U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 29 maart 2017, 14.11u

Voorzitter
Toespraak van prof. dr. Koen Lenaerts, president van het Hof van Justitie van de Europese Unie, naar aanleiding van de 60e verjaardag van het Verdrag van Rome: '60 jaar in verscheidenheid verenigd: de bijdrage van het Hof van Justitie van de Europese Unie'

Dames en heren, aan de orde is de toespraak van prof. dr. Koen Lenaerts, president van het Hof van Justitie van de Europese Unie, naar aanleiding van de 60e verjaardag van het Verdrag van Rome: '60 jaar in verscheidenheid verenigd: de bijdrage van het Hof van Justitie van de Europese Unie'.

Geachte heer president van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geachte minister-president Bourgeois, geachte leden van de Vlaamse Regering, geachte collega’s-volksvertegenwoordigers, geachte leden van het Europese Parlement, beste collega’s, dames en heren, ik ben verheugd om hier in ons midden de heer Koen Lenaerts te mogen verwelkomen, de president van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het is namelijk altijd een eer voor mij om een president welkom te heten, zeker wanneer die president een Vlaming is. Zo hebben we hier eerder al de eerste president van de Europese Unie, Herman Van Rompuy, mogen verwelkomen, en nu doen we hetzelfde met de president van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Daarmee is Koen Lenaerts de Vlaming die de hoogste positie bekleedt binnen de Europese instellingen. Sinds 2012 is Koen Lenaerts ook de trotse bezitter van de gouden erepenning van het Vlaams Parlement. Dat is geen toeval, want het curriculum van onze gastspreker oogt bepaald indrukwekkend.

Koen Lenaerts werd op 20 december 1954 in Mortsel geboren. Hij studeerde rechten aan de Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix te Namen en aan de KU Leuven. Daar studeerde hij cum laude af. In 1978 behaalde hij een ‘Master of Laws’-titel aan de Harvard University en in 1979 behaalde hij daar een Master in Public Administration (MPA). In 1982 beëindigde hij met succes zijn doctoraat aan de KU Leuven, met een proefschrift over vergelijkende constitutionele jurisprudentie van het Europees Hof en het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. Sinds 1983 is Koen Lenaerts hoogleraar Europees recht aan de KU Leuven. Van 1984 tot 1989 was hij professor aan het Europacollege in Brugge, van 1988 tot 1989 gasthoogleraar aan de Harvard University. Van 1989 tot 2003 bekleedde hij de functie van rechter bij het Europees Gerecht van eerste aanleg. In 2003 werd hij verkozen tot rechter van het Hof van Justitie en sinds 2015 is Koen Lenaerts president van het Europees Hof van Justitie, waarvan hij van 2012 tot 2015 al vicepresident was.

Geachte heer Lenaerts, uw komst draagt bij aan de politiek van de open deur, die wij hier altijd hoog in het vaandel gedragen hebben. Nu moet ik helaas toegeven dat de open deur waarvan ik sprak, sinds vorig jaar vaak gesloten blijft als gevolg van het veiligheidsbeleid. Maar veiligheid is momenteel misschien wel een van de heetste hangijzers die Vlaanderen en Europa delen. Dat is geen toeval. Vlaanderen speelt al decennia een rol als centrale speler in het Europese verhaal. Ons Vlaams Parlement wil die centrale geografische en politieke rol hooghouden.

Om die rol blijvend in stand te houden, nodigen wij geregeld eminente gasten uit om hier in ons Vlaams Parlement hun visie met ons te delen. Zo hebben naast Herman Van Rompuy onder meer Markku Markkula, voorzitter van het Comité van de Regio’s, en de Europese commissarissen Marianne Thijssen en Cecilia Malmström al de kans gehad om ons meer inzicht te geven in de Europese Unie, net als UNESCO-topvrouw Irina Bokova. En volgende maand verwelkomen wij hier Eurocommissaris en vicevoorzitter van de commissie-Juncker, Frans Timmermans.

Uzelf hebt ons hier al eens toegesproken, toen u vijf jaar geleden de erepenning van het Vlaams Parlement kreeg uitgereikt. Vandaag verwelkomen wij u ter gelegenheid van de 60e verjaardag van het Verdrag van Rome, zo goed als de stichtingsakte van de toenmalige EEG. Toen waren ze maar met 6, nu met 28 min 1. In dat verdrag werden vooral veel grenzen gesloopt. Precies 6 decennia later staan die zwaar onder druk. Uitgerekend vandaag, en dat hadden we echt niet voorzien toen we uw bezoek hier programmeerden, heeft Groot-Brittannië artikel 50 van het verdrag van Lissabon in werking gesteld om zich opnieuw terug te trekken in zijn ‘splendid isolation’. Dat gebeurt niet zonder slag of stoot, zo bewijst de aankondiging van de Schotse First Minister Nicola Sturgeon om een nieuw onafhankelijkheidsreferendum te organiseren, iets wat gisteren in het Schots parlement is goedgekeurd.

Schotland is niet de enige regio waar het verlangen naar meer dan alleen autonomie opgeld maakt binnen het project Europa. Ook in Vlaanderen leeft de drang naar meer eigen bevoegdheden, een evolutie die kort na het verdrag van Rome aan het rollen ging en die zich nog steeds onafgebroken voortzet. Niet alleen Vlaanderen verkeert in dat geval. Ook in sommige andere Europese landen zien we hoe de regionale autonomie almaar toeneemt.

Mijnheer Lenaerts, zestig jaar van Europese samenwerking zijn niet onopgemerkt voorbijgegaan. In die tijdsspanne is de welvaart in onze contreien er met rasse schreden op vooruitgegaan. Het Europees project was gestoeld op vier vrijheden: vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. Die vrijheden bezorgden onze Vlaamse burgers en kmo’s mogelijkheden voor de ontplooiing van hun talenten in een markt die zich intussen uitstrekt tot circa 450 miljoen medeburgers. Het Europa zonder grenzen heeft zijn vele regio’s zo dichter bij elkaar gebracht, niet alleen economisch, maar ook op andere terreinen zoals cultuur, toerisme en onderwijs.

Natuurlijk blijven de uitdagingen groot, zeker op uw terrein, mijnheer Lenaerts. Samenwerking tussen landen en regio’s vraagt een juridisch kader van topkwaliteit. Want als er conflicten ontstaan binnen Europa, hebben ze veelal te maken met verschillen in wetgeving tussen de Europese partners. Het vrije verkeer van diensten en goederen heeft zo geleid tot sociale dumping en fiscale shopping, de e-commerce heeft het hele handelslandschap duchtig door elkaar geschud.

Elke regio, dus ook Vlaanderen, verwacht vanuit Europa een gedetailleerde en ondubbelzinnige regelgeving, niet alleen voor dergelijke economische thema’s, maar op elk maatschappelijk vlak. Sinds een paar jaar verwacht elke Europeaan dat op supranationaal niveau knopen doorgehakt worden qua veiligheidsbeleid, qua immigratieregels, qua vluchtelingenbeleid enzovoort. Het zijn fundamentele vragen, waarop Europa alleen maar kan antwoorden met eenduidige juridische antwoorden, die op democratische wijze tot stand komen in de parlementen van de verschillende participerende landen en regio’s. Daarom is ook ons Vlaams Parlement rechtstreeks betrokken partij bij vele nieuwe wetten die op Europees niveau goedgekeurd worden.

Die Europese Unie krijgt vaak het verwijt dat ze een ondemocratische en sluipende besluitvorming hanteert, en dan wordt er vaak verwezen naar de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat u nu voorzit. Graag laat ik u daarom dadelijk het woord om die aantijging te ontkrachten en om de rol van het Hof van Justitie nader toe te lichten.

Ik verleen u daartoe graag het woord. (Applaus)

De heer Koen Lenaerts, president van het Hof van Justitie van de Europese Unie

Dank u, voorzitter.

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister-president, hooggeachte dames en heren ministers, hooggeachte dames en heren volksvertegenwoordigers, dames en heren, vorige zaterdag, 25 maart 2017, was het precies zestig jaar geleden dat de Verdragen van Rome werden ondertekend. Dit werd in Rome plechtig gevierd, en ik was trots als Vlaming bij die plechtigheden het Europese Hof van Justitie te kunnen vertegenwoordigen naast de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie.

Deze Verdragen waren op zich reeds een grote stap vooruit in het Europese integratieproces. Daar waar het EGKS-Verdrag – zijn naam spreekt voor zich – enkel betrekking had op kolen en staal, was het EEG-Verdrag erop gericht een ‘gemeenschappelijke markt’ te creëren. Het EEG-Verdrag was dus marktgericht. Het ging om een economische gemeenschap die werd opgericht.

En dat is gedurende dertig jaar zo gebleven. Pas met de Europese Akte van 1986 werden de Verdragen van Rome voor het eerst inhoudelijk gewijzigd. Daarna volgden de wijzigingsverdragen elkaar in snel tempo op: Maastricht, 1992, Amsterdam, 1997, Nice, 2001, en Lissabon, 2007. Het Europese integratieproces heeft dus niet alleen een belangrijke territoriale uitbreiding gekend sinds 1957; dankzij de voormelde wijzigingsverdragen heeft het integratieproces ook, de laatste dertig jaar, een enorme verdieping gekend.

Vooreerst institutioneel: het rechtstreeks verkozen Europees Parlement kreeg een steeds grotere rol toebedeeld. Sinds het Verdrag van Lissabon heeft het parlement bij de vaststelling van de Uniewetgeving, op enkele uitzonderingen na, hetzelfde gewicht als de Raad, samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten. En daar waar de regel in 1957 unanimiteit was voor de besluitvorming binnen de Raad, kunnen bijna alle wetgevingshandelingen van de Unie nu met gekwalificeerde meerderheid worden aangenomen.

Materieel was de verdieping bijzonder indrukwekkend. Een interne markt werd gecreëerd. Dit is een ruimte zonder binnengrenzen waarin personen, goederen, diensten en kapitaal vrij circuleren. Het burgerschap van de Unie en een eenheidsmunt, de euro, werden ingevoerd. De Unie werd bevoegd op tal van nieuwe domeinen zoals leefmilieu, sociale politiek, asiel en immigratie. Wederzijdse erkenning en afdwinging van vonnissen en arresten, zowel in burgerlijke als in strafzaken, vormen de kern van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. De burgers zien hun grondrechten beschermd in een Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat zowel ten aanzien van de Unie als ten aanzien van de lidstaten wanneer die het Unierecht uitvoeren, geldt. Extern treedt de Unie op via onder meer een ‘Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid’, een gemeenschappelijk handelsbeleid – denk maar aan CETA en TTIP –, ontwikkelingssamenwerking en humanitair beleid.

De laatste drie decennia kende de Europese Unie dus een kwantumsprong. Maar die sprong mag niet worden verward met de creatie van een Europese superstaat. Een superstaat, een Europese Staat, is deze sprong beslist niet. De kwantumsprong vertolkt enkel de vaststelling door de lidstaten dat bepaalde materies niet langer efficiënt door henzelf alleen kunnen worden beheerd. Zuiver of vervuild water eindigt niet aan de landsgrenzen, zuivere of vervuilde lucht ook niet. En voor duurzame energievoorziening zijn de lidstaten ook op elkaar aangewezen. Denk maar aan de ene lidstaat die kernenergie verbiedt en de naburige lidstaat die ze als de heilsboodschap beschouwt voor de energievoorziening.

De Unie, de Europese Unie wordt daarom het best gezien als een bestuursniveau dat aan de bestaande bestuursniveaus wordt toegevoegd en ermee vervlochten is. De Unie is in essentie een bijkomend bestuursniveau dat de lidstaten gemeen hebben. Daarom vormt de Unie geen bedreiging voor de bestaande nationale, regionale en lokale identiteiten. Integendeel, de Unie stelt zich uitdrukkelijk tot doel deze verschillende identiteiten te beschermen, een doelstelling die is neergelegd in een van de basisartikelen van het Unie-Verdrag. Ja, niet alleen het bestuur is meergelaagd, de perceptie van de eigen identiteit is ook meergelaagd.

De indrukwekkende uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie in de laatste dertig jaar maakte een grotere democratische deelname van de burgers aan de besluitvorming noodzakelijk. Daar waar in het EEG-Verdrag, het Verdrag van Rome, geen melding werd gemaakt van de term ‘democratie’ – dat kwam gewoon niet voor –, stelt het Verdrag van Lissabon nu zeer duidelijk dat de Europese Unie rust op een – ik citeer – “duale structuur van democratische legitimiteit”. Enerzijds worden de burgers op het niveau van de Unie rechtstreeks vertegenwoordigd in het Europees Parlement. Anderzijds worden de lidstaten in de Raad vertegenwoordigd door hun regering, die zelf democratische verantwoording verschuldigd is aan het parlement of aan de burgers, wanneer de regering of de president direct verkozen wordt.

Het Verdrag van Lissabon heeft verder de rol van de parlementen van de lidstaten vergroot door hen tijdig kennis te laten nemen van alle voorstellen van Uniewetgeving en hen toezicht te laten uitoefenen op de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel.

Die vergrote rol laat aan de nationale parlementen – en wat België betreft, afhankelijk van de materie, ook aan de regionale parlementen zoals het Vlaams Parlement hier – toe om te vermijden dat de uitvoerende macht van een lidstaat instemt met Uniewetgeving en daarbij intern parlementaire inspraak vermijdt. De democratie op Unieniveau, uitgedrukt via het Europees Parlement, komt dus niet in de plaats van de democratie in de lidstaten, maar vult de democratie van de lidstaten aan. Ook dat is weer het beeld van het gemeenschappelijk bestuursniveau voor de lidstaten.

De democratische legitimiteit van de Europese Unie langs de inputzijde volstaat echter niet. De Unie moet daadwerkelijk haar meerwaarde bewijzen wat de outputzijde betreft. Natuurlijk is iedereen voor vrede, veiligheid en het verhogen van de welvaart, maar wanneer concrete maatregelen moeten worden genomen om die doelstellingen te bereiken, wordt het moeilijker. Daarom moet steeds worden nagegaan welk beleidsniveau op grond van subsidiariteitsoverwegingen het meest geschikte niveau is voor besluitvorming.

De Europese Unie is van nature het meest efficiënte beleidsniveau om grensoverschrijdende problemen aan te pakken op het vlak van interne en externe veiligheid, migratie, leefmilieu, duurzame energievoorziening, controle op fusies van vennootschappen, sociale dumping of oneerlijke fiscale concurrentie tussen lidstaten. Een lidstaat alleen kan deze problemen inderdaad enkel unilateraal aanpakken en is vervolgens aangewezen op de goodwill van anderen. Samenwerking is daarom efficiënter dan unilateralisme. Hier bewijst de Europese Unie haar meerwaarde door de staten en volkeren van Europa te laten samenwerken in een rechtskader dat hen allen verbindt. Hoeksteen van dit rechtskader is de in het verdrag ingeschreven loyale samenwerking tussen de Unie en de lidstaten en tussen de lidstaten onderling. Die houdt niet alleen in dat de Unie en de lidstaten, alsook de lidstaten onderling, elkaar respecteren en elkaar geen stokken in de wielen steken, maar ook dat zij elkaar actief steunen bij de vervulling van de taken die uit de Europese verdragen voortvloeien. Concreet betekent dit dat wanneer de lidstaten hun bevoegdheden uitoefenen, ze de gevolgen voor de andere lidstaten incalculeren. Dit is verantwoordelijkheid. En wanneer ze bevoegdheden uitoefenen die ze delen met de Unie, werken de lidstaten loyaal samen aan een gemeenschappelijk project, gegrond in gedeelde waarden. Dit is solidariteit. Verantwoordelijkheid en solidariteit, en wel in die volgorde. Robert Schuman zei het reeds op 9 mei 1950: “Concrete realisaties, verantwoordelijkheid die feitelijke solidariteit teweegbrengen.” Verantwoordelijkheid, solidariteit.

De legitimiteitscrisis waarin de Europese Unie zich bevindt, heeft alles te maken met de outputzijde. De Europese Unie heeft het moeilijker dan vroeger om haar meerwaarde aan te tonen. Haar recente verwezenlijkingen zijn immers minder zichtbaar, minder tastbaar dan vroeger.

Het opheffen van douanerechten, het opengooien van de binnengrenzen, de invoering van de euro waren concrete verwezenlijkingen die de burgers daadwerkelijk merkten en, toen alvast, positief onthaalden. De meerwaarde vandaag van de aanpak door de Unie van een aantal recente crisissen, zoals de financiële crisis en de vluchtelingencrisis, is voor de bevolking minder duidelijk. Waarschijnlijk heeft het optreden van de Unie samen met de lidstaten om deze crisissen te beteugelen een financiële meltdown en een zware humanitaire crisis in het Middellandse Zeegebied vermeden. Maar wat wordt vermeden, wordt niet meteen als een meerwaarde aangevoeld.

De door de burger gepercipieerde inefficiëntie van de Europese Unie kan echter ook het gevolg zijn van de verdragsteksten zelf, waarvan de lidstaten de auteurs zijn. Ik kan hierbij verwijzen naar wat de ‘sociale-dumpingcrisis’ wordt genoemd. De kritiek die men hoort op het vrije verkeer van werknemers, heeft vaak te maken met het feit dat werknemers uit lageloonlidstaten bereid zijn om als uitzendkrachten onder de marktprijs te werken in andere lidstaten waar het gemiddelde loon hoger ligt. Een efficiënte manier om dat probleem aan te pakken, zou erin bestaan om te legifereren op Unieniveau op het vlak van het loon. Maar de verdragen sluiten dergelijke bevoegdheid uitdrukkelijk uit – artikel 153, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor de specialisten. De Europese Unie kan in dit opzicht worden vergeleken met een federaal systeem. Het komt voor dat de perceptie van inefficiënt beleid haar grond vindt in een inefficiënte bevoegdheidsverdeling.

De samenleving is complexer geworden sinds 1957. De Unie heeft de laatste dertig jaar meer bevoegdheden gekregen in complexe domeinen, ofschoon niet steeds toereikende bevoegdheden. Wanneer echter aan de Europese Unie de nodige bevoegdheden zijn toegedeeld en een aanpak op Unieniveau het meest efficiënt is, dan is de Unie verplicht haar bevoegdheden uit te oefenen. Dat blijkt duidelijk uit het in het verdrag ingeschreven subsidiariteitsbeginsel. Wat enkel op Unieniveau zinvol behandeld kan worden, moet daar ook behandeld worden, ondanks de moeilijkheidsgraad van de besluitvorming die inherent is aan een samengestelde politieke entiteit zoals de Europese Unie. Want de Unie zal slechts haar meerwaarde kunnen aantonen wanneer de besluitvorming leidt tot efficiënte en kwalitatief hoogstaande maatregelen.

Onlangs nog beklemtoonden de staatshoofden en regeringsleiders in Bratislava de noodzaak voor de Unie om efficiënt en met duidelijke teksten op te treden in de volgende domeinen: migratie en bescherming van de buitengrenzen, interne en externe veiligheid, en economische en sociale ontwikkeling, met extra aandacht voor de positie van jongeren.

Dat is dus het beeld en de staat van de Unie, zoals ik die nu zie. Nu kom ik tot de tweede beweging. Wat nu met de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie in dit verhaal? De Europese Unie is, zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk vaststelde, ‘beheerst door het recht’. Dat zijn de letterlijke woorden van een hele reeks arresten. Daarom is het Hof van Justitie sinds het prille begin van de huidige Europese Unie, met name de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, die opgestart is in 1951, een van de vier basisinstellingen van de Unie. En dat is ze nog steeds vandaag. Het Hof ziet toe op de naleving van het Unierecht door de lidstaten, dit teneinde te verzekeren dat alle lidstaten gelijk zijn en gelijk blijven voor het Unierecht. Pacta sunt servanda. Het Hof kijkt ook toe op de verenigbaarheid van het Unierecht, vastgesteld door de politieke instellingen van de Unie met de EU-verdragen, inclusief het Handvest van de Grondrechten. Dat is de klassieke grondwettigheidstoetsing.

Het Hof van Justitie heeft daarbij geen eigen agenda. Het Hof van Justitie is niet pro-Unie of pro-lidstaten. Het Hof is pro-recht. Het Hof moet het recht vrijwaren, zegt artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen van het Unierecht. Het Hof is pro-recht. Het Hof mengt zich niet in maatschappelijke debatten, maar spreekt recht in de zaken die voor hem aanhangig worden gemaakt.

Concreet kan het Hof via de volgende procedures worden geadieerd. Een nationale rechter kan een vraag stellen aan het Hof van Justitie met betrekking tot de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van het Unierecht wanneer een antwoord op die vraag nodig is voor deze rechter om tot een oplossing te komen in een voor hem aanhangig geding. Dit wordt de prejudiciële procedure genoemd. De rechter zal geneigd zijn een prejudiciële vraag te stellen wanneer hij twijfels heeft over de verenigbaarheid met het Unierecht van de nationale of regionale regeling die hij zou moeten toepassen in een concreet geval. Het Verdrag voorziet ook in een beroep wegens niet-nakoming van Unierecht ingesteld door de Europese Commissie of een lidstaat tegen een andere lidstaat. Verder kan ook een beroep tot nietigverklaring van een Uniemaatregel voor het Hof van Justitie worden ingeleid.

Gezien het reeds geschetste verloop van het Europese integratieproces, is het niet verwonderlijk dat het Hof van Justitie in de eerste dertig jaar van de Europese integratie haast uitsluitend met economische dossiers werd geconfronteerd, en in de tweede dertig jaar, zijnde de afgelopen dertig jaar, met alle mogelijke maatschappelijke vraagstukken. Dit ga ik even illustreren.

Eerst de eerste dertig jaar, met vooral economische dossiers, zoals ik al zei. Maar dat betekent niet dat de rechtspraak uit die periode mag worden onderschat. In 1963, in een zaak betreffende de verenigbaarheid met het Unierecht van bepaalde invoerrechten, dus een belastingzaak, de zeer bekende zaak Van Gend en Loos, stelde het Hof van Justitie dat de Europese Economische Gemeenschap een “nieuwe rechtsorde vorm[de] ten bate waarvan de Staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze lidstaten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn”.

Het Hof van Justitie bevestigde zo dat, in tegenstelling tot andere verdragen van internationaal recht, de burgers rechtsreeks rechten – en ook plichten – ontlenen aan het Unierecht.

In Costa t. ENEL, een arrest uit 1964, werd de voorrang van het Unierecht bevestigd in een zaak waarin een consument zijn elektriciteitsfactuur aanvocht omdat, volgens hem, de nationalisering van de Italiaanse elektriciteitssector verschillende EU-Verdragsartikelen schond.

Deze twee arresten vertolken tot op heden de constitutionele beginselen waarop de Unierechtsorde stoelt, met name de directe werking en de voorrang van het Unierecht in de rechtsordes van alle lidstaten. Velen verwijzen naar deze beginselen onder de codenamen ‘Van Gend en Loos’ en ‘Costa t. ENEL’, maar zijn vergeten waar het in deze zaken ten gronde over ging, wat niet eens erg is. De zaken zijn bekend voor het beginsel dat ze hebben vastgesteld.

Een ander cruciaal arrest uit deze beginperiode is ‘Cassis de Dijon’. Deze in Frankrijk geproduceerde likeur die aan de Franse wetgeving voldeed, kon niet in Duitsland worden ingevoerd omdat volgens de Duitse wetgeving het alcoholgehalte – luister nu goed – onvoldoende was om als fruitlikeur te worden aangemerkt. Volgens het Hof van Justitie was de Duitse regeling strijdig met het Unierecht. Goederen die op een wettige manier zijn geproduceerd in een lidstaat, moeten in principe kunnen worden verkocht in een andere lidstaat. Met zijn rechtspraak bereidde het Hof de weg voor de totstandkoming van de interne markt, gesteund op de wederzijdse erkenning van nationale wetgeving.

In de tweede periode van dertig jaar, vanaf 1987, kwam het Hof in aanraking met meer complexe en meer maatschappelijk geladen dossiers. Vooreerst leidde de veralgemening van de gekwalificeerdemeerderheidstemming in de Raad tot meer annulatieberoepen van lidstaten die binnen de Raad tegen een aangenomen regeling stemden. Ik verwijs hierbij naar de nu hangende zaken in de Grote Kamer van Slovakije tegen de Raad en Hongarije tegen de Raad, waarbij deze twee lidstaten de wettigheid van het Europees spreidingsplan voor asielzoekers in vraag stellen, een zeer gemediatiseerde zaak, die onder mijn voorzitterschap zal worden gepleit voor vijftien rechters op 10 mei. Het arrest wordt waarschijnlijk ergens in de zomer geveld.

Twee: de quantumsprong die de Europese Unie maakte sinds het EEG-Verdrag wordt weerspiegeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie. De Europese Unie is gegrond op de waarden van democratie, de rechtsstaat en eerbied voor grondrechten, en is bevoegd op tal van niet-economische beleidsdomeinen. Elk van deze aspecten heeft aanleiding gegeven tot prejudiciële vragen van nationale rechters. Zo werd het Hof in de Delvigne-zaak – beslist in 2015 – door een Franse rechter gevraagd om het democratiebeginsel te interpreteren. Dit soort zaken was niet denkbaar in de eerste dertig jaar na het sluiten van de Verdragen van Rome. Het beginsel was immers niet in het EEG-Verdrag opgenomen.

Wat was er gebeurd? De heer Delvigne was in Frankrijk veroordeeld voor moord en werd door de Franse wetgeving levenslang zijn stemrecht ontnomen, ook voor de Europese verkiezingen. Nu bepaalt het EU-Verdrag dat “de leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen”. Er is dus een verwijzing naar “algemene” verkiezingen. Het Hof van Justitie besliste dat een bepaalde categorie personen, namelijk degenen die een ernstig misdrijf hebben begaan, kunnen worden uitgesloten van stemrecht, en dat dit een evenredige beperking is van het recht om aan “algemene” verkiezingen deel te nemen. Die personen hebben immers zichzelf uitgesloten van het maatschappelijke pact dat aan de grondslag ligt van de democratie – het is bijna Jean-Jacques Rousseau. De Franse wetgeving streefde dus een legitiem doel na en de beslissing was evenredig aan deze doelstelling.

De zaken die aan het Hof van Justitie worden voorgelegd, zijn even verscheiden als de bevoegdheden waarover de Europese Unie beschikt. Zo vroeg het Duitse Grondwettelijk Hof, het Bundesverfassungsgericht, aan het Hof van Justitie in de zaak Gauweiler of de aankoop door de Europese Centrale Bank van overheidsobligaties in de secundaire markten wettig was. Het was een van de maatregelen ter bestrijding van de eurocrisis. Het Hof oordeelde dat het wettig was wanneer bepaalde voorwaarden en grenzen werden gerespecteerd. Het Bundesverfassungsgericht  heeft dat arrest op perfecte wijze omgezet. En in de zaak CEZ moest het Hof van Justitie zich uitspreken over de vraag of op grond van het Unierecht burgers uit een lidstaat een kerncentrale uit een andere lidstaat konden verplichten te sluiten of een aantal aanpassingen te verrichten. Dat kan zo uit de actualiteit worden afgelezen, met een blik op België en zijn buurlanden. Het Hof gaf aan onder welke voorwaarden dat mogelijk is. Verder zijn ontelbare asielzaken hangende of onlangs beslist, waaronder de Belgische zaak van het Syrische gezin uit Aleppo.

Het Hof wordt ook regelmatig gevraagd om uitlegging van het Unierecht in verband met het Europese aanhoudingsbevel, de hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken en van de politiek van de EU op het vlak van de misdaadbestrijding. Het burgerschap van de Unie gaf aanleiding tot veel rechtspraak. Normaal gezien kent het Unierecht geen verblijfsrecht toe aan familieleden van een burger van de Unie in de lidstaat waarvan deze burger de nationaliteit bezit. Dit is immers een zuiver interne situatie die door het nationale recht wordt beheerst. Ik leg daar de nadruk op, want dat is allicht een van de meest fundamentele subsidiariteitsaspecten van de rechtspraak van het Hof. Een situatie waarbij alle relevante aspecten zich tot de rechtsorde van één lidstaat beperken, is een zuiver interne aangelegenheid. Het Unierecht heeft daar niets te zoeken, want het produceert daarbij geen meerwaarde. Het komt ook overeen met het principe van het respect voor regionale en nationale identiteit van de lidstaten. Het Hof bewaakt dat principe zeer sterk – ook ten aanzien van advocaten-generaal, die soms in een andere richting pleiten.

Maar zoals de recente actualiteit heeft aangetoond, schrikt dat de Grote Kamer van het Hof niet af om de eigen redelijke weg te gaan. Dat is het plaatje.

Het volgende geval is dat van Ruiz Zambrano, een Colombiaan die niet uit België kon worden gezet omdat zijn minderjarige Belgische kinderen anders het effectief genot van de rechten verbonden aan het burgerschap van de Unie, zouden verliezen. De vader was een alleenstaande ouder. Als hij uitgewezen werd, zouden de kinderen die zeer jong waren met hem moeten meegaan, waardoor ze niet meer het genot zouden hebben van de burgerrechten als burgers van de Europese Unie. Dat is een kleine nuance van de zuiver interne situatie.

Op dezelfde wijze heeft het Hof beslist in de zaak O van 2014 dat een burger van de Unie die een gezinsleven opstart in een andere lidstaat met een derdelander, dit gezinsleven moet kunnen voortzetten in de lidstaat van oorsprong. Dit heeft zopas geleid tot een prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof van Roemenië. Zo ziet u hoe Europa werkt. Wat is de vraag? Het gaat om een Roemeen die in België een relatie heeft met een man. Het is dus een paar van hetzelfde geslacht. Ze zijn in België gehuwd, wat volgens de toepasselijke regels van Belgisch internationaal privaatrecht en Belgisch materieel recht perfect legaal is. Nu gaat de Roemeen terug naar zijn eigen land, vergezeld van zijn echtgenoot en beroept zich op het arrest O van 2014, zeggende dat hij een gezinsleven is begonnen in België toen hij migrerende werknemer was als Roemeen in België, dat hij hier rechtsgeldig gehuwd is, dat hij terugkeert en erkenning vraagt in Roemenië. In de Roemeense grondwet staat echter dat een huwelijk de unie is van een man en een vrouw. Roemenië roept nationale identiteit in om de erkenning van het huwelijk te weigeren. Het Roemeens Grondwettelijk Hof waar de vraag is aanbeland, heeft de vraag aan ons voorgelegd: vrij verkeer tegenover nationale identiteit.

Dat zijn de soort zaken van de tweede dertig jaar. Het zijn zaken die perfect zouden passen voor een Grondwettelijk Hof, voor een hoogste Hof. Deze zaken tonen aan hoe ver de Europese Unie van vandaag verwijderd is van de louter Economische Gemeenschap waarmee ze het levenslicht zag, zestig jaar geleden. De regels met betrekking tot het burgerschap van de Unie staan volledig los van een logica van economisch vrij verkeer. Het zijn burgers als dusdanig die vrij bewegen, economisch actieven en niet-actieven.

Deze zaken geven ook aan dat de Europese wetgever – en dat zijn indirect ook de nationale en regionale parlementen – zorg dient te dragen voor kwalitatieve, precieze en gedetailleerde wetgeving. Dit is zeker nodig wanneer de begrippen ethisch geladen zijn.

Ik kan hier verwijzen naar de zaak Brüstle. Krachtens een Europese richtlijn uit 1998 zijn menselijke embryo’s niet octrooieerbaar. Maar wat zijn embryo’s? De Uniewetgever heeft dit begrip niet gedefinieerd – eigenlijk erger nog, we zijn de voorbereidende werken gaan nakijken en daar staat in dat we daar nooit uitkomen als we daaraan beginnen en als daar problemen mee zijn, dan zal het Hof van Justitie wel beslissen. Dat staat er zo in. Het Hof had dus geen keuze. De richtlijn Octrooieerbaarheid – in Vlaanderen zegt men soms ook naar het Engels ‘patenteerbaarheid’, maar de goede term is octrooieerbaarheid – van biotechnologische uitvindingen is een uniform concept in de interne markt. Daarom heeft men die wetgeving gemaakt. Dus, de definitie van het embryo als uitzondering op de octrooieerbaarheid moet uiteraard uniform worden toegepast. Men moest dus definiëren wat een embryo was. Het Hof heeft dat gedaan om de uniforme toepassing van de richtlijn te verzekeren binnen de interne markt, maar benadrukte wel tegelijk dat het met zijn definitie niet een medisch of ethisch vraagstuk oploste, meer bepaald in verband met het begin van leven enzovoort.

Dus het Hof neemt een zeer praktische, technisch beperkte, stap-bij-stapinvulling, net zoveel als nodig om die bepaalde zaak op te lossen en stap voor stap gaat men verder. Een rechter is geen wetgever, hij werkt niet proactief maar reactief wanneer een zaak wordt voorgelegd.

Het Hof van Justitie krijgt af en toe te horen dat het te machtig zou zijn, dat het een standpunt inneemt in maatschappelijk zwaar geladen dossiers. Vaak is die kritiek terug te brengen tot de Uniewetgeving zelf die niet voldoende precies en gedetailleerd is. Hoe duidelijker de wetgeving, hoe kleiner de uitleggingsmarge voor het Hof.

Het Hof van Justitie is en blijft een rechtsprekend orgaan. Het kan, en vooral het wil zich niet in de plaats stellen van de wetgever. Het Hof zal alleen een strenger toezicht uitoefenen wanneer een wetgevingshandeling van de Unie of van een lidstaat, binnen het materiële toepassingsgebied van het Unierecht, dus niet die zuiver interne situaties, een inbreuk vormt op een grondrecht.

Immers, het recht waarvan het Hof van Justitie de eerbiediging verzekert, omvat niet alleen de verdragen waarop de Unie steunt en de bepalingen aangenomen door de politieke instellingen van de Unie, maar ook en vooral het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat dezelfde primairrechtelijke rechtskracht heeft als de EU-Verdragen. De Uniewetgever moet dit Handvest naleven, net zoals de nationale wetgever dit Handvest moet naleven wanneer hij het Unierecht uitvoert. Zo verklaarde het Hof in de zaak Digital Rights Ireland een Europese richtlijn die telefoon- en internetproviders verplichtte om bulk metadata bij te houden in verband met elektronische communicaties ongeldig omdat de richtlijn een onevenredige beperking betekende op het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens. De richtlijn was immers te algemeen van strekking. Iedereen was verdacht. Ze was van toepassing op alle personen, alle elektronischecommunicatiemiddelen en alle verkeersgegevens, zonder enig onderscheid. Daarenboven liet de richtlijn na de omstandigheden te bepalen waaronder nationale autoriteiten toegang tot de persoonsgegevens konden krijgen.

Natuurlijk rechtvaardigt de strijd tegen terrorisme inbreuken op het recht op privacy. Maar deze inbreuken moeten evenredig blijven aan het nagestreefde doel. Het Hof van Justitie ziet strikt toe op de naleving van het Handvest van de Grondrechten, ook in tijden van terreur. Want deze grondrechten zijn de fundamenten waarop onze westerse samenleving steunt.

Een gelijkaardige zaak is Schrems, de bekende Facebookzaak, die betrekking had op het overbrengen van gegevens van Facebookabonnees naar servers binnen de Verenigde Staten van Amerika. In dit arrest verklaarde het Hof van Justitie het besluit van de Europese Commissie ongeldig waarbij de Commissie bevond dat de Verenigde Staten een gepast beschermingsniveau boden voor de verwerking van persoonsgegevens. Intussen heeft de Commissie een nieuw besluit aangenomen dat beoogt rekening te houden met de rechtspraak van het Hof van Justitie, na onderhandeling met de Verenigde Staten. Voor de uitspraak van een Europese rechter, zijnde het Hof van Justitie, gaan de Verenigde Staten achteruit. Zij willen zelf immers niet worden gepercipieerd als geen respect opbrengend voor de rechtsstaat, voor de uitspraak van de rechter. U ziet daar ook de interactie tussen rechter en bestuur.

Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie is niet alleen gericht tot de Unie-instellingen en -organen, maar ook tot de lidstaten ‘wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen’. Het Hof van Justitie hanteert strikt dezelfde maatstaf voor de beoordeling van de conformiteit van de Uniemaatregelen of nationale maatregelen met het Handvest van de Grondrechten.

Dit blijkt uit de arresten in de terrorismezaken Kadi en ZZ. De Kadi-zaak betrof een Uniemaatregel waarbij de tegoeden van een vermeend terrorist werden bevroren. ZZ ging om een nationale maatregel van het Verenigd Koninkrijk waarbij een onderdaan van een lidstaat, Frankrijk, tevens onderdaan van een derde land, Algerije, met verblijfsvergunning in een andere lidstaat, het Verenigd Koninkrijk, uit deze laatste lidstaat werd verwijderd om redenen van staatsveiligheid. Of het nu gaat om een Uniemaatregel in Kadi of een nationale maatregel in ZZ, in beide gevallen heeft het Hof gesteld dat de rechten van verweer van de betrokken persoon moeten worden nageleefd. Natuurlijk is het Hof wel realistisch; het Hof vereist niet de bekendmaking van alle bewijsstukken die de Staatsveiligheid bezit, want dat zou het leven van derden in gevaar brengen. Bijvoorbeeld het bewijs dat iemand een band heeft met een terroristische organisatie, kan blijken uit het e-mailverkeer van een infiltrant. Daar wordt in de rechtspraak van het Hof van Justitie wel degelijk begrip voor getoond en rekening mee gehouden. Maar iemand wiens tegoeden worden bevroren of die het land wordt uitgezet, heeft altijd het recht om de kern, the substance, van de hem of haar ten laste gelegde grieven te kennen, zo niet kan die persoon, nadat de maatregel is genomen, zijn recht op verweer niet hard maken. Ik zeg wel degelijk ‘nadat de maatregel is genomen’. Normaal is het recht van verweer voor de maatregel wordt genomen. Dat is ook al een verzachting van de ‘balancing’. Hier is dus het recht van verweer aan zet nadat de maatregel wordt genomen omdat de maatregel een verrassingseffect moet hebben. Men gaat niet iemand convoceren en zeggen: ‘Kom even langs, dan zal ik u de grieven meedelen en kan ik u verdedigen. Afhankelijk van de uitkomst van dit fraaie gesprek, gaan we dan beslissen om uw tegoeden te bevriezen.’ Als men dat doet, is er niets meer te bevriezen op het moment dat men tot actie wil overgaan. U ziet dat het Hof een hele ‘balancing’ heeft uitgewerkt, maar ze is strikt gelijk voor de lidstaten en voor de Unie.

Sinds de Verdragen van Rome heeft de Europese Unie een lange weg afgelegd. De Unie is gegrond op de waarden van democratie, de rechtsstaat en eerbied voor de grondrechten. Deze drie waarden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zoals een rechtsstaat zonder democratie ondenkbaar is, zo ook is een democratie zonder rechtsstaat en grondrechtenbescherming uitgesloten. Het gelijkheidsbeginsel is daarbij de hoeksteen van de Europese integratie. In het EEG-Verdrag ging het in essentie om non-discriminatie op grond van nationaliteit. Nu biedt het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie bescherming tegen elke mogelijke vorm van discriminatie, zoals de Hoofddoekarresten van 14 maart 2017 hebben aangetoond. Grote Kamerarresten, onder mijn voorzitterschap.

Is de Europese Unie een succesverhaal? Is de balans positief of moeten we terughoudend zijn?

Nooit in haar geschiedenis heeft Europa een zo lange periode van vrede gekend. En de Europese Unie is sterk geworteld in de waarden van democratie, rechtsstaat en eerbied voor de grondrechten. In die zin is het beslist een succesverhaal. De Europese Unie staat voor verantwoordelijkheid van de Unie, de lidstaten en de regio’s, en staat voor solidariteit gesteund op loyale samenwerking tussen al deze bestuursniveaus die elkaar aanvullen. Het gaat om een bewuste keuze die gedurende zestig jaar geconsolideerd is, omdat er geen ‘alternatief’ is. Het ieder voor zich, zelfs ten koste van anderen, heeft inderdaad bewezen dat het geen alternatief vormt.

Maar de Europese Unie laat alle mogelijke ruimte voor diversiteit. In haar kerngehalte is ze “[i]n verscheidenheid verenigd”. De Unie treedt enkel op wanneer zij haar meerwaarde kan aantonen als daadwerkelijk het efficiëntste bestuursniveau.

Ze onthoudt zich van optreden indien de doelstellingen beter op nationaal of regionaal niveau kunnen worden verwezenlijkt. Ja, soms is meer Europa nodig, als het gaat om interne en externe veiligheid, voedselveiligheid, asiel en immigratie enzovoort, maar vaak is ook heel wat minder Europa nodig, bij overregulering die verstikkend werkt en niet essentieel is. Zo respecteert de Unie ten volle haar lidstaten én regio’s en hun nationale of regionale identiteit. Het is daarom dat ik trots kan zeggen, verwijzend naar August Vermeylen: laten we vandaag, bij die 60e verjaardag, trots Vlamingen zijn om Europeeërs te worden.

Ik dank u. (Applaus)

Dank u wel, professor Lenaerts.

Ik geef nu het woord aan de fracties. De spreektijd is vier minuten, zoals afgesproken.

De heer Diependaele heeft het woord.

Voorzitter, geachte president van het Hof van Justitie, leden van de regering, collega’s, ik moet zeggen dat collega Vanlouwe hier normaal zou staan, maar dat ik wegens stemproblemen de eer heb hem te vervangen. En ik doe dat zeer graag, professor Lenaerts, al was het maar om als oud-student van u mijn waardering uit te spreken voor het werk dat u verricht in Luxemburg.

Collega’s, het is een goeie zaak dat we ook in het Vlaams Parlement aandacht besteden aan de 60e verjaardag van het Verdrag van Rome. Met dat verdrag slaagde men erin om voormalige aartsvijanden rond de tafel te krijgen na twee verschrikkelijke oorlogen. Het ‘Europa van de Zes’ richtte de Europese Economische Gemeenschap op, een confederaal samenwerkingsverband van onafhankelijke staten dat was gebaseerd op economische coöperatie. Tegelijkertijd werd in 1957 echter ook het startschot gegeven van een samenwerking waarbij heel wat onderdelen van de nationale soevereiniteit van lidstaten al dan niet sluipend naar het Europese niveau werden overgeheveld.

Vandaag, zestig jaar later, kan niemand ontkennen dat we volop de vruchten plukken van die economische samenwerking. De creatie van de interne markt heeft voor een ongeziene toename van onze welvaart gezorgd. Daarover zijn vriend en vijand het eens. De samenwerking komt echter steeds meer onder druk te staan. Heel wat Europese burgers herkennen zichzelf niet langer in het Europese project. De instellingen van de Unie slagen er niet in om daadkrachtige antwoorden te bieden op de uitdagingen waarmee burgers vandaag worden geconfronteerd. Denk maar aan de financieel-economische crisis, die we nog maar voorzichtig te boven komen, maar zeker ook aan de migratiecrisis, waarbij de EU haar lot in handen heeft moeten leggen van een Turkije dat steeds verder afstand neemt van de grondwaarden waar Europa voor staat. Het idee dat professor Lenaerts daarnet heeft meegegeven dat dit zou liggen aan een inefficiënte bevoegdheidsverdeling, lijkt me inderdaad een uitdagend idee om voort op te werken.

Collega’s, de brexit en het slinkende draagvlak in andere Europese landen blijken de ultieme wake-upcall te zijn voor de huidige Europese Unie. Het heeft de Unie ertoe aangezet om de hand in eigen boezem te steken. We moeten vandaag nadenken over de toekomst van onze Europese samenwerking. We moeten durven te gaan voor een hervormde Europese Unie, die opnieuw een draagvlak bij de bevolking weet te creëren. Veel burgers beschouwen de EU niet langer als de oplossing, maar soms als een bron van ergernis, zoals de professor het daarnet heeft aangegeven, als het gaat over de overregulering. Daar moeten we verandering in brengen. Om de Unie in de 21e eeuw opnieuw relevant te maken en ervoor te zorgen dat ze niet langer als het probleem wordt beschouwd, moet de Unie zich aanpassen en hervormen.

Mijn partij is dan ook tevreden dat zestig jaar na het Verdrag van Rome het eindelijk gelukt is om hét grote Europese taboe te doorbreken. Het witboek van Commissievoorzitter Juncker is historisch te noemen. Voor de allereerste keer pleit men niet zomaar blindelings voor meer Europese integratie, altijd en overal. Het idee dat een Europese federale superstaat het enige mogelijke leidmotief kan zijn, gaat op de schop.

Vanuit een confederale logica willen wij als N-VA geen rigide blok dat weerloos is in een snel veranderende wereld, maar wel een flexibel netwerk dat ons toelaat snel en samen in te grijpen om een antwoord te bieden op de grote uitdagingen. Opties zoals een kleinere en moderne begroting, een terugkeer van bevoegdheden naar de lidstaten en een Europa van meerdere snelheden zoals door de drie Benelux-premiers bepleit, liggen op tafel. Dat kunnen we alleen maar toejuichen. Mijn partij wil daarnaast meer respect voor deelstaten en regio’s in Europa, een thema waarvan ik weet dat het ook professor Lenaerts beroert. Als de EU haar democratisch draagvlak bij de burger wil vergroten, moet ze de kloof met haar burgers verkleinen. En dat kan wat ons betreft enkel gebeuren wanneer we de niveaus dicht bij de burger opwaarderen in het hele Europese beleidsvormingsproces.

Collega’s, wij gaan niet mee in een anti-EU-verhaal waarbij alle Europese verwezenlijkingen worden ontkend. Maar wij gaan ook niet mee in de idee van een superstaat die steeds verder en verder van de burgers komt te staan. Wij geloven rotsvast in de basisleuze van de EU zelf: eenheid in verscheidenheid. Net omdat wij de Europese samenwerking een warm hart toedragen, pleiten we voor een hervormde Europese Unie waar de deelstaten de bouwstenen van een Europese samenwerking zijn. Dank u wel. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Kennes heeft het woord.

Weer een oud-student, zegt u waarschijnlijk. Ik had het geraden.

Voorzitter, voorzitter, ministers, collega’s, men kan het Vlaams Parlement een zekere zin voor dramatiek niet ontzeggen want op hetzelfde moment waarop wij hier discussiëren naar aanleiding van 60 jaar Verdrag van Rome is er een ambassadeur die op een boogscheut van hier artikel 50 in werking zet met het overhandigen van een brief.

Wij hebben als Vlamingen in Europa altijd een heel belangrijke rol gespeeld. Er zijn heel wat voorbeelden van trekkers in de verschillende Europese instellingen. Het is voor ons een eer dat u, voorzitter-professor, deze belangrijke functie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bekleedt. We hebben de afgelopen dagen die 60e verjaardag inderdaad kunnen vieren en gedenken. Zes pioniers hebben in 1957 het Verdrag van Rome getekend, het begin van de Europese samenwerking, die op zeer veel terreinen een ongekend succes is geworden. De samenwerking heeft zich over de jaren heen zowel verbreed als verdiept op een manier die de oprichters waarschijnlijk zelf niet voor mogelijk hadden gehouden. Eén droom werd alleszins bewaarheid, die van een duurzame vrede op een continent dat eeuwenlang door bloedige broedertwisten werd verscheurd. Hiervoor heeft de Unie de Nobelprijs voor de Vrede ontvangen, en dat moet van ons Europeanen mensen maken die zich blijvend inzetten voor vrede, samenwerking en dialoog.

Vandaag wordt politiek vaak voorgesteld als een keuze tussen identiteit en solidariteit. Europa is het antwoord op beide vragen. De Europese Unie maakt het mogelijk dat ik Vlaming en Europeeër ben – ook u had reeds August Vermeylen geciteerd. En dat geldt ook voor de Fransman, de Griek, de Fin of de Pool. Europa respecteert de grote taalrijkdom van ons continent, het heeft het principe van de subsidiariteit verankerd en laat toe dat staten en deelstaten vaak zeer uiteenlopende politieke keuzes maken inzake onderwijs, sociale zekerheid, cultuur, bio-ethiek en fiscaliteit. De eenheidsworst die velen als schrikbeeld zien opdoemen, vindt geen basis in de Europese verdragen. Het is een belangrijke taak van uw Hof om de regels en grenzen te bewaken om deze verscheidenheid in Europa te kunnen koesteren.

Maar er zijn heel wat uitdagingen waarvoor wij alleen maar samen kunnen werken en er samen het hoofd aan kunnen bieden. Ze zijn genoemd: sociale dumping, klimaat, de verdediging van de buitengrenzen, de internationale handel en de veiligheid.

De afgelopen jaren leek het alsof Europa niet meer werkt. Het heeft op een aantal punten de verwachtingen van burgers en volkeren niet kunnen inlossen. Hiervoor wordt te dikwijls Europa met de vinger gewezen. Soms terecht, maar ook vaak bij gebrek aan moed, bij gebrek aan inzicht of om mee te huilen met de wolven in het bos. Met het brexitreferendum hebben die gevoelens een hoogtepunt bereikt bij een deel van de Britse bevolking. Een keuze die we betreuren, want uit Europa stappen is uit de geschiedenis stappen, zoals de Franse toneelschrijver Eugène Ionesco ooit zei. Het is duidelijk dat de tijd aangebroken is voor een nieuwe legitimatie. Daarom is het witboek over de toekomst van Europa van commissievoorzitter Juncker belangrijk. In recente jaren hebben mensen steeds meer de noodzaak begrepen van een betere balans tussen economische en sociale politiek die gebaseerd is op een beleid dat welvaart en concurrentie bevordert zonder de legitieme verwachtingen te negeren van wie het moeilijk heeft of in de marge van onze samenleving is beland. Dit is voor de christen-democraten een heel belangrijke uitdaging.

Gisteren hebben we in de commissie Buitenlands Beleid gedebatteerd over verontrustende tendensen in een aantal Europese landen. Mijnheer Lenaerts, u hebt hier vandaag gezegd dat de EU wordt beheerst door het recht, en u hebt de samenhang aangetoond tussen de bescherming van grondrechten en democratie. Die staat vandaag in een aantal Europese landen onder druk. Als voorzitter van een van de belangrijkste Europese instellingen en als behoeder van het recht, de rechtstaat en de bescherming van de grondrechten hebben we u hier in ons midden. Het debat daarover voeren we ook in dit parlement en u zult in ons daarvoor ook een bondgenoot vinden.

Ik sluit af met de stelling van voormalig Amerikaans president Obama dat de Europese integratie en eenheid één van de grootste verworvenheden in de geschiedenis van de mensheid is. De vele uitdagingen en vraagstukken kunnen de landen in Europa niet afzonderlijk oplossen. Daarvoor is samenwerking nodig. Want de veranderende wereld maakt dat natiestaten geen toereikend en geloofwaardig antwoord meer hebben op de mondiale uitdagingen. Het helen van de kloof in de samenleving bereiken we niet door het sluiten van grenzen, wel door het scheppen van kansen voor iedereen. (Applaus bij CD&V, de N-VA, Open Vld, sp.a en Groen)

De heer Daems heeft het woord.

Europa is actueler dan ooit. Dat zal alleen maar toenemen, niet alleen omdat we terugblikken op het verdrag van Rome dat zestig jaar geleden werd ondertekend, maar ook omdat de Britse eerste minister May zich vandaag beroept op artikel 50. Als u het mij vraagt, mag deze dag dan ook geboekstaafd worden als de dag van May of in het Engels Mayday naar analogie met het noodsignaal ‘mayday’ – dat is overigens geen Engelse term, maar een verbastering van de Franse vraag om hulp ‘m'aider’.

Het is niet zo uitzonderlijk dat Groot-Brittannië uit de EU wil treden. Het is niet de eerste keer. De visie die gehuldigd werd door Robert Schumann en Jean Monnet was een visie waarin het aspect van supranationaliteit moest ontstaan. Wat in het vooruitzicht werd gesteld, was het afgeven van een bevoegdheid voor meer samenwerking. Twee verschillende vragen moesten worden beantwoord. Wat doen we beter samen in plaats van alleen? En wat doen we samen beter dan alleen? De kwestie van de supranationaliteit is één van de redenen die de Britten ertoe hebben aangezet om eruit te trekken, omdat ze niet aanvaarden een antwoord te geven op die twee cruciale vragen.

Als politici hebben we in dit parlement een grote verantwoordelijkheid. We laten na om het goede van Europa naar voren te brengen. Heel vaak dragen we zelf schuld omdat we Europa met de vinger wijzen voor zaken die niet zo goed lopen en waarvoor we verantwoordelijkheid dragen in ons eigen land of in onze eigen regio.

We zijn dus zelf voor een deel schuldig aan het feit dat de burger Europa vandaag niet bekijkt zoals hij of zij Europa zou kunnen bekijken. Laat me dat even illustreren. Wat is er goed aan Europa? Waar zijn onze burgers beter van geworden? Maar verdraaid toch! Die interne markt levert meer dan één op zes jobs op in Vlaanderen. Waarom zeggen we dat niet elke dag opnieuw? De euro heeft ons stabiliteit gegeven, ook in de prijzen. Wat een faciliteit geeft dit ons wanneer we door Europa gaan!

U hebt gezegd dat de EU een onvoorstelbaar, in de geschiedenis nooit gezien project van vrede is. Waarom zeggen we dat niet telkens opnieuw? De EU is een platform waarop we samen dingen kunnen aanpakken die we alleen niet goed kunnen aanpakken, denk maar aan de klimaatproblematiek, energie, migratie, veiligheid. Waarom zeggen we dat niet voldoende? Maar bovenal: meer Europa is meer vrijheid. Dát is de essentie van het supranationale gegeven, van die visie van een Schuman en van een Monnet. De EU creëert meer vrijheid voor ons: vrijheid om te wonen, werken, studeren, reizen in Europa.

Kijk rondom uzelf. Kijk naar uw kinderen. Mijn oudste dochter, Andrea, 19 jaar, studeert in Leuven, binnenkort in Rome, Kopenhagen, Madrid of weet ik veel. Ik weet niet of zij straks in België, Vlaanderen, zal wonen. Zij is Europeaan zoals zovelen, de grote meerderheid van de jonge mensen. Of mijn jongste spruit, Sasha, 10 jaar. Zij gaat naar school in een immersieschool, in de twee talen. Zij doet ‘WeChat’ met vriendjes buiten België. Djeezes, mensen! De jeugd, de jonge mensen zijn Europeaan. Ze zijn natuurlijk ook Vlaming of Belg of inwoner van hun dorp of stad. Maar ze zijn vooral Europees gericht. Wij zouden dat moeten weten. Kijk rond u. Kijk naar uw kinderen. Kijk naar jonge mensen. Dan weet u dat.

‘Meer Europa’ is dus het juiste antwoord om voordelen te bieden aan onze burger, en niet ‘minder Europa’. Het is dus aan ons om Europa daar waar het nuttig is meer te verdedigen in plaats van onze verantwoordelijkheid te ontlopen door, wanneer de zaken niet goed gaan, te verwijzen naar Europa en te zeggen dat het móet van Europa en dat het niet onze schuld is. Dat noem ik onverantwoordelijkheid.

Daarom, mijnheer Lenaerts en collega’s, zeg ik zonder enig probleem: we moeten niet blind zijn voor onvolmaaktheden. We moeten er niet blind voor zijn dat vandaag het Europese project niet volkomen is. Maar we moeten evenmin blind zijn voor het feit dat we wel degelijk een stap vooruit, niet achteruit, moeten zetten in het verhaal van de Europese integratie, in de visie en de filosofie van een Schuman en een Monnet. Ik ben niet bang om op het juiste niveau te zeggen, zonder dat het een superstaat moet zijn, dat ik wél geloof in een niveau dat ik zonder enig probleem de Verenigde Staten van Europa durf te noemen. En, mijnheer Lenaerts, ik heb ook geen probleem om – niet zoals Vermeylen maar zoals liberalen – te zeggen: ‘Ik ben gewoonweg fier om Europeaan te zijn’. (Applaus bij Open Vld, de N-VA, CD&V, sp.a en Groen)

Mevrouw Soens heeft het woord.

Geachte president van het Europees Hof van Justitie, beste voorzitter, ministers en collega’s, ik ben het bijna jongste parlementslid van het halfrond. Ik ben 29 – u mag dat gerust allemaal weten – en dus ben ik opgegroeid met de unieke gedachte dat Europa te allen tijde de vrede wil bewaren, ook buiten zijn grenzen. Ik heb nooit iets anders gekend. Ik ben opgegroeid met de unieke gedachte dat Europa een politiek en economisch project uitrolt én – cruciaal voor een overtuigde socialist – vooral de voorloper is van een groots sociaal project dat ons uiteindelijk allemaal ten goede komt. Hier dichtbij ons, of net een heel eind ver weg. Een Europa dat staat voor meer welvaart en meer jobs, en voor minder armoede en minder ongelijkheid. Ik heb haast nooit iets anders gekend.

En vandaag, zestig jaar na het Verdrag van Rome zijn we met 28 min 1 en zie ik een andere realiteit. Een realiteit die die unieke, misschien te romantische, gedachte waar ik mee opgroeide, helemaal ondermijnt. Vandaag schept Europa géén blind vertrouwen meer. Vandaag keren mensen Europa de rug toe.

De afgelopen jaren schoot Europa schromelijk te kort. Sociale dumping tiert welig, waardoor enerzijds Europeanen hun job verliezen en andere Europeanen tegen een hongerloon werken. De Grieken werden naar de afgrond verwezen omdat de markt belangrijker was dan de mensen. En zij die vluchten voor oorlog werden dan weer overgelaten aan Turkije, omdat Europa zijn verantwoordelijkheid niet nam.

Dit Europa, zonder sociaal gezicht, zo heb ik het haast nooit eerder gekend.

Werk maken van sterke sociale vooruitgang binnen zijn grenzen en sterke sociale vooruitgang promoten buiten zijn grenzen, dát moet opnieuw de kerngedachte worden, in plaats van kleine koterij aan de rand van de interne markt. Want zoals het nu loopt, werkt dit Europa niet langer, toch niet voor wie het zestig jaar geleden werd opgericht.

Europa staat dus voor een resem uitdagingen, zoals u zelf schreef in het voorwoord van het jaarverslag van het Hof. Wel, ik ben ervan overtuigd dat Europa alleen toekomst heeft als het zijn sociaal kompas opnieuw op scherp stelt, en als het ook buiten zijn grenzen zijn reden van bestaan uitdraagt: vrede, solidariteit, net als het terugdringen van ongelijkheid en armoede.

Niet toevallig verwijst het Hof in een terugblik op zijn belangrijkste arresten van het jaar naar het buitenlandse beleid van de Unie en haar beperkende maatregelen zoals wapenembargo’s of bevriezingen van tegoeden. Deze beperkende maatregelen zijn instrumenten die we kunnen gebruiken wanneer onze rode lijn wordt overschreden, onze rode lijn van mensenrechtenschendingen en het in gevaar brengen van onze eigen veiligheid. Het zal u ongetwijfeld niet ontgaan zijn dat de discussie over een wapenembargo tegen Saoedi-Arabië in België opnieuw oplaait.

De sp.a heeft dat voorstel al verschillende keren ingediend. Want voor ons is het heel simpel: je kan niet terrorisme bestrijden in Vlaanderen, in België, in de Europese Unie, en intussen wapens blijven verkopen aan een land dat dat terrorisme financiert en ondersteunt en nog eens de meest grove mensenrechtenschendingen begaat in Saoedi-Arabië en in Jemen. Een internationaal wapenembargo, via de VN of via de Europese Unie, kan er wat ons betreft niet snel genoeg zijn. Maar zolang dat het er niet is, moeten wij hier in Vlaanderen en met dit parlement het voortouw nemen en een wapenembargo instellen.

Beste collega’s, ministers, beste president van het Hof, de weg tonen, het kompas weer juist zetten en Europeanen zelf – jong en ouder –  weer in het midden plaatsen. Dáár gaat het om. Dát is het Europa dat ik ken.

Europa is wel degelijk in staat om zichzelf opnieuw uit te vinden, net zoals het dat zestig jaar geleden deed. Ik blijf daar, ondanks die resem uitdagingen waar het en wij allemaal voor staan, van overtuigd. Maar dan moet het dringend het heft zelf weer in handen nemen, wil het zijn toekomst veiligstellen. Ik dank u. (Applaus bij de N-VA, CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

De heer Vanbesien heeft het woord.

Beste collega’s, ‘Alle Menschen werden Brüder’. Dat is de Europese hymne. Ik dacht die eerst nog te zingen, maar dat is niet nodig, want de woorden op zich zijn krachtig genoeg. Wat een fenomenale ambitie van Europa en van de Europese Unie! We zetten de mensen centraal en het gaat om broederlijkheid, om solidariteit.

Maar de realiteit van vandaag in Europa staat daar ver van af. We zijn verdeeld – velen hebben daarnaar verwezen. De Britten stappen eruit. Of ik zal het correct zeggen, zoals het volgens de voorzitter van het parlement moet: het zijn de Engelsen die eruit stappen en ze willen de Schotten en de Noord-Ieren meepakken. Maar ook in andere Europese landen zijn er politieke partijen die rekruteren met een boodschap tegen het bestaan van de Europese Unie. Tussen haakjes, die partijen doen dat niet om humanitaire redenen of redenen van menselijkheid, want ze combineren dat bijna altijd met een anti-moslimboodschap.

Ze gebruiken de aanval op de EU enkel om angst op te poken, om er stemmen mee te winnen. Wat wel frappant en relevant is, is dat heel wat mensen openstaan voor die boodschap en dat de reden daarvoor is dat Europa te ver is afgedreven van haar eigen ambitie, van menselijkheid en solidariteit, dat de Europese Unie nog steeds te veel een project is van markt en van munt, en te weinig van mens. Zelfs al weet ik dat een eengemaakte markt en een eengemaakte munt de intentie hebben van samenwerking, toch kan het daar niet bij blijven. We zien dat de mens te veel speelbal is geworden van markt en munt. De sociale dumping, die eerlijke verhoudingen tussen mensen uit balans brengt, maar ook de nefaste besparingsdruk, veel te gedetailleerde regeldrift: de Europese Unie is haar ziel kwijt.

Als dat de analyse is, is de oplossing ook duidelijk. Europa heeft nood aan bezieling, aan enthousiasme, aan bezorgdheid en aan broederlijkheid. Europa heeft de opdracht om verenigd de grote thema's van deze tijd aan te pakken: klimaatverandering, oorlogen, grondstoffenschaarste, terrorisme, vluchtelingenopvang, belastingfraude. Europa heeft de opdracht er op al die fronten ambitieuze, wervende projecten, beleidsmaatregelen, investeringen tegenover te zetten in duurzame ontwikkeling, in een krachtdadig geopolitiek beleid gebaseerd op mensenrechten, op democratie, op het beschermen van alle inwoners van Europa. Die ziel, die spirit moeten we opnieuw in Europa blazen. Laten we dat allemaal samen doen. Dank u. (Applaus)

De heer Janssens heeft het woord.

Mijnheer de president van het Hof van Justitie, namens mijn EU-kritische fractie wil ik u danken voor uw komst naar het Vlaams Parlement. Mijn partij heeft zich, zoals u wellicht weet, samen met veel andere Europeanen afgekeerd van het huidige EU-project, niet omdat we muren rond Vlaanderen willen optrekken, zoals tegenstanders al te vaak beweren, maar wel omdat we het niet eens zijn met de voortschrijdende aantasting van de nationale soevereiniteit, de ongebreidelde bevoegdheidsuitbreiding en de ondemocratische manier waarop dit vaak gebeurt.

Sinds 1957 is de Europese samenwerking inderdaad systematisch verder uitgebreid, en uiteindelijk zowel inhoudelijk als institutioneel uit de hand gelopen, ongeveer vanaf het Verdrag van Maastricht uit 1992. We hebben inmiddels te maken met een grote namaakstaat die, ondanks referenda die zich daartegen uitspraken – tenminste in die landen die de bevolking daarover aan het woord lieten –, verder is doorgestoten naar een oppermacht op domeinen die beter door de lidstaten zouden worden beheerd.

Zeker na de invoering van de open grenzen voor migratie, het Verdrag van Schengen en de muntunie staan de burgers onder de weinig democratische en bureaucratische voogdij voor zowat heel ons migratiebeleid en sociaal-economische politiek. De stabiliteit van de munt wordt daarbij als dwangmiddel gebruikt. Die evolutie is ongewenst, want ze gaat uit van de veronderstelling dat eenzelfde oplossing voor iedereen noodzakelijk positief is, terwijl net het tegenovergestelde het geval is.

Verscheidenheid is inderdaad juist het kenmerk van Europa. Wat de instelling betreft waarvan u met veel kunde het voorzitterschap bekleedt, stel ik vast dat ook het Europees Hof van Justitie met zijn arresten al te vaak of steeds meer op het terrein van de nationale lidstaten komt. Om maar een recent voorbeeld te geven, het is toch al te gek dat een Europese rechtbank kan oordelen of iemand in een concreet bedrijf in een bepaald land al dan niet het recht zou moeten hebben om een hoofddoek te dragen. Ik zou veel voorbeelden kunnen geven, maar in dit beperkte tijdsbestek is dat niet mogelijk.

President, dergelijke kwesties zouden wat ons betreft moeten worden beslecht door een democratisch verkozen parlement en niet door, weliswaar zeer bekwame, maar desalniettemin via politieke compromissen aangestelde rechters. Mijn partij is inderdaad een democratische partij, en daarom kanten wij ons tegen een ‘gouvernement des juges’.

Het Hof dat u voorzit, is uiteraard de belichaming en de exponent van de geïntegreerde federale unie, omdat de eenheid van rechtsorde en van rechtspraak de Europese eenheidsstaat finaal stut. Kortom, het Hof is een gerespecteerd onderdeel van een noodlottig geheel: de Europese Unie in de vorm zoals die zich – wat ons betreft: helaas – heeft ontwikkeld na het Verdrag van Maastricht. Wat mijn partij betreft, moet de federale ‘altijd maar meer EU’-logica doorbroken worden en moet er teruggekeerd worden naar een intergouvernementeel systeem, als men tenminste wil vermijden dat de hele Europese Unie in een exitscenario uitmondt, dat inderdaad uitgerekend vandaag door de Britten in gang werd gezet.

Een nieuw model van Europese samenwerking, gebaseerd op een gezond intergouvernementeel model, moet door nieuwe ‘founding fathers’ in de steigers worden gezet. Wij pleiten dus inderdaad voor een nieuw Europa, een verband van vrije, onafhankelijke en soevereine staten, die met elkaar handel drijven en die op een beperkt aantal terreinen met elkaar samenwerken, en dat op volstrekt vrijwillige basis. Kortom, mijnheer de president: weg, wat ons betreft, met de huidige Europese Unie. Maar ook uitdrukkelijk: leve Europa! (Applaus bij het Vlaams Belang)

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Mijnheer de president van het Hof van Justitie van de Europese Unie, mijnheer de voorzitter van het parlement, collega’s van de regering en van het Vlaams Parlement, geachte Europarlementsleden, dames en heren, ik heb zopas een e-mail gekregen van mevrouw Alison Rose, ambassadrice van het Verenigd Koninkrijk, onder de titel: ‘Triggering of article 50’, met daarin als bijlage de brief van Theresa May om officieel de brexitprocedure conform artikel 50 op gang te brengen.

Collega’s, ik denk dat de symboliek van vandaag telt. Op het moment dat het Verenigd Koninkrijk officieel de brexitprocedure opstart, toont dit Vlaams Parlement zijn verbondenheid met het Europese project. En het parlement doet dat samen met dé belangrijkste Vlaming die momenteel in de Europese instellingen werkt. Als president van het Hof van Justitie van de Europese Unie speelt Koen Lenaerts een bepalende rol bij de toepassing van het Unierecht. Mijnheer de president, we mogen er best trots op zijn, en we zijn dat ook, dat een Vlaming het hoogste rechtscollege leidt. (Applaus)

Collega’s, in de brexitcampagne stond ook de positie van het Europees Hof centraal. Britse tabloids fulmineerden tegen ‘foreign judges’ die de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk zouden bedreigen. En het is juist dat zeker in de beginperiode het Hof van Justitie een bepaald juridisch activisme aan de dag legde. Het Hof van Justitie heeft echter al lang de omslag gemaakt en hanteert een andere interpretatiemethodiek dan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens toepast en daarbij geen rekening dient te houden met het kardinaal beginsel ‘eenheid in verscheidenheid’, dat een rode draad is bij de toepassing van het Unierecht.

Het is, collega’s, helaas al meer dan veertig jaar geleden dat ik afstudeerde. Ik moet zeggen, mijnheer de president, dat ik mij even weer in mijn studententijd waande. Niet dat ik het genoegen gesmaakt heb om, zoals mijn zoon en een aantal collega’s, college van u te krijgen – ik ben ook een beetje ouder dan u – maar ik heb genoten van dit college. U hebt de basisprincipes van de Europese Unie geborsteld en u hebt ook een overzicht gegeven van de twee keer dertig jaar, de twee periodes waarin het Europees Hof een toepassingsgebied had, vooral gefocust op het economische en vervolgens – u hebt het ook gedemonstreerd – op zeer brede maatschappelijke aangelegenheden.

Maar nu, collega’s, in mijn studententijd lagen die Europese arresten nog vers in het geheugen. Ze worden inderdaad grote principearresten genoemd. Ze zijn daarstraks al aangehaald. Het Hof had toen een noodzakelijke ordenende functie om de fundamentele verhoudingen van de Europese rechtsorde scherp te stellen, waarbij het voornamelijk de eenheid en de effectiviteit van het acquis communautaire voor ogen hield.

Het Hof deed dit telkens aan de hand van de impact van het Europese recht in een concrete zaak. Soms inderdaad, gebeurde dat via ogenschijnlijk kleine betwistingen om kleine bedragen, zoals de onbetaalde elektriciteitsfactuur van de heer Flaminio Costa in zijn zaak tegen de genationaliseerde energiemaatschappij ENEL. De uitspraak van het Europees Hof hielp de brave man niet veel verder, maar stelde wel onomwonden dat het Europees recht altijd voorrang heeft op het nationaal recht van de lidstaten, omdat de EU-regels in alle lidstaten op dezelfde wijze moeten worden toegepast.

Het Europese Hof van Justitie heeft in de zaak Costa t. ENEL en in andere arresten met ronkende namen zoals Van Gend en Loos, Francovich, Brasserie du Pêcheur of Factortame, de fundamenten gelegd van de eengemaakte Europese rechtsorde en de doorwerking daarvan in de vele lid- en deelstaten. Dat gebeurde telkens aan de hand van individuele casuïstiek, waarbij de grote beginselen werden bovengehaald.

Hier kwam ook kritiek op. Sommigen zetten vraagtekens bij de zendingsijver van het Hof. Zo stelt professor van Middelaar in zijn boek ‘De passage naar Europa’ dat het Hof in naam van het respect voor de stichtinggeest van de verdragen niet minder dan een coup pleegde wanneer het in Van Gend en Loos duidelijk maakt dat voortaan iedere deelnemer aan het economisch leven – fabrikant, werknemer, consument – een lidstaat kan dwingen tot het naleven van de verdragen. Ook de motivering van het Hof in de zaak Costa t. ENEL, waarin én de geest van de stichting én de natuur der dingen het vanzelfsprekende voorrangsbeginsel komen schragen, noemt van Middelaar, ik citeer “een weergaloos staaltje Hofretoriek”.

Het valt op, collega’s, dat sinds enige tijd duidelijk een andere wind waait in het Hof, waarbij steeds na een gedegen afweging het kardinale principe ‘eenheid in diversiteit’ wordt gehanteerd. Het Hof verduidelijkt hoe binnen die eengemaakte rechtsorde de diversiteit en relatieve vrijheid van de lid- en deelstaten kan worden gerespecteerd.

Enkele belangwekkende arresten haalden de voorbije maanden de voorpagina’s in alle lidstaten. Het Hof van Justitie stelt duidelijk grenzen aan sociaal toerisme, verduidelijkt de bevoegdheden van de lidstaten inzake asielaanvragen en bepaalt inderdaad de mate waarin religieuze symbolen verboden mogen worden. Er zijn nog belangrijke kwesties in het verschiet, collega’s. Zo kijkt de Vlaamse Regering samen met u uit naar het mijlpaaladvies in de zaak Singapore met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de Unie bij het sluiten van internationale handels- en investering beschermingsakkoorden.

Om het EU handels- en investeringsbeleid een hernieuwd elan te geven, moet de Unie volgens de Vlaamse Regering maximaal inzetten op transparante onderhandelingen en sluiten we in de toekomst het best twee afzonderlijke verdragen: enerzijds een verdrag dat alle handelsgerelateerde aspecten bevat, een bevoegdheid die wat ons betreft een exclusieve bevoegdheid van de Unie moet zijn, en anderzijds een gemengd verdrag met betrekking tot de gedeelde restbevoegdheden, waaronder investeringsbescherming. De toepassing van dat laatste verdrag kan vervolgens worden beperkt tot die lid- en deelstaten die het investeringbeschermingsverdrag goedkeurden, wat mijns inziens absoluut niet de werking van de eengemaakte markt zou hinderen.

Dat lijkt ons een uitweg om het handelsbeleid van de EU op het wereldtoneel meer slagkracht te geven, maar ook om de CETA-saga – horresco referens – niet te zien uitmonden in een brexitdebacle. Alleen de EU kan een wereldspeler zijn, ook in handelszaken. Elk op zich missen de lidstaten – ook de grote – de power.

Laten we niet vergeten dat ook de Vlaamse regelgeving aanleiding was voor fundamentele uitspraken door het Hof. Zo bood de lang aanslepende zaak over de Vlaamse zorgverzekering het Hof de kans om duidelijk te maken welke situaties wél onder het Unierecht op het vlak van sociale zekerheid vallen en welke daarentegen volgens de constitutionele beginselen van de lidstaten moeten worden geregeld. Het was overigens een mooi voorbeeld van rechterlijke dialoog tussen het Hof van Justitie en ons eigen Grondwettelijk Hof. Het was een zaak die de Vlaamse decreetgever het nodige houvast gaf om de Vlaamse sociale bescherming verder uit te bouwen op een manier die conform is met de Europese coördinatieverordening inzake sociale zekerheid. In de zaak van de Vlaamse zorgverzekering had Vlaanderen als rechtstreeks betrokken partij in de bodemprocedure voor het Grondwettelijk Hof ook toegang tot het Hof van Justitie bij de behandeling van de prejudiciële vraag.

Die rechtstreekse toegang tot het Hof is voor een deelstaat als de onze jammer genoeg nog geen vanzelfsprekendheid. Enkel wanneer Vlaanderen een rechtstreeks individueel belang kan aantonen, kan het een beroep tot nietigverklaring van Europese regelgeving instellen. In onze visie op de toekomst van de EU pleiten we ervoor dat deelstaten met wetgevende bevoegdheden, zoals lidstaten, rechtstreekse toegang zouden krijgen tot het Hof. Wanneer deelstaten handelen binnen hun bevoegdheden, is er geen reden om hun niet dezelfde geprivilegieerde rechtstoegang te geven als lidstaten. In het baanbrekende Azoren-arrest heeft het Hof hier alvast inzake staatssteun de voorwaarden voor bepaald. Ons standpunt ligt geheel in lijn met artikel 4 van het Verdrag van Lissabon dat bepaalt dat de Unie de gelijkheid van de lidstaten eerbiedigt, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur.

Professor Lenaerts, voorzitter, collega’s, ook en zeker voor Vlaanderen biedt de EU grote meerwaarde. De Unie bracht ons nu al vele decennia onafgebroken vrede en stabiliteit. Voor de jongere generatie een evidentie, maar laat ons die ongelooflijke weldaad zonder de EU niet als verworven beschouwen. De Unie zorgde voor welvaart, groei en jobs. Ze biedt Vlaanderen, met zijn uiterst open economie, een immense interne markt zonder belemmeringen. Vorig jaar ging bijna 70 procent van de Vlaamse uitvoer richting de lidstaten. De mogelijkheid om zonder controle, ongehinderd de grens over te steken, ook dat is de normaalste zaak voor onze kinderen en kleinkinderen. Collega’s, ik heb het nog mee gemaakt dat onze West-Vlaamse industriële producenten nauwelijks of niet de Franse grens over mochten met hun producten. Er was altijd wel een boutje, een schroefje of een veertje dat niet beantwoordde aan de Franse productnormen. En dat was een enorme rem op onze economische motor.

Met het gemeenschappelijk handelsbeleid creëert de EU ook buiten Europa grotere afzetmarkten voor Vlaamse producten. Zo konden onze fruit- en groentetelers dankzij de Unie in Canada snel een alternatieve markt aanboren, nadat Rusland een importban op hun producten had uitgevaardigd. De Vlaamse Regering is ervan overtuigd dat de Europese Unie de enige grote, er wereldwijd toe doende hefboom is op het vlak van klimaat, wereldhandel en vrede. Maar bovenal verbindt de Unie volkeren en mensen. Denk maar aan het succes van de Erasmus-uitwisseling. Denk maar aan onze onderzoekers die dankzij Horizon 2020 samenwerken in pan-Europese clusters. Denk maar aan de miljoenen Europeanen die jaarlijks probleemloos op vakantie gaan naar een van de lidstaten, met alle mogelijkheden voor boeiende persoonlijke, soms blijvende, contacten.

Denk aan de grensoverschrijdende samenwerking op vele terreinen. Denk ook aan de vele stedenverbanden die, wat mij betreft, naar aanleiding van de zestigste verjaardag misschien wel eens een nieuwe impuls zouden kunnen krijgen.

Vlaanderen hecht alle belang aan en heeft alle belang bij een slagkrachtige Unie, die zich inhoudelijk richt op die bevoegdheden die zorgen voor een beter Europa, dat meerwaarde biedt, dat tastbare resultaten opbrengt, dat burgers hoop en perspectief biedt.

President, u had het terecht over de output die moet worden aangetoond, de meerwaarde die geleverd moet worden, een Europa dat van onderen uit opgebouwd wordt en dus ook ten volle rekening houdt met onze democratie, met de Vlaamse democratie.

De uitslag van het referendum in het Verenigd Koninkrijk toont aan wat er gebeurt als de Unie de harten niet meer raakt van een deel van de burgers en er een vertrouwenscrisis is. Deze vertrouwensbreuk wordt mede gevoed door sociale dumping, fiscale shopping, een gevoel van overregulering. Er is de lof gezongen van het vrij verkeer – ook door mij –, maar vergeet niet: velen ervaren vrij verkeer en uitwisseling niet als een voordeel, maar als een bedreiging voor hun job. Ze verwachten gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats. Laat ons rekening houden met iedereen in de samenleving. Laat ons rekening houden met diegenen die neen hebben gestemd in het Verenigd Koninkrijk, weliswaar om tal van redenen maar ook om deze redenen.

Om al deze redenen en nog veel meer engageert de Vlaamse Regering zich proactief in het toekomstdebat, met onze visienota op de toekomst van de Europese Unie. Ik vat enkele krachtlijnen samen. De Unie dient onze fundamentele vrijheden, de verlichtingswaarden, democratie, respect voor de rechtstaat intern te handhaven maar ook extern uit te dragen. Daarom is de resolutie van het Europees Parlement maar ook van het Vlaams Parlement ten aanzien van de toetreding van en de relatie met Turkije zeer duidelijk. Daar moeten we grenzen trekken. Op de fundamentele rechten en vrijheden valt er geen duimbreed toe te geven.

We hebben nu geen nood aan een ‘institutionele big bang’ of een discussie over verdragswijzigingen, maar we moeten vertrouwen opbouwen en de koers uitzetten, door meer efficiënt samen te werken op die domeinen waar de Unie het verschil kan maken en meerwaarde genereert, maar ook door lidstaten de ruimte te bieden meer in kleinere verbanden samen te werken. Deze Unie met verschillende snelheden kan, op voorwaarde dat de anderen later kunnen aansluiten en op voorwaarde dat de integriteit van de interne markt wordt bewaakt.

We hebben een Unie nodig die haar resultatendeficit wegwerkt. De Vlaamse Regering merkt tien prioritaire acties aan. Ik geef slechts enkele voorbeelden. We willen een verdere verdieping van de interne markt en een ‘geconnecteerde Unie’, met name op het vlak van energie, transport en digitale diensten. De Unie moet prioritair sociale dumping en fiscale shopping aanpakken. Ze moet ook werk maken van een slagkrachtig handelsbeleid, zeker op het moment dat een nieuwe protectionistische stroming de kop opsteekt. Een versterkte Schengenzone moet worden uitgebouwd, met goed functionerende buitengrenscontroles en een kordaat maar humaan terugkeerbeleid. Het bnp van de Unie is meer dan vijftien keer dat van Rusland. We zijn een economische reus, maar politiek een dwerg. Daarom moet de Unie een sterk buitenlands beleid uitbouwen en haar rol in de wereld als factor van vrede en stabiliteit daadwerkelijk opnemen.

In dit parlement wil ik, tot slot, nog de noodzaak benadrukken dat de hoogste vertegenwoordigers van de EU-instellingen ook actief in dialoog gaan met de nationale parlementen. Het verheugt mij dat hier sinds deze regeerperiode effectief werk van wordt gemaakt. Verklaring 50 bij het Lissabonverdrag waar we destijds voor zorgden, verduidelijkt dat in dit land federale en deelstatelijke parlementen gelijkwaardig zijn.

Collega’s, we herdachten vorige week de 60e verjaardag van het Verdrag van Rome. De 27 overblijvende lidstaten gaven een krachtig signaal ter ondersteuning van de Europese Unie. Wil de Unie aan slagkracht herwinnen, dan moet ze bovenal trouw blijven aan haar devies van eenheid in verscheidenheid.

Professor Dieter Grimm, voormalig rechter bij het Duitse Grondwettelijk Hof in Karlsruhe verwoordt het zo: “De Unie is losser dan een ‘Bondsstaat’ en tegelijk hechter dan een ‘Statenbond’. Onze Unie is een ‘Statenverbond’.” Dit lijkt mij een boeiende zienswijze, of zoals u, president, het zelf verwoordt: “De democratie in de EU is samengesteld van aard: het is een ‘demoicratie’. Dat betekent in wezen dat de overdracht van bevoegdheden van de lidstaten naar de EU nationale democratieën niet negatief mag beïnvloeden. Evenmin mogen deze laatste het Europese integratieproject als geheel dwarsbomen. De EU en de nationale besluitvormingsprocessen moeten zich integendeel aan elkaar aanpassen om ‘meer democratie’ tot stand te brengen, op nationaal of op EU-niveau.”

Als een van de ‘demoi’ van de EU wil Vlaanderen volop meewerken aan de uitbouw van een democratische Unie. Eenheid in verscheidenheid is niet of-of, maar en-en. De Europese verbondenheid mag niet ten koste gaan van de nationale identiteit, integendeel, Vlaming zijn en Europeaan zijn gaan hand in hand. (Applaus)

De heer Lenaerts heeft het woord.

De heer Koen Lenaerts, president van het Hof van Justitie van de Europese Unie

Voorzitter, ik ben niet zo vertrouwd met het fenomeen van de repliek, maar ik wil me heel graag, iets meer als academicus sprekend dan als president van het Hof, volmondig aansluiten bij de integraliteit van wat de minister-president heeft gezegd. Ik denk dat het inderdaad bijzonder belangrijk is dat wij Vlaanderen in Europa maar ook Europa in Vlaanderen uitdragen.

Bij de ondertekening van het Gulden Boek van het Vlaams Parlement – en ik ben zeer vereerd dat ik dat boek vandaag mocht ondertekenen – heb ik geschreven: “Vlaanderen in Europa, Europa in Vlaanderen, verbonden in verantwoordelijkheid en solidariteit”. Dat is voor mij de kern. Ik heb goed geluisterd naar alle reacties en effectief, wij moeten Europa uitdragen. Wij moeten uitkomen voor wat Europa doet. Dat is belangrijk, ook al op het niveau, en dan richt ik me tot de minister van Onderwijs, van de jongeren. Gelukkig waren er daarstraks heel wat jongeren op de publiekstribune. Eigenlijk zou elke vorm van burgerschapsopvoeding in de laatste twee jaar van het middelbaar onderwijs een verplichte component moeten zijn waarbij wij onze waarden, de basisbeginselen van onze samenleving inclusief uitdragen en daarbij ook de rol meegeven van de Europese Unie.

De Europese Unie vervangt niet de lidstaten, vervangt zeker niet de regio’s, ze vult de lokale, de regionale en de nationale entiteiten harmonieus aan, afhankelijk van hoe het juist geografisch loopt over de hele kaart van Europa. Ik zie de EU als een bijkomende dimensie van de eigen identiteit. Men kan zich als Vlaming niet in een juist zelfbeeld plaatsen zonder zich in een netwerkverband te zien met de buurlanden Nederland, Frankrijk, Duitsland. Heel pragmatisch en bottom-up, vanuit de Vlaamse identiteit gedacht, zit de EU-dimensie er gewoon aan vast.

En effectief, de grote uitdaging ligt aan de outputzijde. Wij moeten nu geen nieuwe avonturen starten om de verdragen te herschrijven – dat hebben we vijftien jaar geleden gedaan –, we moeten nu zorgen dat de bestaande bevoegdheden en de bestaande middelen waar Europa over beschikt om de doelstellingen die Europa hoort na te streven, te halen.

Dat betekent concreet – en er is naar verwezen – dat het witboek van Juncker inderdaad historisch is. Er staan verschillende pistes in om concreet werk te maken. De Benelux verkiest nummer 3. Dat is de piste die zegt: ‘We beschermen het acquis, het nu reeds verworvene.’ Daar speelt het Hof van Justitie een centrale rol in om iedereen bij de les te houden – pacta sunt servanda – en om het recht te doen naleven voor wat nu reeds is gerealiseerd in alle domeinen.

Ik kan zeggen aan de vertegenwoordiger die bezorgd is dat het Hof zich uitspreekt over maatschappelijke problemen: het Hof zet niet zijn eigen agenda. Het Hof zegt nooit ’s morgens: ‘Hè, er is precies een hoofddoekenprobleem. Laat ons daar eens een arrest over maken.’ Zo loopt het dus niet. Het is het politieke proces dat een richtlijn heeft goedgekeurd, volgens de wetgevingsprocedure van de Unie: een democratisch proces, Europees Parlement, nationale parlementen, stemmingen in de Raad. En er is een wetgeving gekomen over non-discriminatie op de arbeidsmarkt die één en ondeelbaar is voor heel de Europese Unie om niet te discrimineren op gronden van leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, handicap en ook godsdienst of overtuiging. Zo simpel is dat. Dat is een politiek besluit van de lidstaten, van de wetgever van de Unie. Naderhand moeten wij dat dan uniform interpreteren.

En ja, ik heb het aangetoond. Europa, niet het Hof, komt nu in confrontatie met een hele waaier van maatschappelijke uitdagingen omdat ze grensoverschrijdend zijn, omdat de lidstaten ze aan Europa toevertrouwen, als het kader waarbinnen hun samenwerking vorm krijgt en gestructureerd wordt en afgedwongen wordt. Zo simpel is dat. Het is dus eigenlijk een evolutie van de maatschappij die in een netwerkverband plaatsvindt en het territorium van de afzonderlijke staten overstijgt. Het is een heel pragmatische vaststelling. Het heeft niets te maken met een superstaat, niets te maken met alle mogelijke labels. Het is een pragmatische bottom-upconstructie van wat we efficiënter en beter samen doen. Laat ons dat samen doen, maar als we iets samen doen, dan moeten we wel zeker zijn dat iedereen zich aan het gegeven woord houdt. Daarvoor heb je een rechter nodig, en dat kennen we allemaal. Als je als ondernemer een contract sluit met een andere onderneming en na een jaar of twee is er een verschillende visie over de draagwijdte van het contract, dan zal de ene uitvoering van het contract vragen en de andere zeggen dat in dat contract niet staat wat de eerste partij vindt dat er wel in staat. Dus gaat men naar een rechter. Wel, dat is het Hof van Justitie.

Maar de uitdagingen zijn nu op steeds bredere domeinen van maatschappelijk beleid, omdat die uitdagingen nu eenmaal grensoverschrijdend zijn en de lidstaten bij die opvolgende gedragswijzigingen steeds meer bevoegdheden aan Europa hebben gegeven in het niet-economische omdat ze onverbrekelijk samenhingen met de markteenmaking. Als je de binnengrenzen afschaft, dan zijn er ook drugsdealers, mensensmokkelaars, georganiseerde en niet-georganiseerde misdadigers die over de vrije en open binnengrenzen gaan. Dus heb je Europese wetgeving nodig die het nationale strafrecht, de politieapparaten op elkaar afstemt. Dus EU-regels, ordening van verscheidenheid, ‘ordering pluralism’: dat is de term die wordt gebruikt in de internationale literatuur wat dat fenomeen betreft. Die ordeningsregels zijn regels van de Europese Unie. Die moeten wij afdwingen.

Ik heb met heel veel interesse geluisterd naar de jonge vertegenwoordiger, die de leeftijd van onze oudste dochters heeft. Het is heel belangrijk dat we heel concreet ten overstaan van de bevolking, ook van de jonge mensen, de juiste waarden blijven benadrukken: verantwoordelijkheid en solidariteit, bescherming van de ecologie, wat eigenlijk intergenerationele solidariteit is. We moeten die waarden ook overbrengen en daarin efficiënt zijn. Daarin speelt het onderwijs een heel, heel grote rol, in het duidelijk maken aan mensen dat het kader waarin ze leven niet meer kan worden gezien als een eng territoriaal staatskader. Vroeger, in de 19e eeuw, maakte men natiestaten en die hadden een grondgebied en een bevolking. De Europese Unie is niet gedefinieerd als een grondgebied, maar als een ruimte, in alle talen, als ‘un espace’, ‘a space’ of ‘an area’, niet als ‘grondgebied’, ‘territoire’, ‘territory’. De idee die daarachter zit, is dat men verbonden is, onderling afhankelijk is binnen één ruimte, waar allen gelijk zijn, met elkaar rekening houden, elkaars verschillen respecteren, elkaars identiteiten respecteren en zelfs versterken, waar ieder zijn verantwoordelijkheid opneemt, binnen het eigen gebied, maar met aandacht voor de hele ruimte en in solidariteit voor het geheel. Dát is de kern van de Europese Unie en dat zou aan jonge mensen moeten worden uitgelegd, vanaf 16 jaar. Als de Vlaamse Regering en dit Vlaams Parlement daarin een voortrekkersrol spelen, zoals Vlaanderen dat in zovele andere dingen doet, dan zullen wij inderdaad heel trots kunnen zijn als Vlamingen en Europeeërs. Dank u. (Applaus)

Dank u wel. Mijnheer Lenaerts, beste Koen, wij hebben met veel aandacht naar uw uiteenzetting geluisterd en we danken u voor de nieuwe inzichten die u ons hebt geboden in dit supranationale speelveld.

Voor wie er nog aan twijfelde, hebt u hier het zoveelste bewijs geleverd van het feit dat Vlamingen goed gedijen binnen ingewikkelde samenwerkingsverbanden over de grenzen heen. Ik sluit me ook graag aan bij wat de minister-president daarstraks zei. We zijn inderdaad bijzonder trots op het feit dat u als Vlaming bent opgeklommen tot president van het Europees Hof van Justitie. Ik was er ook aangenaam door getroffen hoe snel u altijd bereikbaar bent. Ik had me dat heel anders voorgesteld in mijn vroegere leven.

Die functie van u houdt niet alleen professioneel juridische verantwoordelijkheden in: momenteel is de morele verantwoordelijkheid minstens even groot. Uit uw toelichting is gebleken dat u die verantwoordelijkheden hoog in het vaandel hebt, onder meer door het Europese verhaal uit te dragen. Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat u ook de ideeën uit de dialoog die u hier vandaag bent aangegaan met onze volksvertegenwoordigers en de minister-president, zult meenemen naar uw werkterrein. Op die manier plaatst u immers de Vlaamse ideeën mee op de Europese kaart. U hebt immers heel duidelijk gezegd: dit is hier ook Europa.

Als voorzitter van dit parlement en in naam van alle Vlamingen wil ik u daar heel hartelijk voor danken. Ik ga u een paar cadeautjes meegeven. (De voorzitter overhandigt enkele geschenken aan de heer Koen Lenaerts. Applaus.)

Verontschuldigingen
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.