U bent hier

De voorzitter

Voorstel tot aanvulling van de agenda

Dames en heren, vanmiddag heeft mevrouw Annick De Ridder bij motie van orde een voorstel gedaan tot aanvulling van de agenda met het voorstel van decreet van Annick De Ridder, Karin Brouwers, Marino Keulen, Lies Jans, Dirk de Kort en Paul Van Miert houdende de invoering van een regelluw kader in functie van de proefprojecten basisbereikbaarheid.

Mevrouw De Ridder heeft het woord.

Voorzitter, het gaat over een hoogdringend voorstel van decreet omdat we zo snel mogelijk met de proeftuinen willen starten. Als we het in het najaar willen uitrollen, dan lijkt het me logisch om nog voor het reces werk te maken van de toelichting en de stemming.

We hebben met de commissie beslist om een mondeling verslag toe te laten, dat zal worden uitgebracht door collega Vandenbroucke.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Is het parlement het eens met dat voorstel tot aanvulling van de agenda? (Instemming)

Dan stel ik voor dat het voorstel van decreet van Annick De Ridder, Karin Brouwers, Marino Keulen, Lies Jans, Dirk de Kort en Paul Van Miert houdende de invoering van een regelluw kader in functie van de proefprojecten basisbereikbaarheid onmiddellijk wordt behandeld.

Is het parlement daarmee eens? (Instemming)

Het incident is gesloten.

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het voorstel van decreet van Annick De Ridder, Karin Brouwers, Marino Keulen, Lies Jans, Dirk de Kort en Paul Van Miert houdende de invoering van een regelluw kader in functie van de proefprojecten basisbereikbaarheid.

De algemene bespreking is geopend.

De heer Vandenbroucke, verslaggever, heeft het woord voor een mondeling verslag.

Joris Vandenbroucke (sp·a)

Voorzitter, collega’s, de Commissie voor Mobiliteit en Openbare Werken is samengekomen op 23 juni 2016 en heeft het voorstel van decreet behandeld.

Het voorstel van decreet werd toegelicht door hoofdindiener Annick De Ridder. Het voorstel ruimt de decretale hinderpalen weg voor het opzetten van proefprojecten basisbereikbaarheid. In het voorstel wordt opgesomd welke bepalingen van het Mobiliteitsdecreet, van het decreet op het personenvervoer en het decreet met betrekking tot De Lijn opzij worden gezet om soepel te kunnen werken in de proeftuinen.

Zij situeert het voorstel als een eerste episode in overstap van het concept basismobiliteit naar basisbereikbaarheid. Haars inziens heeft basismobiliteit suboptimaal gewerkt. Het concept heeft in het openbaar vervoer geen goede afstemming kunnen teweegbrengen tussen vraag en aanbod en geen modal shift bevorderd in de richting van het openbaar vervoer.

Het concept basisbereikbaarheid is meer gericht op het bereikbaar maken van belangrijke maatschappelijke functies op basis van een vraaggericht systeem. Daaraan verbonden is ook de keuze voor combimobiliteit en het houdt ook de uitbouw van performante vervoersregio’s in.

De uitrol van vervoersregio’s wordt niet van bovenaf opgelegd maar eerst getest in proefprojecten.

Vervolgens heeft collega De Ridder de artikelen overlopen van het voorstel van decreet.

Artikel 3 bepaalt dat de Vlaamse Regering de vervoersregio’s aanwijst en kan beslissen om een beperkt aantal andere projecten op te starten.

Artikel 4 stelt dat het vervoer door derden in het geregeld vervoer mogelijk wordt gemaakt en dat de tarieven zoals die volgens de decretale procedure worden vastgelegd, enkel gelden voor het geregeld vervoer dat georganiseerd wordt door De Lijn.

Artikel 5 bepaalt dat de normen voor basismobiliteit niet langer zullen gelden waar een proefproject wordt uitgetest.

Voorts zullen ook verschillende voorwaarden voor het exploiteren van het geregeld vervoer niet van toepassing zijn op de proefprojecten.

Artikel 6 verklaart het Mobiliteitsdecreet gedeeltelijk buiten toepassing.

De indieners achten de voorgestelde aanpassingen belangrijk. Omdat de timing krap is, pleit Annick De Ridder voor een snelle goedkeuring.

Vervolgens werd overgegaan tot een debat en formuleerden verschillende leden opmerkingen.

Joris Vandenbroucke vindt het goed dat een stap wordt gezet in de uitvoering van de conceptnota basisbereikbaarheid, die immers goede elementen bevat, die ook in zijn eigen conceptnota zitten, zoals het hiërarchisch gestructureerde netwerk, vraagafhankelijke invulling in gebieden met een lagere en meer verspreide vraag, strategische mobiliteitsregie en grotere betrokkenheid van lokale besturen.

Anderzijds betwijfelt zijn fractie of het amalgaam van aanbieders in meer landelijke gebieden zal leiden tot een geïntegreerd aanbod. Het lid vreest integendeel voor versnippering en gaten.

Een ander aandachtspunt is de besluitvorming binnen een vervoersregio, waarin veel partners rond de tafel zitten. Moet een stad, die deel uitmaakt van een ruimere vervoersregio, voortaan de toestemming van de omliggende gemeenten vragen voor ingrepen op het eigen grondgebied, zo vraagt Joris Vandenbroucke zich af. Hij hoopt dat de inwoners van landelijke gebieden niet zullen worden geconfronteerd met hogere tarieven voor een aanbod dat niet langer alleen wordt verzorgd door een openbare vervoersmaatschappij. Al die zaken moeten blijken uit de proefprojecten. Het is dan ook goed dat ze met dit voorstel op gang worden gebracht.

Toch heeft het lid ook fundamentele bedenkingen bij wat voorligt. Op zich is een regelluw kader logisch, maar daarbij is het belangrijk dat die afzwakking van rechten en garanties, die vandaag in de regelgeving verankerd zijn, in tijd en omvang beperkt wordt. Daaraan komt het voorstel niet tegemoet. Er staat niets in over een beperkte duur.

Voorts wijst hij erop dat het voorstel, in tegenstelling tot de conceptnota basisbereikbaarheid, niet vermeldt waar de drie projecten zullen plaatsvinden. De mogelijkheid van een beperkte uitbreiding is volgens hem in strijd met die conceptnota. Dat zet, samen met het ontbreken van een einddatum, de deur open voor de Vlaamse Regering om het decreet Personenvervoer volledig on hold te zetten. Dat ondergraaft de rechtszekerheid voor de Vlaming en is in strijd met de geest van een proefproject.

Karin Brouwers treedt bij dat de experimenten een regelluw kader nodig hebben. Zij verzekert dat de indieners niet vinden dat alles zomaar moet kunnen. Zij is geen voorstander van een einddatum, want ze stelt nu al vast dat men niet overal evenveel zin heeft om er volop tegenaan te gaan.

Haar fractie vindt het wel belangrijk dat binnen het regelluwe kader ruimte wordt gemaakt voor meer kleinschalige projecten. Mevrouw Brouwers verwees onder andere naar de succesvolle buurtbus in Brasschaat.

Grotere projecten moeten volgens mevrouw Brouwers een vervoersplan uitwerken dat vertrekt van een hiërarchisch model. De kleinere leveren hopelijk kennis en ervaring op over vraagsturing in de ‘last mile’. Ze onderstreept dat haar fractie overigens van mening is dat in de tussentijd geen belbuslijnen mogen worden geschrapt.

Björn Rzoska benadrukt het belang van de omslag naar meer vervoer op maat. In de ‘first mile’ en de ‘last mile’ is heel wat innovatie mogelijk en Groen is er voorstander van om te bekijken wat daar kan. Juridisch roept het voorstel evenwel vragen op. Hoe zal het parlement bijvoorbeeld al de projecten kunnen volgen en evalueren waarvoor het voorstel feitelijk de deur zeer wijd openzet, ook al erkent hij meteen de waarde van veel aan de gang zijnde projecten in kleinere gemeenten? Voor hem is een proefproject per definitie tijdelijk.

Annick De Ridder verzekert dat het niet de bedoeling is op slinkse wijze een forse tariefverhoging door te voeren. Zij verzekert eveneens dat men niet eindeloos de proefprojecten wil laten doorlopen. Het is de bedoeling van de meerderheid het zo beperkt mogelijk te houden, te evalueren en uit te rollen.

Wat de locaties betreft, kan zij zich inbeelden dat men in een bepaalde regio zoals Antwerpen interesse heeft om een klein project zoals dat van Brasschaat uit te testen. Zij zegt niet dat dergelijke projecten er zullen komen, maar zij wil ze evenmin uitsluiten.

Joris Vandenbroucke wil geloven dat de indieners niet de bedoeling hebben dit eindeloos en overal te laten doorlopen, maar de beperking in tijd en omvang ontbreekt in het voorstel van decreet. Het lid vreest dat men op een aantal plaatsen in Vlaanderen de basismobiliteit feitelijk zou afschaffen, of er nu een plaatsvervangend kader komt of niet. Hij herhaalt wel zijn steun aan de proefprojecten op zich.

Hij noteert dat Karin Brouwers heeft verklaard dat er geen belbussen meer mogen worden afgeschaft tot er een nieuw regelgevend kader is. Dan rekent hij erop dat CD&V er ook voor zal ijveren dat de talrijke contracten die eind 2016 aflopen, allemaal worden verlengd.

Dirk de Kort wijst op de uitvoerige voorbereiding van het voorstel, met hoorzittingen en de bespreking van een conceptnota van de Vlaamse Regering. Hij stelt vast dat de realiteit nog ver staat van het gewenste perspectief voor het openbaar vervoer. Daarom zijn niet alleen de drie grote proefprojecten nodig, maar ook kleinere.

Björn Rzoska is overtuigd van de basisbereikbaarheid, maar blijft erbij dat het voorstel geen einddatum bevat. Hij wil de projecten gerust enig comfort gunnen, maar hier zet men de deur open zonder eindigheid. Annick De Ridder repliceert dat proefprojecten ophouden als de nieuwe regelgeving in werking treedt. Zij bevestigt nogmaals de oprechtheid van haar bedoelingen.

Joris Vandenbroucke wijst erop dat het de taak is van het parlement om de regering te controleren. Zonder plaats- en tijdafbakening, krijgt de Vlaamse Regering een blanco cheque en kan zij waar en wanneer zij dat wil, de bestaande regels on hold zetten.

Dan volgt de artikelsgewijze bespreking. Er werden drie amendementen ingediend. Een eerste amendement, voorgesteld door Joris Vandenbroucke strekt ertoe de drie vervoersregio’s expliciet te benoemen: Mechelen, Aalst en de Westhoek. Het amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding.

Een amendement nummer 2, voorgesteld door Joris Vandenbroucke strekt ertoe de Vlaamse Regering niet de mogelijkheid te bieden de proefprojecten uit te breiden. Het amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding.

Een amendement nummer 3 voorgesteld door Joris Vandenbroucke strekt ertoe de datum van 31 december 2017 te vermelden als uitdrukkelijke einddatum voor de opschorting van de rechten en garanties uit de drie genoemde decreten. Het amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 2.

Bij de eindstemming over het ongewijzigde voorstel van decreet werd het decreet goedgekeurd met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.

De voorzitter

De heer Vandenbroucke heeft een zeer helder verslag gegeven. Het is volgens mij zo helder dat er geen tussenkomsten meer zullen zijn.

Mevrouw De Ridder heeft het woord.

Dank aan de heer Vandenbroucke, die een zeer omstandig en correct verslag heeft uitgebracht over de bedoeling en de discussie die we in de commissie hebben gekend. Ik ga dus niet op de inhoud ingaan. Ik wil alleen toch eventjes stellen dat ik hoop dat het decreet, hoewel het tekstueel heel beperkt is, zeer ingrijpend zal zijn en een omslag zal kunnen maken van basismobiliteit naar basisbereikbaarheid via de proeftuinen.

Ik ga nog heel kort bij twee zaken stilstaan waarover er discussie was in de commissie. Een eerste zaak is de afbakening van de proefregio’s. Het klopt dat die afbakening niet in het decreet is opgenomen. Er wordt enkel, in artikel 3, bepaald dat de Vlaamse Regering die proefprojecten zal bepalen. Ik wil nogmaals verduidelijken – en dat is inmiddels ook al gebleken uit verschillende uiteenzettingen – dat er drie proeftuinen klaarstaan om te starten, namelijk Mechelen, Aalst en de Westhoek. Dat zijn de afgesproken startregio’s. Daar mag geen twijfel over bestaan. U zult ook lezen dat er na drie maanden eventueel een uitbreiding kan komen, maar die mogelijkheid is zeer voorzichtig omschreven. Het is niet de bedoeling om in bijvoorbeeld 87 gemeenten de regels aan de kant te zetten. Zeer voorzichtig gesteld kan de Vlaamse Regering desgevallend tot een uitbreiding beslissen, maar dat is dus zeer beperkend geformuleerd.

Het tweede punt is het aspect van de beperktheid in de tijd. Ik heb bij de looptijd van de proefprojecten al proberen te benadrukken dat het niet de bedoeling is om die proefprojecten eindeloos te laten duren, ook niet om op sluipende wijze, dus in heel Vlaanderen, een regelluwe of een regelloze zone uit te rollen, maar ik begrijp wel dat de discussie in de commissie over de nood aan meer comfort werd gevoerd. Daarom willen we voorstellen een amendement in te dienen, dat hopelijk kamerbreed wordt gedragen. Het komt er op vraag van de heren Vandenbroucke en Rzoska. Het voegt een einddatum in het voorstel van decreet in, met andere woorden, de proeftuin wordt wel degelijk beperkt tot ten laatste 31 maart 2018. We hopen uiteraard dat het sneller kan. De proeftuinen gaan een jaar rond draaien. We hopen dat we al eind 2017 conclusies kunnen trekken en naar een evaluatie kunnen gaan, maar de datum geeft comfort om de timing niet te beperkt op te vatten.

Wij hopen daarmee de basis te hebben gelegd voor een nieuw beleid. Het zijn proeftuinen die een jaar kunnen lopen, met een belangrijke rol voor de lokale overheden, die heel goed op de hoogte zijn van de lokale noden, en die aan de slag kunnen gaan met alle vormen van mobiliteit en vervoer, om tot een betere mobiliteit voor de Vlaming te komen. We hopen dan ook, met nog die bevestiging van de beperking in ruimte en van de beperking in tijd door middel van een amendement, dat dit voorstel op een ruime steun kan rekenen, waarvoor alvast mijn dank.

De voorzitter

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Collega’s, wij creëren hier vandaag een regelluw kader om grootschalige proefprojecten voor basisbereikbaarheid mogelijk te maken. We hopen dat we daarmee meerdere methodieken en ideeën kunnen aftoetsen, om van daaruit tot goede regelgeving te komen. Meestal is het omgekeerd: men schept een kader, men creëert regels, en nadien stelt men vast dat ze niet altijd even goed werken. Laten we hopen dat dit inderdaad zeker iets opbrengt.

Ik had het over grootschalige proefprojecten, de drie die hier al een paar keer genoemd zijn. Maar wij vonden het vanuit CD&V belangrijk om ook kleinschaliger proefprojecten eventueel een kans te geven. Er is al verwezen naar de succesvolle buurtbus in Brasschaat, die op die manier een uitbreiding zou kunnen kennen. Maar dat leidt ons allemaal te veel in detail.

Over die einddatum, waarover vandaag een amendement voorligt, wil ik ook nog wat zeggen. Ik had in de commissie inderdaad gezegd dat er nu al proefregio’s zijn die niet staan te springen om daar fel aan mee te werken. Als we een einddatum zetten en ze doen gedurende al die tijd niets, dan hebben we ook niets. Maar laten we het vandaag dan maar positief bekijken. Het is een mes dat aan twee kanten snijdt. Je kunt het ook zo zien dat je door die einddatum te stellen, ook de druk verhoogt om de in die conceptnota vooropgestelde timing aan te houden, en dus ook de timing die nu in dit uiteindelijke decreet zal staan, aan te houden.

Wij vinden het vanuit de CD&V-fractie belangrijk dat er in die tussenperiode beter geen belbuslijnen meer worden geschrapt zonder alternatief. Als er natuurlijk in het kader van die proefprojecten alternatieven worden onderzocht, is dat wat anders. Maar dat slaat natuurlijk op de regio’s die niet in de proefprojectenzone zitten en waarvoor nog altijd de gewone decreten zullen blijven gelden. Daar moet men dus eventjes een andere luwte in acht nemen en niet meer raken aan die belbussen, wat vorig jaar op een bepaald moment nogal drastisch gebeurde.

De voorzitter

De heer Vandenbroucke heeft het woord.

Joris Vandenbroucke (sp·a)

Ik ben natuurlijk heel tevreden dat men ingaat op mijn vraag om een einddatum in te schrijven voor de proefprojecten. Ik denk dat dat ook logisch is, gelet op de definitie van een proefproject. Dat moet per definitie tijdelijk zijn.

Wat de locatiebeperkingen betreft, zal ik voor één keer niet twijfelen aan de oprechte bedoelingen van de indieners en van de hoofdindienster in het bijzonder, gelet op wat vandaag verklaard is, namelijk dat het de bedoeling is om vooral te kijken naar de resultaten van die drie hoofdproefprojecten. Een aantal kleinschalige projecten kunnen inderdaad wat bijkomende inzichten opleveren, waar ik trouwens heel erg naar uitkijk. Maar ik neem aan, gelet ook op de beperkte tijdspanne die wordt ingeschreven, dat het niet de bedoeling is en dat het ook niet mogelijk is om her en der zomaar proefprojecten op te starten. Het zou ook de representativiteit van heel het verhaal ondergraven, wat bijzonder jammer zou zijn.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het voorstel van decreet. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 807/1)

– De artikelen 1 tot en met 7 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot toevoeging van een artikel 8. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 807/4)

De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het voorstel van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.