U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 7 juni 2017, 14.00u

Voorzitter
van de Vlaamse Regering
1146 (2016-2017) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende het onderwijs XXVII.

De algemene bespreking is geopend.

De heer De Meyer, verslaggever, heeft het woord.

Hij zal worden gevolgd – of achtervolgd, of hoe je het ook wilt noemen – door mevrouw Gennez.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, u hebt het juist begrepen. Mevrouw Gennez zal verslag uitbrengen van het debat dat we in de commissie hebben gehouden, zodat de collega’s die niet in de commissie Onderwijs zitten, weten waarover dit belangrijke ontwerp van decreet handelt en welk debat er in de commissie gevoerd werd. Ik zal kort de doelstellingen van het ontwerp van decreet schetsen.

Collega’s, een eerste doel van het ontwerp is de aanvulling en verbetering van een aantal bestaande decreten. Het bevat meer bepaald een aantal thema’s met een aantal technische correcties en verduidelijkingen van bestaande thema- en niveaudecreten.

De tweede groep maatregelen is gericht op vereenvoudiging in de meest ruime zin. Het gaat om verminderingen van administratie, verbetering van juridische teksten en ruimere autonomie voor scholen, centra en instellingen.

Ten derde is een reeks maatregelen opgenomen in opvolging van conceptnota’s waarover reeds beslist is door de Vlaamse Regering en die moeten worden vertaald in regels. Wat betreft het basisonderwijs is het de bedoeling dat alle lagere scholen gebruikmaken van toetsen in het kader van hun kwaliteitszorg. Er wordt dan ook ingeschreven dat elke school gewoon lager onderwijs op het einde van het basisonderwijs alle leerlingen laat deelnemen aan gevalideerde toetsen. In het schooljaar 2017-2018 moeten twee leergebieden getoetst worden. Vanaf het schooljaar 2018-2019 zijn het er drie. De verplichting is beperkt tot de deelname aan de toetsen. Er zijn verschillende gevalideerde toetsen en daaruit kan de school op eigen beslissing een keuze maken. De validatie gebeurde door het Steunpunt Toetsontwikkeling en Peilingen.

Een tweede thema wordt gevormd door de vreemde talen Duits en Engels. Het is de bedoeling om in het basisonderwijs het onderwijs in vreemde talen te versterken. Deze maatregel is tweeledig: het stimuleren van taalinitiatie vanaf het eerste jaar lager onderwijs, wat nu al mogelijk is zonder nieuwe regelgeving; en de mogelijkheid om, voor leerlingen die reeds een goede basis van het Nederlands verworven hebben, vanaf het derde jaar lager onderwijs, Frans, Engels of Duits aan te bieden.

Een derde maatregel voor het basisonderwijs betreft de aanwezigheid in het kleuteronderwijs voor 250 halve dagen.

Het laatste thema in het voorliggende ontwerp dat alleen over het basisonderwijs gaat, betreft het getuigschrift. Het is de bedoeling dat voortaan elke leerling een getuigschrift krijgt: hetzij een getuigschrift dat zoals voorheen aangeeft dat een leerling in voldoende mate de doelen uit het leerplan bereikt heeft, en dat dan toegang geeft tot het eerste leerjaar A; hetzij een getuigschrift dat aangeeft welke doelen wel behaald zijn, en toegang geeft tot het eerste leerjaar B.

Wat betreft het basis en het secundair onderwijs worden er eveneens een aantal maatregelen genomen. De organisatie van de cursussen levensbeschouwing vergt van de directies in het officieel onderwijs elk schooljaar een enorme inspanning inzake organisatie. Daarom wordt de periode gewijzigd waarbinnen de ouders voor de reeds ingeschreven leerlingen de keuze kunnen veranderen. Ouders die voor het schooljaar 2017-2018 een nieuwe keuze willen maken, moeten dat voor 30 juni 2017 doen.

Verder wordt voor internaten en tehuizen een regelgeving ingeschreven inzake een genadejaar.

Wat de minimumpakketten en het inschrijven van leerlingen in het secundair onderwijs betreft, is het evident dat het toekennen van een minimumpakket en het recht voor een school om leerlingen te weigeren, niet samengaan. Er komt dan ook duidelijk in de decreetgeving dat het niet meer kan om leerlingen te weigeren als gevolg van capaciteit in een leerjaar waarvoor een minimumpakket is toegekend.

Verder moet ten gevolge van de invoeging van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen door het beleidsdomein Welzijn de onderwijsregelgeving aangepast worden.

Wat in het deeltijds secundair onderwijs en duaal leren, de toegang tot brugprojecten betreft, zegt de minister dat het stelsel voor leren en werken toegankelijk is voor jongeren tussen 15 en 25 jaar. De inschaling in een brugproject wordt met het ontwerp voortaan breder voor niet meer leerplichtige jongeren. Binnen het stelsel van leren en werken wordt de mogelijkheid opgenomen om onder bepaalde voorwaarden flexibele leertrajecten in te richten. Voor het duaal leren worden ook een aantal aanpassingen doorgevoerd.

In het streven naar een nieuw landschap voor het volwassenenonderwijs is een belangrijk inhoudelijk thema de schaalvergroting voor de centra voor volwassenenonderwijs. De minister verwijst naar de beleidsnota Onderwijs 2014-2019, de conceptnota Volwassenenonderwijs, de hoorzitting daarover en het verslag van de bespreking van de conceptnota in de commissie. Daarover werd een voorafgaande en afzonderlijke consultatie gehouden met de sociale partners.

Met de nieuwe normen worden de volgende doelstellingen bereikt: de zichtbaarheid van het volwassenenonderwijs vergroten, maximaal inspelen op de noden en behoeften van de cursist, cursisten volledige trajecten aanbieden, noden van de specifieke doelgroepen beter invullen, de infrastructuur efficiënter benutten, de kansen voor professionalisering van het personeel vergroten en verbeteren, en de integratie van logistieke en administratieve taken en een sterker financieel beheer mogelijk maken.

Die doelstellingen zijn in het belang van de cursist. De maatregel beoogt het aanbod te bestendigen of te vergroten. Daarbij zijn twee begeleidende maatregelen genomen: de overheveling tussen centra van punten en een overgangsregeling voor boventallige directies.

Vervolgens gaat de minister in op het zomeraanbod NT2.

Binnen het hoger onderwijs bespreekt de minister een aantal punten, beginnend met de vijfjaarlijkse evaluatie van elders verworven competentie (EVC) en eerder verworven kwalificatie (EVK). De conclusie is dat een extra opvolging door de overheid via vijfjaarlijkse evaluatie kan worden afgeschaft. De reden is dat er al heel veel gebeurt.

Wat de accreditatietermijn voor de opleidingen Verpleegkunde betreft, start de vernieuwde opleiding in het academiejaar 2016-2017. Er wordt dan ook voorgesteld om de geldigheidsduur van de accreditatie van de opleidingen van bachelor in de verpleegkunde ambtshalve te verlengen tot het einde van het academiejaar 2021-2022. Op die manier kunnen er bij de externe kwaliteitsbeoordeling twee cohorten afgestudeerden worden meegenomen.

Een volgend punt wordt gevormd door de investeringsmiddelen hoger onderwijs. Een andere maatregel gaat over de jaarrekening. Wat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen betreft, worden een aantal maatregelen ingeschreven om zijn werking te verduidelijken. Bij de aanstelling van een bepaalde regeringscommissaris kan voor zijn bevoegdheden een combinatie worden uitgewerkt van toezicht op hogescholen en universiteiten.

Wat de bestuurstaal docenten hoger onderwijs betreft, worden enkele wijzigingen aangebracht in de bepalingen over de vereiste kennis van het Nederlands als bestuurstaal aan Vlaamse universiteiten en hogescholen.

Wat de rechtspositie van onderwijspersoneel en -inspectie betreft, licht de minister eerst de aangepaste regeling voor het verlof verminderde prestaties vanaf 55 jaar toe. Daarna behandelt ze de afschaffing van sommige verloven.

Ten slotte zijn er nog twee maatregelen voor de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s). Het schooljaar 2016-2017 is het laatste van de omkaderingsperiode voor de CLB’s. In principe start er een nieuwe periode vanaf het schooljaar 2017-2018. Er zijn evenwel plannen voor een aangepaste leerlingenbegeleiding en omkadering vanaf het schooljaar 2018-2019. Het is dan ook logisch om de lopende omkaderingsperiode met een jaar te verlengen.

Vervolgens kan een CLB enkel bij de start van een nieuwe omkaderingsperiode in fusie gaan. Een aantal CLB’s willen echter al op 1 september 2017 fuseren. Het wordt nu mogelijk gemaakt dat centra die willen fuseren, dit kunnen zonder dat daarvoor een nieuwe berekening van de omkadering hoeft te gebeuren. Het gaat enkel om een tijdelijke overgangsmaatregel met behoud van de omkadering van 2016-2017 gedurende een jaar.

Ik geef een korte toelichting bij de amendementen. Amendement nr. 1 is ingediend door meerderheid en oppositie. Het is een antwoord op de vraag van de nieuwe rector om de operationele bevoegdheden over personeel van de raad van bestuur en het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen te herschikken. De amendementen nrs. 2 en 3 voeren ondersteuningsnetwerken in in het kader van het M-decreet. Het ene doet dat bij de regeling van het basisonderwijs, het andere bij de regeling van het secundair onderwijs. De amendementen nrs. 4 tot 11 gaan over een ondersteuningsmodel voor inclusief hoger onderwijs.

Ik wil afsluiten buiten het verslag met een persoonlijke appreciatie wat betreft het formele. Het is positief dat het genummerde decreet reeds voor de derde keer op rij tijdig werd ingediend in het Vlaams Parlement, namelijk voor 1 mei. Met deze trendbreuk komt de minister tegemoet aan een eerdere resolutie van het Vlaams Parlement over een ordentelijke start van het schooljaar. Een tweede trendbreuk is dat de amendementen opnieuw tot een minimum beperkt zijn. In het verleden was de bundel amendementen soms even uitgebreid als het voorliggende ontwerp van decreet.

Minister, wij rekenen er duidelijk op dat de uitvoeringsbesluiten en omzendbrieven tijdig bij de scholen zullen zijn, gezien het grote belang van een aantal materies die hier geregeld worden. Aan de collega’s die geluisterd hebben, veel dank. Ik kijk straks uit naar de uiteenzetting van de heer Tobback die veel commentaar heeft. Dank u, collega’s. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Gennez, tweede verslaggever, heeft het woord over het debat zelf.

Tweede verslaggever, voorzitter, waarvoor dank. Ook dank aan collega De Meyer voor de heldere toelichting bij het ontwerp van decreet. We hebben onder de verslaggevers afgesproken dat het mijn taak is om een toelichting te geven over de algemene bespreking over het voorliggend ontwerp van decreet.

Ikzelf had de eer om de bespreking in de commissie te mogen openen, minister. Ik bracht daarbij in herinnering dat de genummerde onderwijsdecreten initieel bedoeld waren voor het invoeren van maatregelen om een ordentelijke start van het schooljaar mogelijk te maken. Dit ontwerp van decreet gaat echter breder en betreft een aantal fundamentele maatregelen, dit bijvoorbeeld in uitvoering van de conceptnota’s Secundair en Volwassenenonderwijs, maar zeker a fortiori over de invoering van het nieuw zorgondersteuningsmodel via amendement, en dat is toch wel problematisch. In de toekomst zouden we dat beter vermijden, collega’s, ook al omdat het advies van de Raad van State vrij kritisch is in die zin.

We formuleerden vanuit sp.a een aantal opmerkingen, bijvoorbeeld dat we er zoals alle fracties van overtuigd zijn dat kleuterparticipatie heel belangrijk is, maar we twijfelden er wel aan of de maatregel om een kleuter gedurende 250 halve dagen verplicht aanwezig te laten zijn in de derde kleuterklas om te mogen overgaan naar het eerste leerjaar, effectief zal zijn.

Tweede opmerking is dat, gelet op het belang dat we allemaal hechten aan het kleuteronderwijs, het toch wel vreemd is dat er in de begrotingscontrole 2017 niet in extra middelen is voorzien, ook al was daar al een engagement voor aangegaan vanuit de Vlaamse Regering.

Een derde element betreft het aanbod vreemde talen en taleninitiatie in het basisonderwijs. Dat wordt bijgesteld, wat een goede zaak zou kunnen zijn, maar het gaat gepaard met te veel extra regelgeving en dus planlast voor leerkrachten, die wij niet wenselijk vinden.

Verder erkent sp.a dat een schaalvergroting binnen het volwassenenonderwijs tot kwaliteitswinst kan leiden. Maar met dit ontwerp van decreet wordt de hervorming van het volwassenenonderwijs gefractioneerd aangepakt: eerst de programmatieprocedure, dan de schaalvergroting en dan pas het financieringssysteem. Het ware dus beter geweest, minister, om dat in een apart decreet te regelen.

Tot slot was er de opmerking vanuit sp.a rond het nieuwe attest basisonderwijs. Daar bepleiten we de visie van de Vlor. Eén geïntegreerd getuigschrift met vermelding van verworven competenties was veel beter geweest dan het opsplitsen in een A- en B-getuigschrift.

Mevrouw Ingeborg De Meulemeester vindt dat de persoonsvolgende financiering een goede zaak is. In verband met de accreditatietermijn opleidingen verpleegkunde stelt zij een tussentijdse doorlichting van de bacheloropleiding voor om problemen sneller bij te sturen, veeleer dan te wachten tot het einde van het schooljaar 2021-2022. Inzake de interne beroepsprocedures tegen een B- of C-attest vraagt zij dat een einde wordt gesteld aan het eindeloos beroep aantekenen bij de Raad van State.

De heer Jos De Meyer, mijn collega-verslaggever, vindt het een behoorlijk ontwerp van decreet, zoals hij net heeft aangegeven, waarmee drie doelstellingen worden gerealiseerd: een aanvulling en verbetering van een aantal bestaande bepalingen, een vereenvoudiging en de decretale verankering van een aantal maatregelen die voortvloeien uit de beleidsnota Onderwijs. Hij formuleert ook nog een aantal vragen.

Collega Brusseel is dan weer heel tevreden met de invulling over meertaligheid. Zij vraagt daarnaast dat taalinitiatie niet alleen wordt gestimuleerd, maar wel degelijk de norm wordt in het hele Vlaamse onderwijs.

Collega Meuleman betreurt dat een aantal fundamentele hervormingen werden opgenomen in het ontwerp, met name de hervorming van het volwassenenonderwijs, dat een eigen decreet verdiende. Nu wordt deze hervorming verengd tot een discussie over schaalvergroting en rationalisatienormen. Een laagdrempelig volwassenenonderwijs, onderstreept ze, is belangrijk in het kader van levenslang leren.

Voor het basisonderwijs, stipt collega Meuleman aan, was een plan met een duidelijke visie beloofd. Het voorliggende ontwerp van decreet neemt echter nu al belangrijke beslissingen, zonder visie. Jongeren moeten alle kansen krijgen op een brede ontwikkeling. Zij betreurt dan ook de voorbarige beslissing rond het getuigschrift basisonderwijs. Groen kan akkoord gaan met het streven om de kleuterparticipatie te verhogen, vooral voor moeilijke doelgroepen, maar gelooft niet in het optrekken van de verplichte aanwezigheid.

Mevrouw Krekels stelt namens de N-VA dat de vermindering van de planlast een doelstelling is van het ontwerp van decreet. Maar daarnaast stipt ze aan dat planlast van directies en schoolbesturen ook zou moeten worden aangepakt. De N-VA staat achter de verruiming van het taalaanbod, maar het Nederlands als onderwijstaal moet voldoende gekend zijn vooraleer een derde taal kan worden aangeleerd.

Mevrouw Tine Soens, namens sp.a, brengt het advies van de Vlor in herinnering om bepalingen over de bijkomende opleidingsgebonden studiekosten in het ontwerp op te nemen.

De heer Jo De Ro stelt namens Open Vld dat dit ontwerp van decreet uitvoering geeft aan eerder bereikte akkoorden over het basisonderwijs, de kleuterparticipatie en meertaligheid in het basisonderwijs. Als de kleuterparticipatie verhoogt, moet ook de historische achterstand inzake de financiering van het kleuteronderwijs worden weggewerkt, benadrukt collega De Ro. Taalinitiatie moet ook het voorwerp uitmaken bij de bespreking van de hervorming van de lerarenopleiding. Open Vld is tevreden met de schaalvergroting binnen het volwassenenonderwijs en hoopt dat dat tot een efficiëntere inzet van de middelen zal leiden. De verlenging van de GOK-middelen vindt de heer De Ro dan weer uitermate belangrijk. Hij hoopt dat dat in een volgend decreet zal worden geregeld.

Mevrouw Vera Celis denkt, in tegenstelling tot sommigen, dat de verhoging van de verplichte aanwezigheid van kleuters in de derde kleuterklas geen probleem zal zijn. Zij vraagt wel dat de minister inzet op kleuters uit de meest kwetsbare gezinnen. Ze gaat akkoord met de schaalvergroting in het volwassenenonderwijs, maar wil weten welke effecten de schaalvergroting zal hebben op het aanbod en het onderwijslandschap.

De heer Koen Daniëls, ook al namens de N-VA, betreurt dat het volwassenenonderwijs is opgenomen in dit ontwerp van decreet. De organisatie van dit onderwijs is dermate belangrijk dat een afzonderlijk decreet een betere oplossing was geweest. Het ontwerp realiseert een aantal belangrijke elementen van het masterplan hervorming secundair onderwijs en van verschillende conceptnota’s rond kleuteronderwijs en het getuigschrift basisonderwijs. Hij heeft wel vragen bij de timing van een genadejaar voor internaten.

Mevrouw Helsen is dan weer tevreden met het getuigschrift basisonderwijs, ook voor leerlingen die niet alle eindtermen hebben bereikt, moet dit een betere oriëntatie mogelijk maken. Het begrip ‘individueel aangepast curriculum’ wordt nu eindelijk duidelijk gedefinieerd. Zij stelt dat de nieuwe regelgeving fusieoperaties van de CLB’s niet mag afremmen.

Minister Crevits beantwoordt de vragen en opmerkingen, onder andere betreffende kleuterparticipatie, waarbij de ouderbetrokkenheid cruciaal is. De gelijkstelling van de werkingsbudgetten kleuter- en lager onderwijs staat in de ontwerptekst van het toekomstplan voor het basisonderwijs. Inzake taalonderwijs is de voorrang Frans bij taalinitiatie geschrapt. Zo krijgen scholen de vrijheid van keuze tussen Frans, Duits of Engels.

Het verwerven van een getuigschrift basisonderwijs geeft invulling aan de eigen finaliteit van het basisonderwijs. Inzake levensbeschouwelijk onderwijs werden alle omzendbrieven gescreend en de overtollige bepalingen geschrapt.

Een nieuwe omzendbrief maakt de keuze voor een van de erkende godsdiensten of voor een vrijstelling mogelijk. De schoolinterne beroepsprocedure moet uiterlijk op 15 september bekend zijn. Na uitputting van die mogelijkheid is de stap naar een rechtscollege mogelijk.

De minister geeft ook een stand van zaken van de hervorming van de internaten. Het onderzoek naar de facturatie van extra studiekosten in het hoger onderwijs heeft geen algemeen probleem vastgesteld, aldus minister Crevits. Voor de hervorming van het volwassenenonderwijs zou een apart decreet passender zijn geweest, geeft zij toe. Maar een verzameldecreet heeft drie doelstellingen: technische verbeteringen en vereenvoudigingen, dringende aanpassingen voor de start van het schooljaar, en uitvoering van elementen uit conceptnota’s. De decretale maatregelen geven uitvoering aan de conceptnota Volwassenenonderwijs en zijn bedoeld om vanaf 2019 slagkrachtige centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s) te hebben. De volgende stap in deze hervorming is de nieuwe financiering vanaf 1 september 2019. Daarvoor hebben de centra een voldoende grote schaal en beleidskracht nodig.

Er worden elf amendementen ingediend, waarvan nummer 1 is ingediend door meerderheid en oppositie samen. Het betreft een antwoord op een vraag van de nieuwe rector van de Universiteit Antwerpen (UA) voor herschikking van de operationele bevoegdheden over personeel van de raad van bestuur en het bestuurscollege van de UA. De tien overige amendementen werden ingediend door leden van de meerderheid. Het ontwerp van decreet werd aangenomen met twaalf stemmen voor en één stem tegen bij twee onthoudingen. Dit is een verbetering ten opzichte van het schriftelijk verslag, daar staat: twaalf voor, twee tegen en één onthouding. (Applaus bij sp.a, CD&V, Open Vld en Groen)

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, minister, beste collega’s, het feit dat ik naar voren kom voor dit verzameldecreet, geeft natuurlijk aan dat er belangrijke zaken in staan, zowel in het decreet zelf als in de amendementen. Mevrouw Gennez heeft al verslag gegeven van de debatten, en de heer De Meyer van de inhoud. Maar ik wil toch even vanuit mijn fractie enkele klemtonen leggen. Ze geven uitvoering aan belangrijke onderdelen van het decreet. Ik overloop ze en stip ze kort aan.

De gevalideerde proeven op het einde van het lager onderwijs zijn cruciaal om zicht te krijgen op de onderwijskwaliteit in ons lager onderwijs. We hebben er heel lang over gedaan om daar eindelijk zicht op te krijgen, in combinatie met het getuigschrift basisonderwijs. Je zou denken dat het getuigschrift basisonderwijs getuigt van het bereiken van een aantal doelen, maar dat is op dit moment niet zo. De N-VA is heel blij dat dit getuigschrift nu wordt gekoppeld aan een aantal doelen en dat de leerlingen uit de B-stroom, dat zijn de leerlingen die geen getuigschrift basisonderwijs verwerven, wel een attest meekrijgen waarop staat wat zij wél kunnen. Zij hebben meestal acht jaar in het lager onderwijs gezeten.

Mevrouw Gennez had het over het vreemdetalenonderwijs in het lager onderwijs. Wij zeggen zeer duidelijk dat het zeer goed is om jongeren te stimuleren om moderne vreemde talen – Frans, Engels en Duits – te verwerven, maar wel voor die jongeren die de onderwijstaal, het Nederlands, al zeer machtig zijn.

Het is dus niet de bedoeling om initiatie vreemde talen te geven als thuistaal, om in de Vlaamse Rand Frans te geven aan kinderen die al Frans kennen. Dit ondervangen we nu met dit ontwerp van decreet.

Ik weet niet hoe het komt dat sommige mensen nog vragen stellen over de aanwezigheid in de kleuterklas. Collega Duyck – ik moet professor zeggen, en ik ben blij dat een aantal mensen nu glimlachen, want die zijn aan het luisteren –, professor Duyck heeft aangetoond dat 47 procent van de 15-jarigen die de basisnormen wiskunde niet bereiken, niet naar het kleuteronderwijs zijn gegaan. Wel, door die 250 halve dagen kleuteronderwijs in te schrijven, maakt dat we mensen triggeren, in combinatie – want dat is daarnet natuurlijk niet gezegd – met de kinderbijslag waarbij we aan de 3- en 4-jarigen die voldoende dagen naar het kleuteronderwijs zijn geweest, 150 euro premie geven.

Collega Krekels heeft het al in de commissie gezegd, maar ik herhaal het hier nog eens: planlastvermindering, dat is iets waar leerkrachten en directies om smeken. Als we de planlast verminderen, moeten we ervoor zorgen dat leerkrachten en directies dit voelen en dat er niet enkel een planlastvermindering is op het vlak van administratie die een schooladministratie moet doorsturen. Onze fractie denkt dat er nog wel wat werk is en dat we moeten nagaan welke werkelijke bronnen van planlast er zijn.

Collega De Meyer heeft het zeer juist gezegd, en we sluiten ons daarbij aan: minimumpakketten zijn pakketten in het kader van de vrijheid van onderwijs die worden gegeven om bepaalde richtingen in te richten. Het is dan eigenlijk zeer raar dat die scholen kunnen zeggen dat ze toch het aantal leerlingen in die richtingen gaan beperken. Het wordt nu decretaal geregeld dat dit niet langer kan.

Collega van der Vloet zal blij zijn over de persoonsvolgende financiering, want de link tussen onderwijs en welzijn wordt gelegd, wat voor de N-VA belangrijk is. Op dit moment vangt het onderwijs een aantal leerlingen op die niet binnen kunnen in welzijnsvoorzieningen. Wat zeggen we nu? Als die leerlingen toch een persoonsvolgende financiering krijgen, dan kunnen ze in het onderwijs niet langer verlengd worden, want anders stropt het daar ook. Collega’s, wij steunen het zeer graag dat dit is opgenomen.

Daarnet zijn we snel over duaal leren gegaan. Het is eigenlijk een voorstel van onze fractie dat ikzelf heb mogen verwoorden in de commissie. Het gaat erover dat een klassenraad moest oordelen van het laatst gevolgde structuuronderdeel of een leerling arbeidsrijp was, vooraleer deel te nemen aan duaal leren. Dat was eigenlijk een aberratie, want er waren een aantal leerlingen die niet rechtstreeks van een klassenraad kwamen, maar intussen hadden gewerkt of andere dingen hadden gedaan. Dan bestaat de relevantie van de laatste klassenraad niet, want dat is al een aantal jaren geleden. We expliciteren dit nu in dit ontwerp van decreet zodat de laatste klassenraad niet moet optreden maar dat de trajectbegeleider zelf kan oordelen of de leerling arbeidsmarktrijp is of niet.

Collega’s, ik ben verwonderd dat u geen opmerking hebt gemaakt dat het volwassenenonderwijs thuishoort in een apart decreet. Normaal gezien zou uw kritisch oog het opgemerkt hebben, want het is iets fundamenteel over een bepaald structuuronderdeel dat men verwacht zou hebben in een apart decreet. Ik stel vast dat u enige mildheid aan de dag hebt gelegd voor dit ontwerp van decreet en het hebt laten staan. In dit ontwerp van decreet – en velen onder u zullen er al over aangesproken zijn – staat een belangrijke stap in verband met het volwassenenonderwijs: een rationalisatie om de middelen die er zijn, bewuster in te zetten voor zichtbaarheid, aanbod, cursisten enzovoort. Ik denk wel dat we op een aantal vlakken moeten gaan monitoren. Collega Celis heeft erop gewezen wat dit op het terrein gaat doen en dat we belangrijke onderdelen niet kwijt geraken.

Wat het hoger onderwijs betreft, heeft collega De Meyer aangehaald dat een extra opvolging van de evaluatie van EVC, elders verworven competenties, en EVK, elders verworven kwalificaties, op dit moment niet meer nodig is. Collega’s, ik wil het hier op het spreekgestoelte wel zeggen: ik denk wel dat we erover moeten waken dat we die elders verworven competenties meer in het daglicht zetten. We hebben heel wat mensen die competenties verwerven onder andere op de arbeidsmarkt en die moeten we valoriseren. Minister Muyters heeft daar al vaak op gewezen, en ik denk dat we dat nog kunnen versterken.

Er is iets heel opmerkelijks met langer werken. In het hoger onderwijs is het zo dat je op 65 jaar de facto op rust wordt gesteld, ook als je zelf verder wilt werken, ook als je de dynamiek hebt om verder te willen werken.

Wel, in OD XXVII doen we nu een aanpassing: er wordt ingevoerd dat mensen die 65 jaar worden in het academiejaar waarin ze aan het werken zijn, zonder akkoord van de instelling toch dat academiejaar mogen uitdoen. We denken dat dat een eerste, logische aanpassing is.

Dan is er de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. In mensentaal: dat gaat over studenten hoger onderwijs die het niet eens zijn met de beslissing van hun hogeschool. Ter zake is beslist dat men niet eindeloos kan blijven procederen bij die raad indien er geen nieuwe middelen worden aangevoerd. Dat zou immers natuurlijk een eindeloze procedureslag in stand kunnen houden.

Collega’s, het zal u misschien verbazen dat de N-VA ermee akkoord is gegaan om de regel inzake de bestuurstaal voor docenten hoger onderwijs, die op het niveau B2 is vastgelegd, te verlengen tot vijf jaar. We hebben dat bewust gedaan, omdat buitenlandse professoren die we aantrekken, eigenlijk in een ‘tenure track’ zitten, dat vijf jaar duurt. Het zou dan zeer raar zijn dat dat niet zou sporen. Je kunt die mensen immers ook niet ontslaan, want dat is een termijn van bepaalde duur. We hebben echter wel ingeschreven dat ze na twee jaar minstens het niveau A2 moeten bereiken, en dat de instelling een integratietraject moet uitwerken.

Wat de studiefinanciering betreft, zijn we blij dat erkende vluchtelingen ook in aanmerking blijven komen voor extra studiefinanciering, zoals voorheen.

Collega’s, tot daar eigenlijk de hoofdbrok van OD XXVII. De N-VA-fractie is toch blij dat er heel veel in zit dat we belangrijk vinden, met hier en daar ook nog een aantal evaluatiepunten. Het zal u echter niet verbazen dat de amendementen hierbij, die we met zowel de meerderheid als de oppositie hebben ingediend, van ons toch nog enige toelichting vragen, vooral als het gaat over het ondersteuningsnetwerk. Collega Krekels zal daar dadelijk ook verder op ingaan. Ik licht een aantal zaken toe die belangrijk zijn voor de N-VA.

Ten eerste, de ondersteuning moet gebeuren in de klas, voor de leerling en voor de leerkracht, daar waar de leerling met een extra ondersteuningsnood zit. Dat is echt cruciaal voor onze fractie. Het kan niet langer zijn dat middelen van de belastingbetaler, waarover we hier in het parlement zwaar wikken en wegen waar we ze gaan inzetten, zouden verdwijnen naar allerlei coördinatiestructuren, waar heel veel wordt vergaderd, maar de leerkracht op de werkvloer het effect daarvan niet ziet. Het is die leerkracht die ondersteuning wil in de klas waar die leerling zit, en ondersteuning voor die leerling, dus niet enkel nascholing, waarbij een pedagoog een powerpointpresentatie komt doorklikken over wat autismespectrumstoornis is. Dat vraagt die leerkracht niet. Die wil zien hoe hij dat moet doen in zijn specifieke klassituatie.

Voorzitter, collega’s, ik hoop dat u me toestaat om toch nog eens even voor te lezen wat in de memorie bij het ontwerp van decreet staat, niet alleen voor het verslag, maar ook voor de mensen die aan het kijken zijn, en ook voor een aantal koepels die menen dat er dingen niet in staan die er wel staan. Ik citeer: “Dit ontwerp van decreet heeft tot doel kinderen met een ondersteuningsnood maximaal en effectief ondersteuning te bieden in de klas en de betrokken leerkracht te ondersteunen en competent te maken met en voor deze ondersteuningsnood.” Dat staat erin. Wie dus durft te beweren dat die middelen naar een coördinatieorgaan moeten gaan, die moeten we een cursus lezen geven. Niet alleen begrijpend lezen, gewoon een cursus lezen. Dat staat er immers in.

Er staat ook duidelijk in het ontwerp: “De hoofdopdracht bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van het kind dat (...) ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. (...) Middelen binnen een ondersteuningsnetwerk die niet rechtstreeks worden aangewend voor leerling- of leerkrachtgerichte ondersteuning moeten worden verantwoord en goedgekeurd door alle lokale onderhandelingscomités van de betrokken scholen.” Met andere woorden, en voor de leerkrachten die thuis aan het luisteren zijn, als er één lokaal onderhandelingscomité niet akkoord gaat om middelen af te wenden naar het centraal niveau, gaat het niet door. Collega’s, ik denk dat we die boodschap zeer duidelijk moeten uitdragen, want helaas bereiken ons de dag van vandaag andere boodschappen.

Een tweede punt dat voor de N-VA zeer belangrijk is, is dat het rugzakprincipe behouden blijft voor leerlingen van het type 2, 4, 6 en 7/auditief. Dat zijn leerlingen met een diep verstandelijke beperking; met een zwaar motorisch probleem, bijvoorbeeld met dyspraxie; met een visuele beperking en leerlingen die doof zijn. Zij blijven rugzakfinanciering krijgen. De scholen buitengewoon onderwijs bieden de ondersteuning aan en zullen dat blijven doen. U, als bestuurders van een aantal onderwijsniveaus, stellen vast dat een aantal koepels andere informatie geven. Wel, u moet dan heel eenvoudig verwijzen naar paragraaf 2 van het amendement dat in de tekst is geïntegreerd. Het staat er letterlijk in: “de begeleidingseenheden worden door de Vlaamse Regering toegewezen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs”.

Een derde punt betreft een schrik die leeft inzake het basisaanbod voor kinderen van type 3 – karaktergestoorden –, van type 9 – autismespectrumstoornissen – en van type 7 – spraak- en taalstoornissen of basisaanbod. Wat moet daarmee gebeuren? Zij krijgen de ondersteuning dankzij reguliere middelen van het ondersteuningsnetwerk. Dat verdwijnt niet. Ze blijven recht hebben op ondersteuning. Dat is voor de ouders erg belangrijk. Want die ouders denken dat de andere kinderen een rugzakje krijgen, terwijl de hunne dat kwijt zijn. Dat klopt niet. We blijven voor hen zorgen. En we moeten er alle 124 over waken en ervoor zorgen dat belastinggeld wordt ingezet voor datgene waarvoor het hoort te worden ingezet.

Collega’s, we hebben de scholen gevraagd ons te laten weten met wie ze samenwerken. Mevrouw Krekels zal daar nog op ingaan. AgODi heeft een omzendbrief verstuurd naar elke individuele school. Elke school laat weten wat men wil. De vrijheid staat dus in het decreet. Maar in het veld leeft de idee dat die vrijheid er niet is. Dat is opmerkelijk. Maar ik begrijp dat. Ik heb een mail gelezen die van 1 juni 2017 dateert. Hij is van een niet nader genoemde koepel uit het vrij gesubsidieerd onderwijs. Daarin staat: “De komende dagen zullen we als koepel voorstellen lanceren over welke concrete scholen gewoon en buitengewoon onderwijs precies deel uitmaken van welk ondersteuningsnetwerk. Op dat moment zal elke school met kennis van alle betrokken partners kunnen aangeven of ze al dan niet deel willen uitmaken van het specifieke ondersteuningsnetwerk.” Dat staat niet in ons amendement. In ons amendement staat dat elke school vrij kiest. Minister, als dit straks wordt goedgekeurd, zullen we u vragen om strikt toe te zien op de naleving van het decreet dat hier vandaag ter stemming wordt voorgelegd.

Ik sluit af met twee zaken. Een: er komt een belangrijke evaluatie, tegen 1 september 2019. Ik stip kort aan wat dat betekent. U vindt dat ook in het decreet terug. We zullen kijken naar het gehanteerde verdelingsmechanisme. We zullen kijken naar de impact op het personeel – iets waar veel mensen in het buitengewoon onderwijs wakker van liggen. We zullen nagaan of de ondersteuning van de leerling en de leerkracht in de klas daadwerkelijk gebeurt. En we zullen nagaan of de middelen doelmatig worden aangewend. Voorzitter, ik denk dat u blij zult zijn dat deze elementen in de evaluatie zijn opgenomen en dat we die effectief kunnen realiseren.

Mijn tweede punt is het amendement over het hoger onderwijs. We willen ervoor zorgen dat wanneer in vervangende activiteiten wordt voorzien, men dezelfde leerresultaten beoogt. Op het terrein was daar wat onrust over. Ik denk dat ik mag spreken namens de meerderheid die dit heeft ingediend. Het is de doelstelling van ons allen dat vervangende activiteiten in het hoger onderwijs dezelfde leerresultaten centraal stellen. Het is niet zo dat er vier studiepunten in de plaats komen en dat het niet uitmaakt. Dat klopt uiteraard niet. Zoals de mensen van SIO hebben verklaard, moet dit uiteraard een vervangende waarde in een opleiding hebben om het diploma niet te devalueren.

Tot daar namens mijn fractie een aantal belangrijke klemtonen en zaken die we samen in de gaten zullen houden. Nu zal mevrouw Krekels op basis van haar expertise en ervaringen nog een aantal extra zaken onder de aandacht brengen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, ik zal het enkel over de amendement hebben. De toelichting van de heer Daniëls namens onze fractie was voldoende duidelijk om alles te situeren en te kaderen. Ik zal me dus beperken tot de ondersteuningsnetwerken die we zouden willen oprichten voor het basisonderwijs, het secundair onderwijs en het hoger onderwijs.

Daags na het akkoord over het amendement over deze gegevens was ik eigenlijk best tevreden. Ik had een goed gevoel met betrekking tot dit amendement. Ik dacht dat we goede beslissingen hadden genomen en dat alle vormen van samenwerking mogelijk zouden zijn. De scholen zouden vanuit wat nu al bestaat en wat ze nu al kennen verder kunnen werken om in heel Vlaanderen ondersteuning te bieden aan al onze basisscholen en secundaire scholen.

Dat goed gevoel is redelijk snel gekeerd toen ik de communicatie van de verschillende onderwijsverstrekkers onder ogen kreeg. Dit verliep immers niet in de geest van wat wij hebben bedoeld met het amendement dat wij hebben geschreven.

Passages worden zeer letterlijk uit het amendement gehaald. Ze worden buiten hun algemene context geplaatst. Alle scholen en onderwijsverstrekkers trekken aan hun eigen scholen. In tegenstelling tot de waarborgen, gaan de middelen niet langer rechtstreeks naar de koepels. Ze behoren toe aan de scholen in het buitengewoon onderwijs die ook zullen instaan voor het aanbieden van ondersteuning aan de basisscholen en secundaire scholen. De middelen zullen worden berekend op basis van het aantal leerlingen in die scholen in het gewoon onderwijs. Het gaat om de gehele leerlingenaantallen, maar ook om het gemiddeld aantal leerlingen uit het geïntegreerd onderwijs (gon) en het aantal gon-uren dat ze gedurende de voorbije zes jaar hebben gekregen.

De middelen zullen terechtkomen waar ze nodig zijn, namelijk in het buitengewoon onderwijs. Dit maakt de koepels blijkbaar wat ongerust. Ten gevolge van de in het werkveld reeds bestaande netoverschrijdende onderlinge samenwerkingen zullen de middelen waarschijnlijk wat worden verspreid.

Wat hierop is gevolgd in de communicatie die ik heb gelezen, voelde eigenlijk een beetje aan als een schoolstrijd. Dit keer is de inzet niet de ziel van het kind, maar de waarde van het kind. De koepels houden geen rekening met de lopende samenwerkingsverbanden. Ze vertellen hun scholen koudweg dat scholen van het officieel onderwijs zich bij ondersteuningsnetwerken van het officiële net moeten aansluiten en dat scholen van het vrij onderwijs zich bij ondersteuningsnetwerken van het vrije net moeten aansluiten. Dat is echter niet wat het amendement inhoudt.

Het amendement is zeer duidelijk. Ik citeer: “Voor de vorming van ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerkingen met scholen uit andere netten. Deze samenwerking kan minimaal de volgende vormen aannemen. Scholen kunnen, indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net.” We willen trouwens ook de internettensamenwerking versterken. Er staat dan ook dat binnen regio’s “een ondersteuningsnetwerk actief dient te zijn waarbij scholen van het officieel onderwijs zich dienen aan te sluiten”. Maar er staat niet dat dit een zuiver ondersteuningsnetwerk van het officieel net moet zijn. Net zoals dit nu ook op de werkvloer gebeurt, kan iedereen, met andere woorden, met iedereen samenwerken. Ze kunnen samen de regio bedienen waarin ze zijn geplaatst. Alle scholen in die regio zouden van het netwerk gebruik moeten kunnen maken. Het zou niet mogen uitmaken of het gaat om scholen van het officieel net of van het vrij onderwijs.

De geest van dit amendement stelt dat de huidige samenwerkingsverbanden geconserveerd dienen te worden, uiteraard indien dit gewenst is door de scholen. Scholen van het gemeentelijk onderwijs moeten blijvend kunnen samenwerken met scholen van het buitengewoon onderwijs uit het vrij onderwijs, of scholen van het provinciaal of gemeenschapsonderwijs, en vice versa. Alle mogelijkheden onderling moeten mogelijk zijn, en zijn dat ook in dit amendement.

Beweren dat dit niet kan, is gewoon foutief. Het is gewoon een fout als men beweert dat dit niet langer kan. Toch word ook ik als schepen van Onderwijs in mijn gemeente daarmee geconfronteerd. Mijn school geeft aan dat ze niet langer mag samenwerken met een school uit het vrije onderwijs, waar ze nu GON-ondersteuning (geïntegreerd onderwijs) geniet. Ze wil met die school blijven samenwerken, omdat ze er een goed contact mee heeft. Er is een goed vertrouwen, er wordt goed onderling samengewerkt, maar ze krijgt van de Onderwijskoepel van Steden en Gemeenten (OVSG) mee dat ze dat wel kan doen, maar dat ze tegen 1 januari 2018 aangesloten moet zijn bij een officieel net. Als ze dan later bij dat net aansluit, zal alles geregeld zijn, en dat geeft dus meer nadelen dan voordelen. Dat klopt niet. Deze school moet zich kunnen aansluiten bij de school en het netwerk die ze verkiest.

En ik doe dan ook een oproep aan de scholen. Ik zeg dat ook aan de scholen uit onze scholengemeenschap. Ze moeten kiezen vanuit hun ervaring en ze moeten kijken naar de noden van hun kinderen en leerlingen. Op basis daarvan moeten ze kiezen welk ondersteuningsnetwerk kan geven wat nodig is, wat de leerkrachten nodig hebben, wat de kinderen nodig hebben.

Wie beweert dat dit niet kan, is gewoon van slechte wil, die leest dit amendement verkeerd, die is moedwillig en gaat voorbij aan het functioneel inzetten van middelen en mensen.

Onze focus in de onderhandelingen was en is nog steeds de kleuter, de leerling, de student en zijn leerkracht, die nood heeft aan ondersteuning, rechtstreeks in de klas, ook voor de competentiebegeleiders. We vragen hun om rechtstreeks in die klas te komen, om naast de leerkracht te staan om te zien hoe dat nu functioneert in die bepaalde klas. Waar die ondersteuning dan vandaan komt, dat is van secundair belang – als die ondersteuning er maar is, en als die maar goed is. Dat zou geen zorg mogen zijn van ouders, van leerkrachten en van leerlingen vandaag. Ze zouden nu al gerust moeten zijn dat ze volgend jaar de ondersteuning zullen krijgen die ze nodig hebben en vragen, omdat die gewoon wordt voortgezet op basis van de middelen die verdeeld zullen worden, en waarbij ieder kind ook geteld wordt: het kind met een verslag, het kind zonder een verslag. Ieder kind wordt bij de berekening van de middelen geteld.

Ik richt me dus tot de verschillende koepels als ik zeg dat ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen, dat ze de werking die ze hebben moeten volgen en dat ze de bestaande samenwerkingen moeten uitbouwen, netoverschrijdend zoals dit nu reeds het geval is.

Ik doe ook nog een bijkomende oproep. We wensen uiteraard dat dit ondersteuningsnetwerk maximaal zou inzetten op de ondersteuning van leerkrachten en leerlingen. Voor leerlingen vanwege hun specifieke onderwijsbehoeften, voor leerkrachten om te leren omgaan met diversiteit en de nodige aandacht te geven aan ieder kind van de klas: het bijzondere kind, het gewone kind, het hoogbegaafde kind, ieder kind van de klas. Indien dit niet lukt, als ouders of leerkrachten merken dat het niet lukt, dat de ondersteuning die we trachten te bieden niet voldoende is, dat hun kinderen ongelukkig worden omdat ze steeds worden geconfronteerd met hun beperking en met hun grenzen, dan mogen we niet vergeten dat ons buitengewoon onderwijs ook een uitstekende lesfunctie invult, en dat kinderen pas daar echt tot ontplooiing kunnen komen, gelukkig zijn en erin slagen gekwalificeerd uit te komen met een positief zelfbeeld. We handhaven dan ook de stelling: gewoon onderwijs als het kan, absoluut, inclusief onderwijs als het kan, absoluut, maar ook buitengewoon onderwijs als het nodig is.

Tot slot ga ik nog even in op het amendement in verband met het ondersteuningsmodel in het hoger onderwijs. De heer Daniëls heeft al een belangrijk item aangehaald. Ook hier is het belangrijk dat we de middelen rechtstreeks aan het hoger onderwijs geven, waardoor ze die zelf kunnen inzetten in de bestaande werking en ze die verder kunnen uitbreiden, en dat ze ook middelen kunnen inkopen vanuit het buitengewoon onderwijs, zodat we de kinderen die overgaan van het secundair naar het hoger onderwijs een warme overdracht kunnen garanderen inzake zorg en ondersteuning. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Het is niet gebruikelijk om bij een verzameldecreet een lange tussenkomst te houden, maar door de inhoud van het decreet zal het deze keer anders zijn. Ik wil zelf heel kort ingaan op de verschillende artikelen die zijn opgenomen in het ontwerp van decreet. Daarna wil ik stilstaan bij de amendementen die we hebben ingediend, omdat die toch wel een serieuze impact hebben op het onderwijsveld.

Collega De Meyer, verslaggever, heeft al aangehaald dat een verzameldecreet altijd de bedoeling heeft de huidige regelgeving te verbeteren, daar waar we vaststellen dat er problemen zijn op het terrein om de regelgeving toe te passen, omdat die onvoldoende kan inspelen op nieuwe elementen binnen onderwijs. In die zin kunnen we de beslissingen die we gaan nemen door dit ontwerp van decreet goed te keuren, ten volle ondersteunen.

Naast het verbeteren van de huidige regelgeving is in dit ontwerp van decreet uitvoering gegeven aan de conceptnota's die zijn opgemaakt in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs en de conceptnota Volwassenenonderwijs. Het is inderdaad niet gebruikelijk om dit allemaal op te nemen in een verzameldecreet. Meestal gebeurt dat in een apart decreet. Die logica is van toepassing binnen onderwijs. Belangrijk is natuurlijk dat de regelgeving, al of niet in een verzameldecreet, goede regelgeving is.

We kunnen deze regelgeving ondersteunen omdat wat het basis- en secundair onderwijs betreft, de dingen die we goedkeuren een versterking zullen inhouden voor de interne kwaliteitszorg van scholen, en dat is belangrijk. Het zal ook meer dan vandaag de talentontwikkeling mogelijk maken en het zal de oriëntering van leerlingen binnen het onderwijs versterken. Dat zijn de redenen waarom we de maatregelen, opgenomen in het ontwerp van decreet en uitvoerig toegelicht door de verslaggevers, ondersteunen.

Met betrekking tot de rationalisatie van de centra voor het volwassenenonderwijs zijn we ervan overtuigd dat het de zichtbaarheid zal vergroten en dat het zal kunnen inspelen op de noden en behoeften van cursisten. Ook noden en behoeften van specifieke doelgroepen zullen een betere invulling kunnen krijgen. De professionalisering van het personeel zal beter mogelijk zijn. Het efficiënter bestuur en beheer wordt met deze regelgeving mogelijk gemaakt. Dat zijn de redenen waarom wij de verschillende artikelen met betrekking tot het volwassenenonderwijs zullen goedkeuren.

Met de meerderheid hebben we verschillende amendementen ingediend. Een belangrijk onderdeel is het ondersteuningsnetwerk. De meerderheid is hierbij kunnen vertrekken van belangrijk en degelijk werk dat de verschillende sociale partners hebben geleverd. Ze zijn al sinds 2015 in overleg om te bekijken op welke manier we de ondersteuning van het gewoon onderwijs in de toekomst het best vormgeven. Vanuit dat akkoord zijn we vertrokken en hebben we een aantal elementen verfijnd en hebben we dit amendement dan ook ingediend.

De ondersteuningsnetwerken houden toch wel een aantal belangrijke elementen in. Wij vinden het een mooie stap vooruit dat het medischdeficitdenken verlaten wordt, geleidelijk aan, en dat het handelingsgerichtwerken binnen onderwijs meer en meer centraal komt te staan. Dat is positief.

Positief is ook dat het in de toekomst, om ondersteuning te krijgen binnen ons gewoon onderwijs, niet meer nodig is om over een toegekend label te beschikken. Dat komt tegemoet aan die leerlingen die vandaag vaak opgroeien in financieel zwakkere gezinnen waardoor ze niet altijd de mogelijkheid hebben om zich uitgebreid te laten onderzoeken om een attest te verwerven waaraan een ondersteuning gekoppeld wordt. Deze aanpassing maakt het mogelijk dat deze kinderen zonder labeling en zonder attestering toch ook de ondersteuning krijgen binnen het gewoon onderwijs, en dat juichen wij toe.

De continuïteit van de zorg die verzekerd wordt in dit ondersteuningsmodel is belangrijk. Ouders en leerlingen hoeven zich geen zorgen te maken of ze nog zullen kunnen genieten van de ondersteuning waar ze het voorbije schooljaar op hebben kunnen rekenen. Er wordt ook zekerheid geboden aan de personeelsleden die vandaag actief zijn binnen het onderwijs. De competenties die zij verworven hebben, kunnen ze behouden, dat is een belangrijk element in dit concept.

De geleidelijkheid die is ingebouwd om de verschuivingen die mogelijks verbonden zijn aan de vorming van de netwerken, hebben wij ingeschreven in het amendement: dat is ook een positieve zaak. De duidelijkheid en het afgebakende traject bieden mogelijkheden om de ondersteuningsnetwerken in de toekomst verder te verankeren, en om ernstig na te denken over het statuut van de ondersteuners.

We hebben altijd de vraag gesteld om de middelen die tot op vandaag werden ingezet binnen onderwijs om leerlingen met specifieke noden te ondersteunen in de toekomst te bundelen om die integrale aanpak mogelijk te maken, en dit wordt in het nieuwe ondersteuningsnetwerk gerealiseerd. Dat zal naar onze mening heel duidelijk meer kansen bieden om de ondersteuning die nodig is, in te zetten waar ze nodig is. Men zal daar flexibel mee kunnen omgaan.

De flexibiliteit qua inzet van personeel als ondersteuning is dus cruciaal en wordt dus mogelijk in het model dat nu vorm gekregen heeft. Dat vinden wij belangrijk.

Er wordt ingezet op samenwerking, expertisedeling en cocreatie binnen de ondersteuningsnetwerken en dat zal ertoe leiden dat de expertise wordt versterkt en dat de kwaliteit van het onderwijs alle kansen krijgt om nog te verbeteren, terwijl we mogen stellen dat de kwaliteit vandaag al sterk is.

Tot slot vinden wij het ook belangrijk dat dit concept ruimte biedt voor de professionalisering van leerkrachten.

CD&V heeft altijd gezegd dat kwaliteit van onderwijs een belangrijke doelstelling is voor ons. Expertiseontwikkeling en expertise inzetten in die ondersteuningsnetwerken moeten centraal staan. We hebben een regeling getroffen, en het terrein is zich vandaag volop aan het zetten. De netwerken worden ontwikkeld. We hebben in het concept eigenlijk alles van ontwikkeling mogelijk gemaakt: netgebonden en netoverstijgende samenwerking. We zetten heel sterk in op samenwerking, maar alle samenwerkingsverbanden zijn mogelijk. Het klopt dat het niet correct is dat een aantal zaken niet mogelijk zouden zijn. Wij maken in deze regelgeving alles mogelijk.

Daarom, minister, is het belangrijk dat wij de verdere ontwikkeling op het terrein die zich nu afspeelt, alle kansen moeten geven, en dat we vertrouwen moeten hebben in de keuzes die scholen maken, want dat is de verantwoordelijkheid van de scholen. Ik vind dat we vertrouwen moeten hebben in de scholen dat ze de juiste keuzes zullen maken.

We moeten dus wel een goede opvolging doen van datgene wat op het terrein aan ontwikkeling gebeurt. En, minister, ik denk dat het niet enkel en alleen belangrijk is om te weten wie nu in welk netwerk zit, maar dat het ook interessant is dat we, indien er andere keuzes worden gemaakt, ook weten waaróm er andere keuzes worden gemaakt of waarom bepaalde keuzes níét worden gemaakt. Het is belangrijk dat we dan ook nagaan of we in de regeling die we vandaag treffen naar de toekomst toe belemmeringen moeten wegnemen, indien er belemmeringen zouden zijn.

Want, laat het duidelijk zijn, voor ons staat de leerling centraal. Het is belangrijk dat expertise wordt aangeboden daar waar ze nodig is en dat de kwaliteit van het onderwijs vooropstaat. Ik stel zelf vast dat scholen ook de leerling centraal stellen, dat ze het belangrijk vinden dat het kind de juiste ondersteuning krijgt en dat de mensen met de meeste expertise worden ingezet daar waar de expertise ook nodig is. Daarom is het cruciaal dat er een goede invulling wordt gegeven aan deze ondersteuningsnetwerken en aan de ondersteuning die moet worden geboden aan de leerlingen binnen het gewone onderwijs en dat de invulling van de functies binnen de ondersteuningsnetwerken gebeurt met experten.

Ook daar moeten de scholen hun verantwoordelijkheid nemen. De mensen die vandaag de expertise hebben, moeten de kans krijgen om te functioneren in die ondersteuningsnetwerken. De personeelsleden die tijdelijk een andere opdracht willen opnemen in die ondersteuningsnetwerken moeten daartoe de mogelijkheid krijgen, ook al is dat binnen een ander ondersteuningsnetwerk van een ander onderwijsnet. Eigenlijk staat die flexibiliteit boven op de netgebonden werking die nodig is.

Expertise en kwaliteit moeten centraal staan. Daarom is het belangrijk om ook op te volgen of de expertise, de kwaliteit die we nodig hebben, ook centraal staat bij die scholen die er vandaag een invulling aan moeten geven. Samenwerking in het belang van het kind en ervoor zorgen dat er niets in de weg staat om dat te realiseren: dat vinden wij vanuit onze fractie heel belangrijk.

Ik wil ook ingaan op het amendement met betrekking tot het hoger onderwijs. We treffen daar een zeer goede regeling, opdat inclusief hoger onderwijs mogelijk is. We hebben allemaal in onze mailbox het bericht ontvangen over de interpretatie van ons amendement. Ik denk dat we in de commissie duidelijk geweest zijn over hoe het moet worden geïnterpreteerd. De collega’s hebben het al gezegd en ik wil het zelf nog herhalen, zodat er geen discussie over is. Daar waar er vrijstelling gegeven wordt en een andere onderwijsactiviteit gerealiseerd wordt, is het uiteraard de bedoeling dat dezelfde leerresultaten centraal staan. Laat dat zonder twijfel zijn.

In verband met het amendement dat we, zowel met meerderheid als oppositie, hebben goedgekeurd in de commissie met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wil ik de collega’s bedanken dat dit mogelijk is over alle partijen heen, zodat de universiteit op een soepele manier kan werken en haar instelling op een goede manier kan uitbouwen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Een genummerd onderwijsdecreet is meestal niet de meest sexy legistieke textuur, als ik dat zo mag uitdrukken, voorzitter.

Collega Daniëls zei daarnet dat u er een beetje de bewaker van moet zijn dat dat zo clean, zo administratief mogelijk is. De administratie, het kabinet en de meerderheid zijn er dan toch in geslaagd om van dit onderwijsdecreet een verdomd sexy stuk te maken, als ik het zo mag zeggen.

Ik zeg dat omdat de zesentwintig voorgaande onderwijsdecreten niet altijd over de meest stichtende teksten gingen.

Dit waren inderdaad heel vaak aanpassingen van stukjes die waren vergeten en moesten worden aangepast om soms tot op het individuele niveau in het onderwijs mensen in hun statuut, scholen of regio’s vooruit te helpen of althans niet achteruit te helpen.

Als we het aantal thema’s bekijken, dan zit daar heel wat in dat scholen de mogelijkheid moet geven om vanaf 1 september een aantal zaken te doen die ze in het verleden niet of minder konden doen.

Voor mijn fractie is het vroeger beginnen met andere talen – we proberen het woord ‘vreemde’ talen niet meer te gebruiken – een heel belangrijke stap. De onderwijsinspectie heeft vorige week in de commissie haar jaarverslag toegelicht. Een groot hoofdstuk daaruit ging over het Frans in de basisschool. Dat is voorlopig nog altijd de enige tweede taal die daar wordt gegeven. De titel van dat stuk uit het jaarverslag luidt: ‘Van het vullen van een vat naar het ontsteken van een vlam’. Over de grenzen van meerderheid en oppositie heen lijkt dit me een mooie titel om aan leerkrachten en directies mee te geven.

In de jaren 60, 70, 80 tot midden jaren 90 kon Vlaanderen pronken met een grote talenkennis bij de jongeren, zowel in het algemeen, technisch als beroepsonderwijs, maar daar moeten we ons nu wat zorgen over maken. Ik wil hier geen negatief verhaal ophangen, maar we zien wel dat sinds de Europese Commissie als aanbeveling aan haar lidstaten gaf om één taal, de moedertaal, en twee andere talen uit de Europese Unie te onderwijzen, heel wat lidstaten in gang zijn geschoten om meer talen aan te bieden en daar vroeger mee te beginnen. Dit is het stokpaardje van nogal wat collega’s, en ook bij ons op de studiedienst is men daar zeer actief mee bezig. Nogal wat academici contacteren ons daarover en wijzen op het feit dat we in Vlaanderen veel te laat beginnen met andere talen.

Dit parlement zal straks bij de stemming niets opleggen. Het wordt dus geen verplichting, wat voor sommigen misschien een punt van kritiek zal zijn. We bieden scholen die personeel hebben dat zich daartoe professioneel in staat voelt, de kans om vroeger met die andere talen te beginnen. En effectief, op 1 september 2017 zal er misschien een school in Mol, Brakel of Vilvoorde beginnen met het aanbieden van Engels in het derde leerjaar. We hebben de Erasmus-generatie, die zelf in het buitenland heeft gestudeerd en die zich een andere taal meester heeft gemaakt. Zij zouden die nu moeten kunnen gebruiken.

Voorzitter, u woont in een streek waar de talen zeer dicht bij elkaar liggen: het Nederlands, het Duits en het Frans. Ik kan me heel goed inbeelden dat in uw regio voor nogal wat basisscholen een taalinitiatie in het Duits zeer interessant kan zijn aangezien de economische belangen en de culturele banden van dat stuk van Vlaanderen meer aansluiten bij het Ruhrgebied, Keulen, Aken, Luik. Die vrijheid geven wij de scholen nu.

Ik heb een aantal teksten gelezen waarin daar nogal schamper over wordt gedaan. Wij doen daar met onze fractie niet aan mee. Af en toe moet men kleine stappen zetten om nadien grote stappen te kunnen zetten.

Een even kleine stap misschien voor sommige tegenstanders van dat principe, is de stap om het aantal halve dagen dat kleuters in de derde kleuterklas aanwezig moeten zijn, op te trekken. Uiteraard zal die ene maatregel geen spectaculair effect hebben, maar het is één van de vele maatregelen die we nemen.

Vorige vrijdag heeft de regering zich nog gebogen over de kinderbijslag. Ook in de hervorming van de kinderbijslag zitten er elementen die mensen moeten aanmoedigen om hun kinderen vroeger en meer naar het kleuteronderwijs te sturen. Al die kleine elementen, zowel wetgevend als stimulerend via middelen die we aan ouders geven, moeten daarvoor zorgen. Ook het actieplan basisonderwijs waarvan alle partijen hopen dat het kleuteronderwijs effectief meer middelen krijgt waar het historisch recht op heeft, zal ertoe leiden dat kleuters meer naar school zullen gaan. Nogal wat professoren geven aan dat de impact daarvan moeilijk kan worden onderschat.

Het is trouwens ook een mooie aanmoediging voor al onze kleuterleiders en -leidsters om niet zomaar over hun niveau van het onderwijs door anderen schamper te laten doen. Integendeel, ik denk dat iedereen die in het kleuteronderwijs actief is, van kinderverzorgster tot kleuterleider en de mensen die dat pedagogisch ondersteunen, dit als een hart onder de riem mogen beschouwen: zij zijn aan het echte fundament bezig van heel wat jonge mensen.

Over de toetsentoolkit ga ik niet te veel uitweiden. Het getuigschrift basisonderwijs voor iedereen vind ik zelf nogal een emotioneel stukje van de tekst. Ik weet dat wetteksten zelden grote emoties kunnen verbergen, maar voor iedereen die hier al eens als lokale schepen van Onderwijs of als dame of heer die uit het onderwijs komt of als politicus geïnviteerd is om getuigschriften basisonderwijs uit te reiken: je zult maar dat jongetje of meisje zijn dat effectief aan het einde van het rijtje komt en een lege enveloppe of geen enveloppe krijgt en waaraan dan wordt gezegd: ‘Je hebt toch je best gedaan.’ Er wordt niets aan meegegeven. Wel, als we dit goedkeuren, zal het vanaf volgend jaar anders zijn. Er zijn goede initiatieven, dat wil ik ook onderstrepen, dit decreet is hiermee niet eerst. Er zijn ook scholen die al heel bewust een getuigschrift maken, dat weliswaar geen getuigschrift basisonderwijs is, maar waar wel heel duidelijk in vermeld staat wat kinderen al wel kunnen en waar middelbare scholen, de B-stroom bijvoorbeeld, kunnen op inspelen. Nu geven we een eerste belangrijke aanzet van een echt getuigschrift.

Collega’s, we gaan een stap zetten in het volwassenenonderwijs. Collega Daniëls, voor onze fractie zou zo’n belangrijk thema heus ook wel een apart decreet verdienen, maar dat kunnen we over andere thema’s, zoals het ondersteuningsmodel, ook zeggen. Het is vooral belangrijk dat dit vandaag kan worden goedgekeurd en dat de rationalisatie in het volwassenenonderwijs datzelfde volwassenenonderwijs ook wel wat zuurstof en toekomstkansen kan geven. Ik denk dat dat nodig is. Er zijn doemdenkers die denken dat daarmee het volwassenenonderwijs in heel veel dorpen en kleinere steden zal verdwijnen. Ik denk dat we er mee over moeten waken dat de efficiëntie niet zal leiden tot verschraling op het terrein. Wij geloven dat de twee mogelijk zijn.

Ik kreeg daarnet een berichtje met de opmerking dat het toch raar is dat er al meer over de amendementen is gesproken dan over het decreet zelf. Hoe zou dat komen, collega’s? Omdat heel veel leerkrachten en heel veel directies, heel veel ouders en leerlingen wakker liggen van wat er straks goedgekeurd wordt in een aantal amendementen. Dat is toch niet min. Minister Tommelein zat hier net schouder aan schouder met de minister van Onderwijs. De Vlaamse Regering trekt op kruissnelheid 15,2 miljoen euro extra uit voor een aantal zaken die budgettair vergeten waren in het verleden voor kinderen die in type 2 en in type 3 geen gon-begeleiding kregen en die in het M-decreet eigenlijk al opgevist waren maar waar geen financiën aan gekoppeld waren. Het feit dat we daar middelen voor geven en die toevoegen aan de middelen, en het feit dat het aantal voltijdse mensen die zich kunnen bezighouden met de zorg over kinderen met bijzondere noden, zal toenemen met maar liefst meer dan 300 fulltime-equivalenten, dat is toch moeilijk een kleine stap te noemen, integendeel.

Collega Daniëls en collega Krekels, jullie hebben al wel uiting gegeven aan enig ongenoegen, enige frustratie die we af en toe hebben moeten verbijten de afgelopen weken. Ik denk dat de minister er in de commissie al zelf op heeft gewezen. Het is toch hemeltergend dat er op dit moment wordt gezegd dat er achteruitgang is, dat er ontslagen gaan vallen, dat er minder mensen actief zullen zijn met die leerlingen, als je kijkt naar de budgetten en het aantal mensen dat zal toenemen. De voorzitter van de commissie Onderwijs, mevrouw Helsen, heeft zelfs letterlijk gezegd: ‘We zullen onze tenen nog moeten uitkuisen om elke plaats in te vullen met de beste man of de beste vrouw om voor de kinderen te zorgen.’

Ik heb zelf het voordeel gehad om als inrichter van onderwijs zeer actief bezig te zijn met de prewaarborg en de waarborg. Wij hebben het principe gehuldigd om mensen te laten kandideren en de besten te kiezen. We hadden het voordeel dat we meer kandidaten hadden voor de plaatsen dan dat er plaatsen waren. Ik wil nog eens hulde brengen aan al die mensen die dat de afgelopen twee jaar hebben gedaan, en bij gon en ion al decennia doen. Daar zit heel wat expertise. Ik hoop dat we de nieuwe functies kunnen invullen.

Het principe dat ingevoerd wordt – en dat is voor iedereen in de commissie Onderwijs wel wat denkwerk geweest – van de linearisering en het wat loslaten van het medische verhaal, is een heel belangrijk principe. De cijfers die de minister heeft vermeld in de commissie, dat kinderen met een verslag voornamelijk te vinden zijn in de middenklasse en de hogere sociale klasse, zijn voor heel veel mensen een bewijs dat we met die 70-30 een heel belangrijke stap zetten. Want dat betekent effectief dat scholen middelen gaan genereren, maar niet per se allemaal op basis van verslagen. Uiteraard bepalen we met de 30 procent ook dat we wat de laatste zes jaar is geattesteerd, ook meenemen. We leggen dat niet zomaar naast ons neer.

Maar zodra die middelen gegenereerd en teams gevormd zijn, beste collega’s, moet er wel een belangrijke stap gezet worden. Die teams moeten in alle onafhankelijkheid kunnen werken. We hebben er gisteren nog, met een aantal collega’s die hier vandaag aanwezig zijn, lang over gediscussieerd in een van de koepelorganisaties zelf. De onafhankelijkheid van de mensen die erin werken, en de sterkte van die mensen, zal ertoe moeten leiden dat tegen scholen wier zorgvragen zich alleen maar op niveau 0 en 1 van het zorgcontinuüm bevinden, gezegd wordt: ‘U brengt wel middelen in de pot doordat u zich aansluit bij ons netwerk, maar u hebt niet per se het recht om al die uren en al die middelen daar weer uit te halen.’

Het systeem heeft twee fases. Je genereert als school uren, en nadien moeten die teams op basis van professionaliteit, ervaring, kunde en sterkte in alle onafhankelijkheid tegen scholen kunnen zeggen: ‘U brengt maar een beetje in, maar u hebt zo veel zorgen dat we u meer gaan ondersteunen. En een andere, grote school met minder zorgkinderen brengt veel in, maar zal minder ondersteuning krijgen.’ De vorige sprekers hebben er al heel sterk op gewezen dat in het amendement heel duidelijk omschreven wordt dat we met de evaluatie willen toezien op het sterk monitoren van dat soort dingen.

Mogen er nu veel of weinig ondersteuningsteams zijn in een regio? Onze partij heeft in het verleden altijd, zowel lokaal als Vlaams, proberen te werken aan het zo efficiënt mogelijk inzetten van middelen. Zeker als er, wat ons betreft, één pure levensbeschouwing aan te pas komt – en het ondersteunen van een kind met ASS of een zware leerstoornis, is wat ons betreft iets dat buiten levensbeschouwing valt, want dat gaat over zorg geven aan kinderen – mocht dat voor ons ook gerust één netwerk zijn per logische regio. Ik denk dat dat bij velen leeft. Mensen die daar van buiten het onderwijs naar kijken, waren in het begin bevreesd. Ze lazen dat in de krant en vroegen zich af of er bijvoorbeeld in Antwerpen of Gent vier kleuren van autootjes zouden rondrijden, van het ondersteuningsteam van het provinciaal onderwijs, het ondersteuningsteam van het katholiek onderwijs, het ondersteuningsteam van het GO!, het ondersteuningsteam van het OVSG. We hebben dat niet teruggebracht tot één wagen, collega Krekels. Dat weten we allebei. Maar we hebben het toch al minstens zo teruggebracht dat er in een regio twee actief zouden kunnen zijn, en dat niet iedereen gaat beginnen met de middelen zo te laten verwateren dat het uiteindelijk vanuit het eigen koninkrijk bediend wordt, maar dat het op de werkvloer minder gaat volgen.

De afgelopen weken hebben de meeste collega’s effectief die amendementsteksten moeten sturen naar iedereen die ongerust berichten stuurde, die nieuwsbrieven doorstuurde, verslagen van vergaderingen doorstuurde, zelf aanwezig was op vergaderingen, en er op den duur niets meer van begreep. Want ze volgden ons op Facebook en Twitter. En onze hoeraberichten waren dat we een stap voorwaarts gezet hebben, en ze zeiden tegen ons dat we twee stappen achteruit gezet hebben. En telkens als we die amendementsteksten doorstuurden, zeiden mensen: ‘Is het dát wat er staat?’

Want wat staat er nu eigenlijk? Fase één is, voor het officiële onderwijs: zorg voor logische regio’s. Dat klinkt raar, ‘logisch’ in een wettekst zetten. Ik denk dat daar wel wat juristen vragen bij zullen hebben, maar het is vanuit de buik, vanuit het veld gegroeid. Het is logisch, om mensen niet over heel Vlaanderen over en weer te laten rijden, en om niet vast te stellen, zoals bij andere organisaties die in Onderwijs actief zijn, dat mensen na een periode van tien, twintig jaar in hun functie te werken, zeggen dat ze meer in hun auto zitten dan dat ze kinderen of leerkrachten kunnen begeleiden. Logische regio’s zouden voor ons dus lokaal moeten groeien en niet te groot zijn.

Zij moeten dat doen, en dan kan er een officieel netwerk van start gaan. Dat netwerk kan samenwerken met andere netwerken of met vrije netwerken. Dat is ook zeer duidelijk, dacht ik. Maar het leidde toch wel tot wrevel op het terrein. Als je alleen maar over samenwerking spreekt, zal dat niet werken. Daar was een collega de nacht dat we onderhandeld hebben, heel duidelijk over. Er moet ook een vergoeding tegenover staan. Als je werk presteert, moet je die uren kunnen krijgen. Ook daar heeft het amendement voorzien dat men dat zal kunnen doorgeven.

Ten slotte herhaal ik hier voor alle mensen die mij en anderen daarover hebben gecontacteerd, nog eens duidelijk dat nergens in dit decreet iemand die dat straks gaat goedkeuren, verbiedt dat een vrije school zich aansluit bij een officieel netwerk. Toch, collega’s, blijft dat de ronde doen. Dus: kan een school waar een kind zit dat nu wordt begeleid door een begeleider van het GO!, maar die zelf behoort tot een ander net, dat kind nog laten begeleiden? Ja, als die school zegt dat de zorgvraag er al jaren goed wordt opgevangen door die begeleider, en als zij dat jongetje of meisje willen begeleid blijven zien, in overleg met de ouders en met het team, dan moet dat kunnen in elke richting. Dat zal dan misschien wel door het ondersteuningsteam moeten worden opgevolgd. Dat zal dan misschien niet vanaf de eerste dag goed zitten. Maar het decreet blijft hierin voorzien. Hetzelfde in andere richtingen.

Collega’s, we hadden de voorbije dagen al verschillende emotionele vergaderingen daarover. Ik moest terugdenken … – en ik kijk naar de heer Van Dijck, omdat ik zeker ben dat hij hier al was en zich de zin ‘primauteit van de politiek’ nog herinnert. Het is bijna politieke geschiedenis van het land, maar het stond in 1999 in het bestuursakkoord: de primauteit van de politiek. Dat werd vaak misbegrepen, maar eigenlijk wou dat zeggen dat als de Vlaming wil dat er iets verandert en men vraagt het aan volksvertegenwoordigers, dat volksvertegenwoordigers dat in teksten schrijven, die hier worden goedgekeurd. En dan verwachten we ook dat ze worden toegepast: door het parlement, door de mensen op het terrein, door de administratie.

Collega’s, sommige discussies – niet de oplossing of het eind van het verhaal, minister, maar wel een aantal zure tussenkomsten en een aantal pogingen om ons stokken in de wielen te steken – beloven nog wel warme debatten over de eindtermen, de CLB’s, de leerlingenbegeleiding, de infrastructuur, de leerkrachten- of lerarenopleiding. Ik hoop dat we daar dan met de meerderheid – en waarom niet de meerderheid samen met de oppositie – met dezelfde rechte rug waarmee we de afgelopen weken elkaar hebben gevonden, in kunnen werken.

Ik wil eindigen met een oproep aan directies, leerkrachten, ouders: gebruik dit decreet nu echt offensief om kinderen maximaal te steun te geven. Dit decreet maakt dat mogelijk. Maar er alstublieft gebruik van. Het mooie einddoel van dit decreet kan inderdaad zijn dat we een stapje dichter bij een zorgcontinuüm komen dat van kleuter-  tot hoger onderwijs kinderen en ouders en leerkrachten beter ondersteunt om de talenten die elk kind heeft, ook kinderen met een leerstoornis of met een bijzondere leernood of zorg, te ontplooien. Misschien zijn het geen alleenzaligmakende amendementen over het ondersteuningsmodel, maar het is in ieder geval een grote stap op het terrein. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, gezien het gevorderde uur zou ik mij graag beperken tot de discussie over het nieuwe zorgondersteuningsmodel. We hadden het er al even over daarnet bij het verslag. Ook mijn collega’s van de meerderheid hebben er uitvoerig naar verwezen. We zouden dit vandaag, 7 juni, met zijn allen goedkeuren via amendementen toegevoegd aan een genummerd decreet. Dat zou ons normaal gezien in staat moeten stellen om het schooljaar ordentelijk aan te vatten. We vragen aan het onderwijsveld om dit al op 1 september te laten ingaan. We vragen dat aan alle scholen, directies, experten in zorgondersteuning, gon-begeleiders, ouders en alle kinderen die in ons Vlaams onderwijs schoollopen en die heel specifieke noden hebben, of ze nu in het buitengewoon of in het gewoon onderwijs zitten.

De voorbije weken – ik getuigde er ook al over in de commissie naar aanleiding van een vraag om uitleg over dit nieuwe zorgondersteuningsmodel – was er toch wel heel veel onrust op het terrein. Vandaag is die er nog steeds. Ik ben blij dat ook collega Krekels, collega De Ro en collega Helsen dat ook zo aanvoelen. We hebben toch de verantwoordelijkheid om daar met zijn allen iets aan te doen, om mensen gerust te stellen, maar dat kan alleen maar als we effectief elk kind de zorgen garanderen die hij of zij nodig heeft op basis van zijn specifieke beperking of specifieke zorgvraag.

Minister, ik heb het ook al in de commissie gezegd, ik denk dat het belangrijk is in dit delicate dossier dat we alle stakeholders in ons onderwijs maximaal betrekken bij de implementatie. Vandaag is het gevoel bij heel velen, zowel in de scholen als in de gezinnen, dat dit allemaal te veel holderdebolder wordt ingevoerd. Blijkbaar is de communicatie die wordt gevoerd tot op vandaag nog altijd een bron van onduidelijkheid en nog altijd geen bron van verduidelijking. En daar hebben mensen recht op: op vertrouwen, op duidelijkheid. We moeten dus alle stakeholders – de ouders, de CLB’s die nu met de handen in het haar zitten, de leerkrachten – helpen om de job te kunnen doen.

Ik breng nog graag enkele getuigenissen in de aandacht. De eerste getuigenis is die van Isabelle. Zij heeft een zoon van 13 die momenteel in het aso naar school gaat. Hij volgt les met een gon-begeleidster. De jongen heeft een doorverwijzing gekregen via het CLB naar het buitengewoon onderwijs, hoewel zij er met z'n allen van overtuigd zijn dat hij wel het gewoon onderwijs aan kan, wel het aso aankan, maar door de onduidelijkheid over de ondersteuning die hij individueel nodig heeft, zitten ze met de handen in het haar. Men weet niet of die gegarandeerd zal zijn. Men weet niet of die ene gon-begeleidster die hem zo vertrouwd is, zal kunnen blijven. Deze moeder zou niet graag haar zoon naar het buitengewoon onderwijs doorverwijzen omdat ze denkt dat het niet nodig is en omdat ze hem de kansen willen geven, ook al is hij autistisch, om gewoon in de maatschappij en in het inclusief onderwijs zijn schoolse carrière uit te bouwen.

Een andere getuigenis is die van Marilou. Zij is zelf gon-begeleidster in vier basisscholen en twee middelbare scholen. Zij doet die job al meer dan tien jaar. Zij getuigt van die enorme onvrede en onrust rond de concrete uitrol op 1 september van de zorgondersteuning. Ze zegt dat de onrust nog altijd algemeen is, bij directies en leerkrachten in het gewoon en buitengewoon onderwijs, bij gon-begeleiders, bij ion-begeleiders en bij ouders. Zij vertolkt de stem van de leerkrachten. Ze zegt dat het ongelooflijk moeilijk wordt om dit op 1 september met respect voor de eigenheid van elk kind goed uit te rollen. Het is niet haalbaar in tijd, het is niet haalbaar in vorm en het is niet haalbaar in het goed voorbereiden en coachen van personeel dat in de ondersteuningsteams zal moeten werken. Ze zegt dat ze op het terrein te veel demotivatie voelt van nochtans georganiseerde en sterk gemotiveerde leerkrachten. Ze zegt ook dat ze hoopt dat wat er nu op tafel ligt en de manier waarop dit holderdebolder wordt ingevoerd, geen onzichtbare kuil wordt waarbij de kwaliteit van het onderwijs inboet.

Dit zijn getuigenissen, minister, die toch tot aandacht moeten nopen en onze bezorgdheid moeten wegdragen.

Een laatste getuigenis is die van Steve uit Ieper, misschien een buurjongen van u, die eigenlijk de communicatie van de vrije CLB’s in West-Vlaanderen signaleert. Hij zegt de melding te hebben gekregen dat nieuwe zorgvragen waarvoor een onderzoek of een begeleidingstraject nodig is, gewoon worden uitgesteld tot volgend schooljaar. Dus, de zorgvragen die al zijn erkend en geregistreerd, worden behandeld, maar jongeren met nieuwe zorgvragen en hun ouders komen niet meer aan bod om op 1 september misschien de nodige zorgen te krijgen. Minister, dat kan toch niet de bedoeling zijn. Ik denk echt niet dat we het op deze manier mogen laten lopen.

De principes zijn aangehaald die belangrijk zijn als je een nieuw zorgondersteuningsmodel invult. Ik denk dat zorgzaam onderwijs moet uitgaan van de noden van elk kind en dat het recht op inclusie altijd het welzijn en de leerwinst van het kind centraal moet zetten. We gaan er toch ook met zijn allen van uit dat dat moet kunnen voor meer kinderen dan vandaag in het gewoon onderwijs. Dat was uiteraard de doelstelling van ons M-decreet, waar we ons Vlaanderenbreed toe hebben geëngageerd en waartoe we ons ook engageren omdat we vinden dat dat moet als lid van de VN en als bepleiter van het VN-verdrag voor gelijke rechten van personen met een handicap. Minister, we weten uiteraard ook dat goed onderwijs sowieso altijd een wisselwerking is tussen leerlingen, leerkrachten, directies, ouders en overheden. De overheid moet er net voor zorgen de middelen zo in te zetten dat die combinatie van mensen en hun engagement en expertise maximaal renderen. Vandaag zien we echter het volgende, en dat is niet anders dan toen we de discussie voerden in de commissie. Vakbonden en inrichtende machten zijn betrokken partij bij de ontwikkeling van dit ondersteuningsmodel. Collega Helsen heeft ernaar verwezen. Dat juichen we uiteraard toe, maar we horen toch nog steeds de noodkreet van heel veel ouder- en belangenverenigingen. Vandaag zeggen die nog altijd dat ze niet betrokken zijn, dat ze te weinig toegang tot informatie hebben. De overheid organiseert bovendien ook geen extra informatie voor hen. Ze vragen zich af waar ze terechtkunnen met concrete vragen over hun kind, want het zijn zij toch die op zoek gaan naar de beste zorg, zowel in het onderwijs als erbuiten.

Minister, we hebben u gesteund bij de integratie en de versterking van de bestaande zorgsystemen. We vinden het goed en logisch dat ook de middelen voor gon en ion, de waarborg, de pedagogische begeleiding, de CLB’s worden geïntegreerd en dat er 15 miljoen euro bij komt. Dat vinden we positief. Daarmee gaan we uiteraard akkoord. Er moeten echter wel een aantal voorwaarden worden vervuld om dat zorgmodel te kunnen doen werken. Ik heb het al gezegd: de noden van de leerling moeten centraal staan. We zien echter dat vandaag de aandacht voor de individuele leerling en diens zorgvraag toch wel naar het tweede plan verdwijnt. Sp.a vindt het belangrijk dat leerkrachten worden versterkt, dat leerlingen individueel de zorg krijgen die ze nodig hebben en dat het beleidsvoerend vermogen van de scholen ook wordt versterkt, maar vandaag voelen we dat de focus te veel op pijler twee ligt, en dat leidt natuurlijk tot ongerustheid bij heel veel ouders, die voelen dat de individuele zorg voor hun kind op de helling staat.

Wat we ook belangrijk vinden, is netoverschrijdende samenwerking. Ik heb ook vele collega’s daar lippendienst aan horen bewijzen. Ik ben ervan overtuigd dat dat oprecht is, maar ik heb ook de noodkreet gehoord van collega Krekels en collega De Ro. Zij zeggen eigenlijk dat ze wel proberen om dingen netoverschrijdend tot stand te brengen en dat ze straks dat ontwerp van decreet goedkeuren, maar dat men in het veld, vanuit de netten, vanuit de koepels, een communicatie aan het voeren is waarbij, in plaats van meer samenwerking, iedereen zich opnieuw achter de muren van het eigen net verschanst.

Ik vind dat anno 2017 eerlijk gezegd geen goede zaak. Men kan de verantwoordelijkheid naar de koepel doorschuiven. Ten dele is dat correct. We moeten de vrijheid en de samenwerking die er vandaag op het terrein is tussen verschillende netten en de netoverschrijdende expertisedeling tussen specialisten toejuichen. De vraag is evenwel waarom de overheid de netoverschrijdende samenwerking niet oplegt. Dan zou er geen probleem zijn. Dan moest men van het officiële onderwijs niet vragen om verplicht samen te werken en van het vrij onderwijs hetzelfde. Het vrij onderwijs geeft aan zijn scholen, de directies, de begeleiders en de kandidaten voor de ondersteuningsnetten het signaal dat het de bedoeling is om netgebonden te werken, zeker in een eerste fase. Men moedigt niet aan om dat netoverschrijdend en regionaal te doen. Dat is een ontzettend gemiste kans.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Mevrouw Gennez, ik heb heel duidelijk gezegd dat voor mijn fractie dit soort van ondersteuning van leerkrachten en leerlingen voor kinderen met specifieke noden gerust één netwerk per regio mag zijn. U kunt evenwel niet het licht van de zon ontkennen. Er is een belangrijke organisatie in het onderwijs die ingeval we dat aan alle netten zouden opleggen naar het Grondwettelijk Hof zou stappen. Voor de drie netten waarvoor we het hier al inschrijven – het stond ook al in OD XXVI voor de waarborg secundair onderwijs – heeft de overheid het voor 100 procent voor het zeggen. Het werkt op het terrein. We kunnen op de inrichtende machten – gemeenten, provincies, de Vlaamse Gemeenschap – rekenen dat men in dezelfde geest kan werken.

Als u een voorstel hebt en u kunt garanderen dat het de toets van het Grondwettelijk Hof doorstaat ofwel dat iedereen in de vrije sector het spontaan aanvaardt en naleeft, dan had u dat eerder moeten doen, maar op dat punt mogen we toch niet naïef zijn. De stap die hier wordt gezet, is een belangrijke stap. De volgende stap zal leiden tot nog meer samenwerking. Ik hoop dat er genoeg mensen zullen zijn die de onafhankelijkheid en de vrijheid die in het decreet zit, zullen aanwenden om de samenwerking tussen de vrije en de officiële sector op lokaal vlak vorm te geven. In de commissie heb ik opgeroepen om over de partijgrenzen heen maximaal ondersteuning te bieden en maximaal de informatie te bezorgen aan de mensen die de stap willen zetten. Ik hoop dat de mensen die altijd pleiten voor de vrijheid van onderwijs niet die vrijheid zullen gebruiken om te zeggen wat er wel en wat niet mag gebeuren in de scholen.

Mevrouw Gennez, aanvullend bij wat de heer De Ro heeft gezegd, nog dit. U vraagt zich af waarom de verplichte samenwerking niet in de tekst is opgenomen. Hoe kunt u een verplichting invoeren als de basisregel die we hanteren betekent dat men de instellingen en scholen autonomie verleent? We willen hemel en aarde bewegen opdat men inziet dat de scholen die keuze moeten maken, en niet doen wat er nu wordt gezegd. Ik ben erg blij dat we het daarover kamerbreed eens zijn. Dit zal hierbuiten zijn weerklank krijgen. Maar nogmaals: hoe rijmt u autonomie voor de instelling met de verplichting om  netoverschrijdend te werken?

Heel simpel: deze Vlaamse Regering heeft geen goede trackrecord als het over netoverschrijdende samenwerking gaat. Alles is afgeschaft: de consortia in het volwassenenonderwijs en de expertisenetwerken. Alles wat netoverschrijdend was, wordt teruggedraaid. Wie betaalt, bepaalt. Ik wil graag de heer De Clercq en wat hij zei over mobiliteit in herinnering brengen: ik denk dat we alle hefbomen moeten aanwenden, en ik denk dat u dat niet doet.

Eerlijk gezegd, is de vraag wie de mensen op het terrein zullen geloven. Zal dat hun eigen werkgever zijn, die hun rechtstreeks instructies geeft, of zal dat onze discussie hier zijn? Ik vrees dat de meerderheid zich blij heeft laten maken met een dode mus. Ik ben daar niet blij mee. De slachtoffers worden de jongeren, de leerkrachten en de begeleiders die de zorgteams moeten versterken en die ervoor moeten zorgen dat de zorg de jongeren bereikt.

Jo De Ro (Open Vld)

Mevrouw Gennez, ik weet niet of u op dat ogenblik in de commissie aanwezig was. Ik heb een aantal namen vermeld. U hebt toen verklaard dat u namens iemand wilde spreken. Ik heb ook namen genoemd. Het gaat dan om mensen die al twee jaar werken in een netoverstijgend waarborg- en prewaarborgteam in onze zone, Vilvoorde en omgeving. Dat zijn geen dode mussen. Zij komen in scholen en begeleiden leerkrachten en leerlingen.

Ik zal herhalen wat ik tijdens de commissievergadering heb gesteld. Het is hartverwarmend als mensen uit de vrije sector vinden dat het daar goed in elkaar zit en vragen of ze zich mogen aansluiten. Ze vragen de bevoegde schepen of dat mag. Van mij mag dat. Ik wil dat dit duidelijk in het Woordelijk Verslag verschijnt. Voor de inrichtende macht van het stedelijk onderwijs in Vilvoorde zijn de mensen van het katholiek onderwijs welkom.

Ik hoop dat ze de decreetgever en niet hun werkgever zullen geloven. Hun werkgever zit trouwens niet in de koepel. Hun werkgevers zijn de lokale inrichtende machten. Als die werkgevers hun vrijheid willen gebruiken om aan te sluiten bij een ander netwerk dan misschien door de hier wat verder gevestigde koepel wordt gewenst, nodig ik die mensen met veel plezier uit om die vrijheid te grijpen.

Mevrouw Gennez, dat zijn geen dode mussen. Het gaat om mensen die ongelooflijk goed werk hebben geleverd. Indien u dat niet ziet, moet u wat meer op het terrein komen. U bent van harte welkom in onze stad.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Gennez, ik wil ook kort even het woord nemen. Volgens u schaffen we alles af. Ik stel vast dat er in de praktijk beter dan ooit wordt samengewerkt. De expertise wordt gedeeld. Partners vinden elkaar vanuit een vrije keuze. Dat willen we net versterken. We zetten zeer duidelijk in op samenwerking, maar we laten het over aan de autonomie en de vrijheid op het werkveld om zelf keuzes te maken.

De doelstelling is wel duidelijk dat kwaliteit moet worden geleverd en dat expertise moet worden aangeboden om de scholen, de leerkrachten en de leerlingen te ondersteunen. Op basis van die vrije keuze geloven we dat het onderwijsveld echt de kracht heeft dat waar te maken.

Volgens u mogen we dat vertrouwen niet hebben in de instellingen en in de expertise die in het onderwijs aanwezig is. We mogen dat vertrouwen niet schenken om de vrijheid van onderwijs in de toekomst te blijven garanderen. Ik moet zeggen dat ik het daarmee absoluut niet eens ben. CD&V heeft vertrouwen in de instellingen en in de expertise die aanwezig is. We willen de mensen op het terrein de ruimte bieden om zelf hun verantwoordelijkheid op te nemen en om zelf keuzes te maken. Enkel en alleen wanneer we hun die ruimte en vrijheid bieden en hun de verantwoordelijkheid geven om keuzes te maken, zullen we naar een nog sterker onderwijs evolueren.

Mevrouw Gennez, ik begrijp ergens uw frustratie, maar u moet onze frustratie ook begrijpen. In het amendement gaan we ervan uit dat de reeds bestaande samenwerkingen de basis vormen. Die samenwerkingen op het werkveld zijn netoverschrijdend. We gaan ervan uit dat de koepels weten wat hun mensen doen en welke netwerken reeds zijn uitgewerkt. Als decreetgever gaan we ervan uit dat dit amendement ertoe moet leiden dat de koepels verder gaan op basis van wat er nu is. Dit gebeurt niet. Ik weet niet of we naïef zijn geweest. Ik ben echter een beetje teleurgesteld.

Ik doe opnieuw een oproep tot alle directeurs. Ze moeten kiezen voor het netwerk waarin ze geloven. Ze moeten hun rug rechten. Wij gaan ervan uit dat dit het fundament van het amendement is. Er moet worden vertrokken vanuit de samenwerkingen die al bestaan.

En wat netoverschrijdend is, moet netoverschrijdend kunnen blijven, ongeacht om welke netten het gaat.

Mevrouw Gennez, er is toch iets belangrijks, namelijk dat deze meerderheid, zoals u ook aanhaalt, een aantal van die netoverschrijdende structuren heeft stopgezet. Dat is net omdat we niet willen investeren in structuren, maar wel omdat we willen dat die middelen terechtkomen op de plaats waar ze thuishoren, namelijk in de klas en bij de leerlingen. En daarom hebben we in dit amendement zeer duidelijk het netoverschrijdende ingeschreven.

Mevrouw Gennez, u zit al langer in parlementen dan ikzelf. Het sterkste instrument dat we als volksvertegenwoordiger hebben, is een decreet. We hebben niets sterkers. En we hebben in dit ontwerp zeer formeel en duidelijk in de tekst zelf, niet in de memorie, opgenomen hoe we het zien, namelijk de vrijheid van de individuele scholen. Ik roep u op om in alle gremia waar u komt aan al die mensen duidelijk te maken dat die vrijheid in dit ontwerp van decreet staat.

Ik sluit af, voorzitter. Leerlingen en leerkrachten, daar gaat het verdorie over. We zijn hier heel de tijd bezig over wie wat bepaalt in allerlei structuren, maar het gaat over leerlingen en leerkrachten. En dat hebben we met dit amendement willen aangeven. Het moet bij hen terechtkomen, en het zijn de leerkrachten en de scholen die moeten bepalen voor wie het nodig is en waar het nodig is. En dat staat hierin.

Mevrouw Gennez, ik roep u op om samen met ons dit ontwerp van decreet op zoveel mogelijk plaatsen duidelijk te maken, zodat mensen weten wat de vrijheid is die dit parlement hen geeft, en dat het niet een vrijheid is die ergens anders wordt afgelijnd tot een vrijheid die ze niet meer hebben.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, de heer Daniëls had het daarnet over die structuren. Ik wil daar kort even op ingaan. Het klopt natuurlijk dat we een aantal structuren hebben afgeschaft en dat we in de regering hebben afgesproken en in het regeerakkoord hebben opgenomen om geen nieuwe structuren te creëren. Want met een structuur werk je niet samen. Je moet vanuit het terrein die samenwerkingen laten groeien.

Wat zien we nu? We zien dat de afschaffing van de SNPB-middelen (Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten) ertoe geleid hebben dat onze pedagogische begeleidingsdiensten nu spontaan met elkaar overleggen, dat veel meer dan vijf jaar geleden effectief zaken met elkaar worden gedeeld.

Straks zal ik nog een globaal antwoord geven op alle reacties, want mevrouw Meuleman wil ongetwijfeld ook nog van alles zeggen. Ik ga nu even in op de communicatie. Op dit ogenblik, in de weken die nu volgen, zien mijn administratie, de mensen van mijn kabinet en, als ik niet in het parlement moet zijn, ikzelf ook, meer dan 3000 schooldirecteurs. We geven hun alle informatie. We maken ook duidelijk dat elke school in vrijheid kan kiezen met wie ze zal samenwerken. We maken ook duidelijk wat alle collega’s hier ook zeggen.

En ik reken ook op de slagkracht van de scholen, en op de bereidheid dat te doen. In het regeerakkoord staat dat we vertrouwen willen geven aan scholen. Ze moeten in alle autonomie meer zaken kunnen beslissen. Hier kunnen ze dat bij uitstek. Ze moeten het dan verdorie ook willen doen. Ze moeten die autonomie en het vertrouwen dat we hun in dezen willen geven, ook willen aangrijpen.

Straks zal ik nog op een aantal zaken iets uitvoeriger antwoorden. Maar dat wil ik toch aangeven, omdat diverse collega’s vragen dat ook overal te zeggen. Op dit moment zien we 3000 schooldirecteurs. Eind vorige week, onmiddellijk na de stemming in de commissie, is de eerste brief naar alle scholen gestuurd, waarin onder andere ook duidelijk wordt gemaakt dat alle gon-middelen volgend schooljaar terugkeren, waardoor de rust overal kan weerkeren, waarbij we ook duidelijk maken welk geleidelijk proces we doorvoeren. Maar om nu nog een schooljaar te laten voorbijgaan waarbij we niet ingrijpen en de ondersteuning voor de toekomst niet vastleggen, dat zou voor mij een ongelooflijk gemiste kans geweest zijn. Ik ben er ook echt van overtuigd dat het momentum er nu is om die hervorming door te voeren, en dat, met de tijd die nog rest, de scholen zeker in staat zijn om tegen 1 september slagkrachtige, sterke netwerken samen te stellen.

Structuren zijn uiteraard nooit een doel op zich. Maar als men bespaart op netoverschrijdende initiatieven, dan is dat besparen op mensen, dan is dat op pedagogische begeleiders, op experts in onderwijshervormingen, en niet op structuren.

We hebben heel veel vertrouwen in mensen die op het veld staan, net zoals mevrouw Krekels. Er is veel expertise aanwezig in ons onderwijs. Maar laten we de middelen toch niet vernevelen, niet versnipperen, niet laten terechtkomen waar ze niet renderen.

Vandaag verkeren we in een situatie waarin de onzekerheid nog altijd groot is. Wees niet bang, collega Daniëls, we zullen de correcte informatie overal waar we komen, meegeven. Men vraagt nu toch wel van een aantal netten dat ze verplicht samenwerken, en een aantal inrichtende machten moeten dat niet doen. Dat is geen goede basis voor de toekomst. De vrijheid van onderwijs belemmert toch geen samenwerking, en die moet bindender worden gemaakt dan we vandaag de dag doen.

Het financieringsmechanisme noopt toch ook tot ongerustheid. Welk financieringsmechanisme schrijft men hier in? Men wil evolueren naar een lineaire financiering. Dat betekent in de feiten dat het aantal kinderen zal bepalen hoeveel middelen er toekomen bij een ondersteuning. Nochtans bepaalt niet het aantal kinderen hoe groot de zorgnood in een school is. Dat bepaalt de zorgnood van elk individueel kind. Daarom is het ongelooflijk raar dat men scholen voor de zorgondersteuning nu gaat financieren op het aantal, en niet op de zorggraad. Dat is de wereld op zijn kop. Het is alsof men gelijke kansen zou financieren door het aantal kinderen te bepalen en te betalen. Dat is toch niet de juiste aanpak. Het aantal zorgvragen moet duidelijker worden gedefinieerd.

Wat men hier doet, heeft in de feiten nog een ander pervers effect. Men weet dat en we hebben daarover gediscussieerd. Het eigen onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, dat jarenlang een trackrecord heeft van investeren in medische attestering en het ondersteunen van ouders, maar ook van investeren in extra zorgomkadering, dit eigen net verliest hier zomaar eventjes tientallen leerkrachten. Het kan toch nooit de bedoeling zijn dat dit parlement iets goedkeurt waar de eigen onderwijskoepel zo manifest het slachtoffer van is? Dit is toch geen goed bestuur? Dit is toch niet de jongeren en de inspanningen van een net belonen? Dit is niet de juiste aanpak.

Kathleen Helsen (CD&V)

Collega Gennez, ik ben echt verbaasd over uw tussenkomst, zeker omdat u tot sp.a behoort, die altijd zegt dat ze opkomt voor de zwakkeren in deze samenleving. Het is net via die lineariteit dat we daaraan tegemoetkomen, dat we zeggen dat er vandaag leerlingen zijn in ons onderwijs die om financiële redenen geen etiket of label hebben, die niet de mogelijkheid hebben om zich te laten onderzoeken, geen verwijzing krijgen naar buitengewoon onderwijs en die daardoor vandaag niet altijd kunnen rekenen op de ondersteuning die ze nodig hebben.

Met deze regeling lossen we dat net op. En u zegt dat dit niet goed is. Ik ben daar echt over verbaasd. Wij maken hier een regeling die heel sterk tegemoetkomt aan de leerlingen die in de zwakste gezinssituaties opgroeien en die ook de beste kansen krijgen via dit ondersteuningsmodel. En u zegt dat dit niet goed is. Wel, dit begrijp ik helemaal niet.

Mevrouw Gennez, als u hier de eerste keer dit amendement zou hebben gelezen, dan zou ik dat nog begrijpen. Want ik had, de eerste keer toen ik dit las, ook die reflex. Allez, wat doen we nu? 30 procent op basis van verslagen en 70 procent op basis van leerlingenaantallen, dat klopt toch niet.

Mevrouw Gennez, u hebt het amendement uiteraard zeer grondig gelezen. Er is een verschil tussen paragraaf 1 en paragraaf 2 wat het genereren van middelen betreft, en tussen paragraaf 3 en 4 wat het aanwenden van de middelen betreft. Wat staat er hier dus? In het amendement staat – ik sluit aan bij collega Helsen – dat we rekening houden met het aantal leerlingen dat er is omdat niet alle leerlingen een verslag hebben. Ik dacht dat u net degene was die zei dat zo’n verslag krijgen de mensen tijd en middelen kost. Wat we hier doen, is eigenlijk zeggen: de middelen worden gegenereerd door het aantal leerlingen en leerlingen met een verslag. En dan komen paragraaf 3 en 4 over de aanwending, en dat is belangrijk.

Het ondersteuningsnetwerk kan die jongeren ondersteunen die een ondersteuningsnood hebben. Dat is het cruciale punt. Ze zullen ondersteund worden.

Ik krijg regelmatig lessen van u, mijnheer Daniels, maar ik kan u geruststellen: ik heb mijn diploma met vrucht behaald. Ik heb wel degelijk begrepen dat er een verschil is in het genereren van de middelen en het toekomen van de middelen. We mogen natuurlijk het kind niet met het badwater weggooien.

Ik heb in de commissie, om mevrouw Helsen gerust te stellen, effectief een getuigenis afgelegd van mijn eigen ervaring als schepen in Mechelen. Ik heb in die functie gemerkt dat als je in een projectfinanciering voorziet voor bijvoorbeeld kinderen met een autismespectrumstoornis om extra zorg te genereren, je zelfs in een stad als Mechelen met 60 procent GOK-leerlingen alleen kinderen van hoogopgeleide en welgestelde ouders krijgt. Dat is inderdaad een voorwaarde om te zeggen: we gaan dat algemeen maken.

We mogen het kind met het badwater niet weggooien, want er zijn effectief heel veel jongeren wier ouders wel het initiatief hebben genomen om dat medisch verslag te laten maken. We kunnen toch niet net degenen die het initiatief genomen hebben om de extra zorg bij te leggen, straffen voor hun inspanningen uit het verleden. Dat is ook niet correct.

Dus, collega’s van de meerderheid, met het netoverstijgende profileert u zich wat te vrijblijvend, en u moet dat vandaag op deze tribune al erkennen, want u zegt zelf dat u het moet blijven zeggen, want dat men op het veld vandaag het tegenovergestelde communiceert van wat wij hier gaan beslissen. Het is toch wel godgeklaagd dat u dat blijft volhouden! En dat u dat ook doet in de manier waarop u de financiering regelt, namelijk lineair.

Ik denk dat als we zorg willen brengen bij elk kind dat het nodig heeft, we de financiering op basis van de zorgnood moeten definiëren, en niet op basis van het aantal kinderen. U gaat me er niet vanaf brengen: het is niet omdat er nu een aantal mensen zijn die het verslag niet aanvragen dat we hen niet zouden moeten informeren om het wel te doen. Want op basis van verslagen kan er ook wel degelijk goede zorg worden uitgerold. Het hoeft niet, maar in feite vandaag gebeurt het gelukkig in een aantal gevallen wel, want anders zouden mensen vandaag niet zo ongerust reageren, zowel leerkrachten, begeleiders als ouders.

Voor de mensen die vandaag actief zijn in het brede Vlaamse zorgbeleid is werkzekerheid belangrijk, maar gemotiveerde leerkrachten zijn nog veel belangrijker om die zorg ook effectief te laten renderen. Daar merk je dat er toch wel een en ander schort door het haastwerk, het knip- en plakwerk, dat de collega’s hier hebben afgeleverd.

Mevrouw Celis heeft de vraag nog gesteld naar de groeiende werkdruk in ons onderwijs, naar het risico op burn-out dat legio wordt. De besparingen van de Vlaamse Regering laten zich hier voelen. De beslissingen van de Federale Regering rond werkbaar werk en pensioenmaatregelen doen geen goed aan de motivatie van die heel geëngageerde, goedbedoelende en goedwerkende leerkrachten. Daarom, collega's, hoop ik dat bij de uitrol van het statuut dat nu nog niet bepaald is, als ik het goed begrijp, werkzekerheid hand in hand gaat met werksatisfactie, werkbaarheid en kwaliteitsvol werk, en dat de mensen die het effectief op het terrein moeten waarmaken, niet alleen zekerheid hebben maar ook de middelen en de mogelijkheden om hun werk goed te doen, naar behoren voor ouders en leerlingen.

Tot slot, collega’s, wil ik u uit de droom helpen, we hebben het in de commissie een ‘kumbaya’ genoemd die een beetje aandoenlijk was. We weten toch allemaal dat er vandaag mensen zijn die zeggen: ‘Ja, we willen echt graag netoverschrijdend samenwerken, we hebben het altijd gedaan, maar vandaag krijgen we heel duidelijk de richtlijn om het niet te doen. We gaan ons eigen netwerk vormen en we zien dan wel in een volgende fase wat er van die samenwerking in huis komt.’ In de feiten dreigen de mooie woorden van het netoverstijgend samenwerken en de kinderen centraal stellen, al te verdampen.

Voorzitter, ik zou willen concluderen dat men hier een typisch politiek compromis heeft afgeleverd: het kwam te laat; het zorgt voor onrust; het zet niet de noden van de kinderen of de ouders centraal; voor de leerkrachten valt het nog te bezien in welke context ze zullen moeten werken; het netoverschrijdende karakter is wat ons betreft te vrijblijvend. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, ik wil toch echt nog een paar dingen zeggen. Ik weet, we zijn al een tijdje bezig en er is al heel wat gezegd, maar dit verzameldecreet is te belangrijk om zomaar te laten passeren.

We hebben hier inderdaad te maken met een verzameldecreet, een decreet dat eigenlijk bedoeld is om een aantal kleinigheden te regelen en ervoor te zorgen dat een volgend schooljaar ordentelijk zou kunnen verlopen. Maar dit verzameldecreet doet wel degelijk enigszins iets anders. En het gaat dan zelfs nog niet via het verzameldecreet, maar via amendementen. Een volledig toekomstig ondersteuningsmodel, dat moet zorgen voor de  ondersteuning van kinderen met een beperking in het gewoon onderwijs, wordt uitgetekend. En dat zal deze Vlaamse Regering doen via amendementen op een verzameldecreet.

Ik weet dat er parlementsleden van de meerderheid zijn – ze zijn hier nog allemaal aanwezig – die ontzettend hard hebben gewerkt. Ze hebben een paar avonden – en misschien ook nachten – doorgewerkt om die amendementen rond te krijgen. Maar ondanks die goedbedoelde inspanningen denk ik niet dat dit de manier is om een ondersteuningsmodel dat zulke grote gevolgen heeft op het veld, uit te tekenen.

Het moest allemaal zeer snel gaan. Dit ondersteuningsmodel moet ingaan op 1 september volgend schooljaar. Dat is binnen twee maanden. We zijn ondertussen 7 juni, drie weken voor het einde van het schooljaar. Op 1 september moeten scholen met een volledig nieuw ondersteuningsmodel aan de slag gaan. Ze moeten aangeven tot welk ondersteuningsnetwerk ze willen behoren. Die ondersteuningsnetwerken moeten nog worden samengesteld – en dit allemaal op minder dan drie weken van het einde van het schooljaar. 

Collega’s, ik heb een aantal ouders op bezoek gekregen. Ik weet dat een aantal collega’s dezelfde of andere ouders op bezoek hebben gekregen. Er zijn ouders van Limburg naar het parlement gekomen. Ze zeiden: ‘We zijn het beu om van de kabinetschef van de minister een nietszeggende mail te krijgen die een zeer vaag antwoord geeft op onze vragen. We kunnen het niet meer aan. Het gaat om onze kinderen.’ Het zijn heel vaak kinderen met ASS of andere problematieken. Zij kunnen het niet aan om de vakantie in te gaan, niet wetende wat de ondersteuning zal zijn voor hun kind volgend schooljaar. Ze hebben het CLB gecontacteerd, ze hebben de school gecontacteerd, ze zijn verschillende keren naar de school geweest, ze hebben uit wanhoop de minister meermaals aangeschreven, ze hebben parlementsleden aangeschreven, maar het antwoord kwam niet. Ik denk we dat die mensen en zeker kinderen met autismespectrumstoornissen, die meer dan wie ook nood hebben aan structuur en zekerheid, die duidelijkheid verplicht waren. De manier waarop hier gewerkt is, was voor hen echt onmenselijk.

Een aantal onder jullie hebben die mensen ontvangen. Het ging niet over één iemand. Het waren groepen ouders die, op van de zenuwen en met tranen in de ogen, aan onze bureaus stonden. Ze zeiden: ‘Zo kunnen wij niet werken. Dit kunnen we ons kind niet aandoen.’ Er zijn er ook die een verzoekschrift hebben geschreven. Ik denk dat we die nog moeten antwoorden. Ze willen toelichting komen geven. We zijn het verplicht om die mensen persoonlijk te ontvangen en te zeggen: ‘Kijk, we proberen u die zekerheid te bieden.’

Het ergste is dat ik vrees dat we – of beter, jullie, want uiteindelijk is het een meerderheidsvoorstel en de oppositie, of althans mijn fractie, is niet van plan om het ontwerp van decreet te steunen – hun de zekerheid die ze wensen niet zullen geven.

Zij zeggen dat hun kind nood heeft aan individuele ondersteuning. Het is zeer goed dat meer wordt ingezet op ondersteuning van leerkrachten, het is zeer goed dat men ervoor zal zorgen dat er meer ondersteuning in de klas komt, maar die mensen hebben een kind met een problematiek die misschien niet zo zichtbaar is als de problematiek van een fysieke beperking, een zware mentale beperking, een complexe handicap, een auditieve beperking. In die gevallen is het duidelijk dat er een een-op-eenbegeleiding nodig is. Een kind met ASS kan zich echter bijzonder sterk houden op school, zijn best doen om mee te kunnen, op zijn tenen staan om ook op de speelplaats in te passen zoals die kinderen vaak doen om dan thuis te komen en te ontploffen omdat de spanning veel te groot was. Zij ontploffen omdat ze dat moment dat ze altijd hebben gehad met een gon-begeleider, een vertrouwenspersoon of een rustpunt, niet zullen hebben. Het gaat om de mogelijkheid om die individuele begeleiding nog te krijgen. Zal die er zijn of zal die er niet zijn? U kunt zeggen dat ze die individuele begeleiding nog zullen kunnen krijgen, maar in de amendementen die u voorlegt, zijn geen garanties opgenomen. Voor een aantal types staat er zeer duidelijk vermeld dat er een voorafname gebeurt en dat die kinderen een een-op-eenbegeleiding krijgen. Zij krijgen het rugzakje waar ze recht op en nood aan hebben. Voor een aantal kinderen en types is dat echter niet gegarandeerd in het ontwerp van decreet en dat zou volgens mij problematisch kunnen zijn.

Mevrouw Helsen, ik wil groot vertrouwen hebben in de ondersteuningsnetwerken.

Mevrouw Meuleman, u hebt net het woord vertrouwen uitgesproken. Ik hoor echter aan uw betoog dat u helemaal geen vertrouwen hebt in die netwerken. U zou daar wat vertrouwen in moeten hebben. Die netwerken bestaan vandaag ook, zij weten welke noden bepaalde kinderen hebben. Een school kan een vraag richten tot die netwerken wanneer zij het gevoel heeft dat het voor sommige kinderen niet lukt op school. Die netwerken sturen dan iemand met een bepaalde expertise die zal bekijken wat dat kind en wat die leerkracht nodig hebben om ervoor te zorgen dat het wel lukt in de klas en op school. Samen met de zorgleerkracht, de leerkracht, de ouders en het kind zelf wordt bekeken hoe daar het best mee kan worden omgegaan. Het voordeel in tegenstelling tot het gon van vroeger is dat dit systeem flexibel kan worden ingezet wanneer het nodig is. Vertrouwen is hier de sleutel, mevrouw Meuleman.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Meuleman, u vraagt welke garanties er nu in dit ontwerp van decreet staan. Ouders zijn bang en onzeker dat er geen ondersteuning meer zal komen. Voor die kinderen – en u geeft een aantal voorbeelden – die deze individuele ondersteuning broodnodig hebben, zullen de experten er ook zonder twijfel voor kiezen om die ondersteuning aan te bieden. Vandaag hebben zij het probleem dat het kader te beperkend is, dat wij heel duidelijk strak aflijnen hoeveel uren gedurende hoeveel jaar ondersteuning kan worden aangeboden.

In de praktijk stellen we vast dat bepaalde leerlingen nog recht hebben op ondersteuning, terwijl sommigen dat zelfs niet meer nodig hebben, terwijl anderen met die beperkte ondersteuning die we vandaag bieden, daar eigenlijk niet voldoende mee hebben en meer ondersteuning nodig hebben. Vandaag maken wij mogelijk dat vanuit die expertisenetwerken kan worden bekeken wat de noden zijn van het kind. Als het kind nood heeft aan veel individuele ondersteuning, dan is er de ruimte om die ook te bieden. Wanneer die individuele ondersteuning niet meer nodig is, zal het expertisenetwerk uiteraard in overleg met de school en ouders voorstellen om de ondersteuning op een andere manier in te vullen. In het verleden was er ook geen enkele garantie dat maximaal werd tegemoetgekomen aan de noden van het kind. Vandaag biedt het netwerk wel die mogelijkheid.

Minister Hilde Crevits

Ik wil iets aanvullen op de zeer correcte woorden van collega Helsen. Collega Meuleman, het is een transitie die een aantal jaren in beslag zal nemen. Het is dus niet haastig, haastig, haastig, zoals u zegt. Alle scholen hebben bericht gekregen dat ze 100 procent van hun gon-begeleiding volgend jaar opnieuw krijgen, net om alles rustig te laten verlopen. Bovendien trekken we extra middelen uit voor kinderen die tot nu altijd verstoken zijn gebleven van begeleiding, de kinderen met zware gedragsproblemen en de kleutertjes met het syndroom van Down. Ik vind het een goede zaak. Net om dat te vermijden wat u net aanhaalt, namelijk dat ze het niet weten, hebben we aan de scholen laten weten dat ze volgend schooljaar hun gon-middelen opnieuw krijgen. Kom mij nu niet vertellen, in tegenspraak met datgene wat u vroeger zei, dat de regeling waarbij kindjes met autisme die in ons onderwijs schoollopen, gedurende twee jaar twee uurtjes ondersteuning krijgen, na een medisch attest, nu plots de ideale wereld is. We willen daar nu van af. We willen dat kinderen de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben en dat ook leerkrachten de kans krijgen om fatsoenlijk ondersteund te worden, want voor veel kinderen met ASS, niet allemaal, is de manier waarop de leerkracht omgaat met de klasgroep, bepalend voor het welbevinden en het geluk van het kind. Dat willen we nu meer mogelijk maken.

Natuurlijk zijn er nog andere kinderen. Ik heb vandaag via de voorzitter een brief van een papa gekregen die zegt dat zijn kind individuele begeleiding nodig heeft. Wel, dat is net de reden waarom we het vertrouwen aan de netwerken willen geven. Ze worden ook georganiseerd vanuit het buitengewoon onderwijs, omdat daar ook ASS-expertise zit. We willen die kinderen, afhankelijk van de resultaten van het overleg dat er is gebeurd, de gepaste ondersteuning geven en willen geen eenheidsworst meer voor alle kinderen die vanuit het buitengewoon onderwijs nu schoollopen in het gewoon onderwijs. Daar willen we van af. Dat is een uitstekende zaak, die inderdaad wat vertrouwen zal vragen van het veld. Dat vertrouwen wil ik zeer graag geven. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

Ik ben het ermee eens en ik heb altijd erkend dat het systeem van gon-begeleiding, hoewel daar prachtige dingen zijn gebeurd en een schitterende ondersteuning is geweest, meestal van twee jaar, te weinig was. Dit biedt mogelijkheden om dat open te breken en ervoor te zorgen dat kinderen die meer nodig hebben, in theorie meer zouden kunnen krijgen.

Ik zie twee problemen. Eerst en vooral: wie gaat dat beslissen? Je hebt inderdaad de ondersteuningsnetwerken. Ik heb gezien in een brief die is verstuurd, dat er een soort stuurgroep zou worden gevormd. Daar zitten een competentiebegeleider, iemand van het CLB en een coördinator van het netwerk in. Mijn vraag is: is dat niet een soort toegangspoort? Dat zou ik te allen prijze willen vermijden. Die mensen zullen beslissen wat een bepaald kind nodig heeft, zonder dat degenen die echt weten wat het kind nodig heeft, de nodige inspraak zullen hebben en medebeslissingsrecht om te kunnen aangeven dat zijn kind echt wel die individuele begeleiding nodig heeft.

Ik heb het voorbeeld aangehaald van ouders die zeggen dat hun kind zich supersterk houdt op school, het is erop getraind om dat te doen, maar ’s avonds ontploft het. De ouders moeten kunnen zeggen: ‘Het gaat niet meer, het overstijgt mijn draagkracht thuis omdat mijn kind op school steeds op zijn tenen staat.’ We kennen ze allemaal, kinderen met lichte autismespectrumstoornissen, met zwaardere autismespectrumstoornissen. Ze houden zich sterk maar crashen daarna. Ik zou bij degenen die zullen moet bepalen wat de ondersteuning is, de ouders een veel grotere rol en inspraak geven. We moeten ook garanderen dat de school voldoende medezeggenschap heeft. De school zie ik niet volledig als degene die mee zal kunnen beslissen en bepalen welke ondersteuning nodig is. Dat ontbreekt in het decreet.

Waarom denk ik nog altijd dat de garanties onvoldoende zijn? Ik denk dat er te weinig middelen zullen zijn, minister. Dan komen we bij het punt van de verdeling. We hebben de verdeling van de middelen a rato van 70 procent op basis van het leerlingenaantal en 30 procent op basis van zorgnoden. Scholen met heel veel leerlingen, maar daarom niet veel zorgkindjes, genereren veel middelen voor het ondersteuningsnetwerk. Scholen met minder kinderen maar met veel zorgnoden, genereren maar 30 procent van de middelen, dus minder middelen. Dat komt in de pot van het ondersteuningsnetwerk terecht. Zij moeten herverdelen en krijgen middelen van een bepaalde school binnen, maar gaan die inzetten in een andere school waar de zorgnoden het grootst zijn. In theorie vind ik dat de logica zelf, en ons onderwijs zou dat moeten kunnen. Ik ben ook bereid om ze dat vertrouwen te geven.

Maar als je schaarste moet beginnen te verdelen … Dat zie je ook met werkingsmiddelen. Plattelandsschooltjes hebben het soms moeilijk met GOK-middelen voor de steden, omdat hun noden ook zo groot zijn. En dat zal het geval zijn met wat we nu aan het doen zijn voor het M-decreet. Basiszorg, de gewone zorg, kinderen met taalproblemen, kinderen met emotionele problemen: dat moet al aangepakt worden. Dat is niveau nul: kinderen die hier of daar eens wat extra bijsturing nodig hebben. Niveau één: kinderen die wat meer zorg nodig hebben, omdat ze wat taalachterstand hebben. Niveau twee: kinderen met verhoogde zorgnood. Niveau drie: kinderen die echt die rugzakfinanciering hebben. Dat alles willen we doen met middelen die eigenlijk bedoeld zijn voor het M-decreet, voor inclusief onderwijs en voor die verhoogde noden twee en drie.

In de communicatie staat er dat dat echt bedoeld is voor niveau twee en drie, de verhoogde zorg. Mijn vrees is dat dat misschien niet het geval zal zijn. Dat staat ook nergens gebetonneerd in de amendementen of in het ontwerp van decreet. Ik vrees dus dat men die middelen toch zo zal verdunnen en dat die een stuk voor die basiszorg zullen worden gebruikt, omdat er ook daar echt wel vragen zijn van op het veld, en dat er dus onvoldoende zal zijn om echt in te zetten voor al die kinderen die het nodig hebben en die het recht hebben om in het gewone onderwijs dezelfde ondersteuning te krijgen als ze zouden krijgen in het buitengewoon onderwijs. Dat is mijn tweede vrees, waarom ik denk dat wat inderdaad wel mooi is en kan werken in theorie, in de praktijk zeker goede monitoring zal vragen. Ik begrijp echt wel de ongerustheid van de ouders daarover.

Ik geloof ook in de goede intenties van de meerderheidspartijen om netoverschrijdend werken te bevorderen. Iedereen is ervan overtuigd dat het absurd zou zijn om in één regio verschillende ondersteuningsnetwerken te hebben, autootjes van de verschillende netten die rondrijden om scholen te gaan ondersteunen in het Gentse. Eén net zal dan misschien niet voldoende scholen hebben. Die zullen dan met de auto naar het Meetjesland moeten rijden. Die spenderen dan meer tijd in de auto dan op de klasvloer. We willen dat vermijden. Jullie willen dat ook vermijden, daar ben ik van overtuigd. Jullie willen vermijden dat expertise in het drie- of viervoud ontwikkeld wordt.

We krijgen vanuit het veld signalen die het omgekeerde zeggen. Koepels en netten zijn hun scholen al aan het aanschrijven dat ze zich moeten aansluiten bij het ondersteuningsnetwerk van hun koepel. Er is hier heel duidelijk gesteld door jullie allemaal – en dat is belangrijk – dat dat niet de bedoeling is van dit ontwerp van decreet. Dat is niet wat we gevraagd hebben, maar het gebeurt wel. Er zullen nog communicatie en omzendbrieven nodig zijn om dat nog eens heel hard te benadrukken en te bevestigen.

Anderzijds, minister, krijgen we berichten van bijvoorbeeld een school uit Lovendegem, die groen licht heeft gekregen om een extra opleiding type 9 te gaan programmeren in Onze-Lieve-Vrouw-ten-Doorn in Eeklo, terwijl daarnaast, op een aantal honderden meters van die school die een nieuw type 9 zal opstarten, een provinciale school is die exact hetzelfde doet. De mensen uit die provinciale school zijn enorm verbaasd en zeggen: waarom moet er hier nu nog een type 9-autismeschool extra geprogrammeerd worden? Wij dachten dat we efficiënter moesten werken, dat we moesten samenwerken, dat we netoverschrijdend gingen samenwerken. Wij kunnen als provinciale school echt wel onze expertise delen, iedereen is welkom om bij ons aan te sluiten. Waarom dan die nood om op een paar honderden meters van diezelfde provinciale school nog eens hetzelfde te doen in het katholiek onderwijs? Zogezegd was daar nog een gat en waren ze daar niet gebiedsdekkend. Dat is exact wat we probeerden te vermijden en waar de Vlaamse Regering dan toch goedkeuring aan heeft gegeven, en dat nog blijkt te doen. Misschien hebt u daar een andere goede verklaring voor, minister, maar dat leek mij toch wel frappant. Dat leek me net het omgekeerde te zijn van de theorie die hier in het parlement verkondigd wordt.

Ten slotte, minister, begrijp ik dat er wat ongenoegen is bij sommige netten die er, ondanks jarenlange inspanningen en het opbouwen van expertise, door de huidige berekeningen toch wat bekaaider van afkomen en niet beloond zijn voor de inspanningen die ze in het verleden hebben gedaan op het vlak van inclusief onderwijs en expertiseopbouw. Er is geprobeerd om daar een mouw aan te passen en enkele overgangsjaren te realiseren.

Het is in elk geval geen stimulans om door te zetten op het vlak van inclusief onderwijs. Ik blijf dat toch wel een spijtige zaak vinden.

Minister, er blijven nog heel wat vragen over. Ik begrijp dat u snel wilde beginnen met de 15 miljoen euro die u hebt kunnen vrijmaken en dat u die al wilde inzetten vanaf 1 september 2017. Maar ik begrijp totaal niet waarom er niet vroeger werk is gemaakt van een nieuw ondersteuningsmodel. U bent al twee jaar bezig met het M-decreet. Het M-decreet is goedgekeurd op het einde van de vorige legislatuur. Toenmalig minister van Onderwijs Pascal Smet vond dat we nu maar de Rubicon moesten oversteken en dat het ‘point of no return’ was bereikt. Maar ook toen was onvoldoende uitgewerkt hoe alles zou verlopen. We hebben gezien wat dat op het veld heeft gegeven. Er is chaos geweest, er zijn problemen geweest, er werden menselijke drama’s veroorzaakt. Ik vrees dat we misschien gelijkaardige drama’s zullen krijgen door de manier van werken van nu, door alles op een zeer gelijkaardige manier op het laatste moment nog goed te keuren, zonder dat er al concreet zicht is op de praktische organisatie. Ik had echt wel gehoopt dat we dat zouden kunnen vermijden.

Minister, er zitten nog een aantal andere zaken in OD XXVII. Dit decreet regelt het ondersteuningsmodel. Maar het is niet de enige grote hervorming die met dit verzameldecreet wordt doorgevoerd. Er is ook de hervorming van het volwassenenonderwijs. Dat is ook echt een fundamentele hervorming. De heer Daniëls zei al dat dit echt wel een eigen decreet verdiende. Wij vinden dat dit een logica van schaalvergroting is en rationalisatie, maar er zijn geen hervormingen die uitgaan van een visie die zegt dat het volwassenenonderwijs veel meer lerenden moet bereiken. De Vlaamse Regering wil een doelstelling van 15 procent levenslang lerenden bereiken tegen 2020. We zitten op dit moment aan 7 procent. Dat is slechter dan in 2009. We boeken geen vooruitgang. We hebben een goed volwassenenonderwijs nodig, dat ervoor zorgt dat mensen blijvend blijven leren. Wat nu gebeurt, is een schaalvergroting waardoor we vrezen dat een aantal troeven van het volwassenenonderwijs – laagdrempeligheid, nabijheid – verloren zullen gaan. We zien hier niet echt de visie van een performant volwassenenonderwijs en een Vlaamse Regering die daarvoor gaat en erin gelooft.

We hebben ook problemen met een aantal maatregelen die worden genomen in het basisonderwijs. Het basisonderwijs heeft zelf gezegd dat het een deftig plan verdient. Het basisonderwijs in Vlaanderen is, in vergelijking met andere OESO-landen, ondergefinancierd. Dat is ook zo in vergelijking met het secundair onderwijs. Het basisonderwijs verdient een plan. Nu worden er maatregelen genomen op het vlak van taal, kleuters, attestering en getuigschriften, proeven. Dat zijn losse maatregelen, die in een echte visie op het basisonderwijs hadden moeten worden genomen.

Minister, ten slotte is ook kleuterparticipatie voor ons zeer fundamenteel. Niemand twijfelt aan het feit dat een succesvolle onderwijscarrière en schoolse uitval kunnen worden bestreden met goed en degelijk kleuteronderwijs. Alle kleuters zouden moeten worden bereikt. Of dat zal gebeuren met een maatregel die de verplichte aanwezigheid van 220 naar 255 dagen optrekt, daar heb ik de grootste twijfels over. Ik denk dat er op het vlak van kleuteronderwijs andere maatregelen moeten gebeuren. Ook hier hebben de Vlaamse Regering en de overheid een grote verantwoordelijkheid: om ervoor te zorgen dat er voldoende capaciteit is zodat kleutertjes op een goede manier in deftige klasjes naar school kunnen gaan, dat ze kunnen rusten en eten in een refter die niet overvol is en die ook nog wordt gebruikt als klaslokaal en als van alles.

Met betrekking tot capaciteit en tot werkingsmiddelen die gelijk moeten worden getrokken, heeft deze Vlaamse Regering nog een grote verantwoordelijkheid. Er was ook de belofte om de werkingsmiddelen gelijk te trekken. Dat doet men niet. Integendeel. Men gaat de ouders bestraffen, of de kinderen die halve dagen aanwezig zijn en die anders moeten blijven zitten. Wat daar het nut van is, is ons niet direct duidelijk.

Wij hebben dus echt wel fundamentele vragen bij dit verzameldecreet OD XXVII. Mijn fractie zal dit decreet dan ook niet goedkeuren.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, ik wil kort een aantal algemene bemerkingen geven over wat ik hier hoor over het ondersteuningsmodel. De teneur die ik persoonlijk ervaar in mijn regelmatige contacten met het onderwijsveld, is anders dan de teneur die hier door sommige collega’s wordt geschetst. Ik hoor dat men zeer tevreden is dat er uiteindelijk een beslissing is genomen, en dat hoor ik zowel bij ouders als bij scholen. Anderzijds moeten we echter ook niet flauw doen: dit betekent niet dat sommige ouders geen vragen of zorgen meer hebben. Dat is juist, en het is evident dat er binnen sommige scholen nog vragen zijn. Ik heb echter toch begrepen dat de minister zegt in de komende dagen en weken drieduizend onderwijsdirecties te zullen ontmoeten.

Netoverstijgende samenwerking? Uiteraard, zou ik zeggen, maar dan het liefst in alle richtingen, en ik ben me er ook van bewust dat dat voor sommigen een groeiproces zal zijn.

Minister, ten slotte wil ik nog het volgende meegeven. De bekwaamheidsbewijzen van het gespecialiseerd personeel dat nu werkt in het buitengewoon onderwijs en in het gewoon onderwijs wordt tewerkgesteld, moeten in de toekomst zeker en vast ook nog eens verder worden bekeken.

Minister Hilde Crevits

Ik dank de leden voor alle zeer geëngageerde uiteenzettingen. Voorzitter, ik vind het eigenlijk bijzonder goed dat een ontwerp van decreet ook eens heel grondig in het parlement wordt besproken. In dit ontwerp zitten een aantal zaken die heel veel parlementsleden, heel veel mensen, heel veel leerkrachten, heel veel directies aanbelangen en die toch ook vrij fundamenteel de toekomst van het onderwijs mee bepalen. Daar mag dus gerust eventjes over worden gediscussieerd.

Ik heb van collega Tommelein begrepen dat de afspraak vanaf nu voor de toekomst zou zijn dat alle onderwijsdecreten als laatste worden geprogrammeerd. Ik zou het zeer betreurenswaardig vinden dat de debatten, die toch op hoog niveau worden gevoerd, niet vroeg zouden mogen worden geprogrammeerd omdat collega’s vermoeden dat ze snel weg zouden geraken. Ik zeg dat echter bewust. Dat komt dan in het verslag en ik ga ervan uit dat recht zal geschieden in dezen.

Wat de inhoud van OD XXVII betreft, het ontwerp bevat een aantal thema’s die ervoor moeten zorgen dat de schoolstart op 1 september goed gecoördineerd kan verlopen. Ik verwijs dan in het bijzonder naar de heer De Meyer. Ik zal niet in detail ingaan op een aantal maatregelen die we nemen in het kleuter-, het basis- en het secundair onderwijs. Leden hebben nog een aantal zorgen aangereikt, maar die zijn uitvoerig aan bod gekomen in de plenaire vergadering, denk ik.

Wat het volwassenenonderwijs betreft, weet ik dat er een zorg is om daar een apart decreet voor te maken. Ik ben daar zelf ook een grote fan van, maar dit is de eerste stap inzake de toekomst voor het volwassenenonderwijs. We moesten eerst de schaal bepalen. Er komt nog een financieringsdecreet, dus dat kan perfect een eigenstandig decreet zijn, maar de schaalvergroting was nodig. Ik ben het niet eens met zij die zeggen dat schaalvergroting geen extra kansen biedt. Integendeel, dit gaat niet over een afschaffing van vestigingsplaatsen. Het volwassenenonderwijs blijft dus onderwijs dat heel dichtbij is, maar als diverse centra samenwerken en de schaal wordt groter, dan hebben ze veel meer slagkracht om veel meer zaken aan te bieden aan veel meer mensen. Dat is dus zonder uitzondering een positieve zaak. Het zou anders zijn mochten we met één pennentrek beslissen om het aantal vestigingsplaatsen te gaan beperken, maar dat doen we niet. Het is voor mij als minister ook van belang dat die vestigingsplaatsen nooit een negatieve impact kunnen hebben op de financiering. Integendeel, we moeten ervoor zorgen dat het onderwijs heel dicht bij de mensen kan.

Wat het volwassenenonderwijs betreft, ik ben nog altijd verbaasd als mensen zeggen dat er geen inhoudelijke focus in zit. Ik ben altijd zeer duidelijk geweest: voor mij is de prioritaire opdracht van ons volwassenenonderwijs en van de centra voor basiseducatie het versterken van mensen, met de focus op de meest kwetsbaren, zij die door omstandigheden niet de kans hebben gehad om bijvoorbeeld een diploma secundair onderwijs te behalen.

Het is deze week nog gebleken uit de monitor van VDAB: 37 procent, bijna 40 procent van de mensen die geen diploma secundair onderwijs hebben, heeft na een jaar inschrijving nog altijd geen job. We moeten de mensen dus versterken. De waarde van een diploma secundair onderwijs is fenomenaal, en mij doet het echt pijn aan het hart te zien hoe groot de groep mensen is die er tot op vandaag en in het verleden niet in zijn geslaagd om een diploma te halen.

In de toekomst is dat een, zo niet dé kerntaak van het volwassenenonderwijs om de emancipatie van mensen mogelijk te maken.

Het tweede hete hangijzer van dit decreet is de manier waarop leerlingen worden ondersteund. Ik krijg het moeilijk wanneer ik hier hoor dat het haastwerk is. Sinds ik minister van Onderwijs ben geworden, bijna drie jaar geleden, zitten we met een grote groep mensen samen om de toekomst van het onderwijs uit te tekenen. Komt u me dus niet vertellen dat alles snel is moeten gaan. Wat nu voorligt, is de vrucht van bijna drie jaar werken. Met de sociale partners is grondig overlegd. Ze hebben inhoudelijke bijsturingen gedaan. Ze gaan ook akkoord met de hervorming. Hier hoor ik onheilstijdingen over de personeelsdrama’s, maar we hebben zeer veel aandacht gehad voor de gevolgen voor het personeel.

Uitgerekend vanmiddag heeft de stuurgroep sluitende afspraken gemaakt, mevrouw Meuleman. U hebt gelijk: die middelen zijn niet bedoeld voor leerlingen met zorgniveau 0 en 1. Het is evenwel ook van belang dat in de begeleidingsgroep afspraken worden gemaakt voor wie de begeleidingsmiddelen zullen dienen. Vandaag zijn er afspraken gemaakt en dat zal ook op een correcte wijze aan de scholen worden meegedeeld. Ik engageer me ervoor dat die middelen ook daadwerkelijk worden ingezet voor de ondersteuningsnoden waarvoor ze zijn bedoeld. Het is echt niet zo dat de manier waarop de middelen worden gegenereerd, gelijk is met de manier waarop ze aan de scholen worden teruggegeven. Het ondersteuningsnetwerk zal bepalen hoe de steun op maat van het kind er zal uitzien.

Mevrouw Meuleman, u zegt dat de ouders daarbij moeten worden betrokken. Natuurlijk is dat zo. De CLB’s, de scholen buitengewoon onderwijs en uiteraard de ouders gaan na wat het beste is voor het kind.

Elke verandering die we in het onderwijs invoeren, is bijzonder. Voor sommigen verandert er niets, en die stellen zich dan vragen. Voor anderen verandert er te veel. Het is aan ons om de rust en de kalmte te bewaren en ervoor te zorgen dat elke wijziging op een zorgzame manier gebeurt. Voor het verslag geef ik toch nog een paar van onze krijtlijnen mee. We gaan uit van de stelling dat elk kind de ondersteuning moet krijgen die het nodig heeft. Hand in hand met de versterking van het kind moet ook de leerkracht worden versterkt. Als leerlingen wel willen ondersteunen, maar niet weten hoe, moeten ze worden versterkt. Zelf heb ik het meegemaakt dat kinderen met ASS in het ene leerjaar goed functioneren en in het andere niet goed. Kom me dan niet zeggen dat dit niets te maken heeft met de manier waarop de leerkracht met dat kind in de klas omgaat. Er is dus nog veel werk aan de winkel, en dit nieuwe model wil alle leerkrachten alle kansen geven.

Wat de middelen betreft, is het zo dat vroeger 63 miljoen euro naar gon ging, terwijl het volgend schooljaar 107 miljoen euro wordt. Het betreft een substantiële stijging van de middelen die ervoor moet zorgen dat de kinderen in het gewoon onderwijs goed worden ondersteund en het M-decreet ook effectief werkt. Wie neemt de regie op? Er is daarover een groot debat gevoerd. We geven op dat punt veel vertrouwen aan de scholen buitengewoon onderwijs. Want de expertise van onze scholen buitengewoon onderwijs moet worden gewaardeerd.

Mevrouw Meuleman, het voorbeeld dat u gaf over type 9 toen u het over de netoverschrijding had, vind ik bijzonder vreemd.

Er is immers een groot verschil met de schoolkeuzes die ouders maken. Ouders kunnen hun kind naar het provinciaal onderwijs, het vrij onderwijs of het gemeentelijk onderwijs laten gaan. De reden waarom de minimumpakketten zijn uitgevonden, is net omdat we ervoor willen zorgen dat die keuzevrijheid gewaarborgd blijft. Als ik een katholieke school van het type 9 erken terwijl er ook al een provinciale school is, zorg ik er gewoon voor dat de ouders kunnen kiezen waar hun kind naar school gaat.

Dat is helemaal anders dan de ondersteuning van de zorgnoden van kinderen in het gewoon onderwijs. Op dat vlak wil ik wel dat netoverschrijdend wordt samengewerkt. Daar is het de logica zelve dat de samenwerking ontstaat dichtbij de plaats waar de kinderen naar school gaan en dat ze minder met de auto moeten worden rondgereden dan nu het geval is.

Mevrouw Meuleman, ik dacht dat u bijzonder blij zou zijn met de bijkomende erkenning van scholen van type 9. Ik heb vastgesteld dat er, over alle netten heen, een nood is aan buitengewoon onderwijs en aan scholen van type 9. Dat is zeker het geval in Oost-Vlaanderen. Dat is de reden waarom we er met onze laatste beslissing een aantal opnieuw hebben erkend.

Dit staat echter volkomen los van de vraag om netoverschrijdende samenwerking in het gewoon onderwijs. We willen de kinderen een optimale ondersteuning bieden en de leerkrachten versterken. We willen dat de goede samenwerkingsverbanden die nu al bestaan, behouden blijven. Dat wil ik als minister onderstrepen. We willen in de toekomst in heel Vlaanderen zien dat wat de voorbije twee jaar is ontstaan overal wordt uitgerold. We willen dat de expertise van de gon-begeleiders en de waarborgcoaches maximaal wordt gewaarborgd. Dat is de reden waarom we de scholen nu al, nog voor hier een stemming heeft plaatsgevonden, hebben laten weten dat de gon-uren voor het volgend schooljaar terug naar de scholen gaan. Dat is wat me hier is gevraagd.

We hebben voorzien in een bijkomend budget voor kinderen waarvoor tot nu toe in niets was voorzien. Het gaat om kinderen met zware gedragsstoornissen en om kinderen van het type 2. We nemen een transitieperiode van drie schooljaren in acht. Alle gon-begeleiders zullen opnieuw aan de slag kunnen. Wat ik soms in mijn mailbox vind, is hallucinant. Er zijn mensen die denken dat ze niet meer zullen kunnen werken. Dat is onjuist. Zeker voor scholen van bepaalde types zullen ze meer dan ooit nodig zijn. Dankzij de bijkomende budgetten zullen honderden leerkrachten en ondersteuners kunnen worden aangeworven.

Het is een hervorming die op het terrein wat werk vergt. Ik wil echter besluiten met de opmerking dat deze hervorming er na een zeer lang en intens overlegproces is gekomen. Dit is geen plat politiek compromis, maar een echte hervorming in functie van de zorgnoden van alle kinderen in Vlaanderen. Het is een hervorming die alle kinderen ten goede zal komen en die, samen met die kinderen, ook onze leerkrachten zal versterken.

Indien het Vlaams Parlement zo vriendelijk is dit ontwerp van decreet vandaag goed te keuren, zal ik een gelukkig minister zijn. Ik zal uiteraard bezorgd zijn om de uitrol op het terrein, maar dat hoort bij elke hervorming. Ik ben vol vertrouwen in de manier waarop onze Vlaamse scholen aan de slag zullen gaan met de nieuwe kansen die ze zullen krijgen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 1146/4)

– De artikelen I.1 tot en met IX.22 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.