze wel ten volle. Het zijn themata die al werden aangehaald door collega’s tijdens het debat.

Vooreerst is er inderdaad het belang van de kleuterparticipatie, mijnheer De Croo, en het feit dat we – en het is door de heer De Ro ten volle aangehaald – de eerste stap voor die 10 miljoen euro om dat verschil te dichten enorm waarderen.

Maar het zijn niet alleen de centen die die kleuterparticipatie belangrijk maken. Ook de ondersteuning die er wordt gegeven rond de taalverwerving, waarvoor we in deze begroting 2,3 miljoen euro extra uittrekken, moet maken dat men mee is op jonge leeftijd.

Ik geef er nog een persoonlijke toets bij, minister. We zeggen soms dat je moet reizen om te leren. U weet dat wij onlangs met de commissie in Kopenhagen waren, en eigenlijk heb ik daar ook iets enorms geleerd. Ik kijk ook uit naar het voorstel van minister Vandeurzen in dezen. Ik ben vroeger inderdaad heel sceptisch geweest ten opzichte van het opvangen van kinderen onder 2,5 jaar. Ik dacht altijd aan de geborgenheid van het gezin. Maar in Kopenhagen heb ik een aantal voorbeelden gezien waarbij men op prekleuterleeftijd jongeren als het ware socialiseert en stappen met hen zet, zodat zij in groep leren om te gaan, dat zij een aantal attitudes leren, een aantal knepen. Dat kan er inderdaad voor zorgen dat men op jonge leeftijd een attitude verwerft, die er vervolgens in het kleuteronderwijs en nadien in het lager onderwijs voor zorgt dat wij jongeren hebben die gewapend worden, niet alleen voor het onderwijs, maar ook om later een rol te vervullen in onze samenleving.

Een tweede belangrijk punt dat collega Celis wenste aan te halen, is de digitalisering, op verschillende vlakken. We staan er misschien te weinig bij stil, want sommigen onder ons zijn nog van een generatie die is opgegroeid zonder digitalisering. Wij konden soms nog tot rust komen. Wij werden niet constant gevat of aangevallen. We moeten jongeren op een nieuwe manier leren om te gaan met wat we de digitalisering plegen te noemen – en lees daar ook maar de mediageletterdheid bij.

Digitalisering biedt ook een aantal opportuniteiten, minister. We zijn blij met het groeiende digitale platform KlasCement, waar educatief leermateriaal ter beschikking wordt gesteld. Daar maken ondertussen meer dan 128.000 mensen gebruik van, om meer dan 47.000 leermiddelen ter beschikking te stellen van elkaar.

Het zijn uitdagingen om jongeren ermee te leren omgaan, maar anderzijds zijn er ook opportuniteiten voor het onderwijzend personeel en mensen die met onderwijs bezig zijn, om op een efficiënte manier te kunnen functioneren.

Die digitale mogelijkheden hebben er onder andere voor gezorgd dat wij hier een paar jaar geleden Bednet geïmplementeerd hebben, om onderwijs te verstrekken aan kinderen die niet naar school kunnen gaan. Collega Celis heeft u daar onlangs nog vragen over gesteld, minister. We hebben de antwoorden gekregen. Wij zijn vragende partij om daar blijvend op in te zetten, voor al diegenen die in aanmerking komen voor Bednet of voor ondersteuning op digitaal vlak, om thuis onderwijs te kunnen genieten als ze ziek zijn of in andere omstandigheden, en om dat blijvend te ondersteunen.

Met mijn laatste boodschap richt ik me vooral tot de oppositieleden, die soms ‘meer dit, meer dat’ zeggen. U moet ook weten wat u wilt. Nog niet zo lang geleden hebben wij financiële mogelijkheden voor dit Vlaams Parlement voor Onderwijs stopgezet. De zogenaamde Lambermont-turbo, die voor Vlaanderen een meerwaarde zou creëren, ook voor ons onderwijs, werd stopgezet, op het moment dat het voor Vlaanderen had kunnen renderen. Die verantwoordelijkheid mag u natuurlijk ook niet zomaar onder tafel gooien als u de kritiek uit dat het te weinig is. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Voorzitter, collega’s, minister, de Vlaamse Regering heeft heel wat resultaten en vooruitgang geboekt rond de school- en studietoelagen. Het aantal aanvragen neemt ook jaar na jaar toe. Voor het schooljaar 2016-2017 gaat het om 505.000 aanvragen. Het is dan ook positief dat de aanvraag van school- en studietoelagen vanaf 2016-2017 sterk werd vereenvoudigd en geautomatiseerd. Het aantal automatische dossiers is de voorbije jaren dan ook verviervoudigd. Waar in 2013-2014 zo’n 42.000 dossiers door de overheid zelf werden opgestart, gebeurt dat nu in 2016-2017 voor 190.000 dossiers.

Ook het aanvraagformulier werd in 2016-2017 sterk vereenvoudigd: van zes naar twee pagina’s. Dat is een heel positieve evolutie. We moeten er wel blijvend op toezien dat de school- en studietoelagen niet blind worden toegekend. We dienen steeds oog te hebben voor eventueel misbruik en we moeten de misbruikers eruit filteren. Daarom hebben we nood aan alle, juiste gegevens van leerlingen en hun leefsituatie.

In de begroting wordt in 385.000 euro budget voorzien voor de projecten ter uitvoering van het actieplan Samen tegen schooluitval. Een bekende vorm van spijbelen is het luxeverzuim. Leerlingen blijven dan weg van school om extra vakantie te nemen. Luxeverzuim is een belangrijke voorspeller van schoolachterstand en schooluitval. We stellen gelukkig een dalende trend vast in het luxeverzuim. Maar in het algemeen stijgt het aantal problematische afwezigheden in zowel het basis- als secundair onderwijs. We moeten alles in het werk stellen om een daling te bewerkstelligen. Het is dan ook positief dat er in extra budget wordt voorzien om schooluitval tegen te gaan want – en dat heb ik al vaak gezegd – een diploma verhoogt de kansen op de arbeidsmarkt en een diploma is het beste wapen tegen armoede.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het is een goed onderwijsdebat, en u bent inderdaad de baas.

De voorzitter

Als u mij nu eens had bedankt, dan had ik dat heel sympathiek gevonden. Maar ja, bij u kan dat er niet uit, dat begrijp ik wel.

Minister Hilde Crevits

Voorzitter, bedankt, bedankt, bedankt.

De voorzitter

Ah, kijk, zo moeten we het hebben.

Motie van orde
Mededeling van de voorzitter

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.