U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 29 maart 2017, 14.11u

Voorzitter
van Ward Kennes aan minister Liesbeth Homans, beantwoord door minister Philippe Muyters
280 (2016-2017)
De voorzitter

De actuele vraag van de heer Kennes, die hierna geagendeerd staat, wordt samengevoegd met deze actuele vraag.

Het antwoord wordt gegeven door minister Muyters.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Dank u wel, voorzitter. Op die manier staan we nog sterker aan deze kant van het spreekgestoelte.

Minister, collega’s, iets meer dan twee jaar geleden stond ik hier om iets te zeggen over hetzelfde onderwerp, de kennis van het Nederlands bij onze Vlaamse werkzoekenden. Gelukkig zijn de omstandigheden al een beetje beter. Toen waren er meer dan 240.000 Vlamingen werkzoekend. Ondertussen zitten we onder de 220.000. Dat is een heel positieve evolutie. Maar helaas zien we dat bepaalde groepen niet mee zijn. Dan gaat het bijvoorbeeld over werkzoekenden van allochtone origine, bij wie de werkloosheid stijgt.

Ik heb met een schriftelijke vraagt gepeild naar de talenkennis, de kennis van het Nederlands, bij die groep werkzoekenden. Er zijn 37.000 werkzoekenden in Vlaanderen die geen of nauwelijks Nederlands kennen. 10.000 in die groep zijn al zeer langdurig, meer dan twee jaar, werkzoekend. We hebben dus effectief een probleem als we kijken naar de talenkennis van onze werkzoekenden.

Als we het hebben over inburgering en integratie, is talenkennis de eerste factor die daarbij altijd aan bod komt. Talenkennis en integratie zijn uiteraard sterk gelieerd met het vinden van een job. Dat is de opdracht van VDAB: de mensen begeleiden naar een job. Wat ons betreft, hoort dat ook met een voldoende kennis van het Nederlands.

VDAB heeft begrepen dat ze het over een andere boeg moet gooien en probeert bijvoorbeeld een beroepsopleiding te combineren met taalopleidingen. Minister, uit de cijfers die ik bij u opvroeg, blijkt dat het, naar mijn mening toch, allemaal te weinig is en te traag vooruitgaat. De klassieke opleidingen Nederlands zijn op drie jaar tijd bijna gehalveerd. Er zijn op jaarbasis een paar honderd opleidingen Nederlands, gecombineerd met werkplekopleidingen. Er waren 108 individuele beroepsopleidingen met taalondersteuning en minder dan 300 opleidingen Nederlands op de werkvloer. Er is dus, als het gaat over de taalopleidingen, nood aan een tandje bij, en aan een trendbreuk bij VDAB, als het gaat over taalopleidingen bij werkzoekenden.

Minister, wat zult u doen om die trendbreuk te realiseren?

De voorzitter

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, voor alle duidelijkheid: wij behoren nog steeds tot dezelfde fractie, maar op vraag van de minister zullen wij de vragen koppelen, hoewel ik mijn vraag richtte tot minister Homans omdat hij gaat over een studie van het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA), uitgevoerd op vraag van het Agentschap Integratie en Inburgering.

De studie volgde 40.000 nieuwkomers over een periode van zes jaar. Daar zijn een aantal interessante zaken uit voortgekomen, onder andere dat de stijging die er in het begin van de arbeidsparticipatie is, stagneert. Waar we met de Vlamingen in de actieve bevolking op 75 procent zitten, stagneert dat daar op 40 tot 45 procent. Dat is een zeer grote kloof op het vlak van arbeidsparticipatie. 

Een ander interessant element dat daaruit gebleken is, is dat de hooggeschoolden, waarvan je zou denken dat ze vandaag in Vlaanderen in ons type van arbeidsmarkt beter zouden presteren, het moeilijker hebben. Vooral de middengroep doet het dus goed. De hooggeschoolden vinden na een tijd toch geen werk. Er blijkt daar een grote kloof te zijn.

Een volgende vaststelling was dat de herkomst zeer bepalend is. Het gaat dus niet om een verschil tussen wat u nieuwkomers zou kunnen noemen en autochtonen. Er blijkt een heel groot verschil te zijn tussen mensen met een Aziatische en een Latijns-Amerikaanse achtergrond aan de ene kant, een Europese achtergrond aan de andere kant en dan zeker een verschil met de Noord-Afrikaanse en Arabische wereld. Die verschillen zijn bijzonder significant.

We beschikken over die cijfers. Ze hebben die mensen gevolgd over een langere periode. Welke aanpak stelt men dan voor? Er is verwezen naar de rol van VDAB. Maar moeten we ook het inburgeringstraject herbekijken? Kan er op dat punt nog iets worden verbeterd? Of welke lessen trekt men vooral vanuit inburgering en integratie om de mensen richting de arbeidsmarkt te leiden en die merkwaardige fenomenen aan te pakken?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Kennes, het lijkt mij logisch dat de vragen worden gekoppeld en dat ik ze beantwoord. U vraagt uitdrukkelijk hoe we ze sneller en beter naar de arbeidsmarkt kunnen krijgen. Een van de belangrijke elementen daarin is het aspect taal. Daarom heb ik gevraagd om ze beide te koppelen. Ik kan geen antwoord geven aan de heer Bothuyne dat ik daarna niet zou moeten herhalen aan u, aangezien taal daarin belangrijk is.

En ja, ik ben het met jullie eens. Ik denk dat we een trendbreuk moeten realiseren en soms al hebben.

Ten eerste, blijf ik ervan uitgaan dat we voor elke werkzoekende een aanbod op maat moeten doen. Het is niet toevallig dat men, afhankelijk van het continent vanwaar men komt, anders op de arbeidsmarkt hier terechtkomt. Soms kan de cultuur of de attitude verschillen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Daarom moet de begeleiding van VDAB op maat zijn.

Op maat betekent ook dat men daar Nederlands tweede taal geeft indien dat nodig is voor die werkzoekende. We kunnen discussiëren over de cijfers. VDAB heeft mij naar aanleiding van uw vraag gezegd dat er 5997 individuele werkzoekenden Nederlands tweede taal krijgen. Voor mij is het eender hoeveel het er zijn. Iedereen die het nodig heeft, zou het moeten krijgen.

Ten tweede, ben ik het helemaal eens met de studie van het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA). Die lineaire trajecten, waarbij eerst de taal wordt geleerd en daarna een opleiding, een traject naar werk, zijn inderdaad voorbij. Ze zijn geen goede oplossing.

Daarom zijn we, toen we ongeveer een jaar geleden de vluchtelingenstroom zagen, onmiddellijk gestart met de geïntegreerde trajecten. Dat was toen echt een trendbreuk. We zijn daar toen mee gestart. Taal is niet meer de instapvoorwaarde om een traject naar werk aan te vangen, maar er is de combinatie van het leren van de taal samen met een opleiding op de werkvloer of andere vormen van begeleiding.

Maar maatwerk blijft heel belangrijk. Want niet iedereen is in staat om het leren van een taal te combineren met het volgen van een opleiding. Met de ervaring die we toen hebben opgedaan, hebben we voor de vluchtelingen het actieplan ‘Integratie via werk’, dat toen al bestond, uitgebreid. Deze maand heeft VDAB een nieuw actieplan ‘Integratie via werk’ uitgewerkt. Dat plan geldt niet alleen meer voor de vluchtelingen, maar voor iedereen die anderstalig is, die nood heeft aan een taalopleiding. Dat is pas in maart goedgekeurd. We hebben beseft dat die trendbreuk nodig was en we doen die dan ook met VDAB. Het komt er nu op aan – ik denk dat dat een antwoord is op jullie beide vragen – om dit actieplan uit te rollen met VDAB, dat heel goed te monitoren, met duidelijke en niet-bediscussieerbare cijfers. We zullen bijsturen indien nodig met tussentijdse evaluaties.

Collega’s, ik ben ervan overtuigd dat we dan nog niet alles zullen hebben. We hebben daarmee nog niet de alleenzaligmakende oplossing. Daarom hebben minister Homans en ikzelf een leerstoel ‘Migratie, Integratie en Arbeidsmarkt’ in het leven geroepen. Daarbij hebben we uitdrukkelijk gevraagd: waar zitten de leemtes? En ook dat is een antwoord, zeker aan de heer Kennes. Waar zitten de leemtes die maken dat die mensen niet naar de arbeidsmarkt gaan? De leerstoel heeft als voordeel dat we tussentijdse resultaten krijgen vooraleer we een eindresultaat krijgen. Wij engageren ons beiden om op basis van de resultaten van die leerstoel na te gaan waar we ons beleid moeten aanvullen, zodat we die lacunes kunnen invullen.

Dit blijft een moeilijk werk. Laat me dit duidelijk zeggen. Het zijn niet de eenvoudigste mensen om naar een job te begeleiden, maar we proberen het anders en sterk aan te pakken. We engageren ons daarvoor en we zullen dat verder monitoren, samen met jullie.

Minister, ik ben blij met uw antwoord. We hebben inderdaad nood aan een trendbreuk en vooral aan meer inspanningen van VDAB, maar ook van de betrokken werkzoekenden, om hiervan een succes te maken. U had wat moeite met de cijfers. Er zijn vorig jaar inderdaad bijna 6000 opleidingen Nederlands georganiseerd, maar slechts 3600 daarvan waren succesvol beëindigd. Drie jaar geleden waren er nog meer dan 6000 succesvol beëindigd. Dat is dus bijna een halvering van het aantal succesvol beëindigde opleidingen Nederlands voor werkzoekenden. En dat terwijl we vandaag meer dan 10.000 werkzoekenden hebben die meer dan twee jaar werkloos zijn en het Nederlands niet of nauwelijks machtig zijn. We hebben dus echt wel nood aan die inhaalbeweging en die trendbreuk.

Minister, ik wil u er ook op wijzen dat we nood hebben aan een betere doorstroming naar werk. Het is al een stukje beter: de combinatie van taalopleiding en beroepsopleiding leidt tot een doorstroom naar werk van 40 procent, terwijl alleen een taalopleiding slechts 25 procent uitstroom kan geven. Het blijven lage cijfers. Ik hoop dat u met de combinatie van stages en werkervaring die cijfers omhoog kunt trekken.

Ward Kennes (CD&V)

Minister, het is natuurlijk goed dat u naar aanleiding van de instroom van asielzoekers een aantal conclusies hebt getrokken en de zaak deels over een andere boeg hebt gegooid. Het onderzoek ging vooral over gezinsherenigers. Die waren in die groep van het onderzoek veruit het sterkst vertegenwoordigd. Je zit ook met de vaststelling dat de loonkloof zeer groot blijft. De meerderheid van de doelgroep die is onderzocht, zit in de laagste loonklasse, terwijl dat voor de Vlamingen maar 15 procent is.

Ik stel vast dat de hooggeschoolden het zeer moeilijk hebben, en dan is er meer aan de hand dan alleen maar de taal. Uiteraard moeten we inzetten op de taalkennis, uiteraard is taal een heel belangrijke toegang tot de arbeidsmarkt, maar in mijn ogen zijn er toch nog andere factoren die hier nog sterker spelen dan alleen maar taal. Die groep kan juist gemakkelijker taal verwerven, maar er is ook een specifiek probleem vastgesteld in de studie. Wat kan er specifiek voor die groep worden gedaan?

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Voorzitter, ik was verrast doordat die twee actuele vragen werden gekoppeld. Ik had op de beide actuele vragen een tussenkomst voorbereid. Axel zal tussenkomen op de vraag van de heer Bothuyne, en collega Ronse op de vraag van de heer Kennes.

Mijnheer Bothuyne, inzake de uitstroomcijfers van VDAB in het algemeen: heel Europa is daar jaloers op. Die zijn dus goed. Natuurlijk is dat voor de doelgroep waar u naar verwijst en uw parlementair werk, dat ik zeer waardeer, een probleem.

Minister, u hebt de cijfers genoemd: 296, 5600. Het is belangrijk dat VDAB een goed signaal krijgt om dat allemaal beter te monitoren zodat we niet meer over die cijfers moeten discussiëren. Het is ook goed dat we de HIVA-studie voor zijn en dat we in Vlaanderen al, voordat die resultaten gekend zijn, de geïntegreerde aanpak hebben, dat men dus een opleiding in het Nederlands krijgt.

Mijnheer Kennes, het decreet over de tijdelijke werkervaring hebben we hier recentelijk goedgekeurd. Ik hoop dat de stages, opleidingen enzovoort op een heel laagdrempelige manier voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt de sleutel zal zijn om uw probleem op te lossen.

De voorzitter

Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Minister, het is heel belangrijk dat de bevoegdheden Inburgering en Werk nog meer in synergie zijn. Er is echt veel werk aan de winkel. Als je wilt inburgeren, is de taal uiteraard belangrijk. Maar in het plan van de minister staat dat werken de beste stap is naar integratie, niet volledig, maar toch al een zeer grote stap.

Wat mij opvalt in de studie, is dat na vijf jaar de helft niet aan de slag is.

Omdat ik maar een minuutje heb, wil ik nog voor één groep aandacht vragen, namelijk de vrouwen die roots hebben in Turkije of in de Maghreblanden. Die blijven vaak thuis. Men ziet dat maar 20 procent van hen aan de slag is. Ik vind dat een zeer spijtige zaak, omdat ik denk dat werken niet alleen voor inburgering zorgt, maar ook een vorm van emancipatie is. Ik zou willen vragen, minister, om die groep die ervoor kiest om thuis te blijven, toch ook aan de slag te krijgen, omdat dat ook belangrijk is voor de opvoeding en opleiding en taal van de kinderen.

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik hoor de heer Bothuyne en anderen een pleidooi doen om meer inspanningen te vragen aan VDAB en aan werkzoekenden, en ik denk dat die vraag terecht is. Taal is een heel belangrijke stap richting de arbeidsmarkt, en ook een heel belangrijk criterium om die stap niet te zetten.

In het verhaal ontbreekt mij vandaag één factor, en dat is het luik van de werkgevers. Heel vaak zien we dat voor gelijkaardige functies heel uiteenlopende taalvereisten worden gehanteerd. Soms kun je die verklaren, soms kun je die minder verklaren. Feit is dat het ook heel weinig wordt uitgesproken ten aanzien van een sollicitant. En nochtans, dat meenemen bij VDAB, zou ertoe kunnen leiden dat we ook langs de aanbodzijde kunnen proberen om realiteitszin in te bouwen in wat men vraagt enerzijds, en anderzijds ook daar mensen te overtuigen om dat niet als een statisch gegeven te beschouwen, maar als een start van een proces waar mensen marge hebben om te groeien. Ik zou willen vragen om ook dat mee te nemen.

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik sluit me vooral aan bij de collega’s die hiervoor gesproken hebben. Het is ontzettend belangrijk dat we nieuwkomers zo snel mogelijk en zo duurzaam mogelijk aan een job helpen op onze arbeidsmarkt. En daarvoor zijn twee dingen belangrijk. Ten eerste moet de kwaliteit van de cursus Nederlands die we hun aanbieden, van voldoende kwaliteit zijn, zodat ze er effectief mee aan de slag kunnen en dat ze sociale mobiliteit kunnen ervaren op onze arbeidsmarkt. Ten tweede moeten we ook zorgen voor stages op de arbeidsmarkt, om ervoor te zorgen dat ze al werkend de taal leren, en omgekeerd. U bent daar op bepaalde vlakken mee bezig. Ik zou u vooral willen oproepen om dat maximaal verder uit te rollen en een onderzoek te doen naar hoe u daar veel meer werk van kunt maken, want daar ligt volgens ons ook het pad naar meer succes.

Ik kan alleen maar aansluiten bij wat collega Annouri en collega Bothuyne zeggen. Daar zijn we juist mee bezig met VDAB, met die stages en werkervaring als belangrijkste elementen ten aanzien van werkzoekenden, en zeker die combinatie met taal, als een van onze belangrijkste instrumenten. Het meest bekende is de individuele beroepsopleiding (IBO), waar we getallen hebben van meer dan 15.000 per jaar die bij een bedrijf beginnen en bij goed gevolg ook aan de slag kunnen in dat bedrijf. Ik ben het er helemaal mee eens dat we ervoor moeten zorgen dat dat nog meer in de verf komt.

Ik ben het met u eens, collega Bothuyne: ik ben ervan overtuigd dat de doorstroming naar opleiding, vorming en stage of werkervaring beter zal zijn met dat extra aspect dicht bij een bedrijf, met kennis op de werkvloer.

Collega Kennes, ik begrijp uw bekommernis rond hogescholen. Dat is iets dat we in de commissie Werk al heel vaak hebben bediscussieerd. Twee elementen zijn daar vaak heel belangrijk in. Een: de diploma-erkenning van die mensen indien zij hier aankomen, en dat daar goede uitwisseling is. We bekijken dat samen met collega Crevits. En twee: er is natuurlijk altijd het aspect van discriminatie. Ook daar zijn we vorige week lange tijd mee bezig geweest. We hebben een bespreking gehad in de commissie over welke elementen ik doe om mogelijke discriminatie bij bijvoorbeeld mensen van allochtone afkomst die werkzoekend zijn, hoog genoeg geschoold zijn en toch niet aangenomen worden, aan te pakken. In samenwerking met de vakbonden en werkgeversorganisaties zetten we er vooral op in om eerst naar competenties en talenten te kijken, zelfs niet in de eerste plaats naar diploma’s, maar naar wat iemand kent en kan en wat iemand kan leren. Daar kunnen we belangrijke stappen vooruit in zetten. En dat is de weg die we samen met de werkgeversorganisaties en de vakbonden aan het volgen zijn.

Inzake de cijfers, collega Ronse, ben ik het helemaal met u eens. Ik ga uitdrukkelijk vragen, als we dit actieplan verder uitrollen, dat we heel goede cijfers krijgen, dat we op voorhand afspreken welke we gaan volgen, dat we de evolutie kunnen zien, dat we direct kunnen ingrijpen waar nodig, zonder discussie over de cijfers. Dat is een belangrijk element.

Mevrouw Van Volcem, uiteraard, integratie via werk, en dat is ook de titel van dat actieplan, is heel belangrijk. Ik begrijp uw vraag heel goed omtrent vrouwen die vanuit hun cultuur misschien gemakkelijker thuisblijven. We kunnen de mensen natuurlijk alleen maar helpen via VDAB als ze zich ook inschrijven als werkzoekende. Als ze zich niet inschrijven, is het lang niet evident om hen – opsporen gaat nog – aan te moedigen om de stap naar werk te zetten. Dat blijft ergens een vrije keuze die de mensen moeten maken. Ik heb daar tot nu toe nog maar weinig werk rond gedaan, ook omdat het helemaal niet zo eenvoudig is om daar stappen rond te zetten. Je kunt dat doen door jobs meer kenbaar te maken, door promotie te voeren, maar uiteindelijk blijft het een persoonlijke keuze om wel of niet de stap naar de arbeidsmarkt te zetten. Ik wil graag, als er daar suggesties rond zijn, die horen, om te zien of we daar nog iets extra’s kunnen doen.

Mijnheer Van Malderen, u hebt één luik niet gehoord; wel, ik heb er twee niet genoemd: de werknemers en de werkgevers. Ik denk dat u weet wat mijn idee is over de werknemer: dat is het idee van de wortel en de stok, daar hebben we het vorige week nog over gehad. Over de werkgevers ben ik het wel met u eens. Ik wil twee zaken zeggen. Eén, u zegt terecht dat men soms taalvereisten stelt die misschien niet direct nodig zijn voor de job, vandaar het aanbod van VDAB om samen met de werkgevers de opstelling van vacatures te verbeteren en te vereenvoudigen. De werkgever kan dus worden geholpen om een vacature anders te schrijven. Daarvoor doet VDAB effectief al heel wat werk. De werkgevers zijn geïnteresseerd omdat ze vaak de juiste mensen niet vinden. Iedereen zoekt het schaap met de vijf poten of de witte raaf, u mag zelf kiezen, maar men vindt die niet gemakkelijk.

Twee, en dat hebben we vorige week in de commissie naar voren gebracht, ik ga met VDAB kijken op welke manier we zonder veel administratieve rompslomp werkgevers meer feedback kunnen geven. Die feedback is voor mij om twee redenen nodig. Die is in eerste instantie nodig om ervoor te zorgen dat we de opleidingen nog efficiënter kunnen maken omdat die op dat moment nog beter inspelen op het tekort dat de werkgever aangeeft, maar ook om een beter idee te hebben van wie echt werk zoekt en wie dat met minder enthousiasme doet.

Ik denk dat ik op alle bijkomende vragen heb geantwoord. Ik denk dat we sterk bezig zijn en we gaan hier verder aan werken.

Minister, we zijn blij met uw intenties en plannen, goede intenties en goede plannen. Maar de uitdaging is gigantisch. We hebben een record aantal knelpuntvacatures en aan de andere kant hebben we 37.000 werkzoekenden die de taal niet machtig zijn, 10.000 zeer langdurig werkzoekenden die de taal niet machtig zijn. We moeten echt zorgen voor meer en betere taalopleidingen, in combinatie met stages en werkervaring en beroepsopleiding. We hopen dat als we hier volgend jaar staan, we effectief resultaten zien van het actieplan dat u vandaag hebt voorgelegd. We zullen hier zeker opnieuw staan.

Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, ik stel vast dat er inderdaad heel wat in beweging is, dat is goed, en dat er op de leerstoel en andere zaken, ook de werkervaring, wordt ingezet. Dat is positief, maar de vaststelling is heel duidelijk: heel veel mensen vinden de weg naar de arbeidsmarkt niet ondanks het traject en ondanks de taalopleidingen. Als ze er wel geraken, zitten ze heel opvallend in een lagere loonklasse. De sociale mobiliteit is een punt dat moet worden meegenomen, net als de vraag om aandacht voor hooggeschoolden.

Dat uit de cijfers blijkt dat die culturele achtergrond zeer bepalend is, daar moeten de begeleiding en het traject sterk op inspelen. Die lessen moeten blijvend worden getrokken.

De voorzitter

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.