U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016.

De voorzitter

Sociale Economie

We bespreken nu het onderdeel Sociale Economie.

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Sabine Vermeulen (N-VA)

Voorzitter, collega’s, voor de sociale economie was het voorbije jaar het jaar van de verandering, met de uitrol van de nieuwe decreten. Een van de realisaties die wij het meest hebben gevolgd, was ongetwijfeld de oplossing die minister Homans gezocht én gevonden heeft voor de atypische maatwerkbedrijven. Daardoor komt de leefbaarheid in de sector van de sociale economie niet in het gedrang.

De transitie naar maatwerk bij collectieve inschakeling en de toepassing van de maatregel lokale diensteneconomie zitten op schema en blijven de nodige aandacht krijgen. Er wordt prioritair aandacht geschonken aan de nog bestaande knelpunten. Een hervorming van die grootteorde is immers niet eenvoudig en verloopt maar zelden zonder kinderziektes. Het beleid zoekt dus verder naar concrete oplossingen voor een goed werkende toeleiding van werknemers door de VDAB. Ik heb er alle vertrouwen in dat ook dit knelpunt, in samenwerking met minister Muyters, wordt weggewerkt.

De minister van Sociale Economie start daarnaast ook de belangrijke oefening op om het statuut van maatwerkbedrijven gelijk te schakelen, in overleg met de sociale partners en de federale overheid.

Intussen wordt ook de hervorming van de huidige SINE-maatregel (sociale inschakelingseconomie) opgestart. Die absoluut noodzakelijke hervorming zet de doelgroepmedewerker centraal. Eindelijk zal de doelgroepmedewerker, ongeacht zijn plaats van tewerkstelling, een ondersteuning op maat ontvangen. In de begroting wordt ook meteen duidelijk dat deze aangekondigde hervorming geen besparingsoperatie is. Meer nog, de SINE-maatregel werd erkend als externe kostendrijver, zodat op de 57 miljoen euro die door de federale overheid werd overgedragen, onmiddellijk  3,5 miljoen euro wordt bijgepast.

De Vlaamse Regering voert een sociaal beleid dat de Vlaming met grote afstand tot de arbeidsmarkt sterk ondersteunt.  Ik lees dat in de beleidsbrief Werk, en des te meer in de beleidsbrief Sociale Economie. Dat beleid schept een kader dat kansen biedt om volwaardig te participeren aan de samenleving, ook op een inclusieve manier, en geeft de kans om talenten te ontplooien.  Het heeft oog voor de sociaal zwakkeren, zonder hen te betuttelen, maar door hen actief aan de maatschappij te laten deelnemen. Zo begrijp ik ook zelf de sociale economie, en zo wil ik die zelf zien evolueren.

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik heb drie opmerkingen bij het onderdeel Sociale Economie.

Ten eerste wil ik namens onze fractie onze oprechte waardering uitspreken – een compliment dus – omdat de Vlaamse Regering vorig jaar niet heeft bespaard op de sociale economie. (Applaus bij de N-VA)

Wij waarderen dat oprecht, omdat de sociale economie in Vlaanderen van ontzettend groot belang is. Het is een sector waarover we met z’n allen moeten waken. Het gaat over de meest kwetsbare profielen op de arbeidsmarkt, en die moeten we ondersteunen.

Mijn tweede opmerking gaat over de sector zelf. U staat voor enkele zeer grote uitdagingen, en dat weet u zelf ook. Een daarvan is het uitrollen van het Maatwerkdecreet, PWA-stelsel, SINE-contracten,  artikel 60. We willen u daarbij één advies geven: ga niet te snel. Vorig jaar hebben we een actualiteitsdebat gevoerd over onder andere de SINE-contracten, en de onduidelijkheid was toen erg groot. We moeten ervoor zorgen dat u als minister goed met de sector blijft onderhandelen en goed luistert naar de verzuchtingen. We moeten met de hele sector samen voortkunnen en niet te bruusk en te snel reageren, zodat we misverstanden zoals vorig jaar zeker zullen vermijden.

Een laatste punt is meer een wens voor de toekomst. De sociale economie is een heel belangrijke sector, maar we moeten er ook voor zorgen dat we niet ter plaatse blijven trappelen. Er moet zuurstof in die sector gepompt worden, en dus hopen wij en blijven wij ernaar vragen dat er meer middelen voor komen, zodat we tot meer jobs kunnen komen. Het is niet de bedoeling van mensen die in de sociale economie terechtkomen, om zomaar door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt. De bedoeling is om hen ook op een waardige manier aan arbeid te kunnen laten doen. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Voorzitter, ministers, collega’s, veel mensen die op dit ogenblik in de werkloosheid zitten, hebben op een of andere manier een afstand tot de arbeidsmarkt. Voor mensen die een grote afstand tot die arbeidsmarkt hebben, hebben we in het verleden aparte bedrijven opgericht. Vroeger waren dat sociale werkplaatsen en beschutte werkplaatsen, vandaag zijn dat maatwerkbedrijven en de lokale diensteconomie. De overheidsbijdrage compenseert het rendementsverlies dat die mensen hebben door hun afstand tot de arbeidsmarkt.

Het eerste belangrijke punt dat ik wil meegeven, is dat bedrijven uit de sociale economie ook bedrijven zijn. Heel vaak vergeten we dat zij ook hun rendement moeten halen, ook met de mensen die daar zijn. Wij compenseren dat als overheid met financiële steun, maar in bijvoorbeeld de kringwinkel waar ik voorzitter van ben, is 55 procent van de middelen eigen middelen en komt 45 procent van de middelen van de overheid. Het bedrijfschap van de sociale economie is dus essentieel.

Sinds 1 april hebben we de inwerkingtreding van het nieuwe Maatwerkdecreet, het decreet op de lokale diensteneconomie. Nieuwe medewerkers moeten toegeleid worden via een nieuw instrument, het ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health). De VDAB bepaalt die afstand tot de arbeidsmarkt. De toeleiding loopt vandaag echter niet goed, minister. U hebt dat zelf ook aangegeven in uw beleidsnota en alle collega’s die in de commissie het woord genomen hebben, hebben dat ook aangehaald. We moeten dat met zijn allen erkennen en aanpakken, ook omwille van dat bedrijfsmatige. Want uiteindelijk, als men niet genoeg mensen toegeleid krijgt, ontstaat er een probleem, omdat er niet genoeg handen zijn. We merken dat vandaag heel duidelijk in de lokale diensteneconomie, en iets minder in het maatwerk. We zien heel duidelijk dat bedrijven uit de lokale diensteneconomie onvoldoende mensen toegeleid krijgen.

Ik wil er echt op aandringen, minister, dat u daar nu in eerste instantie werk van maakt. U hebt aangekondigd dat er een rondetafelconferentie komt rond dat thema. Dat moet echt opgelost worden. Ik besef dat het heel wat werk vraagt om per individu af te toetsen wat de afstand tot de arbeidsmarkt is. Vroeger hadden we een aantal generieke maatregelen en dan werd men automatisch toegeleid. Misschien moeten wij op twee benen gaan stappen: voor die mensen bij wie het onduidelijk is, daar moeten we het ICF-instrument laten meespelen, maar de mensen van wie het heel duidelijk is dat ze een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, moeten we sowieso toeleiden. Ik denk dat dat een stuk van de oplossing zou kunnen zijn.

Op dit ogenblik is er een verlaging van de capaciteiten van mensen die naar lokale diensteconomie en maatwerk worden toegeleid. Er is veel meer begeleiding nodig, want anders komt het rendement van een onderneming opnieuw in de problemen.

Dat zijn dus twee elementen: hoe doen we die toeleiding en op welke manier bewaken we de medewerkers? Uiteindelijk was er vooraf afgesproken dat de medewerkers in lokale diensteconomie en maatwerk ongeveer hetzelfde type zouden zijn. Vandaag stellen we vast dat dat niet zo is. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Beenders heeft het woord.

Rob Beenders (sp·a)

Minister, u hebt een duidelijke beleidsnota voorgelegd. Ik zag dat u vooral hebt ingezet op de engagementen van de vorige legislatuur. Sp.a wil u daarin maximaal ondersteunen. Maar we blijven kritisch omdat we toch nog enige ambitie missen in uw beleidsbrief.

Een aantal zaken zijn alleszins duidelijk geworden het voorbije jaar. U bent, zoals vorig jaar aangekondigd, van start gegaan met het decreet Maatwerk en het decreet Lokale Diensteneconomie. Sp.a is tevreden met die beslissingen, maar de start is niet helemaal zonder problemen gebeurd. U zegt dat de implementatie van beide maatregelen op schema zit, maar er zijn toch een paar kritische bemerkingen. Ik denk dat de regelgeving wel afgerond is. Maar de toeleiding van werkzoekenden naar jobs op maat loopt een beetje mank. De indicering is een probleem. In de commissie hebben we u daarvoor opgeroepen. U hebt aangegeven hiervoor snel een oplossing te bieden. Wij hopen dat dat niet lang op zich laat wachten. De nieuwe regelgeving ging van start, maar daarmee is eigenlijk alles gezegd. We hebben het er in de commissie vaak over gehad.

U kiest voor een standstill van de sociale economie. Voor het allereerst sinds heel lang wordt er twee opeenvolgende jaren niet geïnvesteerd in nieuwe jobs in de sector. Er is voor het tweede jaar op rij niet in een groeipad voorzien. Sp.a begrijpt dat niet. De wachtkamer bij de VDAB wordt steeds groter. Een steeds groeiende groep werkzoekenden kan niet meer terecht in een reguliere job. Erger nog, diezelfde groep dreigt uit de boot te vallen binnen het hervormde aanbod van tewerkstellingsmaatregelen van deze regering. Bovendien vindt sp.a dat de ondernemingen in de sociale economie zuurstof nodig hebben en perspectief nodig hebben om te groeien.

De implementatie van de zesde staatshervorming begint stilaan vorm te krijgen, al is hier en daar het een en ander nog onduidelijk. De conceptnota’s zijn ingediend. Wij kijken er alvast naar uit om over de SINE-conceptnota in januari eerst een hoorzitting te hebben.

Ten slotte roepen wij u op om vooral W² te blijven stimuleren in uw regering. Zowel bij uw collega’s Muyters als Vandeurzen hebben wij engagementen gehoord. Maar wij zien op het terrein niets. Er blijken geen middelen te zijn. Wij vinden dat een spijtige vertoning in de commissies.

Dus, geen woorden maar daden: zorg ervoor dat de zwaksten op de arbeidsmarkt een job vinden in de sociale economie. Bespaar niet verder en geef deze sector zuurstof in uw volgende begroting. Dan hebt u onze volledige steun. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Ik wens de vier sprekers oprecht te bedanken voor hun constructieve houding. Ook de leden van de oppositie, zowel de heer Annouri als de heer Beenders, zijn zeer constructieve leden van de commissie. Zij zijn ook kritisch, maar dat moet natuurlijk voor leden van de oppositie. Zij bieden een waardevolle meerwaarde – en dat meen ik oprecht. Mijnheer Beenders, zoals ik het in de commissie heb beloofd, zal ik niet aarzelen om de conceptnota SINE te bespreken. Als jullie dat agenderen, zal ik absoluut niet tegenwerken en in alle openheid met jullie in debat gaan. Maar ik ben natuurlijk niet de meester van de regeling der werkzaamheden in de commissie.

De voorzitter

Onderwijs en Vorming

We gaan nu over naar het onderdeel Onderwijs en Vorming.

De heer Van Dijck heeft het woord.

Minister, we startten de vorige zomer met de sterke woorden ‘vertrouwen’, ‘verbinden’ en ‘vooruitgaan’. Op deze begrippen is het onderwijsbeleid voor deze vijf jaar geënt. ‘Vertrouwen’ moet er zijn in directies en leerkrachten. We moeten scholen de kansen geven mensen te ‘verbinden’. Tussen directies, leerkrachten, jongeren en hun buurt moeten we sterke weefsels creëren. En ook moeten we ‘vooruitgaan’, want de Vlaamse Regering blijft volop investeren in onderwijs. Zo stijgen de beleidskredieten Onderwijs in 2016 met 121 miljoen euro. Dat is niet evident in de huidige budgettaire context. Maar het was toch noodzakelijk.

Er werden bovendien ook budgettaire inspanningen geleverd om vluchtelingenkinderen te ondersteunen. Daarvoor werd 42 miljoen euro uitgetrokken. We hebben in dit parlement het spoeddecreet goedgekeurd met daarin een aantal dringende maatregelen inzake asiel en onderwijs, namelijk in verband met het inzetten op anderstaligen en basisvoorwaarden om te verbinden.

Collega’s, een begrotingsbespreking in december is het uitgelezen moment om even terug te blikken op 2015. Niet om zomaar achterom te kijken, maar wel omdat daar de kiemen liggen voor een gedegen beleid straks, in 2016 en lang daarna.

Ik noem twee belangrijke elementen. Minister, ten eerste zijn we heel tevreden dat er het voorbije jaar werk werd gemaakt van de conceptnota scholenbouw en de capaciteitsmonitor, waardoor objectieve noden in kaart werden gebracht en een gedegen toekomstverwachting werd opgesteld. Enkel zo kunnen we anticiperen op demografische evoluties, gericht investeren en paal en perk stellen aan de alsmaar toenemende capaciteitsdruk.

We zijn er dan ook van overtuigd dat we op die manier de ergste noden kunnen aanpakken. Er werden ook belangrijke stappen gezet in duaal leren. Onze fractie is tevreden dat leerlingen in dat duaal leren door werken kunnen instappen vanaf de tweede graad. Duaal leren moet de waardering krijgen die het verdient.

In de beleidsbrief worden ontzettend belangrijke dossiers aangekondigd. Ze zitten ook reeds in de pijplijn. Ik denk aan vereenvoudiging en een transparant inschrijvingsbeleid, waarbij we lokaal dynamiek willen teweegbrengen en maximaal invulling willen geven aan wat er in het regeerakkoord staat, namelijk dat ouders de maximale keuze kunnen krijgen.

Koen Daniels, Vera Celis en Kathleen Krekels zullen nog verder accenten leggen die belangrijk zijn voor onze N-VA-fractie. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Ministers, collega’s, ik denk dat we mogen stellen dat we in de commissie een zeer goede en grondige bespreking hebben gehad van de begroting en de beleidsbrief 2016. De heer Van Dijck heeft vooral teruggeblikt. En ik heb begrepen dat andere collega’s vooruitblikken.

Ik wil niet zozeer terugblikken, maar wel vooruitblikken naar 2016. Als we kijken naar de begroting en vooral naar de beleidsbrief, denk ik dat we zeer goed weten en beseffen dat 2016 een heel belangrijk en cruciaal jaar zal zijn voor het onderwijsbeleid. De minister heeft ons reeds laten weten hoeveel studies er zijn voorafgegaan aan een aantal dossiers. Na alle studies, alle analyses en besprekingen die we het voorbije jaar rond vele onderwerpen hebben gevoerd, is het nu echt wel het moment om een aantal belangrijke knopen door te hakken en dossiers te realiseren.

Ik heb de voorbije dagen in de commissie meer dan één keer gehoord dat collega’s zeggen dat we goed onderwijs hebben, maar dat er knelpunten zijn. Het komt erop aan deze knelpunten op te lossen en onze sterktes binnen het onderwijs te behouden. We moeten gepaste kaders creëren binnen het onderwijs op maat van de 21e eeuw. We moeten in dat onderwijsbeleid volop inzetten op drie belangrijke elementen: talentscouting, talentontwikkeling en talentbegeleiding. Ik zal daaraan straks nog twee elementen toevoegen.

Ik heb daarnet van de collega’s in verband met Werk en Economie diezelfde woorden gehoord, dat ook in het begeleiden van mensen op zoek naar werk die elementen belangrijk zijn. Ook binnen onderwijs, wanneer wij jonge mensen begeleiden in hun ontwikkeling, is dat belangrijk.

Dat betekent dat niet alleen het onderwijsvak maar ook de leerling centraal moet worden geplaatst. In ons onderwijs moeten we aandacht schenken aan de eigenheid van elk kind en aan de identiteit van elke leerling. Ook daar hebben wij de voorbije maanden interessante inzichten in verworven. Het is cruciaal de eigen identiteit van leerlingen binnen het onderwijs centraal te plaatsen.

Dat betekent dat het onderwijs de juiste structuren en sterke organisaties en mensen moet hebben om het op het vlak van onderwijsbeleid waar te maken.

Het is belangrijk dat wij de juiste structuren, kaders en organisaties aanbieden. De modernisering van het secundair onderwijs moet ervoor zorgen dat het te hoge percentage jongeren dat uitvalt of een hobbelig parcours aflegt, een betere onderwijsloopbaan kan doorlopen. CD&V wil in 2016 de laatste operationele knopen doorhakken om deze modernisering te realiseren.

Schooldirecties en schoolbesturen zitten op ons te wachten om de beslissingen ook op hun bestuursniveau te kunnen nemen. Zij willen vooruit. Wij moeten hun daartoe een nieuw kader aanbieden.

Ik hoor dezelfde vraag wanneer het gaat over de bestuurlijke schaalvergroting en het bestuurlijke onderwijslandschap. Ook daar vragen de scholen dat wij in 2016 beslissingen nemen zodat ook op dat vlak een optimalisatie mogelijk is. Het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gaat daarop in.

Verder vinden wij het belangrijk dat in 2016 werk wordt gemaakt van het decreet Leerlingenbegeleiding, zodat ook daar de opdrachten en verantwoordelijkheden van de school, de pedagogische begeleidingsdienst en het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) duidelijk worden afgebakend en vastgelegd op een continuüm van zorg.

Voor volgend jaar hebben wij een belangrijke verantwoordelijkheid binnen het onderwijsbeleid wanneer het gaat over het creëren van een goede werkomgeving voor onze leerkrachten. In 2020 hebben wij voor elke tien vacatures slechts zeven kandidaten op de arbeidsmarkt. Dat heeft consequenties voor het onderwijs. Wij zullen worden geconfronteerd met een tekort aan leerkrachten. We zullen de scholen ook daar het juiste kader moeten bieden om hoogopgeleide jonge mensen aan te trekken om aan de slag te gaan in het onderwijs. Dat vraagt een doorgedreven professioneel personeelsbeleid dat scholen moeten voeren om klaar te zijn voor de toekomst. Zij moeten niet alleen jonge mensen de juiste werkomgeving bieden, maar ook aandacht hebben voor de noden van 50-plussers die in het onderwijs aan de slag zullen gaan.

Minister, het loopbaanpact is een heel belangrijk instrument. U kunt rekenen op sterke onderwijspartners die samen met u de kracht moeten vinden om de toekomst te gronde voor te bereiden voor onze leerkrachten en leerlingen.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Mensen sterker maken: dat is de lijn die onze fractievoorzitter daarstraks heeft getrokken voor onze partij en die ik ook in mijn uiteenzetting wil doortrekken.

Mensen sterker maken in onderwijs begint voor mijn fractie bij de allerjongsten, bij de kleuters. Het is net over die de kleuters dat wij de afgelopen maanden in dit parlement en vooral achter de schermen een boeiend debat hebben gevoerd. De vraag was hoe we kleutertjes die net in ons land zijn aangekomen en die samen met hun ouders op de vlucht zijn voor standrechtelijke executies, fanatiek religieus geweld en onvrijheid, kansen kunnen bieden, en bij uitbreiding hoe we alle anderstalige kleuters in een beweging betere startkansen kunnen geven.

Die lange discussie werd hier net voor de herfstvakantie afgerond. Scholen die deze kleuters opvangen en hen met de grootst mogelijke warmte omringen, kleuters die hun eerste stappen zetten in onze maatschappij en onze cultuur en onze taal leren, die scholen zullen in 2016 extra werkingsmiddelen krijgen. Zij zullen 950 euro per kind krijgen, vanaf het eerste kind, om de zorg die ze voor die kinderen dragen, nog veel beter te dragen.

Collega’s, dit is geen fait divers. Achter die meer dan 3 miljoen euro die we ervoor uittrekken, zit meer dan het bedrag op zich. 3 miljoen op een onderwijsbegroting, is zeker niet het grote geld. Maar die 3 miljoen symboliseert wel de wil van het Vlaams Parlement om nieuwkomers en anderstaligen meer kansen te bieden om zo snel mogelijk hun weg te vinden in onze regio. Het opnemen in onze samenleving start voor kinderen immers in het onderwijs. Daar geven we hun de kansen om later op eigen benen te staan, om zelf keuzes te kunnen maken, om zelf op hun beurt mee aan onze maatschappij te bouwen. Die eerste stappen, daar moeten we blijvend werk van maken, daarvan vindt onze fractie dat Vlaanderen aan de wereld moet tonen dat we het beter kunnen: beter dan de kloof die het ‘Programme for International Student Assessment’ (PISA), de OESO en nu ook het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ons telkenmale tonen.

Ongeacht hun afkomst, sociale status, thuistaal, cultuur, religie of geslacht moeten we kinderen meer kansen bieden. Maar die kansen vergen niet alleen centen, ze vergen ook mensen. En mensen in onderwijs, zijn onder andere leerkrachten en paramedici. En ook die mensen moeten we sterker maken. En ook hier zit in de onderwijsbegroting een post die niet opvalt door de grootte, maar wel door de potentiële impact. Vanaf het begin van dit schooljaar en budgettair dus op kruissnelheid in 2016, zijn 180 ervaren leerkrachten en paramedici uit het buitengewoon basisonderwijs onder de noemer ‘prewaarborg’ aan de slag in het gewone basisonderwijs om daar leerkrachten en zorgteams te versterken, om hen de competenties en de ervaring van ons sterk en zorgzaam buitengewoon onderwijs over te brengen.

U wees er mij al eens op, minister, van op het spreekgestoelte hier, dat ik niet al te bescheiden moest zijn over de prewaarborg, dat het net mijn parlementaire hardnekkigheid en die van een aantal collega’s was, die ertoe leidde dat we ermee aan de slag zijn gegaan. Wel, ik zal dan ook niet bescheiden zijn. Ik ben blij dat ik dit dossier zo hardnekkig heb opgevolgd. Ik ben trots nu ik de positieve reacties op het terrein hoor. De mensen vragen me altijd wat we in een parlement eigenlijk kunnen doen. Dit zijn twee voorbeelden van parlementair werk waarmee we echt wel iets kunnen verzetten. Ik ben dan ook fier op de samenwerking met de collega’s.

Maar ik ben ook voorzichtig, want we moeten de mensen die we inzetten, ook tijd gunnen. Het is niet goed om heel snel te oordelen. Bij de aanpassing van de waarborgregeling moeten we goed kijken hoe we dit evalueren. Voor onze fractie kan in het vervolg de waarborg het best netoverschrijdend worden ingezet, te beginnen bij het officieel onderwijs.

Minister, collega’s, dit zijn maar twee kleine, maar voor ons cruciale punten in een heel grote begroting. Ze maken ons wel duidelijk dat we in u een partner gevonden hebben om kinderen, scholen en mensen te versterken in onderwijs.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om de administratie en uw kabinet te bedanken. Normaal noemen we geen namen, maar ik maak een uitzondering, ik zal toch één naam noemen. Het is immers de laatste keer dat ik dat hier kan doen. Ik wil namens onze fractie de mensen achter de schermen en vooral uw adjunct-kabinetschef, Ann Verreth, danken. Zij zal namens Vlaanderen de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) versterken. Ik hoop wel dat u haar stoel goed zult invullen en dat haar creativiteit en engagement zullen worden overgenomen, want, minister, 2016 kondigt zich aan als een jaar met veel huiswerk en belangrijke examens. Bij elk examen zal voor onze fractie de toetssteen dezelfde zijn: zullen we mensen, kinderen en kleuters sterker maken of zullen we structuren sterker maken? Onze fractie zal inzetten op het versterken van mensen, niet van structuren. Daarin zult u in ons een bondgenoot blijven vinden. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, dames ministers, collega’s, in de beleidsnota Onderwijs die u presenteerde bij het begin van de legislatuur stond te lezen dat Vlaanderen er de voorbije jaren – dat was dus voor 2014 – in geslaagd is de onderwijsbegroting te doen stijgen. Dat was 2014, collega’s.

Sindsdien liegen de cijfers helaas niet meer. In de meerjarenplanning 2014-2019 zagen we nog een voorspelde toename van het onderwijsbudget met 1,3 miljard euro, tot 11,1 miljard euro. Bekijken we dan de meerjarenplanning vanaf 2015, dan zien we eigenlijk nog 10,8 miljard euro gereserveerd voor de onderwijsbegroting, een daling met 314 miljoen euro. Als we dan kijken naar de begrotingen zelf, dan zagen we in 2015 een besparing van 68 miljoen euro ten opzichte van 2014, en voor 2016 een besparing van 32 miljoen euro ten opzichte van 2015, voornamelijk op het hoger onderwijs. De slotsom tot nu toe: ondanks de openendfinanciering in het leerplichtonderwijs, die uiteraard een goede zaak is, wordt er 100 miljoen euro recurrent bespaard op het Vlaamse onderwijs, dat toch de toekomst van onze samenleving is.

Voor sp.a moet de focus liggen op het hoger leggen van de lat voor alle leerlingen, en het verkleinen van de kloof. Daarom vragen we vooral investeringen in gelijke onderwijskansen. We sluiten ons aan bij het advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor), die eigenlijk zegt dat net de strategische doelstelling van het investeren in die gelijke onderwijskansen in het beleid wat naar de achtergrond is verschoven. Meer nog, in de beleidsbrief wordt er zelfs geen melding meer van gemaakt.

De tweede belangrijke focus in het onderwijsbeleid is voor ons een radicale keuze voor de lerenden en hun ouders. Wat dat betreft, sluit ik me aan bij wat collega De Ro heeft gezegd. Vandaag zien we naar ons gevoel toch iets te veel de keuze voor de instellingen en de structuren, en dat betreuren we. De vraag is hoe we dat nu eigenlijk zien.

Collega Soens zal straks een uiteenzetting houden over de rest van het hoger onderwijs, maar een heel concreet voorbeeld is het volgende. Deze regering heeft het inschrijvingsgeld voor het hoger onderwijs verhoogd, tot 950 euro. De 45 miljoen euro winst die dat oplevert, gaat volledig naar de instellingen, die dat kunnen besteden hoe ze willen, terwijl men er eigenlijk perfect voor kan kiezen om in te zetten op meer gelijke kansen, om die democratisering in dat hoger onderwijs ook daadwerkelijk te realiseren.

Waar zien we nog dat de focus te weinig op de lerenden ligt? We zien de kosten voor de lerenden stijgen, zowel in het deeltijds kunstonderwijs als in het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs. We zien dat de maximumfactuur voor het kleuter- en basisonderwijs vorig jaar werd verhoogd. Minister, ondanks het feit dat u echt vragende partij bent en onze oproep steunt om die maximumfactuur in de eerste graad van het secundair onderwijs in te voeren, wordt daarvoor helaas ook voor dit jaar niet in middelen voorzien. Collega’s van N-VA en Open Vld, ik zou de minister ter zake toch willen steunen, om toch ook die maximumfactuur in de eerste graad van het secundair onderwijs mogelijk te maken en daarvoor daadwerkelijk in de nodige middelen te voorzien vanaf 2017 of – waarom niet – met de begrotingscontrole 2016.

Onderwijstopman Lieven Boeve gaf ook nog te kennen geschrokken te zijn van die structurele besparingen op de werkingsmiddelen voor het basisonderwijs en het secundair onderwijs. Hij had het zo niet begrepen. Minister, hij had begrepen dat het eenmalig was, maar in 2016 blijken die besparingen helaas recurrent, en dat brengt Boeve op het onzalige idee, dat u gelukkig niet steunt, om de maximumfactuur dan nog maar eens te verhogen of zelfs helemaal los te laten. Dat is misschien de natte droom van een aantal fracties hier, maar gelukkig niet van de sociale kant in dit parlement.

Dat de kosten naar de lerenden gaan, blijkt uit het feit dat het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs wel werd verhoogd, maar dat dit niet wordt gecompenseerd door stijgende studietoelagen of een verhoging van het budget voor de studentenvoorzieningen (stuvo’s). Minister, ook al had u dat ook graag gewild, het is er helaas niet gekomen.

De derde belangrijke focus voor sp.a is het voortzetten van een inhaalbeweging qua scholenbouw. Vandaag zien we helaas geen inhaalbeweging en zelfs geen status quo, maar een achteruitgang: ondanks het feit dat een recurrente verhoging met 50 miljoen euro per jaar was aangekondigd, zitten we vandaag met een achterstand van 35 miljoen euro ten opzichte van 2014.

En last but not least, een goede maatregel: de Vlaamse Regering heeft, ook gesteund door de voltallige oppositie, de vraag gesteld aan de Federale Regering om de btw-verlaging voor scholenbouw naar 6 procent door te voeren. Ik hoop dat iedereen dat voorstel volmondig steunt, want wat zien we in de federale begroting? Dat men 250 procent extra scholen zou moeten bouwen om het btw-bedrag dat federaal is ingeschreven ook effectief gerealiseerd te kunnen zien. Ik wou dat het waar was, minister, maar ook die extra middelen zie ik helaas niet gereserveerd.

We willen eigenlijk concluderen: goed is in dit geval net niet goed genoeg. Dit is een oproep en een aanmoediging om een tandje bij te steken. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, collega’s, voor mijn punctuele, genuanceerde en volledige tussenkomst op het vlak van de onverstandige besparingen in het hoger onderwijs, de CLB’s, de onderwijsinfrastructuur en de middelen voor het lager onderwijs verwijs ik naar het schriftelijk verslag. Ik wil mijn vier minuten gebruiken om even het laatste OESO-rapport te bespreken.

Dat rapport stelt dat Vlaanderen onderwijsmiddelen verspilt. Vaak wordt de oppositie verweten een potverteerder te zijn, de OESO zegt nu dat de Vlaamse Regering een potverteerder is inzake Onderwijs. U bent niet efficiënt bezig volgens de OESO, en ik ben het daarmee eens. Wat u uitgeeft aan onderwijs, rendeert niet. De Vlaamse Regering is niet efficiënt bezig inzake Onderwijs. Waarom niet? Ons onderwijs reproduceert ongelijkheid. Onze ongekwalificeerde uitstroom is torenhoog, in onze grote steden tot 20 procent. Dat wil zeggen dat wij talent verspillen, middelen verspillen en vooral dat we menselijk kapitaal verspillen. Wij zijn kampioen, minister, in zittenblijven. Dat is duur, dat is eigenlijk potverteren, dat brengt niets op voor de leerling die blijft zitten, want vaak zien we geen betere resultaten.

De Vlaamse Regering is een potverteerder omdat er zo’n grote concurrentie is tussen scholen en tussen netten. Het aanbod is versnipperd. We hebben in het secundair onderwijs richtingen met heel weinig leerlingen. Dat is een dure zaak. De Vlaamse Regering is een potverteerder omdat ze foute klemtonen legt en veel te weinig investeert waar het nodig is: in het kleuter- en het lager onderwijs en te veel in dat versnipperde aanbod en die overdreven concurrentie, zelfs tussen publieke netten.

SES-middelen (sociaal-economische status) zijn nodig en goed. Men moet extra investeren in de kinderen die het nodig hebben, maar we moeten een analyse durven maken. We moeten zien of dat geld goed en juist besteed wordt en er moet een rechtvaardiging zijn voor die middelen.

Minister, er zijn geen simpele oplossingen. Een hervorming van het secundair onderwijs is broodnodig. Het zal meer moeten zijn dan de afschaffing van enkele richtingen om zo wat te besparen. We kunnen inderdaad de B-attesten afschaffen om iets te doen aan het zittenblijven, maar er zal veel meer nodig zijn. We gaan maatwerk moeten plannen, we gaan jongeren veel meer moeten begeleiden. We gaan andere onderwijsvormen moeten bedenken die leren en werken combineren voor de jongeren die in ons huidig systeem niet gedijen. We gaan oplossingen moeten vinden voor de leerlingen in onze super diverse samenleving op wie ons gemiddelde blanke onderwijssysteem niet afgestemd is.

Minister, de hervorming van het secundair onderwijs is broodnodig. Investeren in het lager onderwijs is broodnodig. U bent een ontzettend pragmatisch politicus. U gaat met kleine stapjes vooruit. U bedrijft politiek op een zeer pragmatische manier. Om de hervorming door te voeren die ons onderwijs nodig heeft in het secundair en het basisonderwijs, inzake investeren in de kleuters, inzake het klaarmaken van het onderwijs voor de superdiverse realiteit die we in Brussel, Antwerpen en andere grote steden kennen, zullen visie en bravoure nodig zijn. Dat wens ik u toe voor het nieuwe jaar. (Applaus bij Groen en sp.a)

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, het is belangrijk dat we onszelf geen onderwijsdepressie laten aanpraten. Geregeld krijgen we te horen dat ons onderwijs niet goed is. De leerkrachten doen dit niet, ze doen dat niet. Wel, ik ben het fundamenteel oneens met het feit dat al die mensen geen goed werk leveren. Wil dat zeggen dat we in onderwijs niets moeten aanpakken? Absoluut niet. We moeten dingen doen. Maar laat ons alstublieft niet meegaan in dit verhaal. Dat is een belangrijke opdracht in 2016 voor ons allemaal.

Kijk naar de laatste rapporten van de OESO en het IMF. Allemaal beginnen ze met: het onderwijs is goed in Vlaanderen. Er zijn veel topscoorders. En bij de laagste scoorders hebben we de grootste populatie veerkrachtige jongeren, de grootste populatie wereldwijd van minst sterke leerlingen die hoog scoorden. Dus alstublieft, laat ons dat toch in ogenschouw nemen.

Onze fractie wil enkele zaken expliciet onder de aandacht brengen. Er wordt ingezet op studiekeuze en studieoriëntering. Vooral in het hoger onderwijs vinden we dat cruciaal. Er werd zonet gesproken over de efficiënte inzet van middelen. Welnu, ouders, jongeren investeren in hoger onderwijs. Maar laat ons er met de niet-bindende oriëntatieproef alstublieft ten minste voor zorgen dat die inzet efficiënt en effectief is en dat men begint aan studies die een kans op slagen hebben. We zijn blij dat het toelatingsexamen van arts en tandarts verder wordt opgevolgd en bijgestuurd.

Minister, ik kan het niet laten. Er komt terug een Pasen aan en we kijken uit naar het damesakkoord tussen de Vlaamse en Nederlandse minister over het Nederlandstalig onderwijs in het buitenland voor onze expats. Dat is cruciaal voor onze economie, maar die mensen komen ook terug en willen aansluiting hebben in het Nederlandstalig onderwijs.

Voor de aangroei van niet-Nederlandstaligen hebben we OKAN-middelen (onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers) en extra middelen. Dat is cruciaal, omdat in het kleuteronderwijs de basis wordt gelegd voor de rest van de opleiding. In het kleuteronderwijs is het cruciaal dat kinderen zo goed en snel mogelijk Nederlands leren. We slagen er niet in om een aantal kinderen het ver te laten schoppen, ondanks het feit dat ze de capaciteit hebben. We moeten zorgen dat de onderwijstaal goed zit.

We moeten ook realistisch zijn. Onderwijs gebeurt met leerlingen in de klas en de school. Als er in een klas tien andere talen zijn, dan heb ik misschien een heel maf idee. Laat ons bijvoorbeeld het Nederlands nemen als gemeenschappelijke taal. Laat ons het Nederlands nemen om samen te onderwijzen. Dat is haalbaar voor de leerkracht, en het geeft de jongeren een toekomst.

De middelen die worden ingezet voor synchroon internetonderwijs (sio) vindt de N-VA ook heel belangrijk. Zo hebben kinderen en jongeren die de pech hebben ziek te zijn, de kans om thuis onderwijs te volgen. Zo moeten de ouders niet alleen nadenken over de ziekte, wat al erg genoeg is, maar ze krijgen ook de kans om een diploma te halen en contact te houden met de klas. Dat is ook de reden waarom onze partij kiest voor de actie Bednet van Music For Life. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal kort spreken vanop mijn bank. Als we het over schoolinfrastructuur willen hebben, en het zal u niet verwonderen dat ik dat wil, dan kunnen we alleen vaststellen dat we het voorbije jaar tegelijk al stappen vooruit hebben gezet en de basis hebben gelegd voor een nieuwe beleidsaanpak. Er wordt nu een geïntegreerde aanpak mogelijk. Vandaag beschikken we niet langer alleen over een schoolgebouwenmonitor, maar ook over een capaciteitsmonitor schoolinfrastructuur.

Op Vlaams niveau beschikken we sinds een half jaar over een masterplan scholenbouw dat de regering en het parlement eindelijk een referentiekader biedt om een globaal infrastructuurbeleid te gaan voeren.

Deze beleidskracht wordt versterkt door het engagement om meer middelen vrij te maken. Na de opstap in 2015 en de nieuwe recurrente opstap van 50 miljoen euro waarin we in de begroting 2016 voorzien, moeten en zullen er nieuwe volgen, zodat we op het einde van de legislatuur structureel 500 miljoen extra in scholenbouw hebben geïnvesteerd.

Collega’s, deze inspanning wordt zoals bekend ook versterkt door de beslissing van de federale overheid om voor scholenbouw een btw-verlaging van 21 procent tot 6 procent door te voeren. De collega’s die het dossier gevolgd hebben, weten dat gisteren het koninklijk besluit verschenen is. Minister, vandaar mijn vraag: gaat er zo spoedig mogelijk overleg zijn met het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn) om te kijken hoe de bijkomende middelen opnieuw kunnen worden ingezet voor schoolinfrastructuur?

Wij blijven vanuit onze fractie ijveren om, waar wegens ingrijpende demografische evoluties een capaciteitsuitdaging bestaat, voor het gesubsidieerd officieel en vrij onderwijs in een subsidiepercentage te voorzien van 81,5 procent voor instellingen van het basisonderwijs en van 71,5 procent voor de instellingen van andere onderwijsniveaus, de CLB’s en de internaten. Dat percentage stellen we voor naar analogie met de toelage in het kader van de DBFM-inhaaloperatie (Design Build Finance Maintain). Die moet ervoor zorgen dat de gesubsidieerde instellingen naar verhouding van hun belang voor ons onderwijs, op een optimale manier allemaal kunnen instaan voor een snelle en kwaliteitsvolle realisatie van de bijkomende capaciteit. Dit zal ertoe leiden dat de keuzevrijheid van ouders wordt gemaximaliseerd, ook daar waar zich capaciteitsproblemen voordoen.

Voorzitter, collega’s, tot slot wil ik het opnieuw nog even hebben over de werkingsmiddelen voor ons basis- en secundair onderwijs. Waar het in deze begroting, gelet op de budgettaire context, nog niet mogelijk was om de werkingsmiddelen weer volledig te indexeren, hopen wij dat dit in de toekomst zo spoedig mogelijk wel kan. Ik heb dat ook reeds in de commissie gezegd voor ik het OESO-rapport had gezien. Wat mij betreft, liefst zo spoedig mogelijk en met prioriteit voor het basisonderwijs en het beroepsgericht onderwijs.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het word.

Tine Soens (sp·a)

Voorzitter, minister, collega’s, de economische en sociale opbrengsten van het onderwijs zijn aanzienlijk. Een hogere scholingsgraad levert op termijn besparingen op, zowel op economisch vlak als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Het biedt bovendien meer sociale cohesie, bevordert burgerschap en voorkomt criminaliteit. Die meerwaarde leidde de Europese Commissie en de OESO ertoe te onderstrepen dat investeren in onderwijs een belangrijke bijdrage kan leveren om de huidige economische en financiële crisis te overwinnen. De uitdaging van het onderwijsbeleid bestaat er dan ook uit om slim, strategisch en doelgericht de beschikbare middelen te investeren, bij voorrang daar waar onderwijs gebeurt, in de klas en op school.

Minister, beste collega's van de meerderheid, die woorden moeten u toch vertrouwd in de oren klinken? Het zou toch moeten, want ze komen letterlijk uit de beleidsnota van de minister van vorig jaar. Vorig jaar zei ik hier dat ik u niet begreep, dat ik uw keuzes niet begreep. Ik vrees dat ik ze opnieuw niet begrijp.

Minister, wat is er slim aan het niet toekennen van de klik in het hoger onderwijs en het niet toekennen van het groeipad voor ZAP-personeel? Het niet toekennen van de klik en het groeipad zorgen er immers voor dat er voor studenten hetzelfde moet worden gedaan door hetzelfde aantal docenten met hetzelfde budget. U zult maar die student zijn die 890 euro aan inschrijvingsgeld heeft betaald, naast alle andere kosten die bij een jaar studeren komen kijken, om dan vast te stellen dat hij minder waar krijgt voor zijn geld en dat docenten minder kunnen inzetten op studiebegeleiding.

Minister, wat is er strategisch aan het niet toekennen van het groeipad voor de sociale toelagen? U zei nochtans in het actuadebat vorig jaar: “Maar als er één besparing is die ik nog teruggedrongen zou willen krijgen, is het die wel. Ik ben het er helemaal mee eens dat Stuvomiddelen zeer belangrijk zijn en zeer goed ingezet worden door hogescholen en universiteiten.” Door het niet toekennen van het groeipad blijft de ongelijkheid en de sociale toelage per student tussen de verschillende instellingen behouden.

Wat is er doelgericht aan het ontbreken van initiatieven rond gelijke kansen en diversiteit? In de toelichting vorig jaar zei u dat u aandacht besteedt aan de meest kwetsbare studenten. Het zou u sieren mocht dat ook uit de begroting en uw beleid blijken. Ik zie vandaag geen extra investeringen in studentenvoorzieningen, ik zie geen middelen voor instellingen die moeite doen om kansengroepen aan te spreken, en van het Aanmoedigingsfonds is er sinds vorig jaar ook al geen sprake meer.

Minister, wanneer maakt u de keuze om echt voor onderwijs op tafel te kloppen? Wanneer maakt u de keuze waar we absoluut achter kunnen staan? (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Voorzitter, ministers, dames en heren, leerkrachten maken iedere dag het verschil. Onderwijs gebeurt in de klas en niet in Brussel. We zijn dan ook tevreden dat deze Vlaamse Regering maatregelen neemt om het mentaal welbevinden en de draagkracht van leerkrachten te beschermen en te versterken. Zo maakt de regering 68.000 euro vrij voor een werkgroep ad hoc rond psychosociale belasting voor het onderwijspersoneel. Pestgedrag bij leerkrachten en leerlingen vormt een belangrijke beleidsprioriteit voor het komende werkjaar. Dit is geen overbodige luxe. We hebben vorige week de zorgwekkende cijfers ontvangen over ziekteverzuim bij leerkrachten wegens psychosociale belasting.

We kijken vol verwachting uit naar de start van een gedragen en duurzaam loopbaanpact. Samen met een vernieuwingsoperatie in de lerarenopleiding kunnen we actief maatregelen nemen om het lerarenberoep op te waarderen en aantrekkelijker te maken. Ik ben zeer tevreden dat er in een budget wordt voorzien voor het verhogen van de kwaliteit van de lerarenopleidingen en het ondersteunen van een stageregistratiesysteem.

De professionalisering van leerkrachten en directies van scholen blijft een belangrijke plaats opeisen in deze begroting. Er wordt in 93.000 euro extra voorzien ter bevordering van het beleidsvoerend vermogen en de professionalisering van schoolbesturen. Verder voorziet de Vlaamse Regering ook in de nodige middelen voor competentiebevordering op maat van de leerkracht en wordt er een budget vrijgemaakt voor internationale nascholingsprojecten.

Dit brengt ons bij het thema internationalisering. Ik ben bijzonder tevreden dat er 500.000 euro extra middelen komen voor internationalisering en studentenmobiliteit. Een internationale ervaring is enorm verrijkend voor studenten. Met deze investering zetten we een belangrijke stap in de doelstellingen van het actieplan ‘Brains on the Move’ om ervoor te zorgen dat minstens een op drie afgestudeerden uit het hoger onderwijs een deel van zijn opleiding of een stage in het buitenland kan volgen.

Ik wil nog even mijn waardering uitspreken voor de beslissing van de Vlaamse Regering om in een budget te voorzien voor de verbetering van het onderwijsaanbod in het volwassenenonderwijs. Het volwassenenonderwijs speelt een essentiële rol in ons streven om de kansen van volwassenen in de maatschappij en de arbeidsmarkt te verhogen, om levenslang leren te promoten. Ik kijk dan ook erg uit naar de vernieuwingsoperatie waarin we het volwassenenonderwijs kunnen versterken en optimaliseren. Als N-VA-fractie willen we dit ook heel graag van dichtbij opvolgen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, en in het bijzonder collega Gennez, deze toespraak is ook een beetje voor u, want onderwijs inrichten in Vlaanderen kost geld, veel geld. 10,9 miljard euro om precies te zijn. Dit geld moeten wij verdelen over heel wat structuren en niveaus waarrond wij ons onderwijs hebben georganiseerd. We starten in de kleuterschool en gaan over naar lagere school, de secundaire school en de hogeschool. Er is ook volwassenenonderwijs en NT2. Dit maakt dat het onderwijs zich moet organiseren. Ook voor deze organisatiestructuren is geld nodig.

Over vele jaren heen, sinds 1842 met de eerste Schoolwet, heeft ons onderwijslandschap zich ontwikkeld. Omdat dit geleidelijk aan is gebeurd, met onderweg meer dan één schoolstrijd, is dit niet altijd even efficiënt gebeurd. Dit moeten wij durven bekijken met een kritische blik en plaatsen in de begroting van vandaag en morgen. Want wij hebben plannen en verwachtingen en het zijn niet van de minsten. Door de invoering van het M-decreet hervormen wij ons gewoon en buitengewoon onderwijs, maar ook het geïntegreerd onderwijs (gon) en inclusief onderwijs (ion). Wij wensen dat inclusief onderwijs mogelijk is maar het moet ook realistisch blijven. Daarom blijven gon en ion zo belangrijk ter ondersteuning van onze leerlingen en moeten wij hierin blijven investeren. Maar ook de prewaarborg is belangrijk, waarvoor we 8,3 miljoen euro gevrijwaard hebben en in het verlengde daarvan de waarborg zullen vormgeven en samen met de competentiebegeleiders en de pedagogische begeleidingsdienst een ondersteuning garanderen voor onze leerkrachten en onze scholen.

In diezelfde lijn wordt ook het CLB hervormd en moet een nieuw decreet worden ontwikkeld. Welke rol kunnen zij spelen op vlak van leerlingenbegeleiding binnen scholen en integrale jeugdhulp? Wie doet wat, op welk niveau en wie betaalt? Welke plaats geven wij aan het handelsgericht werken en het zorgcontinuüm? Wat stellen we in vraag en wat zullen we behouden? Hoe herorganiseren we ons zodat het CLB meer zichtbaar, communicatiever en meer bereikbaar wordt?

Binnen al deze hervormingen loopt een rode draad: die van de planlast. Hoe gaan we vrijwaren dat niet één formulier, niet één woord, niet één letter overbodig is? Operatie Tarra werd hiervoor gelanceerd en binnenkort krijgen we daarvan een eerste analyse. Wanneer dit juist en zorgvuldig is gebeurd, zal het wegnemen van het overbodig of nutteloos werk ruimte brengen, ruimte onder meer door bijvoorbeeld DISCIMUS en de uitrol van een digitaal platform. Het zal ruimte brengen in tijd, maar het zal ook ruimte brengen in omkadering, want elke minuut dat een leerkracht of directie minder moet bezig zijn met papier, kan hij bezig zijn met de leerlingen, met het voorbereiden van lessen en maken van materialen aangepast aan de klasgroep, het nodige babbeltje met de leerling, met de collega, het uitwerken van een visie rond zorg, rond taal, rond welbevinden en betrokkenheid. Al deze reorganisaties, al deze heroriënteringen kosten geld. Dat geld is er, maar we kunnen dat niet vermeerderen, en daardoor moeten we herschikken. De begroting van 2016 geeft ons een eerste stap in die richting.

Collega’s, de uitdaging is groot.

Laat ons dan ook durven om evidente zaken in twijfel te trekken. Laat ons niet gewoon denken, maar laat ons ‘omdenken’, zodat we middelen kunnen vrijmaken om de directies van ons basisonderwijs eindelijk de bezoldiging en de administratieve omkadering te kunnen geven die zij nodig hebben en verdienen. We hebben het er in de commissie nog over gehad. Middelen om de kracht van het gewoon en het buitengewoon onderwijs in het juiste perspectief te brengen zodat elk kind de ondersteuning krijgt die het nodig heeft om te komen tot een totale en maximale ontwikkeling. Middelen om de omkadering van gon en ion te optimaliseren, middelen om de CLB’s een duidelijk werkkader te bieden zodat ze efficiënt en effectief ondersteuning kunnen bieden binnen scholen en integrale jeugdhulp, middelen om de juridisering van ons onderwijs een halt toe te roepen en om nog zoveel meer, waarnaar mijn collega’s reeds hebben verwezen.

Mevrouw de minister, u hebt het voorbije jaar blijk gegeven van ambitie en van de wil om de daad bij het woord te voegen. U geeft aan deze koers verder te willen varen. Wij varen mee, wij willen blijven sturen naar het plaatsen van middelen en omkadering waar het hoort, op het terrein, en wij geloven dat ook hier de kracht van verandering meer en meer zichtbaar wordt omdat we positief denken over de mogelijkheden, omdat we vertrouwen durven geven en vervolgens ook doen wat we beloven.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Collega’s ik dank iedereen voor de doorgaans zeer constructieve interventies. Ik wil enkele korte bedenkingen meegeven.

Ten eerste is er het budget. We hebben hierover al hevig gediscussieerd. Als we de begroting bekijken en nagaan wat het verschil is tussen 2015 en 2016, dan stellen we vast dat in 2016 121 miljoen euro extra wordt geïnvesteerd ten opzichte van 2015. Dat zijn de naakte cijfers. Daarbovenop – ik verwijs naar de vraag van collega De Meyer – gaan we zeer snel met AGIOn samenzitten. We hebben trouwens al samengezeten. Ik daag de collega’s die het altijd zo nauw nemen met de cijfers over de investeringen in scholen uit om zelf de berekening te maken van wat het effect is van de btw-verlaging van 21 naar 6 procent. Dat is niet gering. Het is deze meerderheid, de Federale Regering, die de btw-verlaging effectief heeft gerealiseerd. Gisteren is die verlaging immers gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. (Applaus bij de meerderheid)

Collega’s, ik wil ook een oproep doen om, misschien zelfs over de partijgrenzen heen, de komende maanden werk te maken van het doorhakken van de knopen in de zo noodzakelijke modernisering van het secundair onderwijs. Collega Meuleman, ik apprecieer dat u hieraan aandacht hebt besteed in uw betoog. Ik zou toch oppassen met het gebruik van het woord ‘potverteren’. Elke euro die we in ons Vlaams onderwijs investeren, is een schitterend bestede euro. Alle leerkrachten die in de jongeren investeren, doen dat op de best mogelijke manier. Er zijn inderdaad jongeren die zittenblijven of die minder kansen hebben. Dat is echter niet alleen de schuld van de leerkrachten die dagelijks met die kinderen bezig zijn. Elke euro is een goed bestede euro. Ik ga ervan uit dat het niet uw bedoeling was om te zeggen dat we in ons Vlaams onderwijs middelen verkwisten.

Collega’s, het klopt dat we ons secundair onderwijs moeten moderniseren. Ik denk dat het bijna het best gefinancierde onderwijs ter wereld is. We zullen samen die rivier moeten oversteken. We konden het afgelopen jaar niet meer doen dan dat we hebben gedaan. Ik heb het dossier immers aangetroffen zoals het voorlag. Het bijzonder onderwijs was niet in de hervorming verwerkt. We moesten het mee vormgeven na de implementatie van het M-decreet. De studierichtingen moesten worden gescreend. Ook het duale leren moest in een concept worden gegoten. Dat is allemaal gebeurd. Ik denk dan ook dat we ook in dit dossier de komende maanden vooruitgang moeten boeken. Hopelijk zullen we keuzes kunnen maken, zoals de OESO suggereert. Wat je efficiënter kan organiseren, moet je efficiënter organiseren. Waar je beter meer in investeert, zoals het kleuter- en basisonderwijs, daarin moet je meer investeren. Ik heb hierover ook geen tegengestelde meningen gehoord.

Collega’s, er is ook heel veel te doen geweest over de verhoging van de inschrijvingsgelden in ons hoger onderwijs. Ik heb vastgesteld dat die verhoging er niet toe heeft geleid dat er één student minder is. Integendeel, dit jaar participeert een recordaantal studenten aan ons hoger onderwijs.

Daarenboven hebben we ervoor gezorgd dat de sociale inslag behouden blijft, dankzij de beslissing van de Vlaamse Regering om de studiebeurzen op peil te houden en het aantal jongeren dat daarop recht heeft, nog te verhogen. Als iemand uit de oppositie dan zegt dat de extra inkomsten die de hogescholen en universiteiten halen uit de inschrijvingsgelden, niet vrij mogen worden besteed, dan vind ik dat een uiting van heel groot wantrouwen. Ze zijn wel degelijk met een sociaal beleid bezig. Er is zelfs een Vlaamse universiteit die heeft aangekondigd dat alle extra inkomsten integraal naar een sociaal beleid gaan. De Vlaamse Regering en ik geven ons volle vertrouwen om met dat geld ten bate van onze studenten de juiste keuzes te maken.

Collega’s, de keuzes op het vlak van het onderwijs kunnen voor discussies zorgen. In elk geval staan we voor belangrijke maanden. Ze gaan over veel meer dan over enkele euro’s. Ze zullen ons dwingen om inhoudelijke keuzes te maken. We zullen dat samen doen. Niet in het belang van een of andere politieke partij, maar wel in dat van elke jongere die hier in Vlaanderen van sterk onderwijs geniet, en in de toekomst moeten die van nog sterker onderwijs genieten. (Applaus bij de meerderheid)

Voorzitter, sta me toe om nog een uitsmijter te verwoorden. Het afgelopen kwartier ging het er hier op de eerste rij vrolijk aan toe. Ik heb het gevoel dat u misschien een korte pauze moet inlassen. Ofwel bied ik onze fractieleiders een korte onderwijssessie ‘leren telefoneren’ aan!

De voorzitter

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

We vatten nu de bespreking van het onderdeel Welzijn, Volksgezondheid en Gezin aan.

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Voorzitter, minister, collega’s, ik beperk me in drie minuten tot een algemene toelichting; collega’s-fractieleden zullen ingaan op deelsectoren van het belangrijke beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Dit domein klokt voor 2016 af op een budget van 11 miljard euro, of 27 procent van het totale Vlaamse budget. Het budget stijgt tegenover 2015 met 700 miljoen euro. Toegegeven: een belangrijk aandeel daarvan komt van de financiering van de ziekenhuisinfrastructuur, die wordt ingekanteld.

De minister heeft van bij de start van de Vlaamse Regering en ook nadien gezegd dat 2015 en 2016 budgettair en operationeel moeilijke jaren zouden worden. Het is snel vergeten, maar we hebben heel wat nieuwe bevoegdheden via de zesde ‘staatsmisvorming’ gekregen, terwijl de overeenstemmende middelen niet werden overgeheveld. Sommigen vergeten dat wel eens. Tezelfdertijd moeten stappen worden gezet om die bevoegdheden degelijk en kwalitatief in te kantelen. De minister benadrukte dat ook. Er moeten nu beslissingen worden genomen die het Vlaamse zorglandschap in de komende decennia zullen bepalen.

In 2015 zijn al belangrijke besparingen gerealiseerd. In 2016 wordt vooral op het eigen apparaat bespaard. Er komen erg onverwacht nieuwe uitdagingen op ons af: de vluchtelingencrisis en de problematiek van de radicaliserende jongeren. Desondanks wil deze Vlaamse Regering investeren in de zorg. Een belangrijke stap is de inkanteling van de ziekenhuisfinanciering, maar ook in de sector van personen met een handicap, in de kinderopvang en in jongerenwelzijn wordt er geïnvesteerd. Mevrouw van der Vloet zal dit straks toelichten.

In september wordt er een aanvang gemaakt met het basisondersteuningsbudget, een vorm van persoonsvolgende financiering, en begin 2017 wordt gestart met de uitrol van het echt persoonsvolgende budget. Zo meteen komt daarover meer uitleg.

Ook in de ouderenzorg zullen we deze legislatuur proeven van het recept van de persoonsvolgende financiering en we kijken uit naar de ervaringen en onderzoeken ter zake.

Persoonlijk ben ik bijzonder geïnteresseerd in de Vlaamse sociale bescherming die vanaf 2016 gefaseerd wordt ingevoerd. Naast de bestaande zorgverzekering komt er een tegemoetkoming hulp aan bejaarden en het basisondersteuningsbudget waarover daarnet al sprake was. Het Vlaamse Zorgfonds zal vervellen tot het intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse sociale bescherming, dat alle nieuwe middelen moet bundelen. Dat moet efficiënt gebeuren. In een conceptnota wordt gepleit voor maximale informatisering en automatische toekenning van rechten. Ik heb al herhaaldelijk gezegd dat onze fractie nauwlettend zal toezien op de optimale implementering van deze Vlaamse sociale bescherming. Daarbij zijn vraaggerichtheid en persoonsvolgende aanpak, keuzevrijheid van de patiënt, efficiëntie en correcte marktwerking belangrijk. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, vorig jaar hadden we de gelegenheid de beleidsnota voor de hele legislatuur te bespreken, een ambitieuze beleidsnota voor het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, waarin over een periode van vijf jaar niet minder dan een half miljard euro wordt geïnvesteerd. Het aandeel van dit beleidsdomein in de totale begroting is sterk gestegen. Voor 2016 gaat het om niet minder dan 27,4 procent van het totale budget. Ook collega Persyn heeft er al naar verwezen. Intussen is het eerste van die vijf jaar voorbij en bespreken we de begroting voor 2016.

Vorig jaar planden we op diverse terrein in de welzijnssector uitbreidingen, noodzakelijke uitbreidingen, maar dat betekent niet dat ze in de huidige financiële context evident zijn. We zijn alleszins tevreden dat het geplande uitbreidingsbeleid behouden blijft voor personen met een handicap, in de kinderopvang, in de ouderenzorg… Ik noem maar enkele terreinen, maar voor allemaal zijn substantiële bedragen uitgetrokken. Tijdens de vorige legislatuur werden voor tal van dossiers de fundamenten gelegd en nu wordt het beleid verder geconcretiseerd en uitgerold. Integrale jeugdhulp, persoonsvolgende financiering, voorschoolse kinderopvang, preventieve gezinsondersteuning. Voor andere terreinen werd een plan opgemaakt of is er een in opmaak. Denk maar aan het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie, het Actieplan Jeugdhulp, een globaal mantelzorgplan.

Ook de zesde staatshervorming heeft op ons beleidsdomein een enorme impact, misschien wel de grootste van allemaal, en plaatst ons voor heel grote uitdagingen, niet alleen inzake het regelgevend kader overigens, maar ook inzake de financiering. Denk maar aan de kinderbijslag en de financiering van de ouderensector.

De gezinsbijslagen vormen niet alleen voor Vlaanderen een fundamenteel onderdeel van het budget, 3,6 miljard euro, maar zijn ook in onze Vlaamse gezinnen heel vaak een onmisbaar deel van het gezinsbudget, zeker in gezinnen die in armoede leven of met een armoederisico. Nu de kinderbijslag een Vlaamse bevoegdheid is geworden, hebben we de kans onze eigen accenten te leggen. CD&V ziet de kinderbijslag als een onvoorwaardelijk recht van elk kind. Voor ons heeft de kinderbijslag twee doelstellingen: een tegemoetkoming voor de kosten voor de opvoeding van het kind en een instrument in de strijd tegen kinderarmoede, een middel om te helpen voorkomen dat gezinnen met kinderen naar armoede afglijden. We verwachten dan ook dat de Vlaamse Regering objectief bepaalt hoe goed de Vlaamse kinderbijslag de kosten voor de opvoeding van kinderen zal dekken.

Voor ons is het ook van belang dat er een goed evenwicht bestaat tussen het universele deel van kinderbijslag en het selectieve gedeelte, waarbij onder meer voor kinderen met bijzondere noden of gezinnen met een laag inkomen een extra toeslag wordt gegeven.

Wat ik hier ook uitdrukkelijk wil aanhalen, is de geplande uitbreiding van de capaciteit aan erkende woongelegenheden in woonzorgcentra met meer dan drieduizend. Die groei focust op twee pistes. Ten eerste wordt extra ingezet op de ondersteuning van de thuiszorg en de ontlasting van de mantelzorgers via het aanbod van bijkomende woongelegenheden in kortverblijf. Daarnaast is er bijkomend residentieel aanbod.

De doorbraak die er gekomen is met betrekking tot de rvt-erkenningen en de honorering van zorgvoorzieningen die de zwaarst zorgbehoevende mensen een thuis bieden, wil ik hier graag extra in de verf zetten. Vooral voor alle nieuw opgestarte woonzorgcentra betekent dat noodzakelijke zuurstof om hun werking ook in de toekomst te garanderen.

Collega’s, we kunnen ook niet voorbijgaan aan de vluchtelingenproblematiek. De aanpak van die crisis vraagt ook van Vlaanderen een sterk gecoördineerd beleid. Het beleidsdomein Welzijn heeft daarin een belangrijke taakstelling. CD&V vindt het dan ook maar normaal dat daarvoor de nodige middelen worden vrijgemaakt.

In de vorige legislatuur kende het beleidsdomein heel wat centralisatiebewegingen. Diensten die voorheen verspreid waren over heel Vlaanderen, werden samengebracht. Denk maar aan de centra algemeen welzijnswerk (CAW’s) of de diensten voor pleegzorg. Dat draagt bij aan de deskundigheid en de kennisdeling, maar geeft ook efficiëntiewinst. Na die oefening kan nu een oefening van taakuitzuivering gebeuren, een meer doorgedreven efficiëntieoefening, die bovendien voor iedereen die hulp zoekt, de zoektocht veel gemakkelijker moet maken. Win-win dus. De hulpzoekende, de man met een beperking, de moeder met een opvoedingsvraag, de jongere in een probleemsituatie, of de oudere die ondersteuning nodig heeft in de thuissituatie: CD&V wil hen allemaal centraal zetten in het beleid, en hen ook medezeggenschap geven.

Collega’s, ik vernoem hier ook nog even de Vlaamse sociale bescherming. In januari zullen we de contouren daarvan in de commissie bespreken. Dat is geen gemakkelijke opdracht, maar wel een die voor ons getuigt van een enorme ambitie, de ambitie om Vlaanderen verder uit te bouwen als zorgzame regio, waarin mensen worden versterkt, waarin familie en buren worden gemotiveerd en gewaardeerd in hun ondersteuning van een zorgbehoevende, en waarin we als overheid ook de verantwoordelijkheid nemen om in solidariteit de zorg op te nemen voor wie die nodig heeft.

Ik wil tot slot nog verwijzen naar de linken met andere beleidsdomeinen: Wonen, Werk, Mobiliteit, Onderwijs. Die linken zijn ontzettend belangrijk als we echt werk willen maken van een inclusieve maatschappij. Die kruisbestuivingen zijn van groot belang om een Vlaanderen te creëren waarin mensen die zorg nodig hebben, er echt bij horen, een zorgzaam Vlaanderen waarin we hen echt kansen geven. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, voor ouderenzorg hebben we, zeker voor de residentiële zorg, belangrijke inspanningen gedaan, zowel op het vlak van capaciteit als op het vlak van de leefbaarheid van de voorzieningen. Ik ben als liberaal ook erg blij dat de animatiesubsidie dit jaar wordt omgezet in een forfait dat wordt toegekend op basis van de zorgbehoevendheid van de oudere en niet langer op basis van de vorm van de rechtspersoon van het rustoord waar de oudere verblijft. We staan nog voor uitdagingen inzake de infrastructuursubsidies, maar daar is hard gewerkt. Ik heb er vertrouwen in dat de hervorming de goede richting uitgaat.

Wat de thuiszorg betreft, is de gezinshulp een sector die onze aandacht verdient: niet alleen voldoende capaciteit, maar ook flexibiliteit. U hebt gesteld, minister, dat u daar al stappen in hebt gezet. We hopen op een snel positief verhaal, zodat ouderen in staat zijn langer thuis te blijven.

Inzake kinderopvang denk ik dat het probleem van de financiële leefbaarheid van zelfstandige kinderopvanginitiatieven nog steeds actueel is. U hebt mij in de commissie geantwoord dat het wordt opgevolgd. U hebt ook gewezen op de inspanningen die u op budgettair vlak hebt gedaan voor deze groep. De realiteit op de werkvloer is dat de financiële leefbaarheid nog steeds moeilijk is. Ik krijg nog altijd mailtjes van mensen die genoodzaakt zijn om te stoppen met hun initiatief, niet omdat ze het willen maar om financiële redenen. Belangrijke inspanningen zijn gebeurd maar die zijn ten goede gekomen van het personeel, niet van de voorziening.

De administratieve vereenvoudiging was een positief signaal maar heel veel investeringen waren al gebeurd en moeten dus nu afbetaald worden. Voor ons is de IKG-mix (inkomensgerelateerd) een methodiek om enerzijds bestaande initiatieven te laten uitbreiden ook al zijn de overheidsmiddelen beperkt, en anderzijds bestaande initiatieven toe te laten enkele IKG-plaatsen te verkrijgen.

Op het vlak van gezondheidszorg denk ik dat we het komende jaar bijzondere aandacht zullen moeten besteden aan geestelijke gezondheidszorg. We worden geconfronteerd met kinderen, jongeren, studenten, werkenden en ouderen die psychisch in de problemen komen. Als beleidsmakers bevoegd voor gezondheid moeten we inspanningen doen om die problemen bespreekbaar te maken, om maximaal aan preventie te doen, om te remediëren. ‘Health is in all policies’, zeggen we in de beleidsbrief. Voor depressie en burn-out is dat een waarheid als een koe. Ook andere beleidsdomeinen moeten hier de handen uit de mouwen steken en als maatschappij moeten we ons bezinnen over de verwachtingen die we onszelf, onze kinderen en elkaar opleggen. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Minister, u hebt het hart op de juiste plaats. Ik bewonder ook uw moed omdat u onversaagd voortwerkt, terwijl u moet functioneren in een regering die het omgekeerde doet van alles waar u voor staat. Dit is een regering met coalitiepartners die niets liever doen dan u stokken in de wielen steken.

Het mooiste voorbeeld daarvan is de kinderbijslag. Dat is een mooi instrument om kinderen te versterken. Maar wat doen uw coalitiepartners? Bij elke mogelijke gelegenheid gooien ze het regeerakkoord met veel drama in de vuilnisbak, ze pleiten voor voorwaardelijkheid van die kinderbijslag, ze vinden plots dat kinderbijslag geen universeel recht meer is dat kinderen toekomt maar misschien het ene kind wel en het andere niet.

Bovenop al dat gedoe moet u voor de tweede keer op rij uitleggen dat de kinderbijslagen niet zullen worden geïndexeerd. Vorig jaar hebt u daarmee 63 miljoen euro bespaard. Die 63 miljoen euro verdwijnt dan recht in de koffers van minister Turtelboom. Dit jaar komt er opnieuw 63 miljoen euro bij. Toen ik u vroeg of u misschien had vergeten daarin te voorzien – want u had toch altijd gezegd dat die indexsprong een eenmalige operatie was –, zei u dat er ook nog een controle was. Toen ik u vroeg of u wel zeker was dat we de mensen konden geruststellen, dat die index dan alsnog zou worden voorzien bij die begrotingscontrole, zei u dat u het niet wist, dat het nog moest worden beslist binnen de regering. Met andere woorden, uw coalitiepartners kunnen u zo lang zij willen in een wurggreep houden. Zij laten u niet toe de kinderbijslagen verder te indexeren en de kinderbijslagen te laten sporen met de gestegen levensduurte en dus ook de gestegen kost van het opvoeden van een kind. En dit zolang u de kinderbijslagen niet hebt hervormd. Maar hoe krijgt u die ooit hervormd?

U wilt, en geheel terecht, een universeel recht voor elk kind. U vindt dat kinderen met meer noden ook recht hebben op meer kinderbijslag. En aan de overzijde van uw regeringstafel zitten er partners die zeggen: ‘Neenee, niet ieder kind heeft daar recht op. En weet je wat? We gaan het koppelen aan voorwaarden.’ U geraakt daar niet uit, want of u geeft toe op dat principe van de universaliteit van de kinderbijslagen, of u gaat vijf jaar lang de kinderbijslagen niet indexeren en u zult het dus de mensen steeds moeilijker maken om hun kinderen groot te brengen in tijden dat de dingen duurder worden.

Het gaat niet meer om kinderen versterken, ondanks al die mooie slogans. Dit is simpelweg kinderen laten opdraaien voor het geruzie in deze regering.

Ik geef een tweede voorbeeld. Ik weet – ik ben er zeker van – dat u wilt dat elk kind dat zorg nodig heeft, die zorg ook krijgt.

Vandaag is dat niet zo. U weet dat. Duizenden kinderen wachten erg lang op de hulp die ze nodig hebben. Ook uw coalitiepartners spreekt u daarop aan in de commissie. Herhaaldelijk vragen ze waar u blijft, waarom mensen zo lang moeten wachten, tot jaren af en toe.

Maar tegelijkertijd vechten zij niet aan uw zijde om te zorgen voor de nodige middelen om die wachtlijsten weg te werken. Er is een zeer scherpe vertraging in de groei van middelen voor jongerenwelzijn. Die groei is nog een derde zo groot als in de vorige legislatuur. En weet u wat die groei nog bevat? De middelen die overgekomen zijn in verband met de jeugdinstellingen in Everberg en Tongeren. Dat is weddedrift. Het zijn niet eens investeringen in de brede instap, in de rechtstreeks toegankelijke hulpverlening, in uw voorzieningen. Er zijn daar geen extra investeringen.

En wanneer het erop aankomt, minister, om iets te doen, weet u dat u geen steun krijgt. Nochtans wordt er veel van u gevraagd. U hebt de tarieven in de kinderopvang moeten verhogen voor de mensen met de laagste inkomens. Voor sommigen was dat maal drie. U hebt dat moeten slikken. U kunt bijna 10 miljoen euro inschrijven aan extra inkomsten uit ouderbijdragen. En slechts 2 miljoen euro van die extra inkomsten, vooral opgehoest door de mensen met lage inkomens, vloeit terug naar de kinderopvang. 2 miljoen euro van die 10 miljoen euro. En van die 2 miljoen euro kunt u nog niet eens zeggen of er ook maar één plaats naar IKG zal gaan. Dat weet u nog niet. U weet niet of u ze zult kunnen aanhouden. U hebt Kind en Gezin nog maar eens moeten vragen om extra te besparen. En ze weten totaal niet waar ze het geld moeten vinden.

Minister, ik krijg het idee dat u wél moet meedoen aan elke besparingsronde, met een sector die nu al kreunt onder de lineaire besparingen, jaar in jaar uit, en dat u nooit eens langs de kassa passeert. Elk jaar opnieuw zegt u in de commissie: ‘Het is een moeilijk jaar voor mij, maar het wordt wel weer beter.’ Ik zie het echter niet beter worden. Er worden geen budgetten in het vooruitzicht gesteld. Er zijn allerlei mooie woorden, vooral van uw coalitiepartners. Maar nooit staan zij aan uw zijde om ook maar één euro toe te voegen aan de schaarse middelen binnen Welzijn. Uw hart, minister, moet bloeden. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister Vandeurzen, u hebt de grootste... We mogen dat hier zeggen. U hebt de grootste hap uit het budget. (Gelach)

Dat is nieuw. Het is de eerste keer dat het budget voor Welzijn, Gezondheid en Gezin de grootste post is. U bent voortaan dus de minister met de grootste post.

Minister Vandeurzen, bij die grootheid komt veel verantwoordelijkheid kijken. En in uw begroting vind ik die niet terug. Ik noem het een begroting van Loch Ness. Er wordt veel gepraat over dingen die niemand ziet. En omdat alle goede dingen uit drie bestaan, zal ik u vier voorbeelden geven.

Een eerste voorbeeld is de kinderopvang. U zegt dat er voor ieder kind een plaats is in de kinderopvang. Maar wat ik merk, is dat ouders wanhopig op zoek zijn naar een plek en dat crèche-uitbaters noodgedwongen de boeken neerleggen omdat ze financieel niet meer rondkomen.

Vorig jaar had u 20 miljoen euro in de begroting. Van die 20 miljoen euro is er uiteindelijk 7,3 miljoen naar extra kinderopvang gegaan. Dit jaar hebt u nog 3 miljoen euro. U zei in de commissie zelf dat daarvan sowieso 1,3 miljoen euro af gaat. Als we dus geluk hebben, gaat er 1,7 miljoen euro naar extra kinderopvang. Daarmee – dat weet u heel goed – is het probleem niet opgelost. Dat is dus uw eerste Loch Ness.

Uw tweede Loch Ness betreft mensen met een handicap. Wat was er beloofd? 18 miljoen euro. Deze regering beloofde dit jaar 18 miljoen euro. Dat is veel te weinig, laat daarover geen twijfel bestaan. 18 miljoen euro is veel te weinig om de noden te ledigen. Maar goed, u had 18 miljoen euro beloofd.

Wat zien wij in de begroting? 10 miljoen euro staat effectief ingeschreven. Er is 10 miljoen euro extra. Dan hebben we nog 8 miljoen euro te kort. Hoe komen we daaraan? 5 miljoen euro van die 8 miljoen euro halen we uit besparingen op hetzelfde departement, besparingen op infrastructuur voor mensen met een handicap. Dat is geen uitbreiding, maar een verschuiving van middelen. En 3 miljoen euro zult u nog vinden. ‘Sensibiliseren’ staat er in de toelichting van de begroting.

Ook het Rekenhof heeft daar vragen bij. Ik heb daar ook vragen over gesteld maar u zei dat die middelen er wel zouden zijn tegen de begrotingscontrole. U noemde me zelfs een stemmingmaker, omdat ik door daarop te wijzen onrust in de sector bracht, waardoor de transformatie moeilijk verliep. Als er onrust heerst in uw sector, minister, dan komt dat door uw beleid en niet omdat ik aanklaag dat er te weinig middelen zijn. Uw eigen administratie heeft in de commissie gezegd dat ze op haar tandvlees zit, maar dat ze niet durft te klagen omdat de sector er nog meer doorzit.

Wat de jeugdhulp betreft, heeft de meerderheid een sterk voorstel van resolutie goedgekeurd. Daarin staat dat er absoluut bijkomende capaciteit nodig is in die fameuze brede instap. Het gaat over mensen die jongeren preventief opvangen, de eerste signalen opvangen en zorgen voor de eerste begeleiding zoals thuisbegeleidingsdiensten enzovoort. Er is in geen euro extra voorzien voor die departementen en voor die onderdelen.

Collega’s van de N-VA, u zegt waarschijnlijk dat niet voor alles extra geld nodig is. Als u meer capaciteit kunt creëren, toon het dan. Ik zie het niet, noch in de beleidsbrief, noch in de begroting. Wat ik wel zie, is dat we met nog veel meer crisissituaties te maken zullen krijgen omdat er geen oplossing is voor de enorme tekorten in de jeugdhulp.

Wat de rusthuizen betreft, hoorde ik een collega van CD&V vanochtend nog zeggen dat het probleem is opgelost en dat de zorgzwaarte wordt opgenomen. Ook vandaag staat echter op de voorpagina van de krant dat de OCMW-rusthuizen allemaal in het rood gaan, niet omdat ze geen goed beheer hebben maar omdat ze niet kunnen werken in de huidige omstandigheden en met de huidige omkadering van het personeel. Zij moeten extra personeel aanwerven om ouderen op een menswaardige manier te kunnen verzorgen. Dat extra personeel zorgt ervoor dat zij in het rood gaan. Voor dat extra personeel zou u moeten zorgen. U beweert dat het er is, maar ik zie het niet.

Viermaal Loch Ness, minister, ik hoop voor u dat ze boven komen, want Vlaanderen en Brussel hebben ze absoluut nodig. (Applaus bij Groen en bij sp.a)

De voorzitter

De heer Depoortere heeft het woord.

Ortwin Depoortere (Vlaams Belang)

Voorzitter, minister, collega’s, ik moet toegeven dat het voor mij als nieuw parlementslid wat zoeken was in de beleidsbrief. Ik heb me door het technische jargon en de vele gespecialiseerde terminologieën en afkortingen moeten worstelen.

Minister, een eerste prijs in een opstelwedstrijd zult u waarschijnlijk niet halen, maar daar gaat deze beleidsbrief eigenlijk ook niet over. Het gaat over de visie die u en de Vlaamse Regering hebben op de zorg- en dienstverlening in Vlaanderen en de middelen die daarvoor worden vrijgemaakt.

De vluchtelingencrisis gooit roet in het eten omdat er bijkomende middelen moeten worden uitgetrokken om de noden te lenigen. Het gaat over 5,7 miljoen euro in het departement Welzijn. Wij moeten dat als belastingbetaler ondergaan en we mogen ons daar zeker niet al te kritisch over uitlaten, op gevaar af om als inhumaan en onverdraagzaam te worden bestempeld.

Ik wil daar toch een kanttekening bij maken. Alle kosten die aan de asieltsunami gekoppeld zijn, vloeien voort uit dit rampzalig beleid dat de grenzen openlaat en vluchtelingen onbeperkt opvangt. Het moet mij van het hart dat deze budgetten die plots wel voorhanden zijn, niet zullen en kunnen worden gebruikt voor het welzijn van en de zorg voor onze eigen mensen, dit terwijl de noden nog altijd erg hoog zijn in de welzijnssector.

De zes strategische doelstellingen die in de beleidsbrief staan, bewijzen dit trouwens. Zoals u het zelf omschrijft, staan ons heel wat grote uitdagingen te wachten die moeten uitmonden in de Vlaamse sociale bescherming met een zorgverzekering, het basisondersteuningsbudget voor mensen met een handicap, een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, en op termijn de leeftijdsonafhankelijke hulpmiddelen, de mobiliteitshulpmiddelen, een afgestemde en vraaggestuurde financiering van de residentiële ouderenzorg en van de thuiszorg, de revalidatiecentra, de opvang in de psychiatrische verzorgingstehuizen en beschut wonen.

Het zou mij in het korte tijdsbestek van vier minuten te ver leiden om alle strategische doelstellingen gedetailleerd te overlopen. Ik wil wel beklemtonen dat ik en mijn fractie 100 procent achter de doelstelling staan van zorg op maat waarbij het persoonsvolgende budget de exponent is van de nieuwe visie op zorg en ondersteuning.

De vraag en niet het aanbod moet de leidraad vormen. Vraag is enkel of de voorziene budgetten zullen volstaan. Ik vrees van niet.

Ik hoor alleszins de vraag steeds luider klinken naar zorg die aangepast is aan de noden van de zorgbehoevenden, maar ook aan het welzijn van de zorgverleners zelf, en dit zowel bij de professionele hulpverlening als bij de vrijwillige mantelzorg. Bij de mensen die zorg nodig hebben, moet inderdaad een zorg op maat worden aangeboden. Ik lees de goede intenties in de beleidsbrief, maar we mogen niet blind zijn voor het zware werk, zowel op fysiek als op mentaal vlak, die de zorgverstrekkers hebben. Ook daar moet de nodige aandacht naar uitgaan. Ik weet dat er op het terrein heel wat in beweging is. Een doorgedreven ondersteuning vanuit de Vlaamse overheid zou een welgekomen geschenk zijn.

Laat me ten slotte, in navolging van mijn fractievoorzitter, nogmaals een oproep lanceren naar de collega’s van Open VLD en N-VA om te stoppen met de publieke opinie te bestoken met proefballonnetjes inzake de kinderbijslag. Het is immers al lang duidelijk voor iedereen dat de meerderheid helemaal niet op dezelfde lijn zit inzake de hervorming van de kinderbijslag. Wij bieden een wisselmeerderheid aan. Het Vlaams Belang heeft het verkeerd ingediende voorstel van mevrouw Smeyers, nu hier in dit Vlaams Parlement ingediend. Wij roepen u op om dit voorstel mee te ondersteunen. Laat de politiek correcte meute aan de zijlijn staan! Laat het gezond verstand primeren! (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw van der Vloet heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal twee thema’s aanstippen waarvoor 2016 een heel belangrijk jaar wordt: de persoonsvolgende financiering en de kinderbijslag.

Ik begin met de persoonsvolgende financiering. Ik ben blij dat u bij de bespreking van de beleidsbrief uw engagement hebt bevestigd om de voorziene 18 miljoen in het uitbreidingsbudget 2016 te voorzien. Er is altijd gezegd dat 2016 financieel het moeilijkste jaar zou worden. Met deze toezegging is het uitbreidingsbudget over 2015-2016 gemiddeld 29 miljoen per jaar, dat is evenveel als tijdens de vorige legislatuur.

Vanaf 2017 wordt, samen met de overgang naar persoonsvolgende financiering, de inspanning aanzienlijk opgeschroefd. De 330 miljoen uitbreidingsbeleid voor personen met een beperking, waarin de regering deze legislatuur voorziet, is essentieel voor de uitrol van de persoonsvolgende financiering. Het grotere uitbreidingsbeleid, vanaf 2017, is nodig om een echte start te nemen voor meer keuzevrijheid voor mensen met een beperking en de motor om een ander, persoonsgerichter beleid te doen aanslaan.

Met nieuw budget worden meer mensen geholpen, wat betekent dat meer zorg wordt ingekocht. Bij het besteden ervan zorgen deze budgetten zo ook voor een vernieuwd en verhoogd aanbod aan zorg. Het is belangrijk dat de budgetten zo breed mogelijk besteed kunnen worden zodat extra aanbod gestimuleerd kan worden. Enkel zo kunnen we starten met het wegwerken van de jarenlang stijgende wachtlijsten.

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Excuseer voor de onderbreking, collega, maar het moet me van het hart dat het verwijzen naar het gemiddelde groeipad van de vorige legislatuur misschien wel feitelijk correct is, maar natuurlijk helemaal niet in overeenstemming met de verwachtingen die zijn gecreëerd enerzijds, en met de noden, die niemand ontkent, anderzijds.

Ik heb de volgende vraag voor u. Als u daar vandaag naar verwijst, wat was dan de evolutie van de wachtlijsten in dezelfde periode? Ik kan u zelf het antwoord geven: ze zijn met de dag langer geworden. Als we niet een ongelofelijke inspanning doen – ik ga daar straks in mijn betoog verder op door – dan wordt het gewoon ‘business as usual’. En dat vertaalt zich in alsmaar langere wachtlijsten.

Met het uitbreidingsbeleid is de 330 miljoen euro dubbel zoveel als het bedrag van de vorige legislatuur. We zullen er toch een heel groot deel van oplossen. Ook heel de persoonsvolgende financiering komt eraan. Er komt een andere manier van werken. Wij hebben er wel vertrouwen in dat de wachtlijst korter zal worden. U hoort me ook niet zeggen dat ze zullen worden opgelost, maar ze zullen zeker en vast worden verminderd.

Bart Van Malderen (sp·a)

Toch was dat de ambitie. Ook uw partij heeft mee de conceptnota Perspectief 2020 onderschreven, die gewoon zorggarantie op maat van iedereen onderschrijft. Als u het nu dus hebt over verminderen, dan is dat eerlijk gezegd een zwaktebod ten aanzien van die nota en ten aanzien van verwachtingen die zijn gecreëerd. Als u die niet invult, dan voorspel ik u dat u heel veel mensen zult frustreren, heel veel mensen die vandaag en al heel lang wachten op zorg die ze broodnodig hebben, wat niemand ontkent.

Ik denk dat de verdubbeling ten opzichte van vorige legislatuur toch al een heel sterk signaal geeft, ook van onze partij. We zijn daar eerlijk in: we kunnen niet alles oplossen. Ik meen echter dat dit wel een heel grote sprong vooruit is ten opzichte van de vorige legislatuur.

Ook de verdeling tussen trap 1 en trap 2 hangt samen met het uitbreidingsbudget. Die verdeling is immers een belangrijk onderdeel van de opstart van de persoonsvolgende financiering. Het belangrijkste is voor ons nog altijd dat er voldoende naar de vraaggestuurde trap 2 zal gaan.

Naast de budgetten hebben we natuurlijk ook nog de regelgeving. Daarbij is het belangrijk ervoor te zorgen dat er een gebruiksvriendelijk systeem komt voor de toewijzing van de persoonsvolgende financiering, alsook een kostenefficiënt systeem. Het is de bedoeling om daarbij zo weinig mogelijk administratieve rompslomp te creëren. Dat kan bijvoorbeeld door de overschakeling van een voucher naar een cashbudget zo regelluw, transparant en eenvoudig mogelijk te maken.

Ook voor de kinderbijslag zal 2016 een heel belangrijk jaar worden. Minister, bij de bespreking van de beleidsbrief wist u te zeggen dat er in de loop van 2016 eerst een concept en daarna een ontwerp van decreet over de kinderbijslag zal worden ontwikkeld, zodat de debatten erover in het Vlaams Parlement kunnen starten. De omvang van de kinderbijslag is een serieuze post in de begroting. Het bedrag van 3,58 miljard euro is samengesteld uit twee bestanddelen. De effectieve uitgaven voor de gezinsbijslag worden voor 2016 geraamd op 3,46 miljard euro en de enveloppe voor de betalings- en beheerskosten bedraagt 119,5 miljoen euro. Dat betekent dat er per 100 euro kinderbijslag die wordt uitgekeerd, 3,45 euro aan beheerskosten wordt uitgegeven. De overdracht van dit systeem van het federale naar het Vlaamse niveau biedt ons de mogelijkheid om te bekijken hoe we dat kunnen verlagen. Elke euro die niet naar het systeem gaat, zal immers aan de kinderen zelf kunnen worden besteed. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Taelman heeft het woord.

Martine Taelman (Open Vld)

Ik wil nog even heel kort twee zaken benadrukken namens de Open Vld-fractie. Er zijn al heel wat sprekers geweest in het debat over Welzijn, dus uiteraard zijn zaken al aan bod gekomen. Er is al verwezen naar de integrale jeugdhulp. Collega’s, net voor het zomerreces hebben we inderdaad een heel mooie resolutie kunnen goedkeuren met een aantal aanbevelingen met betrekking tot die integrale jeugdhulp. Voor mij is dé prioriteit ter zake voor 2016 dat we beter zouden kunnen omgaan met verontrusting, dat we tijdig kunnen ingrijpen indien vrijwillige hulp niet meer werkt. Dat was ook een onderdeel van die resolutie. Dat was een pijnpunt dat we tijdens de hoorzittingen heel duidelijk naar voren hebben zien komen. Minister, het lijkt me dan ook nodig dat we dat in de volgende maanden legistiek gaan remediëren met het ontwerp van decreet houdende diverse bepalingen dat er zit aan te komen.

Ook is het belangrijk in deze sector dat alle partners goed samenwerken, dus de jeugdzorg, maar ook federale instellingen zoals politie en gerecht, wat niet evident is in een Vlaamse sector. Daarvoor is er blijkbaar ook een wetgevend initiatief nodig. Ik hoop dat we dat snel kunnen verankeren. Ik hoop dat we de hele goede initiatieven die momenteel op het terrein hun waarde bewijzen, zoals Protocol van Moed, ook juridisch kunnen verankeren.

Ten derde, en dat was ook een heel groot probleem, ben ik heel blij dat de minister openstond voor remediëring aan de administratie. Administratie is belangrijk, maar is niet de essentie van integrale jeugdhulp en het mag al zeker niet de werking van de jeugdhulp belemmeren. Ik hoop en ik kijk ernaar uit dat we daar in 2016 snel vooruitgang boeken.

2016 – het is hier al meerdere keren gezegd – wordt ook een enorm belangrijk jaar voor het beleid ten aanzien van personen met een handicap door de inwerkingtreding van het decreet Persoonsvolgende Financiering. In de commissie hebben we al een aantal problemen grondig gesproken. De essentie is dat we volgend jaar de eerste ervaringen zullen hebben met het opstellen van het ondersteuningsplan, de manier waarop rekening wordt gehouden met de omgeving en de mantelzorgers, de wil van de persoon met een handicap en de bestedingsvrijheden van het budget in cash. Het zijn voor deze sector moeilijke maar vooral boeiende tijden. Wij zullen als Open Vld-fractie de vinger aan de pols houden en ik hoop dat we in de commissie in de mogelijkheid gesteld worden om dit hele proces op te volgen.

2016 wordt het jaar van de omwenteling van het VAPH. Het transitieplan zal worden voorgesteld in de commissie en ik neem aan dat we het als mandatarissen kritisch en van nabij zullen opvolgen. Voor onze fractie is de toetssteen die zowel mijn fractievoorzitter als de heer De Ro al hebben vernoemd, de transitie. Die draagt bij tot de emancipatie van de persoon met een handicap of met een beperking. Die draagt bij tot meer inclusie in de maatschappij. Die draagt ertoe bij dat we die mensen sterker maken. (Applaus bij de meerderheid)

– Peter Van Rompuy, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Leden van de regering, voorzitter, ik wil het hebben over de sector van de mensen met een handicap. Ik maak me bijzonder veel zorgen. Veel sprekers kwamen hier zeggen dat het een boeiend en belangrijk jaar wordt, de minister houdt het meestal op ‘moeilijk’. Ik denk dat dit klopt. Het budget voor uitbreidingsbeleid is bescheiden, het steekt af tegen de noden. Maar, zo zegt men, we gaan heel hard werken en we zijn in blijde verwachting van de invoering van de persoonsgebonden financiering waar iedereen achter staat. In 2017 komt er een grote golf aan middelen die de reële uitrol mogelijk gaat maken. Alleen vinden we die middelen nergens in een document.

Tot deze morgen, toen minister Turtelboom ons uitlegde hoe we de tabel bij de meerjarenbegroting moeten lezen. En toen vond ik daar een potentiële beleidsruimte van dik 250 miljoen euro, te delen door twee, tussen Welzijn en Economie, bevestigd door de minister-president, en te vermenigvuldigen met 0,66.

De verdeelsleutel die de minister zelf hanteert in zijn omzendbrief uitbreidingsbeleid levert ons het resultaat op van 86 miljoen euro. Dat is veel minder dan de 110 miljoen euro die de minister in datzelfde document zegt nodig te hebben voor zijn uitbreidingsbeleid in 2017. Het wordt nog erger, collega’s, in 2018 heeft dezelfde minister 70 miljoen euro nodig om de persoonsvolgende financiering te kunnen uitrollen.

Dan lezen we dankzij de heldere toelichting van minister Turtelboom deze morgen, in diezelfde tabel een tekort van 350 miljoen euro in de meerjarenbegroting. Er is geen overschot, er is een tekort. Dan, minister, doet u niets aan de zorgzwaarte in de ouderenvoorzieningen die begroot is op 86 miljoen euro; dan doet u niets aan de geestelijke gezondheidszorg; dan doet u niets aan uitbreidingsbeleid kinderopvang; dan doet u niets qua bijkomende instrumenten in de kinderbijslag; dan doet u niets aan de jeugdzorg. Het zijn allemaal sectoren waar grote noden zijn en waar engagementen werden aangegaan.

Minister, ik maak me grote zorgen over uw financiën, maar ik maak me nog meer zorgen over personen met een handicap die nu al jaren in touw worden gehouden voor een hervorming waarvan vandaag op papier staat dat u er eigenlijk geen centen voor hebt. Ik maak me zorgen over die sector en ik maak me zorgen over u. Minister, ik zit oprecht met u in. Onlangs was u de grote ster in de rodeneuzenshow. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat u in 2020 niet moet optreden in de langeneuzenshow voor alle beloften die u niet hebt gehaald. (Applaus bij sp.a)

De heer Parys heeft het woord.

Collega’s, we hebben het hier vaak over een steen verleggen, maar de vraag is hoe je dat doet. En hoe doe je dat dan met een beperkt budget? Dat doe je door te focussen op waar je het grootste verschil kunt maken: bij onze meest kwetsbare kinderen. Het is mijn diepste overtuiging dat als we elk van hen een goede toekomst kunnen geven, we telkens een kiezel, en samen opgeteld de bedding van de rivier verleggen.

Daarom ben ik blij dat we na een aantal hoorzittingen in de commissie een sterke resolutie hebben goedgekeurd over integrale jeugdhulp. Die heeft geleid tot een belangrijke bijsturing van het systeem. Ik ben bijzonder tevreden dat de minister er proactief mee aan de slag gaat in zijn beleidsnota. Want wat in de beleidsnota staat, is straffe tabak.

Eén: we garanderen een zorgaanbod voor kinderen met de meest complexe zorgnoden. Twee: we investeren 880.000 euro voor een voorziening voor MOF-jongeren (als misdrijf omschreven feit) in Mechelen, 5 miljoen euro in Everberg, we zorgen voor een uitbreiding van Mol zodat Tongeren kan sluiten en, last but not least, we investeren 1 miljoen euro extra voor pleegzorg. Drie: we simplificeren. Ik ben blij dat de minister onze suggestie heeft opgenomen om bijvoorbeeld het systeem van het A-document te vereenvoudigen. Elk uur van onnodige administratie dat we schrappen, is een uur zorg gewonnen. Dat is een goed begin.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Mijnheer Parys, we zijn allemaal heel beleefd voor elkaar en niemand onderbreekt iemand anders, maar ik wil het toch doen. U zegt dat er extra middelen zijn. Ik heb daar inderdaad niet naar verwezen omdat die gaan naar de organisaties die werken met jongeren met zeer zware problemen. In de commissie hebben we getuigenis na getuigenis gehoord van organisaties die zeggen dat als we echt een verschil willen maken, we bij het begin moeten ingrijpen. We moeten thuisbegeleiding bieden, we moeten vroeg detecteren, we moeten aan preventie doen, we moeten jongeren van jongs af aan een goede toekomst geven en niet wachten tot het escaleert in een crisis.

U hebt een resolutie geschreven die zegt dat daarop extra moet worden ingezet, dat er investeringen moeten komen, ook voor die groep. Ik lees in deze begroting dat daar nul euro voor is uitgetrokken. Misschien hebt u een andere begroting gelezen. Ofwel moet u extra middelen plannen, ofwel moet u me uitleggen hoe er toch extra capaciteit komt in de brede instap, in de preventie en de vroegdetectie, want anders staat u hier blaasjes te verkopen.

Mevrouw Van den Brandt, een plaats in de jeugdzorg, dat zijn uren die iemand kan besteden aan het helpen van iemand anders. Als we erin slagen om door bijvoorbeeld het systeem van het A-document te vereenvoudigen – in de hoorzittingen hebben we vaak gehoord dat daar tientallen uren inkruipen die niet productief en nodig zijn –, met de vereenvoudiging die in de resolutie staat en die de minister heeft aangekondigd voor januari, en waar nu nog een hackathon op komt om te zien of we dat nog verder kunnen uitrollen, tien of vijf uren zorg te winnen, dan kunnen we zorg winnen door te simplificeren. Het is niet altijd door meer geld te creëren dat je meer plaatsen creëert. Het is vaak door het systeem eenvoudiger te maken dat je meer mensen meer hulp kunt bieden.

Elke Van den Brandt (Groen)

U hebt mijn steun om het A-document en de hele toegangspoort te hervormen en die absurde bureaucratie eruit te halen. Absoluut. U weet ook dat we daarmee ruimschoots onvoldoende doen, een fractie van wat nodig is. De CLB’s hebben niets aan extra middelen gekregen voor heel de werking rond integrale jeugdhulp. Dat los je niet op door een enkele administratieve vereenvoudiging. Daar is veel meer voor nodig.

Ik heb het eens uitgerekend. Als je erin zou slagen om maar 10 procent van de tijd die vandaag naar die A-documenten gaat, te laten renderen, als je er dus eigenlijk voor zorgt dat 90 procent van de tijd die daar vandaag aan wordt besteed, af te snijden, dan kun je meer dan duizend gezinnen in jeugdhulp helpen met thuisbegeleiding. Dat is heel concreet. Dat wil zeggen dat we niet enkel moeten zoeken naar hoe we steeds meer middelen kunnen bijcreëren, want we hebben ze niet altijd. Laat ons daar ook gewoon eerlijk in zijn. We moeten ook zoeken hoe we er binnen het systeem voor kunnen zorgen dat we meer mensen kunnen helpen door dingen eenvoudiger te maken. En dat gaat. De gemakkelijkste oplossing is altijd ‘er moet meer geld zijn’, maar laat ons creatief zijn, laat ons zelf zoeken hoe we door te vereenvoudigen meer mensen kunnen helpen.

– Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

Goed, ik ga verder. Ik wou zeggen: dat is een goed begin. De wereld staat ondertussen niet stil. 2016 zal de regering en het parlement nopen tot heel creatieve oplossingen. Het wordt een bepalend jaar voor deze legislatuur op het vlak van welzijn. Er is bijvoorbeeld de vluchtelingencrisis, we hebben nood aan een nieuw protocol dat een antwoord biedt op de toenemende problematiek van de niet-begeleide minderjarige vluchtelingen. Er is de hervorming van de justitiehuizen en de uitdaging van het elektronisch toezicht die een afdoend antwoord moeten krijgen. En ten slotte moet een nieuw jeugdsanctierecht zijn beslag kennen en dat ons moet leren omgaan met fenomenen zoals radicaliserende jongeren en loverboys – om er maar twee te noemen.

Om af te sluiten wil ik nog een laatste thema aanraken. Collega’s, ik heb deze middag samengezeten met zes adoptieouders van vier kinderen uit Oeganda. De drama’s die het gebrek aan een goede afstemming tussen het Vlaamse en federale niveau veroorzaken op het vlak van adoptie moeten hier en nu stoppen. We hebben dat gedaan met de binnenlandse adoptie. We hebben een nieuw decreet goedgekeurd. Laat ons ook in dit parlement interlandelijke adopties tegen het licht houden. Daarvoor wil ik heel graag samen met dit parlement tekenen in 2016.

De voorzitter

Mevrouw Godderis heeft het woord.

Danielle Godderis-T'Jonck (N-VA)

Voorzitter, ministers, collega’s, ik denk dat iedereen akkoord gaat met de stelling ‘voorkomen is beter dan genezen’. Preventie is belangrijk in de gezondheidssector. Elke euro die je in preventie steekt, win je uit aan de zijde van de behandeling. Vlaanderen zet zich hier dan ook voor in.

Vorige maand werd er in de commissie Welzijn een studie voorgesteld onder leiding van professor Annemans en professor Putman, waaruit blijkt dat de kankerscreening in Vlaanderen loont. De voordelen wegen op tegen de nadelen en hier mogen we trots zijn. In de toekomst kunnen we dit nog efficiënter maken, bijvoorbeeld door de minimumscreeningsleeftijd te verlagen bij dikkedarmkanker, zodat we een breder publiek bereiken. De minister gaf in de commissie aan dat hij zich hier zal blijven voor inzetten.

Het komende jaar zal ook belangrijk zijn met de opmaak van een nieuw Vlaams actieplan ‘Voeding en Beweging’. We doen het namelijk niet goed op vlak van onze levensstijl. Te weinig bewegen, ongezond eten en slechte gewoontes als alcohol en roken zorgen voor een serieuze kost in de gezondheidssector. Obesitas en diabetes, met al hun gerelateerde ziektes, worden de uitdaging van de toekomst. Het nieuw actieplan zal moeten leiden tot een verbetering in de levensstijl van de bevolking. Hier vraag ik dan ook voldoende aandacht voor zodat we dit een halt kunnen toeroepen. Indien we ons hier niet voor inzetten, zullen de gezondheidskosten enkel stijgen, wat nefast is voor de bevolking en de overheid.

Ik ben overtuigd dat de bevolking beseft dat het anders moet, dat het ook anders kan. Wij als beleidmakers moeten hen hierin steunen en kijken welke maatregelen mogelijk zijn om het tij te doen keren. Deze keuzes moeten weloverwogen zijn en onderbouwd worden met wetenschappelijke kennis.

Eind 2016 loopt de overeenkomst met de Eetexpert, een kenniscentrum voor eet- en gewichtsproblemen, af. De minister haalde in zijn beleidsbrief al aan dat er een oproep zal gebeuren voor een nieuwe overeenkomst. Dit kan ik enkel toejuichen. Het is belangrijk dat we investeren in zaken, projecten die goed onderbouwd zijn, waar kennis aanwezig is. Eetstoornissen en zijn verscheidene vormen blijven een probleem. Het is belangrijk hier voldoende aandacht aan te schenken.

Het is belangrijk dat mensen ergens terechtkunnen met hun vragen, zodat de weg naar behandeling en genezing zo goed mogelijk ondersteund wordt. Gezondheid en welvaart zijn met elkaar verweven. ‘Health in all policies’ is een term die vaak gebruikt wordt om aan te tonen dat in elk beleidsdomein gezondheidsbevorderende acties kunnen worden ondernomen. Ik vraag dan ook om het gezondheidsaspect per beslissing goed te bekijken, want gezondheid is ons waardevolste goed.

Ik rond dan ook graag af met een quote van filosoof James Martineau uit de 18e eeuw:  ‘De gezondheid van een gemeenschap is een haast onfeilbare maatstaf voor haar moraliteit.’ (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Health in all policies en preventie zijn belangrijk. In de beleidsbrief van de minister hebben we kunnen lezen dat er heel veel wordt vooruitgeschoven naar wetenschappelijke kennis – niemand betwist de waarde daarvan –, naar onderzoek en studies, congressen en conferenties op het einde van het jaar of zelfs in 2017. Pleit u er nu voor dat er iets sneller moet worden geageerd op vlak van preventieve gezondheidsondersteuning? Daarin zou u in ons een bondgenoot vinden. Op een aantal vlakken, zoals sedentair gedrag waar u naar verwees, moeten we sneller gaan en niet wachten op nieuwe conferenties.

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Dames en heren, ik ben tevreden met de ambitie die deze Vlaamse Regering aan de dag legt wanneer het gaat over geestelijke gezondheidszorg. Als ik het voorstel van resolutie van de oppositiepartijen lees, dan denken sommigen blijkbaar dat extra geld voor de centra voor geestelijke gezondheidszorg het wondermiddel is. Het verraderlijke aan die veronderstelling is natuurlijk dat de illusie wordt gewekt dat een toegankelijke en kwaliteitsvolle geestelijke gezondheidszorg kan worden gerealiseerd alleen door er meer geld tegenaan te gooien. Niets is natuurlijk minder waar. Net daarom is het een goede zaak dat deze Vlaamse Regering ook inzet op de instroom door middel van een versterkte preventie en vroegdetectie.

Mijnheer Anseeuw, ik wil gerust begrijpen dat een aantal slimme efficiëntiewinsten, zoals oeverloze formulieren schrappen, ervoor kunnen zorgen dat met een gelijk budget meer mensen geholpen kunnen worden. Ik begrijp niet dat u zegt dat er niets minder waar is dan dat er extra budget nodig zou zijn om mensen te helpen in de geestelijke gezondheidszorg. Het meest helende blijkt therapeutisch werk en dat kost tijd. Die tijd wordt gegeven via mensen die uiteindelijk een loon betaald moeten krijgen. Die link is er wel degelijk. Begrijp me niet verkeerd, ik vind niet dat er geld over de balk moet worden gegooid. Er zijn ook binnen Welzijn efficiëntiewinsten te boeken, maar binnen de geestelijke gezondheidszorg is het toch noodzakelijk om te zorgen voor voldoende mensen die dat therapeutisch werk ook echt kunnen doen.

Elke Van den Brandt (Groen)

Die uitspraak verbaast me ook. Sterker nog, het komt niet overeen met het beleid dat deze regering voert. Er is effectief geen extra geld voor geestelijke gezondheidszorg. Sinds 2011 hebben de centra voor geestelijke gezondheidszorg geen extra capaciteit gekregen, terwijl ze worden overspoeld door aanvragen. Toch vond deze regering het nodig om een benefietinitiatief met meer dan 800.000 euro te steunen, een initiatief dat geld inzamelde voor psychologische steun aan jongeren. Dat is toch een erkenning dat daar een enorme nood aan is. Ik betreur dan ook heel erg dat dit via een benefietactie moet en niet via de reguliere middelen. Ik ben wel blij dat deze regering op zijn minst erkent dat er enorme noden zijn. Mocht u het nog niet doorhebben, ik verwijs naar de Rode Neuzen Dag die meer dan 3 miljoen samenbracht om prangende noden weg te werken waarvoor deze regering 0 euro uittrekt.

Björn Anseeuw (N-VA)

Dames, ik heb gezegd dat alleen geld ertegenaan gooien niet zal volstaan. Dat is het enige wat u vraagt in uw resolutie. Er staan 27 vragen in. In de elfde vraagt u de regering “te voorzien in een gepaste financiële omkadering van de centra voor geestelijke gezondheidszorg opdat ze de vele mensen met psychische problemen op een goede wijze zouden kunnen begeleiden.”

Dit is de enige vraag van jullie beiden die betrekking heeft op geestelijke gezondheidszorg. Dat is uw enige vraag. Ik leid daaruit af dat u meer geld wilt, tenzij u nu zegt dat er niet meer geld nodig is, dan heb ik die ‘gepaste financiële omkadering’ verkeerd geïnterpreteerd. Het is het enige dat u vraagt.

U zegt ook “opdat ze de vele mensen met psychische problemen op een goede wijze kunnen begeleiden”. U gaat er dus van uit, door alleen maar dat te vragen, dat iedereen terecht moet bij centra voor geestelijke gezondheidszorg, terwijl we al een tijdje geëvolueerd zijn, onder andere ook met de vermaatschappelijking van de zorg.

Mijnheer Anseeuw, u weet dat vandaag meerdere centra voor geestelijke gezondheidszorg zelfs aanmeldingsstops hanteren, dus niet eens meer mensen op wachtlijsten zetten. En binnen die wachtlijsten triëren zij. Ze proberen de mensen met de minste financiële middelen eerst te laten komen, en de rest verwijzen ze door naar private hulpverleners. Maar gedurende maanden aan een stuk, in Gent en Leuven, wordt zelfs niet eens iemand op een wachtlijst gezet. Dus ja, daar is meer financiële omkadering nodig. Er is ook iets anders nodig, behalve misschien hier en daar een gebouw dat niet op instorten staat. U zou er eens op bezoek moeten gaan. Die mensen doen goed werk. We moeten niet veranderen welk werk ze doen, we moeten zorgen dat ze met genoeg mensen zijn om al degenen die bij hen aankloppen, werkelijk zorg te kunnen bieden. Het is toch zo simpel als dat.

Elke Van den Brandt (Groen)

Mijnheer Anseeuw, laat ons ernstig blijven. Als u een motie op het niveau van een beleidsbrief zet, dan zult u ontgoocheld zijn in moties. Moties zijn geen herwerking van een beleidsbrief, die zeggen hoe het anders zou moeten zijn. Moties bevatten een aantal aandachtspunten waarop we willen fixeren. En als het gaat om geestelijke gezondheidszorg, dan is dat een vraag om extra budget, omdat we ervan overtuigd zijn dat de centra voor geestelijke gezondheidszorg die een belangrijke speler zijn, momenteel overspoeld worden door vragen. Je moet meer dan honderd dagen wachten om nog maar te kunnen beginnen aan een behandeling. Dat zijn de positieve cijfers, zonder de aanmeldingsstops meegeteld.

In die centra wordt er kei- en keihard gewerkt, wordt er creatief gewerkt en wordt er efficiënt gewerkt. U mag iets anders beweren, maar dat is de waarheid onrecht aandoen. En ja, dan is er extra budget nodig. En ja, dan klopt het niet dat, terwijl het aantal aanvragen blijft toenemen sinds 2011, er op geen enkele manier extra ondersteuning is.

Björn Anseeuw (N-VA)

Wel, ik heb nooit gezegd dat er geen extra geld mag gaan naar de centra voor geestelijke gezondheidszorg. Ik heb ook nooit beweerd, collega Van den Brandt, wat u nu suggereert, namelijk dat men binnen die centra voor geestelijke gezondheidszorg niet efficiënt werkt. Dat zijn toch twee dingen die ik wil rechtzetten.

Maar ik wil eigenlijk komen tot waar jullie het over hebben. Ik hoop dat de rest van mijn betoog ook een antwoord zal zijn op jullie bekommernissen, die – voor alle duidelijkheid – ook de mijne zijn. Als we kijken naar het curatieve aanbod in de geestelijke gezondheidszorg, dan stellen we vast dat de geestelijke gezondheidszorg onvoldoende toegankelijk is, zeker voor een aantal specifieke doelgroepen, namelijk kinderen en jongeren bijvoorbeeld, maar ook mensen met een verslavingsproblematiek. Maar voor we kunnen besluiten dat er in totaal meer capaciteit moet komen, moeten we er ons eerst van vergewissen dat de middelen die er vandaag zijn, op een rationele manier worden ingezet en dat de doorstroming tussen die verschillende voorzieningen van de geestelijke gezondheidszorg optimaal is vandaag. Dat is het punt dat ik wil maken. Wat mij betreft, is het antwoord op beide vragen negatief.

Het is dan ook mijn overtuiging dat we met de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg na vijf jaar de experimentele fase achter ons moeten kunnen laten. Om die stap te kunnen zetten, moeten we in overleg met de sector werk maken van een geografische verdeling van de middelen, die beantwoordt aan de reële noden van vandaag. Vandaag is dat niet het geval. Vandaag is dat gebaseerd op iets wat historisch is gegroeid, namelijk dat bepaalde regio’s onevenredig veel ziekenhuisbedden hebben die men kan omzetten naar middelen voor die vermaatschappelijkte geestelijke gezondheidszorg. Er zijn ook een aantal regio’s, Halle-Vilvoorde of de Kempen om maar iets te zeggen, waar er heel weinig ziekenhuisbedden zijn om om te zetten. Daar moeten we dus toch werk van maken.

Ik heb begrepen uit de bespreking van de begroting en de beleidsbrief in de commissie dat het de vaste wil is van de Vlaamse Regering en van de minister om samen met de federale tegenvoeter van minister Vandeurzen daar werk van te maken.

Voor ik afsluit, wil ik ook voor de verslavingszorg nog een lans breken voor een versterkte eerstelijnszorg. Want wat ons betreft, is de huisarts hierbij erg goed geplaatst om problemen vroeg te detecteren, een eerste interventie te doen en eventueel ook door te verwijzen. Alleen is een pijnpunt hier dat slechts een op de vier huisartsen zich ook voldoende gewapend weet om met die doelgroep om te gaan. We moeten huisartsen dan ook voldoende ondersteuning bieden, niet alleen om zich die kennis eigen te laten maken, maar vooral ook om de kunde en de vaardigheden eigen te maken, waarmee ze hun rol ook voor deze doelgroep voluit kunnen spelen.

Mijn hoofdbekommernis is meer geestelijke gezondheid in Vlaanderen. De engagementen van Vlaamse Regering ter zake verheugen me. Maar vergis u niet, ik zal ze van zeer nabij opvolgen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, ik dank de leden voor de interventies. Een groot deel van de bedenkingen, punten van kritiek en suggesties zijn uiteraard uitvoerig aan bod gekomen in de commissie. Een paar zaken werden echter niet of onvoldoende belicht. Ik wil die voor de volledigheid aan het debat toevoegen.

Ik meen dat geen enkele spreker uitdrukkelijk heeft verwezen naar het investeringsfonds VIPA. Dat zal volgend jaar opnieuw voor 100 miljoen euro aan engagementen aangaan. Ik vind dat een zeer belangrijk element. Voor een aantal sectoren is het belangrijk dat nieuwe principeakkoorden kunnen worden gesloten.

Ik denk dat de investeringen in de ouderenzorg en de versterking van de capaciteit en van de zorgzwaarte zowel binnen het rob-forfait als met de nieuwe rvt-bedden een zeer belangrijke operatie is. Naargelang de berekeningswijze en abstractie makend van het uitbreidingsbeleid zal heel wat extra personeel in de sector worden tewerkgesteld, net om tegemoet te komen aan de stijgende zorgzwaarte.

Het is juist dat op een aantal punten de uitbreiding en de nieuwe initiatieven beperkt zijn. Het klopt echter niet dat op een aantal domeinen niets gebeurt. Wat de geestelijke gezondheidszorg betreft, deel ik toch mee dat het brugwonen of de projecten inzake de chronische patiënten die na een verblijf in het ziekenhuis in hun vertrouwde thuisomgeving, maar met een aangepaste ondersteuning moeten kunnen verblijven, zeer belangrijke innovatieve projecten zijn. Dat laatste project zal vanaf deze of volgende week op een aantal plaatsen in Vlaanderen worden opgestart. Hiermee kunnen we de langdurige ondersteuning van psychiatrische patiënten een nieuw perspectief geven. Dat is belangrijk omdat de Vlaamse Gemeenschap in het hele project rond artikel 107, waarnaar de heer Anseeuw verwees en dat betrekking heeft op de spreiding en de link van de artikelen aan de bedden uit de ziekenhuizen, ook een engagement is aangegaan om voor een aantal van die functies zelf een initiatief te nemen. Het vermelde project voor de ondersteuning van mensen in een aangepaste thuisomgeving is zo’n methode om ons deel van de vermaatschappelijking effectief waar te maken.

De heer Bertels heeft de vraag gesteld of de initiatieven rond een gezonde levensstijl niet sneller zouden kunnen worden gerealiseerd. Ik pleit ervoor om dat toch grondig voor te bereiden. We moeten onze bestaande acties, die soms voortvloeien uit actieplannen die dateren van enkele legislaturen geleden, grondig evalueren en nagaan of de ingezette middelen effectief resultaat opleveren. Ik vind dat we die oefening kritisch voor onszelf moeten doen. We gaan uiteraard niet zonder enige voorbereiding naar die conferentie toewerken. U verwees naar het sedentair gedrag als thema. Welnu, de nieuwe partnerorganisaties waarmee we nu overeenkomsten moeten sluiten, gaan we uitdrukkelijk meer expertise laten opbouwen rond bijvoorbeeld dat thema. We menen immers dat dit een nieuwe dimensie is in ons preventiebeleid waaraan we meer aandacht moeten besteden.

Voor de rest moet ik bevestigen dat 2016 een heel belangrijk jaar wordt. Een aantal beleidsaspecten staan voor cruciale evoluties. Dat gebeurt in niet echt gemakkelijke budgettaire omstandigheden. U kent het document van het Vlaams Parlement over de personen met een handicap en de bijhorende te mobiliseren budgetten. Het bedrag dat daarin voor het uitbreidingsbeleid van 2016 is vermeld, zal ook in de omzendbrief voorkomen en ook daadwerkelijk worden aangewend. (Applaus bij de meerderheid) 

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, zonder opnieuw de discussie op alle punten te willen heropenen, moet ik vaststellen dat u beweert dat u het vrijgemaakte budget ook zult besteden. Maar daarin zitten besparingen voor een bedrag van 3 miljoen euro waarvan tijdens de besprekingen in de commissie en ook vandaag niet wordt meegedeeld waar u dat geld zult weghalen. Als u zich sterk maakt dat u dat geld uit de sector van de mensen met een handicap zult halen, dan mag ik toch verwachten dat u kunt zeggen waar u die 3 miljoen euro zult halen?

Minister Jo Vandeurzen

Ik kan dat helaas nog niet doen, en daar zijn redenen voor. Het bedrag dat eenmalig moet worden gevonden, komt overeen met ongeveer 0,03 procent van de begroting van WVG. We engageren ons om samen met de administratie die middelen te mobiliseren voor het uitbreidingsbeleid in 2016.

Elke Van den Brandt (Groen)

U zegt dat het om een eenmalige besparing gaat. Het gaat evenwel om geld ten behoeve van het uitbreidingsbeleid, wat dus elk jaar opnieuw moet worden gevonden. Voorts geeft u toe dat u het nog niet weet, maar dat het wel in orde zal komen. U deed dat ook al voor de enkelbanden. We weten dat daarvoor 14 procent minder is begroot dan nodig is. U zegt dat het geld wel zal worden gevonden bij de begrotingscontrole. Hetzelfde geldt voor de ziekenhuizen. We weten dat daar een enorme bom ligt. Het Rekenhof zegt dat de schatting redelijk is, maar de schuldinschatting is wel een miljard euro lager dan het federale. We zijn daarover dus toch bezorgd. Er liggen onder uw begroting dus verschillende bommen. Op verschillende vragen kunt u niet antwoorden, tenzij met de opmerking dat we tijdens de begrotingscontrole wel zullen zien. En dan vraagt u aan ons het vertrouwen om de begroting goed te keuren. Dat gaat niet. 

Jan Bertels (sp·a)

Minister, ik dank u voor het antwoord op een vraag die ik aan mevrouw Godderis heb gesteld. Zij kon of wou niet antwoorden, dat was niet duidelijk. Ik heb het antwoord van u gekregen, en ik kende het al. Mijn vraag peilt vooral naar de insteek van de N-VA-fractie, en ik zal ze nog wel eens herhalen in de commissie Welzijn.

Mijnheer Persyn en ook minister-president Bourgeois vanmorgen verwezen impliciet naar 30 miljoen euro aan bijkomende vastleggingskredieten voor de ziekenhuisinfrastructuur. Dat is geen echt geld. Vanochtend zei de minister-president dat er voor de ziekenhuisinfrastructuur nog een bijkomend tekort van 150 miljoen euro is. Dat zei hij letterlijk. Kunt u dat bevestigen? Bent u daarover met de federale overheid aan het onderhandelen, of is dat al geregeld? Of is het tekort nog hoger, wat ik eigenlijk vrees?

Minister, u maakt een vreemde berekening om te laten uitschijnen dat de besparing op Kind en Gezin maar een peulschil is. Maar als dat zo is, waarom is het dan zo moeilijk om te zeggen waar dat geld zal worden gevonden? Dat is omdat het vet van de soep is. U moet dus in de soep zelf scheppen, maar Kind en Gezin roept u een halt toe. Als het echt zo eenvoudig is, waar haalt u dan het geld?

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, u maakt zich sterk, maar kunt niet antwoorden op de vraag die de discussie sluit: waar haalt u het geld? Volgens u moeten we een besparing van 0,003 procent realiseren. Logischerwijs betekent dat dat uw fantastische uitbreidingsbeleid, waarvoor u zichzelf op de borst slaat, 0,015 procent bedraagt.

Minister Jo Vandeurzen

Er is een misverstand. De 3 miljoen euro waarover mevrouw Van den Brandt sprak, is niet van de kinderopvang. Als je de gelden neemt die historisch van de Nationale Loterij afkomstig zijn en de 10 miljoen euro van het uitbreidingsbeleid erbij neemt, dan kom je aan 5, 8, 15 miljoen euro en heb je nog 3 miljoen euro nodig. Dat moeten we inderdaad met eenmalige middelen opvangen en dat natuurlijk recurrent in het uitbreidingsbeleid van de komende jaren herhalen. Zo zal het inderdaad moeten gaan en zo hebben we dat ook van bij de start opgebouwd.

Ik wil de vergadering niet te lang vervelen met de heel technische kwestie van de ziekenhuizen. Ik wil er wel op wijzen dat het heel ingewikkeld is om te weten wat de effecten zijn van beslissingen die de federale overheid en federale inspecties nog zullen nemen over het groot onderhoud en de herconditioneringswerken van ziekenhuizen voor de jaren die achter ons liggen. Het Rekenhof heeft ons inderdaad laten weten dat de manier waarop wij die budgetten hebben geraamd en berekend, aanvaardbaar is. Het klopt echter dat noch de Vlaamse, noch de Franse Gemeenschap het exacte bedrag kennen. Dat is ook de reden waarom dat dossier telkens weer op de agenda van het Overlegcomité wordt gezet, door mijzelf en door mijn Franstalige collega. We willen zoeken naar een methode om dat beter in beeld te krijgen. Onze begroting anticipeert daar al voor een heel groot stuk op. We hebben ernstige ramingen gemaakt, die ook een belangrijke invloed hebben op het geheel van de Vlaamse begroting. De techniek van de staatshervorming bestaat er echter in elk jaar te proberen een zo exact mogelijke raming te maken en voor 2016 heeft het Rekenhof onze raming alleszins realistisch genoemd.

We hebben in onze begroting inderdaad een beperkt bedrag ingeschreven om een nieuw systeem te kunnen opstarten om de financiering van groot onderhoud en herconditioneringswerken van ziekenhuizen op een meer forfaitaire basis te lanceren. Het oude systeem voortzetten is voor ons geen optie. We willen naar een geforfaitiseerd systeem gaan, vooral omdat het INR en Europa intussen hebben gezegd dat, als we een bepaald groot onderhoud toezeggen en opnemen in het budget van financiële middelen van een ziekenhuis, we dat als overheid moeten opnemen in de begroting van het jaar waarin het engagement voor het eerst wordt gefinancierd. Dat is vroeger nooit gebeurd. Om te vermijden dat we al die budgetten in één jaar ESR-matig moeten inbrengen, zoeken we naar een techniek om het administratief eenvoudiger te maken – vandaar de forfaitisering – en te zorgen dat het ESR-compatibel is. Dezelfde filosofie geldt voor de woonzorgcentra. Het INR laat weten dat we daar verder mogen gaan met die techniek. We zijn nu bezig dat in een besluit te gieten. Dezelfde weg volgen we voor het groot onderhoud van de ziekenhuizen en daarna voor de strategische investeringen van ziekenhuizen, zeg maar de klassieke VIPA-situatie van de ziekenhuizen. We werken opnieuw met geforfaitiseerde systemen, uiteraard aan de hand van bepaalde parameters. We voeren daarover breed overleg met de sector, want dat lijkt me de meest wijze aanpak.

De begroting is elk jaar het moment dat je een aantal zaken effectief vastlegt voor het volgende jaar. Ik kan alleen maar bevestigen dat wij met deze begroting de engagementen die wij hebben opgenomen, effectief gaan uitvoeren. Dat een aantal zaken niet zo concreet kunnen, heeft ook te maken met het feit dat door de beslissing op federaal niveau rond de taxshift, het ook ons nog altijd niet duidelijk is wat daarvan de effecten zullen zijn in de sectoren van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Als je een aantal zaken moet doen en als je besparingen moet doorvoeren, wil je graag exact weten in welke omstandigheden en met welke elementen het gesprek, ook met de koepels en de sociale partners, gevoerd kan worden.

Het is duidelijk dat die middelen moeten kunnen gaan naar het zo maximaal mogelijk inzetten op thema’s als werk, capaciteit, kwaliteit enzovoort. Dan moet je dat toch proberen in een globale oefening mee te bekijken. Tot op de dag van vandaag is het nog niet helemaal duidelijk wat de concrete effecten zullen zijn. Dat is een element dat zal meespelen in de concrete deliberaties.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, ik heb de antwoorden gekregen die ik moest hebben. U bevestigt dat er heel grote onzekerheden zijn in deze begroting en dat die ons miljoenen kunnen kosten. En u zegt dat u voor een aantal beloftes die u gemaakt hebt, nog niet weet waar die budgetten vandaan komen. Daarom zullen wij die begroting niet goedkeuren. Door deze begroting goed te keuren, zouden we immers een blanco cheque geven om daar bij de begrotingscontrole snoeihard in te gaan knippen.

De voorzitter

De heer De Bruyn heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, een volgehouden aanpak van armoede blijft een speerpunt van deze Vlaamse Regering. Dat is zowel een bewuste keuze als een absolute noodzaak. Vlaanderen mag dan al een beter resultaat kunnen voorleggen dan bijvoorbeeld Brussel of Wallonië, er is geen enkele, maar dan ook geen enkele reden tot ook maar enige zelfgenoegzaamheid, integendeel. De meest recente cijfers van de Vlaamse Armoedebarometer, die van 2013, klinken immers onaangenaam hard in onze oren: 10,8 procent van de Vlaamse bevolking beschikt, na sociale transfers, nog altijd over een netto inkomen onder de armoedegrens. Kind en Gezin becijferde dat maar liefst 11,4 procent van de kinderen die in 2013 werden geboren, werden geboren in een gezin in armoede. Alleen al die twee cijfers – maar er zijn er nog andere – illustreren treffend de uitdagingen waar we voor staan.

Het zal ondertussen wel voor iedereen duidelijk zijn dat er geen wondermiddelen zijn om armoede uit te bannen. Ik stel dan ook met enig genoegen vast dat de discussies die we de laatste maanden hebben gehad, zowel in de plenaire vergadering als in de commissie, stilletjes aan weg bewogen zijn van de uiterst negatieve sfeerschepping die bij het aantreden van deze Vlaamse Regering rond dit thema werd opgebouwd. Ik hoop oprecht, collega’s, dat we dat constructieve spoor verder kunnen bewandelen tijdens onze discussies over dit uiterst belangrijke thema.

Collega’s, we hebben er hier in het verleden al vaak op gewezen dat Vlaanderen nog altijd niet over alle bevoegdheden beschikt om adequaat tegen armoede op te treden. De federale overheid heeft vandaag nog steeds belangrijke hefbomen in handen. Er is al verwezen naar de taxshift; ik kan ook verwijzen naar het optrekken van uitkeringen tot het Europese minimum. Het zijn twee voorbeelden van federale bevoegdheden. Maar gelukkig valt er met deze Federale Regering zaken te doen en neemt die Federale Regering de maatregelen die nuttig, nodig en noodzakelijk zijn.

Collega’s, het verwijzen naar die bevoegdheden en verantwoordelijkheden op een ander niveau is op geen enkele manier een poging om onder de eigen verantwoordelijkheid uit te komen, integendeel. Deze Vlaamse Regering neemt haar verantwoordelijkheid en maakt van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting een gemeenschappelijk project. Wie het Vlaams Actieplan tegen Armoede onder de loep neemt, zal zien dat elke Vlaamse minister daarin zijn rol speelt en opneemt. Aan minister Homans de taak om die inspanningen maximaal op elkaar af te stemmen.

Het debat daarover is ook niet stilgevallen bij het debat in de plenaire vergadering over het Vlaamse actieplan. Het wordt voortgezet in elke commissie waar dit relevant is, zoals we hadden beloofd.

Bij het schetsen van ons toetsingskader bij deze debatten stelden ik en mijn partij de vraag of het gevoerde of voorgestelde beleid bijdraagt tot het voorkomen van armoede. Levert het een bijdrage in het verder bestrijden van armoede en maakt het deel uit van een geïntegreerd beleid, een beleid met visie waarbij zowel de eigen Vlaamse overheid, de federale overheid, de lokale overheden als een sterk ontwikkeld middenveld een belangrijke rol spelen? Collega’s, daarover gaan we graag met u en met de minister het debat aan in de commissies. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Ministers, voorzitter, collega’s, als we een blik werpen op de begroting Armoede, stellen we een veel grotere continuïteit vast dan we bij het begin van de legislatuur hadden kunnen vermoeden. We zien projecten voortgezet worden, we zien de verschuiving van kinderarmoedeprojecten naar de gemeenten, we zien de uitrol van de 1 euromaaltijden. Dat laatste was vandaag nog in de actualiteit.

Je kunt daar elk apart wel bedenkingen bij formuleren. Wij hebben dat al gedaan. Maar net als de heer De Bruyn wil ik ook een koepelvraag stellen over het armoedebeleid. Zijn we ervan overtuigd dat we met deze middelen en met de manier waarop we ze aanwenden de garantie hebben dat we, in weerwil van een aantal hardnekkige maatschappelijke evoluties maar ook van een aantal relatief recente politieke beslissingen, eigenlijk een beetje tegen die stroom in armoede voor een deel structureel zullen terugdringen in onze regio? Het is waar, mijnheer De Bruyn, dat we lang niet alle hefbomen in handen hebben. Maar we hebben er wel heel wat in handen. Het is onze vraag om die ook zo efficiënt mogelijk in te zetten.

Minister, u stelt zich blijkbaar ook die vraag want ik lees in uw beleidsbrief dat u zegt dat u het decreet zult evalueren met een open kijk. Mijn vraag daarbij is of die open kijk dan alstublieft gepaard kan gaan met een open budget. Want een ambitieuzer beleid zal misschien niet alléén afhangen van een budget, maar zal toch óók afhangen van een budget. In enge zin, binnen uw bevoegdheden, maar ook in de manier waarop de Vlaamse Regering andere beleidsinstrumenten inzet. En dan moet het mij van het hart dat we blijven betreuren dat op heel essentiële zaken, die ingrijpen in de portefeuille van mensen, geen armoedetoets is gebeurd, daar waar dat wel had gekund en eigenlijk had gemoeten. Met betrekking tot energie, mobiliteit en dergelijke meer zeggen mensen die daar dagelijks mee bezig zijn ons dat de sociale correcties waar u ongetwijfeld naar zult verwijzen onvoldoende bereik hebben en niet afdoende zijn. Minister, ik wil u heel concreet vragen om bij dat proces, bij die evaluatie, slechtnieuwsboodschappen en cijfermateriaal waaruit blijkt dat armoede veel hardnekkiger is dan wij allemaal zouden willen, niet af te doen als propaganda en onderzoekers niet te discrediteren, zoals dat deze week blijkbaar in de gemeenteraad in Antwerpen is gebeurd. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

Niet door u, ik heb dat uitdrukkelijk gezegd. Ik vraag u om met open kijk… (Opmerkingen)

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Ik zeg voor de derde keer dat het hier geen gemeenteraad is, voorzitter.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik probeer constructief te zijn. Ik pik uit die hele rist van bevoegdheden een voorbeeld waarvan ik u vraag dat u het, net zoals u dat gedaan hebt in verband met voedselverspilling, van het projectmatige naar het structurele zou brengen. Dat is met name in projecten die tot uw bevoegdheid Wonen behoren. Het zijn projecten rond de preventie van uithuiszetting, projecten die ertoe leiden dat we kinderen een stabielere woonomgeving geven en er meteen voor zorgen dat een aantal vicieuze cirkels worden vermeden. Ik denk dat iedereen ervan overtuigd is dat het belang van zo’n ingreep niet kan worden ontkend. Het is ondertussen tijd om dergelijke projecten degelijk te evalueren en – alstublieft – uit te rollen. We hebben elkaar in het verleden al gevonden, ik hoop dat dat ook hier lukt.

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Ik ben het eens met een van de laatste zinnen die de heer Van Malderen heeft uitgesproken. Ik denk dat dit onderwerp zich niet leent tot een politiek debat over de partijgrenzen heen. Ik denk dat we dit constructief moeten aanpakken. De heer Van Malderen heeft dat ook al getoond in de commissie. Elke persoon die in armoede moet leven in Vlaanderen, is er één te veel.

Mijnheer Van Malderen, in uw laatste vraag ging u over naar een andere bevoegdheid van mij: Wonen. U weet – of misschien niet, maar ik denk van wel – dat ik uit mijn begroting Armoede recent nog 312.000 euro heb vrijgemaakt voor de preventie van uithuiszetting. Ik denk dat u dat alleen maar kunt toejuichen. Moeten we ook in het woonbeleid uitkijken naar mensen die jammer genoeg in armoede moeten leven? Ja, absoluut.

Mijnheer Van Malderen, voor alle duidelijkheid: mijn jaarlijkse budget van 3,5 miljoen euro is hetzelfde budget als tijdens de vorige legislatuur. (Opmerkingen van Bart Van Malderen)

Neen, er is geen euro op bespaard.

Ik heb nooit gezegd dat ik met dat jaarlijkse budget van 3,5 miljoen euro de mensen structureel uit de armoede zou kunnen helpen. Ik heb dat nooit beweerd. Maar ik vind wel dat je moeite moet doen om creatieve en originele projecten uit te werken.

U hebt zelf de 1 euromaaltijden aangehaald. U hebt niet gezegd dat u daartegen bent. Maar ik begrijp niet wat mensen daartegen kunnen hebben. Heb ik beweerd dat ik met die maatregel elke mens die jammer genoeg in armoede moet leven, uit de armoede zal halen? Neen. Maar helpt dit? Ja, natuurlijk wel. En is dit op lange termijn misschien wel structureel? Ja. Waarom? Omdat ik het belangrijk vind om kinderen – niet alleen kinderen, maar het gaat in dit geval om maaltijden voor kinderen – een gezonde maaltijd te kunnen aanbieden. Op die manier kun je namelijk anticiperen op mogelijke gezondheidsproblemen. Tegelijkertijd is het een inclusieve, integrale aanpak. Het gaat niet alleen over de gezonde maaltijd op zich, maar ook over huistaakbegeleiding, sociale werkers en dergelijke die in het sociale restaurant aanwezig zijn en die ervoor kunnen zorgen dat het kind in kwestie niet alleen een gezonde maaltijd krijgt, maar via huistaakbegeleiding schoolse achterstand kan inlopen enzovoort.

Beweer ik dus dat ik die kinderen op deze manier uit de armoede kan halen? Neen. Dat heb ik niet gezegd. Maar ik begrijp echt met de beste wil van de wereld niet wat men daartegen kan hebben. Echt niet.

Wat ook heel belangrijk is aan deze inclusieve aanpak, is dat we ook de ouders willen bereiken. Het Netwerk tegen Armoede reageerde vandaag in de krant. In het verleden, wanneer het over 1 euromaaltijden ging, werd er altijd gezegd dat het in de school moet gebeuren. Nu hebben ze het geweer blijkbaar van schouder veranderd en zeggen ze dat het niet meer gaat over de school of de maaltijd, maar gewoon over het feit dat je de middelen moet besteden aan gezinsondersteuning en leerlingenbegeleiding. Van twee dingen één, maar dat is niet mijn bevoegdheid. Ik heb een budget geërfd van collega Lieten. Ik heb dat budget van 3,5 miljoen euro gehandhaafd. Er is geen euro op bespaard. Met 1,2 miljoen euro spendeer ik meer dan een derde van heel mijn budget aan die 1 euromaaltijden.

Ik geloof er ook in. Heel wat lokale besturen hebben ingetekend. Het was natuurlijk nieuw. Ik ben ook van plan om dat structureel te doen. Het is niet de bedoeling om dat enkel en alleen in 2016 te doen. Als een lokaal bestuur dat implementeert, is het de bedoeling dat we dat voortzetten tijdens deze legislatuur.

Er hadden meer lokale besturen ingetekend, maar zij voldeden niet aan de criteria. Als men bijvoorbeeld toch in de school voedsel wil bedelen of tegelijk mensen zonder wettige verblijfspapieren wil tewerkstellen in een sociaal restaurant, begrijpt u wellicht ook wel dat ik dat niet kan goedkeuren.

Ik denk dat dat een zeer goed project is. Kunnen we daarmee iedereen uit de armoede halen? Jammer genoeg niet. Zoals de heer De Bruyn daarnet zei, zitten we met zeer versnipperde bevoegdheden. Armoedebestrijding vraagt een horizontale aanpak binnen deze regering. Mijn collega-ministers vinden me intussen een beetje de luis in de pels omdat ik systematisch blijf aandringen op die armoedetoets. Ik geef daarbij het voorbeeld van de waterfactuur. Voor een gezin met twee volwassenen en twee kinderen bedraagt de waterfactuur mits een sociale correctie momenteel 164 euro. Het nieuwe tarief vanaf 1 januari 2016 voor hetzelfde gezin en met een sociale correctie, bedraagt nog 112 euro. Wie is er dan sociaal? Wie voert er sociale correcties door? Het gaat om een horizontale aanpak, mijn collega’s vinden me wellicht af en toe lastig, maar ze luisteren wel.

We moeten de handen in elkaar slaan met het federale niveau, en dat doen we ook. Het verhogen van het leefloon tot de Europese armoedegrens heeft vijf jaar in het federale regeerakkoord gestaan, maar daar is niets van in huis gekomen. Deze regering heeft met dezelfde partijen aan Vlaamse kant al werk gemaakt van een verhoging van de laagste uitkeringen door middel van de welvaartsenveloppe.

We zijn het er hier kamerbreed over eens dat armoede uit de wereld moet worden geholpen. We kunnen dat echter niet alleen. Mensen die kritiek hebben op maatregelen zoals de 1 euromaaltijd begrijp ik echt niet. Ik denk dat dit een heel goede maatregel is om kinderen te helpen.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt het grootste deel van uw tijd besteed aan antwoorden op vragen die ik niet heb gesteld en reacties op uitspraken die ik niet heb gedaan.

Ongeacht het nut van die 1 euromaaltijd voor kinderen – van de 59 zijn 22 gemeenten geselecteerd – kan men niet beweren, maar dat hebt u ook niet gedaan, dat dit de maatregel is om in Vlaanderen kinderarmoede tegen te gaan. En dus, en in die zin begrijp ik de reactie van het Netwerk tegen Armoede, hebben we in alle beleidsdomeinen generieke maatregelen nodig zoals huistaakbegeleiding enzovoort die daarop ingrijpen. Ik zie aan uw non-verbale reactie dat u het daarmee eens bent. Dit is een taak voor u als coördinerend minister. We zouden eens een debat kunnen houden over wat precies structureel is. Structureel is uiteraard recurrent in de tijd, maar is ook gebiedsdekkend. Ik pleit er dan ook voor om projecten op te schalen waarvan het nut is bewezen op het moment dat ze gebiedsdekkend zijn. Die oefening moeten we doen met een open kijk en een veel opener budget dan vandaag het geval is. Ik maak het concreet binnen uw bevoegdheden wanneer het gaat over de preventie van uithuiszettingen. Ik kies dit jaar voor een uitbreiding van dat project, vorig jaar hebben we dat geprobeerd via preventie over voedselverspilling. Als dit hetzelfde effect heeft, kunnen we elkaar daar gerust in vinden, minister.

Rob Beenders (sp·a)

Minister, u hebt inderdaad inspanningen gedaan om de sociale correcties voor de waterfactuur te verhogen naar 80 procent. Ik denk dat wat u juist hebt gezegd hebt, wel klopt: dat niemand in dit halfrond vraagt om nog meer mensen in de armoede te steken.

We moeten proberen om te versnellen. U hebt voor de drinkwaterfactuur de sociale correcties van 75 procent verhoogd naar 80 procent, zoals initieel de bedoeling was. De groep mensen die nood heeft aan sociale correcties, wordt echter elk jaar groter. Dat is niet alleen voor water zo, dat is ook voor elektriciteit zo. In de beleidsbrieven van de vakministers zien we bijvoorbeeld bij minister Schauvliege dat ze pas eind 2017 wil evalueren en wil bekijken of het voor de drinkwaterfactuur nodig is om de groep mensen uit te breiden die recht heeft op de sociale correcties.

Ik denk dat u als coördinerend minister moet versnellen. U moet actie ondernemen om in 2016 met een plan te komen. De cijfers over de betalingen bij de elektriciteitsfactuur en bij de waterfactuur liegen niet. De ingrepen die het afgelopen jaar gebeurd zijn, bevestigen dat de cijfers alleen maar zullen blijven toenemen. De tarieven zijn immers alleen maar verhoogd.

Ik zou u echt willen vragen om niet te wachten met een evaluatie tot eind 2017 om dan pas zes maanden later met een actieplan te komen dat dan misschien nog eens zes maanden daarna wordt uitgevoerd. Dan zijn we heel wat tijd aan het verliezen. Als u het echt meent met het terugdringen van de armoede, versnel dan, zet volop in op de basisvoorzieningen zoals water en elektriciteit en vergroot de groep mensen die recht heeft op een sociale correctie.

Ik heb vorige week begrepen van collega’s uit de meerderheid, vooral van CD&V, dat ze willen meebabbelen in het voorstel van decreet dat we zullen indienen om de sociale correcties te vergroten voor de mensen die hun drinkwaterfactuur niet kunnen betalen. Ik zou u echt willen vragen om te versnellen. Klop op de tafel bij de regering en zorg ervoor dat we niet moeten wachten tot eind 2017, maar dat er al in 2016 acties worden ondernomen om de armoede echt terug te dringen.

Mijnheer Beenders, ik meen het echt – en ik denk dat u daar niet aan twijfelt – als ik zeg dat ik, net zoals u en iedereen hier in het parlement, wil dat er zo weinig mogelijk mensen, of zelfs niemand, in armoede moet leven. We zijn het daar kamerbreed allemaal over eens, denk ik.

Mijnheer Van Malderen, wat ik wel een beetje bizar vind aan uw opmerking, los van het feit dat u doorgaans constructief bent, is dat u zegt dat mijn begroting niet transparant is. Ik weet niet wat er niet transparant aan is. Ik denk dat ik alle gegevens heb toegelicht. Alle gegevens en alle cijfers zijn ook heel duidelijk: geen euro bespaard. Het gaat inderdaad enkel en alleen, in het licht van de horizontale armoedebestrijding, mijn bevoegdheid, over 3,5 miljoen euro. U weet dat er ook bij andere collega’s nog verantwoordelijkheden zijn in het teken van de sociale correcties en zo, maar daar ben ik daarnet al redelijk diep op ingegaan.

U haalt elke keer weer het Netwerk tegen Armoede aan. En ja, ik draag het ook hoog in het vaandel, maar er zijn nog andere organisaties. U weet, mijnheer Van Malderen, dat ik als minister 3,5 miljoen euro per jaar heb om aan horizontale armoedebestrijding te doen. Alle verenigingen die we vanuit Vlaanderen subsidiëren – en dat doen we voor alle duidelijkheid met veel plezier – halen jaarlijks samen 100 miljoen euro binnen. Er zit dus 3,5 miljoen euro in mijn portefeuille en 100 miljoen euro in de gezamenlijke portefeuille van alle organisaties die de armoede moeten bestrijden. Ik vind het dan toch wel heel bizar dat u de verantwoordelijkheid alleen bij mij legt.

U zegt dat alle maatregelen die ik neem, niet structureel zijn. Ik heb nooit beweerd – en dat hebt u ook niet beweerd – dat ik met de 1 euromaaltijden mensen structureel uit de armoede kan halen. Toch vind ik het een goede maatregel. U zegt dat huistaakbegeleiding moet gebeuren. Dat gebeurt. Maar het is natuurlijk ook de verantwoordelijkheid van al die organisaties. 100 miljoen euro, weet u wat dat is? Dat is 33 keer het budget dat ik hier heb en dat ook mijn voorgangster in de Vlaamse Regering had. Als u dus alle verantwoordelijkheid enkel en alleen bij mij legt, dan vind ik dat toch wel een klein beetje bizar.

Wat de 1 euromaaltijden betreft, zegt u dat 22 gemeenten een subsidie hebben gekregen en dat dit misschien toch niet zo succesvol is geweest. Ik vind dat wel: van die 22 gemeenten hebben er 20 nog nooit een sociaal restaurant gehad. Ze hebben nog nooit een gezonde maaltijd voor 1 euro aan kinderen kunnen geven. Ze hebben nog nooit een situatie gecreëerd waarin er een sociaal werker aanwezig was, waarin in huistaakbegeleiding was voorzien, in ondersteuning van de ouders en dergelijke meer. Dat er dus 20 bijkomende lokale besturen dit initiatief nemen, vind ik eigenlijk echt wel een succes.

Ik heb het afgelopen jaar al heel veel initiatieven genomen wat voedselverspilling betreft. Die hebben mij 0 euro gekost. Dat is goed, want ik heb niet veel geld. Ik heb 3,5 miljoen euro, in vergelijking met die 100 miljoen euro.

Ik heb bijvoorbeeld samen met een supermarktketen, waarvan ik de naam niet meer zal noemen, anders verdenkt men me van verdoken reclame, een goed project uitgewerkt. Dat is uitgerold in de stad Antwerpen, maar men is absoluut bereid om dat uit te rollen in andere steden en gemeenten. Daarbij kunnen elke dag de voedseloverschotten worden opgehaald door organisaties die meewerken aan het bestrijden van armoede en dergelijke meer. Bovendien hebben we ook samen met minister Borsus en andere collega’s van de federale overheid een app ontwikkeld voor alle armoede- en middenveldorganisaties, die dan de voedseloverschotten kunnen gaan ophalen in supermarktketens, maar ook in horecazaken en dergelijke meer.

Mijnheer Van Malderen, dit heeft me geen euro gekost, maar als we weten hoeveel tonnen voedsel er dagelijks – ik wil het zelfs niet maandelijks uitdrukken – wordt weggegooid, dan is dat echt wel een goede zaak geweest. Gelet op mijn beperkte budget heeft dat me geen euro gekost, en ik denk dat het absoluut een meerwaarde heeft betekend voor het armoedebeleid.

Bart Van Malderen (sp·a)

Absoluut. Daarom hebben we dat ook gesteund in het parlement. We hebben daar geen gebenedijd woord van kritiek op laten horen. Integendeel, bij het begin van de legislatuur hebben we u eigenlijk positief inducerende vragen over dit soort projecten gesteld.

Minister, ik was eigenlijk bijzonder blij met de informatie die u geeft over het geld dat de verenigingen die u steunt, ophalen. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

Die onder andere u steunt. Eigenlijk heel de regering. Is er nog iemand die u in uw lof wilt betrekken?

Dat betekent immers dat daar een enorme hefboomwerking van uitgaat. Dat betekent dat het ondersteunen met een relatief beperkt budget, hetzelfde als dat van uw voorgangster, heel veel meer middelen genereert. Dat betekent ook dat diegenen die daar aan de slag zijn, met veel meer bezig zijn dan alleen hun eigen job. Ze zijn bezig met het ophalen van heel veel geld voor anderen. Ik ben blij met de informatie die u daarover hebt verschaft, want er waren publicaties die bij het begin van de legislatuur iets enigszins anders lieten uitschijnen. Voorzitter, als dat bij dezen echter is rechtgezet, dan ben ik op zijn minst vandaag een redelijk gelukkig mens.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Voorzitter, ik ben al sinds deze ochtend onafgebroken in het halfrond, maar ik heb al de hele dag gezwegen. Geef toe dat ook dat een prestatie is. (Applaus. Opmerkingen)

Houden zo? Ik begin er nu pas aan, jongens. (Gelach)

Minister, ik wilde me niet mengen in het debat over de inhoudelijke kant van het beleid. Dat is niet mijn bevoegdheid. Ik wil ook over de 1 euromaatregel geen inhoudelijke uitspraak doen. Ik wil wel een bestuurlijke uitspraak doen. U bent de minister die ervoor heeft gepleit om alle sectorale subsidies aan de gemeenten af te schaffen en dit over te dragen aan de gemeenten, en u bent de eerste om dat principe met die 1 euromaatregel te overtreden. Dat moet me van het hart.

Mijnheer Caron, het is misschien de eerste keer dat u zich vandaag in het debat mengt, maar uw timing lijkt me wel verkeerd te zijn. Ik heb nooit gepleit voor de afschaffing van de sectorale subsidies. Neen, de sectorale subsidies zijn gewoon geïntegreerd in het Gemeentefonds.

Wat betekent dit concreet voor de lokale besturen? Geen planlast, geen administratieve overlast en dergelijke, ze krijgen gewoon elk jaar netjes de centjes op hun rekening. Als u nu komt zeggen dat ik de sectorale subsidies heb afgeschaft, dan liegt u gewoon. (Applaus bij de N-VA)

Bart Caron (Groen)

Voorzitter, als de minister de puntjes op de i wil zetten, dan kan ik dat ook. Inderdaad, minister, u hebt de sectorale subsidies geïntegreerd in het Gemeentefonds. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

Nee, u hebt alleen 5 tot 10 procent index verminderd en ze dan voor eeuwig afgeschaft. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

U hebt ze niet afgeschaft. U hebt ze geïntegreerd omdat er dan minder planlast is en de gemeenten zelf meer verantwoordelijkheid kunnen opnemen. Wel, u bent de eerste die daarnaast een nieuwe sectorale regeling invoert. Dat is wat ik zeg en niets anders. (Opmerkingen)

Denk er maar eens goed over door. Alle andere regelingen uit de sectoren die ik ken, minister, en waar ik aan heb meegewerkt, waren zodanig geëvolueerd dat er nul komma nul administratieve overlast was voor die sectorale subsidies. Hier wordt gewoon wind verkocht, bestuurlijk gezien, ik heb het niet over de inhoudelijke kant van de maatregel. Dat moest me nog van het hart.

Ik wil dit debat afronden, maar ik sta open voor alle bijkomende vragen. Mijnheer Caron, bedoelt u dat de invoering van de 1 euromaatregel een sectorale overlast betekent voor de gemeente?

Bart Caron (Groen)

Ik bedoel dat u niet consequent bent in uw beleid. Ofwel opteert u ervoor om in het kader van onder meer de werkgroepen decentralisering, het kerntakendebat van de overheid en de stijging van het Gemeentefonds zo veel mogelijk verantwoordelijkheid toe te kennen aan de lokale besturen – waar ik voor ben – zodat ze initiatieven kunnen nemen binnen hun budget, ofwel laat u toe dat de Vlaamse overheid een stimuleringsbeleid voert op terreinen zoals Armoedebestrijding, Cultuur of Sport. Het gaat hier niet om de administratieve overlast want voor Cultuur was die nul. Het gaat over het principe dat hier met de voeten getreden wordt.

Mijnheer Caron, met alle sympathie, maar u slaat de bal mis. Het is niet omdat u de sectorale subsidies gaat incorporeren in het Gemeentefonds en op die manier meer vertrouwen gaat geven aan de gemeenten, dat de Vlaamse overheid zelf geen beleid meer kan voeren. Dat is het onderscheid. We geven de lokale besturen meer vrijheid en gaan zelf ons beleid voortzetten. Uw redenering klopt gewoon niet.

Mijnheer Caron, u had beter nog wat langer nagedacht, want dit is bijzonder vreemd.

Het unieke van de maatregelen waar u naar verwijst, is helemaal niet zo uniek. Er is op andere domeinen ook samenwerking met en initiatieven naar de lokale overheden. Daarbij geven wij een zekere incentive om een beleid uit te stippelen. Dat is niet in tegenstrijd met de inkanteling van sectorale subsidies, integendeel.

Ik denk dat de 1 euromaaltijden waar u bestuurlijk zoveel bezwaar tegen maakt, een zeer goed voorbeeld zijn van wat deze Vlaamse Regering wil met volwaardige partners op het lokale niveau. Men krijgt inderdaad iets aangereikt, een beperkte ondersteuning en men vraagt aan de lokale overheden om hun verantwoordelijkheid te nemen en samen te werken. Dit is niet gewoon een subsidie om het Vlaamse beleid uit te voeren; dit is een incentive vanuit het beperkte budget dat beschikbaar is aan een lokale overheid om te zorgen dat 1 plus 1 geen 2 maar 3, en als het even kan, 4 wordt. Dat kan perfect. Ik zie absoluut niet waar de tegenspraak zit die u hier probeert in te leggen. Ik zie het echt niet.

Mijnheer Caron, met de beste wil van de wereld zie ik de vergelijking niet. De integratie van de zeven sectorale subsidiestromen in het Gemeentefonds is niet algemeen, maar toch redelijk positief onthaald. Nu haalt u het voorbeeld aan van de cultuursubsidies. U zegt dat er eigenlijk helemaal geen administratieve rompslomp is. Maar er is een ander voorbeeld. Als u weet wat de lokale besturen aan paperassen moesten indienen om bij Bloso aan hun subsidies voor sport te geraken, wat ook een van de zeven sectorale subsidies is… Ofwel hebt u geen ervaring op het lokale niveau, ofwel weet u niet waarover u het hebt, maar dat durf ik in uw geval te betwijfelen. Meestal weet u wel waar u het over hebt.

Ik begrijp de vergelijking dus totaal niet. De vergelijking tussen de sectorale subsidies – de integratie in het Gemeentefonds – en de 1 euromaaltijden. Hoe hebben we dat aangepakt? We hebben een projectoproep gedaan waarop alle lokale besturen, als ze interesse hadden, hebben kunnen reageren. In januari 2016 krijgen ze het geld gewoon op hun rekening gestort. Wat wilt u bereiken met te doen alsof dit een bijkomende planlast zou zijn voor lokale besturen omdat ze om en bij de 60.000 euro krijgen van de Vlaamse Regering om aan armoedebestrijding te doen? Dat gaat mijn petje te boven. Ik snap het echt niet.

Mijnheer Caron, ik heb u al enkele keren heel ijverig bezig gehoord in de commissie, vooral over de sectorale subsidies. Ik geloof wel en heb absoluut vertrouwen in de lokale besturen, en ik geef ze autonomie, zeker inzake armoedebestrijding. (Applaus bij de N-VA)

Bart Caron (Groen)

Mijnheer Diependaele en mijnheer De Bruyn, u hebt gelijk. Nu wordt een inhoudelijk argument gebruikt om verandering te brengen in de armoedebestrijding met partners, de lokale besturen. Er wordt een oproep gedaan en er is geen administratieve overlast. Dat is een volwassen vorm van samenwerking. Ik noem dat stimuleringsbeleid, waarbij een hogere overheid een lagere overheid kan stimuleren om een initiatief te nemen. Heel veel voorbeelden van de Vlaamse sectorale subsidies waren niets anders dan dezelfde stimulerende initiatieven om lokale besturen in partnerschap en cofinanciering hetzelfde doel te laten bereiken. Dat gebeurde in co-partnerschap op terreinen die maatschappelijk niet altijd even ontwikkeld waren of waar de Vlaamse overheid een prioritair doel stelde om dat te doen.

Dat inhoudelijke argument is nooit gebruikt in de discussie over de inkanteling. Er is alleen gedoeld op de administratieve elementen. In de voorbije jaren ben ik de eerste geweest om in dit parlement verlichtende maatregelen met betrekking tot die administratieve lasten voor te stellen.

Minister Homans, als het over Bloso gaat… Het is niet de slechtste leerling van de klas die u op de goede voorbeelden moet veroordelen. Dat is wat gebeurt en dat heeft het kapot gemaakt.

De voorzitter

Mijnheer Caron, Bloso valt onder Cultuur, Jeugd, Sport en Media. We sluiten deze discussie af. In het reglement staat dat als de voorzitter oordeelt dat er voldoende over gediscussieerd is, hij de discussie kan stoppen.

De voorzitter

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

Dames en heren, we beginnen nu aan het onderdeel Cultuur, Jeugd, Sport en Media.

Caroline Bastiaens (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, in de commissie hebben we een uitgebreide en grondige bespreking van de verschillende beleidsbrieven gehad. Op dit late uur zou ik even willen terugblikken, maar zeker ook vooruitkijken naar en stilstaan bij de stand van de zaken die echt belangrijk zijn. De stand van onze samenleving bijvoorbeeld.

Onze fractievoorzitter heeft het vanmorgen al aangehaald in zijn redevoering: “Net als de wereld, bevindt Vlaanderen zich op een kantelmoment. Transitie is het kenmerk van onze tijdsgeest. We zijn in volle hertekening van ons maatschappelijk systeem.” Dat geldt ook voor die sectoren waarover we nu het debat voeren. Het komende jaar liggen er heel wat grote werven klaar. Ik denk in het bijzonder aan de hervorming van het Participatiedecreet en het decreet Sociaal-Cultureel Werk, de uitrol van het Kunstendecreet en ook aan een nieuwe visie voor het erfgoedbeleid.

Maar als we willen dat deze beleidsmaatregelen een echt antwoord bieden op de uitdagingen van onze samenleving, en dat we ons dus voorbereiden op de toekomst, dan moeten we eerst een grondig debat voeren over waar we naartoe willen, wat dus het eindpunt is van die grote transitie. Voor mijn fractie is dat in ieder geval duidelijk: zoveel mogelijk Vlamingen laten proeven en deelnemen aan cultuur, aan sport, aan het verenigingsleven. Dit is voor ons niet de kers op de taart, maar de essentie van de taart: het desem van onze samenleving.

Laat ons daarom even stilstaan bij het participatiebeleid. Ondanks alle inspanningen van de afgelopen tijd blijkt uit recente cijfers dat het participatiegedrag van de Vlaming de afgelopen vijftien jaar eigenlijk niet wezenlijk is toegenomen. Bovendien zijn er nog altijd grote groepen in onze samenleving die niet of nauwelijks participeren aan cultuur, jeugdinitiatieven, sport, en het verenigingsleven. Eigenlijk hadden we met zijn allen gehoopt op betere cijfers na ruim tien jaar onverdroten inspanningen.

Natuurlijk moet niet iedereen meedoen, maar we willen wel dat iedereen gelijke kansen krijgt om deel te nemen. Daar zijn we echter nog lang niet .... En ondertussen verandert onze samenleving aan een razendsnel tempo en kondigen zich fundamentele maatschappelijke wijzigingen aan, die ook hun impact zullen hebben op de vrijetijdsbesteding.

De sturende rol van de overheid bij dergelijke grondige maatschappelijke evoluties is echter beperkt. We denken daarom dat er nood zou zijn aan een andere vorm van beleid, waarbij mensen, instellingen en verenigingen worden gezien als actieve en productieve partners die samen met de overheid zoeken naar antwoorden op die grote maatschappelijke vraagstukken. Ik denk bijvoorbeeld aan een echte inclusieve samenleving, solidariteit met mensen in armoede, of het delen van de openbare ruimte.  Die toekomst moeten we nu voorbereiden. En dus zullen wij de komende tijd samen met de cultuursector stil moeten staan bij onze huidige manier van werken. We moeten ons fundamentele vragen durven te stellen en misschien meer inzetten op bijvoorbeeld co-creatie, of meer nadenken over coöperatieve samenwerkingsverbanden waar mensen meer ruimte krijgen om zelf initiatief te nemen.

Superdiversiteit in onze samenleving één van de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen voor het toekomstige cultuur- en vrijetijdsbeleid. Tijd dus nu voor een paradigmashift in onze manier van kijken, denken en handelen. Die moeten wij als beleidsmakers mogelijk maken, begeleiden en ondersteunen. We moeten mensen, organisaties en verenigingen perspectief bieden en onze regelgeving flexibel en vooral rechtvaardig maken zodat we samen kunnen werken aan een vrijetijdssector waar iedereen wil en kan participeren. Want een geëngageerd publiek is de hoeksteen van een sterk cultureel ecosysteem. Ministers, collega’s, daaraan werken lijkt me een boeiende en fijne opdracht voor het komende jaar. (Applaus bij CD&V, de N-VA en Open Vld)

De voorzitter

De heer De Gucht heeft het woord.

Voorzitter, leden van de regering, collega’s, uit de inleiding van de beleidsbrief Cultuur onthoud ik vooral één zin die ik van ontzettend belang vind. De minister schrijft: “In mijn cultuurbeleidsvisie vertrek ik van de waarde van al de culturele deelsectoren voor de samenleving, zowel op cultureel als economisch vlak.” Dit, beste collega’s, moet inderdaad steeds het vertrekpunt zijn. We zijn er ons allemaal van bewust dat een budgettaire context die een goede huisvader om besparingen vraagt, het er niet eenvoudiger op maakt om die visie te vertalen in de praktijk. Het pleziert mij dan ook dat voor 2016 het budget – zij het lichtjes – stijgt. Dit moet vertrouwen geven in een stabiele, duurzame toekomst. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat de beleidsvisie, die men vertaald ziet in de verschillende initiatieven die in de pijlers staan, de gehele sector nog bijkomend zuurstof zal bieden.

Ten eerste zal de nieuwe beoordelingsprocedure helpen om objectieve keuzes te maken in het versnipperde landschap. Enkel door de kaasschaaf op te bergen en keuzes te maken, voeden we weerbare organisaties die een weerspiegeling zijn van een uiterst diverse sector, van een fijnmazig landschap waarbinnen alle spelers, van klein tot groot, verweven zijn met elkaar.

Ten tweede zal meer samenwerking bijdragen tot een versterking van de organisaties. Vanuit de sector zelf komen alvast bemoedigende signalen dat organisaties op zoek zijn naar synergieën en efficiëntiewinsten. Het beleid moedigt deze zoektocht bovendien aan. Het meest in het oog springend daarbij zijn de drie grote orkesten, het tijdschriftenbeleid of het uitbouwen van het operagebouw in Gent tot een volwaardig hedendaags podiumkunstenhuis.

Maar ook kruisbestuiving tussen culturele organisaties en private spelers wordt gestimuleerd. Er is aandacht voor ondernemerschap en aanvullende financiering: twee zaken die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. U zult mij niet horen zeggen dat het de sector ontbreekt aan professionalisme. Wel integendeel, maar inzetten op ondernemerschap door aan de ene zijde van het spectrum individuele kunstenaars hierin te ondersteunen en aan de andere zijde kunstenorganisaties aan te sporen tot de naleving van de principes van good governance, is van cruciaal belang indien we maximaal middelen willen halen uit de private sector. Ik kijk in navolging van de toolboxen ‘vele kleintjes’ en ‘Europese fondsen’ dan ook uit naar de komst van het witboek en andere toekomstige initiatieven waarbij overleg met de federale overheid en tussen de gemeenschappen noodzakelijk zal zijn.

Tot slot zou ik de minister nog een compliment willen geven met zijn initiatief om de burger rechtstreeks inspraak te geven in het beleid. Het burgerkabinet is een duidelijk signaal dat een meer participatieve democratie de wenselijke en noodzakelijke toekomst is. Meer dan ooit maakt de digitale 21e eeuw de burger immers mondiger en biedt het de technologische mogelijkheden tot meer rechtstreekse inspraak.

De digitale 21e-eeuwse samenleving is ook het uitgangspunt in de beleidsbrief Media. De doelstelling is om ten volle de vruchten te plukken van een sector die voortdurend en razendsnel verandert, dit zowel in het belang van de mediaconsument als de ondernemer. Voor de consument onder andere door in te zetten op mediawijsheid. E-inclusie moet nagestreefd worden voor iedereen. Het voortdurend veranderende medialandschap en de steeds sneller uitbreidende mogelijkheden inzake mediagebruik, bieden kansen en opportuniteiten. De burger moet hiervan kunnen genieten, maar moet tegelijk op de hoede zijn voor eventuele valkuilen. Ik ben dan ook zeer tevreden dat het Kenniscentrum Mediawijsheid in 2016 onder andere werk zal maken van een project rond preventie van radicalisering.

Er worden randvoorwaarden gecreëerd die nodig zijn om zich met gelijke wapens flexibel te bewegen in een markt die zich continu heruitvindt. Denk hierbij maar aan het ondersteunen van de digitale radio.

Het snel veranderende medialandschap biedt ook onze berichtgeving opportuniteiten en valkuilen. De valkuil is de druk op de inkomsten die bijvoorbeeld ontstaat op de traditionele fysieke krantenmarkt. Dit leidt logischerwijs tot steeds meer samenwerking, fusies en convergentie en kan zo de pluriformiteit van de berichtgeving in het gedrang brengen. Verschillende initiatieven grijpen daarom tegelijkertijd de opportuniteiten van het snel veranderende landschap om de kwaliteit en de pluriformiteit van de berichtgeving, een hoeksteen van onze democratische samenleving, te bewaken en zelfs te verrijken.

Het sluitstuk van dit alles moet de beheersovereenkomst van de VRT zijn. Onze openbare omroep moet als stuwende kracht de sector innoveren, versterken en aanvullen. Het nieuwe project moet in het teken staan van het sterker maken van mens en maatschappij. Middels een focus op haar kerntaken zal een wendbare VRT het vlaggenschip van objectief en sterk nieuws, verdiepende duiding, educatie en cultuur vormen, dit zowel op televisie, radio als internet. Aangevuld met bijkomende opdrachten inzake sport en ontspanning en haar opdracht uitvoerend met oog voor innovatie, zal dat de VRT met de nieuwe beheersovereenkomst worden klaargestoomd voor de toekomst. Ik kijk alvast uit naar het resultaat. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi (sp·a)

Voorzitter, minister, dames en heren, eerst en vooral zou ik een pluim willen geven aan minister Gatz. Hij is erin geslaagd om meer middelen voor het Vlaams Instituut voor Archivering (VIAA) en voor het letterenbeleid, meer bepaald non-fictie, vast te krijgen. Dat is goed en kan op brede steun rekenen in het parlement.

Ook heeft hij vijf nieuwe bewegingen in het sociaal-cultureel volwassenenwerk erkend, en dat verdient ook een pluim. Wat ik jammer vind, is dat hij voor de financiering van die bewegingen een solidariteitspremie van 1,5 procent heeft ingevoerd, zeg maar een bijkomende besparing. Dat is jammer omdat voor de haalbaarheidsstudie voor een nieuw cultuur- en congrescentrum met bovenlokale uitstraling in de zuidrand, wel extra middelen gevonden zijn. Dat gaat om prioriteiten: steek je geld in het sociaal-cultureel werk of steek je dat in een extra studie voor nog eens een congrescentrum? Jammer dat dat geld, ook al is dat symbolisch – we hebben er ook amendementen voor ingediend – niet naar het sociaal-cultureel werk is gegaan.

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Mevrouw Idrissi is duidelijk een lezer van het boek Exodus, waar manna uit de hemel kwam en kwartels verschenen met lekker vlees. Ja, inderdaad, dat is zo in het boek Exodus, bij de uittocht uit Egypte onder leiding van de profeet Mozes. Daar krijg ik toch een klein beetje het vliegend heen-en-weer van. Neem me niet kwalijk, maar mevrouw Idrissi en ikzelf hebben verschillende malen gezegd dat het toch wel jammer is dat die bewegingen niet het decretaal minimum krijgen en dat er geen nieuwe bewegingen kunnen komen. Wat heeft de minister gedaan? Hij heeft vijf nieuwe bewegingen erkend en hij heeft ze allemaal opgetrokken tot het bestaansminimum. Maar wij zeggen ook als N-VA: minister, het budget zit daar, dus u moet ook keuzes maken binnen uw budget. Dat heeft hij ook gedaan. Hij heeft 1,5 procent solidariteitsbijdrage gehaald bij de grote organisaties.

Ofwel maak je keuzes, maar ‘en en en’, dat is een verhaaltje dat niet meer opgaat. We moeten rekening houden met de realiteit, mevrouw Idrissi. Er zijn geen kaboutertjes die diamantjes opdelven uit de mijnen. Neen, het is het budget waar we rekening mee moeten houden.

Yamila Idrissi (sp·a)

Collega Meremans, u geeft eigenlijk heel goed aan wie er in deze regering iets te zeggen heeft over cultuur. Blijkbaar is het de N-VA die de context uittekent.

Mijn punt was dat er wel geld kan worden gevonden voor een haalbaarheidsstudie waar niemand in gelooft, maar geen geld voor sociaal-cultureel werk. U had dat geld. Dat is dan een kwestie van prioriteiten. Blijkbaar is dat voor deze regering geen prioriteit. Dat geld dat u aan de studie besteedt, ook al is dat symbolisch, want het is niet veel, had u aan het sociaal-cultureel werk kunnen toevoegen. Dat was mijn punt, collega Meremans. Bijna bewust probeert u mij niet te begrijpen.

De voorzitter

De heer Vandaele heeft het woord.

Mevrouw Idrissi, als ik mij goed herinner, hebben we in de vorige legislatuur toch ook studies laten uitvoeren. Ik herinner mij een prachtige studie van toenmalig minister Lieten over het radiolandschap en de reorganisatie daarvan. We hebben daar uiteindelijk niets, niets, maar dan ook niets mee kunnen doen. Ook dat heeft geld gekost en ook in de vorige legislatuur viel het manna niet uit de hemel.

Yamila Idrissi (sp·a)

Alleen hebben we nu een veel strakker financieel kader en moet je nog meer gaan kijken naar de prioriteiten. Ik ga mijn punt niet herhalen, want ik heb het voldoende gemaakt.

Het is goed, minister, dat u inzet op de sociaal-economische positie van kunstenaars. Ik ben oprecht heel erg blij dat u daar wilt op inzetten in uw beleidsbrief. Dat is belangrijk omdat we al verschillende studies hebben gehad die aantonen dat de sociaal-economische positie van de kunstenaar zo precair is dat het water hen aan de lippen staat. We zien vandaag dat burn-out een heel belangrijke factor begint te worden binnen die kunst- en cultuursector. Het is dus goed dat u daar meer aandacht aan gaat schenken. We hebben daar in de commissie verschillende keren over gedebatteerd. Jammer dat u de idee van die ‘code of conduct’ niet mee opneemt, waar we het in de commissie over gehad hebben. Het is ook jammer dat men geen extra vers geld vindt om de positie van de kunstenaar nog te versterken.

Het komende jaar staat één belangrijk event op de agenda: de Frankfurter Buchmesse. Dat is belangrijk en goed. Daarvoor bestaat ook kamerbrede steun. Het Vlaams Fonds voor de Letteren heeft geëxperimenteerd rond sponsoring. Het heeft maximaal erop ingezet om extra middelen te vinden. Alleen lukt dat om verschillende redenen niet zo makkelijk. Het lijkt er ook niet op dat er extra middelen zullen komen. Minister, pas op met de verwachtingen die u gaat creëren voor het witboek omtrent aanvullende financiering. Dit is een zeer mooi voorbeeld van een organisatie die hard gaat voor sponsoring, maar toch die middelen niet weet te vinden.   

Wat het culturele erfgoed betreft, zegt u dat u met een conceptnota naar het parlement zult komen en dat u een ontwerp van decreet plant. Ik denk dat dit zeer goed en belangrijk is. Alleen, ook dit is een sector die het water aan de lippen staat. Voor de museale sector, die vandaag al op droog zaad zit, kunnen we niet met wetgevend werk komen als dat niet gepaard gaat met een extra basisfinanciering.

Ik heb nog zoveel te zeggen, maar ik merk dat mijn spreektijd bijna op. Ik vermeld nog twee punten; voor het overige verwijs ik naar mijn tussenkomsten in de commissie.

Minister, u zegt dat u het lokale cultuurbeleid gaat monitoren en bijsturen. U kunt echter nog maar weinig bijsturen, want uw collega Homans is ter zake bevoegd. U kunt dus heel mooie monitoringsplannen hebben, maar als u zelf niet kunt bijsturen, zijn die eigenlijk een slag in het water.

Ten slotte nog een oproep met betrekking tot het Kunstendecreet. Ik hoop van ganser harte dat we althans wat de structurele ronde betreft kunnen vermijden wat we met de projectsubsidies aan de hand hebben gehad. Ik hoop dat het transparante beslissingen zullen zijn en dat daar het gezond verstand zal zegevieren.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Voorzitter, collega’s, minister, ik ga het niet over het Bloso of Finse looppistes hebben. Ik ga het ook bijna niet hebben over cultuur. Ik heb maar drie minuten spreektijd, en dus moet ik een keuze maken. Ik zal het hebben over media, en vooral over de VRT.

Laat me beginnen met twee korte citaten uit een opiniestuk van Tim Raats, professor in de communicatiewetenschappen, dat in september in De Tijd is verschenen. Heel treffend, en veel beter dan ik zou kunnen, zegt hij waar het over gaat. Zoals de collega’s weten, is de raad van bestuur van de VRT de beheersovereenkomst aan het afronden. De regering zal die binnenkort moeten bespreken. Ik ben dan ook bijzonder nieuwsgierig naar de inhoud.

Het eerste citaat luidt: “De publieke omroep is geen doel op zich, maar een middel om doelstellingen van algemeen belang te bereiken.” Het tweede citaat luidt: “De discussie over de invulling van de VRT-opdracht volgt de omgekeerde logica. De maatschappelijke noodzaak die we nog toekennen aan een publieke omroep mag zo groot zijn als de financiële contouren die vooraf worden vastgelegd.” Dat vind ik vandaag de dag zo jammer. We gaan niet uit van de opdracht en van de inhoud die we willen toekennen, maar we gaan uit van de financiële middelen.

Nog een laatste, niet onbelangrijk citaat: “Uit internationaal onderzoek weten we dat sterke omroepmarkten ook sterke publieke omroepen hebben en dat er een directe correlatie is tussen een sterke publieke omroep en een sterke en professionele audiovisuele sector, inclusief commerciële televisie- en radiostations.”

We moeten dus gaan voor een bredere, groeiende, sterke markt. De cijfers van het meerjarentraject van de VRT zijn duidelijk. De dotatie van de VRT voor 2020 bedraagt 261,3 miljoen euro. Dat is exact hetzelfde bedrag dat de VRT in 2005 kreeg. Alsof de inflatie in die periode niet zou zijn gestegen. Ik vergelijk het even met de cijfers van VTM-Medialaan. In dezelfde periode stegen de inkomsten van VTM van 220 miljoen euro in 2005 naar 250 miljoen euro in 2014. Ik gun VTM die stijging. Maar als het zo voortgaat, is in 2020 VTM-MEDIALAAN groter dan de VRT. Als u denkt dat dan het medialandschap beter en sterker zal zijn, dan denk ik dat u zich vergist. Ik betreur dus deze operatie. Deze operatie wekt de indruk dat u het medialandschap schade wilt berokkenen, in plaats van dat te willen versterken.

Voorzitter, de vergelijking van 2005 met 2020 is een vergelijking van appelen met citroenen. Alsof uitgerekend het medialandschap in tien jaar tijd niet drastisch is gewijzigd. Het is op zijn kop gezet. De vergelijking is van de gekke. De technologische mogelijkheden zijn in die periode enorm uitgebreid. Het personeel dat nodig is om programma’s te maken, is drastisch verminderd. Inzake media is het echt onredelijk om 2005 te vergelijken met 2015.

Ik ga met wat de heer Vandaele zegt sowieso akkoord.

Bart Caron (Groen)

Sowieso! (Gelach)

Neen hoor. Het verbaast me dat u nog steeds in het tijdsgewricht van 2005, of misschien zelfs nog in dat van de jaren 90, zit. U plaatst de VRT tegenover de andere mediaspelers. Wij stellen dat de VRT moet samenwerken met die privéspelers, en die sterker maken. Het gaat dan over productiehuizen, maar ook over andere privézenders. Als die privézenders groter worden dan de VRT, dan stoort mij dat niet. Ik wil vooral dat alle zenders – private en publieke – kwaliteit aanbieden. De VRT moet daaraan meewerken. De omroep kan dat met de middelen die ze krijgt. Voorts is het inderdaad zo dat er een enorme technologische vooruitgang is geboekt. Dat betekent dat men op termijn het personeelsbestand moet durven herbekijken. We moeten daar verder in gaan dan tot nu toe is gebeurd. U weet dat ook.

Bart Caron (Groen)

Mijnheer De Gucht, ik heb het in mijn intro al gezegd: samenwerking voor een sterk medialandschap is nodig. Mijnheer Vandaele, wat u zegt, zou ook voor de commerciële spelers moeten gelden. Wel, dat is niet het geval. Hun omzet stijgt voortdurend, en toch profiteren zij ook van de technologische vernieuwingen. Legt u dat maar eens uit.

Dat komt ook omdat het bereik toeneemt. Het publiek groeit, voor alle zenders.

Als de heer Caron volhardt in de boosheid en vergelijkingen maakt die niet opgaan, vergelijkt u dan ook eens het aantal personeelsleden van de VRT met dat van de commerciële omroepen. Ik zal dat zelf niet doen, want die vergelijking zou al even onnozel zijn als de uwe. De dotatie voor de VRT zal iets groter zijn dan wat u zei, die zal ongeveer 270 miljoen euro bedragen. U moet er ook bij vertellen dat dit Vlaams Parlement de openbare omroep toestaat om middelen uit andere bronnen te halen – onder meer uit advertenties –, zodat u aan een budget van ongeveer 400 miljoen euro komt.

Bart Caron (Groen)

Misschien moeten we ook het aantal zenders, radiozenders en de openbare opdrachten nog eens vergelijken, de nieuwsfunctie, de cultuurfunctie, dingen die voor een commerciële omroep niet meteen opbrengen. Met die openbare opdracht ben ik ook mijn uiteenzetting begonnen. Maar met de samenwerking ben ik het helemaal eens.

Tot slot wil ik nog heel kort iets zeggen over de Vlaamse Regulator voor de Media, minister. U zoekt altijd naar middelen om ruimte voor nieuw beleid te maken. De Vlaamse Regulator voor de Media heeft een reserve die vier keer zo groot is als zijn jaarlijkse dotatie. Dat is geen geheim, het staat in de begroting. Die reserve, van meer dan 4 miljoen, werd in de loop der jaren opgebouwd. Ik stel voor dat slapend geld in tijden van besparingen in cultuur en media in te zetten, op de eerste plaats voor mediadoeleinden, zoals het Fonds Pascal Decroos en de nieuwe nieuwsmedia. Laten we dat geld gebruiken.

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Minister, ik moet bekennen dat ik van de uiteenzettingen van de collega’s Vandaele en De Gucht niets begrijp. De cijfers die collega Caron op tafel legt en de vergelijkingen die hij maakt, zijn heel pertinent. Ze tonen aan dat de VRT het vandaag moet rooien met de middelen die ze in 2005 had. Het is niet omdat de technologie zo sterk is geëvolueerd, dat alles goedkoper wordt, integendeel. De VRT moet daar kunnen zijn waar de Vlaming is, en vandaag is de Vlaming steeds meer op alle platformen aanwezig. De concurrentiestrijd is heviger dan ooit. De VRT moet de lat hoog kunnen blijven leggen voor de hele sector en net daarom hebben we een slagkrachtige VRT nodig. U kunt blijven beweren dat u een sterke openbare omroep wil met sterke ambities, maar vandaag zijn de vleugels van de VRT zo sterk geknipt dat de ondergrens bereikt is. Als zelfs het personeel zelf al een noodkreet slaakt met een terechte oproep! Vandaag kost de VRT 12 cent per dag aan elke Vlaming. We krijgen daarvoor heel veel waarde en kwaliteit terug. Als de personeelsleden zelf zeggen dat ze niet meer kunnen, dat het water hun aan de lippen staat, dan moet u naar hen luisteren. 

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Het is half elf en alles is rustig. ‘Hel en verdoemenis’, ‘een kaalslag’, ‘kil en hard’, ‘een afrekening’, … deze woorden en adjectieven waren in een recent verleden nog bon ton. Ze kwamen met veel paukenslagen en bombardons en vertrokken met stille trom. Logisch, want het is voor iedereen duidelijk dat de Vlaamse Regering een hart heeft voor cultuur. Op cultuur wordt niet bespaard, integendeel, er komt 2,7 miljoen bij voor VIAA en 300.000 euro voor de Frankfurter Buchmesse.

De minister heeft ook beslissingen genomen binnen zijn budget en decretale mogelijkheden. Wat zijn de belangrijkste werven voor 2016? Een eerste werd ook al aangehaald door collega Idrissi. De principes van de visienota Kunsten worden omgezet in beleid. Het witboek alternatieve financiering is waardevol en we kijken uit naar het rapport. Toch wil ik nogmaals aanstippen dat voor de N-VA een gedegen basisfinanciering door de overheid aangewezen is. Die moet ervoor zorgen dat het landschap niet verschraalt.

Dan is er de gereglementeerde boekenprijs. N-VA verwacht op dat vlak belangrijke stappen voorwaarts. We doen aan cultuurpolitiek: daar zijn we niet vies van. Boeken zijn een cultuurproduct en het verspreiden ervan is ook onze taak. In Vlaanderen maken we voor allerlei zaken reclame, voor vlees, voor melk, voor onze groenten, maar voor ons keurproduct bij uitstek, cultuur, mis ik nog een reclamecampagne. Laten we dan starten met het boek. (Applaus van Bart Caron)

Ik heb alvast één medestander aan de overkant. Misschien moet ik me wel zorgen maken.

De conceptnota sociaal-cultureel werk komt er ook aan. Wij verwachten dat daar veranderingen en duidelijke hervormingen in zitten.

Ik wil afsluiten met een advies aan minister Gatz: boer Sven, let op uw ganzen, want bij de afslanking van de provinciale bevoegdheden die naar Vlaanderen gaan, moet ik toch opmerken dat bepaalde provincies nogal creatief zijn in het verschuiven van budgetten van grondgebonden bevoegdheden. Ik wil daarom met aandrang vragen om deze operatie nauwgezet op te volgen en te vermijden dat de cultuur-, jeugd-, welzijn- en andere sectoren er de dupe van zouden worden. Dat is een klein advies dat ik u wil meegeven in deze mooie dagen, minister. (Applaus bij de N-VA en het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Poschet heeft het woord.

Joris Poschet (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, het is tijd voor een beetje sport. Sport is belangrijk voor de fitheid en gezondheid, maar heeft ook een belangrijke maatschappelijke rol: het zorgt voor algemeen welbevinden, helpt bij het ontstressen en zorgt ook voor sociale cohesie. Het zorgt ervoor dat kansengroepen inclusie krijgen in onze samenleving. Dat zijn allemaal doelstellingen waar wij als CD&V volmondig achter staan.

Het doel van ons Vlaamse sportbeleid moet zijn om zo veel mogelijk Brusselaars en Vlamingen zo lang mogelijk op een gezonde manier aan het sporten te krijgen of te houden. Op dit moment is 65 procent van de Vlamingen aan het sporten. Dat is een stagnatie in de laatste tien jaar, ondanks alle inspanningen die wij vanuit de overheid en met de sector zelf hebben gedaan.

We stellen ook vast dat de moeilijk bereikbare groepen nog altijd dezelfde zijn. Dat zijn de mensen met een migratieachtergrond, senioren, mensen met een beperking, mensen in armoede en in mindere mate ook vrouwen. De uitdaging voor de komende jaren komt er dus op neer om die andere 35 procent van Vlamingen en Brusselaars die niet aan sport doen, toch in beweging te krijgen.

We zien dat het aanbod van de klassieke sportclubs onvoldoende die mensen bereikt die maar af en toe willen sporten of die niet echt geïnteresseerd zijn in zware competitiesport. We zullen dus moeten inzetten op nieuwe vormen van sport. Ik noem dat dat de light-varianten. Maar we moeten ook inzetten op sportinfrastructuur. En daar is er een uitdaging op het vlak van ruimte en middelen. We weten dat Vlaanderen dichtbevolkt is en dat we niet altijd gemakkelijk ruimte vinden om sport in te planten, zeker niet voor motorsport. In steden als Antwerpen, Gent en Brussel geldt dat des te meer. Bovendien hebben we ook maar een beperkt budget voor bovenlokale sportinfrastructuur. We moet dat dus zo efficiënt mogelijk inzetten. Ook hier hebben de steden te kampen met extra druk, omdat de kostprijs van de grond natuurlijk veel hoger is.

Voor onze fractie zullen we de komende jaren op die twee punten moeten inzetten, onder andere via een nieuw decreet op de sportfederaties. Dat nieuwe decreet moet er echt voor zorgen dat meer mensen aan het sporten gaan. We moeten ons als beleidsmakers de vraag durven stellen of dat nieuwe decreet voldoende handvatten zal geven aan de sportsector om een aantrekkelijk aanbod uit te bouwen om die 35 procent aan het sporten te krijgen. We roepen u op, minister, om bij de uitwerking van het decreet vanuit een Sport-voor-allenvisie zo veel mogelijk mensen achter uw beleid te proberen scharen en voldoende oog te hebben voor de recreatieve sporter. We weten dat acht op de tien sporters aan sport doen in een lichtgeorganiseerde context. De meest beoefende sporten – fietsen, wandelen, lopen, fitness en zwemmen – worden meer buiten de sportclubs dan in clubverband beoefend. Voor ons is die groep even belangrijk als de groep die louter competitief aan sport doet.

Wat tot slot de sportinfrastructuur betreft, hopen we dat u ook daar zo veel mogelijk partners achter uw beleid kunt scharen. We roepen u ook op om werk te maken van een afspraak in het regeerakkoord en de mogelijkheid te onderzoeken van een Vlaams sportcentrum in Brussel. De plannen rond het Eurostadion en een renovatie van het Koning Boudewijnstadion bieden daartoe misschien de ideale context.

De voorzitter

De heer Beenders heeft het woord.

Rob Beenders (sp·a)

Minister, zijn er de afgelopen weken nog stappen ondernomen vanuit uw kabinet om het draagvlak te vergroten bij die twaalf tot veertien recreatieve sportclubs die wat bezorgd zijn over het nieuwe decreet dat eraan komt? Is die koele verhouding met de Vlaamse Sportfederatie intussen weer wat warmer geworden? Kunt u daarover een stand van zaken geven?

Ik kan die stand van zaken zeker geven. Ik heb ondertussen onder meer het advies van de Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC) gekregen op de principiële goedkeuring door de Vlaamse Regering. Ik zal met die adviezen naar de Vlaamse Regering gaan en een voorstel formuleren, dat dan naar de Raad van State kan gaan. Maar wij proberen zo veel mogelijk clubs.

Mijnheer Poschet, wij proberen zo veel mogelijk mensen mee achter dat decreet te krijgen, maar ergens moet je keuzes maken. Je kunt nooit voor iedereen goed doen. We zullen moeten bekijken op welke manier we het grootste draagvlak kunnen creëren. We zullen altijd in een evaluatie voorzien, om nog verdere stappen te kunnen zetten.

De voorzitter

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Voorzitter, minister, collega’s, onze fractie vindt het een duidelijk signaal naar het jeugdwerk dat er, na de besparingen die in 2015 doorgevoerd werden, in 2016 geen bijkomende besparingen op het jeugdwerk doorgevoerd worden. De minister besteedt in zijn begroting en beleidsbrief terecht aandacht aan het Vlaamse jeugdwerk. Dat is krachtig. Daarom is het voor ons essentieel dat we inzetten op een consolidatie van wat goed is en daarnaast focussen op het vinden van antwoorden op actuele problemen waarmee de jeugdsector geconfronteerd wordt. Denk maar aan het bevorderen van de diversiteit binnen het jeugdwerk, het verschaffen van duidelijk informatie van en voor kinderen en jongeren, enzovoort.

2016 is een belangrijk jaar voor de jeugdsector. De sectorale subsidies zullen dan voor het eerst via het Gemeentefonds naar de lokale besturen vloeien. De autonomie en beleidsverantwoordelijkheid van de lokale besturen neemt hierdoor toe. Wij geloven sterk dat onze lokale besturen de waarde en de kracht van het jeugdwerk zullen herkennen en erkennen en dit ook budgettair zullen vertalen. Maar verder is het wel belangrijk dat Vlaanderen de situatie opvolgt via de monitoring. Een sterk punt hierin is dat de monitoring start vanuit de lokale behoeften en die data gaat verrijken met andere beschikbare data.

We willen jong en jeugdig engagement ook ruimte geven en ondersteunen. In die zin is onze fractie uiteraard tevreden met de recente en actuele beslissing over de uitbreiding van de btw-vrijstelling voor jeugdhuizen. Na de eerste aankondiging is het intern en extern overleg steeds overeind gebleven. Onze fractie denkt dat de actuele beslissing uiteindelijk evenwichtig en verdedigbaar is. We respecteren de Europese regels en geven de jeugdhuizen de nodige ademruimte. We zorgen voor rechtszekerheid en voor de leefbaarheid van de sector, zeker voor de kleine en middelgrote jeugdhuizen.

Er zijn nog enkele andere belangrijke aandachtspunten. Minister, samen met uw collega’s moet u voorzien in voldoende semipublieke ruimten van en voor kinderen en jongeren. Dat moet in de steden, maar denk ook maar aan de speelbossen en de speelzones. Investeringen in voldoende kampeermateriaal zijn voor ons heel belangrijk. Ik denk dat we daar op schema zitten. Kwaliteitsvolle, krachtige en duidelijke informatie van en voor jongeren blijft een aandachtspunt. In het vrijwilligersbeleid zetten we in op het tegengaan van versnippering van expertise en informatiekanalen. Daarbij kan er, wat ons betreft, zeker nagedacht worden over een Vlaams expertisecentrum rond het vrijwilligerswerk. Er moet werk worden gemaakt van het masterplan Bivakplaatsen.

De voorzitter

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Ik wil een vraag stellen omdat ik de indruk heb dat ik een hoofdstuk mis in het verhaal van de btw-plicht voor de jeugdhuizen. Er wordt regelmatig aangehaald dat de Europese regelgeving moet worden gerespecteerd en dat, omdat er regelgeving is, de jeugdhuizen btw-plichtig worden. Mevrouw Van Eetvelde, u zegt dat u de Europese regelgeving respecteert. Ik ga er dan ook van uit dat u weet waar en wat en op welke manier de Europese regelgeving effectief die verplichting oplegt. Ik heb die althans niet gevonden. Als u het niet kunt vinden, kan ik het misschien aan de minister vragen. U hebt net gezegd dat in dezen de Europese regelgeving een belangrijke en fundamentele oorzaak is. Daarom zou ik willen weten waar ik dat kan terugvinden. Als de btw niet wordt geheven bij de jeugdhuizen, zou dat dan tegen de Europese regels zijn? (Applaus bij Groen)

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Ik denk dat er voldoende Europese uitspraken en arresten zijn waaruit men juridisch-technisch kan afleiden dat die btw-richtlijn strikt moet worden geïnterpreteerd en dat de jeugdhuizen die vallen onder het stelsel van de uitbating van een drankgelegenheid niet kunnen worden vrijgesteld van de btw-heffing.

Dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel doe je niets. Dan kan het jeugdhuis worden gecontroleerd. Elk jeugdhuis kan dan vanaf de eerste euro btw-plichtig worden. Ofwel zorg je voor die rechtszekerheid en denk je na over die administratieve tolerantie, middels een bepaald plafondbedrag. Dat is wat er nu is gebeurd. Het plafond is van 50.000 naar 80.000 euro gebracht. Daarvoor heeft men gekozen. (Applaus bij de N-VA)

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag. Mijn vraag was welke arresten of uitspraken erop wijzen dat Europa effectief oplegt dat jeugdhuizen btw-plichtig moeten zijn. Ik neem het u niet kwalijk dat u hier niet kunt aangeven over welke arresten het gaat, maar ik ga ervan uit dat we daarover eventueel op een later moment kunnen spreken. Ik heb daarover althans geen uitsluitsel.

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

Mevrouw Rombouts, ik denk dat u een zeer terechte opmerking maakt, maar u moet goed weten dat dit probleem al gekend was in de vorige legislatuur. Toen een zekere minister Geens daarvoor verantwoordelijk was, werd dat al opgeworpen door de federale administratie. Dit is dus helemaal niet nieuw. Ik denk dat het voornamelijk ligt aan de btw-richtlijn die daarin geen onderscheid maakt. Maar als u daar effectief teksten van wilt, kunnen we u die bezorgen. Dat is geen enkel probleem.

U zult nu toch niet beweren dat de federale belastingadministratie dat gewoon uit haar duim zuigt? Het was ook al zo onder de vorige legislatuur, toen een zekere minister Geens daarvoor verantwoordelijk was. (Applaus bij de N-VA)

Collega, ik ben heel blij dat u verwijst naar de vorige minister. Die vorige minister heeft die maatregel heel duidelijk niet genomen. Waarom? Omdat er op geen enkele manier kan worden aangetoond dat Europa ons dit in dezen heel duidelijk oplegt. Wel is het zo dat deze discussie al heel lang loopt en dat de belastingdienst daarover verduidelijking vroeg.

Ik heb in alle juridische adviezen die ik heb gezien geen verklaring gevonden over deze Europese verplichting. Als die er wel is, zou ik die graag vernemen.

Mevrouw Rombouts heeft gelijk, er is in de vorige legislatuur inderdaad niet op ingegrepen. Maar dat betekent niet dat de federale belastingadministratie daarvan geen werk aan het maken was. Er zijn controles gebeurd. Daardoor zouden jeugdhuizen in de problemen geraken en moest er worden ingegrepen. Dat heeft men in de vorige legislatuur niet gedaan. Het was gewoon geen optie dit nu nog verder voor zich uit te schuiven, want dan zouden die jeugdhuizen nog meer in de problemen geraken.

Bart Caron (Groen)

Ik ken de materie ook, maar ik wil er niet op ingaan.

Ik heb een voorstel, voorzitter, namelijk dat de drie meerderheidspartijen naar het Koffiehuis gaan en de boel oplossen. (Applaus bij de oppositie)

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Ik geef u gelijk, mevrouw Rombouts. Ik heb die arresten niet bij mij, ik weet dat dus ook niet. De Europese spelregels zijn wat ze zijn. Wij hebben alvast onze kop niet in het zand gestoken. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Minister, collega’s, maatschappelijke veranderingen laten zich binnen de vrijetijdssector het meest voelen in de mediasector. De invloed van technologische ontwikkelingen is daar uiteraard niet vreemd aan.

De Vlaamse mediawereld bevindt zich al enkele jaren in een grondig transformerende omgeving die wordt bepaald door snelle technologische veranderingen, economische internationalisering, grote infrastructuuruitdagingen, integratie- en concentratiebewegingen, grote creativiteit, veranderende businessmodellen enzovoort.

De rol van de overheid is in deze sector dan ook eerder bescheiden: we moeten vooral een omgeving creëren waarin een grondige ontwikkeling van de digitale distributie-infrastructuur mogelijk is, waar een leefbaar ecosysteem kan gedijen en waar toezicht wordt gehouden op het naleven van de afgesproken spelregels.

Omdat de minister heeft aangekondigd ten laatste over enkele maanden zijn opties voor een toekomstig radiolandschap bekend te maken, wil ik hier al even dieper op ingaan. Het nieuwe radiofrequentieplan voor de FM-band moet zorgen voor een divers en economisch leefbaar radiolandschap, zodat alle erkende radiozenders maximaal beluisterbaar zijn in hun zendgebied. De huidige zendgebieden beantwoorden niet meer aan de realiteit. De provinciale en regionale zenders zijn de facto een derde landelijke commerciële zender geworden, de lokale radio’s hebben zich in veel gevallen in ketens verenigd, slechts enkele echte gemeenschapsradio’s houden moedig stand.

Radio is op zich een goedkope en laagdrempelige drager van cultuur en informatie, zowel van veraf als van dichtbij. We vinden het belangrijk dat radio die belangrijke maatschappelijke rol ook in de toekomst kan blijven vervullen. Uit de recente participatiesurvey is immers gebleken dat dit oudere medium zelfs nog meer door jongeren dan door ouderen wordt gebruikt.

Tegelijkertijd moeten we van de komende erkenningsronde gebruikmaken om een fikse stap vooruit te zetten door de digitalisering van ons radiolandschap te stimuleren. De overheid moet hiervoor een pact afsluiten met de distributeurs, de industrie en de mediabedrijven. Het is in eenieders belang dat we zo snel mogelijk kunnen overgaan tot een switch-off van de FM-band.

Uit die recente participatiesurvey bleek verder ook dat ruim een kwart van de Vlamingen niet deelneemt aan cultuur, sport of het verenigingsleven en de voorkeur geeft aan thuis televisiekijken. Het is dus erg belangrijk dat we blijven investeren in kwalitatieve programma’s van eigen bodem op alle Vlaamse tv-zenders.

Andere belangrijke vaststellingen zijn dat jongeren een ander mediagebruik vertonen dan de oudere generaties, want ook al blijven radio en televisie belangrijk, ze worden aangevuld met nieuwe kanalen zoals Facebook en YouTube. Er dreigt ook een digitale kloof, want sommige sociodemografische groepen beschikken niet over de juiste vaardigheden om gebruik te maken van deze nieuwe mediatechnieken. Vandaar het belang van mediawijsheid.

Ik wil nog kort iets zeggen over de VRT. We zullen het nieuwe jaar in de mediacommissie wellicht kunnen starten met een grondig debat over de nieuwe VRT-beheersovereenkomst. We zullen die dan toetsen aan de resolutie die we hierover net voor het zomerreces hebben goedgekeurd. De CD&V-fractie rekent op minister Gatz om een evenwichtige beheersovereenkomst af te sluiten waarin onder andere in een stabiele financiering voor de openbare omroep wordt voorzien zodat het noodzakelijke transformatieplan op een correcte manier uitgevoerd kan worden door de nieuwe CEO.

De voorzitter

De heer Wouters heeft het woord.

Peter Wouters (N-VA)

Volgend jaar wordt een zeer belangrijk sportjaar. Het wordt een olympisch jaar, de nationale voetbalploeg gaat naar Frankrijk en ‘den Antwerp’ gaat terug naar eerste klasse.

Minister, wij staan achter uw sportbegroting, waarin 10 miljoen euro wordt vrijgemaakt voor de tweede oproep met betrekking tot de zwembaden.

Het nieuwe decreet op de georganiseerde sportsector wordt een belangrijk dossier voor 2016. We zijn daar allemaal heel erg mee bezig. We vinden het ook belangrijk dat er verder wordt ingezet op ‘Multimove voor Kinderen’ en de ‘Brede School met Sportaanbod’.

Minister, we vragen u om verder in te zetten op het optimaliseren van het opleidings- en bijscholingsaanbod voor onze sporttrainers en sportclubbestuurders. Dat is heel belangrijk. We vragen dat u een statuut maakt voor sportbegeleider en -trainer. Dit samen verder kunnen uitwerken, is mijn wens voor volgend jaar. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Voorzitter, ministers, beste collega’s, de tijd is kort, ik zal daarom slechts twee aandachtspunten aanhalen. Ik wil starten met een cliché. Jeugd is de toekomst. Dat is een cliché, maar dat is ook echt een waarheid. Hopelijk mogen we uit het participatiegedrag van de jongeren een tendens afleiden voor het toekomstige participatieproces van de Vlaming.

De participatiesurvey gaf algemeen aan dat er geen ommekeer was, behalve voor de jongeren. Steeds meer jongeren engageren zich in het vrijwilligerswerk, niet enkel in het jeugdwerk, maar in vrijwilligerswerk in het algemeen. Zo kiezen steeds meer jongeren tijdens hun vakantie voor vrijwilligersreizen. Vooral bij de 15- tot 17-jarigen is er een sterke stijging merkbaar.

Dit stelt ook de Bouworde vast: “De betrokkenheid van jongeren bij de huidige samenleving en de diverse problemen in deze wereld, lijkt te verhogen. Zo zien we bijvoorbeeld een sterke interesse voor onze projecten in asielcentra in eigen land. Maar ook voor de vrijwilligersreizen naar Nepal, waar er na de zware aardbevingen heel wat heropbouwwerk wacht.”

Beste collega’s, dit geeft kansen, maar onderstreept ook ineens de verantwoordelijkheid van de overheid. Jongeren staan ervoor open om samen een warme samenleving op te bouwen, hoe divers die ook is. Maar jongeren kunnen dit niet alleen. Het jeugdwerk, maar ook de sportverenigingen en de culturele verenigingen moeten voldoende ondersteund worden in hun diversiteitswerking zodat ze de veerkracht van andere jongeren kunnen versterken.

Ik denk, minister, dat u ook zelf deze uitdaging oprecht wilt aangaan. Maar het signaal dat de Vlaamse Regering vorige week gaf, is eigenlijk spijtig. We stellen vast dat 78 middenveldorganisaties ingingen in op de oproep ‘Positieve identiteitsontwikkeling bij jongeren’, maar dat slechts acht projecten een ondersteuning kunnen krijgen om hun project te realiseren.

Ik wil het optimistisch bekijken. Ik denk dat iedereen duidelijk aanvoelt dat hier meer in zit. Ik wil u daarom vragen om dit verder op te nemen, om na te gaan hoe dit een verdere uitrol kan krijgen.

Ik kom tot mijn tweede punt, beste collega’s en beste minister. Graag had ik nog even stilgestaan bij de btw-plicht voor jeugdhuizen – u had ook niets anders verwacht. Vandaag werd al aangegeven dat het plafond van 50.000 euro opgetrokken is tot 80.000 euro. Ik ben u ook dankbaar, minister, voor de inspanningen die u gedaan hebt om dit debat samen met federaal minister Van Overtveldt aan te gaan en om minstens deze ruimte te creëren.

Maar u kunt het me niet kwalijk nemen, collega’s, dat ik het effectief nog een ongelofelijk zuur smaakje blijf vinden dat onze Vlaamse jeugdhuizen beschouwd worden als gewone commerciële organisaties waardoor ze btw-plichtig zijn. Ik spreek inderdaad over Vlaamse jeugdhuizen, want we weten allemaal dat er enkel Vlaamse jeugdhuizen zijn. Dat vind ik toch wel spijtig, omdat het fundamenteel niet de juiste keuze is. Bovendien wordt er dan nog eens een Europese vlag over gelegd die op zijn minst discutabel is. Ik vind dat de jeugdhuizen deze discussie waard zijn, het is daarom dat ik dit aanhaal.

Minister, ik wil afsluiten met drie korte vragen. Ik weet dat de beslissingsmacht in dezen niet in uw handen ligt. Ik heb ook respect voor het debat dat federaal gevoerd wordt en voor de argumenten. We staan ondertussen wel 15 dagen voor de nieuwe regeling. Mijn vraag is dan ook op welke manier de jeugdhuizen die effectief btw-plichtig worden, de nodige ondersteuning kunnen krijgen om niet te verdrinken in de administratie. 

Ik wil ook vragen dat, als jeugdhuizen daadwerkelijk een vrijstelling zouden kunnen krijgen, daar echt ook wel de minste administratieve rompslomp bij zou komen kijken, zodat ook zij daar niet te veel onder zouden moeten lijden.

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Mevrouw Rombouts, uw partij, die nu zo stevig doorgaat op dit dossier en de zwartepiet doorspeelt, moet misschien eens contact opnemen met de Europese commissaris, die u welbekend is en die toch een o zo belangrijk takenpakket heeft. Misschien kunt u haar eens aanspreken en ernaar laten kijken, en haar de maatregelen laten nemen. (Applaus bij de N-VA)

Mevrouw Rombouts, u hebt het over die overlast voor jeugdhuizen. Ze moeten inderdaad documenten invullen. Ik vind echter dat daar ook een taak ligt voor het lokale beleid. Het is immers best mogelijk dat een lokale overheid vanuit het lokale jeugdbeleid zegt dit belangrijk te vinden, dat ze een jeugdhuiscoördinator aanstelt en daarmee probeert die overlast voor die jeugdhuizen te beperken. Wij als N-VA gaan dat promoten bij onze mensen. Ik verwacht van u net hetzelfde. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Eerst en vooral wil ik me even aansluiten bij het punt van mevrouw Rombouts. Het is jammer dat jeugdhuizen, die draaien op het engagement van jongeren, in een keurslijf worden gedwongen, alsof het cafés zijn, alsof het commerciële gegevens zijn. Zelfs de jeugdhuizen zelf zijn er absoluut niet over te spreken. 1 januari komt eraan, het nieuwe beleid zal bijna ingaan en ook zij stellen zich vragen bij die Europese richtlijnen. En wat doen we hier in dit parlement? We blijven hier de schuld naar elkaar doorschuiven. Vorige legislatuur, deze legislatuur... (Opmerkingen van Marius Meremans)

Ik stel voor dat we zo snel mogelijk ophelderen wat deze Europese regelgeving precies is, en dat we op een duidelijke manier kunnen communiceren waarom deze regering en deze Federale Regering die, wat mij betreft, slechte beslissing hebben genomen. (Applaus bij Groen)

De voorzitter

Mevrouw Soete heeft het woord.

Ann Soete (N-VA)

Mijnheer Annouri, u mag niet vergeten dat men al heel wat pintjes mag tappen om aan 80.000 euro omzet te komen. U mag ook niet vergeten dat heel wat sportclubs – het zijn niet allemaal Club Brugges en weet ik veel – ook op vrijwilligers draaien en ook een kantine hebben. Jeugdclubs zijn daar ook concurrenten van. Men moet eerlijk zijn.

Ondertussen zijn er heel wat reacties gegeven in dezen. Men stelt dat we Europa moeten raadplegen en eventueel de Europese commissaris daarover moeten aanspreken. Ik heb net aangegeven dat de Europese regelgeving toch op zijn minst discutabel is, omdat ik inderdaad verschillende adviezen naast elkaar heb gelegd. Ik heb net aangegeven dat voor mij en voor mijn partij onze jeugdhuizen op zijn minst die discussie waard zijn. Ik heb net aangegeven respect te hebben voor het debat op federaal niveau. We hebben hier ook niet de beslissingsmacht. Het enige dat ik kan vragen, is dat men het debat warm zou houden en verder zou nakijken wat eventueel de mogelijkheden in dezen zijn. Dat was mijn vraag in dezen, ja? Het gaat er niet over dat de problematiek niet wordt aangepakt, integendeel, maar als we enigszins de ruimte hebben, als juridisch voldoende kan worden aangetoond dat die ruimte er inderdaad is, ook Europees, dan mogen we die jeugdhuizen toch niet met die btw-plicht belasten. Ik hoop dat u het daar wel mee eens bent. Ik ging er alleszins van uit dat we wat dat betreft op dezelfde golflengte zaten.

Ik denk ook dat we op dezelfde golflengte zitten als het erover gaat om de administratie voor de jeugdhuizen maximaal te beperken. Mijn vraag was dat, als er een btw-plicht komt en er vrijstellingen zijn, men voor die jeugdhuizen die dan van die vrijstelling zouden kunnen genieten, ook zou nagaan hoe die dat maximaal op een administratief eenvoudige manier zouden kunnen aantonen. Daar kan men immers natuurlijk ook iets logs van maken, en het risico bestaat ook dat het dat zou worden. Daarom vraag ik ook aandacht voor het beperken van die administratieve lasten. Ik denk dat we wat dat betreft ook op dezelfde golflengte zitten.

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Ik volg u volledig wat die administratieve overlast betreft. U vindt ter zake in ons een bondgenoot. We hebben echter heel lang naar de cijfers gevraagd bij Formaat. Over hoeveel jeugdhuizen zou het precies gaan? We hebben die maar heel recent gekregen. Het gaat dus eigenlijk maar over maximaal 20 procent van de jeugdhuizen. De meeste jeugdhuizen, meer dan driehonderd jeugdhuizen, zijn vrijgesteld van btw.

En dan zijn dat de jeugdhuizen waar de grootste groep nog onder valt en die draaien op 100.000 euro. Deze jeugdhuizen draaien dus goed maar houden wel een boekhouding en btw-administratie bij. Daarvoor is er niet echt een groot probleem. We hebben ook al gehoord van jeugdhuizen die onder de 50.000 euro zitten en vragen om een btw-aangifte te mogen doen, want ze kunnen het ook inbrengen, ze kunnen het aftrekken. Dit is een ingewikkeld verhaal, we blijven dit verder opvolgen, dat weet u best.

De eerlijkheid gebiedt om toe te geven dat er de laatste weken en maanden hard aan gewerkt is. Het is dankzij het interne en het externe overleg dat er toch nog een consensus gevonden is. (Applaus bij de N-VA)

Collega’s, ik ben blij met de constructieve toon, maar toch drie opmerkingen.

Mevrouw Van Eetvelde, ik vraag me af waarom de sector dan zo op zijn achterpoten gaat staan met deze regeling. Als er toch geen grote problemen zijn, waarom is de hashtag #BTNee dan opgericht?

Mevrouw Soete, ja, een jeugdhuis moet al heel wat pintjes getapt hebben om aan 80.000 euro te geraken. Dat wil zeggen dat die jeugdhuizen goed werk doen en dat heel veel jongeren zich als vrijwilliger engageren en uitstekend werk verrichten. Het kan niet zijn dat we hen dwingen om een hele administratie op te starten en in orde te brengen. Dat zijn de geluiden die we horen.

Jeugdhuizen hebben wat mij betreft niets te maken met voetbalkantines, ik begrijp de vergelijking absoluut niet.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Mevrouw Soete, ik raad u aan om eens in een succesvol jeugdhuis binnen te stappen. Wij hebben er zo een in Kortrijk. Misschien kunnen we daar eens afspreken? U zult zien hoeveel werk zij verzetten en dat het echt niet zo moeilijk is om boven die 50.000 of 80.000 euro te komen.

Het gaat hier nog altijd over tachtig jeugdhuizen die niet worden vrijgesteld van die btw. Dat zijn niet alleen jeugdhuizen met professionele medewerkers, er zitten er heel wat tussen die puur met vrijwilligers werken. Ik kan alleen maar aansluiten bij de vraag van mevrouw Rombouts. Wat zult u doen als minister van Jeugd, om die jeugdhuizen te ondersteunen?

Ja, ik ben begonnen met te zeggen dat er heel wat stappen gezet zijn in dit dossier. De verruiming is belangrijk, maar het gaat over het fundamentele. Mogelijks zetten we het debat in de toekomst voort en onderhandelen we met de nodige documenten.

Als er ruimte is om geen volledige btw-plicht te moeten doorvoeren, hoop ik dat we elkaar vinden om dat effectief te doen. (Applaus)

De voorzitter

De heer Van Campenhout heeft het woord.

Ludo Van Campenhout (N-VA)

Ik deel het pessimisme niet van de heer Caron aangaande de sectorale subsidies via het Gemeentefonds. Die zijn bij de lokale besturen in goede handen, in het bijzonder voor Sport, in het bijzonder in grote steden, in het bijzonder bij mij, als u dat wilt zeggen.

We zijn blij met het onderbouwd Globaal Vlaams Sportinfrastructuurplan. Er is een globale visie op sportinfrastructuur en de subsidies worden decretaal verankerd.

We zijn blij met de verdere inhaalbeweging inzake zwembadinfrastructuur, na de eerste ronde komt er een tweede. De eerste ronde heeft – u was getuige met de Wezenberg – dat onze zwemmers in Israël al een pak medailles hebben gewonnen. Dus dat heeft al direct effect.

G-sport wordt decretaal verankerd, dat vinden wij top. Ook voor de risicovechtsporten wilt u een kader opzetten. Dat vind ik een goede zaak, vaak is er te weinig aandacht voor risicovechtsporten. Ik heb nog tien seconden spreektijd, in de risicovechtsporten heeft men meestal drie minuten. Ik ben blij dat u kwaliteitsstandaarden en decretale verankering voor de risicovechtsporten gaat bieden.

De voorzitter

De heer Vandaele heeft het woord.

Thuis heb ik nooit het laatste woord, hier dus wel. (Applaus bij de N-VA)

Thuis ben ik de mopperende oude knar, hier dus niet. (Gelach)

De twee zwaarste mediadossiers die op tafel liggen, zijn zeker de beheersovereenkomst met de VRT en de radiofrequenties. In het budget 2016 zit een besparing bij de VRT van 5,5 miljoen euro en op die manier doet de openbare omroep andermaal een flinke inspanning in budgettair krappe tijden. We hopen dat we in de toekomst wel naar een stabielere financiering kunnen gaan.

Zoals uw partij, minister, wordt ook de mijne vaak afgeschilderd als een vijand van de openbare omroep. Niets is minder waar. Een sterke, brede openbare omroep is zelfs een onderdeel van onze ideologie. Het is namelijk een instrument voor gemeenschapsvorming, voor het versterken van onze taal en cultuur, en voor democratisch burgerschap.

De nieuwe beheersovereenkomst moet deze doelstellingen opnieuw verankeren. De openbare omroep moet een trekkersrol blijven spelen inzake Vlaamse fictie, Nederlandstalige en Vlaamse muziekproducties en de Nederlandse standaardtaal, ook in fictie.

Het radiodossier is een tweede taaie kluif voor 2016. We willen een divers en economisch leefbaar radiolandschap, tevens een opstap naar digitalisering via DAB+. Op dat ogenblik komt er extra ruimte en kunnen capaciteitsproblemen moeiteloos worden opgelost. Denk aan de roep naar een extra commerciële landelijke frequentie. Wat de lokale radio’s betreft, moeten we vragen durven te stellen over kwaliteit en leefbaarheid.

Ik noemde al de rol van de media om burgers weerbaar te maken, maar ook mediawijsheid bij jongeren versterken, hen leren omgaan met sociale media en hen kaf van koren leren onderscheiden in de immense stroom van informatie waar wij dagelijks mee worden geconfronteerd, maken deel uit van die rol. De verruiming van Kranten in de Klas naar Media in de Klas is in dit verband nuttig. Ook onderzoeksjournalistiek past in dit plaatje. Vanuit het algemeen belang dingen uitdiepen en aan het licht brengen is onmisbaar voor het functioneren van onze democratie.

Bart Caron (Groen)

Mijnheer Vandaele, ik stap helemaal mee in uw lijn als het gaat over het Nederlands en het bevorderen ervan, maar ik heb ook een boon voor het dialect. Zaken als Bevergem, moeten die voor u worden afgevoerd? U hebt uitdrukkelijk gezegd: ook in fictie.

Inderdaad, ook in fictie. Maar daar mogen ook wel eens leuke dingen gebeuren in een dialect.

Bart Caron (Groen)

Niet te veel dan?

Er kan heel veel, ook in Standaardnederlands, zoals het vroeger ook kon. Daar kan ook allerlei nuance in zitten. Dat weet u. Ik heb u trouwens onlangs in de Taalunie horen pleiten voor de standaardtaal. En voor variatie.

Bart Caron (Groen)

Ik ben een heel groot voorstander van een goede kennis, zelfs een goede uitspraak van het Nederlands, waar ik persoonlijk in mijn korte levensloop niet meer toe zal komen, maar dit geheel terzijde. Ik vind dat ons dialect niet alleen als een dood immaterieel erfgoed moet worden beschouwd, maar ook als levend erfgoed. Laat die taalvariatie nu en dan ook spelen, niet dominant. Liever een mooi dialect dan een slechte tussentaal, mijnheer Vandaele.

Een van de meest populaire tv-series op de VRT was Flikken. Daar speelden Andrea Croonenberghs, Joke Devynck en ook Selahattin, wiens echte naam ik niet kan onthouden. Die spraken allemaal Standaardnederlands. Pasmans sprak Standaardnederlands. U had in Gent moeten zijn toen die mensen werden gevierd. Horden mensen stonden er te wachten. Ze waren immens populair bij onze jongeren. Het zou goed zijn mocht er eens een fictiereeks in standaardtaal zijn. Dan zouden onze jonge mensen ook weten dat dat even cool is als een mooie serie in de streektaal. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik ben blij dat er minstens drie collega’s vanuit een verschillende invalshoek de participatiesurvey over het cultuurparticipatiegedrag van de Vlaming hebben aangehaald. Cultureel blijft alles stabiel. Dit wil zeggen dat we niet echt vooruitgang boeken, als men dit negatief bekijkt. Als men het positief bekijkt, zeker ten aanzien van een aantal andere landen, dan blijft de cultuurparticipatie bij ons relatief hoog. Degenen die niet aan cultuur participeren, zijn inderdaad degenen die in grote mate onze goede programma’s van allerlei zenders op de media met graagte bekijken.

Anderzijds is er heel hoopgevend nieuws: het vrijwilligersengagement is zeer groot – dat klopt, mevrouw Rombouts. Dat heeft me ook zeer verheugd. Het past dus om dat vanuit het beleid verder mee te ondersteunen.

Nu, ik denk dat we best nog eens een debat hebben in de commissie over de resultaten van de participatiesurvey op zich. Er zijn toch een aantal zaken die we nog bijkomend of anders zullen moeten doen vanuit het beleid wanneer we de drie hoofddrempels om te participeren verder willen slechten. De grootste drempel is interesse, gekoppeld aan sociale opleiding. Dat is de meest taaie drempel om aan cultuur te participeren. Ik denk dat we die enkel verder naar beneden kunnen halen door ervoor te zorgen dat we nog meer en nog beter op cultuureducatie inzetten. Niet alleen geldt ‘hoe jonger, hoe beter’, het adagium dat we hier allen delen, maar we moeten ook kijken hoe we er bij jongeren in de puberleeftijd kunnen voor zorgen dat we de gepaste ‘kliks’ maken met cultuur, want het is dan dat men ze bijhoudt en men hen, laat ons zeggen, in een algemeen cultureel spoor meetrekt, of dat men ze mogelijk voor altijd kwijt is.

Tijd is een andere grote drempel om aan cultuur te participeren voor hogeropgeleiden. Het behoort natuurlijk niet tot mijn onmiddellijke hefbomen om daar iets aan te doen. Geld is een andere drempel, weliswaar veel lager dan interesse en tijd, maar voor de mensen die geen of te weinig geld hebben, is dat natuurlijk het eerste probleem. Ik denk dat daar het weliswaar gestaag uitrollende beleid rond de UiTPAS soelaas kan brengen. De UiTPAS heeft toch al bewezen, op de plaatsen waar hij nu al enkele jaren loopt, dat door hem onmiddellijk te koppelen aan mensen die in armoede leven, met de verschillende spelers die lokaal rond de problematiek actief zijn, daar toch resultaten mee worden geboekt. Ik hou mijn antwoord op dat vlak graag wat algemeen, omdat ik er graag nog dieper op zou ingaan tijdens de commissie.

Ik ben het ook eens met mevrouw Bastiaens, waar ze aanhaalt dat ook de vele partners uit het middenveld ons daarbij kunnen helpen. Met andere woorden, niet alleen de overheid bepaalt de context en het kader, maar het is via de katalysatoren die het middenveld uitmaken dat we meer resultaat kunnen boeken.

Er is ook even aangegeven dat er meer aandacht moet zijn voor de individuele kunstenaars, de jonge kunstenaars, de kleinere actoren in het kunstlandschap. Het is niet omdat er op dit ogenblik nog geen bijkomende stappen rond een code of conduct, rond het statuut van de kunstenaar zijn gezet, dat dit van het toneel is verdwenen. Ik herhaal wat ik in de commissie heb gezegd: het is wel degelijk zo dat alle actoren – gezelschappen, organisaties, instellingen die binnen het kunstendossier een dossier hebben ingediend – ook op hun relatie tot de individuele kunstenaar zullen worden beoordeeld.

Wanneer wij de nadruk zullen leggen op een aantal grote organisaties, onder meer de kunstinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap, dan is het toch ook wel de bedoeling om bij de verdeling van de middelen voor de zomer binnen het Kunstendecreet ook ruimte te maken voor de individuele kunstenaar. Dat is nog een debat dat we zullen hebben de komende maanden. We hebben dat al een stukje gehad. U mag mij aan deze woorden herinneren wanneer de subsidies zullen zijn verdeeld.

Er is ook wat pro en contra aan bod gekomen rond ondernemerschap in de cultuursector. Ik dank collega De Gucht om dat thema even aan te raken. Ik heb tussen de debatten door nog net de laatste oplevering kunnen beluisteren van het onderzoek in verband met het witboek Aanvullende Financiering. Daarover kunnen we in de commissie uitgebreid debatteren na nieuwjaar.

Mevrouw Idrissi gaf nog even aan dat ze sceptisch blijft omdat het niet gelukt is een aantal private middelen op te halen voor de Frankfurter Buchmesse. Ik wil er toch nog wel even aan herinneren, zoals ik in de commissie heb gezegd, dat zolang wij er niet in slagen om bijkomende fiscale stimuli te creëren, zelf en in samenspraak met onze federale collega’s, dit niet meteen makkelijk zal worden. Dat is dus een engagement dat ik voor mezelf de komende maanden aanga.

Daarnaast mag men de specificiteit van de Frankfurter Buchmesse niet uit het oog verliezen. Het is een B2B-beurs waar het grote publiek niet op aanwezig is, maar enkel specialisten uit de sector, weliswaar wereldwijd. Daar komt een heel specifiek soort sponsors op af. Men mag met andere woorden aanvullende financiering in de cultuursector niet op dit dossier afrekenen. Het is daarvoor te particulier.

Wat betreft de beheersovereenkomst met de VRT, kan ik niet in detail treden, aangezien de gesprekken met onze partner binnen de openbare omroep in een vergevorderd stadium zitten. Ik wil wel ingaan op de communicerende vaten binnen het ecosysteem omdat de heer Caron aangaf dat hij 2005 met 2015 heeft vergeleken. Ja, ik kan natuurlijk 2015 ook vergelijken met 1989. Op dat ogenblik waren alle media-actoren zowel qua middelen die te besteden waren als qua mensen die er werkten, op één plaats in Vlaanderen gecentraliseerd. Sindsdien zijn er meerdere spelers en is de mediasector in zijn geheel zowel qua geld dat erin omgaat als qua mensen die erin werken, substantieel gegroeid.

De creatieve industrie – zeker de mediasector behoort daartoe – is een van de groeiende sectoren op economisch vlak. Ik zal natuurlijk niet tegenspreken dat het voor de VRT met de besparingen nu allemaal even wat moeilijker wordt. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat de VRT binnen dat ecosysteem een heel belangrijke speler is en misschien wel de belangrijkste blijft. Het is dus niet zo gemakkelijk om enkel naar 2005 in de achteruitkijkspiegel te kijken. Het is beter om vooruit te kijken en na te gaan hoe we rond de grote spelers, zoals de VRT, bijkomende tewerkstelling kunnen en zullen creëren.

Inzake Jeugd beperk ik me tot het debat van de dag. Het is ook letterlijk te nemen omdat minister Van Overtveldt mij aan het begin van deze middag heeft ingelicht over zijn beslissing om het plafond vanaf wanneer men vrijgesteld is van btw op te trekken van 50.000 naar 80.000 euro. Principieel is het debat niet ten einde. Daarmee bedoel ik dat er hier een welles-nietesspelletje is gespeeld over in hoeverre de Europese Commissie ons en anderen verplicht om vrijstellingen mogelijk te maken of niet. Ik ga daar nu niet verder op in. Dat zijn zaken waar vaak rechtscolleges een oordeel over moeten vellen. Die zaak blijft niet volledig uitgeklaard. Bepaalde juristen zeggen nog altijd dat het wel degelijk aan de gemeenschappen in ons land is om te bepalen of men vrijgesteld is of niet. Dat is de principieel-juridische discussie die nog niet volledig van de baan is.

Ik ben minister Van Overtveldt wel erkentelijk dat hij de grens heeft willen optrekken na de verschillende contacten en op basis van de cijfers die de koepel van de jeugdhuizen, Formaat, heeft geleverd. De oplossing die uit de bus is gekomen, is niet perfect, maar het betere is altijd de vijand van het goede. Ik ben blij dat we geëvolueerd zijn van een beslissing van de Federale Regering die ervoor zou gezorgd hebben dat maar de helft van de jeugdhuizen vrijgesteld zou zijn van btw naar iets wat nu in het voordeel is van 80 procent van de jeugdhuizen in Vlaanderen.

Wat zal er nu gebeuren? Minister Van Overtveldt heeft gezegd dat hij gaat voor een rustige en zachte invoering van het systeem. Het is niet op 1 januari dat de controleurs op de drempel van de jeugdhuizen zullen staan om de zaak in werking te doen treden. Er zal een zekere fasering zijn. Daarnaast heeft hij ook toegezegd om met zijn en mijn administratie te kijken hoe we een vorming – lees dan vanuit ons: een ondersteuning – kunnen aanbieden aan wie het nodig heeft en wie dus niet vrijgesteld is. Geef me daarvoor even de tijd. Het is alvast goed dat die opening vandaag is gemaakt.

Voorzitter, ik heb niet alles beantwoord. Dit zijn een aantal hoofdlijnen. Ik word ook aangemaand door de minister van Financiën en Begroting om het hiertoe te beperken, en dat ga ik dan ook doen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik wil heel kort zijn. Ik ben blij met de uiteenzettingen over sport. Ik ben ook blij met de mensen die niet het woord hebben genomen over sport. Ik voel me daardoor gesteund in het sportbeleid, want anders had iedereen, zeker vanuit de oppositie, wel het woord genomen om het beleid bij te sturen. Voor sport is dat belangrijk, want sport moet verenigen, en dat lijkt te lukken.

Ik heb er heel veel appreciatie voor dat er op dit uur van de dag nog zoveel parlementsleden aanwezig zijn. Ik heb dat in het verleden wel anders gezien. Proficiat voor jullie! (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

We zijn nog fris als hoentjes. Ik was ook blij dat verschillende collega’s verwezen naar de participatiesurvey. Die toont dat participatie tout court, maar zeker cultuurparticipatie en participatie aan de kunst, een ongelijk gespreid goed blijft. Het is vooral een zaak van een grijs, hoogopgeleid publiek. En dat is heel taai, dat blijft zo. U hebt terecht gezegd dat tijd vooral voor hoogopgeleide mensen in het ‘rush hour’ van het leven een belangrijk argument is.

We weten ook uit het participatieonderzoek dat de belangrijkste vrijetijdsbesteding van mensen tv-kijken is. Tv speelt dus ook een heel belangrijke rol als het gaat over cultuur. Tv is een belangrijke verspreider van cultuur en een belangrijke manier om te participeren aan cultuur. We moeten daar vooral rekenen op de openbare omroep, en we doen dat. U vindt dat belangrijk. Maar als we mensen willen toeleiden naar cultuur via tv, is het ook belangrijk dat we de mix behouden met ontspanning. Daarover blijf ik ongerust. Want als we morgen of overmorgen uitkijken naar de beheersovereenkomst van de VRT, dan blijf ik eigenlijk heel ongerust over op welke hoogte daar ontspanning zal worden meegenomen. Want ontspanning is het glijmiddel naar cultuur, naar informatie, naar duiding. De resolutie van de meerderheid, waar we uitgebreid over hebben gediscussieerd, heeft ontspanning naar de tweede orde gebracht. Daar gaan wij op toekijken.

Bart Caron (Groen)

Als commissievoorzitter ga ik aan mijn commissieleden voorstellen om het participatieonderzoek, zowel voor cultuur als voor jeugd en sport, uitgebreid te becommentariëren en te bediscussiëren. Minister, ik denk dat iedereen de bekommernissen ten gronde deelt en dat we de cijfers goed moeten analyseren en conclusies trekken.

Er is een correlatie, minister. In de landen waar we een sterke openbare omroep hebben, hebben we een sterk commercieel landschap en hebben we sterke private productiehuizen. Dat samenspel trekt de markt vooruit. Als je in het buitenland op een hotelkamer bent, en je kijkt dan naar een heel slechte openbare omroep, dan heb je ook heel slechte commerciële zenders. We staan kwalitatief aan de top in Vlaanderen. Dat is de bekommernis die ik wil uiten. Minister, ik denk dat u als liberaal vroeger nooit had gedacht dat dat zo zou kunnen zijn, en ik als links politicus eigenlijk ook niet, maar ze helpen elkaar vooruit. Het is een wonder dat het zo kan. Kijk naar de UK, en wat de BBC en dergelijke in het landschap verwezenlijken. Laat ons dat koesteren in Vlaanderen.

De voorzitter

Dank u wel, mijnheer Caron voor deze afsluitende woorden.

Dames en heren, wij danken de voorzitter dat hij het zo lang volgehouden heeft. (Gelach)

Verontschuldigingen
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.