U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 22 februari 2017, 14.04u

Voorzitter
van Ann Brusseel aan minister Hilde Crevits
219 (2016-2017)
van Jos De Meyer aan minister Hilde Crevits
220 (2016-2017)
De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, deze week was er weer een storm in het onderwijs over gestandaardiseerde testen die zouden worden ingevoerd. En de titel waarover het ging, was: ‘Vlaams onderwijs benut de mogelijkheden van gestandaardiseerde toetsen onvoldoende’. Direct in de pers: reactie. Geen eindtoetsen, geen centrale examens, geen baccalauréat zoals in Frankrijk. Neen, gevaarlijk, niet doen.

En eigenlijk jammer, want de onderzoekers wilden eigenlijk wijzen op de mogelijkheden van gestandaardiseerde toetsen. Iedereen die ooit in onderwijs gezeten heeft, heeft altijd geleerd: evalueren om te evolueren. En een valide en een betrouwbare toets maken, beste collega’s, dat is niet evident. Dat is zelfs moeilijk. En vandaag de dag slagen onze leerkrachten erin om heel veel toetsen te doen. We staan aan de top van de OESO om toetsen te maken, maar we staan helemaal onderaan wat betreft gestandaardiseerde toetsen.

Gelukkig kennen we het wel: de interdiocesane examens, de OVSG-toetsen op het einde van de lagere school, TIMSS (Trends in International Mathematics and Science Study), PISA (Programme for International Student Assessment). Dat zijn allemaal gestandaardiseerde testen. In het regeerakkoord staat al de visionaire bepaling dat we die toetsen gaan valideren. We gaan die toetsen valideren zodat ze werkelijk meten wat ze meten en dat we er bruikbare resultaten van krijgen. Het voordeel van gestandaardiseerde tests is dat je sociale factoren uitsluit en dat we uitspraken kunnen doen over de leerwinst die in een school geboekt wordt en over ons onderwijs.

Minister, hoever staat het met de validering van de interdiocesane testen en de OVSG-toetsen?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, ik zou kunnen vragen: hoe staat u daartegenover? En dan zijn we klaar. Dat is evenwel niet onze eigen insteek. Het is inderdaad zo dat een centraal eindexamen een grote schok zou zijn voor het lager onderwijs. Dat is niet wat de onderzoekers bepleiten. De onderzoekers pleiten ervoor om de leerwinst beter in kaart te kunnen brengen. De onderzoekers willen gestandaardiseerde proeven, die gevalideerd zijn, graag veralgemeend zien, zodat elke school, en vooral elke leerling en elke leerkracht, van de voordelen kan genieten, naast de evaluaties en de persoonlijke aanpak van de leerkracht zelf.

Minister, ik hecht veel belang aan de bevindingen van internationaal onderzoek dat uitwijst dat wanneer scholen gebruikmaken van dergelijke proeven, er niet zozeer een gevaar is voor ‘teaching to the test’, maar wel dat men in alle leerlingen heel sterk investeert, dat alle leerlingen objectiever beoordeeld worden over het geheel en dat de leerlingen die het moeilijker hebben, de zwakke presteerders of de leerlingen uit lagere sociale klassen, veel minder nadelen ondervinden van een dergelijke evaluatie. Er wordt meer in die kinderen geïnvesteerd, en het is dus voor hen een goed systeem. Dat leek voor onze fractie alvast een heel belangrijk punt dat verschillende onderzoekers maakten, ook onderwijssocioloog Dronkers en Dirk Van Damme, hoofd onderwijsonderzoek bij de OESO.

Minister, ik ben dus benieuwd te horen hoe u staat tegenover de gevalideerde toetsen?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

De ons omringende buurlanden werken met verschillende systemen op vlak van gestandaardiseerde toetsen. In Frankrijk is er het baccalaureaat, in Groot-Brittannië is er de GCSE en in Nederland zijn er centrale toetsen. De academici van de Universiteit van Antwerpen hebben de opdracht gekregen van de Vlaamse administratie Onderwijs om een studie uit te voeren in verband met gestandaardiseerde toetsen en zo een beter beeld te krijgen van wat de gevolgen daarvan zijn voor de leerling, de leerkracht en de school.

Het Gemeenschapsonderwijs en het Katholiek Onderwijs Vlaanderen zeggen, mijns inziens terecht, dat ze niet pleiten voor centrale toetsen omdat die slechts één facet zouden belichten van de vorming. Dat is trouwens niet opgenomen in het regeerakkoord of in de daaropvolgende conceptnota’s.

Minister, welke inzichten brengt de studie van de academici van de Universiteit van Antwerpen u bij over de validering van de toetsen die er nu zijn en die voorzien worden in de toekomst?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

De gestandaardiseerde toetsen werden de voorbije dagen inderdaad druk besproken. Ik zie veel jonge mensen op de publiekstribune. Misschien zijn het studenten van de lerarenopleiding. Misschien komen ze uit Limburg, want ik zie onze voorzitter glunderen. Voorzitter, ik zie met u dat de toekomst verzekerd is.

Gisterenavond sprak ik over de telefoon met de onderzoekers die de studie uitvoerden en ze betreurden dat het debat danig verengd werd, alsof zij een pleidooi hadden gehouden om alles af te schaffen en plots centrale examens in te voeren na het lager onderwijs en doorheen het secundair onderwijs.

Collega’s, dat is niet hun voorstel. Ik ben het in die zin met collega Brusseel eens die zegt dat het daar niet over gaat. Maar de toon was gezet.

Collega’s, wij hebben in ons onderwijs het systeem van eindtermen plus de inspectie die controleert of die eindtermen worden nageleefd. Daar bovenop nemen bijna negen op tien Vlaamse lagere scholen deel aan een schooloverschrijdende proef, ofwel een interdiocesane proef, ofwel een proef van de Onderwijskoepel van Steden en Gemeenten (OVSG), ofwel een paralleltoets van de Vlaamse overheid. Wij gaan op geregelde tijdstippen bij scholen peilen naar het halen van de eindtermen. Er zijn toetsen voor ontwikkeld en men kan er gebruik van maken.

Wij hebben inderdaad in het regeerakkoord geschreven dat wij vinden dat elke leerling die zijn lagereschoolcarrière beëindigt, de kans zou moeten hebben en dus verplicht aan een van die testen zou moeten deelnemen. Wij hebben er bewust voor gekozen om als overheid niet zelf een standaardtest te ontwikkelen, maar om de bestaande testen te valideren. Dat onderzoek loopt. Het is onmiddellijk uitgegeven na de start van deze regering en wordt kort na het krokusreces opgeleverd. Gelet op de rijke ervaring die onze onderwijsverstrekkers hebben in het verleden, ga ik ervan uit dat zal blijken dat die instrumenten betrouwbaar zijn en dat we, zoals nu gepland is in het ontwerp van OD XXVII, effectief volgend schooljaar van start kunnen gaan, zoals was afgesproken, met een standaardtoets in elke Vlaamse school voor minstens twee vakken, het jaar nadien voor drie vakken.

Ik vind dat persoonlijk een goede zaak. Er is het eigen schoolbeleid, er is de manier waarop leerlingen worden getest op het einde van het schooljaar, maar ik vind het goed – ook voor de kwaliteitszorg van scholen – dat nu en dan, en vanaf volgend schooljaar elk jaar, alle leerlingen deelnemen aan een schooloverschrijdende toets. Het is goed om na te gaan waar men staat met het kwaliteitsbeleid en het onderwijsbeleid van de school en hoe men eventueel verbeteringen kan doen.

Collega’s, het is niet de bedoeling – dat is ook zo afgesproken – dat het resultaat dat jongeren behalen op die test, bepalend zal zijn voor het verkrijgen van het getuigschrift of niet, integendeel. In een niet oninteressante opinie in De Standaard van vandaag zeggen onderzoekers dat het eigenlijk wel oké is om na te gaan hoe jongeren evolueren. Ik ben het daar eigenlijk mee eens. Is dat het enige instrument om leerwinsten te bekijken? Neen, zeker niet. Er zijn nog andere mogelijke technieken, maar even belangrijk als een rapport, zijn zeker de winsten die leerlingen boeken op basis van de kennis in de loop van het jaar.

Collega De Meyer, ik heb inderdaad ook de reacties van de onderwijsverstrekkers gelezen, maar hun reactie betrof de centrale eindtoets. Onmiddellijk zag men hen weer in het defensief: ‘Kijk, ze zijn er weer tegen’. Neen, eigenlijk hebben ze correct gereageerd. Ze hebben gezegd dat ze het niet zo hebben voor een centraal eindexamen, dat ze zelf schooloverschrijdende toetsen hebben en dat ze het relevant vinden dat die worden ingezet om het kwaliteitsbeleid van de school mee te bepalen.

Dus ja, collega Daniëls, ik wil zeker die timing halen. Het onderzoek wordt binnenkort opgeleverd. Als de resultaten van het onderzoek negatief zouden zijn, moeten we bijsturen en moet elk van die testen wat worden bijgestuurd. Als het resultaat positief is, dan kunnen ze samen in een kit en kan elke school kiezen welke test ze wil gebruiken voor de twee, en het schooljaar nadien drie, leergebieden.

Collega’s, wij komen hiermee tegemoet aan het Vlaams regeerakkoord waarin dit is opgenomen en aan de afspraken die we met deze Vlaamse Regering hebben gemaakt.

Minister, ik ben zeer blij dat u de timing wilt halen en dat het Onderwijsdecreet dat eraan komt de gevalideerde toetsen op het einde van het basisonderwijs opneemt. Ik was vooral een beetje bevreesd door de karikatuur die de onderwijsverstrekkers ervan maakten dat plots elke gestandaardiseerde test een centrale eindtest zou zijn zoals in Nederland, want dat is niet het geval.

Een tweede punt dat ik cruciaal vind, is het meten van leerwinst. Daar gaat het over. Onderwijs is met kinderen een traject afleggen om hun iets te leren. Er zijn hier inderdaad studenten van de lerarenopleiding PXL. Het is een roeping. Hun roeping is jongeren, de toekomstige jongeren van Vlaanderen, leerwinst te laten maken.

Dat moeten we wel kunnen bekijken met gestandaardiseerde testen want het is zeer moeilijk om dat individueel te doen.

Minister, ik heb nog een bijkomende vraag over de oriënteringsproeven die met Pasen 2016 zijn afgenomen. Klopt het dat de data tot op dit moment nog niet zijn vrijgegeven aan onderzoekers om daar de nodige analyses op te doen, om verdere valide en betrouwbare toetsen te maken?

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, ik dank u voor uw zeer geruststellend en genuanceerd antwoord want dit debat behoeft inderdaad, zoals Dirk Van Damme zei, wat meer nuance dan we de voorbije dagen hebben gelezen in de kranten.

Ik neem aan dat u verwees naar het opiniestuk van Wouter Duyck en Rik Van de Walle van vandaag in De Standaard. Zij wijzen ook op het belang van gestandaardiseerde testen om de leerlingen beter te kunnen oriënteren. En dan gaat het natuurlijk niet over één gestandaardiseerde test, wel deze ene om mee te beginnen, aan het einde van het basisonderwijs, waarover we het hebben. Men stelt voor om daar eigenlijk een traject van te maken, als ik dat goed heb begrepen. Minister, hoe staat u daartegenover? We hebben problemen met de oriëntering van leerlingen. We hebben nu, zoals Wouter Duyck schreef, wel altijd een menukaart voorhanden aan het begin van het secundair onderwijs, maar eigenlijk is er niemand die de leerlingen daar wegwijs in maakt. Hoe staat u tegenover het bijstellen van de oriëntering aan de hand van gestandaardiseerde testen?

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, we moeten natuurlijk opletten dat we van de terechte bezorgdheid van de koepels geen karikatuur maken. Eén beleidsaanbeveling die ik meen te hebben begrepen uit de studie, wil ik u toch meegeven omdat ze voor mij dermate belangrijk is: stel ontwikkeling centraal en niet de enge focus op verantwoording. Ik hoop dat u daar rekening mee zult houden.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Ik ben blij dat er een genuanceerd debat wordt gevoerd, want voor onze fractie is het heel belangrijk om vooral te weten wat men doet met de genormeerde testen die men afneemt. Ik ben het niet eens, zeker in een basisschool, dat men die genormeerde testen meeneemt om de leerlingen te evalueren en punten te geven aan het einde van het jaar en zo te beslissen of ze al dan niet de eindtermen halen. Er moet veel meer worden getest en getoetst dan enkel die genormeerde toetsen zelf. Het is belangrijk wat de scholen ermee doen.

Die genormeerde testen zijn eigenlijk initieel georganiseerd om het beleidsvoerend vermogen van de school te versterken, om te kijken welke trajecten moeten worden gevolgd om bepaalde domeinen te verbeteren. Ik zal een kort voorbeeld geven: wanneer uit die genormeerde toetsen blijkt dat een bepaalde school veel minder scoort voor wereldoriëntatie, en men maakt de vergelijking met scholen die dezelfde leerlingenkenmerken en omgevingsfactoren hebben, dan weet die school dat het volgende pedagogische traject waar zij moet aan werken, wereldoriëntatie is. Dat vind ik minstens even belangrijk. Wij vragen van scholen om hun beleidsvoerend vermogen te versterken. Die genormeerde toetsen zijn daar belangrijk voor, maar gebruik ze niet om te evalueren aan het einde van het jaar en om te zeggen dat wie niet goed scoort, niet voldoet. Die toetsen worden immers afgenomen onder grote werkdruk, waardoor de kinderen soms falen door omstandigheden. Ik vraag dan ook om dit ruimer te bekijken.

De voorzitter

Het is verontrustend dat mevrouw Meuleman het woord niet vraagt. (Opmerkingen van Elisabeth Meuleman)

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Meuleman, ik ben wel blij dat u akkoord gaat. (Opmerkingen van Elisabeth Meuleman)

Dat doet me altijd plezier, het is een teken dat ik goed ben en steeds beter word in het geven van antwoorden. Als je de nuance vindt waardoor het hele onderwijsveld uiteindelijk akkoord gaat… Ik droom er elk nacht van dat dat me zou lukken. (Applaus bij de meerderheid en van Bart Caron)

Mijnheer Vandenberghe, u zegt dat u op basis daarvan niet mag beslissen of iemand zijn getuigschrift krijgt of niet. Geen enkele school in Vlaanderen gaat op basis van die ene interdiocesane toets of OVSG-toets beslissen of iemand zijn getuigschrift krijgt. Als men mij zou vragen of ik dat een goed idee zou vinden, dan zeg ik uiteraard dat ik dat een zeer slecht idee vind. We hebben eindtermen en inspectie, en de klassenraad beslist. Maar, omgekeerd geredeneerd, stel dat een kind zeer goed scoort op die test, maar als lastig wordt beschouwd op school of het minder goed doet op schooltesten, dan kan dat wel een argument zijn om te zeggen dat er iets meer aan de hand is. Die test bestaat wel en er zijn wel resultaten die men kan meenemen bij de eindbeoordeling om te kijken of er knelpunten zijn dan wel of er iets met het kind aan de hand is. De test is bedoeld om de kwaliteit van het schoolbeleid te meten en leerwinsten op klasniveau te gaan bekijken. Daar ben ik het mee eens, maar men kan natuurlijk uit de resultaten wel wat halen voor de kinderen.

Ik stel ook vast – ik was ook zo als ouder – dat, als ouders weten dat er zulke testen zijn geweest, ze graag weten hoe hun kind scoort ten opzichte van de schooloverschrijdende populatie. Dat is eigen aan de mens, eigen aan ouders en eigen aan kinderen. Die testen zijn dus nuttig. Ze kunnen leerwinsten bekijken. Ze zullen verplicht worden, maar scholen krijgen vrijheid om hun keuze te maken in welke test ze nemen. We gaan er dan een jaar later nog eentje bijdoen.

Mijnheer Daniëls, wat de oriënteringsproef betreft, volgens mijn informatie zijn de gegevens half februari, vorige week dus, overgezonden aan de onderzoekers. Zijn ze ook allemaal ter beschikking? Dat is een extra technische vraag die u me stelt in uw repliek, maar ik denk dat alles in orde is. Het goede nieuws is dat de aanvragen van de scholen om deel te nemen aan het tweede jaar Columbus, misschien dankzij de commotie van de voorbije dagen rond centrale testen, binnenstromen. Het gaat heel snel. Er waren er 1800 een dag geleden; het zijn er nu bijna 3000. Men voelt dat men echt vooruit aan het gaan is om deel te nemen aan Columbus. Columbus gaat trouwens over het secundair onderwijs. Daar zit ook een kennisluik aan. Er is een luik kennis, motivatie, houding. Ook dat is weer iets gestandaardiseerd. De samenwerking tussen het secundair onderwijs en onze universiteiten en hogescholen moet worden ontwikkeld tot een valide instrument. Naast de vraag ‘wat interesseert me’ zijn er een aantal elementen over ‘waar ben ik goed in, wat is mijn kennisniveau’. Dat is dus ook een beetje een voorbeeld van zo’n test.

Tot slot, voor de toelatingsproef in het hoger onderwijs moeten we uiteindelijk tot een systeem komen waarbij voor elke studierichting die men start, men een geijkte toets aflegt. Ook dat zal weer bijdragen tot een stukje standaardisering van de kennis.

Dat zijn dus drie niveaus waarop we proberen wat schooloverschrijdende kennisvragen in te bouwen. Dat is een goede manier van werken. We gooien het bestaan van het systeem zeker niet overboord, maar we proberen wel te kijken of we op bepaalde tijdtippen niet horizontaal door Vlaanderen kennis kunnen testen.

Minister, ik ben blij dat de gevalideerde toetsvragen die wij u stellen, u de kans geven om juiste antwoorden te geven en er zelfs toe hebben geleid dat mevrouw Meuleman in stilzwijgend instemmen is gehuld. Dat is een uniek moment, en het bewijs dat hier gevalideerde vragen kunnen worden gesteld.

Concluderend, ik ben blij dat we de opmerkingen van de onderzoekers –‘Vlaams onderwijs benut de mogelijkheden van gestandaardiseerde toetsen onvoldoende’ – voor waar aannemen en dat we op zoek gaan om ze nog meer invulling te geven. Dat is een zeer goede zaak. Ik blijf erbij dat de commotie die rond een centrale toets is ontstaan en daar onmiddellijk rond gefocust werd, betreur. Degenen die dat hebben gecommuniceerd, moeten daar de verantwoordelijkheid voor nemen.

We moeten de tijd die wordt geïnvesteerd in de centrale toetsen, ook gebruiken, zodat het niet zinloos is. Tot slot moeten we zorgen voor duidelijke en concrete eindtermen, zodat valide en betrouwbare toetsen kunnen worden gemaakt. Anders wordt dat een huzarenstukje.

Ann Brusseel (Open Vld)

Mijnheer Vandenberghe, het gaat niet alleen over interne kwaliteitszorg. Het gaat wel degelijk om objectieve toetsing, die alle leerlingen ten goede komt, niet alleen de leerkrachten. Ik mag ook hopen dat wanneer directeurs vaststellen dat bepaalde leerinhouden systematisch zeer slecht gekend zijn door de leerlingen, ze de leerkrachten daarop aanspreken. Dat is in het belang van de leerlingen.

De toetsen, de gestandaardiseerde toetsen, moeten een brede waaier aan vaardigheden testen. Ze moeten objectivering brengen en ondersteunend zijn in de oriëntering. Minister, ik denk dat het een goede zaak is dat wij dat durven te verplichten. Want als de overheid zoveel investeert in onderwijs, mogen wij resultaten vragen die zekerheid bieden.

Ik dank u.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, wij leren nogmaals dat er soms een onderscheid is tussen enerzijds een genuanceerde wetenschappelijke studie en anderzijds een krantenbericht dat beperkt is door de ruimte die men slechts heeft en waar nog een aantrekkelijke kop boven moet komen.

Minister, ik vind het vooral belangrijk dat u hebt gezegd: ‘Wij zullen de vooropgestelde timing hoe dan ook respecteren.’ (Applaus van Kathleen Krekels)

De voorzitter

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.