U bent hier

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2017, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2017 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017.

De heer Somers heeft het woord.

Collega’s, we zitten hier onder een glazen stolp, letterlijk en niet toevallig. Het glas boven ons beschermt, maar laat ons tegelijk naar buiten kijken, ook wanneer we het over de begroting hebben, en misschien vooral op dat moment. Voorbij de techniciteit, achter de cijfers zit een kijk op onze samenleving. Wat is prioritair? Hoe maken we onze toekomst beter en de mensen sterker? Hoe bieden we perspectief, vooruitgang, kansen? Hoe kunnen vrijheid en solidariteit elkaar ontmoeten? Welke ambities hebben we als gemeenschap en hoe willen we die realiseren? Al die vragen dwingen ons naar buiten te kijken, weg uit onze cocon van de Wetstraat.

Meestal is het eindejaar een periode van geborgenheid en gezelligheid. Lichtjes in de straten, een fonkelende kerstboom, cadeautjes. Een periode van geven en delen. Maar 2016 eindigt spijtig genoeg zoals het begon: met terreur. Elke dag opnieuw worden we met gruwel en barbarij geconfronteerd: eergisteren de onschuldige slachtoffers van Berlijn, al weken de al even onschuldige kinderen van Aleppo. De aanslagen op Zaventem en Maalbeek lijken opnieuw heel erg dichtbij. In 2016 werd de onschuld vermoord. Onze nieuwe realiteit heet vandaag dreigingsniveau 3, met militairen op straat en strenge controles bij evenementen. Dat alles maakt mensen onzeker en die onzekerheid is de ideale voedingsbodem voor populisten, zowel van links als van rechts. Ze wroeten in die twijfel en poken de angst op, angst voor de vreemdeling, voor de moslim, maar ook voor Europa of de vrije handel. Keer op keer wil men schuldigen aan de schandpaal en men neemt daarbij zonder gêne een loopje met de werkelijkheid. Dit jaar werd daarvoor zelfs een nieuw begrip bedacht: ‘post-truth politics’. Het nieuwe volksgericht, opgepookt door anonieme sociale media. Extremisten van links en rechts voeden de angst met een retoriek die herinnert aan de meest duistere bladzijde uit onze geschiedenis, in de hoop dat angst haat wordt. Want dat, zo weten ze, maakt de weg vrij voor hun ultieme sloopwerk: het vernietigen van de rechtsstaat, van de menselijke waardigheid, van onze vrijheid. Ik ben blij dat wie het schoentje past, het ook aantrekt.

Welk antwoord, minister-president, welke houvast kan de regering bieden in tijden van ontwrichting en onzekerheid? Dat is geen eenvoudige vraag, want angst is vaak irrationeel en vaak moet reden het afleggen tegen emotie. Toch is deze vraag vandaag cruciaal. Mensen willen een eerlijk en authentiek antwoord. Ze smachten ernaar. Zo’n antwoord begint bij bescheidenheid. Vlaanderen is klein en ontsnapt niet aan wat er in de rest van de wereld gebeurt.

Bovendien kan niemand absolute veiligheid garanderen. Camera’s, militairen, betonblokken, straffe wetten, de modernste opsporingstechnieken, onze veiligheidsdiensten moeten altijd geluk hebben, terroristen maar één keer. Toch kunnen we de muren die ons beschermen versterken, maar het vraagt moed om in tijden van angst tegen de stroom in te gaan, om niet te surfen op de golven van het ongenoegen, maar vastberaden uit te leggen dat een verdeelde samenleving een kwetsbare samenleving is, dat alleen extremisten sterker worden van wantrouwen en polarisering. Een moedig politicus pleit vandaag onomwonden voor een inclusief beleid.

Minister-president, u doet dat. U verdient daarvoor ons respect. Het Vlaanderen van de 21e eeuw is anders dan dat van de 20e eeuw: diverser, meer heterogeen. Wie de mensen wijsmaakt dat de wereld van gisteren terugkomt, bedriegt. Een toekomst kun je maar bouwen door de realiteit te aanvaarden, een nieuwe realiteit, die van elk van ons inspanningen vereist, van oud en van nieuw. Rechten en plichten voor ons allen. Het antwoord is zeker niet om twijfel te zaaien over de grondwaarden van onze democratie. Hoe moeilijk ze soms ook functioneert, ze beschermt ons, tegen willekeur, tegen de wet van de jungle en het recht van de sterkste, tegen tirannie en dictatuur. Natuurlijk moeten we de werking ervan in vraag durven te stellen. Onze democratie werkt vandaag nog te veel volgens de regels van de 19e eeuw en houdt dus te weinig rekening met de mondige burgers van vandaag, wat kan leiden tot frustraties. We moeten nadenken over hoe we onze democratie kunnen vernieuwen en versterken, maar we mogen de fundamenten ervan nooit in vraag stellen. De scheiding van kerk en staat, maar ook de scheiding der machten, het recht op vrije meningsuiting, maar ook het recht om niet gediscrimineerd te worden, de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar ook de vrijheid van religie en levensbeschouwing: fundamentele rechten en vrijheden die de onaantastbare sokkel vormen voor onze democratische rechtsstaat en die we moeten koesteren, altijd en overal, ook als het ons soms niet uitkomt.

De vraag die we ons ook moeten stellen is: doen we wel genoeg om de kern van ons samenlevingsmodel veilig te stellen? Wat maakt ons beter dan zovele andere politieke systemen? Waar zit de aantrekkingskracht van ons systeem, haar grootste overtuigingskracht? In het perspectief dat we elkeen bieden. De belofte dat niet je afkomst, maar je toekomst telt. Waar je ook geboren bent, of je ouders nu rijk of arm zijn, als je de handen uit de mouwen steekt, geraak je vooruit en kun je een betere toekomst veroveren voor jezelf en je kinderen. Die droom, dat perspectief, die belofte maakt ons allen in wezen gelijk, geeft iedereen de kans zich burger van onze samenleving te voelen.

Doen we hier genoeg? Als het IMF ons komt vertellen dat we achteraan in het peloton lopen inzake gelijke kansen voor mensen met een migratie-achtergrond, dan mogen we dat niet wegwuiven. Als we te weinig opwaartse sociale mobiliteit zien, generatie na generatie, dan kunnen we onze kop niet in het zand steken. Natuurlijk is er de persoonlijke verantwoordelijkheid, wie ben ik als liberaal om dat te ontkennen. Maar waarom gaat het bij ons slechter dan elders? Ja, er is de taal, maar de tweede en derde generatie maakt het ook mee, met moedertaal Nederlands. En zelfs met een diploma hoger onderwijs op zak botsen ze op discriminatie. Blijven we wegkijken, verloochenen we de kern van onze westerse samenleving? Offeren we de vrijheid van de enen op aan de vooroordelen van de anderen? Of gaan we meer doen, aan de segregatie in het onderwijs, aan discriminatie op arbeidsmarkt en huisvesting? Ja, er worden stappen gezet. Deze regering doet dat. Eergisteren nog maakte minister Gatz geld vrij om het samen leven en spelen in het jeugdwerk te versterken: moedig en noodzakelijk. Maar doen we genoeg? Ook hier kan een moedig beleid onze samenleving sterker, warmer en dus ook veiliger maker.

Maar, collega’s, doen we genoeg? Ook hier kan een moedig beleid onze samenleving sterker, warmer en dus ook veiliger maken.

Collega’s, naast bescheidenheid moet de regering werken aan het herstel van het vertrouwen. Het is onze liberale overtuiging dat wanneer je mensen perspectieven biedt, velen bereid zijn de handen uit de mouwen te steken. Welnu, met haar begrotingsbeleid heeft de Vlaamse Regering dat vertrouwen in de toekomst versterkt. Als een van de laatste sprekers in de eerste ronde ga ik niet in herhaling vallen, en niet herhalen wat deze voormiddag allemaal verteld is, maar de Vlaamse Regering heeft een inspanning van 2 miljard euro gedaan om de begroting op orde te zetten. Met structurele hervormingen, zonder gemakkelijke belastingverhogingen, wel integendeel. Zo kwam er ruimte vrij voor nieuw beleid, voor extra investeringen in onderwijs, welzijn, innovatie en mobiliteit. Dat is, los van alle retoriek, de essentie. En dat is ook wat bevestigd wordt door het Rekenhof. Kortom: de Vlaamse Regering hield woord. Zoiets versterkt het vertrouwen. De begroting is op orde en de Vlaamse economie groeit opnieuw.

Is dat de verdienste van de regering alleen? Neen. Evident niet. Maar ze heeft er wel het klimaat voor gecreëerd. Het aantal vacatures in Vlaanderen kent recordhoogtes. Dit jaar kwamen er 55.000 banen bij. Volgend jaar voorspelt men een groei van maar liefst 120.000 jobs. Is het de regering die deze mensen aanwerft? Natuurlijk niet. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Ook hier is bescheidenheid op zijn plaats. Het zijn de werkgevers, de ondernemers die opnieuw durven te investeren, die opnieuw mensen durven aan te werven en op die manier onze economie doen groeien.

De regering heeft in die jobgroei een belangrijk aandeel gehad. Dat zeg ik niet, dat zeggen instituten als de Nationale Bank. Door te kiezen voor lastenverlagingen heeft ze, samen met de federale overheid, arbeid goedkoper gemaakt. De loonkostenhandicap met onze buurlanden is weggewerkt. De Vlaamse Regering geeft de federale taxshift integraal door: 875 miljoen euro lastenverlagingen die integraal doorvloeien naar de Vlaming. Maar ze heeft ook zelf belangrijke belastingverlagingen doorgevoerd. Denk maar aan de vermindering van de werkgeversbijdragen voor jongeren en ouderen of de vrijstelling van onroerende voorheffing op materieel en outillage.

Meer jobs en meer mensen aan het werk, heeft deze regering niet alleen gerealiseerd door lastenverlaging. Ze heeft ook de moed gehad om hervormingen door te voeren. Door werkzoekenden beter te activeren, met meer maatwerk, met een focus op competenties, eerder dan op kwalificaties. Het is een aanpak die werkt: in 2016 lag het aantal werkzoekenden systematisch lager dan de voorbije jaren. We naderen opnieuw de cijfers van voor de financiële crisis. En er staat nog een hervorming in de steigers: eindelijk de mogelijkheid voor de overheid om een beroep te doen op uitzendkrachten, jarenlang een taboe voor conservatief links, hoewel alle studies aantonen dat interimarbeid de jobmotor bij uitstek is, dé springplank naar een gewone job. Op de eerste plaats is dat zo voor mensen uit kansengroepen, die moeilijk aan de bak komen op de reguliere arbeidsmarkt en zo kunnen doorgroeien naar die reguliere arbeidsmarkt.

Collega’s, deze maatregelen herstellen stuk voor stuk het vertrouwen. Ze komen op de eerste plaats niet de werkgevers, maar wel de gezinnen van de werknemers ten goede. De Nationale Bank berekende dat de komende jaren het reëel beschikbaar inkomen systematisch zal stijgen. De mensen gaan erop vooruit. Toen ik sommige collega’s deze voormiddag bezig hoorde, leek het wel alsof Vlaanderen collectief aan het verarmen is, dat we er allemaal op achteruitgaan, dat een grote meerderheid van de Vlamingen moet vechten om rond te komen. Stop toch met dat overdreven negativisme. Natuurlijk is elk gezin, elk kind in armoede er één te veel. Natuurlijk moeten we er alles aan doen om die gezinnen, die kinderen uit de armoede te trekken. Maar dat moet op de juiste manier, niet door te betuttelen, niet door afhankelijkheid te cultiveren, niet door ze levenslang een uitkering te geven, maar door jobs te creëren voor al wie kan bijdragen en ervoor te zorgen dat die mensen ook naar die jobs worden geleid. Zo kunnen ze hun talenten inzetten, uit het isolement geraken en hun zelfrespect versterkt weten.

Het beleid dat deze regering voert, is dan ook heel sociaal. Door de economie te laten groeien, laten we ook kansen groeien, kansen om uit de armoede te geraken en vooral om uit de armoede te blijven, kansen op een degelijk inkomen, kansen om de kinderen te laten studeren en ze op hun beurt beter te wapenen voor de toekomst. Kortom, kansen voor een beter leven. Collega’s, kansen geven gaat hand in hand met verantwoordelijkheid nemen. We creëren kansen, maar mensen moeten ze ook grijpen door actief naar werk te zoeken, door de taal te leren, door hun kinderen van jongs af aan naar school te sturen.

In die zin juichen we de plannen van de regering toe om actief te werken aan een hogere kleuterparticipatie. Het zijn vooral de kinderen uit kansarme gezinnen die vandaag niet of te weinig naar school gaan. En dat zijn net de kinderen die dat het meeste nodig hebben. Het is goed dat er een actieplan komt om deze kinderen in de kleuterklassen te krijgen. En het is ook goed dat er in de nieuwe kinderbijslagen een financiële aanmoediging komt in de vorm van een kleuterpremie.

Sommigen doen wat lacherig om die kleuterpremie of om de kleutercoördinator. Wij niet. Liberalen waren in het verre verleden de eerste en hevigste voorstanders van de invoering van de leerplicht. Omdat we goed begrijpen dat onderwijs een belangrijke, zo niet de belangrijkste hefboom is om uit de kansarmoede te geraken. Voor de doorsnee Vlaming is dat redelijk gelukt de voorbije eeuw. Nooit was onze welvaart zo hoog. Maar er dreigt een nieuwe kloof te ontstaan. Niet meer tussen kinderen van arbeiders en anderen, maar tussen kinderen van nieuwkomers en anderen. Deze maatschappelijke tijdbom moeten we ontmantelen. Hoe sneller, hoe beter.

Collega’s, de samenleving wordt niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats – ik moet me verontschuldigen dat ik dat hier moet toegeven – in dit parlement of op het Martelarenplein gemaakt. Mensen maken die samenleving, 6,5 miljoen Vlamingen in al hun diversiteit, thuis, in hun buurt, op school of in het bedrijf, in hun verenigingen en families. Wij kunnen een kader creëren, maar zonder de creativiteit, de ondernemingszin en het engagement van mensen geraken we geen millimeter vooruit.

Een minister die erin slaagt een beleid te voeren dat mensen inspireert, hun ondernemerschap prikkelt, hen aanmoedigt om de handen uit de mouwen te steken, kan een verschil maken. En dat zien we vandaag op het vlak van de energiewende. Als deze regering haar termijn erop zit, zullen er nooit zoveel nieuwe zonnepanelen zijn gelegd in Vlaanderen, zullen er nooit zoveel nieuwe windmolens zijn geplaatst, zullen er nooit meer elektrische wagens rondrijden en ze zullen zich nooit kunnen opladen aan zoveel laadpalen.

Collega’s, ik geef u nog één cijfer: de verkoop van elektrische wagens is in het voorbije jaar vernegenvoudigd. En net zoals bij de extra jobs geldt ook hier de opmerking dat het niet de regering zal zijn die zelf al die zonnepanelen zal hebben gelegd of al die elektrische wagens zal hebben aangekocht. Nee, ook hier zullen het in de eerste plaats de burgers zijn en de gezinnen. Zij zullen, aangemoedigd door de Vlaamse Regering, de stap zetten naar nieuwe, hernieuwbare energie. En ze zullen op hun manier en met hun middelen realiseren en zo bijdragen aan een groener Vlaanderen, dat minder afhankelijk zal zijn van fossiele brandstoffen.

Ook hier gaat het dus de goede kant uit. En ook hier zou ik willen oproepen om te stoppen met het negativisme en het doemdenken van deze voormiddag. De voorbije jaren zijn zonnepanelen verdacht gemaakt. Met de aanhoudende kritiek op de energieheffing durfden mensen bijna niet meer te investeren. Wie zonnepanelen had, schaamde zich bijna. Onterecht. Het is goed dat deze regering, met minister Tommelein, deze negatieve spiraal, deze negatieve energie, heeft omgedraaid en heeft omgezet in positieve energie.

Investeren in zonnepanelen, investeren in groene energie is opnieuw trending en aantrekkelijk. En ook dat is de verdienste van deze regering. Niet door de fouten van het verleden te maken, met hoge – te hoge, veel te hoge – subsidies, maar door gerichte maatregelen en vooral door overtuigingskracht en bezieling. We moeten dus verder aanmoedigen, inspireren. Op een positieve manier. En ver weg blijven van onnodige betutteling of regelneverij. Hoe goed bedoeld ze ook zijn – dat zijn ze meestal, die regeltjes –, toch kennen we er nog veel te veel die mensen niet aanmoedigen, maar juist ontmoedigen.

Ik denk bijvoorbeeld aan de Archeologienota: goed bedoeld – de vrijwaring van ons erfgoed is belangrijk –, maar in de realiteit een te zware belemmering voor wie wil investeren. Daarom is het goed dat ze wordt bijgesteld.

Dergelijke maatregelen zijn betuttelend. Ze helpen ons niet vooruit. Ook hier past het om als overheid bescheidener te zijn.

Collega’s, bij haar aantreden had de Vlaamse Regering de ambitie om 1,5 miljard euro te investeren. Volgend jaar, na zowat de helft van deze legislatuur, zal de investeringsteller al op 955 miljoen euro staan. Het gros van die middelen gaat naar welzijn, scholen, sociale woningen, wegen en innovatie. Om al die investeringen te kunnen doen, heeft deze regering moeten besparen. Ik zei het al, een inspanning van 2 miljard: ongezien in de geschiedenis van Vlaanderen. Een belangrijk deel van die besparingen heeft ze gerealiseerd op haar eigen werking. We besparen ook door efficiënter te werken. De integratie van de OCMW’s in de gemeenten en de afslanking van de provincies zijn belangrijke hervormingen. Ook al was onze fractie graag wat verder gegaan in het ontmantelen van de provincies, toch zetten we belangrijke stappen, onomkeerbare stappen, die uiteindelijk zullen leiden tot een slanker en efficiënter overheidsapparaat. U mag me niet kwalijk nemen dat ik als burgemeester ook de vereenvoudiging toejuich van de subsidiestromen naar steden en gemeenten. We maken komaf met de heuse ‘planeconomie’ die we in Vlaanderen kenden: een hele administratie op Vlaams en lokaal vlak die met niets anders bezig was dan met het maken van plannen, in ruil voor subsidies. Neen, deze regering kiest voor vertrouwen. Gedaan met die plannen. Gedaan met al die onnodige, geldverslindende en tijdrovende paperasserij.

Collega’s, mensen zijn onzeker en kijken naar de overheid. Ze zoeken hoop en wij moeten dat bieden. Niet door mensen iets wijs te maken, niet door de illusie te wekken dat we alle problemen oplossen met één simpele maatregel, met één pennentrek, met één decreet dat we hier in het parlement goedkeuren. Dat is de mensen iets wijsmaken. Ja, de politiek is belangrijk. Ze moet richting geven. Ze moet echter ook bescheiden zijn. Het zijn niet wij die vorm geven aan de samenleving. Neen, het zijn de mensen hier buiten. Zij geven onze regio de vorm die ze vandaag en morgen heeft. Mensen maken Vlaanderen sterker. Het zijn zij die ondernemen en mensen aanwerven, die zonnepanelen leggen of elektrische wagens kopen. Het zijn zij die vol bezieling lesgeven, en zo onze kinderen klaarstomen voor de toekomst. Het zijn zij die dag in dag uit klaarstaan om mensen te helpen die zorgen nodig hebben. Wat zij vragen, is een regering, een beleid dat vertrouwen geeft, dat hen niet belemmert, maar aanmoedigt, dat inzet op vrijheid. Deze regering doet dat en verdient daarom het volle vertrouwen van onze fractie. Ik dank u. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, leden van de regering, collega’s, zowat alles gaat goed in het Vlaanderen van Geert Bourgeois en co. Dat lijkt de boodschap te zijn die deze regering aan de bevolking wil meegeven naar aanleiding van de begroting 2017. Zogenaamd kleine details mogen ons daarbij niet van de wijs brengen, kleine details zoals de deze voormiddag reeds veelvuldig besproken kritiek van het Rekenhof over het zogenaamde begrotingsevenwicht, dat er alleen maar zou komen door onderbenutting, door de overschatting van inkomsten of door investeringen buiten de begroting te houden. Intussen is ook al bekend dat in 2018 die begroting opnieuw in het rood zal duiken, omdat Vlaanderen 900 miljoen euro moet terugstorten aan het federale niveau, alweer een van die gevolgen van de zesde staatshervorming. Met andere woorden, het aangekondigde begrotingstekort van niet volgend jaar, maar het jaar nadien is een probleempje inherent aan de geweldige Belgische constructie die zowat elke partij hier in dit parlement uitdokterde. Dat is inderdaad het geweldige Belgische federalisme.

Een andere vaststelling is dat de schulden alsmaar stijgen. Het riedeltje dat de factuur van het beleid niet mag worden doorgeschoven naar de volgende generaties, klinkt in dit opzicht wel erg vals. Want inderdaad, de Vlaamse schulden nemen in sneltempo toe: van vrijwel schuldenvrij niet meer dan ongeveer acht jaar geleden is de schuld gestegen naar 24,4 miljard euro dit jaar en zal ze ook de volgende jaren nog verder toenemen.

In deze federale staatsconstructie blijft Vlaanderen ook na de zesde staatshervorming een kind van het Belgische wangedrocht. Vlaanderen is ziek en erfelijk belast. Zolang Vlaanderen niet onafhankelijk wordt, is een herstel of een genezing niet mogelijk. Binnen het Belgische kader zullen we er nooit in slagen de begroting op orde te krijgen.

De regeringen van dit land weten nog minder de belastingdruk tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Ondanks de begrotingstekorten slaagt de federale overheid er nauwelijks in de belastingdruk te laten dalen. In vergelijking met andere landen blijft de belastingdruk in ons land afschuwelijk hoog. Het gemiddelde in de landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bedraagt 34,4 procent. De belastingdruk in de buurlanden Duitsland en Nederland bedraagt respectievelijk 37 en 37,8 procent. In ons land wordt een minieme daling vastgesteld. Aan het tempo dat de belastingen hier dalen, zal het maar liefst 35 jaar duren voor de belastingdruk in België tot het Nederlandse niveau is gedaald.

Zoals hier vandaag al terecht is opgemerkt, heeft de Vlaamse overheid bepaalde belastingen, zoals het schenkingsrecht en het verdeelrecht, verlaagd. Dat zijn maatregelen die we uiteraard steunen. Het heeft deze legislatuur, die nog maar halverwege is, echter ook al verkapte belastingverhogingen geregend.

Dat valt in de eerste plaats te merken aan onze energiefactuur, die nu al voor zowat twee derden uit taksen bestaat. Verder zijn er de distributienettarieven, de btw-heffingen, de transporttarieven en tutti quanti. Ondertussen blijkt uit recent onderzoek dat meer dan een op de tien gezinnen onvoldoende geld heeft om de energiefactuur te betalen. Het valt nog af te wachten welk effect alweer een nieuwe capaciteitsvergoeding op de stroomfactuur zal hebben. Voor minstens een gedeelte van de bevolking zal de factuur allicht opnieuw de hoogte ingaan.

Ook het drinkwater zal binnenkort opnieuw duurder worden. Die verhoging zal dan weer een beslissing zijn van de besturen van drinkwatermaatschappijen, die allemaal politiek zijn samengesteld.

De gezinnen met kinderen worden nu al voor de tweede maal door de niet-indexering van de kinderbijslag getroffen. Door de stijgende facturen wordt het leven van die gezinnen nochtans wel duurder.

Voor personen met een handicap is er een verhoging van het budget. Daar staat echter tegenover dat de wachtlijsten nog steeds enorm zijn. Het is maar de vraag of er tegen 2020 voldoende geld zal worden gevonden om dit weg te erken. Voor mijn partij blijft het in elk geval onaanvaardbaar dat zo veel mensen met een handicap de hulp waar ze recht op hebben, wegens onvoldoende budget nog steeds niet ontvangen.

Waar inmiddels wel geld voor wordt uitgetrokken, is het onthaal van de tienduizenden zogenaamde vluchtelingen in Vlaanderen, inclusief de duizenden vluchtelingen die op het ogenblik van hun erkenning in Wallonië verbleven en nadien naar Vlaanderen zijn verhuisd.

Terwijl de meerderheid door middel van besparingen hun kamertje in het Belgische huis met de moed der wanhoop op orde tracht te houden, stel ik vast dat de Vlaamse Regering er niet in slaagt of zelfs geen poging onderneemt om het hoofd te bieden aan de belangrijkste bedreiging van onze toekomst, namelijk de aanhoudende massa-integratie en de vervreemding en islamisering van Vlaanderen. Wat de moslimallochtonen betreft die zich in Vlaanderen hebben gevestigd, wordt almaar duidelijker dat het integratiebeleid is mislukt. Ondertussen staan de poorten van ons land nog steeds wagenwijd open.

Vorig jaar heeft de Federale Regering maar liefst 45.000 bijna uitsluitend islamitische asielzoekers ons land binnengelaten. Nog niet de helft beschikt over een diploma van het lager onderwijs. Ten gevolge van het slechte beleid vervreemdt en islamiseert Vlaanderen in sneltempo.

De minister van Inburgering drukte het ter gelegenheid van de begrotingsbesprekingen iets politiek correcter uit en zei: “Vlaanderen wordt steeds diverser”. Alsof de vervreemding en islamisering van onze steden iets positiefs is. Het aandeel leerlingen van onze Vlaamse scholen dat thuis geen Nederlands spreekt, steeg van 9,6 procent in het schooljaar 2007-2008 tot 15,7 procent in 2015-2016. Zou men van een goed integratiebeleid niet mogen verwachten dat dit cijfer daalt in plaats van stijgt?

Ondertussen zijn er de eerste steden en gemeenten waar de Vlamingen een minderheid zijn geworden in eigen stad. In het Limburgse Maasmechelen is al 55,7 procent van de bevolking van allochtone afkomst en in mijn eigen stad Genk bedraagt het aandeel allochtonen in de bevolking 55,5 procent. Ook in Antwerpen is nu al 47 procent van de bevolking van allochtone afkomst en zal er binnen luttele jaren een allochtone meerderheid in de bevolking zijn. Tekenend is dat in het Antwerpse stedelijk basisonderwijs nu al meer dan de helft van de leerlingen voor islam kiest als levensbeschouwelijk vak. Onze grotere steden en de Limburgse mijnregio worden getekend door de islam en de regeringen – noch de Vlaamse noch de Federale – nemen initiatief om deze noodlottige evolutie te stoppen. Er gaat geen maand voorbij of er wordt wel ergens de oprichting van een nieuwe moskee aangekondigd, al dan niet gesubsidieerd door de belastingbetaler.

Het aantal hoofddoeken in het straatbeeld van vele steden, symbool nochtans van een islam die zich verzet tegen onze Europese waarden, blijft toenemen. Onze eigen cultuur en tradities worden in toenemende mate in vraag gesteld door de moslimimmigranten en hun collaborateurs bij het progressieve establishment. Terwijl de regering voorlopig nog steeds geen einde durft te maken aan de barbaarse praktijk van het religieuze slachten, worden Vlaamse onschuldige tradities zoals Zwarte Piet en het kerstfeest steeds meer openlijk gecontesteerd.

Zelfs de zogenaamde gematigde islam waar deze regering en de meeste partijen in dit parlement zo hoog mee oplopen, blijkt in werkelijkheid niet zo gematigd te zijn. Enkele jaren terug noemde de Moslimexecutieve, een gesprekspartner van de dienst Inburgering van de Vlaamse overheid, het boerkaverbod nog een aanslag op de fundamentele vrijheden. Die zogenaamd gematigde Moslimexecutieve toont zich ook inzake het afwijzen van verdoving bij het slachten van dieren onverzettelijker dan salafistisch Saoedi-Arabië.

Ondertussen blijft de regering zich stoer op de borst kloppen met betrekking tot het gevoerde inburgeringsbeleid, alsof de inburgeringscursussen die gratis worden aangeboden aan nieuwkomers de integratie ook maar een centimeter dichterbij brengen. Van een echte resultaatsverbintenis die al zo vaak werd aangekondigd, zal ook in 2017 geen sprake zijn. Slagen voor een inburgeringsexamen en de kennis van de maatschappij bewijzen wordt ook in 2017 nog steeds geen voorwaarde om aan de inburgeringsverplichtingen te voldoen.

Laksheid blijft troef in het beleid. Radicale Koranscholen worden door deze regering vergoelijkend vergeleken met de voorbereiding van het vormsel. Turkse staatsmoskeeën waarvan duidelijk is dat ze al jaren de integratie tegenwerken, behouden tot op de dag van vandaag hun erkenning en betoelaging. De slachtoffercultuur blijft centraal staan in het beleid. Het Minderhedenforum krijgt elk jaar meer dan 710.000 euro werkingssubsidie en een veelvoud aan projectmiddelen om de allochtonen steeds weer neer te zetten als slachtoffers en de aanpassing actief te bestrijden.

Dames en heren van de meerderheid, uw Vlaamse Regering kan helaas niet overtuigen. Uw regering slaagt er niet in de zaken fundamenteel budgettair op orde te krijgen. Uw regering slaagt er niet in een integratiebeleid te voeren die naam waardig, en de islamisering van onze steden te stoppen. Uw regering slaagt er niet in om een vuist te maken om de Vlaamse belangen te verdedigen binnen het Belgische staatsbestel.

Terwijl u zwijgt over het communautaire, blijven jaarlijks miljarden Vlaams geld naar Wallonië vloeien. De Vlaamse belangen worden geschaad door een federaal programma voor de spoorwegen dat geen rekening houdt met de Vlaamse economische belangen. De luchthaven van Zaventem en daarmee ook de Vlaamse werkgelegenheid krijgen klappen doordat Brussel zich onverzettelijk toont met betrekking tot de geluidsnormen voor de luchtvaart.

In plaats van de motor te zijn naar Vlaamse onafhankelijkheid, in plaats van echt op te komen voor het welzijn en de belangen van de Vlamingen, beperkt deze regering zijn rol tot die van Belgisch rentmeester. Van enige Vlaamse dynamiek is met deze regering geen sprake. De Vlaamse Regering doet zelfs geen poging Vlaanderen aan de Vlamingen te verkopen als een bezielend project. De Vlaamse Regering overtuigt in haar eigen bevoegdheden zo weinig dat nu zelfs in twee van de drie regeringspartijen stemmen opgaan om bepaalde bevoegdheden opnieuw te herfederaliseren: de ultieme vernedering van een – in woorden althans  – Vlaamsnationalistische coalitiepartner die het toch graag anders en beter zou doen.

Een wetstraatjournalist zei onlangs: deze Vlaamse Regering, die historisch zou moeten zijn omdat ze voor het eerst wordt geleid door een Vlaamsnationalist, dreigt een voetnoot in de geschiedenisboekjes te worden. Ik kan het alleen maar met hem eens zijn. Het is een kleurloze bedoening. Minister-president, u hebt nog twee en een half jaar om te overtuigen dat u inderdaad een plaats in de geschiedenisboekjes waard bent, maar dan zult u het anders moeten doen, dan zult u het beter moeten doen, dan zult u met iets beters moeten komen dan wat vandaag voorligt en dat wij in geen geval kunnen goedkeuren. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Sociale Economie

We gaan over tot de bespreking van de verschillende onderdelen van de begroting. We beginnen met het onderdeel Sociale Economie.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Ik ben erg blij dat Sociale Economie hier een keer als eerste thema bij de thematische bespreking aan bod komt. Het budget voor Onderwijs en Welzijn is veel groter, en de Sociale Economie is eigenlijk maar een klein thema. Toch maakt het voor de mensen die werk hebben een heel groot verschil: een verschil tussen mee zijn en niet mee zijn. Het betekent in armoede leven of voldoende inkomen hebben om voor zijn eigen gezin te zorgen. Werk betekent participeren aan de samenleving, of aan de zelfkant van onze samenleving blijven staan. Ik zeg het vaak, misschien als een boutade, maar VDAB is eigenlijk niet nodig voor al degenen die op een eigen manier, met hun eigen krachten, aan werk raken: VDAB is vooral nodig voor zij die het moeilijk hebben in onze samenleving, voor zij die het moeilijk hebben om aan een job te raken.

Er zijn drie thema’s waarvoor ik aandacht wil vragen op het vlak van de sociale economie. In de eerste plaats is dat maatwerk. We hebben op het vlak van maatwerk een merkwaardig jaar achter de rug, door de schorsing van de uitvoeringsbesluiten, waardoor er eigenlijk weinig vooruitgang is geboekt op het vlak van maatwerk.

CD&V heeft er steeds op aangedrongen goed in overleg te gaan met de koepels. Minister, door het aanstellen van de administrateur-generaal hebt u ervoor gezorgd dat er een goed overleg was en dat we nu uiteindelijk een principeakkoord hebben. Daardoor kunnen we samen met de sector kijken naar de toekomst en kan het Maatwerkdecreet ingaan op 1 januari 2019. Minister, wij gaan ervan uit dat 2017 en 2018 zullen worden gebruikt om verder in overleg te gaan, zodat de afstemming tussen beschutte werkplaatsen en sociale werkplaatsen in die twee jaar volledig kan worden rondgemaakt. Zo kan er daarover op 1 januari 2019 geen enkele discussie meer bestaan.

Met de Septemberverklaring van minister-president Bourgeois leek de sector een vervroegd kerstcadeau te krijgen: een groeipad van vijfhonderd werkplaatsen werd aangekondigd. Na enige verduidelijking in de commissie bleek dat die 7 miljoen euro zou worden gebruikt voor de reeds erkende contingenten.

Minister, ik heb in de commissie – en ik wil dat ook vandaag doen – ertoe opgeroepen om goed te kijken naar die contingenten. Waarom zijn die niet ingevuld? Was dat omdat men een tijdelijke werkloosheid had? Was dat omdat men geen opdrachten had? Als we die contingenten dan aan die werkplaatsen geven waar men geen opdracht heeft, is dat eigenlijk een maat voor niets. Daarom hebben wij er in de commissie toe opgeroepen om met een oproep te werken zodat die vijfhonderd plaatsen ook effectief zullen worden ingevuld waar ze het meest nodig zijn. Dat is echt cruciaal voor CD&V.

Er is nog een hoop werk op het vlak van sociale economie.

Nog een halve minuut, voorzitter.

Nee, nee, mevrouw Claes, als iedereen extra minuten neemt… Afspraken zijn afspraken. 

2017 moet een jaar worden waarin de sector grotendeels in de plooi valt. We zullen er alles aan doen om daaraan mee te werken. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Beenders heeft het woord.

Collega's, minister, u weet dat onze fractie sociale economie van zeer dichtbij opvolgt. De mensen die een grote arbeidsafstand hebben, liggen ons na aan het hart. We moeten er alles aan doen om die mensen te activeren en op een plaats tewerk te stellen die absoluut noodzakelijk is.

We waren dan ook heel erg blij verrast dat de minister-president vijfhonderd jobs aankondigde in zijn Septemberverklaring. De sector was nog veel meer verheugd dan wijzelf.

Helaas blijken die vijfhonderd jobs niet voor iedereen ter beschikking worden gesteld. Dat betreuren we, want we zien dat in heel wat sectoren nood is aan extra jobs, extra tewerkstelling, om vooral de ambities van de bedrijven binnen de sociale economie te kunnen waarmaken. Op dit moment staan er 32.000 Vlamingen op de wachtlijst. Ik heb soms de indruk dat die mensen vergeten worden, wanneer deze meerderheid altijd maar uitspreekt dat er ongelooflijk veel jobs worden gecreëerd.

Die goednieuwsshow is positief: hoe meer vacatures er worden opengesteld, hoe beter. Hoe meer jobs er worden gecreëerd, hoe beter. Maar we mogen de mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt uiteraard niet vergeten. Tot de dag van vandaag werd er de afgelopen twee jaar nog geen enkele job gecreëerd voor deze mensen, werd er geen zuurstof gegeven aan deze mensen. Wij vrezen dan ook dat die sector eerder als een palliatieve patiënt wordt aanzien dan als een sector waar jullie achter staan.

Minister, wij willen u ook aanraden om die vijfhonderd jobs opnieuw te herbekijken en om dat groeipad open te stellen, niet alleen voor de maatwerkbedrijven met onderbenutting, maar ook voor de lokale diensteneconomie. We zijn ervan overtuigd dat, na de fusies waar een heel aantal ondernemingen binnen de lokale diensteneconomie voor staan, er nog nood is aan een groeipad om hun ambities te kunnen waarmaken. Minister, wij roepen u dus op om ook voor die bedrijven in extra tewerkstelling te voorzien, zodat hun functies, die maatschappelijk heel belangrijk zijn in de gemeenten, kunnen worden voortgezet.

We vragen nu verder met aandrang om het ICF-indiceringsinstrument met snelheid bij te sturen. U hebt regelmatig gezegd dat dat voor u ook een belangrijk aandachtspunt is. Maar we zijn ondertussen meer dan een jaar verder en we zien dat er niets wijzigt op het terrein, waardoor er vandaag heel wat profielen op de verkeerde plek terechtkomen. Zo kunnen een aantal taken in ondernemingen niet meer worden uitgevoerd. Dat zorgt voor problemen op de werkvloer en voor financiële problemen bij ondernemingen. Daaraan moeten we absoluut gehoor geven.

Dus minister, ik hoop dat u het groeipad dat u hebt vooropgesteld, kunt voortzetten tot het einde van de legislatuur, dat we elk jaar misschien wel vijfhonderd extra jobs kunnen aanbieden aan de sector en die kunnen inzetten waar dat noodzakelijk is. Wanneer u daarvoor de nodige middelen krijgt en die kunt inzetten waar nodig, dan zult u ook onze steun krijgen bij uw volgende beleidsbrief. Wij zullen u daar volgend jaar op afrekenen. (Applaus bij sp.a)

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, minister, de toegang tot volwaardig werk is een belangrijke voorwaarde om te kunnen participeren aan de samenleving. Dat geldt nog meer voor de doelgroep in de sociale economie, want ook die groep ligt ons na aan het hart. Voor de ene persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt is de sociale economie een reddingsboei, voor de andere is het een springplank naar reguliere arbeid. Met de juiste omkadering ontdekken mensen een sterke drive om er iets van te maken, de handen uit de mouwen te steken en er persoonlijk en professioneel sterker op te worden. Dat zijn ook de krachtlijnen van het beleid.

De sector heeft een moeilijk jaar achter de rug. Begin dit jaar was er een schorsing van het decreet, het werd snel duidelijk dat deze schorsing verregaande gevolgen had en dat handelen vereist was. De minister heeft actie ondernomen om de toeleiding en de financiering te garanderen. Samen met de sector en met de administratie werd een akkoord gevonden dat resulteerde in een principeakkoord.

Vorige week keurde de Vlaamse Regering het ontwerpbesluit dat uitvoering geeft aan het Maatwerkdecreet, principieel goed. Dit luidt het einde in van een juridisch vacuüm en betekent de doorstart om volwaardig werk voor die doelgroep te blijven garanderen.

De minister zorgde voor extra budget en extra inspanningen. Met 7 miljoen euro extra middelen kan de sector overgaan tot de optimale invulling van het hem toegewezen contingent waardoor er vijfhonderd plaatsen kunnen worden gefinancierd. Dit is in het verleden niet gebeurd. Bovendien wordt er 2,5 miljoen euro extra uitgetrokken om projectmatig nieuwe tewerkstelling te stimuleren.

Verder zetten we in op doorstroom, maatschappelijk verantwoord ondernemen en individueel maatwerk.

Nu de economie aantrekt, wordt naast juridische zekerheid ook gezorgd dat de sociale economie ademruimte en zuurstof krijgt. Niets palliatief, maar integendeel lekker gezond. Wij kijken uit naar 2017. (Applaus bij de N-VA)

Minister Homans heeft het woord.

Minister Liesbeth Homans

De drie sprekers hebben onderstreept dat de sociale economie een zeer nuttige en noodzakelijke sector is voor mensen die echt niet op de reguliere arbeidsmarkt of het normaal economisch circuit (NEC) terechtkunnen.

Ik dank de leden van de meerderheid die hebben gereageerd, voor de complimenten die zij hebben gemaakt in het kader van de moeilijkheden die wij hebben gehad met de schorsing van de uitvoeringsbesluiten van het Maatwerkdecreet. Dat was niet evident. Ik wil ook de secretaris-generaal van het departement danken voor het goede werk.

Mevrouw Claes, u hebt de hoop uitgesproken dat het overleg met de koepels zal worden voortgezet. Ik kan u dat garanderen, ik heb dat ook in de commissie gezegd. Ik hoop dat dit op een even constructieve manier zal gebeuren als tot nu toe het geval was.

Er is inderdaad 7 miljoen euro extra. Het is niet evident om in budgettair krappe tijden 7 miljoen euro extra uit te trekken voor een sector die dit nochtans hard nodig had. Minister Tommelein, ik dank u voor uw vrijgevigheid en voor uw inzet voor de sector van de sociale economie. Het klopt dat het inderdaad gaat over het opvullen van al toegekende contingenten. Wij hadden vastgesteld dat dit niet gebeurde, bijvoorbeeld omdat er geen opdrachten waren, door het ziekteverzuim, door de conjunctuur enzovoort.

Dat zorgt inderdaad voor vijfhonderd bijkomende arbeidsplaatsen. Die arbeidsplaatsen waren momenteel niet ingevuld en kosten dus ook geen geld. Daarom nogmaals mijn dank voor die 7 miljoen euro, om op die manier toch ook een groeipad van vijfhonderd extra werknemers in de sociale economie te kunnen garanderen. En terwijl mijn collega’s toch vrijgevig waren ten opzichte van de sector van de sociale economie, heb ik van de gelegenheid gebruikgemaakt om naast die 7 miljoen euro ook nog eens 2,5 miljoen euro extra binnen te halen. Dat staat ingeschreven op een begrotingsartikel waar bijkomende tewerkstelling mogelijk is.

Nogmaals dank, collega’s, voor uw positieve en constructieve opmerkingen. Ik denk dat de sociale economie een schakel is in onze economie die meer dan nodig is. Ik zal er alles aan blijven doen om daarvoor te blijven vechten.

De heer Beenders heeft het woord.

Bedankt voor uw verduidelijking, minister. Om het heel duidelijk te maken: zegt u dan vandaag ook dat u voor de lokale diensteneconomie niet in extra jobs voorziet, ook niet als er ondernemingen gaan fusioneren en niet aan hun vijf vte’s komen? U zegt ook dat de bedrijven die geen onderbenutting hebben, maar die wel de arbeidsplaatsen hebben ingevuld en willen groeien, ook geen jobs krijgen. Is het dat wat u net gezegd hebt?

Minister Liesbeth Homans

Neen, mijnheer Beenders. U hebt in de commissie ook geprobeerd om die vraag te stellen. En ik heb daar ook een antwoord op gegeven. De schaalgrootte van LDE-ondernemingen (lokale diensteneconomie) is vastgelegd in 2013 – niet door mij – op minimaal vijf. Wij hebben nu allerlei maatregelen lopen om die schaalgrootte tot vijf te kunnen brengen. Ik heb in de commissie heel duidelijk aangegeven dat die 2,5 miljoen euro, die op een artikel staat ingeschreven waar extra tewerkstelling mogelijk is, via projecten zal kunnen gaan. En ‘projecten’, dat kan in dezen in de brede zin van het woord worden opgevat.

We verschillen daarover van mening, want de projecten die u benoemt, dat komt niet overeen met noodzakelijke koppen die nodig zijn om een LDE-verhaal ingevuld te krijgen. Wij staan zeker achter die schaalvergroting van vijf. Wij hebben het decreet hier zelf ingediend. Daar is er dus geen discussie over. Maar dan moet u wel inspanningen doen voor die ondernemingen die willen fusioneren om tot vijf te komen, om die tot vijf te laten groeien.

We zitten een jaar voor de deadline van 1 januari 2018. Het klopt dat de ondernemingen het al heel lang weten, maar als er geen zuurstof gegeven wordt om tot vijf te komen, kunt u toch niet kwaad zijn op de ondernemingen omdat ze de inspanningen niet gedaan hebben? Ik ken OCMW’s die fusioneren en samen tot vier vte’s komen. Gaan we tegen die OCMW’s zeggen: u hebt goed uw best gedaan, u bent gefusioneerd, maar u komt niet aan vijf, dus u mag stoppen met bestaan?

Mijnheer Beenders, we zijn in 2013 in het decreet Lokale Diensteneconomie overeengekomen dat de minimumschaalgrootte vijf moet zijn. Het spijt me, maar vijf is al weinig om een zinvolle onderneming te leiden. Als men er via fusies niet in slaagt om aan vijf te komen … Dat is toch een minimumschaalgrootte? Vijf medewerkers met een begeleider, dat is al een hele kleine schaal om op een goede manier te kunnen werken. Wij blijven achter die schaalvergroting staan die nodig is voor de lokale diensteneconomie, om dat ook op een efficiënte manier te kunnen organiseren.

Collega Claes, wat mij betreft, was die norm zelfs tien of twintig, omdat we heel veel LDE-ondernemingen kennen die met wachtlijsten werken, omdat ze tuintjes moeten onderhouden van gepensioneerden en niet genoeg personeel hebben om dat onderhoud te kunnen uitvoeren. Mensen moeten tot een jaar wachten. Die smeken om extra koppen, maar ze krijgen er geen. Dat is de discussie. Het gaat er niet over of wij voor of tegen die vijf vte’s zijn. Het gaat erom dat we de ondernemingen vanuit de overheid zuurstof geven om tot vijf, zeven of tien te komen. Geef die ondernemingen het potentieel om te groeien.

Onderwijs en Vorming

Dames en heren, we gaan nu over naar het onderdeel Onderwijs en Vorming.

De heer De Ro heeft het woord.

Voorzitter, beste collega’s, een aantal van mijn collega’s en ikzelf hebben al tijdens de toespraak van collega Vandenbroucke vanuit de meerderheid het woord genomen om de niet geringe prestatie van de Vlaamse Regering, en in het bijzonder van de ministers van Onderwijs en Begroting, te onderstrepen om in moeilijke financiële tijden toch de onderwijsbegroting te laten groeien. Laten groeien om inderdaad de historische verworvenheid van openendfinanciering in het leerplichtonderwijs te blijven honoreren, maar ook bijvoorbeeld om investeringen in schoolgebouwen te laten toenemen. Ik verwijs dan graag naar de extra miljoenen voor een pps light, waar binnen het veld al verschillende inrichtende machten klaar staan om erop in te tekenen.

Ik wil als eerste spreker die globale inspanning absoluut onderschrijven, maar ik wil graag wat meer inzoomen op de onderwijsbegroting. Ik had graag mijn eigen drijfveren en de drijfveren van heel wat van mijn collega’s, binnen en buiten mijn fractie, om aan politiek te doen, gebruikt als toetssteen, met name de drijfveer om ervoor te zorgen dat zij die thuis minder kansen hebben, slagen in het leven. Waar kan dat beter te realiseren zijn dan in het onderwijs?

En als ik met die sociale bril naar deze begroting kijk, dan zie ik een aantal zaken. Kleutertjes met anderstalige ouders krijgen via een spoeddecreet van vorig jaar 5 miljoen euro extra en in 2017 nog eens 2,7 miljoen euro extra. Voor kinderen die door de vluchtelingencrisis in Vlaanderen zijn aangekomen en zeer snel naar school konden gaan – hiervoor kregen we internationale felicitaties –, is er extra budget om zeven traumapsychologen te laten werken over de netten heen.

De waarborgregeling van het M-decreet die door de vorige regering niet werd uitgewerkt en die door actief parlementair werk sneller werd gerealiseerd dan gepland, maakt dat leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs hun collega’s in het gewone onderwijs kunnen ondersteunen om leerlingen met buitengewone noden beter bij te staan. Die waarborg is meer dan verdubbeld ten opzichte van het vorig budgettair jaar.

Het groeipad van de SES-middelen wordt voor het tweede jaar gehonoreerd. In het begin van de legislatuur vreesden we nog dat ze volledig zouden wegvallen. Scholen met leerlingen met een hoger onderwijsrisico krijgen meer middelen.

De historische fout uit 2008 om de internaten van het GO! voor kinderen uit het buitengewoon onderwijs geen werkingsmiddelen te geven, wordt rechtgezet – in 2017 alvast voor het internaat in Kuurne, maar vanaf 2018 ook voor de andere internaten, zo stelde minister Crevits duidelijk.

Met die bril op, collega’s, zie ik naast de niet-indexering dus heel wat gerichte maatregelen en middelen om de meest kwetsbaren in onderwijs meer te ondersteunen. En als ik over besparingen in onderwijs onbegrip hoor uitspreken, dan hoor ik nog steeds heel veel onbegrip voor de besparingen waarmee toenmalig minister Vandenbroucke de vervangingspool voor startende leerkrachten van Marleen Vanderpoorten wegsaneerde en daarmee de jobzekerheid van die startende leerkrachten weggooide; dan hoor ik veel onbegrip over de besparing waarmee minister Smet de mentoruren afschafte: die mentoruren die ingezet werden om beginnende leerkrachten te begeleiden. Geen kleiner percentage, geen niet-indexering, maar twee botte besparingen. Dus alsjeblieft geen lessen over besparingen in onderwijs en de gevolgen daarvan. Dat waren besparingen die we nog steeds jaar in jaar uit echt voelen en die maken dat leerkrachten niet langer in het onderwijs blijven, maar eerder uitstromen.

Eindigen wil ik met een niet strikte budgettaire passage die aansluit bij de kern van het betoog van mijn fractieleider. Als we, naast een begroting, in 2017 een grote stap moeten zetten, is het die van een betere bestrijding van de segregatie in onderwijs. In het kleuteronderwijs in steden als Antwerpen, Genk, Brussel, Mechelen of Vilvoorde zijn 50 tot 70 procent van de kinderen van buitenlandse afkomst. We kunnen ons niet langer veroorloven om in dit dossier geen stappen vooruit te zetten. En als we nog niet direct grote stappen kunnen zetten, laat ons dan alvast in 2017 een eerste, belangrijke stap zetten. Over oppositie en meerderheid heen, zijn we het eens over een centraal aanmeldingsregister. Laat ons die stap in januari zetten, en als het kan met meerderheid en oppositie samen, zeer graag dan. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, ik ben blij u weer onder ons te hebben. U ziet er na de koffiepauze veel beter uit. U hebt blozende kaken en ik hoop niet van de ingediende begroting maar omdat uw gezondheid opnieuw op niveau is.

We hebben het deze ochtend al gezegd: bij de bespreking van de onderwijsbegroting willen we eigenlijk twee elementen in ogenschouw nemen. Onderwijs kent twee decretaal verankerde systemen om te garanderen dat de kerntaak die de overheid moet subsidiëren, zo vinden we met z’n allen, het versterken van goede vorming en opleiding voor al onze kinderen, effectief te kunnen betalen. Eerst en vooral kent ons onderwijs een openendfinanciering, waarbij het principe gegarandeerd blijft dat als er meer kinderen op de schoolbanken zitten, er ook meer middelen geïnvesteerd worden. Men vindt dat misschien niet evident, maar men vindt dat wel goed. Ik ben blij, collega’s van de N-VA, dat uw fractieleider daarstraks gezegd heeft dat de openendfinanciering voor de N-VA in steen gebeiteld staat, dat u die blijft verdedigen.

Een ander mechanisme dat er moet voor zorgen dat onderwijs betaalbaar blijft, is de index. Als de kosten stijgen, ook in onderwijs, is het nogal evident dat daar extra middelen vanuit de overheid tegenover staan. Die twee elementen moeten natuurlijk hand in hand gaan, wil men ons onderwijs betaalbaar houden. Blij was ik dan ook toen ik na twee donkere onderwijsjaren bij de laatste Septemberverklaring de minister-president en de minister van Onderwijs hoorden verkondigen dat na besparen – 2,3 procent in het basisonderwijs, 35 euro per leerling, 4,5 procent in het secundair onderwijs, 137 euro per leerling – de tijd was aangebroken, om te investeren.

Ik kan niet ontkennen dat het een zucht van opluchting was die door de sp.a-fractie ging. Maar als we dan inzoomen op de begroting die vandaag voorligt, dan moeten we toch wel tot de conclusie komen dat de werkelijkheid minder fraai is. De werkingsmiddelen worden inderdaad niet geïndexeerd, in tijden nochtans van stijgende kosten en facturen, onder andere voor energie. In het secundair onderwijs zorgt de openendfinanciering voor 46 miljoen euro extra middelen, maar de desindexering haalt er direct 18 miljoen euro af.

Dit wil eigenlijk heel concreet zeggen dat de scholen voor elke acht leerlingen die extra instromen, maar geld krijgen voor vijf leerlingen. Dat is natuurlijk onderfinanciering in de zuiverste zin van het woord. In het basisonderwijs kost de desindexering 9 miljoen euro; dat wil zeggen dat voor elke vijf leerlingen die extra op de schoolbanken komen, er maar drie gefinancierd worden. De gevolgen in onze scholen zijn duidelijk. Ze worden ook aangekaart door bezorgde ouderverenigingen, netten en koepels. Men ziet dat de maximumfactuur in het basisonderwijs, een mooi instrument om aan kostenbeheersing te doen, onder druk komt te staan; de werkingsmiddelen zijn niet langer toereikend om die lage kosten voor ouders te blijven garanderen.

We zien dat de facturen in het secundair onderwijs alsmaar meer de pan uit swingen, vandaar dat onze fractie heel duidelijk pleit voor de introductie van de maximumfactuur.

Mevrouw Gennez, het zal aan de vernieuwde wiskunde liggen die ik als eerste generatie gekregen heb. U maakt een vreemde wiskundige berekening, en u deelt die zomaar mee aan Vlaanderen. U zei net eigenlijk dat er zoveel kinderen niet gefinancierd worden door Vlaanderen. Dat moet ik toch formeel tegenspreken. Elk kind in Vlaanderen wordt gefinancierd, alleen is het door de niet-indexatie zo dat er voor elk kind iets minder uitgegeven wordt.

Ik weet niet of u zich de krantenkoppen goed herinnert over de besparingen in Onderwijs vóór deze legislatuur. Ik heb die inspanning gedaan omdat ik wist dat dit verhaal zou terugkomen. Ik heb er twee afgeprint. Bij mijn eigen betoog heb ik juist gezegd dat veel leerkrachten voortdurend op de besparingen terugkwamen. Dat soort krantenkoppen zie ik niet meer onder het beleid van minister Crevits en minister Tommelein.

Ik zie hier de kop van Het Nieuwsblad: ‘Vervangingspool: 8000 startende leerkrachten aan de dop’. De Krant Van West-Vlaanderen, voor de collega’s uit die provincie: ‘De mentorenuren werden afgeschaft: tweehonderd jobs op de tocht’. Ik bestrijd niet dat er een besparing is door de niet-indexering, en dat die er ook de vorige jaren was. Maar de gevolgen van de besparingen waarvoor u destijds als voorzitter van sp.a, samen met de toenmalige minister, de verantwoordelijkheid droeg, die haalden wel andere…

Waar gij nu mee afkomt. Dat is lang geleden. (Caroline Gennez lacht)

Mevrouw Gennez, ofwel doen we allemaal uit een soort maagdelijkheid aan politiek, en dan mogen we nooit nog naar het verleden verwijzen. U niet, ik niet. Maar als u een minuut of twee geleden hier komt zeggen dat deze regering en deze minister zoveel kinderen géén financiering geven en in de kou laten staan: dat klopt niet. Elk kind dat er bij komt, wordt gefinancierd, zoals elk kind dat er al zat. Alleen is de som per kind iets minder groot dan de index. Het zou eerlijker zijn als u dat zegt. (Applaus bij de meerderheid)

De heer De Meyer heeft het woord.

Voorzitter, als het over rekenkunde gaat: 46 miljoen euro min 18 miljoen euro is nog altijd 28 miljoen euro in plus. Het is wel iets minder méér, maar nog altijd méér.

We moeten er uiteraard niet flauw over doen: we krijgen ook signalen vanuit sommige scholen die het minder gemakkelijk hebben. Dat is nogal duidelijk. En zeker scholen die toevallig leerlingen verliezen, profiteren niet mee van de openendfinanciering, integendeel. Maar ik herhaal nogmaals het engagement dat minister Crevits hier meermaals heeft aangegaan.

Er werd gesproken over de niet-indexering de volgende jaren. Ik wil er nog op wijzen dat dit hoegenaamd niet geldt voor het basisonderwijs. Er is duidelijk voorzien dat er wel een indexering komt voor het basisonderwijs.

Elke besparing op ons onderwijs is er een te veel. Dat geldt voor voorgaande en dat geldt voor huidige besparingen. Minister Crevits heeft zich geëngageerd om een kleuteractieplan te schrijven en daar ook middelen aan te verbinden. Maar wat zien we? In de begroting die vandaag wordt ingediend, zijn er minder middelen dan er decretaal verankerd zijn om in ons onderwijs te injecteren. Dat kunnen wij toch niet toejuichen? Dat kunnen jullie ook niet toejuichen als jullie intellectueel eerlijk zijn.

Er zijn heel veel bezorgdheden op de werkvloer. Sp.a is inderdaad de stem van de bezorgde directies, van de bezorgde ouderverenigingen, en zelfs van de bezorgde netten. Dat kunt u ons niet verwijten.

Minister, ik wil toch nog twee concrete aandachtspunten meegeven.

In het volwassenenonderwijs is er effectief extra bespaard, en nog wel op de allerzwaksten. We weten met z’n allen dat er nieuwkomers in België, in Vlaanderen toestromen. We hebben de ambitie om hen allemaal zo snel mogelijk te integreren, om hun de taal te leren en hen te laten inburgeren. Dan is het een goede zaak dat minister Homans in middelen voorziet voor NT2-lessen. Maar dan snappen wij niet waarom het equivalent van die middelen, om die mensen te laten inburgeren, 16 miljoen euro, op Onderwijs wordt bespaard. Dat is een foute keuze. De asielmiddelen, die u wel in het leerplichtonderwijs honoreert, zou u ook moeten honoreren in het volwassenenonderwijs, omdat het mensen kansen biedt, ook kansen om hier onze arbeidsmarkt te versterken.

U kondigde aan het geïntegreerd onderwijs (gon) te zullen hervormen, samen met de waarborgmiddelen. Wij steunen dat. Maar wij doen toch ook de oproep om voor de 25.000 leerlingen die vandaag met zorgnoden kampen en individuele begeleiding krijgen, de individuele begeleiding te blijven garanderen, naast het versterken van leerkrachten en directies.

Mevrouw Gennez, ik heb niemand van de meerderheid horen juichen over de niet-indexatie. Dat was ook niet zo in het verleden. Ik had gehoopt dat u zou zeggen dat u amendementen zou indienen om die indexatie toch uit te voeren, maar dat u dan wel, in tegenstelling tot in de commissie, zou zeggen waar u dat geld zou halen. Dat hebben we in de commissie niet gehoord. Daar hebben de heer Daniëls en ikzelf meerdere keren om gevraagd. Voor ons geen probleem: als u voor Onderwijs middelen vindt op andere plaatsen in de begroting, zullen we dat een eerlijke kans geven. Maar die kans hebben we niet gekregen, tenminste toch niet in de commissie.

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, ik dank de heer De Ro dat hij mijn naam heeft genoemd, want inderdaad tot driemaal toe hebben we sp.a in de commissie gevraagd waar de middelen vandaan moeten komen.

Ik wil echter nog een ander punt naar voren schuiven. Helaas, mevrouw Gennez, hebt u er geen enkele, maar ook geen enkele keer op gewezen dat de onderwijsbegroting in deze economisch moeilijke tijden in twee jaar tijd met 534 miljoen euro is gestegen. U verwijst altijd maar naar de openendfinanciering. Moet ik daaruit afleiden dat u die wilt afschaffen? Voor ons staat dat niet ter discussie, maar we moeten het geld wel vinden. (Applaus bij de N-VA)

De heer Van Dijck heeft het woord.

U trekt de openendfinanciering constant in twijfel, mevrouw Gennez.

Nee, dat hebben wij niet gedaan.

Maar u begint er altijd over. Niemand in het parlement twijfelt aan de openendfinanciering. U brengt ze altijd te berde, alsof u er de grote verdediger van bent, maar dat zijn we allemaal.

De heer Vandenbroucke heeft het woord.

Mijnheer Van Dijck, u draait natuurlijk de rollen om. Ik heb er het verslag van de discussies in de commissie eens op nagelezen. Daarin wordt inderdaad over een groeibegroting gesproken, maar een groot deel van die groei is te wijten aan het in de wet vastgelegde principe ‘meer kinderen, meer studenten, dus ook meer middelen en lerarenuren’. In de commissie beklemtoonde de meerderheid dat dat mechanisme toch niet zo normaal is. Ik vind dat wél normaal, mijnheer Van Dijck.

Het is niet normaal, mijnheer Vandenbroucke, om daarvoor zomaar het geld te vinden. De regering heeft enorm veel inspanningen gedaan om datgene wat voor ons allemaal belangrijk is, overeind te houden. En dát is niet evident.

We vinden de openendfinanciering evident en zullen die blijven verdedigen, net zoals iedereen hier. Maar daarnaast zijn er ook andere mechanismen die ervoor moeten zorgen dat onze schoolfinanciering op niveau blijft, en die worden dan niet toegepast. Wij zullen inderdaad opnieuw een amendement indienen om de desindexering ongedaan te maken. Er gaat 11,2 miljard naar onderwijs. Van ons mag het gerust 11,4 miljard zijn. Dat zal in de Vlaamse begroting ook nog wel passeren. Alleen met praatjes vullen we geen gaatjes. Dat wordt in deze begroting bewezen. Wij zullen ze dan ook niet goedkeuren.

Mevrouw Gennez, u kondigt opnieuw aan dat u amendementen indient. In de commissie hadden we enkel pagina 3 en 4, en ontbraken pagina 1 en 2. We zijn op zoek gegaan, maar blijkbaar waren alle stukken ingediend. Helaas heb ik nog geen andere stukken zien verschijnen. Ik kijk ernaar uit dat jullie straks in spoedbehandeling nog andere amendementen indienen om die 11,4 miljard mogelijk te maken. Maak er desnoods 12 miljard van voor onderwijs, maar waar zullen we die middelen vinden? Ik kijk er echt naar uit.

Toen ik dit verhaal in mijn fractie vertelde, zeiden de collega’s die tot vóór deze legislatuur in de federale Kamer zaten, dat een reglement daar stipuleert dat wie amendementen op de begroting indient die geld kosten, onmiddellijk een amendement moet indienen dat duidelijk maakt waar het geld vandaan moet komen. Ik hoor daarstraks zeggen dat fetisjen en begrotingstekorten niet erg zijn, en nu hoor ik van een stijging van 11,2 naar 11,4 miljard. Dat is 200 miljoen euro meer, en er is geen amendement dat duidelijk maakt waar het geld vandaan moeten komen. Er zitten in de huidige begroting zoveel uitgaven die sp.a blijkbaar niet wil doen. Zeg dan welke!

Als u graag hebt, collega’s, dat sp.a de begroting maakt, met alle plezier, maar dan had u ons moeten vragen deel uit te maken van de regering. Dan hadden wij de besparingstrein niet verder door onderwijs laten denderen. Ook de minister had spijt dat die trein verder dendert. Dat de groei in onderwijs die nodig is, vandaag historisch wordt gebroken, daar kunnen we niet mee akkoord gaan.

Ik hoor het al, er moet met groenestroomcertificaten worden betaald!

Mevrouw Gennez, ik neem voor de tweede keer akte van het feit dat u extra geld vraagt. Waar dat vandaan moet komen, laat u in het midden.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, u zei daarnet dat er nu een historische breuk is. Dat wil ik nuanceren. In 2013 is er een besparing doorgevoerd van 82 miljoen euro: de afschaffing uren pedagogische coördinatie B-stroom leverde 15 miljoen euro op, de vervangingseenheden voor korte afwezigheid 4,6 miljoen euro, de bijzondere omkadering mentorschap 14 miljoen euro, de stopzetting duurzaam naar school 5 miljoen euro, de afschaffing steunpunt gelijke kansen en de besparing op nascholing 3 miljoen euro, de afschaffing van het rationalisatiefonds hoger onderwijs 6 miljoen euro en de besparing op de basisfinanciering hoger onderwijs 16 miljoen euro. Kom mij dus niet vertellen dat er zware breuken zijn. Als je in budgettair moeilijke tijden beslissingen moet nemen, dan doe je dat. Dat hebt u gedaan en dat hebben wij nu gedaan. We zitten hier wel met een begroting van 11,2 miljard euro, die meer dan een half miljard euro meer middelen uittrekt dan twee jaar geleden. Persoonlijk vind ik dat in deze budgettair moeilijke tijden een historische prestatie. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Die verdedigingslijn dat we een openendfinanciering hebben en dat als er meer kinderen bijkomen, we ervoor zorgen dat ze ook gefinancierd worden, wordt tegenwoordig aangegrepen om de begroting van Onderwijs als een overwinning te verkopen. Dat vind ik bijzonder eigenaardig. Dat gebeurde al in de commissie en het gebeurt hier nu weer. Ga maar naar een school en vertel maar aan een directeur, die nu zijn best doet om kindjes een plaats te geven in scholen die eigenlijk al vol zitten, dat hij er nog een paar moet bijnemen en daarvoor geen extra financiering zal krijgen. Ik wens u veel succes. We gaan dat toch in godsnaam niet in vraag stellen? Ik vind dit een absurde discussie.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Meuleman, ik heb een vraag voor u, want u vindt dat allemaal heel vanzelfsprekend. Ik vraag aan u: geef mij voorbeelden van andere sectoren die financiering krijgen vanuit Vlaanderen waar datzelfde principe van toepassing is. Als dat zo vanzelfsprekend is, zal het overal ook wel toegepast worden. Welnu, ik ben benieuwd naar voorbeelden daarvan.

Ik vind het vanzelfsprekend in onderwijs. Ik heb me niet uitgesproken over andere sectoren.

Ik denk dat we terug naar de lerarenopleiding moeten of voor een ander didactische werkvorm moeten kiezen, want ik weet niet hoe we het nog beter kunnen uitleggen. Nogmaals, deze meerderheid stelt de openendfinanciering niet ter discussie. Deze meerderheid zegt wel dat die open end, met stijging van leerlingen een extra kost met zich meebrengt. In economisch moeilijke tijden moeten we die centen gaan zoeken. Dat hebben we gedaan. Alleen hebben we op de werkingsmiddelen, niet op de omkadering, het niet-loongebonden gedeelte niet geïndexeerd. Je krijgt dus iets minder. Dat wil niet zeggen dat je voor bepaalde leerlingen niets krijgt. Je krijgt enkel over de totaliteit iets minder. Als u dit niet begrijpt, moet ik het misschien op een schoolbord voor u uittekenen.

Mijnheer Daniëls, ik versta het wel. Alleen hangt het ervan af welke bril je opzet. Zet je de bril op van de Vlaamse Regering of van de scholen die jaar na jaar het bedrag dat ze krijgen per kind zien dalen? Zeker in het basisonderwijs doen wij het qua financiering al niet bijster goed in vergelijking met het OESO-gemiddelde. Het kleuteronderwijs is dan nog eens ondergefinancierd in vergelijking met het basisonderwijs.

Als dat de lijn is die u wilt uitzetten, dan wil ik toch aangeven dat dat niet de onze is. (Applaus bij Groen)

Voorzitter, ik denk toch dat dat bord nodig zal zijn. Mevrouw Meuleman, er is wel één ding dat u vergeet in heel dit debat. U zegt één ding niet. Ik verwijs naar de commissie. Heeft er iemand van deze meerderheid lachend en blij gezegd tegen deze Vlaamse Regering: ‘Kon er niet wat meer af? Kon je niet wat meer besparen op die werkingsmiddelen?’ Heeft de minister gezegd: ‘Fantastisch!’? Neen. Integendeel. Ik citeer wat ik zelf heb gezegd: “We zijn blij dat we in het hoger onderwijs die 25,5 miljoen euro klik nu hebben kunnen geven.” Ik heb ook letterlijk gezegd namens onze fractie dat de volgende die in de rij staat als we middelen hebben voor onderwijs, het kleuteronderwijs is. Voilà, ik denk dat dat duidelijk is. De minister heeft er nog eens aan toegevoegd dat de desindexering voor het kleuter- en lager onderwijs, niet doorloopt maar dat die stopt, en dat we dan opnieuw gaan indexeren daar. Dat is toch duidelijk, denk ik.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Mevrouw Meuleman, de voorzitter vraagt me om het kort te houden. Ik zal het kort houden. Ik denk niet dat u de cijfers van de OESO daar voor u hebt, want dat Vlaanderen veel minder geld zou uitgeven, dat klopt niet. Dat weet u toch ook?

We waren samen in Schotland. U hebt het systeem daar opgehemeld, maar ik wil u de cijfers van Schotland geven. Voor het lager onderwijs is er 5509 euro per leerling. In Vlaanderen is dat 10.018 euro. Kent u het verschil? Het is geen hogere wiskunde, want ik ken het en ik ben niet zo sterk in wiskunde. Misschien moet u toch nog eens de cijfers erbij nemen.

Minister, wat de financiering van het basisonderwijs betreft, kent u de cijfers en de OESO-gemiddelden. We zitten met een onderfinanciering ten opzichte van het OESO-gemiddelde. In Schotland zal het inderdaad nog slechter zijn. Voor het secundair niet, dat weet ik ook, maar voor het basisonderwijs zitten we met een onderfinanciering, en het kleuteronderwijs krijgt nog minder. Wij zeggen dat het kleuteronderwijs zeer belangrijk is, dat we moeten inzetten op kleuterparticipatie. U komt met een groot plan waar een kleutercoördinator in zit, maar zelfs dat is niet iemand die met nieuw geld betaald wordt, dat is iemand die al op de administratie zit en die de stempel kleutercoördinator op zijn hoofd gedrukt krijgt en het participatieprobleem moet oplossen. Op dat vlak zijn er te weinig investeringen, zeker wat het kleuteronderwijs betreft.

Die directeur die kijkt naar de Vlaamse begroting, die het moet doen met zijn werkingsmiddelen die niet geïndexeerd zijn, die ziet ook dat op de middelen voor de professionalisering van zijn leerkrachten wordt bespaard. Diezelfde directeur zit met een gebouw dat redelijk verouderd is. We moeten dat niet ontkennen. Er is een inhaaloperatie voor nieuwe scholen, maar op de wachtlijsten en de reguliere scholenbouw wordt zelfs nog verder bespaard, ook dit jaar, ten voordele van Design Build Finance Maintain (DBFM). Op de renovatie van zijn gebouw, zal hij nog jaren mogen wachten. Zijn energiekosten lopen op. Wat zal hij moeten doen? Inderdaad, zijn leerkrachten aanzetten om nog meer lotjes te verkopen en ervoor zorgen dat ze nog meer knutselgerief zelf kopen.

Ik wil het niet dramatiseren, maar op dit moment zit er geen rek meer op besparingen in onderwijs. Je kunt zeggen dat we met meer kindjes zitten, wat moeten we dan doen? Het is nu eenmaal een realiteit.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Meuleman, u zei daarnet dat het jammer is voor die directeur die een kindje in zijn school krijgt en dan geen geld krijgt. Dat is pure nonsens. Elk kind dat in een school komt, genereert omkaderingsmiddelen en genereert werkingsmiddelen. Ik hoop dat u dat nog eens duidelijk wilt zeggen, want men krijgt de indruk dat dat niet zo is. Uw redenering klopt wat dat betreft langs geen kanten.

Daarenboven, mevrouw Meuleman, wil ik onderstrepen dat kindjes die extra kwetsbaar zijn, extra leraarsuren en extra werkingsmiddelen genereren. U zegt: ‘U maakt het onderscheid nog groter.’ Neen, neen, het gaat zelfs tot het dubbele, collega’s. Voor een kindje dat op een aantal factoren extra kwetsbaar aantikt, kan de school tot dubbel zo veel middelen krijgen. Wij investeren enorm in die sociale gelijkheid.

Collega Meuleman, als u het dan hebt over die schoolgebouwen, ben ik de eerste om te erkennen dat toen ik minister van Onderwijs geworden ben, het voor mij een afschuwelijk beeld was dat ik te zien kreeg over de staat van onze gebouwen. Die staat was niet alleen effectief op een aantal punten aan verbetering toe, maar er was ook geen orde, er was geen systeem, we hadden zelfs geen inventaris van de gebouwen. Ik kwam daar aan en vroeg om een beeld te schetsen van de toestand. Ik wist niet waar we eerst konden investeren. Dat weten we nu wel. We hebben een monitor, we weten waar we moeten investeren. Deze regering is de eerste regering die 54 miljoen euro aan klimaatmiddelen vrijmaakt om de toestand van de scholen te verbeteren. Dat is een schitterende zaak.

Bovendien – deze morgen kon ik het niet zeggen omdat ik een zwak momentje had – heeft de Federale Regering de btw verlaagd van 21 naar 6 procent. Elk jaar levert dat tientallen miljoenen euro’s extra op, niet alleen voor ons, maar ook voor de scholen die investeringen doen omdat ze plots maar 6 procent meer kwijt zijn, terwijl ze normaal een vijfde kwijt zijn aan de btw. U maakt daar allemaal geen melding van.

Plus dan nog de middelen van de federale taxshift. Scholen hebben daar ook voordelen bij. We ramen dat op ongeveer 10 miljoen euro per jaar. U moet eerlijk zijn als u vergelijkingen maakt. En ja, er zijn nog extra middelen nodig, maar neen, deze regering beknibbelt niet zomaar. Wat we afhouden, is een beetje minder op meer, maar het totale plaatje blijft meer dan een half miljard euro meer in twee jaar. Nog nooit is er zoveel geïnvesteerd in scholenbouw. (Rumoer)

Voorzitter, maak u geen zorgen, er zal me niets meer overkomen. Ik heb groene thee gedronken en alles is in orde met mij. Blijkbaar is groene thee gezond.

Ten slotte, de vorige regering heeft geïnvesteerd in capaciteitsmiddelen. Dat is een zeer goede zaak. Twee jaar geleden vroeg ik me af waar die nieuw gebouwde lokalen en scholen waren. We wisten het niet. We hebben het allemaal op poten moeten zetten. Het is gebeurd. We monitoren nu en samen met u zal ik de vinger aan de pols houden. Maar als u hier komt zeggen dat het allemaal kommer en kwel is, dan ben ik het daar absoluut niet mee eens. (Applaus bij de meerderheid)

Minister, ik kom niet zeggen dat het allemaal kommer en kwel is. Ik kom wel zeggen dat het misplaatst is van de Vlaamse Regering en van de leden van de meerderheid die hier spreken, om te zeggen dat dit een investeringsregering is, dat het onderwijs wordt ontzien, dat we niet besparen op onderwijs. Neen, er zijn grote noden in het onderwijs, nood aan werkingsmiddelen, en ook nog steeds aan infrastructuur. De wachtlijsten zijn lang.

Ja, minister, u hebt de capaciteitsnoden in kaart gebracht. Chapeau daarvoor, want dat was hoognodig. U hebt ook – daarin bent u de eerste als minister – een langetermijnplanning op poten gezet. Maar de extra middelen zullen onvoldoende zijn om ervoor te zorgen dat elk kind in de grootsteden een plek heeft op school. Mag ik dan als lid van de oppositie aan de alarmbel trekken omdat ik zeg dat nog niet elk kind een plek zal hebben op school in onze grootsteden? We willen kleuters naar de school krijgen, maar in Antwerpen kunnen ze zich niet inschrijven want er is geen plaats.

Als ik dat niet zou aankaarten als oppositielid, dan zou u me mogen beschuldigen van schuldig verzuim. Het is mijn taak om te zeggen dat we er in Vlaanderen voor moeten zorgen dat elk kind een plek heeft op school. Dat probeer ik aan te kaarten en daarom probeer ik hier te zeggen dat we niet verder mogen besparen op onderwijs, integendeel, er zijn nog investeringen nodig. Vooral ook omdat we in een veranderende samenleving zitten. De heer Somers heeft het zo mooi gezegd: we zitten in een superdiverse samenleving, we moeten inzetten op weggaan van de segregatie en op het meekrijgen van alle mensen. Dan is het schrijnend dat 17 procent van onze 15-jarigen geen basisniveau heeft op het vlak van wetenschappen en wiskunde, en dat dat vooral wordt bepaald door hun achtergrond, door een migratieachtergrond en doordat ze opgroeien in kwetsbare gezinnen.

Het is dus een absolute oproep aan en een taak van deze Vlaamse Regering: er moet een pact komen dat volop inzet op gelijke kansen. Ingrepen zijn broodnodig, maar het is halftime, de wedstrijd is voor de helft gespeeld. Directeurs en leerkrachten zien dat ook en ze zien dat sommige zaken stokken en niet vooruitgaan. Wat is dat dan? Dat zijn de broodnodige investeringen in het kleuteronderwijs. Er komt een allesomvattend plan voor het basisonderwijs, maar plannen en conceptnota’s zitten er veel in uw schuif, minister. Er is geen Inschrijvingsdecreet dat de segregatie zal tegengaan. Dat is er niet, het zit muurvast in de Vlaamse Regering. De hervorming van het secundair onderwijs, tso en bso, verder ondersteunen, maatwerk, het zit muurvast en geraakt niet vooruit. Het lerarenloopbaanpact, de CLB’s, de ondersteuning voor het M-decreet zijn een absolute noodzaak.

Dus minister, u hebt verschrikkelijk veel werk op uw plank. Grote dossiers moeten vooruitgaan, u bent een meesterlijke communicator, maar het is tijd voor actie. (Applaus bij Groen en sp.a)

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik heb al heel aandachtig geluisterd, en we zijn hier toch soms een beetje naast de kwestie aan het discussiëren. De vraag die we ons hier vandaag eigenlijk moeten stellen, is immers hoe we de middelen van Onderwijs gaan besteden. Gaan we die gebruiken om onze kinderen en onze leerkrachten de nodige ondersteuning te geven, zodat ze goed presteren, of gaan we ze gebruiken om de leerkrachten te betalen die thuiszitten met een burn-out? Om te vermijden dat het dat laatste wordt, spelen twee factoren een heel belangrijke rol: onze waardering voor het basisonderwijs en de zorg voor ieder kind. En dan gaat het niet alleen om de kinderen met een specifieke onderwijsbehoefte, maar om alle kinderen van de klas.

We hebben inderdaad het M-decreet, maar soms lijkt het alsof we de beperkingen van de leerlingen doorschuiven naar de beperkingen van leerkracht en school. Als we niet oppassen, hebben we binnenkort een M-decreet nodig voor onze leerkrachten. Nochtans investeren we wel, mevrouw Meuleman. We investeren heel veel. We investeren 326 miljoen euro in interne zorg, pedagogische begeleiding en leerlingenbegeleiding. Daarnaast investeren we in geïntegreerd onderwijs en inclusief onderwijs. We investeren ook 916,7 miljoen euro in het buitengewoon onderwijs, onderwijs dat vandaag nodig is en ook nodig zal blijven.

Blijkbaar komen die middelen in het gewone onderwijs echter nog niet altijd terecht op de plaats waar wij dat graag willen, namelijk bij die leerling en bij die leraar. Daarom ijvert de N-VA voor een rugzakje, dat waarborgt dat elke leerling de ondersteuning kan krijgen die hij of zij nodig heeft. We pleiten dus voor een financiering van leerlinggebonden begeleiding en een financiering voor begeleiding op het niveau van de leerkracht. Naast de kinderen met specifieke onderwijsbehoeften zijn er immers ook kinderen die het gewoon goed doen in het onderwijs, en ook zij hebben recht op een leerkracht die er voor hen is. Zij hebben die óók nodig. Daarom is het van belang dat we blijven investeren in dat basisonderwijs, in het lager en het kleuteronderwijs. We weten immers allemaal dat het basisonderwijs zorgt voor succes in de latere schoolloopbaan, in het secundair en het hoger onderwijs. We hebben het al heel dikwijls gezegd: dat is gewoon de waardevolle successleutel.

We doen dat echter ook. We investeren ook. We investeren in de werkingsmiddelen voor het basisonderwijs. In 2017 stijgen die met 3,4 miljoen euro. Dat is niet niets. Dat moet inderdaad worden gezocht, maar dat is er wel.

We vinden ook dat er werk moet worden gemaakt van een ondersteuning voor het basisonderwijs. We moeten er echter vooral voor zorgen dat we zo veel mogelijk binnen de huidige middelen onderwijs bieden voor onze kinderen, met aandacht voor ieder kind, met aandacht voor iedere leerkracht en aandacht voor iedere directeur. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, er is ondertussen al heel veel gezegd. Ter voorbereiding van dit betoog heb ik het verslag van de twee verslaggevers, collega Gennez en collega Daniëls, er goed op nagelezen. Dat verslag is in elk geval correct. We hebben vandaag de discussie al gevoerd over wat juiste informatie is en wat eigenlijk geen juiste informatie is. Ik wil om te beginnen sterk benadrukken dat het niet vanzelfsprekend is dat die openendfinanciering er is. Voor alle duidelijkheid, we willen die absoluut niet in vraag stellen, maar tijdens de bespreking in de commissie hebben we ook kunnen vaststellen dat die wel in vraag werd gesteld en dat men er ook van uitging dat dat een evidentie is, wat het niet mag zijn.

Mevrouw Meuleman, straks komen nog andere ministers aan bod die kinderen en jongeren zelf ook kansen aanbieden tijdens hun vrije tijd of in de zorg. U kunt hen vragen of ze met een openendfinanciering werken en hoe evident dit allemaal is. Ze zullen u een duidelijk antwoord op die vraag geven. Als er meer jongeren zijn die zorg nodig hebben, stijgen de middelen niet automatisch. In het onderwijs is dat wel het geval. Dat mag hier worden benadrukt.

Dit leidt ertoe dat in 2017 duizend bijkomende leerkrachten in het onderwijs aan de slag kunnen. U vindt steeds dat er meer leerkrachten voor de klas moeten staan. In 2017 zullen duizend leerkrachten meer in het onderwijs kunnen werken. Ik vind het de moeite dit punt hier duidelijk aan bod te brengen.

Een laatste krachtig element in deze begroting houdt in dat de Vlaamse Regering bijkomende inspanningen voor het hoger onderwijs levert. De hogescholen en de universiteiten waarderen ten zeerste dat het kliksysteem opnieuw van toepassing is en dat in middelen voor het groeipad wordt voorzien. Ik wil dat hier zeker en vast onderstrepen.

We hopen dat in de toekomst bijkomend op het onderwijs kan worden ingezet. Onze prioritaire voorkeur gaat ernaar uit dit te doen in het basisonderwijs. Zoals mevrouw Krekels al heeft vermeld, geven we er de voorkeur aan op het kleuteronderwijs in te zetten.

We weten allemaal dat we zo snel mogelijk moeten kunnen evolueren naar een gelijkschakeling van de financiering voor het kleuteronderwijs en het lager onderwijs. Indien de middelen er zijn om op dat vlak een stap vooruit te zetten, mag dat voor ons als prioriteit voor de toekomst worden vooropgesteld.

Het klopt immers dat de remediëring op zeer jonge leeftijd veel sterker dan op latere leeftijd kan worden gerealiseerd. Het is dan ook van groot belang voor alle kinderen die in moeilijke omstandigheden opgroeien dat ze op zeer jonge leeftijd een goede ondersteuning kunnen krijgen.

We vinden het zeer goed dat opnieuw in middelen wordt voorzien om de gevolgen van de vluchtelingencrisis op te vangen. Dat geldt zowel voor het leerplichtonderwijs als voor het volwassenenonderwijs. Wat het volwassenenonderwijs betreft, zijn we zeer tevreden dat wordt nagegaan of in de toekomst structureel in die middelen kan worden voorzien. Wat ons betreft, mag dit ook met betrekking tot het kleuteronderwijs worden nagegaan.

Minister, wat de middelen betreft waarin is voorzien om de leerlingen met ondersteuningsbehoeften in het onderwijs te ondersteunen, vinden we de contextuele benadering zeer positief. Het is zeker even belangrijk een bundeling van de middelen tot stand te brengen. Op die manier kunnen ook de krachten worden gebundeld en op een zeer professionele wijze worden ingezet.

U hebt voor volgend jaar veel werk op de plank liggen. U hebt vijftien ontwerpen van decreet aangekondigd. We zijn ervan overtuigd dat u de juiste keuzes maakt. We zullen onze schouders mee zetten onder het beleid dat u voert. U hebt vertrouwen in de kracht van het onderwijsveld, maar u biedt ook ondersteuning daar waar gelijke kansen moeten worden geboden. (Applaus bij CD&V)

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, in eerste instantie wil mijn fractie de Vlaamse Regering bedanken voor een aantal maatregelen in verband met het hoger onderwijs. U hebt gezorgd voor een eerste compensatie van de hogere socialezekerheidsbijdragen die de privaatrechtelijke instellingen betalen. Dat is een goede zaak. De herinvoering van de klik in het hoger onderwijs is ook een zeer goede zaak. Hoewel dit in deze budgettair moeilijke tijden geen evidentie is, volgt de financiering van het hoger onderwijs op deze manier de groei van het aantal studenten. Verder is het budget voor studentenmobiliteit met 600.000 euro verhoogd. Dit komt bovenop het bedrag van 2,1 miljoen euro dat reeds aan studentenmobiliteit wordt besteed. Dit zorgt ervoor dat jongeren meer kansen krijgen om de wereld te verkennen.

Last but not least, er zijn de budgetten voor de ontwikkeling van de oriëntatieproef, voor instrumenten inzake de studiekeuzebegeleiding en voor initiatieven binnen de lerarenopleiding. Uit krantenberichten vandaag bleek nogmaals dat die hervorming van de lerarenopleiding noodzakelijk is. Het is een zeer goede zaak dat daar de nodige middelen aan besteed worden. Sta mij toe het belang van deze initiatieven te onderstrepen. Als we jongeren sneller en beter kunnen oriënteren binnen het hoger onderwijs en hun talenten ten volle kunnen laten benutten, dan is dat een zeer belangrijke langetermijninvestering. Tegelijk is het ook een goede besparing voor de Vlaamse overheid, voor de ouders en jongeren zelf. De studieduurvertraging kost ons heel veel geld. Het is dus goed dat deze regering werk maakt tijdens deze legislatuur van instrumenten die de studiekeuze verbeteren. Het is dan ook logisch dat de minister het voornemen heeft om de studievoortgang beter te laten onderzoeken en dat universiteiten en hogescholen sterker zullen inzetten op de studievoortgangsbewaking.

Ik wil een aantal bedenkingen maken bij een van de belangrijkste dossiers voor deze legislatuur. Een van uw belangrijkste uitdagingen, minister, is het loopbaanpact. Het staat voor onze fractie buiten kijf dat een ambitieus loopbaanpact noodzakelijk is. Het moet een pact zijn met een reeks doortastende maatregelen. We zijn tevreden dat de Vlaamse Regering sterk wil inzetten op aanvangsbegeleiding en professionalisering. Zo blijkt ook uit antwoorden op recente vragen om uitleg, maar koken kost geld. Er zullen ingrepen nodig zijn, zoals het verhogen van de noemers of het verminderen van het aantal lestijden om de financiële middelen vrij te maken waarmee we de noodzakelijke aanvangsbegeleiding en professionalisering kunnen betalen. Hebben we die middelen niet, dan zullen zowel de aanvangsbegeleiding als de professionalisering een beetje te mager uitvallen. Dat willen we niet. We merken dat een versterking op dat punt nodig is.

We zien ook nog vanuit onze fractie twee andere essentiële initiatieven die een plaats moeten krijgen in dat lerarenloopbaanpact. Ten eerste moet er aandacht komen voor de zijinstromers, zoals vorige week is aangebracht in de commissie Onderwijs. We moeten zijinstroom stimuleren, belonen, waarderen en aan zijinstromers aanvangsbegeleiding en professionalisering op maat geven, zoals we dat doen voor de jonge starters.

Een laatste punt – wat mij betreft een conditio sine qua non voor een geslaagd lerarenloopbaanpact – is de versterking van de directies. Scholen zijn maar zo sterk als hun beleidsvoerend vermogen. Het is nodig om de leerkrachten – als we erin slagen om er meerdere te rekruteren – beter op te leiden met een hervormde lerarenopleiding, om hun meer aanvangsbegeleiding en meer professionalisering te geven. Het is nodig dat de leerkrachten in goede banen worden geleid en beter worden aangestuurd door directies die terdege zijn voorbereid. Het is belangrijk om de directies beter op te leiden dan vandaag het geval is. Ook voor deze functie in ons onderwijs moeten we meer zijinstromers aantrekken. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Soens heeft het woord.

Voorzitter, minister, dames en heren, de hogescholen voeren al enkele maanden campagne onder de noemer ‘want wij zijn het waard’. Bij de begroting die vandaag voorligt, weten we wat ze voor deze meerderheid waard zijn. Helaas is dat niet zo heel erg veel.

De afgelopen twee jaar hebt u 80 miljoen euro bespaard op de hogescholen en de universiteiten. De afgelopen twee jaar hebt u 80 miljoen euro bespaard op het personeel van de hogescholen en de universiteiten. Minister, u hebt als minister van Onderwijs de voorbije twee jaar 80 miljoen euro bespaard op de studenten en hun ouders.

Ja, u geeft daar in deze begroting een deeltje van terug, een pleister ter grootte van een postzegel. De extra investering waarover u spreekt, heette onder de vorige regering gewoon standaardbeleid. Het is toch maar een evidentie – en dat woord is hier de laatste tijd al heel veel gevallen – dat als het aantal studenten stijgt, de middelen voor de hogescholen en de universiteiten gewoon volgen. Dat zijn voor ons geen extra investeringen. Dat is gewoon meer dan logisch. De besparingen die u de voorbije jaren op Onderwijs hebt doorgevoerd, zijn nefast. Het is een politiek van slaan en zalven, maar na de harde klappen geeft u ze minder terug dan u eerst genomen hebt.

In uw beleidsnota onderstreepte u het belang van onderwijs. Niet alleen de economische opbrengsten van goed onderwijs – elke euro die in onderwijs wordt geïnvesteerd brengt later vier euro op – maar ook de sociale opbrengsten van goed onderwijs zette u toen in de spotlights. Dat siert u, maar het zou u nog meer sieren als dat ook uit uw begroting en uit uw beleid zou blijken. We weten dat studenten met een migratieachtergrond, studenten met een handicap, studenten wier ouders geen hogeronderwijsdiploma hebben, nog veel te weinig doorstromen naar het hoger onderwijs. Als ze daar al geraken, eindigen ze nog te vaak zonder diploma. Helaas heb ik de voorbije twee jaar maar weinig initiatieven gezien, maar weinig middelen gezien om die jongeren ook een kans te geven in het hoger onderwijs.

Minister, het is stilaan tijd voor mijn nieuwjaarswensen aan u en aan uw meerderheid. Ik wens u de komende twee jaar nog wat meer ambitie om ook die jongeren die vandaag nog te vaak afhaken, onderweg ook mee te krijgen.

Ann Brusseel (Open Vld)

Mevrouw Soens, ik heb een vraag aan u. U zegt dat vanuit bepaalde groepen te weinig studenten doorstromen naar het hoger onderwijs. Waarom denkt u dat dat op te lossen valt met meer middelen voor hoger onderwijs? Misschien kunt u daar wat meer uitleg over geven. Dat lijkt me toch wel een heel bizarre redenering. Als iemand het niet goed doet als leerling in het secundair, is dat dan op te lossen met meer middelen voor het hoger onderwijs? Leg dat eens uit.

Het begint natuurlijk bij een goede oriëntering. Daar hebben we de oriënteringsproef voor. Ten tweede, vroeger bestond er zoiets als het Aanmoedingsfonds. Dat is ondertussen afgeschaft. Het had voor- en nadelen, maar er waren tenminste middelen waarbij de universiteiten en hogescholen moesten inzetten op het bereiken van een aantal kansengroepen. We zien dat dat vandaag nog te weinig gebeurt.

Ann Brusseel (Open Vld)

U herinnert zich wellicht nog hoeveel er in dat Aanmoedingsfonds zat. Leek u dat echt voldoende om de sociale mobiliteit die er volgens u zou moeten zijn, te bewerkstelligen aan al onze instellingen van hoger onderwijs of denkt u niet dat het beter is het geld in te zetten waar het het meest rendeert?

Erop besparen zou sowieso niet hebben geholpen.

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Dit academiejaar is de hervormde professionele bacheloropleiding verpleegkunde van start gegaan. Het gaat om een grote verandering: van 180 naar 240 studiepunten. De minister gaf reeds eerder aan dat alle hogescholen hun curriculum hebben aangepast en dat één jaar langer studeren de studenten niet bleek af te schrikken. Dit academiejaar zien we immers geen daling in het aantal ingeschreven studenten, dus een heel positieve start. In dezen ben ik wel benieuwd naar de verhouding generatiestudenten en het aantal studenten dat kiest voor de brugopleiding verpleegkunde, maar ik wacht uw antwoorden geduldig af.

Voor de hbo5-opleiding verpleegkunde loopt nog onderzoek naar hoe de leerladder duidelijker kan worden ingevuld. Onze fractie wil graag het belang van het behoud van de hbo5-opleiding verpleegkunde benadrukken, met een duidelijke differentiatie tussen de hbo5-opleidingen en de bacheloropleiding verpleegkunde: de verpleegkundigen op niveau 5 en de bachelors op niveau 6. Wij willen geenszins dat de hbo5-opleiding een ‘bachelor light’ wordt. Dit is in het belang van de studenten, maar zeker ook van het werkveld, de werkgevers, de werknemers en de patiënten.

In dit debat dienen we, naast de verpleegkundigen, ook de nodige aandacht te hebben voor de verzorgenden en de zorgkundigen. Beide opleidingen hebben een eigen concrete invulling. We mogen die echt niet vergeten.

Minister, het is belangrijk en goed dat u grondig en regelmatig overlegt met minister Vandeurzen en met uw federale collega, minister De Block, bevoegd voor de volksgezondheid, niet het minst bij de uitwerking van de contractstages. Want Vlaanderen moet zoeken naar een sluitende oplossing. Aangezien dit debat over de zorgopleidingen verschillende domeinen en bevoegdheden aanbelangt, is samenwerking in dezen van belang om tot die sluitende oplossing te komen.

Ik dank u.

De heer De Meyer heeft het woord.

Voorzitter, om geen seconde van mijn drie minuten te verliezen, spreek ik vanop mijn plaats.

Minister, collega’s, toen de Vlaamse Regering bij het begin van deze bestuursperiode aankondigde dat een van haar topprioriteiten inzake onderwijs het aanpakken van de infrastructuuruitdaging was, konden we in dit halfrond helaas rekenen op een aantal meewarige reacties. 

Wel, collega’s, nu de begroting 2017 voorligt, en als we de inspanningen in 2018 en 2019 doortrekken en nog een tandje bij steken, ligt de doelstelling binnen handbereik. En dan moeten we, volgens onze berekening, nog geen beroep doen op de bijkomende mogelijkheden die via de btw-verlaging of het Klimaatfonds in ons onderwijs kunnen worden ingezet.

Het masterplan Scholenbouw heeft geleid tot een daadkrachtige aanpak en onmiddellijke actie. Ik noem enkele initiatieven. Eén, het substantieel verminderen van het aantal afwijkende subsidieprocedures en uitzonderingsmaatregelen waardoor een groter deel van het budget kan worden besteed aan de gewone wachtlijstdossiers. Twee, de doortastende manier waarop de Vlaamse Regering de btw-verlaging heeft vertaald:  jaarlijks 10,6 miljoen euro extra voor bouw en vernieuwing van scholen, met name een verlaging bij al goedgekeurde dossiers; jaarlijks 33 miljoen euro extra voor bijkomende projecten, bovenop de winst voor scholen zelf van 13 miljoen euro; inzetten van extra middelen in het kader van de capaciteitsuitdaging. Drie, het ontwikkelen van een nieuwe pps-operatie, met een investeringsbudget van 300 miljoen euro. Vier, het uitbreiden van het systeem van huursubsidies waardoor nu elke school in Vlaanderen en Brussel dat kan. Vijf, het opzetten van pilootprojecten waarbij, met het oog op een meer multifunctioneel gebruik, op zoek wordt gegaan naar concrete oplossingen om bestaande sportaccommodatie in de scholen open te zetten.

Daarbovenop is er de nodige en gewenste evolutie om de capaciteitsuitdaging in de toekomst beter en meer structureel te kunnen aanpakken en om de middelen doeltreffend in te zetten. Ik verwijs naar de wetenschappelijke en objectief onderbouwde capaciteitsmonitor schoolinfrastructuur leerplichtonderwijs die de Vlaamse overheid heeft laten ontwikkelen; het gemeenschappelijke engagement van de Vlaamse overheid, lokale besturen en schoolbesturen; de schoolbesturen die voor een verdere verfijning en concretisering van de data zorgen door hun eigen situatie in beeld te brengen en lokale werkgroepen ter beschikking te stellen en, ten slotte, de lokale werkgroepen schoolcapaciteit die in onze steden en gemeenten actief zijn en vanuit een grote bekendheid met het eigen onderwijsveld projecten voorstellen.

Voorzitter, collega’s, ook hier noteren we een trendbreuk die zich uit in een daadkracht die de volgende jaren onverminderd zal worden voortgezet om ook andere elementen uit het masterplan in de praktijk om te zetten. We kunnen niet anders dan hiervoor onze uitdrukkelijke steun en appreciatie uitspreken. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, u weet intussen al dat ik een heel groot hart heb voor het basisonderwijs. Zoals reeds meermaals gemeld, ook in de commissie tijdens de bespreking van onze beleidsbrieven, zijn wij, net als de vele leerkrachten en directies waarmee ik het voorbije anderhalf jaar heel veel gesprekken heb gevoerd, nogal teleurgesteld met wat er op tafel ligt.

We hebben daarover vanmorgen en daarnet al uitvoerig gedebatteerd. Daarom zal ik mijn betoog beperken tot een drietal korte insteken, waarvan ik heel goed weet dat het werkveld ervan wakker ligt en er zich ongerust over maakt naar de toekomst toe. In het belang van onze kinderen zullen wij daaraan veel aandacht moeten besteden. 

Wanneer komt er een ruimer en evenwichtiger kader in het basisonderwijs zodat directies eindelijk de ruimte krijgen om hun school echt te leiden? Op dit moment heeft nog altijd een op zes directeurs een lesopdracht. In het basisonderwijs worden zij nog dagelijks geconfronteerd met een gebrek aan administratieve ondersteuning. In kleinere scholen hebben ze een lager loon en krijgen ze vaker te maken met burn-outs. Er is nog altijd geen decretale regeling voor coördinerende directies in basisscholen.

Daarnaast was ik toch ook ontgoocheld toen ik de bedragen voor vorming en professionalisering zag. In onze commissie gaat er geen dag voorbij dat we het niet hebben over het belang van het beleidsvoerend vermogen van onze scholen. Een goede professionele opleiding van directeurs is cruciaal, niet alleen voor de directie zelf maar ook voor de leerkrachten en voor de kinderen, en daar gaat het uiteindelijk toch om.

Ik kijk ook heel hard uit naar een strategisch plan basisonderwijs en naar het lerarenloopbaanpact, in het bijzonder inzake het thema ‘schoolleider’, dat op vraag van de sociale partners is toegevoegd. Want sterke directies die goed omkaderd worden, zijn essentieel voor een gezond personeelsbeleid. Daarmee staat of valt ook in grote mate de aantrekkelijkheid van hun beroep: sterke opleiding, sterke nascholing in het belang van de leerkrachten maar vooral in het belang van de kinderen.

Minister, ik sluit af met een positieve noot. Het schonk me toch enig plezier te lezen dat u een idee hebt opgepikt dat ik tijdens het voorbije parlementaire jaar heb voorgesteld, namelijk het inschakelen van ervaringsdeskundigen inzake armoedebeleid. Ik kijk alvast uit naar de rapportage hierover. We moeten nog altijd eens samen op bezoek bij een school in Oostende die daar de afgelopen jaren al heel hard op heeft ingezet. (Applaus bij sp.a)

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, we hebben al veel gesproken over de centen in Onderwijs en uiteraard is dat belangrijk maar onderwijs gaat natuurlijk niet alleen over geld maar ook over wat daarmee gebeurt: hoe kunnen we de middelen die er zijn op een efficiënte manier inzetten?

Ik verwijs naar de niet-bindende toelatingsproef voor de lerarenopleiding. Een leerkracht beïnvloedt in zijn of haar carrière duizend leerlingen. Lerarenopleidingen zijn geen tovenaars, zij moeten werken met de instroom die er is. Wanneer ik vandaag vaststel dat 30 procent het basisniveau Nederlands niet haalt binnen de lerarenopleiding en dat 35 procent het basisniveau wiskunde niet haalt binnen de lerarenopleiding, dan maak ik me zorgen over die leerkrachten en over de uitstroom. We moeten dan ook verder inzetten op het verhogen van de efficiëntie van ons hoger onderwijs. Mevrouw Brusseel heeft al verwezen naar de oriënteringsproeven op het eind van het secundair onderwijs. Collega’s, weet u wat het ouders, de belastingbetaler en de studenten zelf kost wanneer die studenten jarenlang in het hoger onderwijs aanmodderen om na 4, 5 of 6 jaar te moeten vaststellen dat ze geen diploma halen? Het is een gigantisch hoge kost om dan nog een andere studierichting te beginnen. We moeten dan ook inzetten op een snellere heroriëntering, waardoor het belastinggeld en het geld van de ouders efficiënter wordt ingezet.

In het hoger onderwijs wordt 25,4 miljoen euro uitgetrokken voor het klikmechanisme en 10 miljoen euro extra voor de middelen voor projectmatig wetenschappelijk onderzoek (PWO). Wanneer we spreken over het efficiënt inzetten van de middelen, dan moeten die middelen volgens de N-VA vooral in de klas bij de leerkracht terechtkomen. Daar gebeurt het immers, daar kunnen we met leerlingen aan de slag en leerwinst boeken.

Ik zei vanmorgen dat ons onderwijs een van de duurste van Europa is. In een aantal zaken slagen we niet, ik verwijs daarvoor naar de resultaten van het PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment). De groep sterkste presteerders gaat achteruit en wordt kleiner en de groep laagpresteerders wordt groter. We slagen er blijkbaar niet in om ze allemaal aan de top te houden of om de zwakste groep naar boven te trekken.

Wel, collega’s, dan moeten we bekijken of al die middelen die we inzetten, goed werken. Als N-VA zijn wij ervan overtuigd dat dat in de klas en in de school is. We kunnen allerlei structuren blijven oprichten om te ondersteunen. Ik heb eens opgeteld wat er allemaal aan ondersteuning is. Een leerkracht zei het mij afgelopen maandag zeer mooi: ‘Als alle ondersteuners in mijn klas zouden zijn, krijgt elk kind in mijn klas individueel onderwijs. Alleen zijn ze niet allemaal individueel in mijn klas. Meer zelfs, ik weet van sommige niet wie ze zijn.’

Een ander issue dat ik toch nog even wil aankaarten, is de schoolinfrastructuur. Er werd hier net gezegd dat directeurs met hun kinderen in de kou staan. Dat zou fysiek juist kunnen zijn geweest, als deze Vlaamse Regering niet keihard zou hebben ingezet op schoolinfrastructuur, om elk kind een plaats te geven, en niet zomaar een plaats, maar ook een degelijke plaats. Door de verlaging van de btw van 21 naar 6 procent hebben we 17 projecten extra scholenbouw kunnen inzetten. Ook dat is de realiteit. Ook dat is iets wat directeurs en leerkrachten vragen om te kunnen doen.

Afsluitend wil ik nog verwijzen naar de prioriteiten die we in ons onderwijs moeten stellen: een stevige opleiding van onze leerkrachten, dat we de ambities hoog leggen met zeer duidelijke eindtermen, en dat we inzetten op inhoud – want daar gaat het over – en niet op allerlei structuren, want die kosten geld. Ik dank u. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Celis heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, sta mij toe binnen de paar minuten die ik toegemeten krijg, kort stil te staan bij vier items die mij bijzonder nauw aan het hart liggen.

Ten eerste: het volwassenenonderwijs. Een op de zeven volwassenen ondervindt nog steeds problemen met verschillende vormen van geletterdheid. Het gaat over lezen en schrijven, rekenen, informatie verwerken en met digitale tools werken. Onze centra voor volwassenenonderwijs en basiseducatie spelen dan ook een cruciale maatschappelijke rol in onze strijd om de laaggeletterdheid terug te dringen.

Op dit moment ligt er een belangrijke oefening op tafel die een grote impact heeft op het werkveld. Collega’s, het is cruciaal dat we erover waken dat het volwassenenonderwijs en het hbo5 tijdens en na deze oefening hun eigenheid kunnen blijven bewaren en versterkt worden in het uitoefenen van hun kerntaken.

Ik apprecieer het bijzonder, minister, dat er ook in dit begrotingsjaar opnieuw middelen worden vrijgemaakt om projecten te ondersteunen die volwassenen kunnen toeleiden naar kwaliteitsvolle volwasseneneducatie. Ik denk dan maar aan de financiële ondersteuning van het GOAL-project (Guidance and Orientation for Adult Learners), dat in samenwerking met Erasmus+ wordt uitgerold.

Een tweede punt betreft de geletterdheid, en dan meer bepaald de digitale geletterdheid. Het is niet alleen een grote uitdaging voor het volwassenenonderwijs, maar ook voor het leerplichtonderwijs. We beleven boeiende tijden, waarin digitale middelen aan een razendsnel tempo een vast onderdeel vormen van ons leven. Het is een evolutie die ook volop bezig is in alle geledingen van ons onderwijs, waarbij leerkrachten steeds meer hun lespraktijk weten te versterken aan de hand van innovatief leermateriaal. Het is een beweging die we als Vlaams Parlement moeten blijven ondersteunen en stimuleren. Dat digitale tools een groot enthousiasme teweegbrengen op het onderwijsveld, bewijst ook het succes van KlasCement, een platform dat ondertussen 100.000 leden telt. Die leden delen dan weer 46.000 leermiddelen.

Een derde punt betreft het psychosociale welzijn van onderwijspersoneel. Leerkracht of directeur zijn vereist een enorm groot fysiek en mentaal engagement. Daarbovenop komt nog eens de verhoogde druk van de ouders, soms de onderwaardering van het beroep en de grote druk van de gemeenschap om alle maatschappelijke problematieken op te lossen. Onze fractie is dan ook bijzonder tevreden dat er in een budget wordt voorzien van 124.000 euro, specifiek voor de professionalisering van schoolbesturen, iets waar we vanuit de N-VA al lang voor ijveren.

Tot slot wil ik heel kort stilstaan bij het deeltijds kunstonderwijs. We weten dat er een dringende nood is aan vernieuwing, versterking en vereenvoudiging. We zijn dan ook zeer blij dat er een vernieuwingsoperatie aan de gang is. We kijken uit naar de resultaten van de talrijke geslaagde pilootprojecten uit het recente verleden, die aantoonden dat onze academies klaar zijn om vanuit hun traditie de uitdagingen van de 21e eeuw aan te gaan. Ik dank u. (Applaus)

De heer Cordy heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, momenteel behaalt in het hoger onderwijs amper 30 procent van de studenten een bachelordiploma binnen een modeltraject van drie jaar. Acht jaar geleden was dat nog 40 procent. De verlenging van de studieduur en de daling van de studie-efficiëntie is een nefast gevolg van de flexibilisering. Voor studenten betekent dit dat ze later dan gepland of uiteindelijk helemaal niet het beoogde bachelordiploma behalen. De ouders en de maatschappij betalen letterlijk de studiekosten.

Het Onderwijsdecreet XXV gaf de onderwijsinstellingen meer armslag om de studievoortgang beter te bewaken, maar we zien nu dat dit dreigt te leiden tot een plejade aan systemen om daaraan tegemoet te komen. In het ergste geval zou dit tot studieshopping kunnen leiden.

Voor de N-VA moeten de inspanningen om de studieduur niet uit de hand te laten lopen, beter op elkaar worden afgestemd en moet er een algemene maatregel worden uitgewerkt.

De N-VA is zeer tevreden met de extra middelen  – 600.000 euro – die deze regering vrijmaakt voor de studentenmobiliteit in het academiejaar 18-19. Het totaalbudget voor internationalisering komt daarmee op 4,4 miljoen euro. Een studieperiode in het buitenland blijft voor studenten de beste manier – nog meer dan anderstalige opleidingen in eigen land – om zich op een internationale loopbaan voor te bereiden.

Ik wil hier ook het belang van levenslang leren benadrukken. De tijd dat de initiële opleiding jongeren wapende voor een volledige carrière, ligt al lang achter ons. Om competitief te blijven, moet Vlaanderen blijven investeren in permanente opleiding.

En tot slot, minister, wil ik hier kort nog pleiten voor het verder op punt stellen van het Vlaams academisch bestand voor de sociale en humane wetenschappen. Dit bestand is een onmisbaar instrument om tot een betere valorisatie te komen van wetenschappelijke publicaties in het Nederlands, en dat geeft meteen de kans om een toekomst te verzekeren voor het Nederlands als wetenschapstaal. (Applaus bij de N-VA)

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, uit alle betogen leid ik af dat er een grote bezorgdheid is over de kwaliteit van het onderwijs. Het doet me ook plezier om te zien dat alle segmenten van het onderwijs bijna aan bod zijn gekomen in de betogen. Het is niet enkel gegaan over de budgetten. Ik erken dat het op peil houden van de budgetten natuurlijk een enorme uitdaging is, maar ik raad ook iedereen aan om het laatste OESO-rapport te lezen. Daarin staat dat men problemen niet oplost met een zak geld. We hebben ook een diepere analyse gevraagd. Als je de kwaliteit van het onderwijs wilt verbeteren, moet je ook kijken welke middelen je nu inzet en of we die niet beter kunnen inzetten.

OESO heeft vastgesteld dat Vlaanderen heel veel middelen inzet om de ongelijkheid tussen kinderen in Vlaanderen te bestrijden. Vlaanderen zet ook enorm veel middelen in om de taalachterstand weg te werken. Ondanks de inzet van al die middelen, zien we toch dat de resultaten nog niet voldoende zijn. We moeten nagaan hoe we die problemen kunnen aanpakken. Zomaar extra middelen geven, kan ik niet doen, en het betekent ook niet dat het zoveel beter zal worden.

Er zijn heel wat opmerkingen gemaakt over de inhoud. Ik onderscheid een aantal enorme uitdagingen. Ten eerste is er de ‘leraar van de toekomst’. Dat betekent investeren in de opleiding. Ik heb ook goed geluisterd naar alle collega’s die bemerkingen hebben gegeven op de resultaten van de instapproef. Ik zou toch willen vragen aan iedereen om het verslag te lezen van de discussie in de commissie van vorige week. Sommigen dachten dat de proef te gemakkelijk zou zijn als er te veel zouden slagen. Vandaag hoor ik dat het de schuld van het onderwijs is omdat ze niet allemaal slaagden. Ik vind dat een rare conclusie. Het is de allereerste keer dat er een test is voor jongeren die starten met een lerarenopleiding. Die test is bedoeld, niet om ze af te schrikken maar om ze te begeleiden in hun verdere loopbaan. Ze kunnen nog remediëren. Vandaag is het zo dat er van de tien jongeren die starten aan de opleiding, maar vijf afstuderen. Het is enorm spijtig dat de helft daarvan een andere keuze maakt in de loop van de opleiding. We moeten dus het studiekeuzeproces versterken voor iedereen trouwens die hoger onderwijs volgt.

Dat kunnen we doen via de oriënteringsproef, het is goed dat we voor alle opleidingen een instaptest maken om jongeren bij het begin van hun opleiding al te toetsen, zodat ze weten of dit is wat ze ervan verwachtten en of ze de juiste competenties hebben om te starten. We willen hen niet verplichten om een andere keuze te maken. Neen, voor mij geen bindende toelatingsproef, maar ik wil hen van bij het begin een goede toetssteen geven.

Naast de lerarenopleiding is er de lerarenloopbaan. Enkele collega’s hebben gewezen op het belang van het lerarenloopbaanpact – dat is terecht – en het werkbaar werk natuurlijk, om ervoor te zorgen dat het voor alle leerkrachten werkbaar blijft. Dit is niet alleen een zaak van budget, maar ook van goede arbeidsorganisatie.

Er zijn bijzonder veel vragen gesteld over het plan voor het lager en kleuteronderwijs. Mevrouw Meuleman, ik kan u geruststellen: het participatieplan kleuters is niet gelijk aan het plan basisonderwijs waar heel veel collega’s naar hebben verwezen. Het plan basisonderwijs komt eraan. Mijn brief aan de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) is vertrokken, want zij hebben een basisnota gemaakt met aandachtspunten; ik heb gevraagd om die nog een klein beetje te verdiepen om zo toch inhoudelijk aan de slag te kunnen. Ik vind dat ons basisonderwijs recht heeft op een eigen plan, je kunt het basisonderwijs niet beschouwen als een paar elementjes in het plan secundair onderwijs. Ik heb me daartoe geëngageerd en we zullen dat ook maken. Maar dat is ook niet alleen een budgettair plan, het is ook een inhoudelijk plan.

De modernisering van ons secundair onderwijs moet ook het komende jaar zijn beslag krijgen, zowel qua regelgeving als inhoudelijk als budgettair.

Er waren ook zeer veel vragen over ons hoger onderwijs. Ik wil toch onderstrepen, collega’s, dat ons hoger onderwijs enorm toegankelijk is. Jongeren kunnen voor een lage prijs een studierichting kiezen en ze hebben het recht om eens te falen. Het is niet zo, zoals in andere landen, dat we alles afhankelijk maken van het slagen voor een test. We willen dat in Vlaanderen zo houden. Voor wie denkt dat we niet investeren: 1,7 miljard euro gaat naar het hoger onderwijs.

Mevrouw Soens, we hebben de kliks teruggezet. Volgens u is dat een pleister op een houten been. Dat is helemaal niet juist. Die kliks terugzetten, betekent 25,4 miljoen euro die hogescholen en universiteiten krijgen omdat de leerlingenaantallen stijgen. We hebben een groeipad inzake de integratie ook gehonoreerd voor 14,5 miljoen euro, en – niemand heeft het opgemerkt – de middelen voor het praktijkgerichte wetenschappelijk onderzoek zijn gestegen – inderdaad, mijnheer Daniëls, dat is een bijzondere interesse van u – met 10 miljoen euro. Zo willen we hogescholen toelaten te investeren in jongeren die dat praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek willen beoefenen.

Bovendien hebben we zomaar uit het Klimaatfonds 8 miljoen euro gehaald. Minister Tommelein, ik kijk naar u, en ook naar mezelf, dat hebben we vorige week goedgekeurd. Ook de voorzitter van het parlement moet de begroting altijd goedkeuren, waarvoor dank. We gaan de hogescholengebouwen energiezuiniger maken. Dit zijn geen pleisters op een houten been.

Uw vraag over de basiseducatie, mevrouw Gennez, kan ik niet zo goed plaatsen. De middelen voor basiseducatie plannen we in functie van het aantal volwassenen die zich aanmelden. Dat is nu 10 miljoen euro voor 2017. Als er extra middelen nodig zijn, zullen we daarin voorzien. Daar is over onderhandeld met de sociale partners; iedereen is het erover eens. Neen, we willen hier helemaal niet op besparen, maar ik wil ook geen overschotten. Wie zich aandient, zal de kans krijgen om een opleiding te volgen.

Ik dank alle collega’s – en in het bijzonder mijnheer De Meyer – die altijd op diezelfde nagels blijven kloppen en nooit aarzelen om voor alle infrastructuurinvesteringen die we doen, hun appreciatie uit te spreken. Ook in deze budgettair uitdagende tijden doen we er alles aan om echte injecties te geven.

Als uitsmijter: ik was niet zo opgetogen over de uitspraken deze ochtend over mijn brief aan minister Van Overtveldt – ik heb er intussen met hem over gesproken – om voor giften aan onderwijsinstellingen een belastingverlaging toe te kennen. Collega’s, vinden jullie het zo normaal dat mensen die een gift doen aan een hogeschool, aan een universiteit, maar ook aan de Koning Boudewijnstichting, aan het Paleis voor Schone Kunsten, aan de Koninklijke Muntschouwburg, aan het Nationaal Orkest van België – dat zij allemaal deze schenkingen in mindering kunnen brengen van hun belastingen? Ik vind dat oké. Als het mogelijk is dat iemand een bijdrage doet aan scholen, zoals zo vaak gebeurt, dan vraag ik mij af waarom dat niet mogelijk is voor scholen. Draai het dus eens om. Als die mogelijkheid bestaat op zo’n brede wijze, waarom zouden we dat dan ook niet toestaan aan mensen die een gift doen aan het secundair onderwijs? Dat gaan afdoen als iets in de marge, lijkt mij toch echt wel een heel verkeerde interpretatie. Integendeel, ik denk dat wij hiervoor het volle respect moeten hebben. Minister Tommelein kan er niet voor zorgen. Het is onze bevoegdheid niet, we hebben het bekeken. Maar ik heb het al opgenomen met mijn federale collega’s. Ik moet wel zeggen dat de Federale Regering er toch met meer respect naar gekeken heeft of erover gesproken heeft dan wat ik hier vandaag van de collega’s van de oppositie heb gehoord. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Crevits, ik stel voor dat u nu een paar uur rust neemt en dan uw taken opnieuw opneemt. Ik zeg dat uit bezorgdheid. Dat meen ik dus. (Applaus)

Minister Hilde Crevits

Voorzitter, u bent mij nog niet kwijt, hoor. (Applaus bij CD&V)

Maar enfin, ik heb dat helemaal niet gezegd. Ik zou dat niet willen.

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

We gaan over naar het onderdeel Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

De heer Bertels heeft het woord.

Collega’s, ministers, voorzitter, ik voel me hier momenteel precies als een verzorgende, een verpleegkundige in een rusthuis. Zoals zij ook elke dag ervaren: er is zoveel te zeggen, zoveel te doen, er zijn zoveel uitdagingen. Maar, de chronometer voor mij loopt. Ik moet mij dus noodgedwongen beperken. Ik kan niet alles doen wat nuttig is, wat nodig is.

Minister, het spijtige is dat uw begroting zich in een gelijkaardige situatie bevindt. Zoveel te doen, zoveel uitdagingen om aan te gaan, zoveel investeringsnoden. Maar u beperkt zich tot bepaalde zaken. Niet noodgedwongen maar eerder vrijwillig – en dat is wel een verschil met die verzorgende verpleegkundige. Uw begroting, die wel enkele positieve aanzetten bevat, is voor sommige sectoren een soort vrijwillig minimum. Een ondergrens om weer een jaar door te komen. Maar ze bevat niet wat nodig is voor een warm Vlaanderen, wat minister-president Bourgeois daarnet nog als doelstelling noemde. Ze biedt geen perspectief, geen hoop, mijnheer Van den Heuvel, geen inspiratie, mijnheer Somers, aan verschillende welzijnssectoren, aan de medewerkers die dag in dag uit het beste van zichzelf willen geven om zorgbehoevenden het leven aangenaam te maken en bij te staan.

Ik geef twee voorbeelden. Er zijn er andere mogelijk.

Het eerste voorbeeld is de zorgzwaartefinanciering in onze woonzorgcentra. Net als wij, minister, komt u ook op het terrein. U weet dat de zorgzwaarte, en dus de werklast, in onze woonzorgcentra, sterk gestegen is. Uw eigen cijfers, of de MARA-studie (Model For Automatic Hospital Analysis) van Zorgnet-Icuro, bevestigen het. Het aantal zwaarzorgbehoevenden en het zorgprofiel van de bewoners zijn sterk toegenomen. Jaarlijks komen er ongeveer 1900 zwaarzorgbehoevenden bij. Meer zorg betekent meer personeel. U kent deze nood aan meer rvt-erkenningen (rust- en verzorgingstehuizen), aan meer financiering van zorgpersoneel. U kent de verhalen van de zorg met de chronometer. Dit is niet de zorg die wij wensen te geven aan onze ouders in voorkomend geval.

Om te bewerken dat residentiële zorg, die soms nodig is, kwaliteitsvol is, het beste is, betaalbaar is – denk aan de maximumfactuur – en toegankelijk blijft, moet u een perspectief bieden aan onze zorgbehoevende bejaarden en ook aan de actoren op het terrein. Er is nood aan een meerjarenplan inzake bijkomende rvt-erkenningen, aan een duurzaam perspectief voor een toegankelijke, kwalitatieve en betaalbare residentiële ouderenzorg.

Het tweede voorbeeld is de mantelzorg. We zijn het er allemaal over eens dat mantelzorg essentieel is in de zorgverlening, zowel voor de kwaliteit als voor de betaalbaarheid ervan. Het samenspel tussen mantelzorg en professionele zorg en thuiszorg moet worden versterkt. We moeten komen tot een echte parallelle zorg. Deze analyse is gemeengoed, maar ook hier biedt u de duizenden mantelzorgers in Vlaanderen geen perspectief, minister. U trekt geen concrete middelen uit om de draagkracht van onze mantelzorgers te versterken, terwijl die versterking nú nodig is. Ja, er is een mantelzorgplan, maar op een plan moeten concrete acties volgen, anders blijft het een plan op papier. Er is nu zelfs een voorstel van resolutie van de meerderheidspartijen tot verbetering van de ondersteuning van de mantelzorgers. Blijkbaar hebben onze collega’s ook niet veel vertrouwen in de concrete uitvoering van uw mantelzorgplan en is hun geduld ook te lang op de proef gesteld. Opnieuw vragen we dus een concreet perspectief.

Welzijn is een belangrijk bevoegdheidsdomein. Welzijn moet mee zorgen voor een warm, zorgzaam Vlaanderen, een Vlaanderen waarin ieder zijn of haar plaats heeft en volwaardig aan de samenleving kan deelnemen. U noemt 2017 zelf een beslissend kanteljaar, minister. Tot mijn spijt moet ik vaststellen dat een echte kanteling naar een warmer, zorgzamer Vlaanderen niet overal is ingezet. Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken. Wilt u niet – dat wil ik echt niet geloven – kunt u niet of mag u niet? (Applaus bij de sp.a)

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Collega’s, er is vandaag al een paar keer gesproken over de visie op 2040. Waar willen we naartoe, waar willen we over twintig of dertig jaar staan? Voor Welzijn draai ik de oefening een keertje om. Hoe zullen we over twintig of dertig jaar terugkijken op het welzijnsbeleid van vandaag? Hoe zullen we erop terugkijken dat ouderen in een rusthuis om zes uur in bed worden gestopt, omdat er in de avondploeg te weinig personeel is om hen op een menselijker uur in bed te helpen? Hoe zullen we erop terugkijken dat jonge meisjes in een cel overnachten, omdat er geen aangepaste hulp beschikbaar is? Hoe zullen we erop terugkijken dat mensen met een handicap een brief krijgen waarin staat dat ze inderdaad een handicap hebben, dat ze zorg nodig hebben en recht hebben op ondersteuning, maar dat er helaas geen budget is om die ondersteuning te bieden? Hoe zullen we erop terugkijken dat betogingen van de witte woede op een stille muur van ontkenning botsen?

Vermoedelijk zult u trots kunnen zijn op de inzet van de mensen die zorg verlenen. Trots op de professionelen, die dag in, dag uit de ziel uit hun lijf werken en ondanks zeven indexsprongen en een acuut personeelstekort toch alles op alles zetten om goed werk en kwaliteitsvolle zorg te leveren. U zult ook trots kunnen zijn op de vrijwillige zorgverleners, de mantelzorgers, die ondanks dat iedereen langer en harder moet werken, ondanks dat er geen echte ondersteuning voor mantelzorg komt, er wel dag in dag uit voor hun naasten staan.

Zult u ook trots kunnen zijn op deze begroting? Zult u ondanks alle mooie beloftes die werden gedaan, straks stemmen over een begroting die mensen die zorg nodig hebben, ook effectief zorg biedt? Nee. Er zijn inderdaad extra budgetten, maar hoe ver springen we daarmee? Voor kinderopvang is er 9 miljoen euro extra. In 2012 was er nog bijna 20 miljoen euro extra. Daarmee werden toen 1900 plaatsen gecreëerd en dat ligt ver af van de doelstelling van 17.500 plaatsen. Voor thuiszorg is er 14 miljoen euro extra. In het beste geval kunnen daarmee de eerdere besparingen worden teruggedraaid. Extra middelen voor jongeren met een psychische kwetsbaarheid? We moeten er in de begroting met een vergrootglas naar zoeken, maar intussen slaagt de Rodeneuzenactie er wel in om voor deze doelgroep 4 miljoen euro samen te brengen, een veelvoud van wat u uittrekt voor jongeren met een psychische kwetsbaarheid, minister. Intussen zien we her en der efficiëntieoefeningen, indexsprongen en besparingen opduiken, maar neemt het aantal mensen die zorg nodig hebben, toe door de vergrijzing en een groter aantal kinderen.

Mijn oproep aan heel het parlement is: raap uw geweten bijeen, keur deze begroting niet goed en laat de regering terugkomen met een begroting die zorg biedt voor mensen die zorg nodig hebben.

De heer Depoortere heeft het woord.

Ik kan in dit kort tijdsbestek noch detaillistisch noch volledig tewerk gaan, maar ik begin met een positieve noot. De budgetten die uitgetrokken worden voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin zijn niet min, integendeel. Na Onderwijs wordt het meeste geld, namelijk 26,6 procent van het totale budget, in het departement Welzijn gestoken. Het is geld dat nodig is om in Vlaanderen een solide zorgmodel uit te bouwen, dat onze zieken, gehandicapten, en gezinnen ten goede moet komen.

Over de zorg op maat en de daarbij horende persoonsvolgende financiering (PVF) werd het afgelopen jaar en vooral de afgelopen weken reeds veel gezegd. De communicatie met de eerste doelgroep, de personen met een beperking, die vanaf 2017 van dit nieuwe systeem gebruik moet maken, is op zijn zachtst gezegd moeizaam verlopen. Natuurlijk juichen wij de 117,5 miljoen euro aan bijkomende middelen toe. Maar de overgang tussen het oude en het nieuwe systeem met een betere omkadering en de daarbij horende overgangsmaatregelen was onduidelijk en heeft geleid tot veel onrust en zorgen. Naast de noodzakelijke bijsturingen om deze ongerustheid weg te nemen, ben ik ervan overtuigd dat u werk moet maken van een betere communicatie met deze doelgroep en de organisaties die hen vertegenwoordigen.

Wat het jeugddelinquentierecht betreft, pleit ik ervoor om niet alleen rekening te houden met de mening van jonge daders maar om zeker ook rekening te houden met de bezorgdheden van de slachtoffers. Het kan best zijn dat jeugdige daders ‘iets willen leren’ uit hun straf, zoals te lezen staat in uw beleidsbrief. In het regeerakkoord heeft de Vlaamse Regering de ambitie omschreven om aan jongeren die een als misdrijf omschreven feit plegen, een gedifferentieerd aanbod van constructieve, herstelgerichte maatregelen te bieden. Maar ik durf u te vragen om criminelen, ook als het jongere criminelen betreft, aan te pakken als criminelen. Zo niet zal steeds meer een sfeer worden gecreëerd waarbij de burger, en dus ook het slachtoffer, de indruk krijgt dat daders hun straf ontlopen.

– Wilfried Vandaele, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

Naast het mantelzorgplan en het dementieplan is alleszins ook de gezondheidsconferentie van deze maand hoopgevend, waar over alle beleidsdomeinen heen een aantal doelstellingen inzake gezonde levensstijl werden geformuleerd. In dit kader wil ik hier wel een pleidooi houden voor het gezond verstand, zeker wat het nationaal alcoholplan betreft. Het expertisecentrum Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD) lijkt me immers soms te dwingend en verbiedend als het gaat om het formuleren van nieuwe doelstellingen. De horecasector, die het al zwaar te verduren heeft, wordt daar de dupe van. Ik merk trouwens dat de violen tussen Vlaanderen en het federale niveau niet altijd gelijkgestemd zijn als het erom gaat tot maatregelen te komen voor een nationaal alcoholplan.

Ik sluit af. De budgetten zijn toegenomen, dat klopt en dat is positief. Maar de zorgnoden worden elke dag groter en groter. Tegenover meer middelen voor de PVF voor mensen met een handicap staan de indexsprongen bij de werkingsmiddelen voor voorzieningen en de gezinsbijslag. Naast de groeipaden die hier en daar worden uitgezet, staan de wachtlijsten voor personen met een handicap en voor ouderen die op zoek zijn naar een betaalbaar rusthuis.

Maak dus prioritair werk van het wegwerken van wachtlijsten in de ouderenzorg, in de kinderopvang en in de gehandicaptensector. In deze steeds duurdere samenleving met steeds hogere lasten en kosten moeten we dubbele inspanningen leveren om de zwaksten in onze samenleving bij te staan. Ik wil daar trouwens aan toevoegen dat de extra budgetten die door de verschillende regeringen worden vrijgemaakt voor de opvang en begeleiding van asielzoekers, evengoed gebruikt hadden kunnen worden om de noden van ons eigen volk te lenigen.

Voor mij is het niet meer dan logisch dat onze eigen ouderen, onze eigen kinderen en onze eigen hulpbehoevenden in de eerste plaats gebruik kunnen maken van de sociale voorzieningen die wij zelf, generatie na generatie, hebben opgebouwd. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De heer Persyn heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, ik heb vooralsnog geen last van mijn geweten en nog minder last van mijn geheugen. Ik hoor de oppositie hier opmerkingen maken over een tekort aan personeel in de zorg. Ik wil toch even herinneren aan de zesde staatshervorming, waarover beslist is onder andere door de leden van de oppositie en waarbij tal van bevoegdheden naar Vlaanderen zijn overgeheveld zonder de bijhorende budgetten te laten volgen. Wat meer is, de zware zorgprofielen, de fameuze rvt-bedden (rust- en verzorgingstehuis), hebben jullie de afgelopen jaar mee bevroren op het niveau van 2010-2011. Als er te weinig personeel is op de gangen van rusthuizen en ziekenhuizen, dan is dat niet sinds het aantreden van de regering-Bourgeois. Dat was al jaren bezig. Wij zijn momenteel met de hele inkanteling van de zesde staatshervorming aan het proberen om daar een mouw aan te passen.

De heer Bertels vraagt het woord. (Gelach)

Mijnheer Persyn, als u hier wilt komen zitten, voor mij is dat goed.

Geen probleem. Ik ben polyvalent, dat hebt u deze morgen kunnen merken.

Mijnheer Persyn, ik neem aan dat u de details van de zesde staatshervorming eens zult bekijken met betrekking tot de RIZIV-bevoegdheden (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering) die overgedragen zijn. Wij hebben die discussie al eens gevoerd. De minister zal er seffens misschien nog op inpikken. De middelen inzake ouderenzorg worden overgedragen. Mijnheer Persyn, daar is zelfs een onderbenutting in Vlaanderen. Vlaanderen gebruikt niet alle middelen die de federale overheid overdraagt. Als u verwijst naar de rvt-erkenningen, dan moet u verwijzen naar de protocollen met betrekking tot de rvt-reconversie zoals dat in het jargon heet, maar daar zal de minister waarschijnlijk ook nog toe komen. Maar u moet niet zeggen dat dat in 2010 gestopt is, want dat is niet helemaal correct. U moet zich daarover beter informeren.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mijnheer Persyn, het doet me plezier om u kwaad te zien, want dat is een emotie en het is belangrijk dat we in de welzijnsdebatten voldoende emotie hebben, dat we weten wat we doen en waarom we het doen. Maar wat ik van u niet gewoon ben, is dat u zo gemakkelijk een externe zondebok zoekt. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat het niet goed gaat met Welzijn en dat dat de schuld is van de zesde staatshervorming. Dat is te gemakkelijk. Elk jaar neemt de zorgzwaarte van de mensen in de rusthuizen toe. En ja, er is een staatshervorming geweest die een deel van de bevoegdheden van de federale overheid naar Vlaanderen heeft gebracht. Maar dat ontslaat deze regering niet om ervoor te zorgen dat er een deftig personeelsbeleid is in die rusthuizen. U kunt zeggen dat er genoeg personeel is, maar iedereen die in die rusthuizen komt, weet dat dat niet zo is. Die weet dat mensen aan een rusthuisbed soms niet genoeg tijd en ruimte hebben om op vragen van bewoners, zoals ‘ik zie het eventjes niet meer zitten’, in te gaan, want er zijn maar 6 minuten om een bed te vervangen. Er is niet genoeg tijd om te zorgen dat mensen naar het toilet kunnen gaan, waardoor mensen incontinent worden of incontinent worden gehouden. De manier waarop er momenteel zorg wordt verleend in de rusthuizen, kunnen wij niet aanvaarden. U weet dat, en deze regering is daar mee voor verantwoordelijk, en u moet daar nu mee oplossingen voor uitwerken.

Mevrouw Van den Brandt en collega Bertels, u hebt mij nog niet kwaad gezien. Ik heb gewoon gezegd dat het gebrek aan personeel dat we nu vaststellen op de gangen van rusthuizen en ziekenhuizen, al jaren bestaat. Dat heb ik gezegd. Ik heb ook niet gezegd dat er geen noden zijn, dat er geen zorgen zijn. Deze regering maakt er juist werk van. Er is een inhaalbeweging. Alleen al dit jaar komt er een half miljard euro bij. Ongezien, een ongekende groei. Dat komt er bij. Daar is voor bespaard. De minister heeft dat met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Er is bijna uitsluitend op de werkingsmiddelen en het apparaat bespaard, en niet extra op het personeel en op de zorg zelf. Dat weet u ook, we hebben onlangs de discussie gevoerd over de thuiszorg.

U zegt dat er een half miljard euro extra is, maar ik wil u vragen hoeveel van dat budget gaat naar extra personeelsomkadering en hoeveel naar extra rusthuizen. De belangrijkste vraag is of de personeelsnormen in de rusthuizen zullen worden opgetrokken, zodat elk rusthuis, privé of publiek, verplicht is meer personeel in te zetten in de rusthuizen. Zullen daarvoor de nodige budgetten volgen?

Mijnheer Persyn, hoeveel van dat half miljard euro gaat naar de residentiële ouderenzorgsector? Daarover waren we bezig, de zorgzwaartefinanciering gaat daarover.

Daar kom ik straks toe. Ik heb maar zes minuutjes en ik wil eerst enkele krachtlijnen geven.

Er is gesproken over het mantelzorgplan. De minister heeft een knap mantelzorgplan voorgesteld voor de zomer. De meerderheid heeft er nog een aantal suggesties aan toegevoegd. Dat toont aan dat de minister bereid is samen met de meerderheidspartijen voor verbetering te gaan. We gaan inderdaad 14 miljoen euro extra uittrekken voor de gezinszorg, die een aanvulling moet zijn van de maatschappelijke, informele zorg thuis. Dat komt bovenop de 500 miljoen euro die er al is voor de formele zorg in de thuissituatie in de gezinszorg.

Onze fractie hecht samen met de regering veel belang aan de vermaatschappelijking van de zorg en ook aan de versterking van de eerste lijn. We kijken met de minister uit naar de eerstelijnsconferentie in 2017, waar de bottom-upbeweging met het werkveld haar beslag zal krijgen. We kijken uit naar de resultaten en de werkpunten die de conferentie zal opleveren.

– Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

Mijnheer Bertels en mevrouw Van den Brandt, de minister heeft een groei ingezet in de residentiële ouderenzorg van 10.000 plaatsen in vier jaar tijd. Dat is nooit gezien, ook niet toen excellenties met uw signatuur daar het bewind voerden. Het gaat zelfs zover – het zijn er 10.000 in vier jaar – dat de sector nauwelijks kan volgen, dat er een probleem is om de handen en de harten aan het bed in te vullen.

Het is waar, de rvt-financiering liep achter en ook daar heeft deze regering werk gemaakt van een inhaalbeweging. Dat kan niet allemaal tegelijk en misschien ook niet aan de gewenste snelheid, maar het gebeurt wel. Dat was de afgelopen jaren verzuimd. Deze ploeg maakt er werk van. Ik ben het eigenlijk beu om altijd die beschuldigingen en verdachtmakingen te horen dat we een sociaal bloedbad en kaalslag aanrichten. Daar doet u dapper aan mee. Daar is niemand mee gebaat, en zeker de zorgbehoevenden niet.

Mijnheer Persyn, u legt iets te snel een link tussen het feit dat de rusthuizen moeite hebben om personeel te vinden en dat er extra bedden bijkomen. Er komen extra bedden bij. Met Groen dringen we erop aan dat er ook op alternatieven wordt ingezet in thuiszorg enzovoort. Maar het feit dat rusthuizen momenteel moeite hebben om personeel te vinden, komt niet zozeer doordat er plots een enorme groei is. Het is doordat de werkomstandigheden in die rusthuizen niet van aard zijn dat het een aantrekkelijke job is. Mensen werken met hart en ziel, ze werken zich de ziel uit het lijf, maar ze zijn met te weinig om de kwaliteit te leveren die ze willen leveren. Ze werken in zware omstandigheden.

Op het moment dat de witte woede op straat komt betogen en overleg vraagt aan de regering over die arbeidsomstandigheden, krijgen ze niet meer te horen dan dat u akte hebt genomen van hun eisenbundel. Er is geen overleg, geen gesprek. Als u het wilt hebben over meer personeel in de sector, dan vraag ik om de sociale partners ernstig rond de tafel te roepen en een plan voor werkbaar werk in de zorgsector uit te werken.

Wel, u weet dat ik altijd bereid ben om samen te werken. Onlangs heb ik u de hand gereikt. Dat doen we ook met de federale collega’s. We gaan meer werk maken van werkbaar werk, en op termijn van systemen van tijdskrediet. De mensen die u hebt zien opstappen in de witte woede, waren van mijn leeftijd. Het gaat hier over nieuwe krachten die moeten instromen. We gaan daarvoor zorgen in de komende jaren.

Mijnheer Persyn, probeer nog even te focussen op werkbaar werk. Daar moet u inderdaad over nadenken. Maar het gaat ook over de personeelsnorm die wordt gefinancierd voor de verzorging van de zwaar zorgbehoevenden. Om het simpel voor te stellen, er is nu een personeelsnorm van 6,5 vte voor een rob-bed (rustoord voor bejaarden) en 11,5 voor een rvt-bed. Daar zit het verschil. De minister heeft herhaaldelijk gezegd dat de zorgzwaartefinanciering moet worden aangepast. Niet alleen wij, maar de hele sector vraagt naar de planning om de zorgzwaartefinanciering en de rvt-erkenning – een meerjarenplan voor mijn part – aan te passen aan de gestegen zorgbehoefte in de woonzorgcentra.

U weet immers even goed als ik dat de mensen die nu mogen worden opgenomen in een woonzorgcentrum, zwaar zorgbehoevend zijn. Ze blijven daar bijvoorbeeld geen vijf jaar meer. Ze blijven nu nog gemiddeld tussen een jaar en achttien maanden in een woonzorgcentrum, net omdat ze zwaar zorgbehoevend zijn. Daar moet een mouw aan worden gepast, mijnheer Persyn. Ik verwijs naar de erkenningskalender. Uw tienduizend bedden, dat zijn geen tienduizend rvt-bedden, en dat weet u ook.

Dat klopt, en we gaan ervoor zorgen dat die zorgzwaarte wordt gecompenseerd. Tegelijk, en dat is ‘fixing the plane while it flies’, moeten we naar een nieuw systeem van ouderenzorgfinanciering gaan. We zetten in, ook bij de ouderenzorg, op een meer persoonsvolgende financiering. Dat is de moeilijke opdracht waarvoor deze minister staat. Hij heeft dat tot nu toe met veel verve gedaan, dus een pluim voor de minister, zijn kabinet en de hele administratie. U bekritiseert dat altijd, maar dat is geen kleintje. Dat verdient de nodige lof, en van iedereen, denk ik, in plaats van daar voortdurend op in te hakken. Ook aan de overkant is minister De Block met grote transities bezig. U doet daar smalend over. U gaat daar licht over. Ik kom uit de sector en ik ga daar niet licht over.

Collega Jans laat zich om privéredenen verontschuldigen. Ik ga ook twee thema’s kort aanraken die zij normaal behartigt. Er is de grote werf van de kinderbijslag, die in 2017 een aantal decretale verordeningen vraagt, waaronder de oprichting van een extern verzelfstandigd agentschap. Er zijn ook de vergunningsnormen voor de uitbetalingsactoren. De N-VA is tevreden dat daar met de horizon van 2019 nu volop werk van wordt gemaakt, want wij zijn ervan overtuigd dat dat gelijk bedrag voor ieder kind, mits de nodige sociale correcties, de manier is waarop we jonge en nieuw samengestelde gezinnen een duwtje in de rug kunnen geven. Er zijn sociale correcties, maar we kijken ook samen met de minister uit naar de resultaten van die armoedetoets. Ik viel van mijn stoel toen ik deze ochtend de injunctie hoorde dat de minister bij academici moet gaan aandringen op het krijgen van deeltijdse resultaten, terwijl de minister een paar maanden geleden het verwijt kreeg de academici niet au sérieux te nemen. Ik vond dat heel gek. Nu, we kijken daarnaar uit en we nemen aan dat de lessen die uit die armoedetoets komen, ook richtinggevend zullen zijn voor het totale groeitraject.

Ik heb de minister niet gevraagd om deeltijdse resultaten te vragen of academici onder druk te zetten. Ik heb hier wel vastgesteld dat voor de zomer ernstige academici en ernstige academische onderzoeken met de voeten vooruit onderuit werden gehaald, zonder dat die mensen zich daartegen konden verdedigen. Ik heb de minister gevraagd een datum te geven. We wachten immers al zes maanden op die resultaten. Al zes maanden wordt er gezegd ‘morgen, morgen, morgen’. Ik vraag dus gewoon een datum. Dat is een heel ernstige vraag aan de onderzoekers. Dat is niet de vraag dat ze zouden voortmaken, maar de vraag wanneer die resultaten beschikbaar zullen zijn. Dit is immers een belangrijke studie in het kader van ons beleid, in het kader van de decretale aanpassingen die nodig zijn.

De horizon is 2019. We wachten met u op die studie. We zullen daar samen rekening mee houden, maar men moet ook niet sneller lopen dan dat kan.

Nog iets over de kinderopvang. Er is 9,5 miljoen euro extra. U hebt het zelf gezegd. Een deel is voor nieuwe initiatieven, een deel voor bestaande initiatieven. Voor ons is het belangrijk dat de verordeningen van het decreet Kinderopvang worden gerespecteerd, in het bijzonder de taalvereisten. De minister is daar recent nog door collega Jans over ondervraagd, en hij heeft ook toegezegd dat er extra toezicht komt in Brussel en in de Vlaamse Rand op het respecteren van de taalvereisten.

Verder zijn voor ons de Huizen van het Kind heel belangrijk, als laagdrempelige toegang voor ouders met jonge kinderen, in het bijzonder kwetsbare gezinnen.

Last but not least is er die grote werf van de ziekenhuisfinanciering die ook onze kant uit is gekomen. Mijnheer Bertels, we zijn er ons van bewust dat die opstart van dat nieuwe instandhoudingsforfait en de inkanteling van dat strategisch forfait geen sinecure zullen zijn, maar we hebben er vertrouwen in dat dat tot een goed einde zal worden gebracht, mits overleg met de federale partners.

Het mag tot slot duidelijk zijn dat mijn fractie en mijn partij een volmondig ‘go’ zal geven, niet alleen voor deze begroting, maar voor alle extra investeringen waarin de minister voorziet voor welzijn en zorg. (Applaus bij de meerderheid)

Een verduidelijking met betrekking tot de ziekenhuisfinanciering. Ik heb gewezen op de risico’s van de nieuwe ziekenhuisfinanciering. Dan gaat het over budgettaire risico’s: hoe zal dat budgettair worden vertaald? Ik heb het al gezegd aan de minister in de commissie Welzijn: los van de budgettaire appreciatie door Eurostat en INR kan ik absoluut leven met de techniek van de forfaits.

De altijd geldende voorwaarde is natuurlijk dat de forfaits voldoende hoog moeten zijn. We moeten het instandhoudingsforfait en het strategisch forfait voldoende hoog maken om de aangegane en de toekomstige engagementen te kunnen honoreren. Vanuit het welzijnsperspectief kan ik leven met de techniek van de forfaits. Ik heb er enkel op gewezen dat er potentieel een budgettair risico is ten gevolge van de inkanteling. De Europese Commissie moet beslissen op welk bestuursniveau en binnen welke consolidatie dat moet gebeuren. Dat zijn twee verschillende zaken.

Mijnheer Bertels, ik dank u voor deze precisering.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, Vlaanderen heeft veel noden op het vlak van welzijn. Dat komt hier vaak ter sprake. Met de zesde staatshervorming zijn bij die noden een aantal uitdagingen bijgekomen. Ik denk dan aan het jeugddelinquentierecht, de kinderbijslag, de financiering van de ouderensector, de juridische eerstelijnsbijstand enzovoorts. Dit zijn allemaal Vlaamse bevoegdheden geworden.

Hoewel het hier al is vermeld, vind ik het toch een enorme prestatie dat de minister en de Vlaamse Regering er, ondanks de huidige financieel moeilijke tijden, in zijn geslaagd bijna 450 miljoen euro vrij te maken voor meeruitgaven in het welzijnsbeleid.

Met de grote uitdagingen waar het welzijnsbeleid voor staat, doen we veel meer dan enkel inzetten op een uitbreidingsbeleid en op de continuering van de bestaande manier van omgaan met zorg. Resoluut wordt de keuze gemaakt voor een andere zorg en voor een andere manier om die zorg te financieren. Daarbij vormen twee grote uitgangspunten de drijfveer, namelijk de vermaatschappelijking van de zorg en het geven van zorg op maat.

De beleidsbrief is van deze twee uitgangspunten doorweven. De beleidsbrief bouwt voort op de golven die door de beleidsnota worden aangestuurd. De beleidsbrief toont aan dat we op koers zitten en onderlijnt hoe groot de uitdagingen zijn van de op gang zijnde en de geplande transities.

Zo is, bijvoorbeeld, de uitrol van de vraaggestuurde ondersteuning en de daaraan gekoppelde persoonsvolgende financiering in de sector van de personen met een handicap een enorm moeilijke operatie. Het is in deze sector dat in de begroting voor 2017 in de grootste aangroei van middelen is voorzien. Diezelfde beweging naar een vraaggestuurde zorg en een persoonsgebonden financiering is in volle gang in het licht van de Vlaamse sociale bescherming.

Een andere grote uitdaging is de kinderbijslag. Er is net verwezen naar het traject met betrekking tot de armoedetoets, dat hopelijk weldra zal worden afgerond. Er worden organisatorische maatregelen genomen en samenwerkingsakkoorden voorbereid om ervoor te zorgen dat elk kind in België zijn recht op kinderbijslag bewaarheid kan zien worden. Een grote ommezwaai is er ook op het vlak van de financiering van de infrastructuur voor de ouderenzorg.

Naast de grote uitdagingen waarvoor deze vier grote dossiers zorgen, zowel de persoonsgebonden financiering als de Vlaamse sociale bescherming, de kinderbijslag en de infrastructuur, ligt er nog heel wat decretaal wek op de plank. Ik denk onder meer aan wat zoal beweegt met betrekking tot de buitenschoolse en voorschoolse kinderopvang, de adoptie, het jeugddelinquentierecht en de justitiehuizen.

Ik denk ook aan de uitrol van de conceptnota ‘Een geïntegreerd breed onthaal’. Het is de bedoeling tegelijkertijd de toegankelijkheid van de minst ingrijpende, generalistische hulp te verhogen en de onderbescherming tegen te gaan.

Wie de beleidsbrief leest, kan opnieuw een aantal duidelijke krachtlijnen ontwaren die getuigen van een visie die in de verschillende strategische en operationele doelstellingen telkens terugkomt. Zo is er sprake van een gestructureerd beleid en van een gestructureerde beleidsvoorbereiding. De keuze voor een planmatige, overlegde aanpak wordt bevestigd. Het belang van evaluatie maakt daar deel van uit.

Verder is er doorheen het welzijnsbeleid een uitgesproken aandacht voor de kwaliteitszorg en voor de kwaliteit in de zorg. De evoluties naar meer afstemming zijn ingegeven door de noodzaak aan efficiëntie, effectiviteit, transparantie en een verlaagde toegang tot de bereikbare hulp- en zorgverlening.

Ook de aandacht die gaat naar informatie-uitwisseling strekt daartoe. Dat leidt me moeiteloos naar de focus op innovatie.

Ik wil er ook op wijzen dat het gebruikersperspectief expliciet wordt genoemd. Zo werden de eerste stappen genomen om te komen tot het handvest cliëntenrechten in situaties van chronische zorg en zullen we een voorstel van decreet indienen over de cliëntenorganisaties en het cliëntenforum.

De beleidsbrief gaat bovendien in op de capaciteitsuitbreiding, onder meer binnen de kinderopvang, de sector personen met een handicap en de jeugdhulp. Ook belangrijk is de aangroei van het aantal woongelegenheden in de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf en de omzetting van rob- in rvt-bedden.

U merkt het, dames en heren, het welzijnsbeleid kent enorme transities. Ik heb maar enkele elementen genoemd, maar in de beleidsnota lezen we natuurlijk over veel meer, zoals de vluchtelingenproblematiek en de uitdagingen omtrent radicalisering.

Voor de verdere uitbouw van Zorgzaam Vlaanderen is het vereist dat zowel de grote transities als de minder grote, maar steeds relevante, oefeningen zorgzaam verlopen. Deze beleidsbrief, die voortbouwt op de beleidsnota, zet hiervoor alvast de lijnen uit. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Voorzitter, ministers, dames en heren, ik wil mij vooral richten op enkele belangrijke dossiers binnen het domein Welzijn en Volksgezondheid. Laat me starten met kinderopvang.

We merken dat er vandaag reeds heel wat bijkomende plaatsen gecreëerd werden, maar tegelijkertijd gaan er ook nog heel wat plaatsen verloren. Uit mijn schriftelijke vraag bleek dat dit vooral het geval was voor plaatsen in de gezinsopvang. De afgelopen maanden ontvingen we berichten dat kinderdagverblijven met een financiering uit trap 0, trap 1 en trap 2B helaas de deuren moeten sluiten. We moeten voor die kinderdagverblijven verder blijven werken aan hun financiële leefbaarheid. We weten dat de Vlaamse Regering in 9,5 miljoen euro voorzien heeft voor uitbreidingsbeleid. Onze fractie pleit ervoor om voor 2017 en de jaren erna blijvend in te zetten op die voorzieningen die het het moeilijkst hebben en vandaag de minste subsidies ontvangen.

Ook moet er een duidelijk traject komen voor de overgang van trap 2B naar trap 2A. De gelijkschakeling is voor deel 1 reeds uitgevoerd. Het wordt nu tijd dat we ook een zicht beginnen te krijgen op de timing van trap 2B.

Voor een tweede ronde op het vlak van administratieve vereenvoudiging hebt u zich geëngageerd. Dat is een absolute noodzaak. De regelneverij moet er uit. Ik hoop dat we snel resultaten zien op dat vlak.

Ik blijf ook aandringen op de IKT-mix (inkomenstarief). Hierrond heerst momenteel heel wat hypocrisie. Blijkbaar is er geen probleem wanneer gezinnen doorstromen van ‘Het lieve smurfje’, een niet-gesubsidieerd initiatief, naar ‘Het kwakkeltje’, een gesubsidieerd initiatief van dezelfde organisator, op voorwaarde dat er twee voordeuren zijn. In de praktijk blijkt dit wel een probleem te zijn als er maar één deur is. Voor mij is dat pure kafka en een mooi voorbeeld van administratieve overlast waar geen enkele ouder in Vlaanderen beter van wordt. Ik weet dat over enkele maanden een aantal proefprojecten starten, maar mijn fractie blijft vragende partij om snel structureel de IKT-mix te verankeren.

Ik vind het interessant om te horen welke prioriteiten er moeten worden gegeven aan de 9,5 miljoen euro in de kinderopvang. U hebt gezegd dat wie nu geen subsidies krijgt, die wel moet krijgen. U zegt ook dat we moeten zorgen voor leefbaarheid en dat de arbeidsvoorwaarden overal moeten worden toegepast. U zegt ook dat de IKT-mix een goede zaak is. U spreekt over ‘Het lieve smurfje’ en ‘Het kwakkeltje’, maar u weet dat ‘Het lieve smurfje’ heel graag dezelfde subsidies wil krijgen als ‘Het kwakkeltje’ om inkomensgerelateerd te kunnen werken. Ze vragen niets liever dan dat ze één groot geheel zijn waarin ze alle ouders inkomensgerelateerd kunnen ontvangen, maar dat is niet mogelijk.

Nu gaat u extra administratieve regels, een extra kluwen en extra instrumenten uitwerken. Liever dat dan geen oplossing, maar de ernst van het probleem, de oorzaak van het probleem kunt u oplossen door ervoor te zorgen dat de 9,5 miljoen waarmee men niet alle problemen kan oplossen, vergroot wordt, zodat men wel op al die zaken kan inzetten en dat Smurfje en Kwakkeltje een mooi groot geïntegreerd geheel kunnen zijn waar alle ouders volgens hun inkomen bijdragen.

De minister heeft duidelijk in een voortgangstraject en een uitbreidingstraject voorzien over de hele legislatuur. Voor volgend jaar is de 9,5 miljoen euro toch al een goede investering. Natuurlijk, u hebt gelijk. Als we voldoende budget hebben, kunnen we natuurlijk alles voorzien, maar u weet even goed als ik dat we met een beperkt budget zitten. We doen dus wat mogelijk is.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Ik wil erop wijzen dat we niet met een beperkt budget ‘zitten’. Jullie keuren dat budget morgen goed, veronderstel ik. Als er één taak is van de oppositie, dan is het net te proberen om de collega’s van de meerderheid tot ietwat andere inzichten te bewegen. Ik wil graag met u een amendement opstellen dat uw problemen en die van mevrouw Van den Brandt oplost. Dan lossen we de problemen van Smurfje op – dat is trouwens een voorziening voor kinderen, het heeft niets te maken met mensen met een verticale uitdaging. (Gelach)

Dan kunnen we die problemen allemaal in een keer oplossen. Er is geen fataliteit voor deze begroting. We kunnen ze aanpassen. We hebben amendementen ingediend, en ik wil gerust samen met u aan andere werken.

Mijnheer Van Malderen, kunt u nog eens uitleggen wat u bedoelt met ‘verticaal’?

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Ik heb het al gezegd. De minister voorziet wel in 9,5 miljoen euro voor volgend jaar. Hij heeft een duidelijk traject dat hij zal afleggen. Ik denk dat er op dit moment voldoende middelen worden uitgetrokken. De minister heeft de doelstellingen geformuleerd. De bedoeling is toch zeker dat we die gaan halen.

Mijn tweede punt gaat over mantelzorg. De heer Bertels heeft er al op gewezen. De minister heeft een mantelzorgplan. Ikzelf heb met de collega’s een voorstel van resolutie opgesteld omdat ik vind dat we als parlement onze prioriteiten naar voor moeten schuiven, mijnheer Bertels. Dat heeft niets te maken met geen vertrouwen hebben in de minister.

Wie vandaag de handschoen…

U begon net over de handschoen. Ik wil dan ook de hand reiken. Het is zoals de heer Van Malderen daarnet zei: als u zegt dat het parlement dat naar zich toe moet trekken, is dat voor mij geen probleem. We hebben daar al veel over gediscussieerd in het parlement, maar laat ons dan ook in de nodige middelen voorzien om het mantelzorgplan of jullie resolutie te kunnen uitvoeren en laat het niet bij holle frasen blijven als ‘we zullen gaan onderzoeken’ en ‘we vinden dat er meer respijtzorg moet zijn’, zonder dat er concrete acties naast staan. Laat ons dan ook daar het parlement initiatief laten nemen en concrete acties laten uitwerken, en dus ook in de nodige middelen voorzien. U kunt niet A zeggen zonder B. U moet A en B tegelijk zeggen.

Dan wacht ik er vol spanning op dat u het voorstel van resolutie, dat ik samen met collega’s zal indienen, dan ook effectief mee zult goedkeuren.

Ik ga verder met de mantelzorg. Op dit moment lopen we nog tegen een aantal muren aan. Vandaar dat die in het voorstel van resolutie worden geformuleerd. We zien dat er vaak nog een gebrek is aan informatie over wat mogelijk is op het vlak van ondersteuning, op het vlak van op welke tegemoetkoming mensen recht hebben. De administratieve overlast zorgt vaak voor problemen. Mensen hebben het vaak moeilijk om zorg met arbeid te combineren. Als we vanuit Vlaanderen echt voor vermaatschappelijking van de zorg willen gaan, dan zijn dit volgens ons de items waarop er nog harder moet worden gewerkt.

Als laatste punt wil ik nog iets zeggen over de volksgezondheid en het belang van preventie. De conferentie eerstelijnszorg vindt begin volgend jaar plaats. Bij de doelstellingen die we formuleren moeten we echter wel blijven kijken hoe we het realiseren van die ambities kunnen verbeteren met inzichten uit de gedragswetenschappen. Ik kijk met veel interesse uit naar de inzet van nudges in de preventie en naar de resultaten van de experimenten ter zake.

Het is al gezegd: de gezonde keuze moet de gemakkelijkste keuze zijn. Experimenten in het buitenland hebben ons geleerd dat hier heel wat gezondheidswinst bij te boeken valt. Ik hoop dat we die in Vlaanderen dan ook niet laten liggen.

Ten slotte wil ik het nog hebben over de geestelijke gezondheidszorg. We zien dat jaarlijks, met de actie Rode Neuzen, die al werd aangehaald door mevrouw Van den Brandt, de geestelijke gezondheidszorg in de spotlights komt. Dat is een positieve zaak, omdat dat bijdraagt tot het doorbreken van het taboe.

Mevrouw Van den Brandt, ze halen inderdaad 4 miljoen euro op. Maar de bedoeling van dergelijke acties is vooral om de algemene bekendheid te vergroten, het taboe te doorbreken en mensen aan te zetten om over hun problemen te praten.

We moeten eerlijk zijn: het taboe heerst nog enorm in Vlaanderen. Er is nog veel terughoudendheid om psychische hulp te gaan zoeken. Als beleidsmakers bevoegd voor gezondheid moeten we inspanningen doen om die problemen bespreekbaar te maken en maximaal in te zetten op preventie. Hoe vroeger, hoe beter. Ook onlinehulpverlening kan daarbij een belangrijke rol spelen.

‘Health is in All Policies’, horen we hier verschillende keren. Voor depressie en burn-out is dat een waarheid als een koe. Ook collega’s uit de andere beleidsdomeinen moeten hier de handen uit de mouwen steken. Kerst is een periode van bezinning. Laat ons als maatschappij even bezinnen over de verwachtingen die we onszelf, onze kinderen en elkaar opleggen.

Als liberalen tot bezinning oproepen, raken wij in de war.

Mevrouw Saeys, u zegt terecht dat taboes moeten worden doorbroken en dat het goed is dat de actie Rode Neuzen dat doet. Ik sluit mij daarbij voor 300 procent aan. Maar, als u een taboe doorbreekt bij een jonge tiener en die steekt effectief drempel na drempel over om zorg te zoeken en krijgt dan de boodschap dat die zorg beschikbaar is binnen 3, 4, 5 maanden of binnen een paar jaar, dan hebt u niet geholpen. En dat is wel de realiteit. De gemiddelde wachttijd voor psychische hulp voor jongeren is 105 dagen. 105 dagen worden ze in de wachtkamer gezet, tot er verdere hulp komt.

Ja, het taboe moet worden doorbroken. Maar ja, er moet ook extra worden ingezet op het zorgaanbod.

Het punt dat ik vooral wil maken, is: hoe vroeger, hoe beter. We moeten er vooral voor zorgen dat het probleem niet verder escaleert, want dan hebben we natuurlijk veel meer middelen en behandeling nodig. Voor de persoon zelf, maar ook voor de maatschappij, zijn er dan grotere problemen. Uiteindelijk is het vooral belangrijk om daarin zo vroeg mogelijk in te grijpen. Dat is vooral het punt dat ik hierbij wil maken.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Voorzitter, ik zal proberen mijn zeven minuten liefde evenredig te verdelen tussen minister Vandeurzen en minister Homans.

Minister Vandeurzen, bij het begin van de legislatuur had u een heel duidelijke agenda:  het recht op kinderopvang regelen tegen 2020, de kinderbijslag hervormen tot een performant instrument tegen kinderarmoede tegen 2019 en personen met een handicap zorg garanderen, ook tegen 2020.

Mede door de zesde staatshervorming hebt u vandaag ook een heel grote portefeuille te uwer beschikking. We zien helaas dat Welzijn ook is meegenomen in de algemene besparingen. Dat is vandaag al vaak aan bod gekomen. We zien het ritme van groeipaden, bijvoorbeeld in kinderopvang, vertragen ondanks stijgende noden. We zien dat de besparingen op werkingsmiddelen personeelsleden en voorzieningen naar adem doen happen. We zien heel vaak terugkerende noodkreten, bijvoorbeeld in jongerenwelzijn, die geen antwoord krijgen.

Het punt waar ik vandaag veel van die problematieken zie terugkomen en dat ik vandaag nog eens wil aankaarten, is de sector van personen met een handicap. Wij steunen kamerbreed de hervorming richting persoonsvolgende financiering. Het is een oplossing om een deel van de wachtlijsten weg te werken, waar ook, en terecht, veel middelen tegenover worden geplaatst. Ik zie daar vandaag echter grote onzekerheid en ongerustheid. En dan zegt de meerderheid dat de oppositie moet stoppen met de ongerustheid aan te wakkeren. Minister, wij hoeven die helemaal niet aan te wakkeren, die is er gewoon, maar het stoort u blijkbaar dat we dat in dit parlement zeggen. Die ongerustheid en dat ongenoegen zijn er omdat de meerderheid er na zes maanden nog altijd niet in geslaagd is om een aantal evidente en gekende vragen te beantwoorden.

Minister Vandeurzen, het zal u misschien verbazen, maar ik wil u gewoon mijn steun toezeggen. Dat klinkt misschien raar voor iemand van de oppositie, maar ik wil u steunen in die hervorming. Ik wil u steunen wanneer u antwoorden wilt bieden aan mensen die vandaag met vragen zitten. Ik wil u vandaag oproepen om die antwoorden zo snel mogelijk te bieden. Geef nu alsjeblief antwoord op de vraag wat een redelijke termijn is waarbinnen mensen die een bijkomende vraag naar zorg hebben, een passend antwoord zullen krijgen. Geef gewoon de garantie aan mantelzorgers dat zij zeven dagen op zeven een beroep zullen kunnen doen op hulp. Regel de problematiek inzake kortverblijf. U kunt dat, u kunt vandaag doen wat mogelijk is. We hebben samen met de Groen-fractie een voorstel van resolutie ingediend om vandaag te doen wat mogelijk is, om ook minderjarigen in te brengen in die persoonsvolgende financiering. Ik vraag u heel duidelijk om die zaken te regelen, u kunt dat snel en zonder in te teren op het uitbreidingsbeleid. Zorg ervoor dat wat dient om persoonsvolgende financiering te realiseren, effectief gaat naar persoonsvolgende financiering. Er zijn andere mogelijkheden, ik denk niet dat het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) in aanmerking komt, daar is het vet al lang van de soep. Regel dat op een manier dat zorg en zorgmiddelen gegarandeerd blijven.

Voor alle andere vragen zult u wel een oplossing vinden, maar daarvoor zult u de middelen elders moeten zoeken. U zult daar de rest van de regeringsploeg voor moeten aanspreken.

Minister Homans, aan u heb ik in de commissie één vraag gesteld en een aantal schriftelijke bijvragen: bent u er oprecht van overtuigd dat u met het lopende beleid er echt in zult slagen om tegen 2020 kinderarmoede in Vlaanderen te halveren? Ik stel u die vraag opnieuw en zal ze blijven stellen tot we daar een heel duidelijk antwoord op hebben. Mij besluipt de indruk dat u veel dingen doet maar te laat en te weinig. Wanneer we kijken naar de antwoorden die u op onze vragen hebt gegeven, zie ik daarin een constante. Ik zie heel veel werkgroepen, inventarissen, evaluaties en ik zie heel vaak het woord ‘wachten’ staan.

Bijvoorbeeld in de strijd tegen onderbescherming kunnen we lezen dat er een werkgroep is maar dat het te vroeg is om aan te geven wat die zal doen. Het is eind 2016, we zijn halfweg de legislatuur. Wanneer het gaat over de lokale regierol, dan besteden we een onderzoek aan dat anderhalf jaar zal lopen. We zitten op twee jaar van de gemeenteraadsverkiezingen.

En wanneer het gaat over de afstemming op het federale beleid, dan zegt u dat het niet aan ons is. De meest typerende zin die ik vond in het verslag is de volgende: “Ik wil hier echter niet op de zaken vooruitlopen en deze werkgroep zijn werk laten doen.”

Minister, dat is niet uw taak, uw taak is iedereen achter de veren te zitten om ervoor te zorgen dat we tegen 2020 ook echt die kinderarmoede kunnen halveren. Wanneer u niet naar ons luistert, is dat geen probleem, de kinderrechtencommissaris heeft bij de voorstelling van het jaarverslag heel nadrukkelijk gezegd dat minister Homans te weinig doet. ‘Plus est en vous’, u moet meer doen.

Nu u hier toch broederlijk en zusterlijk samenzit, minister Homans en minister Vandeurzen, wil ik een tweede oproep aan u doen: zet u samen, want er is een opportuniteit. De minister van Armoedebestrijding plant een evaluatie van het armoedebeleid tegen april. En minister Vandeurzen verwacht binnenkort – zonder zich te laten opjagen – een armoedetoets over de kinderbijslag. Alstublieft, zet u samen. Wacht niet tot april. Zet u samen en spreek af dat u niet het ene voor het andere doet. U hebt niet ongelooflijk veel hefbomen die zo performant zijn als de kinderbijslag. En u hebt niet zo veel opportuniteiten om daarin bij te sturen. Dit zou voor u beiden hét project van deze legislatuur moeten zijn.

Ik kan mij moeilijk voorstellen dat de minister van Armoedebestrijding een actualisatie van het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA) doet, zonder daarbij een degelijke hervorming met het oog op het reduceren van kinderarmoede tegen 2020 mee te nemen. Ik kan mij evenmin voorstellen dat minister Vandeurzen bij de hervorming van de kinderbijslag een armoedetoets naast zich neer zou leggen als daaruit zou blijken dat die hervorming van de kinderbijslag niet wezenlijk bijdraagt tot het halveren van kinderarmoede. Zet u samen, mevrouw en mijnheer de minister. (Applaus bij sp.a en Groen)

Mevrouw Moerenhout heeft het woord.

Beste collega’s, ook met Groen willen we hier even aandacht vragen voor de stijgende kinderarmoede, omdat de cijfers die ons in 2016 bereikt hebben, niet min zijn. De recente cijfers zeggen dat 12 op 100 Vlaamse kinderen in armoede geboren worden. Volgens het recente rapport van de kinderrechtencommissaris leven bijna 800 kinderen vandaag op straat. Die cijfers zijn niet min. We mogen er niet blind voor zijn, en vooral niet voor het leed achter de cijfers.

Vanuit de sector wordt naar de politiek gekeken, naar ons, naar het beleid. En wij moeten dat ook aanpakken. Daarom wil ik mij vandaag focussen op twee hefbomen, die volgens mij en volgens Groen de komende maanden een echt verschil kunnen maken in die strijd tegen kinderarmoede.

Dat is ten eerste de strijd en een plan tegen dak- en thuisloosheid, een bevoegdheid die u beiden deelt, mevrouw Homans en mijnheer Vandeurzen. Die dakloosheid is ongelooflijk prioritair om aan te pakken. U hebt de bouwstenen in 2016 gekregen door een onderzoek aan de KU Leuven, door het rapport van de kinderrechtencommissaris en door het advies van de Vlaamse Bouwraad. Gebruik die bouwstenen, finaliseer het plan en breng het plan naar het parlement na het kerstreces.

De tweede ongelooflijk belangrijke hefboom is de hervorming van de kinderbijslag en de armoedetoets waarop we wachten. Beste collega’s, de hervorming van de kinderbijslag is hét belangrijkste middel dat u in deze legislatuur met deze Vlaamse Regering zult hebben en zult kunnen inzetten om kinderarmoede echt te bestrijden. Minister Homans, u wilt met de N-VA de kinderarmoede halveren. CD&V, u wilt het sociale gelaat zijn van deze regering. Als u die twee beloftes en die twee doelstellingen echt meent, dan zet u de hervorming van de kinderbijslag daarop in en dan meent u het serieus met de resultaten van de armoedetoets en zorgt u ervoor dat er echt een significante daling is van de kinderarmoede. (Applaus bij sp.a en Groen)

Mevrouw van der Vloet heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, we staan nu letterlijk aan de vooravond van de persoonsvolgende financiering. Vanaf 1 januari 2017 is er de omslag van het systeem dat voor heel wat mogelijkheden zal zorgen voor deze mensen. Ook het uitbreidingsbudget van 117,5 miljoen euro voor 2017 is enorm belangrijk, want dat zal ervoor zorgen dat heel wat nieuwe mensen ook in het systeem kunnen instappen. De Vlaamse Regering loopt zo zelfs voor op het nooit eerder geziene groeipad van 330 miljoen euro dat ze deze legislatuur beloofde voor personen met een beperking.

In citeer even de bijstandsorganisatie Onafhankelijk Leven: “In 2017 werkt de Vlaamse Regering verder aan het wegwerken van de wachtlijsten en aan de invoering van de persoonsvolgende financiering. Daarvoor wordt in totaal 117 miljoen euro vrijgemaakt waarvan 52 miljoen euro voor nieuwe persoonsvolgende budgetten. Daardoor kunnen in 2017 minstens 1700 mensen eindelijk weg van de wachtlijst.”

Het is enorm belangrijk dat de budgetten vanaf nu eindelijk persoonsvolgend zullen zijn en zo kunnen worden ingezet. Hierbij zal er ook eindelijk een oplossing zijn voor de jongvolwassenen, een groep tussen de 18 en 25 jaar die tot nog toe opnieuw op de wachtlijst kwam. Ik kreeg deze week in het antwoord van de minister nu concrete data wanneer zij nu eindelijk automatisch hun budget toegewezen zullen zien. Eindelijk zal deze Vlaamse Regering hiermee een definitieve oplossing geven voor deze mensen en dus de onzekerheid van opnieuw op zorg te moeten wachten, wegnemen.

Ik kijk ook uit naar de conceptnota ‘hulpmiddelenbeleid’ die eraan komt. Wij zouden graag zien dat het Vlaams hulpmiddelenbeleid innovatiever is dan zijn federale voorganger. Zo moet bijvoorbeeld het hergebruik van hulpmiddelen worden onderzocht. Afstemming met het RIZIV blijft in de toekomst wel nog nodig.

Nog enorm belangrijk in de omschakeling is dat mensen vanaf nu zelf zullen kunnen kiezen. Er zijn heel wat nieuwe mogelijkheden naast de bestaande mogelijkheden. Ik denk dan aan de groene zorginitiatieven. Ik heb hier al meermaals vragen over gesteld maar ik vraag het nu toch nog eens. We staan bijna aan de start, maar ik wacht nog steeds op de voorwaarden voor de groene zorginitiatieven. Minister, wanneer komen de voorwaarden voor de groene zorginitiatieven? Het is belangrijk om op 1 januari te kunnen starten.

Naast de erkende voorzieningen zullen ook niet-erkende voorzieningen een aanbod hebben. Bij de bespreking van de beleidsbrief heb ik erop aangedrongen om de informatie van zowel de niet-vergunde als vergunde voorzieningen samen op één website te brengen. Ik was blij dat het VAPH toen aangaf het logisch te vinden dat de informatie van het VAPH en van de sociale kaart geïntegreerd zouden worden. Hierbij wil ik wel nogmaals de oproep doen om dat zo snel mogelijk te doen zodat de mensen duidelijkheid hebben over wat de mogelijkheden zijn. Een duidelijke communicatie is van groot belang.

Ik wil graag concluderen met te zeggen dat elke vorm van verandering twijfel en ongerustheid meebrengt. Maar ik ben ervan overtuigd dat persoonsvolgende financiering een verandering is die vooruitgang boekt, en deze vooruitgang was zeker nodig in deze sector. (Applaus bij de N-VA)

De heer Parys heeft het woord.

Collega’s, ik wil kort stilstaan bij een aantal elementen die mijn fractie heel positief vond in de begroting en de beleidsbrief.

Het eerste is misschien onderbelicht gebleven, maar wij staan er wel volledig achter. Het is zo dat de beleidsbrief en de begroting voor de eerste keer ook voorzien in de introductie van sociale-impactobligaties op het gebied van Welzijn. Er wordt hier veel gepraat over het feit dat zelfs met 480 miljoen euro extra investeringen dit jaar in Welzijn, er nog steeds niet genoeg geld is. Dat klopt, collega’s, maar kom dan ook met een oplossing. Sociale-impactobligaties zijn een goede manier om te experimenteren hoe we bijvoorbeeld nieuwe manieren kunnen vinden om kinderarmoede aan te pakken. Het is een manier om privékapitaal te mobiliseren voor een sociale doelstelling. De winsten zijn voor de sociale organisatie en voor innovatieve projecten. De overheid wint in termen van preventie en ontdekt een nieuwe aanpak. De privésector doet aan ‘venture philanthropy’ en krijgt een beperkt rendement. Minister, het is een bijzonder positief element, waar wij in 2017 graag aan willen meewerken.

Het tweede element is misschien een regionaal belangrijk gegeven: Vlabzorginvest. Het is geïntegreerd in het Provinciedecreet. We zijn er wel in geslaagd – en we gaan het volgend jaar ook op de sporen zetten – om 2,5 miljoen euro extra te investeren in de welzijnsachterstand in de Vlaamse Rand. Daar wordt al lang over gepraat en er wordt al lang naar oplossingen gezocht. Voor de eerste keer komt er effectief een rollend fonds en zal de provincie ook kunnen blijven bijdragen aan investeringen in welzijn in Vlaams-Brabant.

Uiteraard wil ik iets vertellen over integrale jeugdhulp en jongerenwelzijn. Daar heeft de resolutie die we in dit parlement hebben goedgekeurd, haar effect niet gemist. De minister is daar heel positief mee aan de slag gegaan. We kijken naar 5 miljoen euro extra voor 2017 voor jeugdhulp; 3 miljoen euro extra voor pleegzorg; 6,6 miljoen euro voor de opvang van niet-begeleide minderjarige vluchtelingen; 5 miljoen euro uitbreidingsmiddelen, zowel voor de gemeenschapsinstellingen als voor het private aanbod. Dat is niet niets. Is het genoeg? Waarschijnlijk niet, maar we gaan wel vooruit en wel in de juiste richting.

Dan is er nog de mentaliteit die we zien veranderen in het beleid. We hebben in de eerste integrale jaarverslagrapportering mogen zien dat de beschotten eindelijk worden gesloopt tussen de verschillende sectoren. We gaan het decreet Pleegzorg evalueren tegen de zomer.

Nog een ander, kleiner initiatief, dat wij ook belangrijk vinden, is het meldpunt pedofilie dat de minister opricht en waar hij geld voor uittrekt. Het is heel belangrijk om op dat soort preventie en initiatieven in te zetten om ervoor te zorgen dat seksueel misbruik in Vlaanderen wordt aangepakt.

Ten slotte zijn er de Justitiehuizen en het elektronisch toezicht. Onze fractie vindt het bijzonder belangrijk dat de veertig extra personeelsleden die zijn toegewezen, zowel aan de Justitiehuizen als aan het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht, effectief en efficiënt en snel worden ingezet, en dat de nieuwe oplevering van de elektronische enkelbanden ook in 2017 eindelijk een feit mag worden.

In verband met het elektronisch toezicht hebben wij heel hard gehamerd op – en we zijn blij dat er in 2017 ook vooruitgang wordt geboekt – de leefvergoedingen die mensen onder elektronisch toezicht ontvangen. Die zullen nu automatisch worden teruggevorderd; daar moet op worden ingezet. Dat is in het verleden nooit gebeurd, nu Vlaanderen bevoegd is, zullen we de leefvergoedingen die mensen onder elektronisch toezicht onterecht hebben ontvangen, wel terugkrijgen.

Op die manier bouwen wij aan een warm en solidair Vlaanderen. We hopen in 2017 met dit grote budget voor Welzijn effectief werk maken van een warm Vlaanderen. (Applaus bij de N-VA)

De heer Anseeuw heeft het woord.

Collega’s, minstens zo belangrijk als een budget is wat je ermee doet. En een toegankelijke geestelijke gezondheidszorg is in Vlaanderen nog altijd een probleem. Het is natuurlijk een gedeelde bevoegdheid met het federale niveau. Het is daarom ook goed dat u geestelijke gezondheidszorg hoog op de agenda zet.

Een rationele spreiding van de middelen, ook geografisch, zeker in het licht van de vermaatschappelijking van de zorg, is daarbij belangrijk. Ik heb die zin gekopieerd uit mijn betoog over de begroting van vorig jaar, maar hij is nog steeds actueel.

De wachttijden in de centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s) zijn niet echt gedaald. Natuurlijk, de cgg’s zijn geen eiland op zich in het landschap van de geestelijke gezondheidszorg. Niet alleen voldoende aanbod maar ook de doorstroming in, van en naar de centra is daarbij een sleutel tot een betere toegang van de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen. Deze passage, ook bijzonder actueel, heb ik uit een eerder betoog van mezelf van twee jaar geleden. Ik zou die passages hier nu als een halve gare kunnen hernemen, maar ik zal dat niet doen, want dat zou klinkklare waanzin zijn. Einstein zei het al: “Waanzin is altijd hetzelfde blijven doen en toch een ander resultaat verwachten.” Ik zal er nu dus over zwijgen.

Maar wat ik wel herneem, zijn mijn bedenkingen bij uw actieplan relatieondersteuning waarbij u een duurzame partnerrelatie wat mij betreft nogal eenzijdig als zaligmakende norm naar voren schuift, terwijl er verschillende gezinsvormen zijn vandaag en terwijl er ook een groep mensen is – ik heb het u eerder al gezegd – die helemaal niet gedijen in zo’n partnerrelatie. Die mensen hebben dan ook geen boodschap aan enige sociale druk in die zin.

Minister, ik twijfel hoegenaamd niet aan uw goede intenties. 2017 wordt het jaar van de doorbraak op vele fronten in de geestelijke gezondheidszorg. Er komt een nieuw decreet. Het actieplan Geestelijke Gezondheidszorg zit er aan te komen. Het is bijna af. Maar daarover is er nu al wat bezorgdheid – ik zal dan ook afsluiten met een vraag daarover.

Voor de centrale aanspreekpunten voor gedetineerden met een verslavingsproblematiek voorziet u in het nodige geld vanaf 1 januari 2017. Het gaat vandaag om 3,5 voltijds equivalenten, die ervoor moeten zorgen dat verslaafden in Vlaamse gevangenissen de weg wordt getoond naar de hulpverlening. Maar ik las in het actieplan dat u die doelgroep wilt uitbreiden naar alle gedetineerden met een psychische problematiek. Als u dat nu gaat doen zonder bijkomende mensen en middelen, betekent dat de facto natuurlijk een afbouw van de hulpverlening aan gevangenen met een verslavingsproblematiek, terwijl u enkele weken geleden nog maar in een antwoord op een actuele vraag van mij hierover continuïteit hebt beloofd. Minister, kunt u hierover wat duidelijkheid verschaffen? (Applaus bij de N-VA)

De heer De Bruyn heeft het woord.

Ministers, collega’s, voorzitter, de aanpak van armoede en sociale uitsluiting is en blijft een speerpunt van deze Vlaamse Regering. En al is de situatie in Vlaanderen wel degelijk aanzienlijk beter dan de situatie in Brussel of Wallonië, er is geen enkele plaats voor zelfgenoegzaamheid.

U kent de cijfers. In 2014 steeg het aandeel Vlamingen dat onder de armoederisicodrempel leeft nog lichtjes tot 11,1 procent. En de situatie van veel te veel eenoudergezinnen is bijzonder precair. Beter nieuws is er voor de leeftijdscategorie 65+. Daar is een duidelijke daling van het armoederisico zichtbaar. Ook de creatie van 55.000 nieuwe jobs in 2016 is goed nieuws, evenals de vooruitzichten wat betreft de jobcreatie de volgende jaren. Want inderdaad, een job is nog steeds het beste instrument om armoede aan te pakken. Niet enkel omwille van het inkomen, maar evident ook omwille van de vele sociale aspecten die ermee samenhangen: het uitbouwen van een ruimer netwerk, een groeiend zelfvertrouwen, toegenomen ontplooiingskansen, enzovoort.

Deze Vlaamse Regering neemt haar verantwoordelijkheid en maakt van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting een gemeenschappelijk project. Wie het VAPA tegen het licht houdt, merkt dat de Vlaamse ministers elk hun verantwoordelijkheid nemen. Aan minister Homans de taak om de inspanningen maximaal op elkaar af te stemmen. Hierin past onzes inziens ook een actualisatie en bijsturing van het VAPA volgend jaar. Als parlement willen en kunnen we daar een rol in spelen.

Het toetsingskader voor mij en mijn partij is daarbij steeds hetzelfde: draagt het gevoerde of voorgestelde beleid bij tot het voorkomen van armoede, levert het een bijdrage in het verder bestrijden van armoede en maakt het deel uit van een geïntegreerd beleid, een beleid met een visie waarin de verschillende overheden, weze het de Vlaamse, de federale of de lokale, samen met het middenveld als volwaardige partners rond de tafel zitten.

Collega’s, voor de tijd die mij nog rest, wijs ik graag op een aantal initiatieven die deze Vlaamse Regering genomen heeft en die een positieve impact hebben op de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. Sommige kwamen vandaag reeds aan bod, of komen later nog aan bod, maar ze hier aanstippen, lijkt me in elk geval zinvol.

Deze regering voorziet voor 2017 in extra investeringen voor de bouw van sociale woningen en het energiezuinig maken van deze woningen. Maar ook het invoeren van tijdelijke contracten verhoogt de kansen om een gepaste en aangepaste sociale woning te vinden. De hervorming van de kinderbijslag – en ja, ook wij wachten op de armoedetoets en het debat dat hierop zal volgen – zorgt voor een ruimer aandeel van sociale correcties binnen de kinderbijslag. Binnen het beleidsdomein Welzijn werden extra middelen vrijgemaakt voor de strijd tegen dak- en thuisloosheid.

Collega’s, dat zijn maar een paar voorbeelden die aantonen hoe belangrijk deze Vlaamse Regering de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting vindt.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

In de commissie hebben we natuurlijk over heel wat van de aangehaalde punten uitvoerig kunnen discussiëren, maar ik wil toch kort op enkele zaken in het algemeen reageren.

Zoals in het regeerakkoord is opgenomen, moeten we voor de ouderenzorg tot een nieuw financieringssysteem komen. Dat zijn we verplicht omdat we die bevoegdheid overnemen. Mijnheer Bertels, u hebt vast wel gelezen dat het de bedoeling is dat nieuwe systeem te oriënteren op basis van de zorgzwaarte. Dat criterium moet in een structurele nieuwe financieringstechniek worden meegenomen. U bent een beetje expert in deze sector en weet dan ook dat het een ingewikkelde oefening is. Het RIZIV-financieringssysteem is complex, en we zullen de transitie zeer zorgvuldig moeten uitvoeren. In alle eerlijkheid  verwacht ik dat we niet van de ene dag op de andere in een totaal nieuw systeem zullen zitten. We moeten de transitie maken en de oriëntatie en het fundament van het systeem zal in elk geval de zorgzwaarte moeten zijn.

Mevrouw Van den Brandt, u zegt dat we wanneer we op de huidige periode zullen terugkijken, alleen kommer en kwel zullen zien. Ik denk dat het iets genuanceerder zal zijn. De persoonsvolgende financiering, de Vlaamse sociale bescherming, de ondersteuning van de eerstelijnsgezondheidszorg, de nieuwe infrastructuurfinanciering, het geïntegreerd breed onthaal, dat zijn thema’s genoeg waarrond de transitie is ingezet. De sectoren vragen me nu trouwens eerder om even te kunnen verdiepen en de kans te krijgen om de hervormingen, die ze intellectueel zeer goed begrijpen, te verteren en op het terrein in de praktijk te brengen. Ik krijg eerder dat soort signalen, precies omdat er zo veel in beweging is. Dat is ook logisch, want een reeks hervormingen uit de vorige legislatuur voeren we nu uit én we krijgen door de zesde staatshervorming ook nieuwe kansen. Het zou bijzonder jammer zijn als we die nu niet zouden grijpen. Nu kunnen we langdurige zorgondersteuning in één systeem onderbrengen, één kas, één indicatiestelling, automatische toekenning van rechten en noem maar op. Daarvoor moeten we nu de fundamenten leggen, maar het zal nog jaren werk vragen om het nieuwe systeem in al zijn consequenties uit te voeren.

Ik ben natuurlijk heel dankbaar dat collega’s ook hun appreciatie over bepaalde zaken hebben uitgedrukt.

Misschien nog iets over de kinderopvang. Het is duidelijk dat we nog een aantal jaren zullen moeten investeren, niet alleen in de capaciteit, maar ook in de financiële leefbaarheid, het gelijktrekken van de arbeidsvoorwaarden enzovoort. We moeten met het budget dat voor 2017 is uitgetrokken, een reeks evenwichtige keuzes maken. We hebben dat in de commissie uitvoerig besproken. Toch wil ik nog op een nieuw element wijzen dat belangrijk is ook als het over de levensvatbaarheid van de initiatieven gaat. In het nieuwe systeem van de kinderbijslag voorzien we in een ondersteuning voor mensen die hun kinderen aan een opvanginitiatief uit de eerste trap toevertrouwen. We hebben daar niet zomaar voor gekozen. We willen op die manier de participatiegraad verhogen, maar ook het gehele systeem levensvatbaarder en aantrekkelijker maken door een combinatie van mensen met een vrij tarief en mensen met een inkomensgerelateerd tarief.

De geestelijke gezondheidszorg blijft hoe dan ook een issue. Het actieplan is rond. De centra voor geestelijke gezondheidszorg vormen voor jongeren natuurlijk niet het enige antwoord op het vlak van kinderpsychiatrische zorg. Ik kan u bevestigen dat we deze groep een stuk nieuw beleid in de geestelijke gezondheidszorg zullen opzetten. We zullen de eerstelijns psychologische functie ook naar kinderen en jongeren proberen uit te breiden en we zullen vroegdetectie bij jongeren stimuleren en daarvoor extra budget uittrekken.

Zoals afgesproken zijn we in overleg met Justitie om de functie van het CAP, het Centraal aanmeldpunt, over te nemen. We zullen het inderdaad integreren in het brede verhaal van de geestelijke gezondheidszorg. Dat is ook de consequentie van onze conceptnota over verslavingszorg. Maar zeker in de eerste fase zullen we natuurlijk de prioriteit bij de verslavingsproblematiek leggen.

Het feit dat we dat wat breder kunnen inkaderen zal een aantal opportuniteiten bieden. We zullen moeten afspreken met de gezondheidsdiensten en de PSD-afdelingen van de gevangenissen om een goed samenspel te krijgen. Het is natuurlijk de bedoeling om de punten die wij financieren om de uitstroom en het vroegtijdig detecteren van diegenen die een bijzondere begeleiding en zorg nodig zullen hebben bij uitstroom goed uit te werken. De gesprekken daarover zijn nu in een finale fase.

Mevrouw van der Vloet, ik stalk als het ware het VAPH met vragen over de groene zorg. Ik weet dat dat uw zorg is en ik probeer het VAPH te overtuigen om dat besluit te finaliseren. Op dit moment liggen er bij het VAPH heel wat dossiers voor, onder meer die welke al genoemd zijn, zoals de problematiek van het kortverblijf en de zorggarantie zeven dagen op zeven. Dat zijn thema’s die nu binnen het agentschap de prioriteit moeten krijgen.

Over armoede kan mijn collega Homans misschien nog enige aanvullende informatie geven. Ik denk dat de budgettaire mogelijkheden die er zijn, volgend jaar echt wel een aantal bewegingen kunnen versterken en ondersteunen. Sommige collega’s hebben terecht verwezen naar het feit dat er ook een aantal grote decretale oefeningen moeten gebeuren, en die zijn nu in volle voorbereiding. Die hoop ik ook op het goede moment in 2017 aan u te kunnen voorleggen.

Minister Homans heeft het woord.

Minister Liesbeth Homans

Een aantal parlementsleden hebben het over armoede gehad. De heer De Bruyn heeft het belangrijkste al gezegd. De cijfers, die dateren van 2014, zijn niet goed. We zien nog een stijgende trend, en dat is absoluut niet toe te juichen. Ondertussen zijn er al verschillende maatregelen genomen, die weliswaar nog geen effect sorteren in de cijfers. U weet dat er verschillende hefbomen zijn. Ik kreeg een concrete vraag van de heer Van Malderen, die zeer constructief was, en die wou weten of het nog altijd mijn ambitie was om de kinderarmoede tegen 2020 te halveren. Mijn antwoord daarop is: ja.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Een ambitie hebben is goed, maar de vraag was of u er oprecht van overtuigd blijft dat u die ambitie ook zult kunnen waarmaken. Daar heb ik voorlopig nog geen antwoord op.

Minister Liesbeth Homans

Ook op die vraag is het antwoord: ja.

Daar neem ik akte van.

Minister Vandeurzen, van u heb ik geen antwoord gekregen op de vraag naar de manier waarop we enkele nog hangende vragen in verband met de opstart van de PVF zullen aanpakken en vooral financieren. Ik vroeg u uitdrukkelijk om het uitbreidingsbeleid, en dat is een grote enveloppe, persoonsvolgend aan te wenden, zodat de middelen die bestemd zijn voor mensen met een handicap, ook bij mensen met een handicap terechtkomen. Als u andere besognes hebt, en daar heb ik begrip voor, vind ik dat die vanuit een andere bron moeten worden gefinancierd. Heel veel mensen uit die sector hebben nood aan duidelijkheid, en daarom wil ik u die vraag nogmaals voorleggen.

Minister Jo Vandeurzen

We zullen daarvoor een reglementaire basis moeten maken. Dat zal met besluiten van de Vlaamse Regering moeten gebeuren. De budgettaire consequenties van een en ander zullen niet allemaal merkbaar zijn in het jaar 2017. We gaan het uitbreidingsbeleid daar niet voor aanwenden, maar we gaan inderdaad met de sector moeten kijken of bijvoorbeeld via een aantal mechanismen, waarin in het oorspronkelijke transitieplan ook voorzien was, correcties kunnen worden uitgevoerd tussen de verschillende voorzieningen. We moeten ook nog ramingen bekijken in functie van de dynamiek van het systeem in de eerste periode.

We gaan met de sector een aantal van die evoluties bekijken. In functie daarvan en van de budgettaire mogelijkheden die dat misschien kan opleveren, gaan we kijken hoe we dat plan zullen onderbouwen. De afspraak met de sector is dat we de taskforce opnieuw installeren om dat grondig te bekijken. We gaan snel, in januari, die afspraak waarmaken.

Verontschuldigingen
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.