U bent hier

De voorzitter

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over de door de Vlaamse Regering voorgestelde hervorming van het secundair onderwijs.

Het debat is geopend.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, collega’s, we bespreken hier vandaag wat een grote werf van het Vlaams regeerakkoord moest worden: de hervorming van ons secundair onderwijs. Dat is eindelijk opgeleverd, na tien jaar discussie, terreinverkenning en het zoeken van een draagvlak. De urgentie in ons onderwijs is groot. Dat zeggen de PISA-onderzoeken (Programme for International Student Assessment), die onder toezicht staan van de OESO. Driejaarlijks duwen ze ons met de neus op de feiten en zeggen ze dat de kwaliteit van ons onderwijs weliswaar goed is, maar dat we achteruitboeren, zowel voor lezen, voor wiskunde als voor wetenschappen en zowel voor de sterkste leerlingen als voor hen die wat meer zorg behoeven. Wat meer is, is dat in ons Vlaams onderwijs de afkomst zo bepalend is voor je toekomst. Ons Vlaams onderwijs dreigt zijn emancipatorische kracht te verliezen. Dat zien we aan het feit dat jaarlijks meer dan 8000 jongeren zonder diploma de school verlaten en dat elk jaar meer dan 11.000 jongeren blijven zitten. Dit zorgt niet alleen voor een gigantische maatschappelijke kost, maar ook en vooral voor een laag welbevinden bij die jongeren.

Dat welbevinden neemt een duik bij de overgang van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs, en daar moeten we iets aan doen. De analyse is gemaakt, er is een karrenvracht aan wetenschappelijke evidentie die ons zegt wat we moeten doen. Gisteren nog zei Georges Monard, partijgenoot van de minister en éminence grise van het onderwijs: laat kinderen zelf hun studiekeuze maken op basis van hun interesses en talenten, en dat niet op een te vroege leeftijd. Hij vergelijkt dat met het kiezen van een partner. Normaal doe je dat ook voor de rest van je leven. Minister, ik weet niet wanneer u uw toekomstige bent tegengekomen, maar ik neem aan dat het niet op uw twaalfde was.

Een tweede evidentie is dat de OESO ons aanspoort om de lat voor elke leerling hoger te leggen in ons onderwijs. Hoe pakt u dat in dit masterplan aan? We zien dat u een set basiscompetenties, basisgeletterdheid, eindtermen, uitbreidingsdoelen definieert. De ene via het Vlaams Parlement, de ander via de koepels, een derde via de scholen zelf. Voor ons lijkt dat heel ingewikkeld. Als u echt ambitie hebt, zeg dan dat u die eindtermen ambitieus wil formuleren, dat u daaraan aan het werken bent, en dat u vraagt dat elke individuele leerling daar ook over kan.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Mevrouw Gennez, ik had me voorgenomen om rustig te blijven tot aan het einde van uw betoog, maar het is me niet gelukt. Wat u nu zegt is heel opmerkelijk. We hebben daar inderdaad over nagedacht om alles in eindtermen te stoppen, voor alle leerlingen. Maar weet u wat u dan doet? U legt de lat op de grond. Als u zegt dat de eindtermen, de minimumdoelen, door iedereen behaald moeten worden en u formuleert ze dan nog eens zeer ambitieus, dan ontkent u de realiteit van de leerlingen. Dus als we eindtermen en minimumdoelen gaan formuleren die iedereen moet bereiken, dan moeten we de lat op de grond leggen, en dat willen we niet.

Het is daarom dat deze meerderheid heeft beslist om minimumdoelen op drie niveaus te formuleren. Ten eerste: een geletterdheidniveau, en dat gaat niet alleen over taal. Dat is wat we van alle leerlingen willen. Ten tweede: eindtermen. Dat is wat we van alle leerlingen verwachten, maar wel met de realiteit voor ogen dat dat misschien niet voor alle leerlingen bereikbaar is. Maar daar kunnen we wel ambitieus in zijn. En een derde stuk is wat in die basisopties zit. Daar vragen we aan de leerplanmakers om ook daar duidelijke doelen te formuleren. Dat, mevrouw Gennez, maakt dat we én een minimum vastleggen voor alle leerlingen, én leerlingen uitdagen op een ambitieus niveau, én ervoor zorgen dat de verschillende basisopties over de verschillende netten heen inwisselbaar zijn. Dat is waar deze meerderheid voor zorgt. En dat doe je niet door de lat voor iedereen gelijk te leggen en ze dus maar op de grond te leggen. (Applaus bij de meerderheid)

Mijnheer Daniëls, ik heb vandaag inderdaad in Knack gelezen dat u de minister van Onderwijs bent. U hebt dat klaarblijkelijk ook allemaal onderzocht. Wat ons betreft, mag ons onderwijs ambitieus zijn voor alle leerlingen en mogen die eindtermen ook bindend zijn voor alle leerlingen.

Wat u nu doet, is het nodeloos ingewikkeld maken. U voert basisgeletterdheid in voor taal en wiskunde, en daar moet iedereen over. Dat is de lat verlagen ten opzichte van wat er vandaag aan eindtermen is. Daarnaast breit u er nog van alles aan: eindtermen die bindend zijn op schoolniveau. Wie kan controleren of die effectief gehaald worden? Vandaag gebeurt dat onvoldoende, dat weet u. Het is daarom dat we in dit parlement samenwerken aan een ambitieuze herziening van die eindtermen.

En dan is er dat optionele derde luik, voor de excellenten. Dat zou toch wel eens op basis van klasdifferentiatie, van werken met jongeren, aanwezig moeten zijn. Wij zijn klaar, duidelijk, helder en transparant: eindtermen voor alle jongeren, in alle scholen, voor alle vakken. Dan zal ons onderwijs opnieuw de lat hoger kunnen leggen en ook de kloof kleiner maken, via remediëren, via werken met kinderen die niet meteen die lat halen, maar waar we wel mee werken, zonder ze achterop te laten. Dat is het verschil tussen wat u hier gefabriceerd hebt en waar wij voor staan.

Mevrouw Gennez, ik stel vast dat het een beetje pijn doet dat jullie de minister van Onderwijs niet meer leveren, maar er is misschien ook wel een reden waarom jullie die niet meer leveren. Wat de eindtermen betreft: wij doen net wat nodig is om leerlingen bij de les te houden. Op dit moment is het getuigschrift basisonderwijs niet voor elke school gelijk. Ouders denken dat het getuigschrift van iets getuigt. Deze meerderheid, deze regering gaat ervoor zorgen dat het inderdaad van iets getuigt, dat het inderdaad een aantal verworvenheden naar voren brengt.

U spreekt over de kloof tussen leerlingen, maar u vergeet daarbij iets. U vergeet dat wij in Vlaanderen de grootste groep veerkrachtige leerlingen hebben. Dat zijn leerlingen met een lage sociaal-economische status die het hoogst scoren. Vlaanderen doet dat vandaag de dag, dames en heren: de grootste groep veerkrachtige leerlingen. Kom hier dus niet zeggen dat ons onderwijs over de hele lijn dingen niet doet. Wij doen al veel en slagen daar ook in. En het is de ambitie van deze regering en deze meerderheid om nog beter te doen.

We creëren ook duidelijkheid. Vandaag vindt een leerkracht in zijn leerplan immers niet terug wat de eindterm is en wat extra is. Dat wordt nu duidelijk: dit is basisgeletterdheid, dit wordt van iedereen verwacht; dit is de eindterm, dit is de ambitie; en dit zijn zaken die er bovenop komen bij de uitbreidingen. Ik snap niet waar u het haalt om te zeggen dat dat niet volledig gaat werken. Dat begrijp ik echt niet.

Als u aan tien mensen vraagt of dit duidelijk is, denk ik dat er negenenhalf zullen zeggen: ‘Ik denk dat alleen de heer Daniëls het begrijpt.’ Het principe is veel simpeler: leg je eindtermen ambitieus en zorg dat iedereen erover raakt.

U spreekt over veerkracht van leerlingen, mijnheer Daniëls. Er zijn natuurlijk gelukkig veel jongeren in Vlaanderen die een schoolcarrière met vrucht beëindigen. Net daarom moeten we ons onderwijs permanent blijven versterken, blijven moderniseren, blijven hervormen. Maar er zijn ook te veel jongeren, mijnheer Daniëls, die schoolmoe worden en dat symboliseert zich in de waterval. 60 procent begint in het aso, 35 procent eindigt maar in het aso. Zou het niet veel beter zijn dat je jongeren prikkelt op verschillende niveaus en dat ze zelf hun keuzes maken op 14 jaar? Daardoor moeten ze niet die tocht door de instellingen gaan, moeten ze niet van school veranderen, komen ze niet op basis van het imago van een school of de goesting van de ouders daar of daar terecht. Wij gaan voor het emancipatorische verhaal in ons onderwijs, voor jongeren die keuzes maken op basis van hun talenten.

Wat zien we vandaag? 11.000 leerlingen blijven elk jaar zitten in ons onderwijs. Bent u daar fier op? Wij zijn daar Europees koploper. We zien 8000 kinderen die zonder diploma ons onderwijs verlaten. Ik zie niet in, collega’s, hoe deze hervorming dit zal tegengaan. Er is geen enkel instrument dat daaraan zal verhelpen.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Mevrouw Gennez, u begint het debat over de eindtermen. Is het u ontgaan dat we daarover bezig zijn de voorbije weken in de commissie en dat dat een debat op zich is?

U stelt dat de eindtermen doelen zijn waarover elke leerling heen moet. Elke leerling moet over elke eindterm. Dan weet u blijkbaar niet wat de eindtermen vandaag zijn, want dat is het niet. Een school krijgt geen onvoldoende als niet elke leerling over elke eindterm heen gaat. Wanneer u stelt dat collega Daniëls door niemand te begrijpen is, dan vrees ik dat hij in eerste instantie niet door u begrepen is, want ik heb hem wel goed begrepen.

Vervolgens begint u over het zittenblijven. Zittenblijven is inderdaad een probleem, maar in de vorige legislatuur en die daarvoor, werd daar niets aan gedaan. Waarom werd daar niets aan gedaan? Dat werd niet onderkend als het grootste probleem, en dat wordt het vandaag wel, want het gaat wel degelijk over het verminderen van B- en C-attesten. Misschien moet u eerst nog wat verder voortlezen in de hervorming vooraleer u een dergelijk oordeel velt. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Nu de echte minister van Onderwijs. Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Voorzitter, ik ben zeer blij dat u collega Brusseel eerst nog het woord hebt gegeven. Uit de twee betogen blijkt dat het goed is om in het parlement schaduwministers van Onderwijs te hebben. Ik moet zeggen dat in de commissie Onderwijs elk van de leden op zich een schaduwminister is. Oprecht gefeliciteerd daarvoor.

Collega Gennez, er is al veel gezegd en het is goed dat het parlement vandaag het debat voert, maar ik zou toch eerst een citaatje voor u willen voorlezen. Het is een citaatje van enige tijd geleden. Ik zal straks zeggen van wie het is. “Ook voor de eerste graad van het secundair onderwijs staan heel wat aanpassingen ingeschreven. (...) Er is ruimte om te verdiepen. Wie goed is in wiskunde, techniek of Latijn en erdoor gepassioneerd is, kan extra uren volgen. Wie ondersteuning nodig heeft, krijgt dat noodzakelijke duwtje in de rug. Scholen zullen leerlingen die het nodig hebben, verplicht bijsturen tijdens de schooluren, zodat hun ouders niet meer op zoek moeten naar dure lesgevers om hun kind te helpen.” Quote van sp.a-parlementslid Kathleen Deckx in 2013, letterlijk vertaald in ons plan dat we hebben goedgekeurd.

Ik heb er nog eentje. “Ik vat samen: eerste brede graad; basispakket is veel breder; basisopties zijn veel breder; je mag op 13 jaar kiezen, maar je moet niet;” – collega Gennez, je moet niet – “je kiest op 14 jaar. Dat is een hele goede en wijze beslissing als u het mij vraagt.” Dit is letterlijk vertaald in het plan dat we goedgekeurd hebben. Het komt van uw eigen sp.a-minister Pascal Smet. Lees wat we gemaakt hebben, collega Gennez. (Applaus bij de meerderheid)

Ik ben het uiteraard volmondig eens met mijn eminente partijgenoten. Het tegendeel zou verbazen. Ik vraag me wel af – het is een concrete punctuele vraag voor u: hoeveel differentiatie is er vandaag mogelijk in het eerste jaar van de eerste graad? Hoeveel uur?

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, in de toekomst zal elke school – en dat is niet vrijblijvend – op een gepaste wijze elke leerling die keuzes maakt differentiatiepakketten moeten en kunnen aanbieden. Dat is een heel goede zaak. Vandaag is er veel mogelijk maar er is ook veel vrijblijvend. We hebben duidelijk de keuze gemaakt om samen met het veld een aantal opties te formuleren maar om toe te laten en zelfs op te leggen dat scholen differentiëren maar ook remediëren. In de eerste graad drie zaken: leerlingen kunnen verkennen, leerlingen kunnen als ze willen verdiepen, en leerlingen kunnen worden versterkt.

We hadden het net over de schooluitval. U stelt altijd de zaken voor alsof leerlingen altijd starten in de sterkste aso-richting en dan zo naar beneden tuimelen, maar hebt u al eens gekeken hoeveel leerlingen in het middelbaar starten in de B-stroom en nooit vooruit geraken? Wel, met deze hervorming komt er een heel pak basisvorming bij in de B-stroom. Wij maken het mogelijk – dat stond niet in het masterplan – dat leerlingen vanuit die B-stroom kunnen opstromen naar de A-stroom. Daar had u noch uw partij interesse voor in de vorige legislatuur. (Applaus bij de meerderheid)

Minister, ik ben geschokt door de lichtzinnigheid waarmee u weigert te antwoorden op een simpele vraag. Vandaag de dag, in ons secundair onderwijs, dat dringend moet worden hervormd – daar is iedereen het over eens –, is de differentiatie in het eerste jaar vijf uur en in het tweede jaar zeven uur. In uw hervorming die er niet echt één is, blijft dat vijf en zeven uur. Wat verandert er ten opzichte van vandaag?

Minister Hilde Crevits

Dat wou uw partij toch ook?! Komaan!

U zegt dat er te veel jongeren in de B-stroom zitten. Daar ben ik het helemaal mee eens. Vandaag is een terugstroom naar de A-stroom mogelijk, maar amper 3 of 4 procent van de jongeren doet dat. Dat is de analyse die in het masterplan gemaakt is, die we met zijn allen delen. Wat doet u om daaraan tegemoet te komen? In plaats van meer jongeren meteen naar de algemene bredere graad toe te leiden, gaat u in het basisonderwijs al beginnen te werken met A- en B-getuigschriften. Dat heeft de heer Daniëls net gezegd. Een B-getuigschrift zal volledig toeleiden naar de B-stroom en dat zullen er niet minder zijn dan vandaag, minister. En dat vind ik schuldig verzuim, dat men aan 11-jarige kinderen zegt: voor u zal de toeleiding in het secundair onderwijs alleen maar naar de B-stroom zijn, daarna kunt u terugstromen, maar momenteel is dat slechts 3 of 4 procent. Daar knelt het schoentje.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, vandaag krijgen heel wat kinderen geen attest als ze het lager onderwijs verlaten en dan moeten ze inderdaad naar de B-stroom. Wij willen dat elke leerling die het lager onderwijs verlaat, geattesteerd kan worden en trots kan zijn dat hij de lagere school mag verlaten. Dat is vandaag niet het geval. We maken het nu mogelijk dat er vanaf het vijfde en zesde leerjaar nog meer dan nu gedifferentieerd kan worden in de klas om die groepen leerlingen bij wie het niet halen van het basisniveau al vastligt in het vierde leerjaar, mee naar de eindmeet te loodsen. We maken het ook mogelijk, wat nu niet of bijna niet kan, dat leerlingen dankzij de extra vorming die we aanbieden in die B-stroom, naar de A-groep zullen gaan. U kunt dat toch geen schuldig verzuim noemen, dat zijn schitterende kansen die we geven aan kinderen, kansen die vandaag onvoldoende benut worden.

Maar ze bestaan wel. Als u wilt dat ze werken, zult u moeten investeren, minister. Ze bestaan. In uw hervorming staat niets nieuws, ook niet voor de knelpunten die algemeen erkend worden. En dat is toch wel een vorm van schuldig verzuim die we niet mogen nalaten om hier op deze tribune aan te kaarten.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Collega Gennez, u begint over emancipatie. Dat is geen alleenrecht voor uw partij of fractie. U weet dat ook anderen in het parlement emancipatie hoog in het vaandel hebben. U zegt dat we de lat hoog moeten leggen. Om dan toch bij sporttermen te blijven: als je een kind van 12 of 14 jaar vraagt over 1,90 meter te springen, dan zal dat heel moeilijk gaan, tenzij het een toptalent is of er heel veel is geïnvesteerd in training vóór de leeftijd van 12 jaar. U hebt wel iets gezegd over dat B-attest, maar tot nu toe bent u rustig voorbijgegaan aan de bijkomende inspanningen die in dit akkoord staan en die we willen leveren in Vlaanderen voor kinderen jonger dan 12. Ik weet het, het doet misschien wat pijn. We zijn wat weggezet als degenen die over kleuters en lagereschoolkinderen begonnen, terwijl het ging over de hervorming van het secundair onderwijs. Mijn partij vecht al drie jaar tegen dat vooroordeel. Iedereen op het terrein zegt echter dat, als we willen werken aan de schoolachterstand die 13- of 14-jarige kinderen al hebben als ze de eerste graad van het secundair onderwijs bereiken, we vroeg moeten beginnen. Vorige week lachte men in uw fractie nog schamper met de maatregelen die erin zitten. Wij geloven rotsvast dat ze op het terrein verandering met zich zullen meebrengen.

U doet dat volwaardig getuigschrift dat toegang geeft tot de B-stroom af als een minderwaardig iets. Nu heb ik het echte voorrecht om elk jaar de getuigschriften van het basisonderwijs uit te reiken. Dat is een van de tofste dingen die ik mag doen als schepen van mijn stad. Elk kind bij ons krijgt dezelfde enveloppe en in de enveloppe van de kinderen waarin geen getuigschrift zit, stoppen we zelf al jaren iets dat die kinderen ook waarde geeft. Wel, ik ben er heel fier op dat dit er na zoveel vergaderingen in staat. Wil dat zeggen dat die kinderen naar de A-stroom gaan? Neen. Ze hebben immers tekorten, en die tekorten wegwerken voor een veel grotere groep zit mee in dit akkoord. Daarover heb ik het daarnet al gehad. We voorzien ook voor die groep in een getuigschrift, waarbij we ook aan ouders gaan zeggen waar dat voor staat. Ik geef collega Daniëls gelijk: nu geven we getuigschriften voor de A-stroom, waarna veel ouders in het eerste en tweede middelbaar dan ontgoocheld zijn, waarna ze zich afvragen of het maar dat was. Er is ook de commentaar van mensen uit het secundair onderwijs: men heeft wel een getuigschrift basisonderwijs, maar waarvoor staat dat? Wel, wij liggen die lat hoger, maar om de lat hoog te leggen voor 12-jarigen moet men beginnen op 3 jaar. De minister is net ingegaan op die differentiatie. Ik vind het net sterk wat daarover in het akkoord staat: die pilootprojecten om in de laatste graad veel meer te gaan differentiëren, om zaken te gaan ontwikkelen om in het basisonderwijs nog meer zorgend te werken, zullen net bij uitstek in scholen met heel veel leerlingen met een risico worden opgestart. U kunt het dus oneens zijn met een aantal onderdelen, maar als u doet alsof we niets doen vóór 12 jaar, dan is dat wel een zeer selectieve lezing. Misschien moeten de felicitaties voor dat stuk echter nog komen op het einde van uw speech, en dan verontschuldig ik me omdat ik te snel was.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Mevrouw Gennez, inhakend op de andere sprekers: u hebt in uw inleiding gesteld dat dit inderdaad al een werk van jaren is. Ik denk dat een belangrijk en interessant momentum het masterplan in 2013 is geweest, waarover ook in dit parlement heel wat is gedebatteerd. Welnu, ik vraag u en uw fractie nu de intellectuele eerlijkheid aan de dag te leggen om wat nu voorligt naast dat masterplan te leggen. U haalt hier zaken aan zoals de eerste graad, de basisvorming, de differentiatie. Welnu, dat is net wat in dat masterplan staat. Ofwel zegt u dat u niet meer gelooft in dat masterplan, dat u als sp.a uw maagdelijkheid hebt herwonnen. Ofwel gaan we naar de uitvoering van dat masterplan, in verscheidene stappen op de verscheidene niveaus, met verscheidene, verstandige maatregelen. Aan u de keuze. Gelooft u nog in dat masterplan, waarop we voortwerken, of niet meer?

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Gennez, u hebt al diverse dingen gezegd, en ik stel me steeds meer de vraag of u de nieuwe conceptnota wel echt hebt gelezen. U zegt dat er op 12 jaar moet worden gekozen. Neen, er zitten keuzemogelijkheden in op 12 jaar, net om de leerling te laten proeven van diverse vakken, om kansen te geven op remediëring bij die vakken waar het nog niet zo goed lukt. Er zijn heel wat mogelijkheden om in te spelen op datgene wat de leerling nodig heeft. In de nota wordt zelfs vermeld dat er mogelijkheden zijn om per trimester te kijken welke keuzes er kunnen worden gemaakt en het best worden gemaakt. Dat is vandaag niet aanwezig. Er is een groot verschil. Er wordt veel meer op maat van de leerling gewerkt, er wordt veel meer tegemoetgekomen aan de noden van leerlingen.

U zegt het zelf: de grote uitdaging van het onderwijs is beter omgaan met diversiteit. Hier worden hefbomen gegeven om precies dat te doen, maar u ziet ze niet. Daarom vraag ik me af of u de nota wel echt hebt gelezen. U vraagt zich af waarin het verschil zit. Wel, via de basisopties worden echt wel nieuwe kansen geboden. Er wordt gevraagd ze af te stemmen op de keuzes die in de tweede en derde graad kunnen worden gemaakt. Een groep leervakken wordt in de basis opgenomen, afgestemd op het verdere traject van leerlingen. Als u dat geen verandering vindt, dan hebt u echt niet goed gelezen en niet goed gezien waar de verandering in zit.

Natuurlijk hebben we heel aandachtig gelezen, net omdat we zo’n hoge verwachtingen hadden, mevrouw Helsen. Daarom hebben we inderdaad de opties vergeleken. Hoeveel vrije keuze is er vandaag en hoeveel wordt dat in de toekomst? Vandaag is er vijf uur vrij te kiezen in het eerste en zeven uur in het tweede jaar, en dat blijft vijf en zeven uur. Dat is dus een zeer minimalistische en weinig ambitieuze invulling van de brede basisvorming.

Uiteraard geloven wij in een ambitieus kader voor een hervorming, mijnheer Van Dijck, die net even is weggelopen. Het masterplan liet daar ruimte voor. We kunnen echter niet akkoord gaan met de minst ambitieuze invulling van de ruimte die er tijdens de vorige legislatuur was geschapen. Dat is toch schuldig verzuim. Duizenden jongeren worden echt in de steek gelaten.

Tot slot, mijnheer De Ro, had u inderdaad een beetje geduld moeten hebben. We zijn het er allemaal over eens dat er meer moet worden geïnvesteerd in kleuters, dat elke euro die we in kleuters investeren, in een crèche of op school, rendeert tot ver in het secundair onderwijs, zeker tot 16 jaar. Dat is een goede zaak, en op dat punt steunen we dan ook uw fractie.

Wel ontberen we een transparant onderwijsaanbod voor de toekomst. Hoe zorgt deze hervorming voor een transparant secundair onderwijs waarin kinderen inderdaad niet op hun twaalfde worden gedwongen om te kiezen, mevrouw Helsen? Niet de sp.a zegt dat, maar de heer Monard, toen hij gisteren zijn ontgoocheling uitte en vond dat er te vroeg op studiekeuze wordt ingezet.

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het onderwijs effectief remedieert en alle kinderen alle kansen geeft? Alvast niet door te trappen in de val van de vrijblijvendheid, voorzitter. Want dat gebeurt nu. Scholen kiezen of ze meedoen en ze kunnen ook kiezen om alles te laten zoals het is. Dat is heel, heel nalatig, minister. Want ofwel gelooft u echt in het compromiskader van uw nota en dan vraagt u dat elke school daarin mee stapt. Ofwel is het praat voor de vaak en dreigt deze modernisering een VSO, een vernieuwd secundair onderwijs 2.0 te worden. Dat verklaarde mevrouw Helsen onlangs en dat willen we niet. We hebben geen nood aan vrijblijvendheid. Iedereen moet mee, iedereen moet marcheren.

Volgens de Vlaamse Scholierenkoepel roept de conceptnota op het vlak van transparantie meer vragen op dan ze antwoorden geeft. Professor Hooghe van de Universiteit Antwerpen zegt dat deze hervorming in de mist verdwijnt. Ze creëert enkel vaagheid. Professor Van Houtte van de Universiteit Gent zegt dat deze hervorming alleen maar koterijen toevoegt, met als voornaamste resultaat de complete chaos. Ook de vakbonden, niet altijd degenen die het hardst roepen voor verandering, zijn ontgoocheld omdat ze vinden dat de conceptnota’s enkel mist spuien. Jos Van Der Hoeven zegt letterlijk: “Wat verandert er eigenlijk? Niets. Dit is vis noch vlees.”

Conclusie: ik heb echt met u te doen, echt waar, omdat wij u in april nog hebben gesteund, hier, op deze tribune, in uw ambitieuze plannen voor een hervorming van ons secundair onderwijs.

Onderwijs hervormen vraagt mensenwerk. Dat zegt u altijd, en daar zijn we het voor honderd procent mee eens. Het vraagt praten met leerkrachten, met directies, met scholen. Maar onderwijs hervormen vraagt ook visie, moed en middelen. Als we naar de middelen kijken, dan moet me toch nog eens van het hart dat in het secundair onderwijs bij het begin van deze legislatuur al 117 euro per leerling en per schooljaar is bespaard, recurrent. Die middelen zijn er dus niet.

Minister, als het over visie gaat, weet ik niet of het u aan visie ontbeert, dan wel of het moeilijk is om die visie te ontwikkelen met onwillige coalitiepartners. Wij hebben daar – ik geef het ruiterlijk toe – ervaring mee. Dat was in het verleden niet anders.

De N-VA is in dezen de partij van de stilstand. Men wil niet hervormen. Ondanks elke wetenschappelijke evidentie heeft men geen enkele ambitie om wat dan ook te doen in het onderwijs. Dat is een gemiste kans, een schuldig verzuim, een slag in het gezicht van al die mensen die dagelijks het beste van zichzelf geven.

Mijnheer De Ro, Open Vld is een moedige coalitiepartner. Ze is er later bij gekomen en had niet mee kunnen onderhandelen bij de regeringsonderhandelingen. Maar toch heeft Open Vld ingezet op kleuter- en basisonderwijs, in de marge van het secundair, en belangrijk, maar ze heeft onvoldoende gewogen op de hervorming van het secundair onderwijs. Dat is een vaststelling.

Minister, het ontbreekt deze regering aan de moed om het secundair onderwijs voor de 21e eeuw op de rails te zetten. Dat zegt Ides Nicaise, onderwijssocioloog van Leuven. Ons onderwijs zal morgen niet sterker presteren en het zal ook niet rechtvaardiger worden. Het masterplan ging dan misschien al niet als een raspaard de nachtelijke onderhandelingen in, maar wel als een paard waar met goede opvoeding en zorg wel nog heel veel uit te halen was, maar het is als een dode mus uit die 31 meionderhandelingen gekomen: een dode mus die aantoont, en ik betreur dat oprecht, dat u de gevangene bent van deze rechtse Bourgeoisregering. Want de slachtoffers zijn uw partij, het Vlaamse onderwijs en de toekomst van onze hele Vlaamse samenleving. (Applaus bij sp.a en Groen)

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, mijn mond valt eigenlijk open. Al datgene wat u in de vorige legislatuur beleden hebt met het masterplan, kraakt u nu af. U bent een flipflop, u en uw partij. (Applaus bij de meerderheid)

Dat ontgoochelt me eigenlijk sterk. U moet niet met mij te doen hebben. U moet oprecht te doen hebben met al wie vandaag in ons Vlaams onderwijs werkt. Ik ben als Vlaams minister van Onderwijs – de echte – trots op wat we enkele weken geleden hebben beslist. Ik zal u nog eens zeggen waarom.

Ten eerste: deze hervorming biedt alle jongeren stevige fundamenten, net omdat je, los van het feit of je in de A-stroom of in de B-stroom les volgt, basisgeletterdheid en -competenties zult krijgen. Dat is een lat waar je over moet. Het stond niet in het masterplan, mevrouw Gennez, maar we kijken niet alleen naar Nederlands en wiskunde, maar ook naar digitale vaardigheden, naar financiële vaardigheden, zaken die jongeren elementair nodig hebben om als sterke persoonlijkheden te functioneren in de maatschappij.

Ten tweede: de keuzes die we maken, zijn in evenwicht tussen kennen, verdiepen en versterken. U hebt in het begin van uw betoog gezegd: jongeren die moeilijkheden hebben, dalen in de PISA-rankings, maar jongeren die het zeer goed doen, dalen ook. Dat is natuurlijk de reden waarom we de beiden willen versterken, om zo niet naar een onderwijs te gaan dat u wellicht graag zou hebben, waar iedereen naar de middelmaat evolueert, maar om naar een onderwijs te gaan waar elke jongere maximaal kan excelleren en zijn talenten ontplooien.

U zou misschien graag terugkeren naar de tijd van het VSO. Wel, ik wil dat niet. Ik ben een leerling van het VSO, en ik heb in dat eerste jaar twee uur verplicht – verplicht – technologieles gekregen. Voor mij was dat horror. Ik wist toen al dat dat niets voor mij was. Wel, alstublieft, doe het de jongeren in Vlaanderen niet aan om dat opnieuw verplicht te maken voor iedereen. Je moet keuzes kunnen maken als je 13 bent, maar niet iedereen kan dat. Wie dat niet kan, moet tijd krijgen om zijn definitieve keuze te maken. Wel, die tijd geven we.

Ten derde: ik denk dat deze hervorming net duidelijkheid biedt aan leerlingen en ouders. Wat u niet hebt gezegd – maar uw betoog was misschien nog niet beëindigd – is dat we in deze oefening driehonderd studierichtingen hebben gescreend en op hun kwaliteit beoordeeld, en dat we nu dus inderdaad een gereduceerd aanbod aan mensen aanbieden. Het is inderdaad gelijk hoe scholen zich in de toekomst organiseren, maar daar was uw partij het mee eens in 2013. Pagina 21 van het masterplan: scholen zullen zich hoe dan ook in de toekomst kunnen blijven organiseren, bijvoorbeeld louter gericht op jongeren die willen verder studeren. Dat staat letterlijk in het masterplan. Maar de studierichtingen die worden aangeboden, de inhoud daarvan, de eindtermen die moeten worden gehaald, de specifieke eindtermen in het technisch onderwijs, die zijn voor alle jongeren een versterking.

Mevrouw Gennez, wat u ook niet hebt gezegd: wat we hebben beslist – dat was een engagement dat we hebben genomen toen u nog een grote fan was van het masterplan – gaan we overleggen met schoolteams, met directies en schoolbesturen. Ik start daar trouwens volgende week mee. We zullen in september kijken op welke manier de studierichtingen definitief vorm zullen krijgen. Als je het hele pakket maatregelen ziet, en als je ziet dat we bovenop wat al in 2013 in het masterplan was beslist, ook nog eens het buitengewoon onderwijs meenemen in deze oefening, dan kan ik als minister van Onderwijs terecht zeggen: ik ben trots op wat we hebben beslist. We zijn geen gevangene van om het even wie. We hebben samen en eendrachtig met deze regering sterke keuzes gemaakt in het belang van elke Vlaamse jongere in ons sterk onderwijs.

Mevrouw Gennez, ik denk dat ik een antwoord heb gekregen op de vraag die ik u heb gesteld. Dat is dat voor u het masterplan van geen tel meer is, dat het geen waarde heeft. Indien u dat toch ontkent, vraag ik u met aandrang om wat voorligt, ernaast te leggen en me eerstdaags de verschillen aan te duiden.

Jo De Ro (Open Vld)

Mevrouw Gennez, we hebben dezelfde ervaring als ouders die in ons onderwijssysteem de weg een beetje kwijt zijn en die uitleg komen vragen. U was zelf schepen van Onderwijs, en hier zitten nog veel collega’s die dat zijn op moeilijke plaatsen. Het moet, zoals de minister zegt, een doel zijn om meer transparantie te bieden. Als we gaan wieden in het aantal studierichtingen, als we van 72 in de tweede graad naar 49 gaan, en in de derde graad van 124 naar 94, dan heeft dat net de bedoeling om transparanter te worden.

Als ouders vertellen dat hun kind humane wetenschappen of economie/moderne talen heeft gestudeerd maar in het eerste jaar aan de universiteit niet kan volgen, dan verbaast ons dat niet, omdat we wel wat kennis hebben over die richtingen. Het gaat niet over die kinderen of leerkrachten maar over het verwachtingspatroon van de ouders. Als hun kind die richting volgt, verwachten zij dat hun kind in die richting verder kan studeren. De opwaardering van net die richtingen als humane wetenschappen en economie/moderne talen zit in de hervorming. Ik vind dat geen details. Dat zijn echt antwoorden die we bieden aan leerlingen en ouders die nu, als ik het zo mag zeggen, in de shit zitten. Ik dacht dat we in dat opzicht een partner hadden aan u.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik wil even ingaan op de vraag of wat voorligt te vrijblijvend is. Mevrouw Gennez, er bestaat nog zoiets als vertrouwen in het onderwijsveld en pedagogische vrijheid. Voor alle duidelijkheid, ik sta heel huiverachtig tegenover elke staatspedagogiek, ongeacht of die van links of van rechts komt. Wat mij interesseert, is de reactie van de onderwijsverstrekkers maar die hebt u niet geciteerd. Nochtans meen ik dat de teneur positief is. Ik citeer: “Het katholiek onderwijs neemt uitgestoken hand van Crevits aan. Men onderschrijft de krachtlijnen van de modernisering. Men zegt uitdrukkelijk dat ze zich voluit willen inschrijven om een vernieuwd studieaanbod te ontwikkelen met respect voor elk leerlingenprofiel.” Dat hebt u niet geciteerd.

Fundamenteel is voor mij dat elk kind op school gelukkig is, dat het kansen krijgt, dat het wordt uitgedaagd, welke talenten het ook heeft, om zich maximaal te ontwikkelen. Volgens mij beantwoordt dit plan daar volledig aan. Ik vind uw kritiek dan ook zeer gratuit.

De voorzitter

De heer Vandenbroucke heeft het woord.

Joris Vandenbroucke (sp·a)

Ik ben geen schaduwminister van Onderwijs, maar ik permitteer me toch om hier iets te zeggen.

Minister, toen we u enkele weken geleden in de plenaire vergadering tijdens een stevig debat over het masterplan hebben gesteund, dan was dat omdat u hebt gezegd dat u geen gram afdoet van de ambities die in dat masterplan verscholen zitten. En heel wat mensen buiten het parlement stonden ook achter die woorden. Ik stel echter vast dat behalve de talrijke schaduwministers van Onderwijs die dit parlement rijk is, er niemand te vinden is in dit parlement – maar vooral daarbuiten – die gelooft dat die ambities intact door die onderhandelingen zijn gegaan.

U hebt citaten voorgelezen van partijgenoten van mij. Mevrouw Gennez heeft ook een aantal citaten voorgelezen maar ze zal aan 6 minuten niet genoeg hebben om de citaten te lezen van de mensen die de afgelopen weken de kranten vol hebben geschreven om hun ontgoocheling uit te drukken over de beslissing die is genomen. Er is gesproken over vaagheid die tot in het extreme is doorgetrokken, over het gebrek aan moed om ons onderwijs effectief de 21e eeuw binnen te loodsen, over koterijen die worden gebouwd aan datgene wat al uit veel koterijen bestaat, over vrijblijvendheid. Ik heb die nota ook gelezen, daar staan een aantal goede zaken bij, maar verder zie ik een buffet van maatregelen waaruit men naar believen kan kiezen. U schrijft letterlijk constant op elke pagina wat u verwacht dat de onderwijsverstrekkers zullen doen en wat u veronderstelt dat het effect zal zijn. Maar nergens staan er beslissingen in die nota. Dit is geen nota geschreven door een minister van Onderwijs, maar geschreven door een schaduwminister van Onderwijs.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Vandenbroucke, noem eens één punt waarop we afwijken van de nota die door mijn voorganger en uw partijgenoot – die voor u misschien de echte minister is – is voorgesteld en goedgekeurd.

Joris Vandenbroucke (sp·a)

U hebt een hele nacht nodig gehad om de nota over te schrijven van uw voorganger. (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Vandenbroucke had een paar seconden nodig om na te denken. Ik kan dat natuurlijk begrijpen. Maar met deze nota, de oude nota, die we in 2013 hebben goedgekeurd, wordt uitdrukkelijk gevraagd – en ik geef één klein voorbeeldje – om over de matrix en de ordening die we hebben gemaakt te overleggen met het veld. Als u wenst dat we dat niet doen, als u vindt dat het beter is om zo met de spierballen te rollen, dan is dat uw mening. Maar ik volg deze mening niet.

En als het gaat over de uitbreidingsdoelen: met betrekking tot veel punten die erin staan, was toen al beslist dat onderwijsverstrekkers daar een aantal zaken rond gingen doen. Wij zijn zelfs een beetje verder gegaan. Wij willen niet dat, als leerlingen van school veranderen, er plots andere pakketten worden aangeboden. We vragen nu aan de onderwijsverstrekkers om dat samen te doen.

Mijnheer Vandenbroucke, één iets ligt u blijkbaar zwaar op de maag. Er bestaat in Vlaanderen nog zoiets als vrijheid van onderwijs. Ik koester die, en ik wil die in de toekomst zeker bewaren. (Applaus bij de meerderheid)

Joris Vandenbroucke (sp·a)

Minister, ik ben een grote fan van en ‘believer’ in de vrijheid van onderwijs. Maar ik heb het niet zo voor vrijblijvendheid. Daar is het ons om te doen. Ik erken heus wel – de citaten staan ook in uw nota – de elementen uit het masterplan van de vorige regering. Maar u hebt geen nacht met elkaar onderhandeld om een tekst over te schrijven van Pascal Smet en de collega’s uit de vorige regering. U hebt met elkaar onderhandeld om uiteindelijk de vrijblijvendheid te betonneren in het verhaal. Er ontbreekt ambitie om dit effectief uit te voeren. Dat is ons probleem met deze nota. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

Mijnheer Van den Heuvel, de minister-president heeft al twee keer het woord gevraagd. Eerst krijgt de minister-president het woord. Ik kan niet iedereen tegelijk het woord geven.

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Voorzitter, ik wil op dit punt van het debat toch wel even interveniëren.

Minister Crevits en nog anderen hebben het aangetoond: dit is de uitvoering van het masterplan dat sp.a met de minister van Onderwijs heeft goedgekeurd, noch min noch meer. De verlakkerij waarmee sp.a afstand neemt van het plan dat zij heeft goedgekeurd, kan alleen maar verbazen. Als je op die manier denkt een eerlijk debat te voeren, dan ben je totaal fout bezig.

De vrije keuze van de school, tussen het verticale systeem – aso, bso, tso, kso – en het horizontale systeem met de domeinscholen, maakt deel uit van het masterplan dat u hebt goedgekeurd. Het is een getrapte keuze. In de eerste graad van het secundair onderwijs, eerste jaar, 27 uur basisopties, 5 uur vrije keuze die de school invult: deel van het masterplan. Tweede jaar van de eerste graad secundair: 25 uur basisopties plus zeven uur, met 5 uur basisopties en 2 uur differentiatie, maakt deel uit van het masterplan. Het is heel duidelijk: u verkettert nu wat u hebt goedgekeurd.

Natuurlijk hebben wij voortgewerkt op dat masterplan. Het hield onder andere in dat er minder koterijen zouden zijn. Daarom hebben wij al die studierichtingen geordend. We hebben ze ondergebracht in een matrix. We hebben ze vereenvoudigd en gereduceerd. Wie zegt dat dat allemaal niet meer nodig was, miskent natuurlijk het concept dat in de vorige periode werd goedgekeurd. Het werk lag op de tafel en moest gebeuren.

U beweert de hele tijd dat dit een gemiste kans is en dat dit jongeren in de kou laat. Mevrouw Gennez en collega’s van sp.a, daarmee gaan jullie in tegen de realiteit. Het onderwijs in Vlaanderen was in de periode 1980-2000 bij de beste van de wereld en wellicht het beste van de wereld. In de PISA-rankings zijn we achteruit beginnen te gaan in de periode 2003-2012. Mevrouw Gennez, wat volledig voorbijgaat aan de ideologische bril die sp.a opzet, is dat ons onderwijs inderdaad geen gelijke kansen realiseert. Dat doet jammer genoeg geen enkel onderwijssysteem, volkomen gelijke kansen realiseren. Maar wij geven wel meer kansen aan kinderen uit kansarme milieus dan eender welk ander land. Wij hebben in de PISA-ranking 2012 een gemiddelde score voor de lage SES-leerlingen (sociaal economische situatie) van 488 punten. Dat is het tweede hoogste in Europa, na Estland, dat een totaal andere bevolking heeft, een homogene bevolkingssamenstelling. We hebben het hoogste percentage – 10,3 procent – veerkrachtige jongeren in Europa. Dat wil zeggen: de meeste jongeren uit het laagste kwart SES in het hoogste kwart scores voor wiskunde. We weten dus waar de opvallende resultaten zitten en we remediëren ook. Een andere thuistaal dan de onderwijstaal geeft zwakkere resultaten. Dat weten we. Vlaamse migranten met thuistaal Nederlands scoren even goed als migranten in Zweden. Er is geen significant effect van zittenblijven op algemeen niveau.

Wat we ook gedaan hebben, is het onderwijs, dat al zeer emanciperend werkt in Vlaanderen, nog meer emanciperend gemaakt. De kleuterparticipatie drijven we op. Kinderen die kleuteronderwijs hebben gevolgd, zijn beter voor hun hele curriculum. In het basisonderwijs differentiëren we ook. We gaan met aparte vakleermeesters werken. We geven kinderen uit de B-stroom de kans om naar de A-stroom te gaan. We nemen een hele reeks maatregelen – ik heb het dan nog niet over het taalonderwijs waar we vroeger mee zullen kunnen beginnen, net zoals in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest – die nog emanciperende factoren toevoegen aan wat we hebben goedgekeurd.

Collega’s, wat me vooral stoort, is dat sp.a hier doodgemoedereerd komt doen alsof ze het masterplan niet hebben goedgekeurd, alsof dit niet de vertaling is van dit masterplan. Dit is de getrouwe omzetting van dit masterplan met een aantal fundamentele verbeteringen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Voorzitter, ik ga natuurlijk bijna hetzelfde zeggen als wat de minister-president heeft gezegd. Mijnheer Vandenbroucke, ik vind de kritiek van sp.a op deze onderwijshervorming vrijblijvend. Er komt geen antwoord. Minister Crevits heeft u gevraagd wat er dan niet is uitgevoerd van het masterplan. U antwoordt niet concreet.

Dit onderwijsaanbod wordt wel vernieuwd. Er zitten vernieuwingen in het studieaanbod, al van in het basisonderwijs. Er worden taallessen geïnitieerd. Het aantal studierichtingen wordt verminderd. De basisgeletterdheid wordt ingevoerd. Wat wordt niet gedaan? En dat is het verschil tussen sp.a en deze meerderheid: wij geloven in en wij geven vertrouwen aan de diverse onderwijsactoren op het veld. Dat is het verschil tussen u en ons. U wilt dirigistisch, vanuit Brussel, alle scholen verplichten om een eenheidsworst te worden. Wij geven vertrouwen en wij geloven in de kracht van het onderwijsveld in Vlaanderen. (Applaus bij de meerderheid)

Mijnheer Van den Heuvel, het is nochtans een van de onderwijsverstrekkers, met name het Gemeenschapsonderwijs, die met heel grote bezorgdheid net die vrijblijvendheid aankaart en zegt dat er complete chaos wordt gecreëerd.

Ik wil ook aan de eminente collega’s in de regering eens iets uitleggen. Een masterplan schetst een kader en is een keuzemenu waarop verder moet worden onderhandeld om tot een concreet besluit te komen. Het masterplan omvatte inderdaad een aantal keuzes. Het zal ook geen geheim zijn dat wij als sp.a pleiten voor een zeer ambitieuze invulling van die keuzes. Zo moeten we inderdaad beter het huidige onderwijslandschap vergelijken met wat het morgen zal zijn.

Op die ene concrete vraag, mijnheer Van den Heuvel, heb ik dan weer geen antwoord gekregen. Wat is de mate van differentiatie vandaag in de eerste graad? Vijf uur en zeven uur. Wat zal het morgen zijn? Vijf uur en zeven uur. Wat verandert er? Niets. Dat is het probleem met deze beslissing.

Minister-president, u zegt dat er pas een dalende lijn is in het onderwijsniveau sinds 2003 tot 2012, zowel voor de allersterksten als voor de allerzwaksten. Dat is waar. En pas sinds 2003 wordt er ook effectief gemeten, voordien niet.

Dus als we al meer dan tien jaar in dalende lijn gaan en al meer dan tien jaar discussie voeren over een noodzakelijke hervorming van ons secundair onderwijs, is het toch godgeklaagd dat er na meer dan tien jaar een meerderheid komt die zegt: “Laat alles maar zoals het was. We zullen wat wieden in de matrix, we zullen de labels aso, tso, bso en kso blijven gebruiken, we zetten sport bij Latijn-Grieks, moderne wetenschappen bij voeding en horeca.” Mijnheer De Ro, wie daarin haar jongen nog terugvindt, is echt een ongelooflijke kernfysicus. De duidelijkheid die jullie creëren met deze matrix, is een verschrikking.

Ik denk dat mevrouw Meuleman mij daarin gelijk zal geven. Niet alleen mevrouw Meuleman trouwens, heel veel mensen met heel veel onderwijservaring snappen het niet: van de leerlingen in de Vlaamse Scholierenkoepel tot de onderwijsverstrekkers en de vakbonden. Een kat vindt hierin haar jongen niet terug. Ik betreur dat, in het belang van ons Vlaams onderwijs. U hebt hier echt de kans laten liggen om een stap in de 21e eeuw te zetten. Too little, too late. (Applaus bij sp.a en Groen)

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, u hebt fantastische voorbeelden gegeven. Lees eens op bladzijde 19 van het door uw eigen minister voorgesteld masterplan? 27 uur basisvorming, 5 uur differentiatie; 25 uur basisvorming, 7 uur differentiatie. Het was beslist, mevrouw Gennez! Het was beslist! (Applaus bij de meerderheid)

Ik zal nóg iets voorlezen, mevrouw Gennez. De matrix moest klaar zijn in 2015. Maar op bladzijde 21 staat: “In elk geval zal elk schoolconcept gebaseerd op de matrix, zowel verticaal, met alleen doorstroomstudierichtingen of alleen studierichtingen met dubbele finaliteit of alleen arbeidsmarktgerichte studierichtingen, als horizontaal of als een combinatie van beide mogelijk zijn.” Mijnheer Vandenbroucke gebaarde trouwens van “Neen, we hebben dat zeker niet beslist.” Maar waarover jaagt u zich eigenlijk op? Wij voeren uit wat u met veel enthousiasme hebt voorgelegd. Wij hebben toen gezegd: “Het is goed, we zullen dat doen.” En Open Vld heeft gezegd: “Het is goed, wij doen mee.” Dat voeren we uit. (Applaus bij de meerderheid)

Jo De Ro (Open Vld)

Ik ben blij. Ik zal onmiddellijk de voorzet van de minister binnenkoppen. Ja, wij doen mee. En ja, wij leggen een aantal ambities boven op het masterplan dat werd goedgekeurd door de vorige regering. Ik ben blij dat de minister-president die ook zeer voluntaristisch omarmt. We leggen de ambitie hoger voor talen. Iedereen vindt dat altijd makkelijk. U zei daarstraks zelf, net als uw fractieleider: “Ze zijn gegijzeld door de grootste regeringspartij.” Wel, we zijn er met drie partijen toch maar in geslaagd om een overeenkomst te vinden over het feit dat de ambitie in Vlaanderen voor vreemdetalenonderwijs, mevrouw Gennez, niet lager, maar hoger moet liggen, niet buiten, maar in het curriculum, niet alleen voor Frans zoals in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maar ook voor Duits.

Verplichten we dat aan scholen? Neen. Maar dat kunt u ons toch niet verwijten? Want – en dat zal een discussie worden voor de komende maanden – we moeten de ambities voor leerkrachten ook vergroten. De leerkrachten die daar zullen instappen, moeten ook leerkrachten zijn die goed Engels, Frans en Duits geven. Daarom moet er ook worden gewerkt aan het lerarenambt en de lerarenopleiding. Ambities lager? Laat ons dan eens kijken naar de kinderen met het hoogste risico op falen in ons onderwijs. Ligt de ambitie daar lager?

Ik zal u één voorbeeld geven. Op dit moment moeten basisscholen soms tien secundaire scholen bellen om te vragen hoe het zit met hun leerlingen van twee, vier of zes jaar geleden. Dat betekent ongelooflijk veel werk. In dit akkoord, niet in het masterplan, staat dat niet de scholen, maar wel de onderwijsadministratie de informatie over de studievorderingen van hun ex-leerlingen in het secundair onderwijs zal doorgeven, net zoals het hoger onderwijs die doorgeeft aan het secundair onderwijs. Niet opdat basisscholen kunnen pronken met hun resultaten, maar wel opdat ze kunnen bijsturen indien er later iets zou mislopen. Ambities lager? Ik zie dat niet. Ik zie wel dat er in een akkoord waar wij volop achter staan, een aantal dingen zijn toegevoegd die een wezenlijk verschil zullen maken op het terrein. Ik ben daar, samen met mijn partij, fier op. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Gennez, in tijden dat Vlaanderen op veel plaatsen onder water staat, staat u hier te spartelen als een vis op het droge. Het is ongelooflijk. U zegt dat we niet ambitieus zijn naar de 21e eeuw. Als u had gehoopt dat er een big bang kwam, een tabula rasa, heel ons onderwijs de vuilnisbak in en iets nieuws, dan klopt het dat dit het niet is. Wat nu voorligt, is wel ambitieus. Ik zal u zeggen waarom. Omdat we de eindtermen ‘begrijpend lezen’ – en ik ben er nog meer van overtuigd dan vroeger – omhoog zullen moeten brengen, want u hebt die blijkbaar niet gehaald. Ik heb de drie documenten bij. U bent eigenlijk nog altijd bezig met lezen in het document van 2010. Ik zal er niet uit voorlezen, want ik heb bewust alleen de voorpagina bij. Wat daarin stond, is niet terechtgekomen in het masterplan dat u wel hebt goedgekeurd.

Ik zal hetzelfde moeten doen als mijn collega’s, want met lezen lukt het blijkbaar niet. Een andere didactische techniek is dan voorlezen. Voorzitter, excuses, ik zal ook een stukje moeten voorlezen, maar ik zal het kort houden: “In het tweede leerjaar worden de bestaande basisopties gescreend, geüpdatet en gereduceerd tot een kleiner aantal. Deze herwerkte basisopties” – let goed op want nu komt het – “waaruit de leerling kiest (…)”. 

Mevrouw Gennez, de leerling zal dus in het tweede jaar inderdaad kiezen uit basisopties. U zegt dat er niets verandert aan de vijf uur in het eerste jaar. Er verandert wel iets. Wat verandert er? Op dit moment zijn het vooral uitdagende pakketten. Waarin voorzien we ook? Remediërende pakketten. U staat de hele tijd te zeggen dat het niet ambitieus en remediërend is, maar het staat er wel letterlijk in. Ik snap niet dat u dat niet wilt of kunt lezen. Ik heb geen idee wat we nog moeten doen om het u duidelijk te maken.

Iets anders dat u blijkbaar niet wilt zien, is de getrapte studiekeuze. Ik zal het nog didactischer maken. Dit is een trap, en dat wil zeggen: op verschillende momenten iets doen. Daar leest u allemaal over. Daar doet u allemaal niet aan mee, alsof het niet bestaat. Uw fractievoorzitter zegt daarnet – en ik vond de bewoordingen fantastisch – “verscholen in het masterplan dat we hebben goedgekeurd”. Deze meerderheid voert geen verscholen beleid. We voeren een beleid op basis van goedgekeurde teksten. Het kan zijn dat u er “verscholen” dingen in las, maar deze meerderheid heeft die dingen daar niet in gelezen.

Ik heb maandag een hele dag meegedraaid in buso OV3 lassen. Die gasten hebben me leren lassen. Op het bord stond dat ze een stuk hadden van 30 millimeter maar tot 27,5 millimeter moesten komen. Hoeveel moet eraf? 2,5 millimeter, zeer goed. In die klas stonden zes jonge gasten ernaar te kijken, maar ze wisten het niet. Het ging niet. Ik vroeg aan de leerkracht hoe dat kwam. Hij sprak de woorden: “Hoe hard we er ook aan trekken, voor sommige gasten is het potteke vol.” Wel, mevrouw Gennez, wat wij niet willen, is kinderen en jongeren in carcan jagen waarin iedereen hetzelfde moet doen, een eenheidsworst waar ze niet over geraken en waarbij de motivatie de put in gaat. We verdiepen en remediëren. Dat staat in dit plan. (Applaus bij de meerderheid)

Kathleen Helsen (CD&V)

Voorzitter, ik sluit me aan bij de andere leden: ik val ook bijna van mijn stoel. We hebben vorige week speciaal om hier een sterk inhoudelijk debat te kunnen voeren, een toelichting gekregen van zowel de minister als de administratie, van de mensen die aan dit dossier hebben gewerkt. Ik stel vast dat u de nota niet hebt gelezen, maar ook dat u vorige week in de commissie niet hebt geluisterd. U hebt echt niets begrepen van datgene wat op tafel ligt.

U spreekt van vrijblijvendheid. Er zijn 71 maatregelen opgenomen in het plan. Heel wat daarvan zijn reeds genomen. Welke daarvan zijn vrijblijvend? Geen enkele maatregel is vrijblijvend. 

Van datgene wat vandaag op tafel ligt, is er nauwelijks iets vrijblijvend, maar er wordt wel vrije ruimte gecreëerd voor scholen. Daar hebben jullie problemen mee, omdat jullie niet weten hoe scholen daarmee zullen omgaan. Wij hebben vertrouwen in scholen. Wij hebben vertrouwen in de expertise van leerkrachten om met die vrije ruimte op een goede manier om te gaan, zodat dit leerlingen ten goede komt.

Dan is er de herkenbaarheid. U zegt dat dit helemaal niet herkenbaar is en dat het nergens op lijkt. U vraagt zich af waar al die richtingen op slaan. Ook daarvan val ik bijna van mijn stoel. In de nota staat heel duidelijk beschreven hoe men te werk is gegaan. Daarvoor zijn degelijke screenings gebeurd. Er is afgetoetst met het hoger onderwijs, met sectoren op de arbeidsmarkt en met de CLB’s, die wetenschappelijk onderzoek gedaan hebben om zicht te krijgen op hoe jongeren kiezen. Die methodiek is meegenomen om dit masterschema, deze matrix te maken. Het is onvoorstelbaar te horen hoe u omgaat met het mooie werk dat geleverd is. (Applaus bij de meerderheid)

Ann Brusseel (Open Vld)

U verwees naar een aantal sociologen die spraken van ‘koterij’. Dat vind ik zeer oneerbiedig. In de eerste plaats om de redenen die al vermeld zijn: er zijn minder studierichtingen en er is een matrix, die duidelijkheid schept. U kunt van die matrix vinden wat u wilt, maar ze is er wel. Wat meer is, er worden drempels weggewerkt. Het is me een raadsel hoe u dan nog durft te spreken van koterij. Het is gemakkelijk om sociologen na te praten wanneer het over onderwijs gaat. Misschien is die matrix voor hen niet duidelijk, maar voor wie aan onderwijs doet wel.

Ten tweede wil ik graag horen van sp.a – want mijn rode vrienden weten dat ik een groot hart heb voor het officieel onderwijs – of jullie bestudeerd hebben wat het zou teweegbrengen voor het Gemeenschapsonderwijs (GO!) om vandaag, met de scholen die er zijn in Vlaanderen en met het marktaandeel dat ze nu hebben, domeinscholen te moeten creëren, zoals u dat wilt. Dan heb ik het niet over Antwerpen en Gent, waar er meerdere scholen zijn waar veel leerlingen naar het GO! gaan of naar het stedelijk secundair onderwijs. Dan heb ik het wel over alle kleinere steden en gemeenten waar één atheneum is, met tal van studierichtingen uit verschillende domeinen en waar één KTA is, met tal van studierichtingen uit verschillende domeinen. Ik wil dus graag horen vanuit sp.a – en Groen mag er ook iets over zeggen als ze het GO! genegen zijn – of jullie vinden dat het GO! in die kleine steden en gemeenten drastisch moet schrappen in het studieaanbod om toch maar een domeinschool te kunnen creëren. Moet men dan vanuit Brussel aan die scholen zeggen wie al dan niet nog Latijn-Grieks of Latijn-wiskunde mag aanbieden omdat het al dan niet in hun domein past? Wie bedient u eigenlijk met uw dogmatische vraag naar domeinen zoals ze door Pascal Smet gevraagd werden in 2009? (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik wil in deze discussie een bepaald accent leggen. Mevrouw Gennez, u spreekt over differentiatie in de eerste graad. Iedereen haalt hier stukken uit die hervorming, maar we moeten begrijpen dat heel deze hervorming één opbouwend geheel is, dat start in het basisonderwijs, en heel de kracht van de hervorming zit ook in dat basisonderwijs. Meer dan ooit zal het basisonderwijs de mogelijkheid krijgen om in te zetten op de meervoudige intelligentie van kinderen, op hun sterktes en hun zwaktes en het versterken van deze zwaktes. Dit zullen wij ondersteunen met bijzondere leermeesters, die de onderwijzers daarin kunnen ondersteunen. Last but not least is de oriëntatie ook heel belangrijk: we zullen met de kinderen van de kleuterschool tot de lagere school een pad bewandelen en ze hoeven niet te kiezen in die eerste graad, maar ze zullen vanuit hun talenten, hun sterke en zwakke punten, doorstomen naar die eerste graad. Zo moeten we heel die hervorming verder bekijken.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik heb met bijzonder veel aandacht naar het betoog van sp.a geluisterd, en ik blijf met één fundamentele vraag zitten: wensen jullie, mijnheer Vandenbroucke, dat de minister centraal alles beslist en dat het onderwijsveld alleen maar uitvoert? Ik zeg in alle duidelijkheid dat wij vertrouwen hebben in het veld en dat wij geloven in overleg. Ik geef maar één voorbeeld: de belangrijke en delicate oefening van de reductie van studierichtingen en de vernieuwing van het studieaanbod. Iedereen weet dat dat noodzakelijk is. Wensen jullie dat dit centraal gebeurt, uitsluitend door de minister? Of geloven jullie erin dat dit het best gebeurt in overleg met het onderwijsveld? Ik zeg in alle duidelijkheid dat dat laatste duidelijk onze keuze is. Daarin verschillen wij fundamenteel van elkaar. (Applaus bij de meerderheid)

Het zal collega De Meyer misschien tevreden stemmen dat wij een heel sterke pleitbezorger zijn van overleg met het veld. Maar wij zijn zeer beducht, net zoals collega Helsen ook al heeft gezegd in dit parlement, voor een VSO 2.0, waar scholen volledig de keuze hebben om al dan niet in een ambitieus systeem mee te stappen. Want dan krijg je elitescholen die alles laten zoals het is en daar ook prat op gaan, en op die manier ook aan sociale segregatie doen, kinderen niet toelaten en doorverwijzen naar andere richtingen aan de ene kant, en aan de andere kant die ambitieuze 21e-eeuwse scholen, in eender welk net, die effectief de stap zetten om kinderen met dezelfde interesses samen op te leiden.

Als je geïnteresseerd bent in wetenschap en techniek, en je wilt later ingenieur worden, wat is er dan in godsnaam mis mee, tenzij in een zeer elitaire visie op onderwijs, dat op jouw eigen campus ook de jongeren die later op dezelfde werf lasser gaan zijn, samen schoollopen? Voor mij is dat een positieve keuze, een keuze ook om die destigmatisering eindelijk door te voeren. Niemand kleeft labels op kinderen. Maar vandaag is het wel zo dat kinderen op een andere manier worden aangekeken als het in het bso of in het aso school lopen. Vandaag is het wel zo dat 60 procent van de jongeren begint in het aso, maar slechts 35 procent uitstroomt, want de anderen hebben hoog gemikt in het begin en kunnen dan nog afzakken. Dat is het probleem. Daarom moeten we effectief die hervorming doen, om de lat hoger te leggen dan vandaag – want we gaan achteruit, zoals de minister-president heeft geschetst – voor de allersterksten. De kloof tussen kinderen is vandaag wel schrikbarend hoog, mijnheer Daniëls. De demotivatie is te groot, met die achtduizend jongeren per jaar die zonder diploma de school verlaten. Ik laat die niet achter, u misschien wel. U kunt zeggen: “In OV3 lassen, dat ze daar niet kunnen tellen, ‘I don’t care’.” Ik vind dat een echte schande. Wij willen die jongeren mee. (Applaus bij sp.a. Rumoer)

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Ik wil één iets duidelijk maken: als er iets is dat onze fractie absoluut niet kan worden verweten, is het dat wij geen overleg zouden hebben met het werkveld en dat wij niet zouden luisteren naar het werkveld, want het tegendeel is waar.

Jos De Meyer (CD&V)

Je moet hen ook vertrouwen.

Overleg hebben is inderdaad een vorm van vertrouwen. Ik wil u duidelijk meegeven dat de discussie over de nota rond de hervorming van het secundair onderwijs ook voor bezorgdheid zorgt in het basisonderwijs. Ik heb dat duidelijk en meermaals vastgesteld tijdens mijn rondetafelgesprekken met de directies van het basisonderwijs. Ik heb dat meermaals vastgesteld tijdens overleg met leerkrachten. Ik kom zelf uit de sector van het basisonderwijs en heb nog een heel netwerk daar. Wij hebben ook al gemeld dat wij tevreden zijn over een aantal zaken die hier worden beslist in het kader van het basisonderwijs.

Maar iets wil ik toch wel meegeven aan de minister: de centen volgen vooralsnog niet. Ik hoop dat er in de toekomst nog een belangrijke en broodnodige stap komt, namelijk dat, naast het inzetten op basisonderwijs, die centen ook nog zullen volgen.

Positief is dat er heel wat ruimte is voor differentiatie en remediëring. Inzetten op de maat van elk kind, kan ervoor zorgen dat in het secundair onderwijs elke leerling van het basisonderwijs verder kansen krijgt. Maar dat is vandaag ook al zo. In die tien jaar dat ik directeur ben geweest, werd er al heel hard ingezet op differentiëren, werd er al heel hard ingezet op remediëren, werd er al gewerkt op maat van het kind. Dat is niets nieuws, dat werd al gedaan.

Elke kleuter naar de kleuterklas is voor ons van cruciaal belang. Wij hebben dat nog nooit anders geformuleerd. Maar daar werd al hard op ingezet de voorbije periode. In mijn school bijvoorbeeld zaten wij aan 92 procent van de kleuters die naar school gingen, door hard in te zetten op die kleuterparticipatie. Dat gebeurde al. Ook dat is niets nieuws.

Leerlingen moeten een kans krijgen op taalinitiatie vanaf het eerste leerjaar en de taallessen Frans, Engels of Duits vanaf het derde leerjaar. Dat moet worden gestimuleerd. Dat moet kansen krijgen. Maar laten we toch ook stilstaan bij de eventuele valkuilen daarrond. De ene basisschool zal daar harder op inzetten dan de andere. Collega De Ro heeft het ook gezegd: de collega’s moeten daarvoor opgeleid. De ene basisschool zal dat belangrijker vinden dan de andere. We moeten wel opletten dat we niet op twee snelheden komen te staan in verband met dat item, vooral als de kinderen dan naar het secundair onderwijs moeten.

Het inzetten van bijzondere leermeesters techniek en wetenschappen, Frans en muzische vorming wordt mogelijk gemaakt, maar we moeten er toch aandacht voor hebben dat de totale persoonlijkheidsontwikkeling van het kind niet in het gedrang komt. Het inzetten van vakleerkrachten is oké, maar die moeten voldoende geïntegreerd worden in de schoolwerking. Er moet voor worden gezorgd dat het pedagogische project voldoende wordt nagestreefd door die mensen en ook dat er een interne samenwerking is met de klasleerkracht in kwestie, want de horizontale en verticale samenhang is en blijft voor ons erg belangrijk. 

Hoewel er heel wat lovenswaardige initiatieven zijn in het basisonderwijs, is het niet echt duidelijk, niet voor ons maar ook niet voor de mensen op het werkveld, hoe die vruchten specifiek zullen kunnen worden geplukt in het secundair onderwijs. Diverse studies tonen immers aan – collega De Ro heeft al veel gezwaaid met dat document van Schoolspiegel – dat het welbevinden van de leerlingen erg hoog is in de basisschool maar een dramatische val maakt vanaf het eerste jaar van het secundair onderwijs. De nota hervorming van het secundair onderwijs, die hier voorligt, heeft noch ons, noch de mensen uit het werkveld van het basisonderwijs vandaag kunnen overtuigen dat er voldoende bindende garanties zijn ingebouwd om deze spijtige tendens eindelijk te kunnen ombuigen. (Applaus bij de sp.a)

Ann Brusseel (Open Vld)

Mevrouw Gennez, wij hebben niets tegen campusscholen waar de toekomstige lasser bij de toekomstige ingenieur zit. Niets. Absoluut niets. Ik ben onlangs een dergelijke campus in Beringen gaan bezoeken. Fantastisch. Waar men op het terrein het kan doen, doet men het. Men doet het graag, en men doet het goed. Maar hebt u er enig idee van wat zo’n nieuwe campus kost? Hebt u al eens de moeite genomen om te berekenen wat het zou kosten om die campusscholen te maken? Of denkt u misschien dat men lessen lassen geeft in een gewoon leslokaal waar men de les wiskunde geeft? Dan moet u eens doen zoals collega Daniëls, en dat is eens een lesje lassen gaan volgen. Want dat gaat niet zomaar. Je hebt daar specifieke campussen voor nodig.

En zeg me nu eens, mevrouw Gennez, waar is die grote pot geld om alle scholen om te turnen in campussen volgens bepaalde domeinen? Ik heb het al gevraagd aan mijn goede vriend Bart. Hij zegt dat hij ook zoekt naar die grote pot geld. Wel, ik ook. We leven dus niet in het land van melk en honing waar het geld zich vermenigvuldigt, zelfs niet in een rode sacoche zoals die van mij! (Gelach)

Zeg mij: waar is dat geld? (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Gennez, nadat het fout liep in begrijpend lezen, gaat het nu ook nog mis in begrijpend luisteren. Ik heb niet gezegd: ‘I don’t care’ of leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs ov3 lassen moeten kunnen tellen of niet. Ik zeg alleen dat de realiteit is dat die leerkrachten, ook algemene sociale vorming (asv), daar tijd middelen en boterhammen insteken maar dat het voor een aantal gasten niet haalbaar is. Gras groeit niet door eraan te trekken. Leerlingen worden geboren met gelijke rechten, maar helaas, Onze-Lieve-Heer, of je er nu in gelooft of niet, is geen eerlijke mens geweest.

Ik zat niet in dat rode vliegtuig richting Bordeaux, en ik zie hier rond mij een heleboel collega’s die er ook niet op zaten. Wij gaan niet de Rode Duivels verdedigen, wij zijn niet de Rode Duivels. En hoe komt dat? Komt dat omdat we slechte voetbalcoaches hebben gehad? Nee! Daar komt dat niet door. Dat komt jammer genoeg omdat alles en iedereen wat boven deze Koepelzaal zweeft ons niet de benen heeft gegeven van Lionel Messi.

Mevrouw Gennez, wat u net zegt, daar krijg ik grijs haar van. En ik heb veel haar, dus als dat allemaal grijs wordt, staat me wat te wachten. Als u blijft zeggen dat ze zakken, blijft u tegen al die bso- en tso-leerlingen waar ik les aan heb gegeven, zeggen dat ze onder aan de ladder staan. En ze staan daar niet. Om die reden heeft deze meerderheid beslist om in het basisonderwijs, en dat klopt, mijnheer Vandenberghe, wetenschap en techniek vanonder de stolp te halen van wereldoriëntatie. We zetten daar eindelijk een schijnwerper op. In het basisonderwijs gaan we zeggen: het bestaat! Wetenschap en techniek bestaan! We gaan tegen kinderen en ouders kunnen zeggen: mijnheer en mevrouw, uw zoon of dochter scoort; hij of zij kan het vraagstuk van boer Jan en zijn weiden oplossen; niet alleen door te zeggen hoeveel draad hij nodig heeft, maar ook door op te merken dat er een hek in moet.

Mevrouw Gennez, geef toe, u wilde met sp.a de scalp van het aso. (Rumoer)

U wilde die scalp hebben. (Protest bij sp.a)

Wel, deze meerderheid doet daar niet aan mee. Wij zeggen: én sterk aso, wij willen die leerlingen uitdagen, én sterk wetenschap en techniek.

Ja, mevrouw Brusseel, absoluut, waar zijn de vierkante meters in Antwerpen om al die bouwhallen bij te zetten? Waar zijn de centen?

Tot slot, ik zou een wijs spreekwoord kunnen citeren, mijnheer Daniëls: wat baten kaars en bril … U citeert uit ‘Mensen doen schitteren’. Wel, in die visienota staat heel duidelijk dat het aso behouden en versterkt moet worden. Weet u waarom? Wel, omdat onze toppresteerders, mijnheer Daniëls, achteruitgaan als het aankomt op wiskunde, wetenschappelijke geletterdheid en basisvaardigheden lezen. Daarom. U stelde: ‘We moeten hervormen om vooruit te gaan! De kracht van verandering!’ Omarmen die handel, zou ik zeggen.

Het is niet omdat u het woord waterval mordicus uit uw vocabulaire wilt schrappen, dat het ook verdwijnt. Wij durven de feiten te benoemen zoals ze zijn. Wij ontkennen niet dat in dit land – en we zijn daar niet fier op, en die analyse wordt gedeeld – de kloof tussen intelligente jongeren uit een sociaal-economisch zwakker milieu en die uit een sterker milieu, schrikbarend groot is.

En dan mag Onze-Lieve-Heer geen eerlijke mens zijn, en geen heerlijke ook misschien, maar ik verwacht wel van de minister van Onderwijs en van de Vlaamse Regering dat ze een eerlijke hervorming doorvoeren. Een eerlijke hervorming wordt geschraagd door heel veel wetenschappelijke evidentie, van inderdaad sociologen aan Vlaamse universiteiten maar ook door de OESO en ander internationaal onderzoek. Die zeggen: één, stel de studiekeuze uit zodat kinderen zelf kiezen en niet de ouders of de school, ze leggen de lat hoger; pak de waterval aan zodat minder jongeren zonder diploma het onderwijs verlaten.

Mij is tot op vandaag niet duidelijk en ik betreur dat – ook voor de minister – maar vooral voor die duizenden jongeren en hun ouders en leerkrachten: hoe gaat dat lukken? Wel, ik vrees samen met de specialisten dat het antwoord is: niet. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, nog één opmerking, want u hebt me persoonlijk getroffen toen u het had over het buitengewoon onderwijs. Mijnheer Vandenbroucke, luister ook goed. Weet u dat in het Masterplan 2013 Pascal Smet zelfs geen aandacht had voor het buitengewoon onderwijs? Weet u dat deze regering met deze partners eensgezind rond de tafel ervoor gezorgd heeft dat men straks scholen kan maken waar aso, bso, tso, kso en ook het buitengewoon onderwijs OV3 kunnen worden geïntegreerd?

De opmerking die u daarnet maakte, moest dus vooral gericht zijn aan uzelf. Wij maken het mogelijk dat er een domeinschool wordt gemaakt waarin ons buitengewoon onderwijs mee is geïntegreerd. U zou dat moeten hebben gelezen, u zou daar zeer blij mee moeten zijn en u zou dat vooral ook als een groot teken van respect ten opzichte van ons buitengewoon onderwijs moeten zien. (Applaus bij de meerderheid)

Dank u, minister. Ik ben zeer blij dat u het woord ‘domeinschool’ op een positieve manier in de mond neemt.

Minister Hilde Crevits

Maar we geven er zelfs subsidies aan, mevrouw Gennez!

Ik vind dat echt een mooie zaak, maar ik heb wel de communicatie van de collega’s van de N-VA gezien de dag na de beslissing, en daarin stond heel duidelijk: ‘Geen brede eerste graad, geen domeinschool, er verandert niks.’ Applaus. Hoera. Dat is inderdaad de trieste realiteit. Minister, ik geloof niet dat dat úw beperkte ambitie is. Ik geloof gewoon, zoals ik al zei, dat u de gevangene bent geworden van de rechtse Bourgeoisregering, en die wil nu eenmaal niet veranderen. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Wij zijn consequent geweest. Dat wilde ik daarnet zeggen, maar ik denk dat dat zal blijken uit mijn betoog. De discussie is inderdaad gegaan over de vraag of het masterplan al dan niet naar de letter is gevolgd. Ik denk dat dat niet de grond van de zaak is, en dat zal blijken. Ook het masterplan was al een flauw afkooksel van de nota-Monard, die zei dat er wel degelijk structurele hervormingen nodig zijn. Helaas komen die er niet. Ik zal dat echter verder toelichten.

In 2008, acht jaar geleden, kreeg de commissie-Monard inderdaad de opdracht om zich te buigen over de hervorming van het secundair onderwijs. De opdracht van de commissie was duidelijk: behouden wat goed is, de degelijkheid van het Vlaams secundair onderwijs overeind houden en verbeteren, durven te veranderen wat nodig is. Er zijn wel degelijk grote knelpunten, en die kennen we. Daarover is er volgens mij kamerbreed een consensus, van links tot rechts. We mogen kinderen niet op 12 jaar vastzetten in een studierichting waar ze dan nog moeilijk uit kunnen. Kinderen moeten kiezen op basis van hun talenten en interesses, omdat ze anders gedemotiveerd en schoolmoe worden, hun welbevinden laag is en ze de school verlaten zonder diploma. Bij de jongeren in Antwerpen is dat tot maar liefst 25 procent. Zo verliezen we gewoon hopen talent. We moeten tso en bso opwaarderen en de kloof tussen de zwakste en de sterkste presteerders dichten door de zwakste presteerders op te tillen en de sterkere sterker te maken. Heeft iemand iets gehoord waarmee hij het niet eens is? Ik denk het niet.

We komen dus bij wat er moet gebeuren. Dat waren de conclusies van het rapport-Monard in 2009: als we het Vlaamse onderwijs degelijk willen houden, maar we willen ook een grote groep jongeren die hun plaats niet vinden en die we nu verliezen, bijhouden, dan moeten er wel degelijk een aantal structuuringrepen gebeuren. We moeten allerlei dingen doen. We moeten remediëren, we moeten iets doen aan taal, we moeten de leerkrachten versterken. Dat moeten we allemaal doen, maar er zijn ook structuuringrepen nodig. Monard zegt dat we af moeten van de schotten, van die ongewilde en onterechte hiërarchische opdeling tussen aso, tso en bso naar een transparante ordening in een beperkt aantal domeinen. Dan moet de eerste graad breed en oriënterend zijn, en keuzevakken bevatten die leerlingen niet al vastzetten op 12 jaar. Dit alles mag dan vooral ook niet vrijblijvend zijn. Monard heeft dat gisteren herhaald in Terzake.

Collega’s, als het er dan op aankomt om te durven veranderen, dan faalt deze regering, want wat is het eigenlijk geworden? Dames en heren, ik heb het laten projecteren en u hebt ze ook allemaal gekregen: de matrix, die volgens het masterplan secundair onderwijs en de goedgekeurde conceptnota’s moet zorgen “voor een transparante indeling” met op de horizontale as een studiedomein dat “een inhoudelijk samenhangend thematisch geheel” vormt. Voor diegenen die de matrix nog niet goed hadden gezien of dit niet hadden gelezen, kijk goed en zeg mij wat een inhoudelijk samenhangend thematisch geheel is aan Griek-Latijn in het domein ‘Bouwen en wonen’, of aan Grieks-Latijn in het domein ‘Land- en tuinbouw’ of ‘Voeding en horeca’.

Een journalist tweette: ‘Misschien risotto en tzatziki.’ Ik weet het niet, maar duidelijk is wel dat de N-VA ‘behouden wat goed is’ vertaalt als ‘aan het aso wordt niet geraakt’. De kolom aso is precies hetzelfde gebleven en in tso en bso wordt flink, zeer flink gesnoeid. ‘Behouden wat goed is’ betekent voor de N-VA het aso veilig stellen en de snoeischaar zetten in de rest.

Mevrouw Meuleman, we zullen zelf wel uitleggen wat erin staat. U hebt duidelijk niet goed geluisterd naar de toelichting door de administratie vorige week. De administratie heeft in een duizend pagina’s dik document een screening gemaakt. Daaruit blijkt dat heel wat richtingen in het aso doen wat ze moeten doen. U vraagt wat ‘Grieks en Latijn’ staat te doen bij ‘land- en tuinbouw’ en bij ‘bouwen en wonen’. Als u de screening had gelezen, dan had u kunnen vaststellen dat studenten uit de afdeling ‘Grieks en Latijn’ zeer goed scoren als ze academische en professionele bachelors volgen in de richting architectuur. Dan had u kunnen weten hoe het komt dat ‘Latijn’ staat bij ‘economie en organisatie’. Als die leerlingen doorstromen naar het hoger onderwijs, slaagt meer dan 80 procent van hen in de toegepaste economische wetenschappen. Ook dat is vorige week toegelicht. En daarom komen die studierichtingen in die verschillende domeinen terug. 

Dat was echter nooit de bedoeling, noch van de nota-Monard, noch van het masterplan. Ook in de recente nota’s staat dat letterlijk. Want ja, we moesten in de conceptnota’s van de regering toch overschrijven wat op de horizontale as in het masterplan stond: studiedomeinen die inhoudelijk samenhangend een thematisch geheel vormen. Dat was de bedoeling van de domeinen, en dan zouden we inderdaad naar domeinscholen kunnen evolueren. Nu is er een nieuw, nog complexer raster gelegd – ik kom daarop nog terug – over de oude onderverdeling en richtingen van het aso, die koste wat het kost behouden moeten blijven, met de hiërarchie die er altijd in heeft gezeten. Dat is bijzonder jammer voor de gelijke onderwijskansen, maar ook voor het uitdagen van onze sterkste richtingen. Ik zegt dat niet, dat zegt de heer Monard. Sommige richtingen die uit het tso moeten verdwijnen, zijn zeer succesvol en toekomstgericht. Sommige scholen kregen in 2014 nog de toestemming om ze op te richten en uit te bouwen. Techniek-wetenschappen, duurzaam wonen, maatschappelijke veiligheid, natuur- en groentechnische wetenschappen, chemie, … De logica achter het schrappen is voor niemand duidelijk, mijnheer Daniëls, niet voor de koepels, niet voor directeurs, niet voor de leerlingen.

Misschien hebt u dit stuk ook niet onder ogen gekregen, mevrouw Meuleman, maar dit is een voorstel van matrix, op basis van de screening, dat aan de onderwijsverstrekkers zal worden voorgelegd. Er zijn inderdaad bepaalde studierichtingen verdwenen. Een van de ambities van de hervorming was een beetje te wieden in het aantal studierichtingen. Krijgen we van de onderwijsverstrekkers de opmerking dat het toch wel heel jammer is dat we een bepaalde richting niet meer hebben, dan zullen we dat toelichten. Komen sommige richtingen dan misschien terug, zij het na een inhoudelijke bijsturing? Dat kan, want daarover gaat het, mevrouw Meuleman. Het gaat over inhoud. Wat zit er in een bepaalde richting en waar bereidt ze op voor? Die duidelijkheid willen we voor ouders en leerlingen creëren, zodat ze niet voor verrassingen komen te staan. Zoals bijvoorbeeld humane wetenschappen volgen, daarna psychologie gaan studeren en buizen op statistiek. Dat is inhoud, en daar zullen we aan werken.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Voor de collega’s die de commissie Onderwijs niet volgen, toch even toelichten. Wat u op het scherm ziet, is niet de volledige matrix voor de tweede graad secundair onderwijs. Ik vermoed dat een A3 te groot was om te projecteren. De minister heeft net gezegd – en dat is voor onze fractie, en ik denk ook voor de rest van de meerderheid, geen detail – dat er een kolom ‘arbeidsmarkt - buitengewoon secundair onderwijs OV3’ ontbreekt. Dat waren woorden, en het zullen ook daden worden. De minister gaf het voorbeeld van een campusschool met leerlingen buitengewoon onderwijs samen met leerlingen van het gewoon onderwijs. Dat is niet alleen in theorie ingeschreven. De beslissing van de Vlaamse Regering was groter dan alleen maar eerste, tweede en derde graad; ze gaat ook over bestuurlijke optimalisatie.

Voor de mensen die tot de laatste pagina hebben gelezen, lees ik voor – er is toch nog een klein varkentje met centen: “andere stimuli: als een vereniging van schoolbesturen zijn scholen organiseert als domein- of campusscholen, kunnen zij prioritair aan bod komen voor financiële stimuli voor moderne en kwaliteitsvolle technische uitrusting in technische en beroepsgerichte opleidingen.”

Ik vind dat geen detail in een nota. Dat is iets heel belangrijks. We zullen er over vijf of tien jaar nog op terugkijken en zeggen dat we dat toen mogelijk hebben gemaakt. Na een segregatie van het buitengewoon onderwijs die al bijna eeuwen duurt in dit land, gaan we nu eindelijk echt de toenadering maken. Daarom vind ik het spijtig dat in de voorstelling die de diensten hebben, die kolom er net af valt. Ze betekent in deze matrix voor ons een wezenlijke vooruitgang en ze stond in geen enkele nota tot nu toe: noch in die van Monard, noch in die van Smet, noch in die van de regering. Ze is er nu gekomen. Aan de toehoorders om te weten hoe dat komt.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Meuleman, u verrast mij. U spreekt over het behoud van aso, tso, kso en bso. U presenteert hier voor ons een tabel, maar u vergeet iets heel belangrijks van die tabel te vermelden: dat het net de bedoeling is om meer transparantie te bieden aan leerlingen, zodat ze, als ze een bepaalde richting volgen, weten wat de finaliteit is van de richting. U houdt zelf vast aan wat is. U moet samen met leerlingen in de toekomst vooruit kijken, zodat zij weten waarop ze zich voorbereiden – op hoger onderwijs, op de arbeidsmarkt of op beide – en welke kansen ze precies hebben in het hoger onderwijs en op de arbeidsmarkt.

U zegt dat het helemaal niet transparant is. Het is net wel transparant. Het is voor alle leerlingen zeer duidelijk – als zij een richting Latijn of wetenschappen volgen – wat hun toekomstmogelijkheden zijn. Dat wordt hier zeer mooi weergegeven in een kader. Als u natuurlijk wilt dat een richting enkel voorbereidt op één verdere doorstroming, dan pleit u voor een verenging en een verschraling van ons onderwijs. Neen, wij willen duidelijk maken hoe rijk het is. Daarom vindt men de verschillende richtingen vaak in meerdere vakjes terug, maar dat biedt net transparantie.

U vraagt zich af wie zoiets nu gedaan heeft. Dat is afgetoetst met het hoger onderwijs. Dat is afgetoetst met verschillende sectoren op de arbeidsmarkt. In het verdere traject dat nu zal worden gevolgd, zal het worden besproken met onderwijsverstrekkers, maar ook met de SERV zal er gesproken worden en zal er advies worden gevraagd om te bekijken of het inderdaad een antwoord biedt op datgene wat de arbeidsmarkt nodig heeft. U zegt dat het niet transparant is. Ik denk dat het nooit zo transparant is geweest als nu.

Ann Brusseel (Open Vld)

Mevrouw Meuleman, u bent net als ik en de heer De Ro op bezoek geweest in de middenschool in Boom. U hebt daar kunnen vaststellen hoe men er de eerste graad organiseert. Wat u het vastzetten van bepalende keuzes voor een verdere schoolcarrière noemt, heb ik daar niet gezien. U ook niet. U vertelt de zaken hier vandaag anders dan ze zijn. Die leerlingen kunnen er in het eerste jaar kennismaken met verschillende vakken, zodat ze op een later moment met kennis van zaken kiezen. Een geïnformeerde keuze is het begin van een emancipatorisch traject. Ik vind het erg dat ik u dat moet uitleggen. Zeggen dat dat definitieve keuzes zijn omdat die kinderen kennis kunnen maken met verschillende vakken, is nogal kort door de bocht.

Ik heb voor u dezelfde vraag als die die ik aan sp.a heb gesteld, maar waarop ik eigenlijk niet echt een antwoord heb gekregen: wat doen we met de kleine scholen die een studieaanbod hebben dat domeinoverschrijdend is? U hebt immers blijkbaar ook wel uw bedenkingen bij die matrix. U hebt eigenlijk ook wel een voorkeur voor de oude domeinen. U verwijst naar Monard, u verwijst naar de eerste conceptnota van Pascal Smet. Wat moeten de scholen dan doen die in een kleine scholengemeenschap zitten of die op meer dan tien kilometer afstand zitten van een andere school die die studierichtingen aanbiedt? Moeten zij schrappen in hun studieaanbod? Moeten die kleine technische athenea, waar nu ruimte is voor zowel lassen als voor schoonheidszorgen, een van die twee studierichtingen schrappen? Moeten die leerlingen dan maar de bus nemen naar een school tien of twintig kilometer verderop? Ik zou het graag van u horen.

Jos De Meyer (CD&V)

Sommige collega’s luisteren in de commissie noch in de plenaire vergadering. Mevrouw Meuleman, de wijze waarop u de matrix voorstelt na de degelijke uitleg die we in de commissie hebben gekregen, niet alleen van de minister maar ook van de administratie, is er een karikatuur van maken. Als u verwijst naar het domein ‘bouwen en wonen’, vermeld dan toch technologische wetenschappen. Als u spreekt over het domein ‘land- en tuinbouw’, vermeld dan toch ook biotechnologische wetenschappen.

Ik herhaal: kijk eens naar het aantal bio-ingenieurs dat Latijn-Grieks heeft gestudeerd. Voor de derde maal: over deze studierichtingen en de reductie ervan en de herleiding tot minder zal er verder overleg gebeuren met de onderwijsverstrekkers.

Mevrouw Brusseel, ik ben inderdaad op bezoek geweest bij die school in Boom. Dat is iets waar uw en mijn partij zich in de vorige legislatuur onder mevrouw Vanderpoorten in konden vinden. Dat gaat richting een echte, autonome middenschool, waarin leerlingen breed worden gevormd en waarin vergaand wordt gedifferentieerd. Misschien hebt u ook zo’n les wiskunde meegemaakt, waarbij men, op verschillende niveaus, elke leerling op maat toch mee krijgt in de eerste twee jaar. Dat is voor mij inderdaad een goed voorbeeld. Dat hadden we moeten invoeren met het masterplan. Dat is wat een brede eerste graad is.

Gaan we dat invoeren? Neen, totaal niet. We werken nog steeds met basisopties. Iedereen kan kiezen wat hij doet. Er zullen inderdaad scholen hopen dat ze verder kunnen gaan met die autonome middenschool, maar ze zullen worden beconcurreerd. Daar maak ik me veel meer zorgen over. Ook het GO!, waarover u zo bezorgd bent, zal worden beconcurreerd door colleges die misschien het omgekeerde gaan doen. In een brede eerste graad zullen ze basisopties kiezen zoals Latijn, die de sterke leerlingen aantrekken, die in plaats van te verdiepen en te remediëren, veel meer inzetten op het differentiëren naar boven toe en op het versterken. Op die manier zal de segregatie en de tweedeling in ons onderwijslandschap toenemen. Dat is zo jammer en zorgwekkend. Dus ik ben blij dat u het voorbeeld van de autonome middenschool aanhaalt.

Ann Brusseel (Open Vld)

Waar ook Latijn wordt gegeven, ook vanaf het eerste middelbaar. U hebt niet goed opgelet tijdens uw bezoek.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel, ik heb ook niet goed kunnen opletten, want ik weet niet wat u hebt gezegd. Dat is heel vervelend, vooral voor oudere mannen die niet goed meer horen.

Inderdaad, daarna, maar niemand zit vast en we nemen iedereen mee tot 14 jaar.

Wat de tweede opmerking betreft over de transparantie: ik heb de matrix opzettelijk geprojecteerd en laten verdelen op de banken. Zo kan niemand zeggen dat ik dingen zeg die niet waar zijn of er niet in staan. Mijnheer De Ro, ik geef u gelijk, het blad is te groot, OV3 staat er niet op. Ik vind het goed dat men het buitengewoon onderwijs gedeeltelijk zal meenemen in die matrix. De vraag op het terrein is of het er inderdaad van zal komen en of men dit zal kunnen realiseren.

We zien hoe het nu gaat met het inclusief onderwijs. Ik hoop dat het spaarvarkentje met de middelen groot genoeg zal zijn, dat de incentives die er zouden moeten komen voor domeinscholen, er inderdaad zullen zijn. Ik heb ze nog niet gezien in de begroting. We hebben ernaar gezocht in mijn fractie, want we zouden wel eens willen weten waaruit die incentives dan wel bestaan. Het is een beetje het verhaal van het M-decreet en de middelen die soms veeleer lijken te verdwijnen dan dat ze erbij komen. Hoe zullen die incentives eruitzien en zal men kunnen evolueren naar domeinscholen? Dat is maar de vraag. Het principe om OV3 ook mee te nemen in domeinscholen, als die er zullen komen, is wel goed.

Wat de transparantie betreft, mevrouw Helsen, op papier: ja. Voor iemand die achter een computer zit en die een soort tabel moet opmaken en die in verschillende vakjes kan zetten, daarvan kun je zeggen dat dat min of meer overzichtelijk is. Maar het is allerminst transparant. De voorzitster van de scholierenkoepel verwoordt het met de nuchterheid van iemand die niet naar een theoretisch model alleen kijkt, maar vanop het veld. “Hoe vreemd gaat ons onderwijs eruitzien als een deel van ons onderwijs verandert op de ene manier, de andere op een andere manier, en nog een hoop bij het oude blijft … Niemand vroeg toch naar meer complexiteit.”

Inderdaad, dat is wat het zal worden. Nogmaals, de vrijblijvendheid en alles kan en alles mag binnen de matrix. Horizontale ordening in domeinscholen, verticale ordening in aso-scholen of een beetje van alles te samen in de campusscholen, de brede eerste graad waar men zal kunnen verdiepen of niet en het toch nog breed houden: welke kat zal daar haar jongen nog in terugvinden?

En wat bent u aan het doen met ons onderwijs? Bent u het beter aan het maken? Ik denk het niet. U maakt het alleen complexer en onoverzichtelijker maar zeker niet beter. We krijgen volgens mij geen schoolstrijd maar wel een scholenstrijd. Scholen kiezen in welk systeem ze meestappen, en de verschillen tussen scholen zullen toenemen. De concurrentie zal alleen maar aangewakkerd worden.

Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Meuleman, ik wil reageren op wat u zegt, omdat het niet klopt. U zegt dat de basisopties niet goed zijn terwijl ze nog niet zijn ingevuld. Er wordt aan de onderwijsverstrekkers gevraagd welke basisopties zij mogelijk maken, maar in de nota wordt heel duidelijk gezegd wat een basisoptie is. Een basisoptie is een groep van leervakken die oriënterend en verkennend zijn voor de leerlingen. En het is aan de onderwijsverstrekkers om goede voorstellen te doen die zijn afgestemd op de tweede en derde graad die volgt. Ik begrijp niet hoe u erbij komt dat om nu al te zeggen dat de basisopties een mislukking zullen zijn terwijl ze nog niet zijn bepaald.

U vraagt wie hier nog aan uit kan. Ik wil er nogmaals op wijzen dat dit schema ook gebaseerd is op Onderwijskiezer. Onze leerlingen zijn daarmee vertrouwd; ik hoop dat u het ook kent. Het is een heel mooi programma, over alle netten heen ontwikkeld, om leerlingen te begeleiden bij het maken van hun keuze. Zij vinden daar het aanbod in terug dat het beste bij hen past. Dit is daarop gebaseerd. De leerlingen zijn daarmee vertrouwd. Ik begrijp dan ook niet dat u hier vandaag zegt dat dit niet transparant is, want dat klopt helemaal niet.

Dan zult u toch nog veel werk hebben om dat allemaal uit te leggen, zowel aan de scholierenkoepels, als aan de onderwijsverstrekkers en de onderwijsraad. Ik denk dat zij allemaal vragen hebben bij de concrete invulling en realisatie daarvan op het veld. In elk geval komen de broodnodige vereenvoudiging en de nodige structuurhervorming die Georges Monard heeft vooropgesteld en gisteren in Terzake uit de doeken heeft gedaan, en die voor transparantie en afstemming zorgt op het hoger onderwijs, er met die schema niet.

Ik heb nog een vraag gesteld in de commissie waar ik geen antwoord op heb gekregen. Ik hoop dat dat antwoord er nog komt. Ik kan me niet van de indruk ontdoen – ik zeg niet dat het zo is, maar al het zo is, dan moeten we ons daar absoluut tegen verzetten – dat achter deze hervorming een besparingsoperatie schuilgaat. De heer Daniëls heeft in de commissie gezegd dat onderwijs wordt gefinancierd op leerlingenbasis. Leerlingen verdwijnen niet, wel eventueel richtingen, en dus blijft alles hetzelfde.

Er zijn ook minimumpakketten om kleinere, nieuwere en interessantere richtingen, soms nicherichtingen die echter wel zeer relevant zijn, op te richten. Wanneer ik de tabel bekijk, vraag ik me af of er niet is gesnoeid waardoor dit toch een besparing wordt. Voor ons, voor de netten en voor de directeurs is niet duidelijk hoe dat snoeien is gebeurd. Ik heb gevraagd naar het financiële plaatje achter de matrix, maar ik heb het niet gekregen. Ik hoop dat we dat nog zullen krijgen, want dat is bijzonder relevant. Onderwijs heeft niet de luxe een euro verloren te laten gaan.

Mevrouw Meuleman, het feit dat u probeert een zweem te creëren dat wat hier voorligt, met name een inhoudelijke bijsturing met gerichte maatregelen, een besparing zou inhouden, vind ik wel straf. We proberen alleen duidelijkheid te creëren, en daarmee herhaal ik wat mevrouw Helsen al heeft gezegd. We willen duidelijkheid creëren over de vraag waartoe een opleiding al dan niet leidt.

Er zijn in Vlaanderen een aantal opleidingen ontstaan omdat scholen graag het spandoek ophangen ‘uniek in Vlaanderen’. Een aantal opleidingen in Vlaanderen bereiden vandaag voor op beroepen die er niet meer zijn. En dan is het de plicht van de overheid om in die studierichtingen te wieden.

En ja, het klopt dat we met het veld in overleg zullen gaan om te luisteren wat zij ervan vinden, of zij een inhoudelijke bijsturing zien, of er inderdaad te voluntaristisch een aantal zaken zijn geschrapt. Daar ben ik het mee eens. Maar sta hier toch niet te zeggen dat het een grote besparingsoperatie is, want dat is het niet.

Dat zullen we nog zien. Ik zeg alleen dat de logica achter de schrapping voor niemand duidelijk is. Er zijn richtingen verdwenen die nog zeer relevant zijn. Er bereiken mij brieven van directeurs die zeggen dat een bepaalde richting goed voorbereidt op de arbeidsmarkt en algemeen vormend is en dat ze er steeds meer leerlingen voor krijgen, terwijl die richting toch verdwijnt. Wat is daar de ratio achter? Dat is ons niet duidelijk.

U gaat nu in overleg. Ik heb dat ondertussen goed begrepen. Er zal nog enorm veel moeten worden bijgestuurd. Ik hoop dat het de duidelijkheid ten goede zal komen en dat het de matrix nog heel wat zal verbeteren. Wat nu voorligt, doet dat voor heel wat mensen niet en zorgt voor veel ongerustheid.

Minister, acht jaar na Monard en nog eens drie jaar na het masterplan hebben we dit gekregen. Ik onthoud vooral – en dat zeggen ook een aantal onderwijsverstrekkers en de Scholierenkoepel – dat de Vlaamse Regering geen keuzes heeft durven te maken. Met de matrix heeft ze nog maar eens wat koterijen bijgebouwd. Dat is het geworden. Het is geen structuurhervorming geworden. Het is een matrix waarin nog alles kan en alles nog mag. Mijnheer Daniëls, dat is nog slechter dan een status-quo. U probeert altijd te verdedigen dat u de rust hebt bewaard en dat de N-VA erin is geslaagd om ervoor te zorgen dat er niets verandert. Er verandert wel iets, maar het wordt niet beter. Het wordt ingewikkelder en onoverzichtelijker.

Collega’s, diegenen die mij kennen, weten het: ik ben in de politiek zelden zo teleurgesteld geweest. Het getuigt van een ongelooflijk grote politieke zwakheid. Alle beslissingen en verantwoordelijkheid over een maatschappelijk zo fundamenteel en belangrijk thema, waarbij we zeggen dat we te veel jongeren verliezen en dat we ze willen meekrijgen, worden doorgeschoven naar de onderwijsverstrekkers en naar de scholen. Dit is voor mij de conclusie: hoe de Vlaamse Regering zich op 31 mei op het vlak van onderwijs compleet irrelevant en overbodig maakte. Proficiat! (Applaus bij Groen en sp.a)

Ann Brusseel (Open Vld)

Mevrouw Meuleman, ik weet niet of het een troost kan zijn, maar teleurstellingen kan een mens ook opdoen door foute verwachtingen. Als u alle heil verwacht van een structuurhervorming, dan staat de teleurstelling in de sterren geschreven.

U hebt daarnet verwezen naar problemen waarover al in 2008 sprake was. U hebt het gehad over de nood aan beter remediëren en differentiëren. Dat is juist. Ik heb een kleine doorlichting gedaan van een aantal programma’s van de lerarenopleiding. De aandacht voor belangrijke zaken zoals remediëren en differentiëren is in de Vlaamse lerarenopleiding, gezien de uitdagingen die zich de voorbije jaren stellen, eigenlijk wat klein. Er is te weinig aandacht voor die zaken.

U verwijst naar de domeinscholen als de grote oplossing voor het watervalsysteem. Maar wat is een watervalsysteem? In uw waardensysteem staat bso onderaan en kun je van tso in de waterval naar beneden tuimelen. Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb daar een andere visie op. Ik denk dat het belangrijk is om elke leerling, in welke structuur ook, te oriënteren en te begeleiden in zijn studiekeuze naar de studierichting die voor hem of voor haar de juiste is. Dat is de kern van de zaak. Doet men dat in een domeinschool of in een school waar enkel technische richtingen worden aangeboden, dat is uiteindelijk wel hetzelfde als het kind maar op de juiste plaats terechtkomt waar het zich kan ontplooien, waar het graag studeert, waar het dingen leert waar het iets mee wil gaan doen. Dan zijn we in het opzet geslaagd, niet wanneer we de structuren omverwerpen.

Mevrouw Meuleman, ik zal in u een bondgenoot vinden wanneer ik pleit voor meer studiekeuzebegeleiding als vast item in elke lerarenopleiding. Dat zit er nu amper in. Er is maar één hogeschool in Vlaanderen die daar uitdrukkelijk melding van maakt. Misschien kan het ook verder in het programma vervat zitten en pakken ze er niet mee uit. Maar het lijkt alvast geen prioriteit te zijn in lerarenopleidingen vandaag.

Als we die lerarenopleiding gaan hervormen – wat de vorige regering ook niet heeft gedaan en wat deze regering wel gaat doen – kunnen en moeten we aandacht hebben voor al die zaken.

Als we de leerkrachtenopleiding hervormen – wat deze regering ook zal doen en de vorige niet heeft gedaan –, dan kunnen en moeten we aandacht hebben voor al die zaken. Het zijn niet de structuren die sterke leerlingen maken, het zijn sterke leerkrachten die sterke leerlingen maken, mevrouw Meuleman. (Applaus bij Open Vld)

Mevrouw Brusseel, ik heb net een grote bekommernis voor leerlingen in het technisch onderwijs, in het beroepsonderwijs. Ik vind echt dat we die richtingen moeten opwaarderen. Ik vind niet dat leerlingen daar moeten terechtkomen als ze niet met enthousiasme en positief daarvoor hebben gekozen. Ik zie niet in hoe dit masterplan ervoor zal zorgen dat die richtingen echt zullen worden opgewaardeerd.

Er is van alles nodig. Ik ben het met u eens. Wat differentiatie in het lager onderwijs betreft, heb ik prachtige dingen gezien. Ik ben met de minister van Onderwijs een project gaan bezoeken in mijn regio Oudenaarde. Het project ging over differentiatie voor sterke en hoogbegaafde leerlingen die soms ook problemen op het vlak van welzijn hebben. Die school deed het schitterend: men biedt maatwerk aan de kinderen. De kinderen kregen een blauw, een groen of een rood mapje en zijn allemaal bezig op hun niveau. Het basisonderwijs kan dat, maar kan ook wat extra middelen en omkadering gebruiken om dit te realiseren en te versterken wat het al goed doet.

Er zijn ook een aantal andere maatregelen. Ik ben er natuurlijk niet tegen dat Open Vld graag Engels, Frans of Duits wil aanbieden vanaf het derde leerjaar, maar ik vind het wel een beetje mager. Open Vld, dat zo voor die talen heeft gevochten, heeft immersie in het lager onderwijs er niet in gekregen, heeft CLIL (Content and Language Integrated Learning) er niet in gekregen. Wat heeft Open Vld gekregen? De mogelijkheid om een beetje Duits of Engels te krijgen in het derde leerjaar. Ik stel me daarbij een grote vraag: als je in de ene school Engels krijgt, in een andere Duits, in een andere niets, dan krijg je kinderen die allemaal een andere taal hebben gevolgd, en die moeten dan in het middelbaar onderwijs instromen. Ik vind het eigenaardig, maar aandacht voor talen krijgt mijn steun, op welke manier dan ook. Ik vind dat u blij bent met een heel, heel, heel klein trofeetje, maar goed.

Aandacht voor kleuters is ook goed. Ik ben blij dat u kleuterparticipatie wilt bevorderen. Maar, en dat hebben we vorige week ook gezegd, zal die 150 euro die de kinderen via de kinderbijslag zal moeten overtuigen om naar school te gaan, het doen? Ik weet het niet. Mijn partij had veel liever een leerplichtverlaging gezien, want dan zijn kinderen verplicht bij wet om naar school te gaan. Volgens ons was dit een betere en meer solide oplossing geweest.

U hebt twee kleine dingen binnengehaald. Open Vld is waarschijnlijk rond tafel gaan zitten en heeft zich afgevraagd wat men kan vragen om in de etalage te zetten waar niemand tegen kan zijn. Dat is goed, maar het is niet genoeg, en dat zegt Monard ook. Monard zegt dat er een aantal dingen nodig zijn – aandacht voor leerkrachten, meer differentiatie in de leerkrachtenopleiding, remediërend werken –, maar er is ook een echte hervorming van het secundair onderwijs nodig. Dat is de titel van het debat, en daarover gaat het vandaag.

Wat is er niet gekomen? Alles en van alles wat, behalve een hervorming. Minister, u zegt dan in Terzake dat er ook duaal leren is om ongekwalificeerde uitstroom tegen te gaan. Er zijn inderdaad een aantal proeftuinen duaal leren, maar die passen niet eens in de grote hervorming van het secundair onderwijs. Op den duur kan men zo alles op tafel leggen. Wat er niet is gekomen, is een hervorming van het secundair onderwijs. Dat was toch het vertrekpunt. Daar ging het over. Daar gaat het al over sinds 2008. Ik ben daarover verbaasd en teleurgesteld. Mijn conclusie voor vandaag is: veel blabla.

Jo De Ro (Open Vld)

Mevrouw Meuleman, over de grootte van de trofee: ik herinner me een periode waar men met een ecotaks in de hand de onderhandelingstafel verliet en er nooit een heeft gekregen. Op dat vlak hebben we als partij weinig lessen te krijgen.

Wij willen in heel Vlaanderen de mogelijkheid creëren om drie vreemde talen te leren vanaf het derde leerjaar, binnen het curriculum. De laatste blauwe minister van Onderwijs, Marleen Vanderpoorten, slaagde erin om samen met uw partij en Volksunie en sp.a in de regering, taalinitiatie in te voeren. Taalinitiatie is veel vrijblijvender dan wat er nu in staat. Dit is binnen het curriculum, en de enige reden dat we dit niet verplicht opleggen, is dat ook de leerkrachten moeten kunnen volgen, wat mevrouw Brusseel ook al heeft gezegd.

We zetten al jaren in op Content and Language Integrated Learning (CLIL) in het secundair onderwijs – wellicht ook zo’n dode mus die de collega’s van de oppositie ons toedichten. In september zullen zestig scholen daarmee aan het werk zijn, met torenhoge voorwaarden. Zo moet je een C1-certificaat hebben om daarin les te geven. Als we het tot een succes willen in het lager onderwijs, zullen ook de leerkrachten moeten kunnen volgen. En u noemt het een klein trofeetje om dat vanaf het derde leerjaar in te voeren?

De teloorgang van onze vreemdetalenkennis is verschillende keren door jonge mensen geïllustreerd in het eindtermendebat. U citeerde daarnet iemand van VSK. We kunnen evenzeer een van die tien jongeren citeren, die in De Standaard zegt: “We leren acht jaar vreemde talen en we durven en kunnen ze niet spreken.” Het zal niet alleen worden bepaald door de duurtijd in het onderwijs, maar ook door de methodes. We reiken daarom de hand aan de onderwijsverstrekkers, de universiteiten, de onderzoekers die niet alleen beleidsvermogend moeten werken, beleidsonderzoek moeten voeren, maar ook praktijkgericht onderzoek.

De schoolbezoeken die wij brengen aan scholen die heel sterk bezig zijn met taal, leren ons dat effectief niet alleen de sterkste leerlingen – want dat is nog zo’n vooroordeel –, maar ook de zwakste leerlingen daar alle baat bij hebben. Ik denk dat wij daarvoor gaan. U mag dat een klein trofeetje noemen. Het probleem van de oppositie is – we hebben er samen met jullie deel van uitgemaakt – is dat de trofeeën die je daar behaalt, meestal niet zo groot zijn. Deze trofee is zeer tastbaar. (Opmerkingen van Caroline Gennez)

Nee, mevrouw Gennez, niet ‘als we er maar bij zijn’. Dit is een wezenlijk verschil. Ik heb net bescheiden gezegd dat, toen we zelf de minister hadden, we taalinitiatie hebben gekregen. Nu hebben we, met een partner waarvan u zegt dat die nooit iets wil doen rond taal, verkregen dat in het basisonderwijs vanaf het derde leerjaar binnen het curriculum andere talen mogen worden gegeven. Ik vind dat geen kleine trofee, maar een echte verwezenlijking. (Applaus bij Open Vld en CD&V)

Minister Hilde Crevits

Collega’s, eerst en vooral, u hebt het over trofeeën of geen trofeeën. De grootste trofee is de trofee die we aan de leerlingen geven. Alle pluimen die alle partijen op hun hoed willen steken, zijn eigenlijk voor de galerij. Wat we doen, moeten we doen om jongeren te versterken.

Mevrouw Meuleman, ik ben blij dat u het hebt over het beroepsonderwijs en dat het daarover gaat in dit debat. Ik was wel wat ontgoocheld toen u daarnet zei dat ik het duaal leren erbij sleur. Het masterplan van het secundair onderwijs bestaat uit 71 maatregelen, waarvan er 54 zijn uitgevoerd of in uitvoering zijn. Het duaal leren is daarvan een wezenlijk onderdeel, waarin we onder andere van 15 of 18 statuten naar 1 statuut gaan en dus transparantie en helderheid willen bieden. Naast dat duaal leren heeft deze Vlaamse Regering het mogelijk gemaakt om jongeren voor wie het leren en werken geen optie is, maar die toch problemen hebben in onderwijs, toch flexibele trajecten aan te bieden. Dat is iets dat u ook wenst en waarover u een aantal keren het woord hebt gevoerd.

Ten tweede, vele collega’s hebben het vandaag al benadrukt: het is in ons beroepsonderwijs bijzonder belangrijk dat de jongeren die een cyclus volgen en een diploma behalen, ook effectief naar de arbeidsmarkt kunnen gaan als ze afstuderen. Het is belangrijk dat de werkgever vertrouwt op de kwaliteit van de studierichting. We zetten daar een aantal stappen voor. Sinds enige tijd zijn er de beroepskwalificaties. We proberen alle richtingen in ons beroepsonderwijs daarop af te stemmen, zodat er een transparantie ontstaat. Je krijgt een aanbod op school in het beroepssecundair onderwijs – niet alleen beroepsopleiding, maar ook algemene vorming – dat strookt met de verwachtingen die men op de arbeidsmarkt heeft in deze sector.

Wij snoeien verder ook in het beroepsonderwijs in een aantal richtingen. We maken die wat breder. U hebt daarnet nogal denigrerend commentaar gegeven op de matrix. Als u wat dieper zou kijken, ook naar wat erachter zit, zou u volgens mij toch wel blij zijn dat we een aantal richtingen verbreden. De vraag rijst of het nuttig en nodig is dat iemand in het derde middelbaar al heel eng in een bepaalde niche wordt opgeleid of dat we niet wat breder kunnen gaan in de tweede graad, bijvoorbeeld richting bouw, om dan in de derde graad wat meer specifiek te kiezen. Ik vind dat persoonlijk een goede optie.

Wat we ook doen, is het clusteren van richtingen en ze een nieuwe naam geven. Denk aan de richting verkoop. Deze kan heel sterk inhoudelijk worden gemoderniseerd en daar hebben we nu werk van gemaakt door gebruik te maken van de pijnpunten. Dat zijn zaken die grote stappen voorwaarts betekenen om jongeren die beroepsonderwijs volgen effectief kansen te geven op de arbeidsmarkt.

We doen dat trouwens niet alleen voor het beroepsonderwijs, maar ook voor het buitengewoon onderwijs. Het is nog niet gezegd door de heer De Ro, maar ik ben bijzonder blij dat we een tiental nieuwe studierichtingen in het buitengewoon onderwijs hebben ingevoerd die eigentijds zijn en die jongeren meer kansen moeten geven op de arbeidsmarkt, nog meer dan vandaag.

Mevrouw Meuleman, het zijn punctuele maatregelen die zijn goedgekeurd en die er net voor moeten zorgen dat jongeren die beroepsonderwijs volgen, goede en sterkere kansen krijgen op de arbeidsmarkt dan vandaag het geval is.

De voorzitter

De heer Moyaers heeft het woord.

Bert Moyaers (sp·a)

Voorzitter, ik zit niet in de commissie Onderwijs en ik ga me dan ook niet toespitsen op het inhoudelijke. Tot drie maanden geleden stond ik zelf nog les te geven in het secundair onderwijs, meer bepaald in het vrij onderwijs. We hebben daar al meer dan een jaar geleden beslist om een brede eerste graad te ontwikkelen. Er was nog niet veel duidelijkheid over hoe die moest worden ingevuld. Dat betekende dat er heel wat twijfels waren bij de leerkrachten die het moesten doen. Er werden massa’s vergadermomenten opgelegd.

Nu plots is er een bepaalde vrijheid en een vrije keuze. De brede eerste graad moet eigenlijk niet meer worden ingevuld. Veel collega’s van toen hebben me dan ook gecontacteerd om te vragen hoe ze het moeten doen. We hebben vandaag al vaak gezegd dat leerlingen en ouders niet goed meer weten wat ze moeten kiezen. Als een school al bezig was met de ontwikkeling van een brede eerste graad, dan weten nu plots heel wat leerkrachten ook niet meer wat ze moeten kiezen. Dat vind ik een bijzonder spijtige zaak.

Ik kan echt niet meer volgen. Mevrouw Gennez zegt dat er niets verandert in de eerste graad en de heer Moyaers weet niet meer wat hij moet doen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Voor alle duidelijkheid, u hebt 6 minuten.

Voorzitter, dames en heren, ik heb de 6 minuten toegemeten tijd niet nodig. (Applaus)

Ik zal het op een kleine 5 minuten houden. (Gelach)

De operationalisering van het masterplan is zeer goed. Ik kan er eigenlijk niet veel aan toevoegen. Het is zeer goed, niet omdat het de vertaling is van het masterplan en al zeker niet omdat het het overtypen is van het masterplan, maar wel omdat onze leerlingen, scholen en leerkrachten ermee gebaat zijn. Ik kan niet genoeg herhalen dat ons Vlaams onderwijs toponderwijs is.

Gisterenavond laat zat ik te kijken naar een opgenomen uitzending van Topdokters. Topdokters zijn het resultaat van ons barslechte Vlaamse onderwijs. Van heinde en verre komen ze naar Vlaanderen voor onze topdokters, ondanks ons barslechte onderwijs. Ik dacht toen bij mezelf dat er zeker kritiek zou komen dat de N-VA het weer heeft over de hoogste profielen zonder aan de rest te denken.

Ik dacht dat ik nog meer voorbeelden moest vinden, om het niet enkel over die hoge profielen te hebben. En kijk: elke ochtend gaf ik mijn kinderen af aan mijn vroegere leerlingen uit het bso verzorging. Iedereen van u heeft ooit, als hij of zij zijn of haar kinderen heeft laten opvangen, die kinderen toevertrouwd aan mensen die bso hebben gedaan. Daar zetten we ook op in.

Er werd gezegd dat er te weinig wordt gekozen voor wetenschap en techniek. Laten we even een oefening doen: wie van u heeft in de lagere school elektriciteit gehad? Niemand. Dan vragen we ons af hoe het komt dat leerlingen niet kiezen voor wetenschap en techniek. Hoe zou dat komen, denkt u? We hebben er nooit kennis mee gemaakt. Het zat verstopt in wereldoriëntatie. Je kan in Vlaanderen de slimste mens van Vlaanderen worden zonder één praktische proef te doen. Als je in de jeugdbeweging een ontspanner op een gasfles zou willen draaien en niemand heeft u gezegd hoe dit moet gebeuren, dan kan je evengoed de ontspanner kapot draaien en hebben de kinderen geen eten. Wie hier komt zeggen dat deze meerderheid geen aandacht heeft voor bso en tso, heeft het mis.

Ander punt van kritiek: er is geen brede eerste graad. Paniek op een aantal banken in het parlement! Wie denkt dat je met één brede eerste graad alle problemen oplost, heeft het mis en doet onrecht aan de realiteit van de leerlingen die vandaag op de schoolbanken zitten. Onze populatie is niet homogeen. In Vlaanderen is die zelfs nog veel heterogener dan in vele andere landen.

Dan kom ik bij de leerkrachten. Stel u voor dat u leerkracht bent en men u zegt dat alle kinderen allemaal hetzelfde gaan volgen, op hetzelfde niveau. U, als leerkracht gaat differentiëren. Wij hebben in Sint-Gillis-Waas Laura Waem, die een Europese turnkampioene is. De spagaat die zij kan, kunnen onze Vlaamse leerkrachten niet aan. Ze scheuren als ze dat moeten doen. Die pijnlijke keuze hebben we niet gemaakt. Het is een getrapte studiekeuze om waar te maken wat we willen doen: de talenten van de leerlingen ontdekken en gaandeweg laten doorschuiven.

De minister verwees al naar het duaal leren. Twee weken geleden viel ik van mijn stoel omdat er collega’s waren die het duaal leren niet hebben goedgekeurd. Terwijl we met het duaal leren eindelijk erkennen dat leren kan door te werken, op een positieve manier. Toch zijn er collega’s die dat niet goed vinden. Als u nu zegt dat ik er van alles bij sleur, is het wel zo dat dit allemaal ook in dat masterplan staat.

Ik sluit af. We nemen wetenschap en techniek op, er is het oriëntatietraject, met inbegrip van de oriëntatie op het einde van het secundair onderwijs, er zijn de getuigschriften, er is de getrapte studiekeuze, er zijn studierichtingen die in een matrix komen zodat kinderen, leerlingen en ouders weten waarvoor ze staan. Tene quod bene: we behouden wat goed is, maar we gaan ook gericht bijsturen. Dat is nodig om ons toponderwijs te behouden en alle leerlingen uit te dagen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Collega’s, in tegenstelling tot wat anderen vandaag al gezegd hebben, is de realisatie van deze conceptnota’s wel een stevige stap vooruit in heel het hervormingsproces dat wij al een geruime tijd doorlopen om het secundair onderwijs te hervormen.

Ik weet niet of velen onder u het zich nog herinneren, maar vier jaar geleden heeft onze fractie, nog voordat er conceptnota’s vanuit de regering waren, een eigen conceptnota ingediend in dit parlement. Wij hebben toen vanuit onze fractie heel duidelijk verwoord hoe wij vonden dat het secundair onderwijs moest worden hervormd. Wij hebben de voorbije dagen dat document bovengehaald en hebben gewoon gekeken of de elementen die CD&V toen vooropgesteld heeft, terug te vinden zijn in de conceptnota’s die de Vlaamse Regering nu voorlegt. En ik kan u zeggen dat het een volledige vertaling is van de conceptnota die CD&V vier jaar geleden geschreven heeft.

Cruciaal in onze visie was dat er een hervorming kwam die leerlingen betere kansen biedt op talentontwikkeling. In het voorstel van de regering zitten nieuwe hefbomen om onze leerlingen toe te laten hun interesses en vaardigheden maximaal te ontwikkelen in functie van een succesvolle doorstroom, hetzij naar het hoger onderwijs, hetzij naar de arbeidsmarkt.

De tijd is te kort om op alle belangrijke elementen in te gaan, maar ik zal toch weergeven wat wij vier jaar geleden al belangrijk vonden om in die hervorming door te voeren. Ten eerste hebben wij altijd gesteld dat het een integrale benadering moet zijn. We mogen niet enkel en alleen kijken naar het secundair onderwijs, we moeten ook kijken naar het basisonderwijs en afstemmen op het hoger onderwijs. Dat is nu gebeurd. Wij hebben ook gevraagd om meer ruimte te geven om te differentiëren in de derde graad van het basisonderwijs. Wel, daar worden proefprojecten rond opgezet om te kijken welke nieuwe organisatorische modellen dat kan opleveren, zodat wij op die manier ook het basisonderwijs en vooral de kinderen in het basisonderwijs kunnen versterken.

Wij hebben er ook voor gepleit om een volwaardig getuigschrift te geven aan alle leerlingen, met duidelijke informatie over welk traject ze al hebben afgelegd en welke resultaten ze hebben bereikt. Het zijn vaak de kinderen die in de B-stroom terechtkomen die het hardst moeten werken. Het zou echt van weinig waardering voor de leerlingen in het beroepsonderwijs getuigen als we hen geen volwaardig getuigschrift zouden kunnen geven. Daarom zijn we enorm blij dat ook dat is opgenomen.

Dan kom ik tot de eerste graad. Er zijn collega’s die zeggen dat er niets verandert. Dat klopt van geen kanten. Het is duidelijk dat het voor de meeste leerlingen zeer moeilijk is om op twaalfjarige leeftijd al te kiezen. Daarom is het net nodig om ruimte te bieden voor differentiatie, ook in die eerste graad, om ruimte te bieden voor remediëring, voor verdieping, maar ook om aan leerlingen de kans te geven om hun talenten en interesses te ontdekken. De meesten kennen zichzelf op twaalf-, dertienjarige leeftijd immers onvoldoende om al een bepalende studiekeuze te maken. Daarom is het belangrijk dat de nieuwe basisopties in die eerste graad in de toekomst ook toegang geven tot zo veel mogelijk domeinen in de tweede graad. Het gesprek daarover wordt aangegaan met de onderwijsverstrekkers.

Die brede algemene vorming is wél terug te vinden in de eerste graad. Als je het mooi berekent, gaat het om 80 procent van de tijd dat leerlingen een brede algemene vorming krijgen in de eerste graad. Die is daar dus wel aanwezig, maar ook de ruimte om te remediëren, om te verkennen, om te oriënteren. Dat zijn altijd onze uitgangspunten geweest.

Als we leerlingen laten proeven van thema’s, vakken en inhouden, om te ontdekken of het hen interesseert en of ze de talenten hebben, is het ook cruciaal om hen daar goed in te begeleiden. Ook dat zit in de nota vervat: een sterke onderwijsloopbaanbegeleiding, die moet worden uitgebouwd. De conceptnota biedt echt kansen om een persoonlijk leertraject te ontwikkelen dat tegemoetkomt aan de noden van leerlingen, zodat zij de juiste keuzes kunnen maken in hun traject.

Tot slot vinden wij, wat de matrix betreft, dat er wel sterk werk geleverd is. 29 studiegebieden worden herleid tot 8 studiedomeinen. Het aantal studierichtingen wordt sterk gereduceerd. Er wordt heel sterk de nadruk gelegd op de finaliteit van de studierichtingen. De labels zijn terug te vinden in het schema. De oriëntatie is vooral gericht naar de finaliteit zodat leerlingen weten waarop ze zich voorbereiden en wat de kansen zijn na het doorlopen van het secundair onderwijs.

Het is goed dat de dialoog nu kan worden opgestart met de onderwijsverstrekkers. Wij zijn ervan overtuigd dat het overleg zal leiden tot een verrijking van wat op tafel ligt. Iedereen die het onderwijsveld kent, weet immers dat een hervorming binnen het onderwijs enkel en alleen lukt als die voldoende gedragen is. Daarom vinden we het belangrijk dat de dialoog met de onderwijsverstrekkers en de verschillende stakeholders ten gronde kan worden gevoerd zodat we daarop kunnen verder bouwen.

Wij willen dat de scholen van morgen scholen zijn die hun grenzen overschrijden en hun leerlingen via een doordachte bundeling van krachten de vaste garantie bieden dat ze het beste uit zichzelf kunnen halen in de omgeving, het onderwijstraject, het domein, de finaliteit en de studierichting waar ze het best tot hun recht komen.

Minister, u gaat de volgende weken een verder traject afleggen om te bekijken hoe de onderwijsverstrekkers deze voorstellen verder mee vorm willen geven. Wij wensen u daarbij heel veel succes toe. U hebt na veel overleg de violen gestemd. Het is nu tijd om in dialoog te gaan met de verschillende onderwijsverstrekkers. Wij kijken vanuit onze fractie met veel belangstelling uit naar het resultaat van deze dialoog. Wij zijn nog steeds zeer enthousiast om deze hervorming verder mee vorm te geven. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Voorzitter, minister, collega’s, in februari waren politici, journalisten en leidinggevenden binnen de onderwijskoepels het roerend eens in hun vragen. Waarom doen de liberalen moeilijk over de hervorming van het secundair onderwijs? Wat willen ze bereiken? Waarom hebben de liberalen het altijd over het kleuter- en het lager onderwijs als het gaat over het secundair onderwijs? De uitleg die steevast volgde, de analyse die gemaakt werd, was: het is de strategie voor een voorzittersverkiezing, het is profileringsdrang van de kleinste regeringspartij, men wil een paar punten naar voren schuiven en de media halen, maar ze weten goed dat ze dat niet gaan bereiken en niemand overtuigen.

Het actuadebat dat we toen hadden in het parlement in februari, ging niet altijd over de inhoud. Er werd gretig getracht om ons schade te berokkenen en vooral onze motieven in twijfel te trekken. Men ging toen nogal vlot voorbij aan de betrokkenheid bij Onderwijs die al decennia in ons DNA zit. De reacties van leerkrachten, directies, onderzoekers, ouders én leerlingen waren, niet voor het eerst, totaal verschillend van wat er in Brussel gezegd werd. Leerkrachten in CLIL-scholen (Content and Language Integrated Learning) en onderwijzers die buiten de uren met taalinitiatie bezig zijn, reageerden enthousiast op het pleidooi om vroeger met vreemde talen te mogen beginnen, leerlingen getuigden over de nood om meer te investeren in talen. Ik citeer een laatstejaars uit een opiniestuk in De Standaard: “Wij krijgen al acht jaar Frans en nog steeds ben ik nauwelijks in staat om met een Waal over het weer te praten.” Ouders die bezorgd waren dat een gemotiveerde keuze om te blijven zitten na een B-attest niet meer zou mogen, vroegen ons om door te zetten. Onderzoekers die steeds duidelijker kunnen aantonen dat het jongste kind onze allerbelangrijkste doelgroep zou moeten zijn, steunden ons door dik en dun. Langzaamaan begon ook wel het besef in de Wetstraat te groeien dat de vragen die onze partij stelde, misschien toch wel terecht waren en dat Vlaanderen inderdaad zou dwalen als het alles zou verwachten van een andere structuur van het secundair onderwijs om de achterstand die kinderen nu oplopen in het kleuter en lager onderwijs in te halen.

Maar al groeide het begrip voor onze vragen, dan bleef toch nog altijd één vraag terugkomen: gaan jullie die punten wel hard kunnen maken? Wel, na het onderwijsakkoord van twee weken geleden, wordt die vraag mij nauwelijks nog gesteld, en al evenmin aan de mensen die toen vele interkabinettenwerkgroepen samen met mij gedaan hebben.

Want, zet de Vlaamse Regering in op het jongste kind? Overduidelijk: ja. Ja, door tegelijk ook over de kinderbijslag een beslissing te nemen en bruggen te slaan tussen Welzijn en Onderwijs. Zitten er maatregelen in het akkoord die ouders van kleuters mee zullen overtuigen om vroeger in te schrijven én ook om meer schooldagen hun kindjes naar school te sturen? “Is een geldelijke incentive genoeg?”, hoor ik de oppositie nu al twee weken roepen. Neen collega’s. Maar dat heeft dan ook niemand gezegd. Maar die geldelijke incentive komt boven op de inspanningen die lokaal gebeuren door heel veel partners.

En dat die 150 euro een aalmoes zou zijn en geen mensen zou overtuigen, vinden wij eerlijk gezegd gezever. Want ook in dit huis horen we voortdurend dat de kost van het kleuteronderwijs te hoog is voor sommige mensen. Als we dat gat dan dichtrijden door deze maatregelen, dan helpen we toch die kloof te dichten? Het is het één of het ander.

Gaan we iets kunnen doen aan de kennis van vreemde talen en vooral de goesting om vreemde talen te leren? Overduidelijk ja. Los van de taalinitiatie die voor een groot stuk al mogelijk gemaakt werd onder Marleen Vanderpoorten, geeft dit akkoord zuurstof aan scholen die heel bewust willen inzetten op het vroeg leren van vreemde talen. Al van in het derde leerjaar zullen scholen Frans, Engels en/of Duits kunnen geven. Binnen het curriculum – ik heb het vandaag al twee, drie keer moeten herhalen –, binnen het curriculum.

Met al die maatregelen geven we het onderwijs de kans om een doorlopende leerlijn te ontwikkelen waarbij niet alleen meer talen vroeger geleerd worden, maar waarbij vooral de durf en de goesting om die talen ook te spreken, moeten stijgen. Het feit dat vanaf september nu al zestig secundaire scholen met CLIL bezig zullen zijn, ondanks de zware voorwaarden in de reglementering, overtuigt ons als liberalen dat we hier scholen geven waar ze nood aan hebben, en vooral dat we Vlaamse kinderen toekomstkansen geven om beter talen te spreken.

Krijgen ouders en leerlingen in moeilijke omstandigheden toch nog ruimte om gemotiveerd te kiezen voor zittenblijven in plaats van een B-attest? Ja. En ze zullen dit kunnen doen met meer informatie dan nu het geval is. En daarnaast komen er ook A-attesten met verplichte remediering. Daar is vandaag nog weinig over gezegd maar op het terrein is het een belangrijke hefboom om motivatie te bevorderen en schoolmoeheid tegen te gaan.

Maar boven op de zaken die we vroegen en waar onze partners in de regering ons in steunden – waarvoor dank, trouwens – zijn er nog zaken toegevoegd aan de hervorming die het vele werk van de interkabinettenwerkgroepen eer aandoen. Het versterken van het getuigschrift basisonderwijs zat al in de voorstellen, maar een volwaardig getuigschrift dat toegang geeft tot 1B komt erbovenop. De informatie over de studieprestaties van ex-leerlingen via het ministerie bezorgen aan de basisscholen, het versterken van de mogelijkheid van het onderwijs in vreemde talen, het opstarten van gerichte projecten om nog meer te differentiëren om meer kinderen over de streep te halen, met bijzondere aandacht voor scholen met heel wat anderstalige leerlingen kwamen erbovenop. Het opnemen van buso OV3 is geen detail. Ik hoor dat nu al twee weken op het terrein: eerst een vraag en nadien een soort ‘contentement’ dat ik allang niet meer hoor in het onderwijs. Het duidelijk opnemen dat herexamens nog altijd mogen als een onderdeel van evaluatiemanieren, kwam erbij. Bestuurlijke optimalisatie kwam erbij: stimuli geven voor prioritaire campus- en domeinscholen.

Het is spijtig dat we slechts zes minuten krijgen om hierover te spreken. Ik eindig voorzitter. Minister, op 6 juni 1944 zei Churchill na de invasie in Normandië: “Now this is not the end. It is not even the beginning of the end. But it is, perhaps, the end of the beginning.” Ik zou, de vroegere Britse premier indachtig, namens onze fractie willen meegeven dat dit akkoord niet het einde is van het werk. Dat beseft u maar al te goed. Maar het is wel een verdomd belangrijke stap, een stap waar u en de Vlaamse Regering kunnen op voortbouwen om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken, de lerarenopleiding te moderniseren en samen met het parlement de eindtermen aan te passen. Dat zijn samen met deze onderwijshervorming allemaal puzzelstukken om te maken dat binnen vijf à tien jaar alle kinderen in Vlaanderen meer kansen krijgen op een toekomst waarin ze zelf keuzes kunnen maken en geluk kunnen nastreven. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, minister, leden van de regering, collega’s, de hervorming van het secundair onderwijs kent inderdaad al een hele voorgeschiedenis, en het debat van vandaag heeft dat nog eens beklemtoond. Wie er in de vorige legislatuur bij was, herinnert zich trouwens de weinig fraaie debatten tussen de meerderheidspartijen. Een van die partijen, sp.a, wier minister van Onderwijs de hervorming nochtans in gang zette, werd intussen gedumpt en in de regering vervangen door Open Vld. Er is dus voor deze hervorming een compromis uit de bus gekomen waarbij ook deze regeringspartij wat snoepgoed toegeworpen kreeg, in de hoop haar in die Vlaamse Regering voor enkele maanden koest te houden.

Minister, wat de inhoud van de onderwijsplannen betreft, zijn we niet wild van het bereikte compromis, maar we zijn wel opgelucht dat ons onderwijs gespaard zal blijven van een fundamentele, alles overhoop gooiende hervorming, die volgens ons allerminst noodzakelijk of wenselijk is en waarvoor mijns inziens ook geen draagvlak bestaat, noch onder leerkrachten, noch onder ouders. Herinner u een aantal peilingen ten tijde van het masterplan waaruit bleek dat veel leerkrachten tegen die grote hervorming waren. De problemen waarmee ons onderwijs wordt geconfronteerd, zoals het feit dat de kwaliteit inderdaad onder druk staat, zijn immers geen gevolg van de bestaande structuren, maar wel grosso modo van de veranderde schoolpopulatie. Het massa-immigratiebeleid van de voorbije Federale Regeringen en het falende integratiebeleid eisen hun tol. Het is niet door te nivelleren dat men een antwoord biedt op het probleem van de vele jongeren die vandaag de school verlaten zonder diploma.

We zijn daarom tevreden dat de onderverdeling aso-bso-tso-kso uiteindelijk in grote mate behouden zal blijven, al zullen ze nu doorstroomrichtingen of arbeidsmarktgerichte richtingen worden genoemd. De vraag moet natuurlijk wel worden gesteld op welke wijze dat watervalsysteem nu zal worden vermeden, want dat moet toch zeker het doel zijn van deze onderwijshervorming. De doorstroomrichtingen zullen op dit moment gewoon de nieuwe voorkeurrichtingen worden. Het beter definiëren van de vooruitzichten van de diverse richtingen, zoals nu gebeurt, draagt misschien een beetje bij tot het formuleren van een positieve studiekeuze in plaats van een negatieve voor wat men tot nu toe technische en beroepsrichtingen noemt, maar zeker even belangrijk lijkt me het duidelijk formuleren en propageren van de technische en beroepsopleidingen in het lager onderwijs en bij de ouders.

Het Vlaams Belang heeft zich altijd al gekant tegen een brede eerste graad. Ik hoop dan ook dat de vrees niet bewaarheid wordt dat die brede eerste graad alsnog wordt gerealiseerd door de forse beperking van het aantal optie-uren en het studiekeuze-uitstel. We hadden inderdaad liever gezien dat een specifieke keuze in de eerste graad minstens al mogelijk zou moeten kunnen zijn voor leerlingen die op dat moment al overtuigd zijn van hun keuze, en we hopen dat er niet te fel wordt gesnoeid in de basisopties.

We zijn gematigd positief over het feit dat de onderwijsvrijheid overeind zal blijven door de domeinscholen of de campusscholen niet verplicht te stellen, alhoewel er helaas wel een koppeling is aan de financiering. Voor mijn partij staat de vrijheid van onderwijs centraal. Ik ben dus blij dat scholen zich min of meer kunnen blijven organiseren zoals ze zelf willen en hoop dat het gezond verstand op het terrein zegeviert. Het is immers niet goed dat leerlingen van verschillende niveaus te lang worden samengehouden. Klassen met te grote interne niveauverschillen zijn in niemands belang, niet in dat van de sterke leerlingen, maar ook niet in dat van de zwakkere leerlingen, die het gevoel zullen krijgen dat ze falen, laat staan dat dit in het belang zou zijn van de leerkrachten, wier job nodeloos extra wordt verzwaard.

Het Vlaams Belang heeft wel vragen bij het feit dat de hervorming van het secundair onderwijs nu plots wordt gekoppeld aan maatregelen die zelfs het kleuteronderwijs betreffen. We vernemen dat men vanaf het eerste leerjaar van de lagere school al een introductie tot vreemde talen wil invoeren. De vraag is of het wenselijk is kinderen die dan nog volop bezig zijn met het verwerven van het Nederlands, als moedertaal of als tweede taal naast de moedertaal, zo jong al met andere talen te belasten. Ik denk het niet, temeer omdat op het ogenblik al 17 procent van de leerlingen van het Vlaamse basisonderwijs een andere taal dan het Nederlands als thuistaal heeft. Volgens mij is het dus beter in te zetten op een versterking van het Nederlands in het basisonderwijs. Daar is immers werkelijk nood aan.

Ik wil tot slot nog de wens uitdrukken dat de rust in het onderwijs kan weerkeren. Onze partij gelooft in de structuren van ons huidige onderwijs, dat nog steeds in de Europese top meedraait We blijven ons dan ook kanten tegen experimenten en grote hervormingen die alles en iedereen willen gelijkschakelen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Wenst iemand tot besluit van dit actualiteitsdebat een motie of een motie van wantrouwen in te dienen?

– Groen, sp.a en de meerderheid kondigen aan een motie te zullen indienen.

De moties moeten uiterlijk om 17.15 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het debat is gesloten.

Ingekomen documenten en mededelingen
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.