U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten.

De algemene bespreking is geopend.

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, het regeerakkoord stelt duidelijk dat er alternatieve pistes zullen worden onderzocht voor een meer kleinschalige Design Build Finance Maintain (DBFM). De absolute voorwaarde daarbij was dat de operatie ESR-neutraal diende te zijn. Het antwoord daarop is duidelijk bevestigend, aldus de minister. In het begin van deze regeerperiode werd het Masterplan Scholenbouw opgesteld, dat eveneens verwees naar alternatieve financiering. Onze voorkeur is duidelijk een financiering via reguliere middelen, maar binnen de huidige budgettaire context is dit een verantwoorde keuze.

Onze fractie hoopt vooral dat de DBFM-middelen op termijn niet in mindering zullen worden gebracht van de reguliere wachtlijst. De minister heeft onomwonden gesteld dat het niet de bedoeling is om deze middelen te laten interen op de reguliere middelen. Ze wenst zeker de twee sporen te behouden. De bedoeling is ook dat er voor de begeleiding van de scholen een projectbureau wordt opgericht, wat uiteraard een goede zaak is. Ik denk dat daarnaast ook de koepels hun scholen zouden moeten bijstaan met technische en juridische ondersteuning, zoals bij Scholen van Morgen. Tot nog toe kregen ze daar ook een vergoeding voor. De minister heeft geantwoord dat daarover nog verdere discussie mogelijk is.

Ik sta heel positief tegenover het multifunctionele gebruik van schoolgebouwen, maar het is niet altijd evident om met derde partners goede afspraken te maken voor een periode van dertig jaar. De minister heeft erop gewezen dat bij deze interpretatie flexibiliteit wenselijk en noodzakelijk is, zodat de verenigingen elkaar kunnen opvolgen, wat uiteraard heel wat soelaas kan bieden op dit vlak.

Onze fractie vindt het logisch dat het overheidssubsidiëringspercentage hetzelfde blijft als bij Scholen van Morgen, namelijk 81,5 procent voor het vrij basisonderwijs en 71,5 procent voor het vrij secundair onderwijs. Dat is ook nodig om deze operatie voor deze schoolbesturen financieel haalbaar te maken.

Voorzitter, het amendement dat de meerderheid heeft ingediend, heeft betrekking op de eerste paragraaf van artikel 15. De reden hiervoor is dat er in het ontwerp van decreet, dat door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd voor de begrotingsopmaak 2017 rond was, nog sprake is van een investeringsprogramma van 200 miljoen euro. Bij de begrotingsopmaak heeft de regering echter beslist om 300 miljoen euro uit te trekken voor dit DBFM-investeringsprogramma in schoolinfrastructuur. De oorspronkelijke tekst stelde dat de Vlaamse Regering maximaal 15 miljoen euro per jaar zou vastleggen voor de beschikbaarheidsvergoeding. Het is dan ook logisch dat dit in de gegeven omstandigheden eveneens met de helft wordt verhoogd, tot 22,5 miljoen euro per jaar.

Minister, ik heb nog een bijkomend vraagje naar aanleiding van onze actuele vraag van vorige week. Heeft de federale minister van Pensioenen, of de federale minister van Financiën, reeds met u contact opgenomen in verband met zijn idee om de middelen van de tweede pensioenpijler te investeren in schoolgebouwen?

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Voorzitter, minister, beste collega’s, dit ontwerp van decreet betreffende DBFM-light, als ik het zo mag omschrijven, is ook voor onze fractie belangrijk, om een aantal redenen. Na de grote operatie inzake DBFM willen we vermijden dat de expertise die in Vlaanderen de afgelopen jaren is opgebouwd, verloren zou gaan.

Ik wil onderstrepen dat we de grote operatie die op dit moment nog volop aan de gang is, tot zeer grote tevredenheid van de schoolbesturen, die met deze nv en deze werkwijze van start zijn gegaan en werken, effectief blijven capteren.

Het is belangrijk omwille van de goesting op het terrein. De goesting op het terrein van schoolbesturen en koepels is groot. Collega’s Krekels en Schryvers waren gisteren met mij op een vergadering van onze koepelorganisatie van onderwijs van Vlaamse steden en gemeenten. Daar hebben we het punt behandeld, nog voor er hier vandaag over wordt gestemd. We zijn ons al aan het voorbereiden bij het officieel gesubsidieerd onderwijs. In ieder geval gaan we daar voluit inzetten op wat dit ontwerp van decreet aan mogelijkheden biedt. We zijn al aan het bekijken hoe we dat gaan trekken.

Ik moet op dat vlak de verslaggever wel enigszins corrigeren. In zijn verslag had hij het over percentages van 81,5 en 71,5 procent voor het vrij onderwijs, maar het is effectief voor het vrij en het officieel gesubsidieerd onderwijs. Dat wou ik even rechtzetten. Voor al onze steden en gemeenten is dat geen onbelangrijke mededeling.

Dit ontwerp van decreet is zeker ook belangrijk voor de kleinere inrichtende machten. Het bundelen van het ontwerpen, het bouwen, het financieren en het onderhoud is zeer goed. We weten uit het onderzoek dat het effectief ook een grotere kost is, maar de expertise die ermee gemoeid is om een bouw tot een goed einde te brengen, de kostprijs binnen de perken te houden en vooral de timing te respecteren, is niet te onderschatten. We zien dat die aspecten binnen deze formule echt wel tot hun recht komen.

We pleiten wel voor een goede opvolging. De verslaggever had het in zijn verslag over de moeilijkheden die er kunnen zijn bij het delen van infrastructuur, maar ik trap een open deur in als ik zeg dat het delen van infrastructuur die voor het grootste stuk met publieke gelden gebouwd wordt, cruciaal is. Ik kijk in dat verband ook naar andere Vlaamse beleidsdomeinen, zoals Cultuur, Jeugd en Sport. Daar blijft over de grenzen van de verschillende fracties en partijen heen toch nog enige ongerustheid over, dat dat ook in deze formule niet van bij de start voor iedereen die instapt zo evident is. We merken bijvoorbeeld als scholen hun infrastructuur binnen DBFM willen openstellen, dat er contractueel nogal wat angeltjes zijn en er nogal wat addertjes onder het gras zitten.

Deze nieuwe injectie van 300 miljoen euro moet ook wel grote impact hebben op de bouwsector. We zien bij de grote DBFM dat het effectief wel grote bedrijven uit Vlaanderen zijn die intekenen, maar zij gebruiken heel veel personeel van buiten Vlaanderen en België. Op zich is dat geen probleem, in het kader van het Europese vrije verkeer van personen, maar aan de andere kant hebben we altijd gezegd dat dit soort injecties een versteviging moet zijn voor doelgroepen in Vlaanderen die in de bouwsector zouden kunnen worden tewerkgesteld. Op dat vlak blijven we met bijzondere aandacht kijken naar het effect van deze operatie.

Een laatste punt is veeleer voor een soort derde DBFM-operatie. Wij hopen vanuit onze fractie dat de dko-instellingen en dus ook de steden en gemeenten die daarin investeren, daarin opgenomen worden. De infrastructuur van dko wordt immers – niet alleen vanuit het beleid, maar ook vanop het terrein – nog stiefmoederlijk behandeld.

Voor ons is het duidelijk: als dit ontwerp van decreet opnieuw succesvol is, moeten we snel tot een derde operatie komen. De ervaring die zal worden opgedaan in de ad-hoccommissie rond alternatieve financiering, kunnen we zeker meenemen. Het is misschien ook een optie om de pensioenfondsen die naar duurzame investeringen zoeken, ook te kunnen vrijmaken en te investeren in het onderwijs.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Collega Vandenberghe en ik hebben het ontwerp van decreet van nabij opgevolgd. U weet dat wij ons in de commissie hebben onthouden. We gaan dat nu ook doen.

Wat we goed vinden aan dit ontwerp van decreet, is uiteraard dat het heel duidelijk uitgaat van de uitdagingen die er inzake schoolinfrastructuur zijn in Vlaanderen. Die zijn gigantisch. Nieuwe formules, zoals de DBFM, de eerste in het kader van Scholen van Morgen, hebben voor een inhaalbeweging van anderhalf miljard euro gezorgd.

Dat vinden we dus uiteraard positief. Wij als sp.a zijn voorstander, naast de DBFM-formules, van reguliere en structureel bijkomende financiering voor scholenbouw en renovatie. We vinden het een goede zaak dat die twee paden hand in hand gaan en dat ze wederzijds versterkend kunnen werken.

Het plan met dit projectspecifieke DBFM, naast de klassieke grotere DBFM, is het mobiliseren van privaat geld. Dat vinden we een goede zaak, al mocht het voor ons nog een stapje verder gaan, zodat ook het spaargeld van private investeerders gemobiliseerd zou kunnen worden. We hebben dat ook zelf aangegeven in onze conceptnota schoolinfrastructuur, die hopelijk mee ter inspiratie van uw conceptnota heeft kunnen dienen.

Ik herhaal en benadruk een aantal andere elementen die al zijn vermeld door collega De Ro. Voor ons moeten in de eerste plaats de capaciteitsnoden gelenigd worden. Dat lijkt nogal evident: voor elk kind een stoel. Maar wat we ook zeer belangrijk vinden, is dat de staat van ons schoolpatrimonium op het niveau van de 21e eeuw komt. Dat is nu nog lang niet overal het geval. We staan voor multifunctioneel gebruik van schoolinfrastructuur, zeker voor de versterking van de naschoolse opvang in het kader van de Brede School en Scholen van Morgen. Die geven daar toch wel het goede voorbeeld.

Waar een aantal vragen bij te stellen zijn in het kader van Scholen van Morgen, is dat als je op het terrein gaat, schoolbesturen en -directies wel eens durven aan te kaarten dat het onderhoud niet altijd even flexibel is. Daar moet aandacht voor zijn in de projectspecifieke DBFM. Ook wordt gezegd dat het multimodaal ter beschikking stellen van andere verenigingen en andere autoriteiten in de buurt ook niet altijd gemakkelijk wordt gemaakt. We hopen dat dit binnen deze projectspecifieke DBFM flexibeler kan en meer gebruik zal genereren.

We pleiten daarnaast ook voor flexibiliteit in omvang. Als u 300 miljoen euro genereert kunnen er uiteraard kleine en grote projecten intekenen. We denken dat naast flexibiliteit in omvang ook flexibiliteit in timing wenselijk is. Nu voorziet men dertig jaar, naar het voorbeeld van de grote DBFM, we denken dat daar meer vrijheid moet geboden worden aan de inrichtende machten en de subsidiërende overheden of instellingen.

Tot slot wil ik nog een fundamentele opmerking maken. We zijn uiteraard tevreden dat er naast de klassieke publieke middelen ook bijkomende private middelen gemobiliseerd kunnen worden voor scholenbouw, maar net als de VLOR zijn we er geen voorstander van om het ene door het andere te vervangen. Het mobiliseren van privaat kapitaal mag geen excuus zijn om de reguliere middelen te inhiberen. Het mag ook geen nuloperatie zijn, het moet wel degelijk om extra geld gaan. Ook ons gaat de concordantie met onderwijsdecreet II na aan het hart. We vragen ons af hoe u dat zult garanderen.

Kortom: we zijn blij met elke extra euro voor scholenbouw, we hebben enkele vragen bij de verdeling van de middelen en we willen een positieve aanmoediging laten klinken vanuit de oppositie.

De voorzitter

De heer Rzoska heeft het woord.

Minister, we hebben hierover stevig gediscussieerd in de commissie. Vanuit onze fractie wil ik nogmaals onderstrepen dat Groen niet tegen het mobiliseren van middelen op de private kapitaalmarkt is om in één of andere samenwerking te zorgen voor extra schoolgebouwen. Iedereen die regelmatig rondloopt op het terrein, zoals u wellicht dagelijks doet, wordt geconfronteerd met schoolgebouwen die niet echt meer up-to-date zijn en die niet meer voldoen aan de criteria die vandaag gelden.

Toch houd ik mijn kritiek vol waarom ik vind dat u te vroeg komt met dit DBFM-decreet. Ten eerste had ik verwacht dat u het parlement een stevige evaluatie zou bezorgen over de grote DBFM Scholen van Morgen.

Als er nu één pps-project is in Vlaanderen waar we op zijn minst een hobbelig parcours mee hebben gelopen, dan is dat Scholen van Morgen. Aanvankelijk was het een pps. Ik heb alle – toen nog vertrouwelijke – stukken ingekeken, mede op instigatie van de voorzitter, om te zien hoe ook de vorige Vlaamse Regering worstelde met dat dossier en allerhande constructies aan Eurostat opsolferde om toch maar de Scholen van Morgen uit het budget te houden. Dat is uiteindelijk niet gelukt.

Als men terug naar DBFM wil gaan, moet men op zijn minst een stevige evaluatie en analyse maken van het vorige grote DBFM-project Scholen voor Morgen. Dat hebt u niet gedaan. U hebt mondeling een aantal elementen aangegeven, maar ik vind dat u als u een volgende stap zet, met een budget van dergelijke omvang, aan het parlement een stevige evaluatie moet bezorgen op papier. Elke decreetgever zou moeten beginnen met een stevige analyse: wat is er fout gegaan? Wat is er goed gelopen? Wat willen we overnemen? Wat willen we bijsturen?

In de twee afgelopen weken zagen we in de commissie één rode draad die bij alle actoren – het Rekenhof, de Nationale Bank deze morgen nog, EPEC als onderdeel van de Europese Bank en hun pps-specialist – terugkeerde, en dat was: zet nooit een pps-project op voor debudgettering of om zaken uit de balans te houden. Dat is fout. Dat levert vaak, ook internationaal, foute projecten op.

In uw argumentatie verwijst u naar het advies van Eurostat over de mini-DBFM: het is off-balance en we hebben de garantie van Eurostat. En u kiest daarmee om een verkeerde reden opnieuw voor een pps. Ik ben niet tegen een pps, maar de afgelopen twee weken heeft iedereen gezegd dat men de pps op een andere manier moet argumenteren. Er moeten intrinsieke kwaliteiten zijn om over te gaan tot pps en debudgettering kan daarin geen element zijn. Dat is een verkeerde insteek om privaat kapitaal te gaan mobiliseren.

In de pers is er zeer positief gereageerd. We hebben de garantie van Europa. Ik heb het advies van Eurostat goed gelezen. U hebt de mini-DBFM – ik noem hem mini-DBFM zoals de heer De Ro spreekt van een DBFM light – voorgelegd aan Eurostat en het advies is niet zo positief. Het is positief voor zover men de informatie die u ter beschikking hebt gesteld, kan inschatten.

Maar belangrijk is dat Eurostat zegt: alles hangt natuurlijk af van het contract op het moment dat u het gaat afsluiten. Dan kunnen we kijken of alle voorwaarden voldaan zijn, want op pagina 3 en 4 concluderen zij met een aantal stevige voorwaarden, op basis waarvan ze zeggen dat het inderdaad off-balance zou zijn. Er zitten in heel het advies wel degelijk een aantal opmerkingen die Eurostat nu niet kan inschatten omdat ze niet beschikken over de informatie of omdat de hele beweging naar het mini-DBFM nog niet zo ver staat dat ze geen sluitend definitief advies geven. Ik begrijp uit het advies dat ze nog altijd op basis van de afgesloten contracten willen kijken of het off- of on-balance is. De afgelopen weken is er in mijn ogen iets te positief gecommuniceerd over die zogenaamde garantie vanuit Eurostat. Als u de moeite neemt, collega’s, om het advies te bekijken, zult u zien dat er weerhaken inzitten waar u niet over kunt lezen.

Een ander element in het advies van Eurostat, en daar hebben verschillende collega’s naar verwezen, is natuurlijk het gebruik van de nieuwe scholen buiten de schooluren. Het thema werd hier al vaker aangeraakt. Minister, ik moet dat indirect doen, ik twijfel eraan of wat u in de mini-DBFM op tafel legt, een antwoord is op de terechte vraag van heel wat collega’s om de infrastructuur ook nog te kunnen gebruiken buiten de uren dat de inrichtende macht hem gebruikt. Ik zeg dat omdat in het Eurostatadvies duidelijk staat dat er een periode wordt afgebakend die te maken heeft met de schoolkalender, er worden een aantal weekends afgebakend voor schoolactiviteiten of allerhande feesten.

Tegelijkertijd staat er dat het buiten die periode eigenlijk aan de partner is om de beschikbaarheid te regelen. Deze morgen heeft de vertegenwoordiger van het EPEC nog gezegd: op het moment dat dat gevraagd wordt aan een privépartner, dan gaat het geld kosten. Daarover gaat het natuurlijk: wat is het budget? Is het nog interessant om als derde partij, bij wijze van spreken, op die momenten schoolinfrastructuur te gaan gebruiken als men geconfronteerd wordt met een zeer groot bedrag om ze te kunnen gebruiken?

Met andere woorden, ik begrijp absoluut niet waarom we op dit moment dit decreet op tafel leggen. Er is een evaluatie aan de gang, met een pps-commissie. Iedereen die daarnaartoe gaat, is er zeer tevreden over. Ze heeft een zeer goede start genomen. We willen als parlement die evaluatie maken. Ik heb er ook voor geijverd dat die commissie er komt. Als ik dan in de begrotingsopmaak van 2017 zie dat er niet in beleidskredieten is voorzien voor dit decreet, dat er zelfs niet in betaalkredieten is voorzien voor dit decreet, dat er twee keer nul staat, dan moet ik eerlijk zeggen: vanwaar die hoogdringendheid?

Waarom zou u het parlement niet de gelegenheid geven – die is gelimiteerd in de tijd – om de evaluatie te maken, om te kijken hoe we op een deftige manier pps-projecten in de toekomst in elkaar kunnen steken die de toetssteen doorstaan, om te kijken wat daarvoor de drijfveren moeten zijn? Waarom moeten we dan nu snel dit decreet gaan goedkeuren? Ik zie de reden niet, vooral niet op het moment dat ik de begroting zag en zag dat er geen middelen, geen beleidskredieten waren. Er kan niets vastgelegd worden. Er zijn geen betaalkredieten. 

Ik blijf met een wrang gevoel zitten. Het parlement is bereid om in alle openheid die oefening te maken. Ikzelf en mijn fractie hebben ons daar ook in ingeschreven. Toch wordt hier nu al een nieuw systeem op tafel gelegd waarin ik, na uw toelichting in de commissie, wel een aantal elementen van evaluatie heb gevonden van de grote DBFM, maar wat mij betreft, is dat onvoldoende om nu al opnieuw deze stap te zetten.

Minister, het zal u niet verwonderen dat mijn stemgedrag en dat van mijn fractie niet gewijzigd is: ik blijf bij dat standpunt. Ik hoop dat u misschien toch nog open staat voor de argumenten om dit even te temporiseren, om te wachten tot het parlement zijn werk heeft gedaan en dan eventueel kamerbreed steun te krijgen. Op deze manier kunnen we dit niet goedkeuren. We willen het ook niet afkeuren, want ik ben daarmee begonnen. We zijn niet tegen het mobiliseren van privékapitaal in het kader van schoolgebouwen, maar we zouden het liever op een andere, onderbouwde manier zien. Mijn fractie zal zich onthouden.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Er is al veel gezegd, ik ga proberen het kort te houden. Alle mogelijke middelen die we kunnen mobiliseren om schoolinfrastructuur in stand te houden en bij te bouwen, moeten we effectief mobiliseren. Dit decreet is daar één van.

Het is ook belangrijk dat we de expertise die we hebben opgebouwd bij Scholen van Morgen in het kader van pps-DBFM aanwenden. Onze fractie is ook zeer tevreden dat dit een ‘pps-light’, of een ‘DBFM-light’ is, omdat de scholen zelf meer impact hebben in dat verhaal. Dat is positief, want dat was een van de kritiekpunten in de ‘grote’ pps.

Wat de scholen en inrichtende machten betreft die in ogenschouw worden genomen om in te stappen, zijn er acht criteria. We moeten wel kijken hoe we het capaciteitsgebrek en de bouwvalligheid laten sporen met chronologie op de wachtlijst. U zou kunnen zeggen dat een school die nooit heeft geïnvesteerd, nooit inspanningen heeft geleverd en een bouwval is geworden, voorgaat op degenen die trouw hun school hebben onderhouden. Dat zou toch een beetje raar zijn. Daar moeten we nog eens goed naar kijken.

Wat de aannemers betreft, hebben we in de commissie ook aangehaald dat in de grote DBFM, de voorgaande DBFM, kleine aannemers niet bij machte waren om in te tekenen, door het totale bedrag. Wij hopen dat met deze kleinere DBFM er voor hen wel mogelijkheid is om ook in te tekenen zodat we ook lokale werkgelegenheid kunnen opnemen. 

We vinden het zeer goed dat de multifunctionaliteit, zijnde de inzet van de schoolgebouwen in maximale mate, in het decreet staat, maar we moeten het ook bewerkstelligen. De problematiek op dat punt is: als men een contract afsluit voor nu tot en met binnen dertig jaar, dan is het mogelijk dat de inzet van het schoolgebouw wijzigt, dat de lokale noden wijzigen. We willen er dus toch zeker aandacht voor vragen dat die gewijzigde context ook kan worden meegenomen, zonder dat dit een bom geld kost om het open te breken of dat de private partner daar al te lucratieve zaken in kan schrijven. De projectdefinitie moet dus goed gebeuren.

Collega’s, ik sluit af met twee zaken.

De toepassing van OD II betreft de verhouding tussen de onderwijskoepels inzake de middelen die zij krijgen om onderwijsinfrastructuur te bouwen. Toen OD II werd gemaakt, werd vooropgesteld dat we om de vijf jaar zouden tellen en evalueren. Het is niet omdat in jaar X zoveel leerlingen in het ene net zitten, dat dit het jaar nadien nog hetzelfde zou zijn, laat staan dat dit geldt voor de verhouding. Wij zijn vragende partij om OD II te herevalueren, in verband met de verhoudingen tussen de netten.

Als we de pensioenfondsen zouden kunnen mobiliseren om ook in onderwijs te investeren, willen wij dat absoluut steunen. Mijnheer Rzoska, gezien de opmerkingen in de commissie ben ik het ermee eens dat we bij deze DBFM-light moeten opletten en evalueren, maar dat wil niet zeggen dat we nu een standstill moeten inbouwen voor een nood die overal gezien wordt als zeer ernstig en dringend. Daarom zullen wij dit ontwerp van decreet goedkeuren.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, de wachtlijsten en de historische achterstand in de scholenbouw zijn algemeen bekend. Die achterstanden en noden bestaan over alle onderwijsnetten heen. Mevrouw Gennez, ik steun u als u zegt dat het absoluut noodzakelijk is dat we naast de reguliere budgetten die we jaarlijks uittrekken voor scholenbouw, ongeveer 350 miljoen euro, bekijken hoe we private middelen kunnen mobiliseren om mee scholen te bouwen. Dat kan vandaag al, mevrouw Gennez. Het is nu bijvoorbeeld mogelijk – niet in het gemeenschapsonderwijs maar wel in het gesubsidieerd onderwijs – om, als het gaat over het betalen van private aandelen, een renteloze obligatielening af te sluiten die, uiteraard, wordt gefinancierd met privaat kapitaal. Ook als wij aan pps’en denken met die DBFM-contracten, is het perfect mogelijk dat private pensioenfondsen mee instappen in het project dat we straks willen realiseren. Mijnheer De Meyer, dat heb ik ook vorige week gesteld. Ik heb hierover nog geen ‘best and final offer’ gekregen van de federale minister van Pensioenen. Dat zal misschien nog komen. Maar ik heb wel begrepen dat het federale niveau geïnteresseerd is om die pensioenfondsen mee in te zetten voor projecten die een maatschappelijke meerwaarde hebben.

Mijnheer Rzoska, zo kom ik bij uw opmerking over de meerwaarde en het nut van pps’en. Ik ben het au fond eens met het feit dat een pps geen loutere budgettering mag zijn. Ik heb u proberen te overtuigen – maar het is mij blijkbaar niet gelukt, als ik uw uiteenzetting hoor – van de meerwaarde inzake scholenbouw omdat, als het gaat over het optrekken van nieuwe scholen, de school na X aantal jaren de eigenaar wordt van een gebouw dat nog heel veel jaren een meerwaarde kan blijven genereren. Ik vind wel dat je niet ver hoeft te zoeken om een objectieve meerwaarde te vinden in het proberen te realiseren van pps’en in scholenbouw.

Collega’s, het klopt dat wij dit ontwerp van decreet aan uw genadige goedkeuring durven voor te leggen, na weliswaar, zoals het hoort, een bespreking in de commissie, waarvoor we uitgebreid de tijd hebben genomen, maar wel vooraleer de algemene evaluatie van alle pps’en is afgerond. Dat is juist. Mijnheer Rzoska, ik heb dat toegegeven. Ik zal ook, namens maar ook met de Vlaamse Regering, zeer actief medewerking verlenen om de evaluatie van alle pps’en op een ordentelijke en goede wijze te laten verlopen.

Om nu te zeggen dat we dit dossier uitstellen tot de evaluatie volledig is afgerond, is voor mij ook bijzonder moeilijk. Want als je zo’n nieuwe pps wilt laten slagen, moet je een lang traject doorlopen. Wij volgen dat traject samen met Eurostat en het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Ik wil geen blauwtje lopen omdat het voor mij van belang is dat het een echte publiek-private samenwerking kan zijn en dat de engagementen die we nemen, ook ESR-neutraal worden aangemerkt. Het hoeft niet de hoofdbekommernis te zijn en er moet een meerwaarde zijn, maar het is natuurlijk wel een argument. Ik wil ten gronde, desnoods als pilootproject, met de Europese instanties overleggen.

Het advies dat is gegeven, is inderdaad nog geen finaal advies, maar het zet het kader waarbinnen wij kunnen werken. Er is al een ontwerpcontract meegestuurd. Het is nog niet het finale contract, want het zal worden bijgestuurd tot op het ogenblik dat we weten dat dit de standaard kan zijn om in de toekomst pps’en te maken. Ik hoop dat we er met dit dossier scholenbouw – en ik heb ook enige ervaring in de wegenbouw – in slagen om een standaard te zetten, ook inzake waarborg, die over veel meer zaken kan gaan dan alleen maar scholenbouw. We moeten helderheid krijgen hoe we met de private sector ESR-neutraal kunnen samenwerken.

Vandaar dat het voor mij van belang is dat we het lopende project kunnen goedkeuren. Er is niet met haast en spoed gewerkt. Er is al vrij veel over onderhandeld en dat zal in de toekomst ook nog nodig zijn.

Naast de onderhandelingen met Europa, moeten we ook scholen of scholengroepen vinden die bereid zijn om in deze innovatieve piste mee te stappen. We hadden een keuze. We konden nog een jaar wachten of we konden opnieuw 1,5 miljard euro in de markt zetten. We hebben tussen de twee gewerkt. We maken een tranche vrij van 200 plus 100, samen 300 miljoen euro. Het is een mooi bedrag. Mijnheer Rzoska, ik hoop dat het in de toekomst een veelvoud aan bedragen zou kunnen genereren, na uiteraard de evaluatie die is gebeurd.

Ik wens te vermijden dat we plots in een gat zouden vallen waarbij er geen publiek-private investeringen meer mogelijk zijn omdat ofwel de evaluatie nog loopt, ofwel we niet op tijd zijn om de nieuwe format vorm te geven. Ik beschouw dit als een pilootpiste om op een gedegen wijze privaat kapitaal aan te trekken om zo de broodnodige extra investeringen in scholenbouw te kunnen doen.

Niemand heeft het gevraagd – de heer De Ro heeft er een beetje naar verwezen –, maar ik heb gisteren met heel veel aandacht geluisterd naar het verhaal van de clausule van sociale dumping die men in Oostende in de bestekken opneemt. Ik heb ook de minister-president horen zeggen dat hij zal nagaan hoe we dat in de Vlaamse dossiers kunnen opnemen. Ik wil benadrukken dat we zullen nagaan of we ook in de pps-contracten zo’n clausule kunnen opnemen. Het kan een signaalfunctie hebben. We moeten uiteraard nagaan of het de toets kan doorstaan. Ik heb aan het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION) gevraagd om hiervoor een standaardclausule uit te werken die hopelijk ook in heel veel andere dossiers bruikbaar kan zijn.

Er zijn een aantal opmerkingen over de huidige gebouwen die worden opgetrokken, onder andere over het onderhoud. Het klopt inderdaad dat het zoeken is. Het is de eerste keer dat gebouwen worden opgetrokken waar in het bedrag dat wordt betaald, het onderhoud gedurende 30 jaar is inbegrepen. Het onderhoud moet zodanig gebeuren dat op het einde van de rit het gebouw ook nog in goede staat is. Dat is natuurlijk de reden waarom, als we spreken over multifunctioneel gebruik, het zo belangrijk is dat je bij het begin van het contract al afspraken maakt over het multifunctionele gebruik en dat die niet telkens moeten worden aangepast. Hoe meer je iets gebruikt, hoe groter de kans op slijtage en hoe groter de nood aan vervanging. Dat moet je meerekenen als je voor 30 jaar voor het onderhoud moet instaan.

Er waren ook opmerkingen over de multifunctionaliteit en hoe die kan worden vormgegeven. Het gaat natuurlijk over een publiek-private samenwerking. Dat betekent dat de private partner binnen de pps mee aan het stuur zit gedurende de hele DBFM-periode en dat je hun ook voldoende vrijheid moet geven om mee de invulling te doen.

Het is evident dat dit een kostprijs heeft, maar ik vind dat niet onlogisch. Ik heb samen met minister Muyters een project gelanceerd om multifunctionaliteit in sportinfrastructuur te stimuleren. Onze voorwaarde is net dat die sportinfrastructuur waar we een subsidie zullen geven om die multifunctioneel te maken, opengesteld wordt tegen marktconforme voorwaarden. We willen helemaal niet dat dit gratis gebeurt, maar wel dat het op een fatsoenlijke wijze gebeurt. De meerwaarde die je daarmee creëert ten opzichte van lokale overheden die net na de schooluren sportinfrastructuur nodig hebben terwijl de school die enkel tijdens de schooluren nodig heeft, is bijzonder groot. Daar mag de school ook wel een prijs voor vragen. Dat past perfect in wat we willen doen.

De lange duur van de contracten is een voorwaarde om ESR-neutraal te kunnen werken. Ik vind dat ook goed. Het is de eerste keer dat we weten wat onze uitgaven voor 30 jaar zullen zijn. We zijn voor 30 jaar verlost van alle onverwachte kosten voor onderhoud. Dat is een geruststelling en geeft ruimte om de begrotingen goed te keuren.

Om al deze redenen hoop ik dat dit dossier uw goedkeuring kan wegdragen. Als minister van Onderwijs ben ik trots dat we erin slagen om op een innovatieve wijze een pps-financiering opnieuw te openen in de toekomst, rekening houdend met een aantal lessen die we in het verleden hebben geleerd. Ik hoop ook om de evenwichten tussen de netten en koepels goed te honoreren.

Ik merk dat er veel interesse is voor de manier waarop we willen werken. Verschillende leden hebben gewezen op de voordelen van deze manier van werken. Voor mij is het belangrijkste dat we heel dicht bij de school proberen te werken en dat we meer impact geven aan scholen om mee aan het stuur te zitten van hun project.

Mijnheer De Meyer, het is uw grote zorg dat dit bij voorkeur niet gefinancierd wordt vanuit de reguliere middelen, maar dat er extra budgetten nodig zijn. Dat is de evidentie zelve. Mijnheer Rzoska, het is logisch dat er in 2017 geen middelen zijn ingeschreven, als je kijkt welk voorbereidend traject er doorlopen moet worden. Het is gewoon onmogelijk om al aan het bouwen te zijn eind 2017. We moeten de regelgeving nu vormgeven. Na de hopelijke goedkeuring van het ontwerp van decreet straks moeten we de contracten opmaken, de onderhandelingen voeren, een nieuwe financiële partner zoeken. Er is een enorme weg te gaan, maar zonder decretale basis kunnen we dit project niet vormgeven.

Om al deze redenen hoop ik dat u dit ontwerp van decreet kunt goedkeuren.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 893/3)

– De artikelen 1 tot en met 24 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.