U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016.

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, bij de voorbereiding van de begrotingsbespreking moest ik terugdenken aan een 11 juli-interview met de minister-president in De Tijd: “Deze regering is het beste wat de Vlamingen kon overkomen.” Dat citaat werd meteen ook de kop boven het krantenartikel.

Minister-president, op dat moment wist ik niet goed waar u het over had. Op dit moment weet ik het nog veel minder. Ik begreep u toen al niet, want op dat moment hadden de Vlamingen waarover u sprak, toch al fors moeten inleveren door de verdubbeling van de premie van de zorgverzekering, de niet-indexering van de kinderbijslag, de duurdere tickets van De Lijn, de vermindering van de woonbonus, de verhoging van het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs, de verhoging van de maximumfactuur in het lager en het kleuteronderwijs, de afschaffing van het gratis vervoer voor 65-plussers, de afschaffing van de gratis stroom en de verhoging van de saneringsbijdrage voor het drinkwater. Het zijn maatregelen van een jaar geleden, maar ondertussen begrijp ik uw woorden “deze regering is het beste wat de Vlamingen had kunnen overkomen” helemaal niet meer.

De Vlamingen mogen niet alleen meer betalen voor minder dienstverlening, ze worden door de regeringen van dit land ook nog eens opgezadeld met de immigratie van tienduizenden asiel- en/of gelukzoekers uit andere continenten – alsof er nog niet genoeg immigratie naar Vlaanderen was. Het is een massa-immigratie die ons welzijn, onze veiligheid en zelfs onze identiteit nog meer op de helling zet. Een massa-immigratie die bovendien totaal ongewenst is door onze eigen Vlaamse bevolking, maar die ze door de regeringen in dit land en de Europese Unie door de strot geramd krijgen.

Minister-president, volgens u doet deze regering het dus opperbest. Nochtans blijft het overheidsbeslag in ons land veel te hoog en krijgen de Vlamingen voor het betalen van steeds meer belastingen steeds minder in ruil. Besparingen leiden tot tariefverhogingen en afslanking van dienstverlening. Nieuwe belastingen en retributies worden in het leven geroepen. De regering doet het zo goed dat de onderwijssector steen en been klaagt over de besparingen. De Vlaamse Onderwijsraad toont zich uitermate bezorgd over hoe scholen in het basis- en secundair onderwijs hun werking verder dienen te financieren. De lineaire besparingen op de werkingsmiddelen van 2015 worden immers ook doorgetrokken naar volgend jaar. En dat in tijden van stijgende energieprijzen en van hoge onderhoudskosten voor een verouderd schoolpatrimonium.

Het katholiek onderwijs vroeg naar aanleiding van deze onverwachte besparing op de werkingsmiddelen overigens om de maximumfactuur nog maar eens te verhogen. Ook over de besparingen in het hoger onderwijs klaagt de onderwijssector steen en been. Minister-president, terwijl u zegt dat deze regering het beste is wat de Vlamingen kon overkomen, blijven veel Vlamingen in de kou staan. Bijvoorbeeld de gezinnen. In de begroting is geen geld gepland voor de indexering van de kinderbijslag. Zal de Vlaamse Regering de gezinnen nog eens treffen met een tweede indexsprong?

Ook veel gehandicapten zullen in de kou blijven staan. In 2016 start de persoonsvolgende financiering en zullen de basisondersteuningsbudgetten en persoonsvolgende budgetten worden toegekend. Voldoende geld is er helaas niet. Er is in een groeipad voorzien, maar iedereen is het erover eens dat het budget niet volstaat om de doelstellingen waar te maken.

Ook veel rusthuisbewoners hebben voorlopig weinig reden om te juichen. Een verblijf in een rusthuis kost nu gemiddeld al 1500 euro, een pak meer dan het gemiddelde pensioen dat 1200 euro bedraagt. Alleen al tussen 1 januari en 30 september van dit jaar werden 235 aanvragen tot prijsverhoging voor rusthuizen ingediend. Nog maar enkele maanden geleden was er ook al een petitie van de sector om meer te investeren in de zorg voor onze ouderen.

Ook de niet-zorgbehoevende Vlaming heeft hoe langer hoe minder reden om tevreden te zijn met het beleid van de regering. Een schuldenput ten gevolge van groenestroomcertificaten? Geen probleem, we zorgen wel even snel voor een nieuwe heffing. Elk gezin dat elektriciteit gebruikt, iedereen dus, mag zomaar even 100 euro per jaar extra ophoesten. Wat het gevolg is van alle nieuwe lasten op energie, bleek deze week uit de cijfers van de energieregulator VREG. De stroomfactuur voor een gemiddeld gezin zal op een jaar tijd, dankzij de Turteltaks, de verhoging van de distributienettarieven, het doorrekenen van de vennootschapsbelasting en tutti quanti met maar liefst 50 procent stijgen: van 675 naar meer dan 1000 euro. Collega’s, het wordt op de energiefactuur stilaan zoeken, tussen al die taksen, naar de nettokostprijs van de elektriciteit.

Dat de belastingen worden verhoogd, wordt echter niet toegegeven en de regering wordt ook steeds inventiever in het maskeren van belastingverhogingen: de ene keer heet het dan het dempen van schuldenputten zoals bij de energieheffing, de andere keer gebeurt de belastingverhoging onder het motto ‘de vervuiler betaalt’ en een volgende keer spreken we over de vergroening van de verkeersbelasting. Inderdaad, ook de zogenaamde vergroening van de verkeersbelasting komt uiteindelijk neer op een belastingverhoging. De eigenaars van dieselwagens mogen een bijdrage leveren om het gat in de begroting letterlijk en figuurlijk dicht te rijden. De komende vijf jaar zullen de inkomsten uit verkeersbelastingen blijven stijgen. Voor de belasting op de inverkeerstelling (BIV) verwacht de minister volgend jaar 50 miljoen euro meerinkomsten. Overigens is dat een belastingverhoging die ook nog eens asociaal is, want vooral mensen die noodgedwongen een tweedehandswagen moeten kopen, zullen die vergroende verkeersbelasting mogen ophoesten. Binnenkort mogen de Vlamingen misschien ook nog eens gaan rekeningrijden. Minister-president, deze regering doet me wat denken aan de sheriff van Nottingham, uit de Disneyfilm Robin Hood, de antagonist van Robin Hood, die op een totaal onverantwoorde wijze voortdurend bezig is geld uit de zakken van de mensen te schudden.

Collega’s, moet iedereen dan ontevreden zijn met het huidige beleid van de regering? Uiteraard niet. Onze collega’s aan de overkant van de taalgrens kunnen meer dan tevreden zijn over het totale gebrek aan assertiviteit van deze Vlaamse Regering. Over de miljardentransfers bijvoorbeeld horen we enkel maar iets wanneer mijn partij ernaar vraagt. De eis om die georganiseerde diefstal van Vlaams belastinggeld aan te pakken zit samen met de belofte om de immigratie te beperken ver weg opgeborgen in de koelkast van de grootste regeringspartij. Ook niet ontevreden over deze begroting zijn allicht de vluchtelingen en asielzoekers die hier dankzij het opengrenzenbeleid en onze open sociale zekerheid zijn aangespoeld. Collega’s, was er overigens geen partijvoorzitter die beweerde dat open grenzen en open sociale zekerheid een slechte combinatie zijn? Wel, waar is die beperking van de sociale zekerheid van N-VA? Buiten een – met opzet, neem ik aan – in een verkeerd parlement ingediend wetsvoorstel om kinderbijslag voor nieuwkomers voor de eerste vier jaar te beperken, hebben we nog niets gezien van initiatieven die ons land minder aantrekkelijk moeten maken voor immigratie.

Voor het Vlaams Belang is dit nochtans dringend nodig: geen sociale zekerheid zonder minimumverblijfsduur en minimum aantal jaren werk in ons land.

Het onthaal van vluchtelingen kost onze samenleving pakken geld: volgens de begrotingsstukken volgend jaar alleen al 120,8 miljoen euro. Dat is ongetwijfeld nog een forse onderschatting. Niemand weet wat er precies op ons afkomt. Terwijl de regering de dienstverlening voor de Vlamingen fors duurder maakt en als volleerd goochelaar nieuwe heffingen uit haar mouw schudt, blijven inburgering, taalcursussen, onthaalonderwijs en VDAB-begeleiding voor vluchtelingen volledig gratis. Een volledig inburgeringstraject kost volgens de minister per immigrant 4317 euro. Gerekend aan 25.000 vluchtelingen, bedraagt de totale factuur van hun inburgering vlot een miljoen euro. Zelfs asielzoekers die niet eens erkend zijn, mogen vanaf vier maanden na hun aanvraag gratis en voor niets inburgeringscursussen volgen. Binnen Inburgering is 22 miljoen voorzien voor de aanpak van de asielcrisis. Binnen het beleidsdomein Onderwijs voorziet de regering 44 miljoen voor de asielcrisis, waarvan 18,5 miljoen voor lessen Nederlands. Ook de VDAB krijgt 40 miljoen extra voor begeleiding van vluchtelingen naar de arbeidsmarkt. De CAW’s worden dan weer versterkt voor de psychosociale begeleiding van vluchtelingen.

Ook tevreden over het beleid is allicht de integratie- of diversiteitsindustrie. In het kader van de zogenaamde strijd tegen de radicalisering wordt kwistig geld uitgedeeld aan projecten, het ene al zotter dan het andere. We mochten al vernemen dat onder het motto ‘jongleren om niet te radicaliseren’ een circusschool in Molenbeek in de prijzen valt, een multicultureel theatergezelschap uit Gent, een Marokkaanse cultuurvereniging, enz. De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur verdeelde in dit verband 568.000 euro over negen gemeenten met een ‘acute radicaliseringsproblematiek’. Het deradicaliseringsbeleid is als het ware een goudmijn voor welzijnswerkers, projectbegeleiders, diversiteitscoördinatoren, vormingswerkers en hulpverleners allerhande.

De grote winnaar van het zogenaamde ‘deradicaliseringsbeleid’ zijn de moskeeën. Minister Homans kondigde recent aan zo’n 50 dossiers klaar te hebben om moskeeën te erkennen en dus mogelijk ook later via de provincies te laten betoelagen. Gerekend aan gemiddeld 40.000 euro per moskee, hangt aan haar beslissing een prijskaartje vast van maar liefst 2 miljoen euro.

Ook wat de begroting betreft is de communicatie bijgesteld. Bij het aantreden van de regering luidde het nog trots ‘we gaan voor een begroting in evenwicht, we willen de lasten niet doorschuiven naar de volgende generaties’. Ondertussen is de communicatie bijgesteld en heet het dat u niet ‘halsstarrig wil vasthouden aan een begrotingsevenwicht’. Alsof dit evenwicht iets dwaas zou zijn.

Deze Vlaamse Regering kiest voor een communautaire stilstand, deze Vlaamse Regering kiest vóór België en dus tégen de belangen en de portemonnee van de Vlamingen. Deze regering treft de Vlaming in zijn portemonnee door allerlei basisdienstverleningen en vooral de levering van energie fors duurder te maken, terwijl geld wordt besteed aan zaken waar de Vlaming helemaal niet om vraagt. Deze regering kiest voor immigratie en het onderhouden van tienduizenden vluchtelingen terwijl ze niet eens in staat is om betaalbare zorg te garanderen aan de zwaksten van ons eigen volk, aan armen, zorgbehoevenden, ouderen en gehandicapten.

Deze regering slaagt er niet in de ommekeer in het beleid te realiseren die de regeringspartijen bij de verkiezingen beloofden. Dit alles gezegd zijnde, zal het u niet verbazen dat het Vlaams Belang deze begroting niet zal goedkeuren. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Voorzitter, dames en heren, het lijkt me gepast om na de algemene betogen een eerste reactie te geven van de regering. Straks volgen de besprekingen van de diverse beleidsdomeinen. We hebben alle partijen gehoord en ik beklemtoon dat deze regering op twee jaar tijd ongelooflijke inspanningen doet. Het is daarstraks herhaaldelijk aan bod gekomen: we hebben de effecten van de zesde staatshervorming, namelijk 1,5 miljard euro, weggewerkt in deze periode. Daarbovenop komt de onderfinanciering – het is vooral minister Vandeurzen die dat voelt – in Welzijn van een aantal materies, zoals de enkelbanden, rustoorden voor bejaarden (rob), rust- en verzorgingstehuizen (rvt), RSZ-kortingen in de koopvaardijsector. Ook die zaken werken we weg. We krijgen een bijkomende schuld ingekanteld in 2016 ten belope van 5 miljard euro in de ziekenhuizen met daarbovenop een onderfinanciering voor de vastleggingen die gedaan zijn door de Federale Regering. Daardoor hebben we 150 miljoen euro per jaar tekort om alleen al betalingen te doen voor de ziekenhuizen. Dan hebben we zelf nog niet kunnen beslissen tot het leggen van één nieuwe steen voor ziekenhuizen.

Niettemin is deze regering een investeringsregering. We creëren een groeipad en dat staat in de begroting – wat de oppositie ook moge beweren –, namelijk 400 miljoen euro bijkomende investeringen in 2016. Diegenen die zeggen dat ze het groeipad niet vinden in de meerjarenraming, miskennen de aard van de meerjarenraming. Zoals de heer Diependaele aangetoond heeft, vertrekt een meerjarenraming van de huidige situatie. Ceteris paribus, wat is het resultaat in 2019? In de huidige omstandigheden met de economische groei die lager is dan we met zijn allen hadden gehoopt, laat het resultaat toe om in 2019 982 miljoen euro meer te investeren. We blijven dus trouw aan de grote beleidslijnen die we hebben getrokken bij de start van de regering. We zullen bijkomend investeren. We hebben twee grote sporen: het sociale, het welzijnsspoor en het economische spoor. Het is onze blijvende ambitie om in 2019 te komen tot een recurrente groei van die twee sporen met elk 500 miljoen euro per jaar. We zitten op schema ondanks de moeilijke tijden, ondanks het feit dat we vorig jaar een groei kenden van 1,2 procent, ondanks het feit dat het Planbureau ons zegt dat we in 2016 maar rekening mogen houden met een groei van 1,3 procent. Ik hoop dat we het met zijn allen eens zijn dat de groei meer zou mogen zijn en dat die groei lager is dan verhoopt. We doen er alles aan om die groei te bewerkstelligen, precies omdat we op een heel verstandige manier investeren in infrastructuur en economie en mee met de federale overheid werk maken van de taxshift.

Ik hoor kritiek van de oppositie. Alles is verkeerd. We zouden niet mogen besparen. We zouden de tering niet naar de nering mogen zetten. We zouden geen orde op zaken mogen stellen in de begroting. Ik herhaal dat we de tering naar de nering zetten op een zeer verstandige manier, zonder dat we overmatige offers vragen. Wat we vragen is gespreid, gematigd en vergelijkbaar met andere entiteiten en andere landen. Aangenaam zal het niet zijn, maar mijn ervaring is – anders dan deze van een aantal onder u – dat mensen daar begrip voor opbrengen, dat mensen zeggen dat een begroting ofwel ontspoort ofwel dat je de tering naar de nering zet en een verstandig beleid voert gericht op de toekomst, gericht op investeringen die we volop aan het ontwikkelen zijn, gericht op groei van jobs.

Degenen die beweren dat deze regering niet zou hervormen, miskennen de realiteit. We zijn amper anderhalf jaar aan het werk. We zijn bezig met een immense omslag van onze overheid, met een gigantische afslanking van onze overheid, met het terugschroeven van het aantal entiteiten, het verminderen van het aantal ambtenaren. We spitsen ons toe op de kerntaken van de overheid en tegelijkertijd zorgen we ervoor dat er een band wordt gesmeed tussen de overheid en de burgers, tussen de overheid en de ondernemingen, tussen de overheid en de onderwijssector, tussen de overheid en de verenigingen; een band van vertrouwen, van autonomie, van verantwoordelijkheid geven.

Dat doen we ook op het lokale vlak, voor onze gemeenten die veel meer autonomie krijgen, die veel minder betutteld worden, die niet moeten plannen, die moeten rapporteren aan de Vlaamse overheid, die zelf hun democratische verantwoordelijkheid kunnen nemen. Het verwondert me dat er achterhoedegevechten zijn tegen bijvoorbeeld de integratie van de OCMW’s en de gemeenten. We zijn bezig met een hervorming van de provincies, we maken steden provincievrij, we hebben de verdeeltaks afgeschaft en de schenkingsrechten op onroerend goed gereduceerd en nog zoveel zaken meer. Er is de hervorming van de kmo-portefeuille, maar dat aspect werd deze morgen uitvoerig toegelicht. Ik ga er dus niet dieper op in.

Vlaanderen draagt 26 procent bij in de taxshift. Vanaf 2016 is dat 72 miljoen, 334 miljoen in 2017, 338 miljoen in 2018, 583 miljoen in 2019, 842 miljoen in 2020 en in 2021 loopt dit op tot 873 miljoen. Diegenen die klagen over de maatregelen en beweren dat de koopkracht erop achteruitgaat, raad ik aan de cijfers erbij te nemen en te kijken wat de taxshift aan koopkracht genereert bij de bevolking, alleenstaanden, de lage tweeverdieners, de hogere tweeverdieners, de zelfstandigen en de gepensioneerden. Voor alleenstaanden is dat in 2016 al 55 euro per maand en 106 euro per maand in 2019. Daarvan betaalt Vlaanderen, betaalt deze regering, 26 procent. Voor een koppel laagverdieners is dat 153 euro per maand in 2016 tot 297 per maand in 2019. Zo kan ik doorgaan met hogere verdieners, gepensioneerden en zelfstandigen. We realiseren een kolossale hervorming in budgettair moeilijke tijden. Het doel is welvaart te creëren en de koopkracht te verhogen, de mensen meer autonomie te geven met het doel meer jobs te creëren.

U weet dat de er tienduizenden nieuwe jobs worden voorspeld. We investeren in onze economie, in infrastructuur, in onderzoek en ontwikkeling, zorgen dat de koopkracht verhoogt, dat de lonen goedkoper worden. Vlaanderen draagt daar zijn steentje toe bij.

Na anderhalf jaar regeren is er een indrukwekkende reeks van hervormingen in Vlaanderen gerealiseerd. We staan niet stil, we houden niet op met hervormen. De regering is hard aan het werken aan hervormingen die binnenkort moeten worden gerealiseerd. Ik denk aan de vrijwillige fusies, aan de versterking van de handelskernen met het Kleinhandelsdecreet, aan de vervanging van de IKEA-wet. Ik denk aan de basisbereikbaarheid. Ik denk aan het doelgroepenbeleid, dat op het punt staat goedgekeurd te worden. Dat zal nog eens een bijkomende injectie geven en een bijkomende substantiële verlaging betekenen van de loonkosten.

We beperken de horizon niet tot wat de eerste maanden of jaren moet gebeuren. Er zijn twee grote uitdagingen. Vooreerst is er de klimaatuitdaging. Met de klimaattop willen we de uitdaging aangaan en mobiliserend werken. We reiken hier de hand aan de oppositie om samen te werken. Iedereen zal een bijdrage moeten leveren, alle overheden, de industrie, de landbouw. We zullen moeten vragen dat alle burgers hun verantwoordelijkheid nemen. We gaan die uitdaging niet uit de weg. We rekenen op innovatie, op verantwoordelijkheidszin, op een ommekeer.

De tweede grote uitdaging, collega’s, en die hangt ermee samen, is de ruimtelijke ordening. Wij moeten zorgen dat we die omslag ook in de ruimtelijke ordening kunnen maken, zoals in het regeerakkoord staat, dat we gaan naar ‘verkerning’ en verdichting en dat we minder linten hebben. Die omslag moet worden gemaakt. Volgend jaar moet het witboek er zijn om die grote lijnen van het nieuw Beleidsplan Ruimte Vlaanderen uit te kunnen tekenen.

Collega’s, deze regering neemt wel haar verantwoordelijkheid. Deze regering neemt haar verantwoordelijkheid in bijzonder moeilijke tijden, in bijzonder barre budgettaire tijden. Wij hebben maatregelen genomen om het schip op koers te houden, om het doel dat we voor ogen gesteld hebben, te bereiken, namelijk de tering naar de nering zetten, een budget in evenwicht hebben, zorgen dat de kinderen na ons niet overmatig belast zijn met schulden, en tegelijkertijd ruimte vrijmaken om te investeren, tegelijkertijd een groot aantal maatschappelijke hervormingen doen, een omslag maken in de cultuur van de regering, een omslag maken in de visies op lange termijn. We zijn ervan overtuigd dat wij de goede keuzes maken. We gaan dat spoor houden, collega’s. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

Voorzitter, deze morgen tijdens het debat heb ik al heel wat gezegd. We leggen vandaag een begroting neer met een grote orthodoxie: een tekort van 0,07 procent op het bbp. Als je dat vergelijkt met andere Europese regio’s, zitten we absoluut in de top.

We hebben op dit moment een schuld van 4 tot 5 procent. Voor mij is het belangrijk dat we een heel strenge begrotingsorthodoxie hebben. We starten al in 2015 en 2016 met 600 miljoen euro nieuw beleid: investeringen in welzijn, in onderwijs, in sport, in het bedrijfsleven, in onderzoek en ontwikkeling. Op die manier zorgen we ervoor dat we goede, propere rekeningen hebben, maar vooral dat we een beleid voeren voor de toekomst dat start met het economisch herstel. Dat geven we in Vlaanderen alle kansen. Het beste bewijs daarvoor is dat we 1 miljard euro meer investeren. Als je de investeringen bekijkt die Vlaanderen doet, dan was er in 2015 een investering van meer dan 5 miljard euro en in 2016 investeren we meer dan 6 miljard euro. Er is dus een sterke stijging van het investeringsritme. De Vlaamse Regering maakt echt wel haar belofte waar, namelijk de belofte een investeringsregering te zijn. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Verzoek tot raadpleging van de Raad van State

Collega’s, ik vraag even uw aandacht, want de heer Rzoska heeft zich vanmorgen in zijn uiteenzetting tot de voorzitter gericht. Hij heeft tot mij een mondeling verzoek gericht in verband met twee amendementen die ingediend zijn naar aanleiding van de energieheffing. Een van de twee amendementen is al verwerkt in de door de commissie aangenomen tekst. Maar, mijnheer Rzoska, u hebt een amendement ingediend na goedkeuring van de commissie. Ik kan daarover het advies van de Raad van State vragen op voorwaarde dat ten minste een derde van de volksvertegenwoordigers zich daarmee akkoord verklaart. Dus moeten 42 volksvertegenwoordigers zich daar hoofdelijk mee akkoord verklaren.

Een mogelijkheid is dat u me 42 namen bezorgt. Een andere mogelijkheid is dat we nu stemmen bij zitten en opstaan. (Opmerkingen)

We kunnen eventueel ook elektronisch stemmen.

Ik zal eerst de collega’s die een middagdutje aan het doen zijn, oproepen. (Gelach)

Voorzitter, is het niet uw discretionaire bevoegdheid als voorzitter die hier speelt? En als er moet worden gestemd, is er dan een derde van de aanwezigen nodig of een derde van de totaliteit van de volksvertegenwoordigers?

De voorzitter

Een derde van de totaliteit, namelijk 42 volksvertegenwoordigers, niet een derde van het aantal aanwezigen in de zaal. Goed geprobeerd.

Dames en heren, we spreken ons nu uit over het mondelinge verzoek van de heer Björn Rzoska dat de voorzitter van het Vlaams Parlement aan de Raad van State zou vragen om binnen een termijn van vijf dagen een advies uit te brengen over zijn amendement.

– Het verzoek tot raadpleging van de Raad van State wordt met 25 stemmen tegen 50 niet aangenomen.

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016.

De voorzitter

Financiën en Begroting

Dames en heren, we vatten nu de bespreking van het onderdeel Financiën en Begroting aan.

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, deze begroting is eigenlijk een hink-stap-sprong. De begroting moet worden gesaneerd zonder dat de groei wordt gefnuikt. Bovendien moeten er investeringen ten bate van de toekomst gebeuren. Omdat deze regering spaarzaam met de middelen omgaat, daalt het tekort in 2016, in vergelijking met 2015, met ongeveer 400 miljoen euro, tot 170 miljoen euro. Zo ligt het evenwicht binnen handbereik. De groeiprognose voor 2016 bedraagt 1,3 procent, wat ongeveer het Europees gemiddelde is. We zullen er volgens de Nationale Bank in slagen om 40.000 extra jobs te creëren. We investeren 400 miljoen euro, en dat geld gaat prioritair naar welzijn, scholenbouw en de koopkracht, via de taxshift. In welzijn doen we dat om de vergrijzing op te vangen, in de scholenbouw doen we dat om de maatschappelijke polarisering tegen te gaan.

In het verleden spraken we over het structurele evenwicht, vandaag is dat het meerjarentraject geworden. De Hoge Raad van Financiën stelde dat dit jaar het tekort maximaal 752 miljoen euro mag bedragen, uiteindelijk is het slechts 172 miljoen euro geworden. Waarom besliste deze regering om meer te doen dan de raad vroeg? De Vlaamse Regering wou voorkomen dat er zich een schuldensneeuwbal zou ontwikkelen. Het Rekenhof heeft in de commissie Financiën uitgebreid aangetoond dat de schuld dit jaar 26 miljard euro bedraagt. Als de terugbetaling van KBC er niet was van afgetrokken, dan zaten we aan een bedrag van 29 miljard euro, om tegen 2021 te stijgen naar 32 miljard euro. U begrijpt dat groei erg belangrijk is om de algemene schuldgraad onder controle te houden. Het is dus zaak om een evenwicht van 4 tot 5 procent te behouden, zoals ook de minister al zei.

Wat de schuld betreft, zijn er toch verzachtende omstandigheden. Die schuld loopt op wegens investeringen in sociale leningen en sociale woningbouw. Daar staat een patrimonium tegenover dat zo nodig ten gelde kan worden gemaakt. Dat noemt men tegenwoordig met een ingewikkeld woord de ‘Turtelboomnorm’. Aan de andere kant gaat het over de Oosterweelverbinding, waarover alle partijen het eens zijn dat er een grote investering moet gebeuren om de mobiliteitsknoop rond Antwerpen nu eindelijk eens aan te pakken.

Een belangrijke uitdaging op het vlak van het beheersen van de schuld zijn en blijven alle pps-constructies. Ik denk dat we daar in de commissie Financiën meer van onze energie in moeten steken. Nog een element is dat de rentekost de volgende vijf jaar stijgt van 400 naar 600 miljoen euro, en dat in tijden dat de rente de laagste is in bijna 400 jaar tijd. Mocht de rente opnieuw beginnen te stijgen, dan zouden we geconfronteerd worden met die schuldensneeuwbal. Daarom ook doen we die bijzondere inspanning.

Mijn conclusie is dat we het traject van de Hoge Raad voor de Financiën moeten blijven respecteren, dat we beter moeten doen als het kan – en dat hebben we tot nu toe bij deze twee begrotingen zeker waargemaakt – en dat het evenwicht tussen hink, stap en sprong essentieel is om zo ver mogelijk te raken. In deze begroting wordt dat belangrijke evenwicht gerespecteerd. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, begrotingswerk is niet eenvoudig. Economische parameters zijn volatiel. Daar hebben we alle begrip voor. Maar dat u hier vandaag een Emmentalerbegroting komt voorstellen, kan niet op begrip rekenen. Als we naar uw meerjarenraming kijken, zien niet alleen wij, maar ook de adviesraden, het Rekenhof en het middenveld, gaten, grote gaten.

De belofte van het groeipad van Onderzoek en Ontwikkeling is onduidelijk. De groeipaden voor Welzijn zijn niet terug te vinden, wat de minister-president daarnet ook mocht beweren. Er is dus onzekerheid over het pad dat de Vlaamse Regering wil volgen, ook in 2016. De minister-president heeft daarnet zelf nog een voorbeeld aangehaald: de ziekenhuisfinanciering, waar een tekort is van 150 miljoen euro. Dat is nergens te vinden in de begroting. Dan is er ook nog de indexering van de kinderbijslag. Waarom komt daar geen duidelijk antwoord op, minister? Waarom creëert u daar onrust?

Langs de inkomstenzijde zijn er evenveel onbeantwoorde vragen. Zo zou de verlaging van de schenkingsrechten structureel meer geld opleveren, terwijl er geen impact zou zijn op de erfenisrechten. Nochtans zegt iedereen dat het ene het andere uitsluit. Wie iets schenkt, kan het niet meer nalaten. Het is het ene of het andere, niet beide. Uw Brusselse ambts- en partijgenoot weet dat, maar u blijkbaar nog niet, of u wilt het niet weten.

Uw reactie op die opmerkingen is er eentje van onverschilligheid. U minimaliseert het. Maar zo werkt dat niet, minister. Een begroting is een instrument om een beleidsvisie uit te drukken. De Vlaamse Regering beperkt zich hier tot grijze middelmaat. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van een academicus. Voor ons, sp.a, mag het gerust iets meer zijn.

Een begroting is een middel, hebt u zelf gezegd. U hebt gelukkig de fetisj van het begrotingsevenwicht zelf met voortschrijdend inzicht verlaten, maar als het beleidsdomein Financiën in uw Emmentalerbegroting vandaag voor iets een middel is, is het kennelijk vooral een middel om de lokale overheden het leven zuur mee te maken in hun meerjarenplanning. Want, minister, ik kan geen andere verklaring vinden voor de onrechtvaardige stopzetting van de compensatie voor materieel en outillage. De manier waarop u dat aangepakt hebt en de manier waarop u daarover gecommuniceerd hebt met de lokale overheden, laten geen andere verklaring toe dan dat u de lokale overheden het leven zuur maakt.

Dan is er de problematiek van de doorstortingen van de aanvullende personenbelasting. De gemeenten wachten al maanden op een echte actie van u, maar behalve beloftes om er over te praten, is er nog niets gekomen. Door dit alles trekt de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) aan de alarmbel. Zij vraagt dat Vlaanderen zijn rol als beschermer van de lokale overheden opneemt.

U doet verder alsof er niets aan de hand is. U vraagt veel van de lokale besturen. Maar u beschaamt tegelijk hun vertrouwen. Minister, u hebt gezegd dat u iets ging ondernemen, niet wij. U zegt in het regeerakkoord dat de lokale besturen een partner zijn die u meer verantwoordelijkheden en meer middelen gaat geven. Maar wat doet u? U geeft hun een rekening en een factuur. Als klap op de vuurpijl maakt u van het constructief voorstel dat sp.a lanceert om de lasten van de gemeenten te verlichten, een voorstel dat de minister-president goed zou moeten kennen omdat hij het in het verleden zelf mee heeft goedgekeurd, een karikatuur. Dat is intellectueel niet correct. Waarom zou wat toen goed was nu niet goed meer zijn? Die uitleg moet men dan toch maar eens geven.

We bereiken met deze Vlaamse Regering een dieptepunt in de relatie van de Vlaamse Regering met de lokale besturen. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Maes heeft het woord.

Lieve Maes (N-VA)

Minister, ik vestig nog even de aandacht op de fiscale regularisatie. De toenemende internationale transparantie blijft deze kapitalen terecht onder druk zetten om te regulariseren. Ik verwijs naar de verschillende Europese richtlijnen, de Amerikaanse wetgeving Fair and Accurate Credit Transactions Act (FACTA) en de recente normen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De federale minister blijft zich dan ook onverkort inzetten om ervoor te zorgen dat België en bij uitbreiding Vlaanderen met deze tendens mee hun economisch en budgettair voordeel kunnen doen.

Ik breng nog eens de cijfers uit uw antwoorden op mijn vroegere vragen in herinnering. Vanaf januari 2014 tot halfweg 2015 bracht dit 235 miljoen euro op voor Vlaanderen. Er zal hier straks over veel kleinere bedragen stevig gedebatteerd worden. Het mag in ieder geval duidelijk zijn dat het gaat om een potentieel belangrijk bedrag, dat echt een verschil kan maken in wat deze regering kan investeren in economie, welzijn en onderwijs. Het blijft mij dan ook verontrusten dat de Vlaamse overheid hiervoor 0 euro inschrijft in de begroting 2016, terwijl de federale overheid hiervoor 250 miljoen inschrijft.

Het is ondertussen wel zo dat de plannen van federaal minister Van Overtveldt voor een spontane en permanente fiscale regularisatie nog verder aangepast moeten worden aan de adviezen van de Raad van State. Anderzijds is er wel een consensus dat er in ieder geval een bijkomend decretaal kader nodig is voor de regularisatie van de gewestbelastingen. Er is immers een arrest van het Grondwettelijk Hof van 19 september 2014 naar aanleiding van de vorige regularisatie.

Mijn fractie blijft dan ook van mening dat wij zo proactief mogelijk moeten meewerken in dezen. We moeten zelf ook maximaal de juridische mogelijkheden verkennen. Daarom stellen wij voor om een soort van detachering van personeel van de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) naar de FOD Financiën te organiseren. Dit laat toe nauw samen te werken, voldoende controle uit te oefenen en een aantal bezwaren van de Raad van State te ondervangen, onder andere over het regularisatieattest.

We hebben gesteld dat u positief staat tegenover een constructieve dialoog. We willen die dialoog hierover met u blijven aangaan. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Collega’s, ik zou het met u en de minister graag even hebben over het luik fiscaliteit in deze begroting en in de beleidsnota. Ik zou het dan uiteraard kunnen hebben over het ontbreken van een visie op regionale fiscaliteit, over de hoge mate van aankondigingspolitiek waarbij men zegt dat men alle mogelijke belastingkortingen zal evalueren, maar er dan niet in slaagt er één te benoemen, over de kwadratuur van de fiscale cirkel waarbij u tegelijkertijd gaat voor een verhoging van de successierechten én van de schenkingsrechten, over de vrees die we hebben dat uw hervorming op leegstandsbelastingen ertoe zal leiden dat er meer leegstand en verwaarlozing van patrimonium zou kunnen zijn in Vlaanderen.

Maar ik ga mijn tijd veel nuttiger besteden, minister, voorzitter. (Gelach)

Ik wil u heel kort en helder ondervragen over het verdeelrecht, de miserietaks in de volksmond. Daarmee is namelijk toch wel wat aan de hand.

Als ik de minister-president letterlijk mag geloven, is die trouwens afgeschaft, maar in de stukken vonden we daarvan niet meteen iets terug.

Waarvan we wel zeker zijn, is dat er, door de hervorming die de regering heeft voorgesteld, sinds 1 januari 2015 in feite een discriminatie is. We hebben die discriminatie hier al herhaaldelijk voorgelegd. Ze is dubbel. Aan de ene kant is er de discriminatie tussen wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden. Die laatste groep betaalt nog altijd het volle tarief. Onze vraag is al even lang dat er een gelijkschakeling zou komen.

Ik zie dat de heer Schiltz graag het woord wil nemen. Hij wil ongetwijfeld zeggen dat hij ons voorstel steunt. Misschien wil hij al een stemverklaring geven op het amendement dat we ter zake zullen indienen – want dat zullen we uiteraard doen.

Een tweede discriminatie is recenter aan bod gekomen. Ze betreft diegenen die bij een echtscheiding – wat nooit een leuke aangelegenheid is – kiezen voor een procedure van bemiddeling. Als er niets zou zijn veranderd, als er geen tussenkomsten zouden zijn gedaan in de commissie, dan betaalden ook zij nog altijd het volle pond.

De meerderheid heeft in reactie op onze tussenkomsten een amendement ingediend. Dat amendement heeft echter nog een hiaat. Ik heb daarnet gezegd dat de discriminatie is ontstaan op 1 januari 2015. Het amendement van de meerderheid heeft ingang vanaf 1 januari 2016.

Mijn eenvoudige vraag aan u, minister, is of we er echt niet voor kunnen zorgen dat die discriminatie wordt rechtgezet met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015, het moment waarop ze is ontstaan. Ik heb daar een goede reden voor, met name dat iedereen in de commissie heeft verklaard dat het nooit – niet bij de invoering van het amendement, noch bij de hervorming die de meerderheid heeft doorgevoerd – de bedoeling was om die mensen bijkomend te treffen.

Minister, kunt u dat alstublieft rechtzetten? Hoe zult u dat doen?

De voorzitter

De heer Schiltz heeft het woord.

Mijnheer Van Malderen, de kwestie van de miserietaks heeft inderdaad een lange voorgeschiedenis. De wet die vanaf 1 januari geldt, verlaagt de miserietaks van 2,5 naar 1 procent. Er bestond inderdaad discussie over of die verlaging ook van toepassing was op mensen die uit elkaar gaan met een onderhandse akte. Het amendement op het ontwerp van decreet dat de meerderheid en ikzelf hebben ingediend, strekt ertoe om die discriminatie weg te werken.

Wij hebben die verlaging niet heel beperkt gehouden. We hebben het heel eenvoudig gehouden: vanaf 1 januari zal voor eenieder die uit elkaar gaat, wettelijk samenwonenden of echtgenoten, de verdelingsakte sowieso aanleiding geven tot een verlaagde miserietaks van 1 procent.

De kwestie waarnaar u dan bijkomend verwijst en – ere wie ere toekomt – hebt gedetecteerd, is dat het natuurlijk wel jammer is dat deze ruimere toepassing niet vanaf 1 januari 2015 zou gelden. De moeilijkheid daarbij is dat, als we de ruimere toepassing die we met het amendement hebben gekozen, de eenvoudigere regeling, zouden toepassen in het begin van het jaar, ook een hoop andere mensen onder die regeling zouden vallen – ook andere verdelingen – en dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Maar uiteraard deelt mijn fractie ook de bezorgdheid om mensen die vanaf 2015 een verdeling hebben moeten doen op basis van een echtscheiding met onderhandse akte, ook onder die verlaagde miserietaks te laten vallen. Minister, wat kunt u doen om te verhelpen aan het euvel in de uitvoering van dit ontwerp van decreet?

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

Mijnheer Van Malderen, wat het tweede deel van uw vraag betreft, sluit ik me volledig aan bij de heer Schiltz. U hebt dat inderdaad opgemerkt. We hebben daarover overleg gepleegd en er is inderdaad een oplossing uitgewerkt.

Ik wil het echter hebben over uw eerste punt, met name het onderscheid tussen feitelijk samenwonenden en wettelijk samenwonenden. Daarover loopt een procedure bij het Grondwettelijk Hof. En ook al zal ik me neerleggen bij de uitspraak van het Grondwettelijk Hof, toch zal ik voor mezelf blijven vinden dat dit onderscheid wel degelijk te rechtvaardigen is.

Tijdens de vorige legislatuur hebben we ook discussies gevoerd over dat verdeelrecht, onder meer met Ludo Sannen. Ik blijf erbij dat de minimale administratieve handeling die wordt gevraagd voor wettelijk samenwonenden – twee minuten voor de ondertekening bij de gemeente en dan nog eens twee minuten wanneer men uit elkaar gaat en niet moet aanschuiven – perfect te rechtvaardigen valt. We zullen de uitspraak van het Grondwettelijk Hof afwachten. Ik neem aan dat dit een boeiende discussie kan worden.

Minister Annemie Turtelboom

De verlaging van de miserietaks die we aan het begin van de legislatuur hebben doorgevoerd, hebben we recent in de commissie Financiën uitgebreid: de voorwaarden van het verlaagd tarief worden versoepeld. Vroeger moest alles gebeuren via een authentieke akte, die voorwaarde hebben we geschrapt. Dat is een belangrijk herstel: mensen die na hun scheiding opnieuw single werden, werden daar immers op belast. Het tarief van 1 procent geldt nu voor alle verdelingen, niet alleen bij een authentieke akte.

In de commissie werd gevraagd of dat tarief ook retroactief kan gelden. VLABEL zal bij wijze van een tijdelijke tolerantie een gedeeltelijke terugbetaling verlenen aan belastingplichtigen die door de opmaak van een onderhandse akte in 2015 toch onderhevig zouden zijn geweest aan een miserietaks van 2,5 procent. VLABEL zal dat verrekenen. Het is beter dat op die manier te doen dan via wetgevend werk omdat het een grote administratieve rompslomp vermijdt.

Het allerbelangrijkste voor ons is dat mensen die geconfronteerd werden met een scheiding en een verhoogd tarief moesten betalen van 2,5 procent, nu nog slechts 1 procent moeten betalen. We zullen die verlaagde miserietaks nog verder uitbreiden. Elke verdeling van een huis of appartement na een echtscheiding wordt voortaan aan het verlaagd tarief van 1 procent onderworpen, of dat nu gebeurt via een authentieke akte of via een onderhandse regelingsakte.

Bart Van Malderen (sp·a)

Ik ben blij dat de meerderheid en de minister luisteren naar en rekening houden met de opmerkingen die de oppositie heeft gemaakt, en een aanpassing zullen doorvoeren.

Wie ervoor koos – in de mate dat men daarvoor kan kiezen – om niet in een vechtscheiding terecht te komen en te opteren voor bemiddeling of onderlinge toestemming, werd mogelijks gesanctioneerd. Qua sturende belasting kan dat tellen. Dat wordt nu rechtgezet. Minister, ik ben blij dat u zegt dat dit met terugwerkende kracht zal gebeuren voor de dossiers die in 2015 zijn afgewerkt vanaf het ontstaan van die discriminatie. Ik vind het wel straf dat dit eigenlijk kan, en ik heb het dan zowel over het heffen als over het ontheffen, zonder dat er daarvoor een wettelijke basis is. Wij hebben het in de commissie al vaker gehad over het feit dat VLABEL bepaalde interpretaties hanteert die niet zijn geïnspireerd door de wetgever. Dit wordt nu rechtgezet, maar ik vind dat we dit eens structureel moeten bekijken. Mijnheer Diependaele, we verschillen daarover van mening. Dat is jammer. Het bewijst dat daar binnen de meerderheid discussie over bestaat en dat we daar geen stap verder kunnen zetten.

Anderen hebben zich eerder al positief uitgelaten over het wegwerken van die andere discriminatie, met name deze tussen feitelijk en wettelijk samenwonenden. We zullen op die nagel blijven kloppen, misschien tot het Grondwettelijk Hof bevrijding brengt, dan wel tot we u daarvan hebben kunnen overtuigen.

Mijnheer Van Malderen, even ter verduidelijking. Het is niet zo dat VLABEL nu zomaar ineens een nieuw pad zou inslaan wanneer ze de onderrichtingen van de minister volgt. Het is zo dat er over de onderhandse versus de authentieke akte in de rechtsleer twee stromingen bestonden en dat vroeger altijd dezelfde piste bewandeld werd. Nu we met het amendement als decreetgever heel duidelijk de intentie neerschrijven om daarvan te willen afwijken en te kiezen voor de andere dan de historische piste, is het ook logisch dat ze dit ook zo toepast voor de openstaande gevallen van dit jaar. Het is niet zo dat VLABEL almachtig het pad van een nieuwe interpretatie bewandelt, maar wel dat ze zich aansluit bij de interpretatie die de decreetgever met het amendement heeft geponeerd.

Mijnheer Van Malderen, heel kort. De oplossing is er, maar u maakt er iets van dat het niet is. U noemt het een sturende belasting in de zin dat mensen zouden worden gedwongen om het niet meer met een bemiddeling te doen, maar dat klopt ook niet. Ook het voorbije jaar was het al mogelijk om met de bepalingen dat het ging over een echtscheiding of een scheiding uit het wettelijk samenwonen, indien overgenomen in de authentieke akte bij de notaris, 1 procent te krijgen. Dat was toen ook al voldoende. We moeten er dus niet iets van maken dat het niet is. Maar goed, de oplossing is er.

Wij steunen de regeling die de minister zonet heeft voorgesteld. Ik wil gewoon de bedenking maken dat het goed zou zijn dat de nodige bekendheid wordt gegeven aan dit standpunt zodat notarissen en andere betrokkenen er op een gepaste manier kennis van kunnen nemen. Ik meen dat dit belangrijk is.

Bart Van Malderen (sp·a)

Ik rond af met te zeggen dat dit laatste heel cruciaal zal zijn. Wie het verslag van deze bespreking zal lezen en wie het verslag van de bespreking in de commissie zal lezen, en als leek moet proberen om er zijn weg in te vinden, wens ik heel veel succes. Ik stel vast dat vandaag professionele notarissen op het terrein in grote verwarring zijn over hoe ze dit juist moeten interpreteren. Het zijn de dossiers die men bij ons aandraagt. Een goede communicatie over deze heldere maatregel, namelijk dat mensen nu echt gelijk behandeld worden, dat ze allemaal aan 1 procent worden belast, is heel belangrijk. En voor mijn part schaffen we die 1 procent morgen ook af, maar de gelijke behandeling is de essentie van dit debat.

De voorzitter

De heer Lantmeeters heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik wil mijn betoog in drie delen onderverdelen. Een eerste deel gaat over uw beleidsbrief. U stelt dat u streeft naar een transparante begroting met zicht op prestaties en effecten. Voor alle duidelijkheid, wij steunen uw politiek beleid en de gemaakte keuzes, laat daar geen misverstand over bestaan. We zijn voorstander van de eigen inning van de regionale belastingen.

En 2015 was inderdaad een bijzonder jaar met de eigen inning van de erfbelasting en de registratierechten. Maar er hebben zich, zoals u weet, problemen voorgedaan. U hebt bij het aankaarten van de problemen steeds de weg van het voortschrijdend inzicht gevolgd en uw medewerking gegeven. U stond steeds open voor overleg en oplossingen. Nog niet alle problemen zijn verholpen, maar wel al een groot deel.

De vraag naar bepaalde cijfers blijft. Ik ben niet alleen met deze vraag, ook het Rekenhof heeft gesteld dat we een bepaalde voorzichtigheid aan de dag moeten leggen bij de raming van de registratierechten en de erfbelasting.

Het Rekenhof heeft gesteld bij het onderzoek van de initiële begroting van 2015 dat u bij de raming bent uitgegaan van getallen uit de federale ramingen van destijds, verhoogd met 18 miljoen euro. U hebt daarbij gezegd dat u zou uitgaan van een efficiëntere inning door de Vlaamse Belastingdienst. Het is gebleken dat er problemen zijn. Een gedeelte van de geraamde belastingen werd zelfs niet geïnd. De overname heeft geleid tot vertragingen bij de inkohiering.

Ook in 2016 rekent u op een bijkomende efficiëntiewinst van 18 miljoen euro. De zogenaamde kinderziekten van 2015 zijn nog altijd niet achter de rug, maar we hebben een minderontvangst van 350 miljoen euro en u stelt dat dit in de volgende jaren zal leiden tot een hogere ontvangst.

Minister, de vraag naar duidelijkheid en een verfijning van de cijfers blijft. Die wordt mee veroorzaakt door de terugkeer naar het systeem van kasontvangsten. Dat zal misschien wel een juiste berekening zijn, maar het is een terugkeer naar de vroegere tijd, toen er ook op kasbasis werd gerekend. Er blijft echter veel te veel geld geblokkeerd bij de notarissen, en aan de andere kant moeten veel te veel mensen wachten op het geld dat ze moeten terugkrijgen. Ik zou willen vragen dat u de gegevens verfijnt, zodat we weten op welke wijze de niet-ontvangen gelden van 2015 in de cijfers van 2016 zijn verwerkt. Dezelfde verfijning zou ik u willen vragen met het oog op de exacte cijfers voor de schenkbelasting. U zegt dat dit 50 à 60 miljoen euro zou bedragen.

Ik zou meer inzicht in uw berekeningen willen vragen. Nogmaals, we steunen de politieke keuzes, maar het Vlaams Parlement heeft het recht om bepaalde cijfers in te zien. Ik wil ook vragen dat u meer ambitie aan de dag zou leggen wat VLABEL betreft, want daar is men op dit ogenblik nog niet superambitieus geweest, niet alleen door de terugkeer naar het systeem van de vastgestelde rechten, van de kasontvangsten, maar ook met betrekking tot de fiscale regularisatie. Ik wil ook vragen dat u meer aandacht geeft aan de controle.

In uw beleidsbrief stelt u ook dat de Vlaamse Codex Fiscaliteit alle fiscale bepalingen moet bevatten. Ik heb dat al een paar keer aangehaald. We hebben daar al meerdere debatten over gehad. Dat neemt niet weg dat er ernstige problemen blijven. De focus moet liggen op een efficiënte, effectieve en klantgerichte inning van de belastingen. VLABEL heeft de jongste maanden herhaaldelijk standpunten ingenomen, weliswaar soms in overleg met het notariaat, die dan zijn gepubliceerd op de VLABEL-website. Er zijn ook interpretatieve vragen geweest. Zeer belangrijk is echter de vraag wie die regels mag uitvaardigen. Ik meen dat ik ter zake uw volledige steun zal krijgen. Ik zou een lans willen breken voor het Vlaams Parlement wat dat betreft. VLABEL vaardigt immers in feite vaak nieuwe regels uit, die geen echte interpretatie inhouden. De administratie heeft bepaalde decretale regels opnieuw geïnterpreteerd, en die interpretaties zijn dan strenger dan de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Het is de taak van VLABEL om te interpreteren en het is de taak van het Vlaams Parlement om regels op te leggen. VLABEL mag dus de decretale regels wel in concreto toepassen, maar mag er geen nieuwe maken. Nog een probleem is dat VLABEL daarbij ook vaak de principes met betrekking tot de retroactieve werking van belastingwetten overtreedt. Het vaardigt beslissingen uit waarvan iedereen zegt dat ze retroactief zijn. Ik heb de indruk dat VLABEL ter zake soloslim speelt, en dat het Vlaams Parlement dan de standpunten van VLABEL op dat punt moet volgen. Dat zorgt voor rechtsonzekerheid. Minister, ik wil u dan ook vragen dat u, geheel in de lijn van uw eigen overtuiging, aan VLABEL zou vragen enkel te interpreteren en de interpretaties die het publiceert, exact te omschrijven, zodat ze geen regels van algemene strekking worden.

Minister, u hebt nu aangekondigd de inning van de kansspelen pas in 2018 te zullen overnemen. U hebt onze steun ter zake. We zijn er ons immers van bewust dat er problemen kunnen zijn met de inning van nieuwe belastingen. We vragen dat u inderdaad leert uit wat er is gebeurd in verband met de erfbelasting en de registratierechten. Toch willen we u vragen om zo snel mogelijk de overdracht aan te vatten en af te ronden. (Applaus bij de N-VA)

Minister Annemie Turtelboom

We tonen met VLABEL net dat we bijzonder ambitieus zijn. Als Vlaanderen extra bevoegdheden krijgt, moeten we die op een bepaald moment natuurlijk uitvoeren. De overname van de erf- en de schenkbelasting kwam er al door de vijfde staatshervorming – niet de zesde –, veertien jaar geleden. We voerden die bevoegdheid nog niet uit, ik weet dat u die mening deelt, we kunnen niet alleen maar bevoegdheden bij krijgen en ze niet invullen.

We zijn gestart met een totaal ander systeem. De federale overheid werkte op papier met heel veel gedecentraliseerde kantoren, wij werken geautomatiseerd en gecentraliseerd. Dat betekent dat we de ketting doorbroken hebben, met een eenmalige vertraging in de ontvangsten. Uiteraard is het geld niet weg, maar moet je een nieuwe procedure starten. Dat is een gigantische operatie. Er zijn vierhonderd personeelsleden overgekomen, het gaat over meer dan 4 miljard euro inning. We willen efficiëntiewinsten boeken.

In de verkeersbelasting was er vroeger 6 procent die niet betaalde aan de federale overheid, nu is dat 1 procent. Ik vind dat een vorm van rechtvaardigheid. Belastingen moeten voor mij zo laag mogelijk zijn maar ze moeten vooral betaald worden. Niets is zo erg als belastingen heffen terwijl je weet dat x procent van de bevolking ze niet betaalt.

We zijn het eerste gewest dat zijn nek heeft uitgestoken voor deze gigantische operatie. Vijftien jaar na datum zien Brussel en Wallonië het nog altijd niet zitten. Bij een bezoek aan VLABEL zeggen ze zelfs: we gaan kijken hoe goed het bij jullie loopt, we gaan leren uit jullie fouten zodat wij die niet opnieuw moeten maken. U begrijpt dat wij anders redeneren. Als iedereen altijd wacht op het leerproces van een ander, dan gebeurt er relatief weinig. Als iedereen zit te wachten om niet als eerste op de dansvloer te moeten staan, dan wordt er op zo’n avond bijzonder weinig gedanst. Wij hebben de dans hier ingezet.

Natuurlijk moeten we het eerste jaar bijsturen, ook bij de interpretatie die VLABEL doet. We hebben daar altijd open discussies over in de commissie. Het komt het Vlaams Parlement en de wetgever toe om interpretaties eventueel bij te sturen via een decretaal initiatief. Zo’n interpretatie van bijvoorbeeld de verlaagde miserietaks is ook bij ons een ‘work in progress’. We kijken telkens wat er moet gebeuren. We zoeken altijd samen naar oplossingen, zoals recent met de miserietaks.

Jan Bertels (sp·a)

Voorzitter, ik ben de heer Lantmeeters dankbaar en erkentelijk met betrekking tot zijn vraag, zijn raming en het inzicht in de berekeningen. We hebben die vraag drie of vier keer gesteld in de commissie. We hebben het antwoord van de minister telkens gehoord. We moeten de vraag hier nu nog eens stellen en we krijgen hetzelfde antwoord. De minister wijst op hoeveelheidseffecten, al dan niet via e-decision. Die discussie vond in de commissie plaats. Ze wijst daar op tweemaal dezelfde efficiëntiewinsten, denken wij. De heer Lantmeeters heeft er ook uitdrukkelijk naar verwezen. Terwijl we in 2015, in een overgangsperiode weliswaar, moeten vaststellen dat de efficiëntiewinsten voorlopig zwaar in de omgekeerde richting gaan. Er treden allerlei vertragingen op, onder meer door het gebrek aan ICT-procedures.

VLABEL heeft gevraagd om die 4 miljoen euro ICT-uitgaven beter te laten lopen. De minister weigert dat, het Rekenhof heeft dat ook correct opgemerkt, en antwoordt: VLABEL moet maar prioriteiten stellen. Van twee dingen één, ofwel doet men efficiëntiewinsten, tellen ze mee en geeft men het geld, ofwel doet men het andere. Deze minister doet de twee: én het geld niet geven, én twee keer efficiëntiewinsten tellen. Bovendien rekent ze dan ook nog eens met de hoeveelheidseffecten die we nog niet kennen, maar die blijkbaar wel bij het notariaat gekend zijn.

Mijnheer Bertels, ik ga niet akkoord als u zegt dat de efficiëntie in de andere richting gaat. Ik ben begonnen met te zeggen dat we de standpunten en de politiek van de minister steunen, en dat we haar steunen bij het volledig uitoefenen van haar bevoegdheid en bij het zorgen voor de eigen inning. We zijn de eersten om daaraan mee te werken. We mogen er ook fier op zijn dat we het eerste gewest zijn dat dat allemaal doet. De efficiëntie is niet weg. De enige vraag die ik me stel, is wat de exacte cijfers op dit ogenblik zijn. Mijnheer Bertels, u gaat uit van het slechte en zegt dat we de verkeerde richting uitgaan, wij doen dat niet. Het zijn gelden die nog moeten binnenkomen.

Minister, voor die overdracht en overname – een juiste beslissing – zijn er twee problemen: een onduidelijkheid over die rechten gecombineerd met een onduidelijkheid over de schenkingsrechten, en daaraan gekoppeld bij die overname een te grote macht van VLABEL om bepaalde beslissingen te nemen die veel te ver en retroactief gaan. Opgepast, hiervoor is het Vlaams Parlement bevoegd, en niet VLABEL. Wij kunnen zorgen voor zekerheid. Als VLABEL oordeelt over individuele gevallen, dan komt er rechtsonzekerheid. Het enige wat ik vraag is om dat in het oog te houden zodat het Vlaams Parlement zijn macht behoudt, zodat mensen die daar in de praktijk mee werken duidelijkheid hebben, en zodat er geen sprake kan zijn van retroactiviteit of van beslissingen die ingaan tegen de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Jan Bertels (sp·a)

Mijnheer Lantmeeters, daarover verschillen we niet van mening. Ik heb er geen probleem mee toe te geven dat de nieuwe elektronische procedure zal leiden tot efficiëntiewinsten. Alleen zijn die er nu nog niet door allerlei problemen, onder andere met databanken.

Wat geeft dat voor 2015 en 2016? Naar aanleiding van het laatste monitoringrapport van de minister gaat er 200 miljoen euro verschuiven van 16 naar 15 en zitten we met een bijkomend gat van 200 miljoen euro voor de fiscale ontvangsten bij gelijkblijvend beleid in 2016.

Het Vlaams Parlement moet inderdaad meester blijven van zijn eigen regels. Als er wordt geïnterpreteerd door de administratieve diensten die verdergaan dan de pure interpretatie van de wetgeving, dan moeten we dat zelf proactief behandelen, en niet steeds reactief. Daarin volg ik u volledig, en daarin vinden we elkaar meestal in de commissie.

De voorzitter

Dank u wel, mijnheer Lantmeeters. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Van Miert heeft het woord.

Mijn betoog heeft betrekking op de verkeersfiscaliteit. In de commissie is dat misschien een klein puntje, maar toch is het vaak aan bod gekomen. In 2012 heeft het Vlaams Parlement een eerste belangrijke stap gezet naar een meer duurzame verkeersfiscaliteit. De BIV werd hervormd, de dieselwagen werd minder attractief tegenover de benzinewagen, lpg kreeg een grote korting, terwijl elektrische wagens en auto’s op waterstof zelfs een volledige vrijstelling kregen.

Cijfers tonen aan dat er sinds 2012 een trendbreuk is opgetreden naar meer nieuw ingeschreven benzinewagens. Wat de tweedehandsinschrijvingen betreft, is het effect veel minder, doordat er werd geopteerd voor de invoering van een leeftijdscorrectie en een graduele aanpassing van de BIV. Toch is het fair te concluderen dat de hervorming zijn doel niet heeft gemist en dat er een eerste belangrijke stap werd genomen in een gevoelig maatschappelijk dossier.

In 2016 zal de verkeersfiscaliteit een verdere vergroeningsoperatie ondergaan. Bijkomend zal er ook worden gekeken hoe de erosie van inkomsten bij de BIV kan worden tegengegaan. Een sturende fiscaliteit leidt nu eenmaal tot inkomstenerosie naarmate de sturing werkt.

Eerst en vooral zal de BIV worden bijgestuurd op basis van vervuilende emissies. Er zal rekening worden gehouden met de reële stikstofemissies voor Euronorm 6. Daarnaast zal onze jaarlijkse verkeersbelasting in de toekomst niet alleen rekening houden met fiscale pk, zoals tot nu toe, maar zal hier ook een vervuilingscomponent aan worden toegevoegd. De minister heeft aangekondigd om een aantal milieukenmerken zoals CO2-uitstoot, en brandstoftype mee in rekening te nemen in de jaarlijkse verkeersbelasting.

Naast de BIV gaat ook de kilometerheffing voor vrachtwagens van start. In combinatie met onder andere het in rekening brengen van de euronormen zal hier ook voor vergroening worden gezorgd.

De minister heeft duidelijk de weg gekozen naar een meer duurzame mobiliteitsfiscaliteit. Toch is hier enige waakzaamheid op zijn plaats. Als we de inkomsten bekijken van de BIV, jaarlijkse verkeersbelasting en de kilometerheffing, zal dit het komende jaar goed zijn voor 1,6 miljard euro inkomsten. Een goede onderbouw van de verwachte inkomsten en een constante monitoring zijn hier van essentieel belang willen wij de beoogde belastinginkomsten verwerven en een sluitende begroting hebben.

De voorzitter

Internationaal Vlaanderen

We starten nu met de bespreking van het onderdeel Internationaal Vlaanderen.

De heer Daems heeft het woord.

Rik Daems (Open Vld)

Voorzitter, collega’s, als we op het budget afgaan, is het duidelijk dat Vlaanderen politiek minstens evenwaardig is aan België. Een kleine scoop: de Belgische naakte kredieten bedragen 40 miljard euro, de regionale 60, die van Vlaanderen alleen ook rond de 40 miljard euro. We zijn dus minstens politiek budgettair even belangrijk. Bovendien, als we naar de inkomstenzijde kijken, beheren we toch bijna de helft van onze inkomsten. Dat is niet zo geweldig, het zou meer mogen zijn. Als we echter naar de personenbelasting kijken, die we wel zelf beheren, is dat toch een kwart van onze inkomsten. Dat is dus hetzelfde als in België.

Met andere woorden: alles wijst erop dat je hier in dit parlement wel degelijk een volwaardig Vlaams politiek debat zou moeten kunnen voeren, waarbij begrotingsevenwicht een belangrijk gegeven is, waarbij eigen fiscaliteit en invulling van de personenbelasting een belangrijk gegeven is en, minister van Begroting, waarbij trouwens propere rekeningen over het verleden ook een belangrijk gegeven is.

De vraag is evenwel: geldt dat ook voor ons internationaal gegeven? Ik denk dat we daar eerlijk moeten op antwoorden: (nog) niet. In die zin heb ik voorheen al gezegd dat Vlaanderen internationaal zal zijn of niet zijn. Waarom? Al was het maar omdat Vlaanderen zijn welvaart importeert: 80 procent van de export in dit land gebeurt vanuit Vlaanderen. Dat is een groot bedrag. Ik weet niet of u het weet, maar de totale export van België is 450 miljard euro, u hoort het goed. ‘No peanuts’. 350 miljard daarvan komt vanuit Vlaanderen. We importeren dus niet alleen onze Vlaamse welvaart, en voor degenen die het graag zullen horen, we importeren zelfs een stukje van de globale Belgische welvaart.

In die zin is internationale politiek gigantisch belangrijk. Als je dan kijkt naar het budget waarin we daarvoor hebben voorzien: het moge mij niet kwalijk worden genomen, slechts 5 promille van het Vlaamse budget slaat rechtstreeks op ons internationaal beleid. Flanders Investment & Trade (FIT) heeft een budget van 50 miljoen euro. Dat is zelfs een promillegehalte waarmee je mag blazen als de politie je tegenhoudt na enkele pintjes.

Wat wil ik daarmee zeggen? Dat we enorm veel bereiken met een beperkt budget, maar dat we zelfs eens mogen nadenken of dat budget op een of andere manier niet kan worden verruimd, als het te justifiëren is en als het effectief nog meer resultaten zou geven. Minister-president, in die zin denk ik dat de Vlaamse internationale strategie juist zit met de ‘(nog) niet’ omdat er nog heel wat inspanningen moeten worden geleverd in de zin van ‘grow up, stand up’. U komt heel vaak in het buitenland. We komen elkaar daar soms al eens tegen. Ik denk dat we de facto zien dat er nog heel wat werk aan de winkel is. U zet daar heel veel stappen in positieve zin.

De voorzitter

De heer Vanbesien heeft het woord.

Wouter Vanbesien (Groen)

Ik heb toch een vraag. Mijnheer Daems, ik met het met u eens dat buitenlands beleid ook voor het Vlaamse niveau belangrijk is en dat buitenlandse handel daar een van de belangrijkste pijlers in is. U bent heel tevreden met de agenda zoals die door de Vlaamse Regering op vlak van buitenlandse handel wordt doorgevoerd. Ik zie vooral de, weliswaar belangrijke, doelstelling van meer export en meer buitenlandse investeringen in ons land. Dat we de markt activeren, faciliteren, dat kan ik volgen. Maar ik denk dat dit niet genoeg is. De Vlaamse overheid moet een combinatie maken en ook een morele dimensie introduceren in de handel, zodat we mensenrechten, arbeidsrecht en milieubescherming als criteria kunnen laten meespelen in de uitbouw van de internationale handel vanuit Vlaanderen. Ik vraag mij af of ik in dezen op u mag rekenen als een bondgenoot, dan wel of u als een oubollige liberaal veeleer gelooft dat de markt zijn werk zal doen.

Rik Daems (Open Vld)

Voorzitter, ik neem aan dat ik even tijd krijg om daarop te repliceren.

Collega Vanbesien, ik ben blij met uw vraag, alleen komt ze net iets te vroeg. U zou gemerkt hebben dat ik net een versnelling hoger wilde schakelen. Niet alleen het internationaal economisch beleid dat in Vlaanderen huist is van belang. Als je effectief internationaal enig gewicht wil hebben, kan het daar niet bij blijven. In die zin zijn de politieke elementen die terug te vinden zijn in de beleidsbrieven en in de concrete budgettering van de Vlaamse Regering, hoe bescheiden dat ook mag zijn, van fundamenteel belang om Vlaanderen internationaal op de kaart te zetten. Dat neemt niet weg dat we over die politieke invulling op sommige punten misschien van mening kunnen verschillen.

Waar sprake is van één internationale economische strategie, zou dat best ook kunnen verruimd worden naar één internationale economische én politieke strategie, en dat staat ook met zoveel worden te lezen in de beleidsbrieven van de Vlaamse Regering. Dat betekent voor mij onder meer dat akkoorden die twintig jaar oud zijn, zoals de akkoorden die gaan over het statuut van de Vlaamse diplomaten in het buitenland, wel mogen aangepast worden. Men is daar mee bezig. U weet dat ik geen communaal nationalist ben, geen Vlaams en geen Belgisch nationalist, misschien enkel een beetje Europees. Uiteindelijk is het wel zo dat als je wil dat Vlaanderen internationaal op de kaart staat, de mensen die Vlaanderen vertegenwoordigen in het buitenland ook het nodige gewicht in de schaal moeten kunnen leggen.

Minister-president, het akkoord tussen België en Vlaanderen over de diplomaten is dringend aan herziening toe. Daar hoort een kleine anekdote bij. Ik neem de collega’s die mee waren toen we de Vlaamse afvaardiging in Zuid-Afrika zijn gaan bezoeken als getuigen dat toen ik in een korte toespraak op de Belgische ambassade onze Vlaamse afgevaardigde verwelkomde als ‘mevrouw de Vlaamse ambassadeur’, we plots enkele pintjes minder geserveerd kregen. Dat is spijtig, maar het was toch maar eens gezegd.

De politiek die we voeren, moet gericht zijn op gewicht geven, op politiek niveau, aan Vlaanderen in het buitenland. Dat is meer dan alleen een economisch gegeven. We mogen evenwel niet vergeten dat Vlaanderen exclusief zijn welvaart importeert. Dit is een kip met de gouden eieren die we absoluut moeten koesteren.

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan (sp·a)

Mijnheer Daems, ik dank u voor wat u zojuist heeft gezegd. Ik hoor u heel graag zeggen dat we Vlaanderen op politiek niveau gewicht moeten geven in het buitenland, en u bevestigde aan de heer Van Besien dat niet alleen het economische, maar ook de mensenrechten van belang zijn. U voegde daar terecht aan toe dat we daar veel over kunnen lezen in de beleidsbrieven. We bewijzen daar ook veel lippendienst aan in de commissie. Maar waar zijn de resultaten? Welke bindende clausules kunnen we garanderen? Vanuit de sp.a krijgt u van ons vaak de kritiek dat het te vrijblijvend is.

We hebben gisteren een voorstel van resolutie over conflictmineralen goedgekeurd met een soepele informatieplicht voor upstream-bedrijven. Dit voorstel zal waarschijnlijk na Nieuwjaar in de plenaire vergadering worden behandeld, maar eigenlijk is het een soepele lightversie die geen enkele garantie inhoudt.

Enkele weken geleden is het ontwerp van decreet goedgekeurd in verband met Peru en Columbia. Daar zijn we internationaal wat verder gegaan met een monitoringplicht en een schorsingsmogelijkheid indien de mensenrechten niet verbeteren. Het Vlaams Parlement heeft dit echter wel goedgekeurd zonder dat die monitoring op punt staat.

Er wordt dus veel lippendienst bewezen. Vlaanderen wil veel te zeggen hebben, maar in een of andere vorm een visie ontwikkelen en een leidende vorm aannemen heb ik niet gezien. Een pintje meer of minder vanwege de diplomatieke opstelling kan een heel belangrijk issue zijn, maar is peanuts op plaatsen waar mensenrechten o zo belangrijk zijn voor onze internationale verantwoordelijkheid, met alle respect voor de commissie.

Mijnheer Daems, waar zal ik in u een partner vinden om van de lippendienst die vanuit de regering wordt geleverd inzake mensenrechten, arbeidsvoorwaarden, sociale en milieurechtenclausules, een bindende verplichting te maken? Ik verwacht van u een voorstel.

Rik Daems (Open Vld)

Lieve collega uit de commissie Buitenlands Beleid, de regering bewijst niet alleen lippendienst, maar zet daadwerkelijk acties op. Inzake het specifieke onderdeel van de mensenrechten dat we allemaal belangrijk vinden, mag u niet verwachten dat uw opinie noodzakelijk de opinie is van een ander. U mag dan ook niet de conclusie trekken dat wanneer uw opinie niet wordt ingevoegd in een besluit, het daardoor lippendienst is. Dat zijn twee verschillende zaken.

U vindt in mij wel een bondgenoot – en ik denk in alle leden van de commissie – om die zaken wel ten gronde te bespreken en als we het eens kunnen worden, ze in te voegen. Dat hebben we ook al gedaan. In een parlement kunnen we nog altijd verschillende invullingen en ideeën hebben over een aantal topics, met inbegrip van mensenrechten. Ik wilde dat element toevoegen, los van het feit dat internationale verdragen in het verleden vaak een soort stempeldienst waren en dat ze eigenlijk niet wijzigbaar zijn, hoe spijtig ook. Dat weet u perfect.

Güler Turan (sp·a)

Mijnheer Daems, ik weet dat ik aan u in vele dossiers een bondgenoot heb. In de dossiers die we in het verleden hebben besproken, was het meer dan mijn opinie alleen, het was ook de mening van verschillende middenveldorganisaties. U kunt dat niet afdoen als zijnde mijn mening alleen.

U zegt dat we vele verdragen moeten ondergaan en niet kunnen veranderen. Dat is net de proactieve rol die we moeten spelen op internationale fora. Daar is veel lippendienst aan bewezen in de beleidsbrief. Er wordt verschillende keren verwezen naar een visie over Europese aangelegenheden. We moeten dat niet ondergaan om dan op een bepaald moment met een verdrag te worden geconfronteerd dat we enkel kunnen goedkeuren of niet. Europa staat dichter bij ons dan we denken. Minister-president, u moet de dossiers in handen nemen. U moet op de tafel kloppen, een mening hebben en er een rol in spelen, zowel wat betreft de vorming van de Belgische opinie als wat betreft het overbrengen van een visie rechtsreeks vanuit Vlaanderen. Die visie is er by the way nog altijd niet na twee begrotingen en twee beleidsbrieven.

Rik Daems (Open Vld)

Het doet me echt pijn dat ik fundamenteel met u van mening moet verschillen. U weet dat ik altijd probeer om de harmonie te bewaren om zo goed mogelijk vooruit te gaan. Meningsverschillen zijn nu eenmaal eigen aan politiek. Ik denk dat u geen gelijk hebt in wat u zegt over de ex-postbehandeling van het verleden omkeren naar een deels ex-antebehandeling, waarbij Vlaanderen vóór het afsluiten van verdragen en Europese richtlijnen een insteek doet gelden. Daar heeft de regering wel degelijk een aantal stappen vooruit gezet.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Ik dacht wel dat mevrouw Turan een vraag aan commissievoorzitter Daems zou gebruiken om een vraag aan mij te stellen. De heer Daems heeft er al een pertinent antwoord op gegeven. Mevrouw Turan neemt een loopje met de waarheid als ze zegt dat Vlaanderen niet proactief is. We spelen in een intra-Belgisch, in een intra-Europees concert. Het komt er dus op aan proactief met die zaken bezig te zijn. Eens de EU verdragen met die landen, met de Verenigde Staten of Canada heeft gesloten, dan liggen er teksten voor. Het komt er dus op aan daar vooraf op te wegen. We doen dat intens en op een goede manier. We voeren discussies met betrekking tot het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) en het Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA). We leggen bij de besprekingen altijd de klemtoon op wat belangrijk is voor onze economie, de menselijke waarden, de rechten en vrijheden en het respect voor de rechtstaat. Dat weet u bijzonder goed. Doen alsof we daar een heel passieve rol in spelen is totaal verkeerd. Men moet het in de context zien. Niet Vlaanderen, Frankrijk of Duitsland zal met de Verenigde Staten rechtstreeks een vrijhandelsverdrag sluiten, maar de Europese Unie. Het komt er op aan actief bij de voorbereiding betrokken te zijn. We doen dat op een heel transparante manier. We dringen ook aan op zoveel mogelijk transparantie van de Europese Commissie. We bespreken geregeld het mandaat van de Europese Commissie en we volgen de vooruitgang op de voet. We gaan het kind echter niet met het badwater weggooien. En daar ben ik het volledig eens met de heer Daems: Vlaanderen leeft van de export. Het is belangrijk voor onze welvaart dat we zoveel mogelijk tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen kunnen wegnemen. Dat is belangrijk voor onze kmo’s, voor onze tewerkstelling en onze welvaart.

Rik Daems (Open Vld)

Politiek gezien is Vlaanderen minstens evenwaardig aan België. Vlaanderen is nog niet voldoende internationaal. We importeren onze welvaart, maar we moeten ook politiek internationaal wegen. Dat is een belangrijke component van het buitenlands beleid, die wel degelijk door de Vlaamse Regering wordt ingevuld. Het kan in de toekomst meer, maar dat moet stap voor stap gebeuren.

Ik maak even een zijsprong door een reflectie te maken over het Vlaams Parlement. Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om de parlementsvoorzitter te danken voor de flexibiliteit die hij ten aanzien van onze commissie aan de dag heeft gelegd. Hierdoor is de commissie Buitenlands Beleid geëvolueerd van een dode mus naar een kreupel kieken. Onze ambitie is daarentegen een frisse blitse valk te worden, die kan aanvallen en internationale resultaten kan boeken. Ik wil eveneens de collega’s commissieleden danken voor hun medewerking.

We moeten wel vooruitgaan. Drie elementen kunnen bijdragen om het internationaal gewicht te verhogen. Elke commissie moet internationaal worden. In het verleden was alleen de commissie Buitenlands Beleid daarmee bezig, maar in de toekomst zou elke commissie de internationale factor prominent op de agenda moeten plaatsen. Zowel onderwijs, welzijn, cultuur als economie heeft voor Vlaanderen een dominante, internationale component.

Denk alleen al maar aan het plan-Juncker waar we volop mee op moeten inzetten om te proberen zo veel mogelijk van die investeringsmiddelen te krijgen. Denk maar aan de omzetting en de vormgeving van Europese richtlijnen, waar we in de commissie Buitenlands Beleid al de voorzet hebben gegeven met mevrouw Bynens om voorafgaand aan de richtlijn volop invloed uit te oefenen op de totstandkoming van de richtlijn.

De voorzitter

Mijnheer Daems, we gaan afronden.

Rik Daems (Open Vld)

Hoe? Waarom? Ik heb nog een minuut?

De voorzitter

Neen, uw tijd is om.

Rik Daems (Open Vld)

Sinds wanneer dat? Ik ben toch onderbroken?

De voorzitter

Toen er vragen aan u zijn gesteld, heb ik de klok stilgelegd. Ik heb u volledig uw repliek laten geven. U hebt vier minuten, geen twintig minuten. Het spijt me.

Rik Daems (Open Vld)

Mijn pointe moet nog komen! (Gelach)

Ik zal heel snel mijn laatste twee punten maken. Excuseer, ik was niet op de hoogte van de telling. Ik ben nochtans wiskundige van vorming.

Men neme het mij kwalijk of men neme het mij niet kwalijk, maar ik meen het wel: dit Vlaams Parlement zal in de toekomst toch wat minder communaal moeten worden. Excuus dat ik het zeg, maar eigenlijk excuseer ik me niet dat ik het zeg, maar zolang dit parlement nog altijd, of nog heel vaak, een puur communale reflex krijgt bij vele onderwerpen, waarbij de verkozenen het communale vooropstellen – dat is begrijpelijk – op het Vlaamse algemeen belang en het internationaal belang, zullen we nooit als parlement op een niveau komen waar we gerespecteerd worden en waarbij we zelf niet buiten het halfrond zeggen dat we eigenlijk soms toch een beetje onder ons niveau spelen.

Mijn volgende punt is een verhaal voor u, voorzitter. Dat is mijn pointe. Ik heb naar uw gedeeltelijke flexibiliteit verwezen. Als we in dit parlement niet de ambtelijkheid die hier toch wel wat huist, proberen te verlaten – excuus dat ik dat ook weer zeg – om toch iets meer politiek te worden, dan denk ik dat we een stukje van het politieke debat moeilijk maken. Dat heeft natuurlijk te maken met reglementen en regels. Als liberaal ben ik daar d’office tegen.

Voorzitter, ik zou toch een heel kort verhaaltje willen vertellen over James Kirk.

De voorzitter

Mijnheer Daems, met alle respect, we gaan afsluiten.

Rik Daems (Open Vld)

Dertig seconden.

De voorzitter

Neen. Iedereen moet zich aan de tijd houden, dus u moet zich ook aan de tijd houden. Eigenlijk moet ik gewoon afsluiten. Nu, dertig seconden en dan is het gedaan.

Rik Daems (Open Vld)

Goed. James Kirk kent u van Star Trek. Er was een aflevering waar hij een niet te winnen spel had gewonnen. De leermeester vroeg hoe het kwam dat hij het spel dat niet te winnen viel, toch had gewonnen. Het antwoord was: ik heb de spelregels veranderd. Dat zou ik ook willen vragen aan onze parlementsvoorzitter. (Applaus bij de meerderheid en van Bart Caron)

De voorzitter

Dank u wel, mijnheer Daems. Ik heb binnenkort een onderhoud met u.

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, blijkbaar is de drang naar verandering zo groot dat er ook binnen het beleidsdomein Toerisme gekozen wordt voor een radicaal andere aanpak, ondanks de mooie resultaten uit het verleden van de vorige bevoegde minister, huidig minister-president Bourgeois. De zeer nadrukkelijke keuze om in de toekomst enkel nog te investeren in projecten die een internationale ‘reason to come’ toevoegen aan het bestaande aanbod, lijkt me niet in overeenstemming met het regeerakkoord. Dit is ook een verkeerde keuze. Met de grote projecten wilt u meer bezoekers uit verre bestemmingen naar Vlaanderen halen, klantenwerving dus. Op zich is daar uiteraard niets verkeerds mee. Het lijkt ons echter wel fout dat u tegelijkertijd niet langer inzet op klantenbinding van het grootste deel van de toeristen die, zoals we allemaal weten, vooral komen uit het binnenland en onze buurlanden.

Om deze grote groep blijvend te boeien, is er nood aan een fijnmazig netwerk van toeristische attracties, een netwerk dat continu moet worden vernieuwd. Door voor deze projecten de subsidiekraan dicht te draaien, organiseert u een sluipende verschraling van het toeristisch aanbod en zorgt u er dus voor dat de concurrentiepositie van Vlaanderen op de Nederlandse, Franse, Duitse en Britse markt langzaamaan zal verslechteren. Op die manier haalt u onderuit wat Geert Bourgeois met veel geduld en succes opbouwde.

We hebben ons de voorbije maanden ingewerkt in het Logiesdecreet. We hebben het vorige en huidige voorstel van Logiesdecreet bestudeerd. In tegenstelling tot de decreetgever en de minister zaten we tijdig rond de tafel met de sector. We hebben voorstellen verwoord en amendementen ingediend. Aanvankelijk werden die amendementen om zowel de aanmeldings- en vergunningsplicht als de verplichte comfortclassificatie voor hotels en campings te behouden, weggestemd. Heb ik goed begrepen dat de meerderheid nu toch van plan is om de verplichte comfortclassificatie voor de hotel- en campingsector te behouden? Dat zou helemaal in overeenstemming zijn met de inhoud van het amendement dat mijn fractie heeft ingediend.

Ik hoop dat we in dit voor de toeristische sector erg belangrijk dossier de ‘politique politicienne’ achterwege kunnen laten en kunnen kiezen voor het belang van de sector en het belang van de gebruikers, want zij hebben behoefte aan duidelijkheid over de kwaliteit van het logies. De sector heeft duidelijk laten blijken een voorstander te zijn van het behoud van de comfortclassificatie. Laten we samen deze verzuchting van de sector en zijn gebruikers via een amendement in de tekst integreren wanneer het dossier terug naar het Vlaams Parlement komt. Laten we dat amendement samen indienen en goedkeuren. Dat zou een fantastisch signaal zijn, tot voordeel van de toeristische sector in zijn geheel. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Coudyser heeft het woord.

Mijnheer Vandenberghe, de meerderheid heeft de bedoeling een goed Logiesdecreet te maken, een decreet dat steunt op vertrouwen in de ondernemers, toekomstgericht is, nieuwe en creatieve logiesondernemingen kansen wil geven en drempels wegwerkt, vooral dankzij een administratieve vereenvoudiging. Met dit decreet zijn we er bijna. Er blijft inderdaad nog een bezorgdheid bestaan. We werken aan een oplossing. We staan niet aan de kant. Vorige week nog hebben de sectoren het signaal gegeven dat er oplossingen mogelijk zijn. Samen zullen we zoeken naar oplossingen om de bezorgdheid weg te werken, zonder de geest van het decreet aan te tasten. We zullen daarvoor de nodige tijd nemen. Later zult u dan de kans krijgen om u uit te spreken over wat een goed decreet is. (Applaus bij de N-VA)

Ik ben heel blij dat mijn maandenlange inzet om u ervan te overtuigen de tekst aan te passen, iets oplevert. U hebt geluisterd. Ik heb u al maandenlang gezegd dat de sector vraagt naar een verplichte comfortclassificatie. We evolueren in die richting. We nemen een positieve houding aan en steunen initiatieven in die zin. Want dat komt tegemoet aan datgene wat we al maanden vragen. (Applaus bij sp.a)

Het nieuwe feit deed zich pas vorige week voor. Sinds vorige week kunnen we samen met de sector zoeken naar oplossingen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, met mijn kort betoog over de beleidsbrief Toerisme wil ik zoals de vorige jaren vooral het beleidsdomein Toerisme zijn rechtmatige plaats in het parlement geven en toerisme an sich in the picture zetten. Want toerisme is een economische sector die vrij stabiel is. Toerisme is niet delokaliseerbaar en stelt veel mensen tewerk, ook laaggeschoolden. Toerisme zorgt ervoor dat we Vlaanderen internationaal op de kaart kunnen zetten. Denk maar aan het project 100 jaar Groote Oorlog, waarbij ik onmiddellijk de bedenking maak: quid na 2018? Dit lijkt nog ver weg, maar het is mijns inziens een van de grootste toeristische uitdagingen van de komende jaren. Als West-Vlaming zou ik kunnen zeggen dat de vorige minister van Toerisme een veel betere minister was dan de huidige, alleen al maar omdat hij een West-Vlaming is. Maar het wegevolueren van de macrobestemmingen – de Vlaamse kust, de groene regio’s en de kunststeden – ten voordele van Vlaanderen an sich is volgens mij geen slechte zaak.

Ik wil ook aan de minister vragen dat hij niet alleen de toeristische aantrekkingskracht van Vlaanderen vergroot, maar ook de nodige aandacht besteedt aan de macrobestemmingen. Ik moet eerlijk bekennen dat dit in elf jaar tijd waarschijnlijk de eerste beleidsbrief is waar zo weinig gesproken wordt over de Vlaamse kust, en dat doet mij natuurlijk wel een beetje pijn. Het mag dan wel niet politiek correct zijn, maar er wordt met geen woord gerept over de concentratie van asielcentra langsheen onze Vlaamse kust en de mogelijke weerslag daarvan op het toerisme aan de kust.

Over het Logiesdecreet hebben ook wij een aantal zaken gezegd in de commissie, mevrouw Coudyser. U hebt gelijk, er is nu een inbreng vanuit de sector. Maar had u geluisterd naar collega Vandenberghe, collega Caron en mezelf en had u onze vraag om een hoorzitting ingewilligd, dan had u vorige week niet op amateuristische wijze uw eigen voorstel van decreet moeten intrekken.

Minister, normaal gezien kunnen wij zeggen dat toerisme in Vlaanderen, in tegenstelling tot andere sectoren, een economische sector is die jaar na jaar groeit. Helaas wordt de toeristische sector wellicht een van de grootste slachtoffers van de terreurdreiging. Het verbaasde mij dan ook dat in de commissie de gevolgen van die terreurdreiging een beetje werden geminimaliseerd. Ik vrees, minister, dat u de gevolgen onderschat, vooral wat betreft het toerisme van buiten Europa, en meer specifiek vanuit Amerika. Bij deze roep ik u dan ook op om alles van heel nabij te monitoren en waar nodig het beleid bij te sturen, ook financieel.

De voorzitter

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, minister-president, collega Daems heeft het heel uitvoerig gehad over Internationaal Vlaanderen. Ik zou het graag met jullie hebben over de rol van Vlaanderen binnen de Europese Unie, de voorgestelde bottom-upaanpak en de Europese reflex, zoals aangehaald in de beleidsbrief.

“De Europese Unie is een samenwerkingsverband dat van onderuit moet worden opgebouwd en subsidiariteit en proportionaliteit hoog in het vaandel draagt.” Het is een citaat uit het Vlaamse regeerakkoord, maar het had net zo goed een citaat kunnen zijn van de Britse premier David Cameron. Vorige week stelde Cameron zijn Europese hervormingsagenda voor, waarmee hij de komende weken en maanden heel de Europese Unie rondtrekt om bondgenoten te zoeken. Vanuit Vlaanderen, zo menen wij alvast, moeten wij zijn medestander zijn. De deal die men vanuit Groot-Brittannië probeert te sluiten met de Europese Unie, is niet enkel goed voor de Britten, maar ook voor alle Europeanen en dus ook voor alle Vlamingen. Vanuit Vlaanderen moeten wij wegen op de Europese besluitvorming, en dat via een confederaal Europa: samenwerken omdat wij dat zelf willen doen en niet omdat het opgelegd wordt van bovenaf.

We hebben geen nood aan een gecentraliseerde Europese superstaat. Daar bestaat bij de Europese burger absoluut geen draagvlak voor, en terecht. Laat ons eerlijk zijn: de kloof tussen de burger en de Europese politiek is enorm. Wij mogen niet opnieuw dezelfde fout maken door die bestaande kloof te vergroten. Integendeel, we moeten alles doen om die kloof te verkleinen.

Daartoe moeten we durven te kiezen voor een ander Europa. En dat is niet noodzakelijk meer of minder Europa. Dat is vooral een beter Europa. Dat is een evolueren van de bestaande Europese Unie naar, wat ons betreft, een Europese confederatie. Dat is trouwens ook de weg die dit land is ingeslagen. Het is dan ook vast en zeker uitkijken naar de Europese visienota die binnenkort door deze Vlaamse Regering zal worden voorgesteld.

De voormalige voorzitter van de EU-Raad, Herman Van Rompuy, zei ooit: “Europa moet groot zijn in grote dingen, en klein zijn en klein blijven in kleine dingen.” Wat ons betreft, had hij gelijk. De EU moet zich bezighouden met de grote problemen en zich niet moeien met zaken die beter op het lokale niveau beslist of aangepakt worden. Subsidiariteit moet daarbij het leidmotief zijn. Europa mag enkel beleid voeren wanneer dit niet beter op lagere niveaus gebeurt.

Europese prioriteiten liggen jammer genoeg nog vaak verkeerd. Zo is de interne markt nog steeds niet eengemaakt, afspraken binnen de Europese monetaire unie worden niet nageleefd – we hebben gezien wat er de voorbije jaren met Griekenland is gebeurd – en het Verdrag van Dublin is jammer genoeg zo goed als dood. Hier moet Europa zijn verantwoordelijkheid opnemen.

Ik geef tot slot een citaat van de Britse premier David Cameron. Het had ook in het Vlaamse regeerakkoord kunnen staan: “Europa heeft nood aan een groter democratisch draagvlak. Vrijwillige samenwerking is veel sterker dan centraal opgelegde verplichtingen.” Minister, laat ons vanuit Vlaanderen dan ook het Kanaal oversteken. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Vanbesien heeft het woord.

Wouter Vanbesien (Groen)

U zegt twee dingen. U zegt dat Europa zich met de grote dingen moet bezighouden en niet met de kleine. Subsidiariteit is belangrijk. Daar ben ik het 100 procent mee eens. Maar de vraag is wel op welke manier Europa zich met die grote dingen moet bezighouden. U hebt het over confederalisme. Als ik het fout heb, moet u mij verbeteren, maar confederalisme wil zeggen: een vetorecht voor iedereen. U noemt het ook vrijwillige samenwerking. Dat wil zeggen dat u de besluitvorming over die grote zaken – en dan hebben we het over zaken als vluchtelingen, klimaatbeleid, economisch beleid – op het Europese niveau lamlegt door een vetorecht te geven aan elke staat. Als u het echt meent dat het vertrouwen in Europa moet groeien, zult u Europa slagkracht en beslissingskracht moeten geven, en dan zult u niet Europa moeten lamleggen.

Het is uiteraard zeker niet de bedoeling om Europa lam te leggen. Maar we kunnen ons wel de vraag stellen of Europa niet in de lappenmand ligt op dit ogenblik. Europa mag niet centralistisch en bureaucratisch zijn zoals het jammer genoeg nu is. We moeten Europa van onderuit durven op te bouwen. Dat wil zeggen: in een samenwerking tussen de lidstaten. Wat ons betreft moet ook Vlaanderen daarin zijn rol als een volwaardige lidstaat kunnen spelen. We moeten die unie van onderuit durven op te bouwen. Op dit ogenblik is er al voldoende blokkering op het Europese niveau. Het is te centralistisch en te bureaucratisch. Daar moeten we vanaf.

Wouter Vanbesien (Groen)

U antwoordt niet. Ik vraag u of u met uw model een vetorecht geeft aan elke lidstaat, of dat nu Vlaanderen is of niet. Met zo’n vetorecht legt u de besluitvorming lam. U hebt op die vraag niet geantwoord.

Mijnheer Vanbesien, uw stelling is fout. Een zekere Peeters, ik ben zijn voornaam kwijt, bij wie ik federalistische theorieën heb bestudeerd aan de unief, toont dat er systemen zijn met allerlei gradaties. Ook een confederalistisch systeem hoeft niet per se op alles een vetorecht te hebben. Je kunt daar komen tot het systeem van gekwalificeerde meerderheden dat we nu hebben. Dat kan perfect. De vraag is alleen waar je vetorecht gaat toepassen en waar gekwalificeerde meerderheden. Andere zaken ga je overlaten aan de lidstaten. Uw stelling is gewoon nonsens.

Güler Turan (sp·a)

Mijnheer Vanlouwe, ik vraag mij af of de andere meerderheidspartijen u volgen in uw stelling dat Europa te centralistisch en te bureaucratisch is. Ik wacht op de visienota van deze Vlaamse Regering op Europa. U hebt gezegd dat die visienota er binnenkort aankomt. Dat was nu net mijn vraag, maar die is niet goed aangekomen.

Minister-president, ik zou graag weten wanneer die nota van de Vlaamse Regering er komt. Wordt dat een nota van de hele meerderheid? Ik ben ook benieuwd naar het standpunt van de andere meerderheidspartijen. Wat gaat de bijdrage van Cameron daarin zijn? Vermits het zo lang duurt, heb ik de indruk dat die nota door het kabinet van Cameron of door Cameron zelf wordt geschreven. 

Ik kom even terug op de vraag van de heer Vanbesien en zijn definitie van een confederale samenwerking. Er bestaan inderdaad verschillende vormen van confederale samenwerking. We stellen vast dat het nu problematisch is. Op dit ogenblik gaan we ervan uit dat de Europese Unie een superstaat is, dat ze bureaucratisch van bovenuit maatregelen oplegt. Wij denken dat we moeten samenwerken. Lidstaten moeten samenwerken. Wat ons betreft, is dat een confederale samenwerking die moet groeien en die niet in Brussel aan al die verschillende lidstaten moet worden opgelegd.

We hebben de voorbije jaren problemen vastgesteld op meerdere domeinen: de migratie van de voorbije maanden, de slechte werking van het verdrag van Dublin, de problemen met betrekking tot Schengen, de problemen met betrekking tot de monetaire unie, de crisis in Griekenland. Er is effectief sprake van een crisissituatie. Dan moet Europa op een andere manier worden opgebouwd. Dat is wat we voorstellen: een Europa dat van onderuit, vanuit Vlaanderen en andere lidstaten, kan worden opgebouwd. Wat ons betreft, is dat de confederale samenwerking binnen Europa.

Güler Turan (sp·a)

Mijnheer Vanlouwe, als ik me niet vergis, is uw partij ook verkozen in het Europees Parlement. U hebt het over het van bovenuit opleggen aan de staten. Waarover hebt u het? U hebt hier een heel verhaal van eurosceptici gebracht: Europa is centralistisch, het werkt niet. Maar welk Europa wilt u eigenlijk? Wilt u eigenlijk nog een Europa en is er hiervoor wel een meerderheid? Ik kan niet meer volgen.

Voorzitter, ik kom tot de essentie. Minister-president, tegen wanneer kunnen we de visienota over Europa verwachten? Zal het een nota van de hele regering zijn? Wat zal daarin de bijdrage zijn van Cameron?

De voorzitter

Minister-president, what do you think? (Gelach)

Minister-president Geert Bourgeois

Voorzitter, het vervelende met mijn goede collega Turan is dat zij nooit luistert naar wat ik in de commissie vertel. Zij heeft die vraag gesteld in de commissie, en ik heb die ook uitvoerig beantwoord.

Ik wil het even herhalen voor het plenum. Ik heb erop gewezen dat we op dit moment met het Vlaams-Europees Verbindingsagentschap (vleva) drie colloquia organiseren over de visie op Europa, met buitenstaanders, zoals voormalige collega’s Vandenbroucke en Fientje Moerman. In februari vindt het derde colloquium plaats.

Er is een voorstel van het parlement – het komt van het parlement, ik beslis daar niet over – dat er een buitengewone vergadering zou zijn van de commissie Buitenlands Beleid nadat die colloquia hebben plaatsgevonden. Desgewenst kunnen de Vlaamse europarlementsleden daarop aanwezig zijn. Nogmaals, dat behoort tot de autonomie van het parlement. Als het parlement geen tussenstap wil doen en wil wachten op de nota van de regering, is dat ook goed.

Tot slot heb ik gezegd dat het de bedoeling is dat de regering met een visienota komt tegen de zomer, tegen het einde van de eerste helft van 2016. Ik hoop dat we dat schema kunnen aanhouden. Ik neem aan dat de collega’s deelnemen aan de colloquia. Het gebeurt in grote transparantie. Ik heb de hand gereikt om samen met het parlement een tussenstap te zetten vooraleer de regering zelf tot het formuleren van de visienota overgaat.

Ik stel vast dat mevrouw Turan niet alleen niet luistert in de commissie, maar blijkbaar ook de beleidsbrief niet heeft gelezen. Als ze die had gelezen, het ze daarover het woord kunnen voeren. Ze had kunnen vaststellen dat de bottom-upaanpak waarover ik het had, het verder van onderuit uitbouwen van Europa, wel degelijk ook in deze nota vermeld staat.

Er wordt ook verwezen naar de prioriteitstelling van de EU-dossiers, het wegen op die dossiers vanuit Vlaanderen en het wegen op de beleidsvorming door de heronderhandeling van het samenwerkingsakkoord van de Europese Unie, naar een versterking van onze Vlaamse vertegenwoordiging en de algemene afvaardiging van de Vlaamse Regering binnen de Europese Unie. En tegelijkertijd staat er ook heel letterlijk in de beleidsnota een verwijzing naar de pilootdossiers binnen het werkprogramma van de Europese Commissie. Dat is in het kader van de bottom-upaanpak van de Europese Unie.

Mijnheer Vanlouwe, uw uiteenzetting is boeiend en interessant, het is een goede weergave van de inzichten van uw partij. Ik heb wel een aantal bedenkingen bij hoe Europa er volgens u idealiter zou moeten uitzien. U zult me niet kwalijk nemen dat de analyse van en de kijk op Europa die u naar voren schuift, verschillen van de kijk van andere meerderheidspartijen daarop. Dat is ook geen schande, we stellen dat vast.

Ik ben het met u eens dat Europa heel bureaucratisch is, met heel logge procedures. We zeggen dat soms ook van onze eigen werking, we hebben dat vandaag al een aantal keren gezegd. In een aantal beleidsdomeinen heeft Vlaanderen daar ook nog werk. De regering is zich daarvan bewust, Europa moet zich daar ook van bewust zijn.

Op institutioneel vlak is Europa federaal noch confederaal, het is een structuur sui generis. Daar zitten intergouvernementele elementen, confederale en federale aspecten aan. De oplossing van de problemen waar Europa voor staat, bestaat niet alleen uit het versterken van de confederale elementen. In sommige beleidsdomeinen zullen we minder Europa nodig hebben maar in andere beleidsdomein zullen we meer en een slagvaardiger Europa nodig hebben dat niet bij gekwalificeerde meerderheid moet functioneren. (Applaus bij sp.a)

Als u dat hebt gezegd, mijnheer Diependaele, dan moet u nu applaudisseren, want dan zeggen wij hetzelfde. Dat is voor u dan alvast een geruststelling.

Ik wil heel duidelijk herhalen dat wij geloven in een sterk Europa en in een aantal grote uitdagingen waar we nu voor staan en die Vlaanderen ook treffen. Ik denk aan de vluchtelingenproblematiek, waar we iets moeten doen aan onze buitengrenzen. Daarbij kunnen twee redeneringen worden gevolgd. Ofwel zeggen we dat zij hun grenzen beter moeten beschermen, ofwel gaan we samen onze buitengrenzen beter beschermen. Wij geloven dat een federale, een versterkte aanpak, waar Europa meer doet dan de buitengrenzen beschermen, een oplossing is voor de vluchtelingenproblematiek. Dat is iets helemaal anders dan een confederale logica over de hele lijn doortrekken. Daar geloof ik niet in.

Wouter Vanbesien (Groen)

Mijnheer Vanlouwe, ik bleef toch ook met wat vragen zitten toen u zei dat Europa moet stoppen met dingen op te leggen. Wil dat dan zeggen dat u geen richtlijnen meer wilt? Via een richtlijn legt Europa dingen op. Het gaat over richtlijnen die worden besproken door de Europese Commissie en door de Raad van Ministers, dus door de verschillende landen. Zij worden ook besproken door het parlement waar mensen uit verschillende landen en regio’s zijn afgevaardigd. Ik begrijp dan ook niet wat u bedoelt wanneer u zegt dat het van onderuit moet gebeuren.

Mijnheer Diependaele, u hebt me wel terechtgewezen. U hebt gezegd dat mijn definitie van confederatie, namelijk dat er een vetorecht is en dat iedereen akkoord moet gaan, niet de juiste is. Confederatie kan volgens u alles willen zeggen. In dat geval is het inderdaad mogelijk dat we het op het eind eens zullen zijn.

Mijnheer Vanbesien, mijnheer Somers, we raken hier verzeild in een termendebat dat niet correct is. De federale elementen durf ik eerlijk gezegd betwijfelen. Ik stel voor om eens navraag te doen in Duitsland – het Bundesgericht –, waar men absoluut en volmondig zal tegenspreken dat er federale elementen aan Europa zouden zijn.

Op zich doen die termen er niet veel toe. Mijnheer Vanbesien, u moet zich eens verdiepen in de juridische aspecten en dan zult u zien dat het niet zo eenvoudig is. De analyse die wordt gemaakt, is wel grotendeels dezelfde, en dat betekent dat de bureaucratie moet worden aangepakt. Een probleem waar Europa – ik heb er gewerkt en ken het huis dan ook van binnenuit – al heel lang mee worstelt, is dat het de binding met de basis kwijt is. Wij zijn pro-Europa, maar Europa is de Europeanen vergeten. Daar moeten we een antwoord op bieden. Wanneer men dat kan oplossen, zal men Europa versterken, wat ook de bedoeling is.

En een derde analyse die wordt gemaakt, en daar zit wel een groot debat in, is die over de vraag wat we nog aan Europa vragen en wat niet. We kunnen het een soort kerntakendebat van de Europese Unie noemen. Over heel veel dingen die hier gezegd worden over waar er meer Europa moet komen, zijn wij het eens. Op andere punten zullen we het minder eens zijn. U moet maar eens nagaan welk debat de laatste dertig jaar al is gevoerd over de sociale bevoegdheden van Europa. Iedereen wil een socialer Europa, tot het erop neerkomt dat we moeten nivelleren en het niet meer zo sociaal is voor iedereen in Europa. Alles wat geld kost, geeft op dat gebied problemen. Het zijn heel technische discussies.

Ik ben ervan overtuigd dat als we Europa willen versterken, we Europa ook wakker zullen moeten schudden. Dat is onze intentie.

Het is belangrijk om op te letten dat de zwartepiet niet te veel aan Europa wordt toegespeeld. De voorbije weken en maanden wordt er een mooi spelletje gespeeld door sommige krachten binnen Europa om de Europese constructie in vraag te stellen en al wat slecht gaat in de wereld en binnen Europa, te wijten aan de Europese constructie. Politiek leiderschap, ook in Vlaanderen, heeft er nood aan om niet altijd in te spelen op de buikgevoelens van de mensen, maar om ook wel eens te durven zeggen wat de echte uitdagingen zijn. En dan hebben we niet minder, maar meer Europa nodig! (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

Als we in de wereld nog willen meetellen, dan zal niet België, laat staan Vlaanderen, de bakens verzetten. We hebben dat in Parijs gezien. Als we op militair vlak iets willen bereiken, iets waar we nu allemaal de nood aan voelen, zal Europa met een duidelijke stem moeten spreken. Dat zal nodig zijn om de problemen in het Midden-Oosten op te vangen en om onze grenzen in Oost-Europa te bewaken. We hebben daarvoor een sterker Europa nodig, ook op militair vlak. Als we de vluchtelingencrisis willen aanpakken, zal dat niet lukken door onze binnengrenzen dicht te doen. Niet de grens tussen België en Luxemburg zal bepalend zijn. Als we die dicht doen, zal de instroom niet beperkt worden. We hebben de open grenzen binnen Europa nodig. Ze hebben ons de voorbije decennia heel wat economische daadkracht gegeven. Als we de Europese buitengrenzen bewaken, zullen we een sterker Europa nodig hebben met een sterker gezag binnen Europa. Zo niet zal het probleem nooit opgelost worden. (Applaus bij CD&V)

Rik Daems (Open Vld)

Collega’s, het probleem is dat er met termen wordt geschermd die verschillend worden begrepen. Ik zou de test eens willen doen door een wit papiertje rond te delen in dit halfrond met de vraag om in drie lijnen ‘confederalisme’ te beschrijven. We zouden verbaasd zijn over de verschillende antwoorden die we krijgen.

Mijnheer Vanlouwe, ik wil daar het volgende mee zeggen. Als u bepaalde geladen concepten gebruikt in een debat, riskeert u dat hoewel mensen het op een aantal punten eens zouden kunnen zijn, de meningen toch uiteenlopen.

Ook door bepaalde belangrijke politieke figuren uit het buitenland te linken aan uw betoog, aan iemand waarvan minstens het beeld bestaat dat hij, in casu David Cameron, niet direct pro-Europees, maar veeleer Europees-sceptisch is, dan denkt iedereen natuurlijk dat u dat zelf ook bent. Als dat zo is, is dat natuurlijk uw goed recht, maar ik geef u gewoon deze twee elementen mee.

Ik heb ook een eigen mening. Het is ook de mening van mijn partij, en die is hier het breedst gedragen in dit halfrond: op Europees niveau kunnen waarschijnlijk de beste synergieën worden gevonden om een aantal fundamentele problemen in de maatschappij aan te pakken. Dat is een heel ander debat dan dat over de vragen over federale of confederale beslissingsmodellen. Er zijn een aantal fundamentele problemen die aangepakt moeten worden.

Wat mij nu interesseert in dit debat, is wat de inbreng van Vlaanderen daarin kan zijn. Daar gaat het immers over, we zijn over het Vlaamse internationale beleid bezig. Ik verwelkom in die zin het initiatief van de minister-president om een aantal colloquia te organiseren. Ik zal er in elk geval absoluut voorstander van zijn om er in de commissie ‘buitenlandse zaken’ – ik zou de commissie graag zo noemen in de toekomst, dat klinkt wat gewichtiger – ten gronde over te debatteren aan de hand van modellen, doelstellingen en alles wat erbij komt kijken, opdat dan de Vlaamse Regering, gedragen door een meerderheid in dit parlement, een visienota kan ontwikkelen waar we allemaal achter kunnen staan en waarbij vooral het soortelijk gewicht van Vlaanderen in de totstandkoming van de Europese politiek vergroot, niet verkleint.

Güler Turan (sp·a)

Voorzitter, ik wil de collega’s Somers, Van den Heuvel en Daems bedanken voor hun uiteenzettingen, die me meer vertrouwen geven in de beslissingen die deze regering zal nemen over Europa dan als de collega op het spreekgestoelte en zijn partij het daarover hebben. Men kan af en toe bekijken welke taken wel en niet kunnen, maar voor sp.a is er inderdaad niet minder Europa, maar meer Europa nodig. Er is meer democratisch Europa nodig, en vooral, heel belangrijk, een Europa dat sociaal zal zijn. Ik stel met genoegen vast dat de eurosceptici hier een kleine minderheid zijn. Ik wil de collega’s er vandaag allemaal opnieuw op attent maken dat de minister-president al ongeveer een jaar aan het bekijken is wat voor visienota er in naam van deze regering voor de Vlamingen in verband met Europa zal komen. Ik wil u allen vragen daar een bijdrage aan te leveren. Er wordt gezegd dat er bottom-up wordt gewerkt.

Mijnheer Daems, u zegt dat in het parlement te zullen opnemen, maar het probleem is dat het parlement dat bijna op het einde bekijkt, als er al een tekst klaar is om naar de regering te gaan. Ik wil dat er bottom-up wordt gewerkt aan die visienota over Europa.

Minister-president, u beweert in uw nota dat het Vlaanderen ernst is om meer in Europa te wegen. Als dat zo is, dan stel ik ook voor dat u een visietekst over Europa maakt die breed wordt gedragen, en het liefst kamerbreed hier. De stakeholders zijn nu bezig, met het vleva. U zegt dat u, indien nodig, zelfs bereid bent om de Europarlementsleden erbij te betrekken. Dat is echter noodzakelijk. U hebt me zelf vorige week gezegd dat de gemeenten zelf vragen om meer betrokkenheid, om meer te worden geïnformeerd, bijvoorbeeld wat het TTIP betreft. Betrek die gemeenten en steden daar ook bij, in plaats van hun top-down iets op te leggen. Doe dat samen met de Vlamingen en doe dat met alle parlementsleden!

Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, de woorden ‘Europa’ en ‘crisis’ zijn gevallen. De geschiedenis leert ons dat Europa eigenlijk heel vaak het antwoord is geweest op de crisis, en dat het niet Europa is dat de oorzaak was van die crisis. Dat is immers wat nu naar voren wordt geschoven. Men heeft het over de bureaucratie, men stelt dat alles van bovenaf wordt opgelegd, alsof Europa de oorzaak zou zijn van allerlei crisissen. In de loop van de geschiedenis, in de jaren 60, 70, 80 is Europa door heel veel crisissen gegaan. Na overleg tussen al die lidstaten en al die volkeren is als enige antwoord gebleken dat we die problemen samen moesten aanpakken. Dat is het antwoord geweest. Er is niet iemand van bovenaf uit Brussel neergedaald die heeft gezegd ‘dat zal het zijn’. De volkeren, de naties, de staten zijn tot het inzicht gekomen dat, als de problemen groter worden, je die samen moet aanpakken, dat ze zelfs de Europese schaal overstijgen. Alleen zo kan men stappen vooruit zetten. Vandaag is Europa een van de meest aantrekkelijke projecten in de hele wereld. Er zijn miljarden mensen die kijken naar wat wij realiseren. Onze verdieping, onze verbreding is een van de meest succesvolle politieke projecten uit de geschiedenis. Het zou zeer jammer zijn, mochten we dat beginnen in vraag te stellen. We mogen daar fier op zijn. Ik meen dat de ingeslagen weg verder moet worden uitgediept. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

Minister-president Geert Bourgeois

Voorzitter, ik geloof niet dat hier iemand het project Europa in vraag heeft gesteld. (Rumoer)

Ik heb hier enkele jaren geleden op het spreekgestoelte gezegd dat Europa politiek inderdaad een zeer geslaagd experiment is geweest na de Tweede Wereldoorlog, dat in de eerste plaats vrede heeft gebracht op het Europese continent. Daar wordt heel vaak aan voorbijgegaan.

Ik ga niet vooruitlopen op de inhoud van de visienota. Dat zou ook niet correct zijn. We moeten die visienota nog binnen de regering bespreken. Ik wil echter wel nog eens herhalen het absoluut niet eens te zijn met de sfeer die mevrouw Turan de hele tijd opnieuw probeert te creëren. Ik maak werk van een gedragen visie. Daarom organiseren we die drie colloquia. Het derde moet nog volgen. Het eerste ging over duurzame groei, over een kwaliteitsvolle toekomst voor de Europese Unie. Het tweede ging over de waarden van de EU: solidariteit, verantwoordelijkheid opnemen voor elkaar. Het derde gaat over de democratie binnen de Europese Unie. Dat staat open voor iedereen, voor het hele middenveld, voor alle geëngageerden, voor alle betrokkenen.

Mevrouw Turan, ik heb – en ik herhaal het nog eens: ik regel de werkzaamheden van het parlement niet – voorgesteld, niet om zo nodig Europese parlementsleden vanuit Vlaanderen daarbij te betrekken, maar ik heb voorgesteld om de drie colloquia in buitengewone zitting – of meerdere, dat zal het parlement beslissen – te houden met deze gecombineerde samenstelling waarin we de discussie te gronde kunnen voeren in alle openheid van geest. Dat is heel wat anders dan te zeggen: dat is een lastige passage. Neen, dit is absoluut in het traject opgenomen. Daarna gaan we naar de regering. Het zou mooi zijn dat we in Europa in de maand mei met een visienota kunnen komen. Lukt dat niet, dan is het ook maar zo. We gaan toch proberen dat in de eerste helft van het jaar af te ronden.

Collega’s, u mag dat gerust weten, ik ben altijd eurofiel geweest, ik heb ervoor gestudeerd. (Opmerkingen)

Ik heb er gewerkt. Hier wordt met slogans gegooid op een platte manier, ook door collega’s van de meerderheid trouwens. (Opmerkingen)

Ik weet niet of het onwil of onkunde is.

Men pleit bijvoorbeeld voor meer Europa! Mevrouw Turan, ik zou graag willen dat u eens aan de havenarbeiders gaat vertellen dat we over de wet-Major vanaf nu laten beslissen door Europa. Ik stel voor dat u goede loopschoenen draagt.

Men kan dat zo niet zeggen, meer of minder Europa. We moeten het juiste evenwicht vinden tussen de zaken die ons een voordeel bieden en zaken die een collectief voordeel bieden binnen Europa. Die zaken geven we aan Europa om over te beslissen. De zaken die eerder op onze gemeenschap zijn gericht, die we beter zelf uitmaken, die houden we hier. Dat is een voortdurende evolutie. We moeten trachten de subsidiariteit te vinden. Daar zijn al duizenden pagina’s over geschreven. Dat is een gigantisch evenwicht dat we moeten zoeken. Dat is in voortdurende evolutie. De begrotingsdoelstellingen die Europa heeft opgelegd, daar ben ik absoluut voorstander van. Ik ben er zelfs heilig van overtuigd dat het anders veel moeilijker zou zijn geweest om in ons eigen land die financiën op orde te krijgen.

Wat de vluchtelingenproblematiek betreft: het is evident dat Europa daar een grote vinger in de pap heeft. Hetzelfde geldt voor het militaire element. Het is al van midden jaren 90 met de Balkancrisis zo dat we er niet in slagen. In 1985 is er een eenheidsakte gestemd die ging voor een eengemaakt Europees leger. Het is er nog altijd niet. Dus kom hier niet met slogans smijten. Zorg dat u met kennis van zaken spreekt.

De heer Daems heeft gelijk, we kunnen op een degelijke en grondige manier het hele debat over Europa op een genuanceerde manier gaan voeren. (Applaus bij de N-VA)

Ik zou aan de heer Diependaele één vraag willen stellen. Gaat zijn aanpak, de bottom-up, de confederale manier, een Europees leger dichterbij brengen dan de huidige situatie?

Mijnheer Van den Heuvel, wij zijn slechts een kleine speler als het over het militaire gegeven gaat. Ik ben ervan overtuigd, als we die basis in Europa niet meehebben, dan pas brengen we het hele project in gevaar. Als de generaal te ver vooruitloopt op zijn troepen, beginnen zijn troepen te deserteren. Dat is wat we meemaken. Daar moeten we voor opletten. Ik ben niet bereid om het Europees project dat mij bijzonder dierbaar is, in gevaar te brengen, door te ver voorop te gaan lopen en de Europeaan zelf te vergeten. We moeten die meenemen in het verhaal. Dat is de essentie van het bottom-upverhaal.

We moeten de Europeaan absoluut meenemen, daar ben ik honderd procent van overtuigd, maar het hangt af van de overtuigingskracht en het perspectief van de generaal. We mogen niet uitgaan van een gevoel van angst.

De voorzitter

Generaal Somers, u hebt het woord.

Dank u, kolonel Peumans. Mijnheer Diependaele, als we hier een debat voeren, mogen we onze collega’s niet te snel beschuldigen van het gebruik van slogans. (Applaus bij sp.a) 

Ik heb dat daarnet ook niet gedaan. (Opmerkingen van Kris Van Dijck) 

U moet niet zenuwachtig worden, mijnheer Van Dijck, ik maak een constructieve opmerking. Het is niet fout dat partijen een verschillende mening hebben over verschillende aspecten betreffende Europa. Zelfs meerderheidspartijen kunnen daarover van mening verschillen. Als de heer Vanlouwe een geprononceerde – ik zeg niet provocatieve – mening naar voren brengt over de evolutie van Europa, en ik stel als fractieleider van Open Vld vast dat mijn partij daar enigszins anders over denkt, en ik formuleer die visie, dan moeten we elkaar toch niet gaan beschuldigen dat de ander in slogans praat? We aanvaarden toch dat we over dat Europees project niet exact hetzelfde denken.

Mijn partij denkt daar pro-Europees over. We geloven dat Europa niet het probleem, maar de oplossing is voor heel veel zaken. Vandaag wordt Europa iets te gemakkelijk gebruikt als een schaamlapje om eigen falen en tekortkomingen te maskeren. We zien veel partijen – ik spreek niet over uw partij, mijnheer Diependaele – Europa gebruiken als excuus om het eigen falen te verdoezelen. Daar wil mijn fractie niet aan meedoen. Voor ons is het Europese project te belangrijk.

Als we daarover van mening verschillen, dan waardeer ik het meningsverschil en waardeer ik de tussenkomst van de heer Vanlouwe, maar niet dat collega’s elkaar beschuldigen van sloganpolitiek. Dat aanvaard ik niet. (Applaus bij Open Vld en sp.a)

We mogen inderdaad niet vervallen in slogans. Als ik soms debatten bekijk in het Europees Parlement en ik hoor een fractievoorzitter roepen “we need more Europe”, of wanneer er wordt gesproken over de Verenigde Staten van Europa, dan vraag ik me af of er niet al te gemakkelijk in bepaalde slogans wordt geroepen.

Er bestaan inderdaad verschillen tussen lidstaten, er bestaan ook verschillen in dit parlement. In meerdere, zelfs eurofiele, landen bestaan er heel grote verschillen, en dat is goed. Ik ben bijzonder blij dat we dit Europese debat hier hebben kunnen voeren. Dat hij dat debat opnieuw op gang heeft gebracht, is misschien de verdienste van de Britse eerste minister.

Als we de definitie van het confederalisme opnieuw een wit blad laten zijn, dan zullen daar verschillende meningen over bestaan. Als ik op dat wit blad ‘Europese Unie’ zou schrijven, dan denk ik dat daarbij de termen ‘bureaucratie’ en ‘centralisme’ zouden worden vermeld. Een discussie over meer of minder Europa is niet de essentie, de essentie is dat we een beter en efficiënter Europa hebben. Dat is een euro-realistische visie. Als we denken dat alles opgelost geraakt door meer Europa, dan is dat een foute visie. Net zoals de stelling ‘minder Europa’ niet de meest correcte visie is. We moeten vooral een beter en efficiënter Europa hebben. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, dit was een bijzonder boeiend debat over Europa zoals we dat nog niet vaak hebben gevoerd en zoals we dat naar aanleiding van de aangekondigde visienota ongetwijfeld nog heel grondig zullen kunnen doen in de commissie. Het voorstel om dat samen te doen met onze Europese parlementsleden, is een goed idee. Er kunnen en moeten heel wat mensen aan deelnemen, in de eerste plaats die actoren.

We worden er dagelijks aan herinnerd dat Europese en internationale aspecten een impact hebben op ons dagelijks beleid. Daarom onderschrijf ik het pleidooi van onze commissievoorzitter om in het Vlaams Parlement over alle domeinoverschrijdende aspecten heen een internationale toets te leggen, omdat dat de realiteit is van vandaag.

Soms dreigt het gebrek aan slagkracht van de internationale gemeenschap ons moedeloos te maken. Maar dan zijn er gelukkig momenten als de klimaattop in Parijs, waar je ziet dat landen met heel andere belangen, een andere politiek systeem, een andere traditie erin slagen internationale akkoorden te maken met bindende aspecten om de toekomst van de volgende generaties te waarborgen. Het was een sterk teken van verbondenheid tussen naties en volkeren van onze planeet. Ik ben blij dat er af en toe in het internationale, soms sombere landschap, ook positieve signalen komen.

Natuurlijk zijn er ook negatieve aspecten. De gewapende conflicten in Syrië, Irak en Oekraïne voelen we bij ons thuis. In de straten zijn ze zichtbaar, de vluchtelingenstromen die op gang zijn gekomen. Dat heeft gevolgen voor ons onderwijs, onze huisvestingsmarkt, de inburgeringscursussen, in de steden en gemeenten. Het conflict met Oekraïne en de daaraan gekoppelde landbouwboycot van Rusland weegt op onze Vlaamse landbouw.

We maken ons als christendemocraten toch wat ongerust over de versterking van de anti-Europese gevoelens in West- en Centraal-Europa. Daarnet kwam het in het debat ook aan bod: heel wat collega’s maken zich ongerust over wat er op dit moment in een aantal landen aan het gebeuren is.

Het klopt dat de nota van de regering-Cameron aanleiding geeft tot debat. Dat is ook goed. Europa is zo fundamenteel dat we dat debat ook moeten voeren. Het is goed dat er ook regeringen zijn die een stok in het hoenderhok werpen, maar we mogen wat we tot stand hebben gebracht doorheen al die jaren, wat vrede, stabiliteit, welvaart ,welzijn en veiligheid heeft gebracht in Europa, niet zomaar overboord gooien. Ik was blij van collega Diependaele te horen dat het niet ging over onder andere het systeem om onze begrotingen in evenwicht te houden, over een aantal veiligheidsmechanismen, en over de aanpak van de vluchtelingen, dat er daarover toch eensgezindheid is, dat Europa op dat punt grote verwezenlijkingen heeft gedaan die we niet mogen loslaten.

Vlaanderen heeft voor zijn buitenlands beleid een aantal klemtonen gelegd op het multilaterale. We hebben dat gezien tijdens onze werkbezoeken in Parijs en in Zuid-Afrika. Dat zijn positieve punten. Tijdens ons bezoek aan de drie partnerlanden in Zuid-Afrika hebben we ter plekke kunnen vaststellen dat onze inspanningen op het vlak van onderwijs, duurzaamheid, taal- en cultuurbanden, erfgoed en kmo-ondersteuning gewaardeerd worden. Ik zou zeggen: laten we daar verder op inzetten.

Ik rond af met de implementatie van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen. De staten-generaals die aangekondigd zijn in 2016, zullen inspirerend werken. Ik ga ervan uit dat ze ons buitenlands beleid  blijvend vorm gaan geven. Ik wil er de nadruk op leggen dat die Sustainable Development Goals (SDG’s) voor ons als christendemocraten moeten worden gezien in een geïntegreerd en ondeelbaar kader, en dat we daar niet een aantal stukken uit mogen gaan plukken.

De voorzitter

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx (N-VA)

Voorzitter, ministers, waarde collega’s, sinds 2002 kunnen Belgen in het buitenland hun stem uitbrengen voor de federale verkiezingen. Helaas bevatte die uitbreiding van de kieswetgeving één grove lacune: men vergat de verkiezing van de gewest- en gemeenschapsparlementen. Het is absurd dat in het buitenland verblijvende Vlamingen wel de federale Kamer kunnen verkiezen, maar niet het Vlaams Parlement.

Ik ga zeer kort nog eens uit de doeken doen waarom dit een grove onrechtvaardigheid is. Om te beginnen wekt het de indruk dat de Vlaamse overheid niet van belang is voor Vlamingen in het buitenland, wat natuurlijk onzin is. Alleen al vanuit het principe ‘in foro interno, in foro externo’ speelt Vlaanderen een grote rol in het leven van Vlamingen in het buitenland. Ik wijs maar op de culturele promotie-initiatieven, het Nederlandstalig onderwijs in het buitenland, de Vlaamse handelsmissies of het Vlaams buitenlands beleid. Wij voeren beleid voor de Vlamingen in het buitenland. Dan is het toch maar logisch dat zij dat beleid ook mee kunnen bepalen bij de verkiezingen.

Ik besef natuurlijk dat ik de overtuigden niet moet overtuigen. Daar reken ik u bij, geachte minister-president. U hebt zelf verklaard vierkant achter het regionaal stemrecht in het buitenland te staan. Dat was ook het geval bij uw voorganger, de heer Peeters. Ik heb er goede hoop in dat u er dit keer wel in zult slagen dat voornemen om te zetten in daden.

De Federale Regering heeft een glasheldere intentie in haar regeerakkoord opgenomen. Aan de overkant van de straat is men dus aan zet. Aan de federale coalitie zal het niet liggen, aan de andere regionale regeringen misschien wel. Want hoe evident het ook lijkt, er is ook tegenstand tegen het regionaal stemrecht in het buitenland. De PS blokkeerde in de vorige Federale Regering dit dossier halsstarrig. Uit berekeningen bleek immers dat de stemmen uit het buitenland hun al herhaaldelijk zetels hadden gekost.

Via onduidelijke kanalen durft die houding ook wel eens over te slaan naar dit huis. In 2013 bespraken we dit thema in de commissie. Een collega die er vandaag niet meer bij is, kantte zich opeens tegen stemrecht voor Vlamingen in het buitenland. Als voorbeeld haalde hij een Vlaamse hotelierster uit Costa Rica aan, die dacht dat Agalev nog bestond en toegaf de politiek niet te volgen. Zulke uitspraken hoor je dan van partijen voor wie de stemplicht een heilige koe is, hoe ongeïnformeerd of geïnteresseerd de kiezer ook is.

Het criterium van politiek inzicht selectief toepassen op Vlamingen in het buitenland lijkt me meer een platte berekening dan een oprechte overtuiging. Bovendien zijn veel van die Vlamingen in het buitenland de best denkbare ambassadeurs voor onze regio. We hebben het hier over academici, ondernemers, topsporters, muzikanten … Waarom zulke mensen niet waardig zouden zijn om mee de Vlaamse democratie op te bouwen, wil er bij mij niet in. Er is daarenboven geen extra prijskaartje aan verbonden.

Minister-president, ik roep u dan ook op om de Federale Regering bij de les te houden in dit dossier. Allicht zal de Waalse Regering alles uit de kast halen om dit voorstel te torpederen. Trap niet in die val en laat u niet meeslepen in vertragingsmanoeuvres allerhande. Zet door. De Vlamingen in het buitenland verdienen het.

Minister-president Geert Bourgeois

Ik heb dit dossier voor het Overlegcomité gebracht. U weet dat stemrecht voor Vlamingen in het buitenland niet tot de constitutieve autonomie van dit Vlaams Parlement behoort. We kunnen zelf dat stemrecht niet invoeren. Het is ook geen zaak van de Waalse Regering. Er moet een bijzondere wet goedgekeurd worden met een tweederdemeerderheid en een dubbele meerderheid in het federaal parlement. Nu de zaak voor het federaal Overlegcomité is gebracht, neemt de Federale Regering dit dossier op. Het is zaak om vooral aan de kant van de Franstaligen een meerderheid te vinden voor dit stemrecht. Afgaand op de partijstandpunten ben ik optimistisch. Drie partijen zijn voor: cdH, Ecolo en MR. Als die partijen hun verkiezingsprogramma ook omzetten in realiteit, kunnen we komen tot én een tweederde- én een dubbele meerderheid. De PS is tegen, en ik vermoed dat dit ook zo zal blijven, maar de PS is niet nodig om tot een dubbele meerderheid te komen inde federale Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het federale niveau is dus aan zet. Het initiatief moet daar genomen worden. Het moet nu verder bekeken worden op een manier die ertoe leidt dat er een dubbele meerderheid kan worden gevonden.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Ook dit jaar staan we opnieuw voor heel wat uitdagingen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking. We kunnen ons niet afsluiten van de structurele ontwrichting in veel landen. Mede dankzij de keuze van enkele strategische partnerlanden kunnen we onze expertise aanwenden om hen te begeleiden naar zelfredzaamheid. Er staan de komende jaren heel wat veranderingen en nieuwe engagementen op de agenda. In 2016 komt er een eerste Vlaamse staten-generaal voor ontwikkelingssamenwerking. Zo kunnen de verschillende beleidsdomeinen nog nauwer samenwerken met het oog op de uitwerking van de nieuwe strategienota’s.

Wanneer we ontwikkelingssamenwerking bespreken, komen we onherroepelijk ook bij de millenniumontwikkelingsdoelen. Dit jaar lopen de oorspronkelijke doelstellingen af, en het succes ervan wordt mede bepaald door de persoon waarmee je spreekt. Structurele verandering en vooruitgang zullen echter niet in één generatie voltooid worden. Ik kijk dan ook met veel vertrouwen vooruit naar de nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen, die nóg meer zullen zorgen voor een concrete samenwerking tussen donoren en ontwikkelingslanden op het vlak van armoedebestrijding én klimaatverandering. We moeten in de huidige context erkennen dat opkomende economieën niet zomaar een vrijbrief kunnen krijgen waarbij zij totaal geen rekening moeten houden met de klimaatakkoorden. Dat betekent dat ook zij gebonden zijn aan internationale verdragen, internationale waarden en normen en internationale akkoorden in verband met klimaatverandering en -financiering. Tot op een zekere hoogte kunnen we toegevingen doen om hen toe te laten hun economieën te ontwikkelen. Dit mag de inspanningen van de ontwikkelde landen evenwel niet tegenwerken.

Goed bestuur is daarbij ook terecht een transversaal thema binnen onze ontwikkelingssamenwerking indien de ontwikkelingslanden weerbaar willen worden op de internationale markten. Ook op het internationale toneel moeten zij beschikken over de nodige wetgevende achtergrond. Ook hier zijn scholing en onderwijs onmiskenbaar van belang.

Wouter Vanbesien (Groen)

Ik wou even inhaken, daarnet ook al bij de heer Kennes en nu bij u, mevrouw De Meulemeester, op het belang van de nieuwe ‘sustainable development goals’, want daar ben ik het helemaal mee eens.

Ik denk dat het in de internationale context een heel belangrijk akkoord is op VN-niveau, samen met het klimaatakkoord. Ik vraag aan u en aan de regering om die duurzame ontwikkelingsdoelen, niet te begraven in het beleid rond ontwikkelingssamenwerking of in het internationaal beleid in het algemeen. De hele idee achter die ‘sustainable development goals’ is dat we als westerse landen en als regio’s zelf onze verantwoordelijkheid moeten opnemen in het verduurzamen van verschillende sectoren.

Het zou goed zijn dat er een groenboek komt om echt over alle ministers en departementen heen ons engagement uit te spreken over hoe we de ‘development goals’ mee zullen realiseren. Ik zoek daarvoor naar steun bij en een engagement van de regering.

De voorzitter

Mevrouw Coudyser heeft het woord.

Voorzitter, leden van de regering, dames en heren, ik kom nog even terug op het beleidsdomein Toerisme. Vlaanderen heeft heel wat te bieden, alleen al door zijn uniek erfgoed en zijn unieke ligging in Europa en in de wereld. Die sterktes moeten we valoriseren. We hebben alles in huis om een toeristische topregio te worden.

Ik begin met de toeristische hefboomprojecten. Dat zijn projecten die door hun impact een hoog rendement hebben voor de maatschappij, de economie en de ondernemingen. In budgettair krappe tijden is dat een heel belangrijk uitgangspunt. Een voorbeeld is het concept van de Vlaamse Meesters, dat Vlaanderen profileert als de bakermat van de Europese kunst en cultuur. Dit hefboomproject zal zich niet louter beperken tot de Vlaamse Meesters, maar besteedt ook aandacht aan onverwachte verhalen, lokale meesters en alle mogelijke vormen van kruisbestuiving. Het is dan ook zeer goed nieuws dat recent tien projecten zijn geselecteerd in dit kader, zoals het bezoekerscentrum voor het Lam Gods in de Gentse Sint-Baafskathedraal, een Van Eyck-tentoonstelling in het Museum voor Schone Kunsten, een Bruegeljaar in het kasteel van Gaasbeek en de ontsluiting van een zestigtal sites in heel Vlaanderen.

Verder zijn er de inspanningen inzake meetinginfrastructuur en MICE (Meetings, Incentives, Conferences, Exhibitions), het segment van het zakentoerisme dat focust op vergaderingen, motivatiereizen, congressen, tentoonstellingen en beurzen. Vlaanderen had op dat vlak een inhaalbeweging te doen. Ook hier hebben we alles in huis om een topcongresregio te zijn. Alleen al de aanwezigheid van vele internationale bedrijven en grote steden zoals Brussel als Europese hoofdstad en Antwerpen als havenstad bieden ongekende mogelijkheden.

Naast de hefboomprojecten is het belangrijk om Vlaanderen te blijven promoten en uit te spelen in binnen- en buitenland, ook met onze gastronomie. Flanders Food Faculty zorgt ervoor dat we de krachten bundelen om de link tussen Vlaanderen en ‘Vlaanderen Lekker Land’ te leggen en ons op dat vlak internationaal sterker te profileren.

Dus geen poedersuikerbeleid, maar duidelijke keuzes. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Werk, Economie, Wetenschap en Innovatie

Dan gaan we nu over naar het onderdeel Werk, Economie, Wetenschap en Innovatie.

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan (sp·a)

Voorzitter, leden van de regering, dames en heren, ik neem het luik Economie voor mijn rekening en mevrouw Kherbache zal het straks over Werk hebben.

Ik dank iedereen voor het boeiende debat van daarnet over Europa en Internationaal Vlaanderen. Zo zien we hoe belangrijk Europa op ons doorweegt, ook op het vlak van economie.

In de commissie hebben we de begroting en de beleidsbrief uitvoerig besproken: ondernemerschapscompetenties versterken, meer mensen toelaten tot het beroep en het stimuleren van verschillende doelgroepen om meer potentieel te kunnen aanboren. U hebt in de commissie ook uitgebreid gesproken over de student-ondernemer. Vanaf januari 2016 zal dat in orde zijn. Sp.a is daar heel tevreden over, want we waren initiatiefnemer van een voorstel om ook studenten al tijdens de studies te laten ondernemen.

Het ondernemerspotentieel stopt natuurlijk niet bij de studenten. Er zijn meer mogelijkheden, maar daar wordt niet over gesproken. Vrouwelijk ondernemerschap blijft bijvoorbeeld steken op amper 34 procent. Er is nog veel werk voor de boeg voor ondernemers van buitenlandse origine en ondernemers met beperkingen. De gefailleerde is ook een potentieel waar moet worden een gewerkt, maar hier is wel een eerste aanzet gegeven. De sp.a heeft hieraan meegewerkt, er is een voorstel van resolutie goedgekeurd in de commissie. De gefailleerden zullen een tweede kans krijgen, maar ik wil toch de nadruk leggen op het belang van preventief bedrijfsbeleid. Men moet de ondernemer niet alleen een tweede kans geven om op te starten, maar vooral ook helpen in een moeilijke periode om een faillissement te voorkomen.

Met de zesde staatshervorming is enerzijds de toegang tot het beroep en anderzijds de KeFiK-enquête (Kenniscentrum voor Financiering van KMO) naar Vlaanderen overgeheveld. Toegang tot het beroep wordt nog bestudeerd. De KeFiK-enquête monitort de financiering van de kmo’s en gaat na waar de problemen zijn en of de kredietbemiddelaar ergens kan tussenkomen. We hebben echter nog altijd geen KeFiK-enquête, dus we monitoren ook niet. Een van de grootste belemmering voor ondernemen en ondernemerschap is precies de financiering; de juiste financiering voor de juiste ondernemer. We hebben evenwel nog geen stand van zaken. Ik vraag me dus af wat op het topoverleg van de banken wordt besproken.

Wanneer komt die KeFiK-enquête er? Wat er ook in de beleidsbrief ontbreekt, is een plan van aanpak voor bedrijfsoverdrachten en de internationalisering. Veertig procent van de ondernemers is ouder dan 50 jaar en is helemaal niet bezig met een bedrijfsoverdracht. Dat is een enorm probleem. In Nederland is hiervoor een specifieke aanpak. Er zijn zelfs bedrijfsoverdrachtspecialisten. Alleen verwijzen naar de kmo-portefeuille en zeggen dat we ze wel wat geld gaan geven als ze het nodig hebben, daar gaat het niet om. Geef ze een checklist, een roadmap zodat de bedrijfsleiders die nu hard werken om hun bedrijf te doen overleven, wat vooruit kunnen blikken en ze een houvast hebben om te kunnen plannen.

Ik vind het spijtig dat de minister-president juist is vertrokken, want een van de belangrijkste items van zijn buitenlandse handel is internationaliseren, meer bedrijven die gaan exporteren. Ik stel vast dat in de beleidsbrief Economie niet wordt gesproken over een versterking van de kmo’s of over meer kmo’s skills geven om te kunnen internationaliseren. Zowel het beleid van minister Muyters als dat van de minister-president, die bevoegd is voor internationaal Vlaanderen, zal falen als ze dit probleem niet samen aanpakken.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Zowel in de kmo-portefeuille als in de groeiportefeuille voor kmo’s zal het luik internationalisering worden meegenomen. Het zal eenvoudiger zijn en ruimer dan ooit in het verleden het geval was. Natuurlijk wordt internationaal ondernemen meegenomen, natuurlijk is er samenwerking tussen de minister-president en mijzelf over internationaal ondernemen en economie. U kunt blijven herhalen dat dit niet het geval is, mevrouw Turan. Zowel in het aantrekken van investeringen als inzake internationalisering werken we nauw samen en met resultaten. Er zijn bijkomende investeringen in Vlaanderen dankzij de goede samenwerking en dankzij de ondersteuning die we bijvoorbeeld in de Kempen geven.

De KeFiK-enquête is effectief onze bevoegdheid, de aanbesteding bij het Agentschap Ondernemen loopt en ik hoop dat het nog in 2015 of begin 2016 wordt opgestart.

Wat de overdracht van een onderneming betreft, tijdens de vorige legislatuur hebben we duidelijk gesteld dat we juist aanmoedigen dat men erover nadenkt en niet wacht tot het moment dat de pater of mater familias overlijdt. We hebben trouwens de schenkingsrechten tot nul herleid.

Ook daar hebben wij heel duidelijk een beleid naar de kmo-portefeuille, naar het ondernemerschap, naar de ondersteuning vanuit werkgeversorganisaties. Ik denk niet dat wij dat moeten doen. We hebben dat in de oproep rond ondernemerschap gestoken. Ik heb ernaar verwezen. Ik heb verwezen naar de conceptnota, op pagina 7, als ik me goed herinner, om u aan te tonen dat we daar wel mee bezig zijn. Maar oké, u zult het dan verder wel zien dat we het doen.

Güler Turan (sp·a)

Minister, ik ben u zeer dankbaar voor uw tussenkomst. U herhaalt een aantal dingen. Laat me beginnen met de KeFiK-enquête. Op mijn vraag in de commissie tijdens de begrotingsbespreking zegt u: wij zijn dat aan het bestuderen, ik ben overleg aan het plegen met de federale overheid. Ik heb het verslag goed nagelezen, minister. Ik zal het u zo dadelijk brengen. Minister, ik heb u gezegd: welk overleg hebt u in godsnaam met de federale overheid voor een bevoegdheid die van de federale overheid naar u is gekomen? U hebt geantwoord – ik heb het verslag tien keer nagelezen: mevrouw Turan, ik wou weten waar ze het geld aan geven. U zei ook dat u Agentschap Ondernemen de opdracht hebt gegeven om crowdfunding te onderzoeken en dat u hoopte dat u daar in 2015 nog mee kon starten. Dat hebt u mij vorige week in de commissie geantwoord.

Minister, ik heb een vraag. Is het ernstig dat u een parlementslid antwoordt dat u in 2015 nog met een project gaat beginnen, terwijl het vandaag al 17 december is? Waar is dat project? Nu zegt u: eventueel begin 2016. In de commissie zei u in 2015. Waar is dat project van crowdfunding?

Mijn vraag gaat absoluut niet naar crowdfunding. Beseft u wel dat de KeFiK-enquête een monitoring is? Dat is aanvoelen, dat is bevragen van de kleine en middelgrote ondernemers, degenen die het het moeilijkst hebben in ons Vlaams landschap om te overleven, om ze te voorzien van financiering, om dan te meten en te horen wat er is misgelopen, waarom ze die financiering niet hebben gekregen en wat eventueel de kredietbemiddelaar voor hen kan betekenen. Wij meten dat al twee jaar niet! U bent nog aan het onderhandelen met de federale overheid! Had het dan aan de federale overheid overgelaten, dan hadden we ten minste al twee jaar een enquête waarmee u naar uw topoverleg van de banken kon gaan! Neen, neen, neen, u vraagt er al twee jaar niet achter! Dat wat betreft uw KeFiK-enquête.

Wat betreft de bedrijfsoverdrachten, zegt u: mevrouw Turan, u luistert niet, er is de kmo-portefeuille, er is de kmo-groeisubsidie. Uiteraard zijn die financieringen er! Dat is uw flankerend beleid! Maar als u daar geen visie aan koppelt, als u uw ondernemers niet een mogelijkheid geeft, niet de alternatieven biedt, niet de begeleiding biedt, wat uw buurland Nederland vandaag uitvoerig doet, dan gaat u achterblijven, minister.

Wat betreft internationalisering zegt u ook: er is de kmo-groeisubsidie. Ik hoop dat alle ondernemers nu luisteren. Zij moeten gaan slapen en opstaan met de kmo-portefeuille, want daarmee zal al hun miserie worden opgelost. Hoe droomt minister-president Bourgeois de ondernemers te stimuleren om te exporteren, om liefst meer te exporteren en meer te produceren, als de meerderheid van de kmo’s intern niet bezig is met dat beleid? Die kmo heeft geen leidraad. Die moet dan gaan slapen en opstaan met de kmo-portefeuille en zeggen dat dat de oplossing is. Minister, er zijn de kmo-portefeuille en de kmo-groeisubsidies. Ik sta achter de hervorming. Maar zonder beleid en zonder visie zult u het geld wel uitgeven, maar of het zal terechtkomen, is iets anders.

Mevrouw Turan, mevrouw Turan, ik ga antwoorden, hé. U hebt vragen gesteld.

Güler Turan (sp·a)

Ik begrijp dat u mij wilt zien, minister. (Gelach. Applaus)

Ik ben dertig jaar gelukkig getrouwd en ik houd het daarbij.

Mevrouw Turan, denkt u dat het mijn visie is dat ik ga bepalen hoe bedrijven gaan exporteren? Dat is een zaak van ondernemingen. Mijn visie is dat wij drempels moeten verlagen. Daarvoor dient een kmo-portefeuille. Daarvoor dient een FIT-agentschap. Daarvoor dient wat wij doen met de groeisubsidies. Dat is de visie die wij hebben: drempels verlagen, drempels wegnemen.

Voorts zal ik niet in herhaling vallen. Ons beleid steunt op een visie, en die staat in de beleidsbrief. Ik zal met resultaten aantonen dat we het juiste pad bewandelen. (Applaus bij de N-VA. Opmerkingen van Güler Turan)

De voorzitter

U monopoliseert bijna het debat, mevrouw Turan. U hebt acht keer het woord genomen.

De heer Annouri heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik wil het hier over iets helemaal anders hebben. In de commissie hebben we het al gehad over de beleidsbrief en de begroting. In een motie hebben we onze opmerkingen over het doelgroepenbeleid en het beleid inzake de evenredige arbeidsdeelname verwoord. Hier wil ik focussen op werkbaar werk. Burn-out en depressie zijn heel grote problemen. Iedereen beseft dat, en de recente cijfers van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) tonen dat ook aan. Het probleem is erg actueel, en zal dat ook blijven. Minister, in uw beleidsbrief stelt u dat mensen langer aan het werk wilt houden dankzij werkbaar werk. Dat is een goede zaak.

Maar hoe wilt u dat doen? U hebt het over aanmoedigingspremies, loopbaanonderbrekingen en projecten over leiding geven en organisatiecultuur via ESF Vlaanderen. Voorts wilt u dienstencheques als instrument gebruiken om de combinatie van arbeid en gezin te verbeteren. Dat is allemaal goed, maar wat ons betreft veel te weinig. Het is een volwaardig probleem dat een volwaardige aanpak met een volwaardig budget vereist. We hebben vorig jaar al een amendement ingediend om te vragen om daar een budget voor uit te trekken. U hebt dat niet gedaan, en dat vinden wij heel jammer. Het is een actueel probleem. Veel mensen worstelen ermee. De pers meldt dat ook. Maar u doet er te weinig aan, en dat is ontzettend jammer. Hier vielen de namen van de Britse premier Cameron en anderen. Ik herhaal het nogmaals: het is een volwaardig probleem dat een volwaardige aanpak met een volwaardig budget vereist. Ik wil u nog een quote meegeven. Die komt van Yoda: “Do or do not, there is no try.” Ik zie geen ‘do’ in uw beleid inzake werkbaar werk. (Applaus bij Groen)

Ik ben al zes jaar hard aan het werken aan werkbaar werk. Mensen inzetten op basis van hun talenten en competenties, zodat ze met goesting gaan werken, dan heb je meer werkbaar werk. Als werkgevers daarvan uitgaan en werknemers dat meer kunnen doen, dan zijn we bezig met werkbaar werk. We zetten heel wat instrumenten in om dat te realiseren. Mijn beleid is er helemaal op gericht om mensen met goesting, fluitend naar hun werk te zien gaan.

Minister, mensen met goesting naar hun werk laten gaan, is erg goed. Maar het is behoorlijk naïef te denken dat daarmee alles is opgelost. Werkbaar werk gaat over veel meer dan dat. Mensen die gebukt gaan onder een burn-out of een depressie, willen allicht wel hun job graag doen, maar ze slagen er niet meer in om die te combineren met hun gezinsleven. Het gaat dan over werkdruk en te weinig bewegingsvrijheid op de arbeidsvloer. U zou er dus kunnen voor zorgen dat de werknemer elk jaar een evaluatiegesprek krijgt. U kunt werkgevers stimuleren om iemand te laten doorgroeien. Er zijn dus heel veel zaken mogelijk, maar ik vind ze in uw beleid niet terug. Over de Work Ability Index verschillen we van mening. Maar er kan nog veel gebeuren, en dat is vandaag niet het geval. We zullen dat blijven herhalen.

De voorzitter

De heer Hofkens heeft het woord.

Jan Hofkens (N-VA)

Mijnheer Annouri, u hebt de hippe notie van werkbaar werk inmiddels ook ontdekt. U zou in dat verband eens wat realisme moeten in acht nemen. Met goesting gaan werken, daar zorgen werkgevers en werknemers voor. De overheid kan uiteraard een flankerend beleid voeren, maar moet in eerste instantie een transparant kader creëren opdat werkgever en werknemer dat zelf kunnen aanpakken.

In die context stimuleert de Vlaamse overheid de sociale partners om in het kader van hun conventies en overeenkomsten projecten uit te werken. U hebt misschien het recente advies van de SERV gezien, over werkbaar werk en alle projecten die daar door de actoren zelf worden gedaan. Dat is een studie van veertig à vijftig pagina’s. Ik geef toe dat ik ze zelf nog niet volledig gelezen heb. Ze is een paar dagen geleden uitgekomen. Maar het is indrukwekkend. Als u dan nu komt beweren dat er op Vlaams niveau niets wordt gedaan inzake werkbaar werk, nodig ik u eerst uit om kennis te nemen van dit verslag, over het flankerende werk van de overheid ten aanzien van de sociale partners, die u toch zeker genegen zou moeten zijn, om met goesting en enthousiasme werken op de werkvloer mogelijk te maken. (Applaus bij de N-VA)

Collega Hofkens, ik ben blij dat u dat rapport erbij haalt, want in datzelfde rapport staat ook dat het aantal mensen dat aangeeft dat ze een ongezonde, overdreven druk voelen op de arbeidsvloer, die leidt tot werkstress en psychische klachten, rond de 30 procent schommelt. Dat is de afgelopen twee jaar in stijgende lijn gegaan. Het is daarom dat ik hier zit, om die vraag te stellen.

Werkbaar werk is geen modetrend, collega Hofkens. Modetrends, dat zijn Buffaloschoenen en bomberjasjes. Werkbaar werk is iets waar wij al heel lang mee bezig zijn. En wij blijven daarop hameren. Het is dan ook heel jammer, minister, dat u er al zes jaar mee bezig bent, maar dat het probleem nog niet opgelost is. Ik wil niet zeggen dat er niets gebeurt, want ik heb heel duidelijk aangehaald dat u daar een paar dingen in doet en dat wij dat goede zaken vinden. Maar ik herhaal dat het, wat ons betreft, te weinig is. Daar moet meer op ingezet worden. Dat is het punt dat wij hier maken. U kunt het daar niet eens mee zijn, dat is uw volste recht. De cijfers zullen ook hier binnenkort aantonen of er sprake is van een stijgende lijn of niet. En daar zal het beleid uiteindelijk op afgerekend worden.

De voorzitter

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Werkbaar werk, dat gaat in het bijzonder over de combinatie van werk en gezin. Er zijn een aantal dingen gebeurd. In Vlaanderen heeft men de dienstencheques om die reden in belangrijke mate gevrijwaard van de besparingen. Op federaal niveau heeft men het gemotiveerde tijdskrediet met een jaar uitgebreid. Andere collega’s hebben er echter al op gewezen dat de problemen daarmee niet opgelost zijn. Bijvoorbeeld als het over tijdskrediet gaat, is er het issue van hoe hoog de uitkering is. Je hypothecaire lening en dergelijke lopen immers door, dus je kunt dat niet zomaar opnemen. Het is natuurlijk niet alleen een zaak van de werksfeer. De druk komt ook van daarbuiten. Daar is ook veel onderzoek naar, en het is ongeveer fiftyfifty.

Ik denk dus dat er al het een en het ander gebeurt, maar dat er nog meer kan gebeuren. Als u goede voorstellen hebt om daar verder aan te werken, heb ik daar zeker oren naar. Maar wat en hoe, dat is de uitdaging, veeleer dan het probleem aan te kaarten, want het probleem kennen we, en dat neemt wel degelijk een heel hoge vlucht.

Ik ben het volledig met u eens, collega Van Rompuy, dat het een breder maatschappelijk probleem is. Het beperkt zich niet tot het werkveld. We hebben er allemaal deels een verantwoordelijkheid in. We moeten die ook allemaal samen opnemen. Wij hebben onze voorstellen al gedaan in de commissie. Ik wil u die gerust nog eens opsturen. Ik wil die ook blijven voorleggen aan de commissie, om daar aandacht voor te vragen. Wij hebben verschillende voorstellen klaar staan, ik zal ze u nog eens persoonlijk opsturen.

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, onze ambitie is duidelijk: we willen met Vlaanderen bij de top van de Europese regio’s behoren. Vlaanderen wil en mag dan ook niet achterblijven. We moeten vooruitgaan. In dat opzicht bevat de beleidsbrief heel wat positieve elementen. Na de economische crisis is de sociaal-economische context iets gunstiger geëvolueerd. We zien een voorzichtig herstel. Dat is hoopgevend, want economische groei vertaalt zich in jobs, en dat vinden we belangrijk.

De beleidsnota van vorig jaar gaf de visie weer. Onze fractie staat volmondig achter het principe om eerst de visie uit te tekenen en op basis van een aantal gedachtewisselingen het beleid daarvan stelselmatig uit te werken. En deze eerste beleidsbrief geeft in dat opzicht een aantal concrete antwoorden. Het beleid zal dus gebaseerd zijn op een samenspel tussen innoveren, investeren, jobcreatie en activeren.

Daarom willen we vraaggericht werken. De instrumenten moeten eenvoudiger worden, en de drempels moeten worden verlaagd. We moeten het menselijk kapitaal valoriseren en verantwoordelijkheid geven. We vinden daarin een aantal accenten belangrijk. De vernieuwde kmo-portefeuille en kmo-groeisubsidie zijn vraaggestuurd. Het zijn laagdrempelige en waardevolle instrumenten ter ondersteuning van kmo’s.

Wat het verlagen van drempels betreft, vinden we een positieve ondernemerscultuur en een goed ondernemersklimaat belangrijk, met bijvoorbeeld meer aandacht voor verdere ondersteuning van de starters. Geef hun een voldoende voorbereiding, een realistisch verwachtingspatroon en meer administratieve vereenvoudiging. Anders zullen zij afhaken. Vlaanderen moet het ondernemerschap volgen in al zijn levensfases, van het vormgeven aan nieuwe ideeën tot het ondersteunen van de groei en het internationaliseren. Vlaanderen moet er zijn voor ondernemers wanneer het moeilijk wordt.

Güler Turan (sp·a)

Mijnheer Gryffroy, ik heb niet het woord gevraagd om te zeggen dat ik het oneens ben met u. Op dit vlak ben ik het met u eens. Ik ben het ook eens met wat de minister voor ogen houdt: het ondersteunen van onze start-ups. Het is heel belangrijk dat we daar blijven op inzetten. Verschillende Vlaamse steden zijn daar al de goede weg ingeslagen. Het is heel belangrijk om te blijven investeren in iMinds, iStart en Flanders DC. Al die organisaties hebben een belangrijke impact op start-ups. Daar moeten we niet alleen blijven in investeren, we moeten er verhoogd in investeren en deze organisaties versterken. Daar ben ik het met u eens.

En daarom moet de ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV) voortaan naar buiten komen als de maatschappij die als doel heeft dat elk goed businessplan in Vlaanderen ook financiering vindt, buiten of binnen de PMV.

Maar er mag geen dubbel werk worden geleverd, zoals ik in de commissie duidelijk heb gezegd. Een samenwerking tussen de PMV en de Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM) moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat beiden niet investeren in hetzelfde project. Zij moeten de databases van de participaties op elkaar afstemmen.

Wat betreft het thema verantwoordelijkheid geven, legt het beleid met betrekking tot streekoverleg de juiste accenten. Vlaanderen zal hiervoor meer verantwoordelijkheid en ruimte geven aan lokale besturen. Het streekbeleid zal in de toekomst bottom-up moeten worden opgebouwd. De lokale besturen moeten het streekbeleid gestalte geven, terwijl Vlaanderen de krijtlijnen bepaalt.

Wat betreft het thema vereenvoudiging van instrumenten, geven velen aan dat het innovatie- en ondernemerslandschap vereenvoudigd moet worden, en dat de ondersteuning van kmo’s te complex is. Daarom wordt het Agentschap Innovatie en Ondernemen verder uitgebouwd en wordt het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO) vernieuwd, inclusief de inkanteling van de Herculesstichting en enkele programma’s van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT).

Het werk van de vereenvoudiging moet worden voortgezet. Dit werk is nog niet af. En ja, soms zal dit botsen. Logisch, velen willen verandering, maar dat enkel tot het ogenblik dat er reëel in de structuur wordt ingegrepen. Inzetten op verandering is inderdaad op een bepaald ogenblik keuzes maken. En daarbij moeten we soms durven bepaalde zaken ter discussie te stellen. Veranderingsprocessen kennen steeds een vergelijkbaar patroon. Het begin gaat samen met een periode van twijfel en onzekerheid. En dan blijft de uitdaging om doelgericht door te zetten en te overtuigen. Visies en plannen zijn soms abstract, maar naarmate ze uitvoering krijgen, wordt alles concreter. Zoals ik reeds eerder zei: “We like change, but we don’t like to change.”

Een goed draaiende economie steunt namelijk op een competitief, concurrentieel en bloeiend ondernemersklimaat. Wij beschouwen de ondernemers als een belangrijke spil voor een bruisende arbeidsmarkt. Wetenschap en innovatie zijn eveneens cruciaal om de maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Want enkel op die manier kunnen we onze positie als regio versterken in Europa en de wereld. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, de tijd gaat snel. Van de vorige legislatuur herinner ik me dat een aantal dossiers geblokkeerd zaten of toch moeilijk vooruit konden door een gebrek aan bevoegdheden. Ik denk daarbij aan economische migratie, duaal leren of het aanpakken van de loonkostproblematiek.

Ondertussen is hier dankzij de zesde staatshervorming een reine begroting voorgelegd met heel wat concrete plannen. Werk en Sociale Economie gaat over liefst 3,7 miljard euro, Economie en Innovatie is goed voor 1,5 miljard euro. U hebt een aantal concrete werven opgestart om daarmee aan de slag te gaan. We zien daarbij een duidelijke rode draad van transparantie en vereenvoudiging die u in ons overheidsapparaat en -instrumentarium wil brengen. Uiteraard steunen wij u daarin voluit.

Minister, u hebt een unieke combinatie van bevoegdheden: Werk, Innovatie en Economie. Allicht kunnen we nog meer doen dan het vereenvoudigen van structuren en instrumenten. Door het samenbrengen van diezelfde instrumenten kunnen we het verschil maken. Zo kunnen we bijvoorbeeld de ondernemers die bij SYNTRA een ondernemersvorming volgen en op zoek gaan naar oplossingen voor hun ondernemingsproblemen, in contact brengen met mensen die werken rond innovatie. Op die manier kunnen er wellicht mooie dingen groeien. Het innovatie-instrumentarium en opleidingsinstrumentarium zijn zeker complementair.

Binnen het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie hebt u een heel belangrijke werf, namelijk de hertekening van het hele beleidsdomein, met onder andere het Agentschap voor Ondernemen en Innovatie, bijna afgerond. Dat is sterk werk na één jaar. Ondernemer of academicus, voortaan zal het duidelijk zijn waar je terechtkunt voor ondersteuning.

Nu de bochtige weg naar het instrumentarium meer recht werd getrokken, is het nu de beurt aan de instrumenten zelf. Zo zet u een hervorming van de kmo-portefeuille op touw. We blijven erop hameren dat het budget goed dient te worden besteed met prioriteit voor de kleinere ondernemingen. Hetzelfde geldt voor het clusterbeleid dat u inzake onderzoek en ontwikkeling opstart en waarbij u ernaar streeft om meer te focussen op de vraag in plaats van op het aanbod. Dat zal zeker voor enige vereenvoudiging zorgen. Met de twee rapporten-Soete in het achterhoofd, kunnen we dat alleen maar toejuichen.

Wel rekenen we erop dat u ervoor zorgt dat er niet minder, maar meer ondernemers worden betrokken en gesteund. Zeker de kleinste ondernemers verdienen wat ons betreft meer steun. Zij moeten zeker nog meer worden betrokken in het innovatiegebeuren.

Een ander belangrijk onderwerp voor onze fractie is iets dat toenmalig minister-president Kris Peeters tijdens de vorige legislatuur op gang heeft getrokken, met een kernversterkend winkelbeleid, met de Winkelnota en een ontwerp van decreet dat nagenoeg was afgewerkt.

Het ontwerp van decreet voor een integraal handelsvestigingsbeleid moet wat ons betreft zo snel mogelijk in dit parlement worden ingediend en besproken. Op die manier kunnen we de lokale winkelkernen die het moeilijk hebben beter ondersteunen, de lokale besturen de nodige instrumenten geven en perspectief creëren voor de handelaars in onze lokale centra.

Voorzitter, collega’s, ik kom tot het beleidsdomein Werk. De werven die u daar hebt opgestart, zijn zowaar nog talrijker. Dat is ook logisch. Dankzij de zesde staatshervorming hebt u, zeker wat betreft werkgelegenheid, heel wat belangrijke bevoegdheden in handen. We kijken dan ook uit naar het wetgevend proces omtrent de doelgroepenkortingen en het doelgroepenbeleid. CD&V ondersteunt voluit het uitgetekende beleid, met sterke stimuli voor de tewerkstelling van jongeren, ouderen en mensen met een handicap. Voor mensen die al lang werkzoekend zijn, pleiten we voor opleidings- en begeleidingstrajecten op maat, waarbij de betrokkenen werkervaring moeten kunnen opdoen. Om dan uiteindelijk de brug te slaan naar een duurzame job, denken we dat een sterke premie zoals de sociale partners die hebben omschreven in het Banenpact, noodzakelijk is. We rekenen erop dat u een dergelijk voorstel uitwerkt en uiteindelijk ook hier voorlegt.

Een ander belangrijk dossier dat mijzelf en onze fractie heel na aan het hart ligt, is dat van het duaal leren. U hebt daarin, samen met minister Crevits, belangrijke stappen gezet met de twee conceptnota’s en de proefprojecten die werden opgestart. Dat is belangrijk voor het aanpakken van de ongekwalificeerde uitstroom, maar het is ook een belangrijke kans om de knelpuntvacatures in de toekomst beter en sneller te kunnen invullen. We rekenen er ondertussen op dat u een van de belangrijkste pijlers van dat nieuwe duaal leren, de leertijd, dat op dit moment een dramatische terugval van leerlingen kent, niet laat vallen en blijft ondersteunen. Hier rijst een acuut probleem en we rekenen er dan ook op dat u snel actie zult ondernemen.

Er zijn nog heel wat belangrijke werven, zoals een vereenvoudigd systeem van werkervaring. Daarbij is het voor ons belangrijk dat we meer werkzoekenden en ook leefloners op weg kunnen helpen naar een job. Andere werven zijn een coherent en doeltreffend beleid van evenredige arbeidsdeelname en een effectief en efficiënt streekbeleid. CD&V wil minder in plaats van meer structuren, maar hecht daarbij heel veel belang aan een gebiedsdekkend en performant streekbeleid met de betrokkenheid van alle partners in gelijkwaardigheid, zoals het hoort in een partnerschap.

Beste collega’s, het mag duidelijk zijn dat deze regering dankzij de zesde staatshervorming aan het bouwen is aan een beter, eenduidiger en transparanter beleid inzake werk, innovatie en economie. Er zijn nog tal van werven en het vraagt tijd om alle stenen goed te leggen.

Minister, in onze fractie vindt u alvast een partner om er een sterk gebouw van te maken. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

De heer Schiltz heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, in de beleidsbrief van de minister en in de bijhorende begroting kunnen we een lijn trekken, een goede lijn. Een florissante economie is belangrijk. Welvaart is niet alleen economie, maar is wel in belangrijke mate economie. Ik denk dat we het daar wel eens over kunnen zijn. Een goede economie wordt gedragen door welvarende burgers en door ondernemers die durven te ondernemen. Het is niet de overheid, niet het parlement dat dit creëert, wij tekenen enkel een kader uit, we geven een richting aan waar we economie naartoe willen sturen. Het is dan aan de ondernemers om die in te vullen.

Mijn fractieleider heeft gesproken over een bos en over kappen. Een goed bosbeheer vraagt inderdaad dat af en toe zieke bomen worden gekapt zodat er voldoende licht en lucht in het bos kan komen en het zo beter kan groeien. Het leidmotief van deze Vlaamse Regering is niet voor niets: snoeien om te groeien.

Collega’s, dit mag dan misschien wat grappig klinken, maar eerlijk gezegd, als u het overheidsinstrumentarium voor economie even tegen het licht houdt, dan is de metafoor eigenlijk nog heel mild. De wildgroei aan verschillenden fondsen, agentschappen en instrumenten is niet langer houdbaar. De ondernemer wil zich focussen op zijn onderneming, hij wil vooruit. Wij bieden hem dan zogezegd steun en richting, maar als hij wil uitzoeken hoe hij er gebruik van kan maken, dan raakt hij in de war, dan loopt hij verloren.

Minister, ik ben dus heel tevreden dat u met de hervorming van het Agentschap Ondernemen naar één centraal aanspreekpunt wilt gaan. Zo kan de ondernemer die een vraag heeft aan de overheid, op één punt terecht waar hij geholpen zal worden. Minder administratieve lasten vormen een enorm belangrijke stap om ondernemerschap in Vlaanderen aantrekkelijk te maken. Uiteraard is het werk nog niet af, er ligt nog heel wat werk op de plank, maar u bent eraan begonnen, u hebt het aangevat. Wij zullen u daarin ondersteunen.

Collega’s, met de conceptnota omtrent het ondersteunen van ondernemerschap, werd ook een belangrijke mentaliteitswijziging ingezet. De volledige levenscyclus van het ondernemerschap wordt in het licht gezet. We hebben al vaak gesproken over het belang van start-ups, over het ondersteunen van mensen die een bedrijf of onderneming willen starten. Dat is een heel moeilijke periode, maar daar wordt nu heel veel aandacht aan geschonken.

Heel vaak valt het kort daarna echter stil. De doorgroeimogelijkheden zijn er niet. Men groeit, maar plots zijn er een aantal problemen die opduiken waardoor de ondernemer vast komt te zitten. Veel ondernemingen gaan failliet na een korte periode van opstart. Daar moeten we meer aandacht aan te besteden, door een verbetering van de ondernemingscultuur, niet alleen in de beeldvorming. We hebben al veel werk gemaakt van de beeldvorming van ondernemers die een eerste keer gefaald hebben zonder dat het een malafide faling was. Die mensen moeten we terug op de rails zetten. Ze moeten leren uit hun fouten. Dat is wat ik wil zeggen met het belichamen van het ondernemerschap als een levenslange cyclus – uiteraard staat het iedereen ook vrij om te stoppen met ondernemen.

Minister, er is nog een element dat ik in mijn resterende tijd even wil aanhalen: de circulaire economie. Ik heb het er al een paar keer over gehad. Ik heb er vragen over gesteld. Mijn fractieleider heeft me de eer gegund om het thema ook in zijn algemeen betoog naar voren te brengen.

Collega’s, als we het kader willen schetsen waarbinnen we ondernemingen willen zien groeien en ondernemers de ondernemershandschoen willen zien opnemen, dan moet het in de richting van de circulaire economie gaan. Met de productie en de consumptie zoals we die de afgelopen dertig tot veertig jaar hebben gekend, zullen we niet meer welvaart kunnen creëren. We zouden er ten eerste een enorme last mee op de toekomstige generaties blijven leggen, maar ten tweede omdat het op is, omdat de lageloonlanden ons kapot concurreren, omdat we daarmee niet de meerwaarde voor onszelf en voor de wereld kunnen genereren.

In een circulaire economie kunnen we dat wel. Als we de moed hebben om snel in te zetten op deze innovatieve manier van economie en bedrijvigheid, dan kan onze regio opnieuw een topregio worden. Dan kunnen we weer de lead nemen. Dan kunnen we de opgedane ervaring verzilveren door ze te exporteren naar het buitenland. En dat brengt ons weer bij het vorige thema: de internationalisering waar bijzondere nadruk op wordt gelegd en waarvoor ook via de hervorming van de kmo-portefeuille een tandje bij wordt gestoken.

Uiteraard steunen we volmondig en voluit het beleid dat u uitstippelt. Ik hoop dat u voldoende energie hebt om het fors genoeg te doen. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, collega’s, activering is een kerntaak van de Vlaamse overheid. Het is een heel belangrijke bevoegdheid omdat het mensen, onze economie en onze samenleving sterker maakt. U moet maar eens nagaan hoe vaak wordt verwezen naar een duurzame en werkbare job om mensen uit de armoede te halen, om de financiering van de vergrijzing te waarborgen, om onze belangrijkste grondstof namelijk menselijk kapitaal aan te boren en te ontwikkelen, en om onze welvaart te verzekeren. Het bestrijden van de jeugdwerkloosheid zit in het actieplan van de Vlaamse Regering wanneer het gaat over het preventief bestrijden van radicalisering. Iedereen heeft het ook over activering van nieuwkomers om de integratie te bevorderen. Kortom, de doelstelling van de Vlaamse Regering om tegen 2020 naar een werkzaamheidsgraad te gaan van 76 procent, onderschrijven wij volmondig.

Dat veronderstelt natuurlijk wel dat men volledig inzet op een activeringsbeleid dat zich richt op diegenen die nu nog veel te weinig aan de slag zijn.

De rapporten van de Europese Commissie, het Internationaal Monetair Fonds, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid zijn op dat vlak eensluidend. Vlaanderen doet het slecht wanneer het gaat over de activering van laaggeschoolde jongeren, langdurig werklozen, werkzoekenden met een migratieachtergrond en ouderen.

Minister, tijdens de afgelopen zes jaar dat u bevoegd bent voor het arbeidsmarktbeleid, is de werkloosheid van laaggeschoolde jongeren gestegen, is de langdurige werkloosheid nog nooit zo hoog geweest, is de arbeidsmarktpositie van personen met een migratieachtergrond een van de slechtste in Europa en zijn de kansen op werk voor werkzoekende 50-plussers nog altijd bedroevend laag.

Nu de economie aantrekt, zou ik verwachten dat u uw beleid bijstuurt en het roer drastisch omgooit om die structurele problemen op de arbeidsmarkt effectief aan te pakken.

Ondanks alles wat u zegt, hebben wij de hoogste werkzaamheidsgraad ooit in Vlaanderen. Nog nooit hebben zoveel mensen in Vlaanderen gewerkt als vandaag.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Dat klopt, overigens dankzij de vrouwen die veel meer op de arbeidsmarkt aanwezig zijn.

Het Vlaamse arbeidsmarktbeleid heeft bij uitstek als bevoegdheid – en dat herhaalt u in uw beleidsbrief – het extra versterken van diegenen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt zodat zij hun positie op de arbeidsmarkt kunnen verbeteren. Het gaat dan over laaggeschoolden, personen met een migratieachtergrond en ouderen. Op dat vlak scoort Vlaanderen slecht. Het is dan ook hoog tijd om het roer om te gooien.

Wat de hervorming van de doelgroepenmaatregelen betreft, stellen we vast dat laaggeschoolde jongeren het moeilijker krijgen. Ze worden duurder en ze komen in concurrentie met leeftijdsgenoten met een beter arbeidsmarktprofiel.

De langdurig werklozen zijn geschrapt als doelgroep waardoor hun aanwerving duurder wordt. Op die manier worden zij nog dieper de werkloosheid ingeduwd.

Wat de oudere werkzoekenden betreft, is het goed dat u inzet op de 55-plussers, maar daarvoor had u de loonkost van de 50-54-jarigen niet moeten verhogen. Als ik de hervorming van de doelgroepenmaatregelen bekijk, lijkt het alsof u de geschiedenis wilt ingaan als de minister van de loonkostverhogingen voor diegenen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt. Dat lijkt me een totaal verkeerde keuze.

Mevrouw Kherbache, u weet het wel, maar ik wil het toch nog eens herhalen. U herhaalt het, ik kan het ook het best herhalen. De laaggeschoolde jongeren blijven een doelgroep. We doen dat niet alleen via de RSZ-kortingen, we hebben ook de Werkinleving voor Jongeren (WIJ!) waarmee we juist duidelijk inzetten op laaggeschoolden. We zijn de eersten in Europa die in de opleiding voor laaggeschoolde ongekwalificeerde jongeren sportmodules stoppen om ervoor te zorgen dat ze niet alleen via een gewone opleiding attitudes aanleren. We gaan veel verder. Met centen alleen lost men zoiets niet op. U hebt dat niet gezegd, maar ik benadruk het toch nog eens, en de centen doen we nog altijd.

In concurrentie met de middengeschoolden? Ik ben het daar niet mee eens. U weet dat. Het is moeilijk om te beweren dat ze allemaal een veel betere start hebben op de arbeidsmarkt. Dat is compleet niet juist.

Mocht het beleid met de grote RSZ-kortingen geslaagd zijn, hoe komt het dan dat in al die jaren toen ik nog niet bevoegd was en de federale minister voor RSZ-kortingen moest zorgen, de kortingen niet fenomenaal zijn gestegen? Ik zal het u zeggen: omdat de sleutel ligt bij de attitudes en competenties. Daar zetten we op in. Daar gaan we in het kwalitatieve luik juist de essentie van maken. We gaan die mensen begeleiden naar een job in een lang traject, tot twee jaar toe, zoals de sociale partners in het SERV-akkoord hebben gezet.

U zegt dat ik de RSZ-korting voor 50- tot 55-jarigen niet moest schrappen. Ik ben het daar niet mee eens. Gezien de verhoging van het aantal werkenden in die leeftijdscategorie, moeten we focussen op het grootste probleem en dat zijn de 55-plussers. Dus ja, ik maak keuzes. Ik maak bewuste keuzes zodat de mensen die het het moeilijkst hebben op de arbeidsmarkt op de juiste manier worden geholpen.

Jan Hofkens (N-VA)

Ik sluit me daarbij aan. Mevrouw Kherbache, u komt hier zeggen dat het probleem van de langdurig werklozen alleen maar erger geworden is. De cijfers zijn inderdaad voor verbetering vatbaar, daar zal niemand u in tegenspreken. Maar u komt tegelijk de recepten brengen die in al die jaren klaarblijkelijk niet gewerkt hebben. U komt opnieuw pleiten voor verrommeling. U wilt alle groepen tot doelgroepen maken. In het verleden zaten in het beleid wel dertig doelgroepen met kortingen allerhande. Iedereen was doelgroep. Ik ben het met u eens, dat heeft niet gewerkt.

De minister wil nu focussen op drie doelgroepen. Hij gaat duidelijk inzetten op lastenverlaging, maar het recept wijzigen. De minister durft erkennen dat de loonkost in sommige gevallen niet meer het probleem is, maar dat de afstand tot de arbeidsmarkt een andere aanpak vereist. U legt almaar opnieuw de klemtoon op het feit dat men zogenaamd bepaalde groepen op de arbeidsmarkt terug duurder maakt, wat manifest niet waar is. Maar u onderkent niet dat het probleem hier is: de individuele begeleiding via werkervaring waar ook een vereenvoudiging en transparantie op stapel staat.

Bovendien, mevrouw Kherbache, zoals het nu is uitgewerkt, is het veel socialer dan vroeger. Vroeger had men een doorlooptijd nodig om in een of ander project terecht te kunnen. Nu niet. Nu heeft men de financiële tegemoetkoming via de doelgroepenkorting en de tijdelijke werkervaring via een checklist. Men wordt onmiddellijk gekoppeld aan een begeleider. Ik vind dat veel socialer.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, het is een en-enbeleid. Uiteraard moet u inzetten op begeleiding en daar hoort werkervaring bij, maar ik heb nog nooit een minister zo hartstochtelijk horen pleiten voor loonkostverhoging.

Mijnheer Hofkens, ik zal verwijzen naar de berekening, u kunt ze ook terugvinden op de website van het VBO. Ik zal het blijven zeggen, u kunt toch moeilijk ontkennen dat, als men de lastenverlaging afschaft, het gewoon duurder wordt om iemand aan te werven.

U pleit voor die afschaffingen. U pleit dus voor loonkostenverhogingen voor die groepen. Dat is uw goed recht, maar het is niet onze keuze.

Nog een belangrijk punt is de bestrijding van de discriminatie. Minister, u rekent daarvoor op zelfregulering door de ondernemingen. Dat is eigenlijk niet meer of niet minder dan een abdicatie als minister als het gaat over het daadwerkelijk tackelen van een van de hardnekkige problemen van onze arbeidsmarkt. Ik ben er echt van overtuigd dat veel meer werkgevers in de toekomst meer kansen zullen geven aan personen met een migratieachtergrond, al was het maar uit economische noodzaak. Als minister hebt u echter de verantwoordelijkheid om dat proces te versnellen, om er alles aan te doen om werkgevers ervan te overtuigen en de eigen wetgeving te doen toepassen. Dat u dat niet wilt doen, kunnen we alleen maar betreuren. Ik vind dat eigenlijk een gemiste kans. Er is geen beter moment dan nu om dat signaal te geven.

Mevrouw Kherbache, nogmaals, ik ben tegen elke vorm van discriminatie. Ik bedoel dat echt niet als paraplu, maar u doet alsof ik verantwoordelijk kan zijn voor alles wat er qua discriminatie kan zijn tussen werkgevers en werknemers. Ik denk dat u het eigenlijk hebt over de dienstenchequebedrijven. Waar ik al bevoegd was, met betrekking tot de interimarbeid, zie je dat die sensibilisatie, die manier van werken vanuit de sector echt resultaten en een effect heeft gehad. Dat is besproken geweest. Federgon is dat komen toelichten.

Ik ben nog maar een jaar bevoegd voor de dienstenchequebedrijven. Ik wil wat hen betreft eenzelfde doorgedreven sensibilisatie doen, gekoppeld aan controle. Ik ga echter niet dat instrument van mystery calling vanuit de administratie als wapen gebruiken, tenzij blijkt dat de manier van werken die wij nu met succes hanteren in de uitzendkantoren, niet mogelijk zou zijn bij de dienstenchequebedrijven. Daarover kunnen we natuurlijk blijven discussiëren. We zullen er echter precies wél voor zorgen dat die sensibilisatie ter zake er komt, vanuit de sector zelf. Dat is mijn bevoegdheid. Waar mijn federale collega daar in het verleden nooit op heeft ingezet, zet ik daar wel op in.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Wat discriminatiebestrijding betreft, zullen de sectoren hun werk doen. De werkgevers en de vakbonden zullen hun werk doen. Ik vraag eigenlijk alleen dat u ook uw werk doet, niets meer of niets minder dan dat.

Overigens hebben de sociale partners – vakbonden en werkgevers – ook een grondige bijsturing in uw banenpact gevraagd, onder andere als het gaat over de doelgroepmaatregelen. Ik hoop dat u daar rekening mee houdt. Er liggen betere alternatieven op tafel.

Voor alle duidelijkheid, in het pact dat de sociale partners hebben gesloten, staat dat ze het eens zijn met de keuze voor drie doelgroepen: de 55-plussers, de jongeren en de personen met een handicap. Ze vragen dat er een aanwervingsincentive zou komen. We hebben het daarover gehad, en ik heb nooit gezegd dat dat niet zou kunnen. Dat is echter geen RSZ-doelgroepkorting. We hebben hier het debat gehad naar aanleiding van een actuele vraag. Dat was met de heer Bothuyne. Als u dat naleest, dan zult u zien dat ik dat nooit heb uitgesloten bij de kwalitatieve maatregelen. Als u dat bedoelt als het erover gaat mijn beleid bij te sturen, dan zie ik niet wat die bijsturing is, want dat is de beleidsrichting die we hier al lang geleden hebben beloofd en de weg die we bewandelen.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, u moet het niet ingewikkelder maken dan nodig. Het is de bedoeling om zo veel mogelijk incentives uit te werken voor diegenen die het moeilijk hebben op die arbeidsmarkt. Dat is ook het signaal dat de sociale partners hebben gegeven. Ook vragen ze u om bijvoorbeeld artikel 60, dat u wilde afschaffen voor de allerkwetsbaarsten, in stand te houden. Dat zijn alternatieven waarvan wij vragen dat u ze zou meenemen, want ze versterken uw arbeidsmarktbeleid. Het vraagt ook echt niet veel politieke moed om die alternatieven ook mee te nemen in uw beleid, omdat ze in de lijn liggen van alle adviezen van de arbeidsmarktexperts en van die internationale organisaties.

Het vraagt alleen politieke wil, en die is er tot nu toe nog niet voldoende, maar misschien komt dat nog.

Ik doe dat niet vanwege de sociale partners. Ik heb ook, voordat er een pact was tussen de sociale partners, zelf in de commissie gezegd dat ik artikel 60 wel in een nieuw kader wil steken, maar dat ik de essentie van artikel 60 – dat men rechten kon opbouwen, ook voor werkloosheidsuitkeringen – absoluut wilde bewaren. De sociale partners bevestigen me wat ik in de commissie heb gezegd.

De voorzitter

Mevrouw Kherbache, u krijgt het laatste woord, want ik ben daarnet terechtgewezen door uw fractie.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Vandaag kunnen we lezen dat België het slechtst scoort op het vlak van jobgroei. Ik neem aan dat u ook met uw bevoegdheid Economie, samen met uw bevoegdheid Werk, er werk van maakt om diegenen die nu niet aan de slag geraken, een beter perspectief te geven.

De voorzitter

De heer Vanbesien heeft het woord.

Wouter Vanbesien (Groen)

Voorzitter, ministers, collega’s, ‘Punt 2.2 Uitgaven. Beleidsdomein Economie Wetenschap en Innovatie’. Voor alle duidelijkheid, ik ben een stukje aan het voorlezen uit het rapport van het Rekenhof: “De Vlaamse Regering heeft zich geëngageerd om tegen 2020 te voldoen aan de 3 procentnorm voor onderzoek en ontwikkeling zoals afgesproken in het Pact 2020. Daarbij wordt gestreefd naar een publieke financiering van 1 procent en een private financiering van 2 procent. Het is niet duidelijk of de meerjarenraming in voldoende middelen voorziet om die doelstelling te halen en er wordt in de begroting ook geen groeipad meer meegegeven naar de 1 procentnorm voor de publieke sector.” Dat staat op pagina 5 van het onderzoek van de meerjarenraming.

Ik lees het voor omdat, toen daarstraks mijn geliefde en geëerde fractieleider er in zijn toespraak naar verwees, de minister-president prompt antwoordde: “Dat is zeker niet waar.” Nu, het is dus wel waar, het is wel waar dat de eigen ambitie om onderzoek en innovatie te ondersteunen niet wordt gehaald.

Ik merk dat de minister het Rekenhof wil tegenspreken.

Het is eigenlijk vrij eenvoudig. Een meerjarenraming is een raming. Daarin wordt geen rekening gehouden met de bijkomende budgetten waarin we zouden kunnen voorzien en waarin we voorzien hebben, en waarvan – en ik denk dat u dat weet – een groot deel naar innovatie kan gaan. Ik heb ook in de commissie naar voren gebracht dat nog altijd in die budgetten wordt voorzien, dat de regering daar besparingen voor doet om die groeipaden waarin is voorzien te kunnen realiseren.

Wouter Vanbesien (Groen)

Ik lees het nog even voor: “Er is geen groeipad meer meegegeven” . De 1 procentnorm wordt dus ook in deze begroting niet gehaald. Goed, het is nochtans nodig om de innovatiekracht te versterken, onder meer om onze economie circulair te maken, om ervoor te zorgen dat het woord ‘afval’ uit het woordenboek verdwijnt. U weet dat er soms nieuwe woorden in het woordenboek bijkomen, zoals dit jaar ‘Turteltaks’. Het zou ook goed zijn dat er soms woorden uit verdwijnen. Als we in plaats van ‘afval’ vanuit het grondstoffenidee vertrekken, dan is dat goed voor het milieu, om de uitputting van de grondstoffen te vermijden, en is dat ook goed voor de economie. Volgens voorzichtige schattingen zou dat voor Vlaanderen tegen 2020 27.000 extra jobs en 2,3 miljard euro extra toegevoegde waarde opleveren. De heer Schiltz heeft er al over gesproken. Zijn fractieleider heeft ook vermeld dat het zeer goed is dat de heer Schiltz daarvoor een conceptnota heeft ingediend. Ik heb er ook een over hetzelfde thema ingediend. Daar zit nog een samenwerking in, zou ik zeggen.

Een voorwaarde om ertoe te komen dat we naar een circulaire economie gaan, is natuurlijk onze economie in die richting te duwen, en dus in alle ondersteuning van de bedrijven die Vlaanderen ontwikkelt, te voorzien. Dat mag een pak eenvoudiger, zoals de heer Schiltz ook heeft vermeld, en wat ook de intentie van de minister is. Ik ondersteun die intentie. De Vlaamse Regering moet wel de fierheid hebben om een eigen agenda op tafel te leggen, om eigen doelstellingen te hebben, en die doelstelling moet in mijn ogen zijn: het verduurzamen en het circulair maken van onze economie.

Wat is daarvoor nodig? Genoeg geld voor innovatie, dat er voorlopig niet is, maar volgens de minister zal dat er in de toekomst zijn. Genoeg garantie dat er geld naar fundamenteel onderzoek gaat. Gerichte ondersteuningsinstrumenten voor de ondernemingen richting duurzaamheid. En ook eenvoudige structuren met capabele en onafhankelijke leidinggevenden.

De Vlaamse Regering zit met een groot probleem in het beleidsdomein van Economie, Wetenschap en Innovatie als het gaat over capabele en onafhankelijke leidinggevenden. Er was al een probleem bij Technopolis, waar het personeel in opstand is gekomen tegen de CEO. Er is een aangekondigd probleem van een mogelijke belangenvermenging als er een verkoop van aandelen van de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (Gimv) zal gebeuren, met name de voorzitter die kandidaat is om aankoper te zijn.

Nu is er ook nog de directeur van het FWO die zijn job op basis van een sjoemel-cv zou hebben gekregen. Misschien is het nu een goed moment met het oog op de kwaliteit van de werking van de overheid, maar ook voor de geloofwaardigheid van de Vlaamse Regering, om de politieke benoemingen achter u te laten. Want zoals u hier kunt zien, komt daar toch alleen maar miserie van.

Mijnheer Vanbesien, weet u hoe de aanstelling van de nieuwe chef van het FWO gebeurt? De raad van bestuur stelt autonoom, zonder een beslissing van de minister, iemand aan. Zo is het gegaan. De raad van bestuur heeft dat gedaan. De raad van bestuur en zijn voorzitter hebben onderzoek gedaan naar de elementen die u hebt aangehaald. Als u vindt dat de raad van bestuur van het FWO politieke beslissingen neemt en politieke benoemingen doet, dan laat ik dat voor uw rekening. Het zijn de rectoren die volgens u de politieke benoemingen doen. Hier is geen enkele inmenging gebeurd door de politiek. Het is niet de regering die de beslissing neemt. Ik zeg niet dat dat slecht is. Ik beoordeel geen mensen voor ik een volledig rapport zie. Ik hoop dat u dat ook niet doet. Maar het ging er wel naartoe in wat u zei. U hebt die mens waarschijnlijk niet gehoord of gezien, maar u zegt hier wel dat we met een probleem zitten, minstens van perceptie. Dat kan wel zijn. Maar ik ga die mens niet veroordelen voordat daar goede redenen voor zijn.

Wouter Vanbesien (Groen)

Ik lees wat ik lees. In de pers is dat gedocumenteerd. U kunt zeggen dat ik de pers niet mag geloven, maar de documenten die daar naar voren zijn gebracht, zijn nogal duidelijk. U ontkent dat er in deze Vlaamse Regering een traditie en praktijk bestaat van politieke benoemingen. Ik zeg dat die praktijk er wel is en ik roep al langer op, niet alleen naar aanleiding van deze aangelegenheid, om daarmee te stoppen.

Güler Turan (sp·a)

Mijnheer Vanbesien, ik ondersteun uw eerste punt en geef zo de minister de kans om er een duidelijk antwoord op te geven. Ik heb er het verslag van de bespreking in de commissie bij genomen. Op pagina 38 stel ik het volgende: “In de toelichting wordt onder ‘provisie voor investeringen in O&O en het bedrijfsleven – streven naar investeringen voor de 3 percentnorm’ een VAK en VEK van 79,2 miljoen euro vermeld. Zit de minister met dat bedrag op schema om de 3 percentnorm te halen tegen 2020?”

Ik neem er het antwoord bij, want dat is eigenlijk een groeipad, dat is geen momentopname. Minister, u antwoordt op pagina 74 en 75: “Voor de minister blijft het groeipad naar 3 percent O&O-investeringen de aan te houden lijn. Het streefdoel blijft behouden. Het gaat in de doelstelling over 1 percent investeringen van de overheid en 2 percent vanuit het bedrijfsleven. De minister hoopt met zijn hervormingen het bedrijfsleven sterker te triggeren.”

Ik ben interessante boeken aan het lezen, en daar staat in dat de overheid moet vasthouden aan die 1 procent. Dat is een minimum. Niets weerhoudt u dus om meer te investeren. U antwoordt daar op een wishy-washy manier op, minister. Die 3 procentnorm halen tegen 2020, dat streefdoel blijft u behouden. Het zou er nog aan ontbreken. Dat is een minimum. Minister, zit u op schema om uw doelstelling te halen met het bedrag dat hier is gepland?

Collega’s, we moeten hier de discussie van de commissie niet overdoen. Als u kritiek wilt geven op de beleidsbrief van minister Muyters, is dit thema wel het moeilijkste om daar ook maar een speld tussen te krijgen. Als opstap wordt er 20 miljoen euro vrijgemaakt in 2015. Daarbovenop wordt 95 miljoen euro vrijgemaakt in 2016 voor Onderzoek en Ontwikkeling, dat is de hoogste opstap sinds jaren. Bovendien staat er in de meerjarenbegroting dat er elk jaar opnieuw een half miljard euro recurrent zal worden vrijgemaakt voor Onderzoek en Ontwikkeling.

Mevrouw Turan, of dat nu 0,9 procent van het bbp is, 0,95 of 1,1 lijkt mij eerlijk gezegd minder belangrijk, temeer daar die percentages afhangen van de economische groei. Als we het economisch beter doen, zal dat percentage lager liggen. Dat wil niet zeggen dat we niet meer inspanningen doen. Ik wil hopen dat de economie aantrekt en dat de minister het moeilijk zal hebben om die 1 procent te halen, maar kijk toch eens naar de cijfers die in de begroting staan en u zult zien dat deze Vlaamse Regering een enorm ambitieuze agenda inzake Onderzoek en Ontwikkeling neerlegt. (Applaus bij de meerderheid)

Collega Vanbesien, het laatste deel van uw uiteenzetting verbaast en ontgoochelt mij. Ik beschouw u als een fijn mens en ik had zo’n reactie van u niet verwacht. Het was duidelijk afgesproken in de commissie dat dergelijke dossiers in alle sereniteit zouden verlopen. Nu gaat u platvloers de media volgen. Dat is ontgoochelend.

Wouter Vanbesien (Groen)

Mijnheer Schiltz, u spreekt over de meerjarenbegroting – en dat kan ik niet zo goed meer volgen – die recurrent voorziet in een half miljard euro voor onderzoek en innovatie. Telkens als wij een vraag stellen over de meerjarenbegroting wordt ons geantwoord dat dit niet bestaat. Het enige wat bestaat, is een meerjarenraming en dat we daar niets in kunnen lezen, is heel normaal. Ik zou dus heel graag de meerjarenbegroting waar u het over hebt eens inkijken en daarover discussiëren. Dan wordt het een interessant debat, denk ik. Nu zie ik enkel maar een wolk waarbij wordt gezegd: ‘in de toekomst zult u zien hoe goed wij zijn’.

Excuseer dat ik u ontgoochel, mijnheer Gryffroy, maar als het gaat over het Belgisch systeem van politieke benoemingen dat door Vlaanderen gewoon is overgenomen, zowel in de overheid als in de semipublieke belendende percelen, vind ik echt dat dit moet stoppen. Naar aanleiding van een reeks gevallen die ik op een rij geplaatst heb, wil ik dat algemeen punt hier maken. Ik denk dat dit politiek heel relevant is. (Applaus bij Groen en sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Remen heeft het woord.

Grete Remen (N-VA)

Ik wil het graag hebben over maatschappelijk verantwoord ondernemen. We kunnen het niet negeren: het afgelopen jaar dook het ene schandaalbericht na het andere op. Ik denk aan de bloedkasseien, extreem goedkope kledingproductie, giftige kleding, de krokodillenlerenhandtassen, het gesjoemel met vis en vlees en met software...  Gisteren berichtten de media nog over de Thaise garnalenindustrie, die eigenlijk draait op kinderarbeid en slavernij.

Dat weerzinwekkend lijstje wordt iedere maand langer en langer. Het houdt niet op. Het zijn allemaal producten die op onverantwoorde wijze geproduceerd zijn, onder druk van schaalvoordelen en margebewaking, en met enkel winstmaximalisatie voor ogen. Het doel lijkt de middelen te heiligen. En zolang de productieketen gedrenkt blijft in vaagheid en niet transparantie is, zullen de wanpraktijken bij de producenten blijven bestaan.

Ik ben daarom tevreden dat de Vlaamse Regering het afgelopen parlementair jaar werk heeft gemaakt van een actieplan ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’. Dat moet ondernemers ondersteunen om in de volledige waardeketen risico’s te beperken en waarden te maximaliseren. Flanders Investment & Trade (FIT) vervult daarbij een centrale rol. Bovendien wil de Vlaamse overheid bij haar aankoopbeleid een voorbeeldrol opnemen ten aanzien van andere sectoren en consumenten, en probeert ze te voorkomen dat ze goederen aankoopt die zijn vervaardigd met schending van mensenrechten. Dat is een zeer positieve evolutie. Ook het ecologische luik mag niet worden vergeten. Vlaanderen hecht veel waarde aan milieuvriendelijke internationale handel.

Deze maatregelen zijn een goed begin in de strijd tegen maatschappelijk onverantwoorde productieprocessen. We moeten waakzaam blijven en indien nodig verregaande stappen ondernemen tegen dergelijke schendingen. Transparantie, onder meer in productieketens, is vaak de sleutel om de weg te kunnen inslaan die we allemaal willen volgen, eender welke kleur of geleding. Vlaanderen kan daartoe een belangrijke aanzet geven. Ook op Europees niveau moet Vlaanderen een rol spelen om de arbeids- en productienormen te reglementeren en te controleren, zodat we onze eigen bedrijven geen concurrentieel nadeel opleggen.

De voorzitter

Mevrouw Remen, uw spreektijd is om, maar omdat u vandaag jarig bent, krijgt u wat tijd bij. (Applaus)

Mevrouw Remen wordt vandaag 49 jaar.( Applaus)

U krijgt 5 seconden bij. (Gelach)

Grete Remen (N-VA)

Ik wil nog even stilstaan bij de bedrijfsoverdracht. Het belang van bedrijfsopvolging of -overname valt absoluut niet te onderschatten in het kader van de strategische continuïteit van onze bedrijven. Elke fase in de ondernemerscyclus is belangrijk, zeker ook degene waarin de scepter moet worden doorgegeven. De minister reikt daar wel goede tools aan, mevrouw Turan. De kmo-portefeuille is een zeer goede tool voor advies en begeleiding, maar ook voor bedrijfsoverdrachten. Het feit dat de minister de schenkingsrechten tussen familieleden op nul heeft gebracht, is een zeer goede zaak in het bevorderen van bedrijfsoverdracht.

Ik zal ook dit jaar blijven ijveren voor een optimaal kmo-beleid in Vlaanderen. We mogen onze eigen bedrijven niet in de kou laten staan. Dat geldt voor alle mogelijke aspecten: bedrijfsoverdracht, maatschappelijk verantwoord ondernemen, eerlijke concurrentie, e-commerce, financiering enzovoort. Onze bedrijven zijn de hoeksteen en het kloppend hart van onze Vlaamse economie. Daar moeten we goed zorg voor dragen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Voorzitter, minister, dames en heren: “Geef me werk dat bij me past, en ik hoef nooit meer te werken.” Dat is geen citaat van mij, maar van Confucius rond 500 voor Christus. Een pleidooi voor werkbaar werk avant la lettre. Oneliners zijn niet altijd even genuanceerd, maar leggen doorgaans wel de vinger op de wonde.

We moeten allemaal langer werken, dus kunnen we dat maar beter met volle goesting doen en met een aangepast instrumentarium. We moeten er ons wel voor hoeden dat werkbaar werk geen containerbegrip wordt, waar zowel passende dienstbetrekking voor werklozen onder valt, jobs voor mensen met een arbeidshandicap, maar ook de welzijnsaspecten stress en burn-out, jobs voor ouderen en landingsbanen. Onze eerste zorg is dan ook om op Vlaams niveau een duidelijke begripsafbakening te maken. Het SERV-rapport kan daarin een belangrijke leidraad zijn.

Werk dient, zeker in het gewijzigd economisch klimaat, ook wendbaar te zijn zodat werknemers voldoende flexibel ingezet kunnen worden. De uitdaging zal erin liggen om werkbaar en wendbaar werk te verzoenen en hiermee zowel werkgevers als werknemers sterker te maken.

Minister, we steunen absoluut de principes die u in uw beleidsbrief schetst: vraaggericht werken, vereenvoudiging, drempelverlaging, competentiegericht werken en responsabilisering. Het hertekenen van het beleid zal echter grondige aanpassingen met zich meebrengen en het loskomen uit bestaande structuren. Dat leidt tot bezorgdheid. Ik pleit nogmaals voor tijdige en transparante communicatie en zeker ook voor overleg met de stakeholders en uw collega-ministers in de diverse dossiers die op tafel liggen zoals duaal leren, uitzendarbeid bij de overheid, het W2-decreet alsook de indicering door de VDAB in het kader van het maatwerk en het decreet Lokale Diensteneconomie.

Ik kom even op de dienstencheques. Ik wijs eerst op de hoopgevende signalen van het behoud van de fiscale aftrek en de duidelijke stelling dat dienstencheques voor werkenden er zijn ter facilitering van de combinatie werk-privé en niet ter opvang van een tekort aan middelen voor thuisopvang. De dienstenchequesector staat ook voor een belangrijke uitdaging. Het is het uur van de waarheid om het nieuwe antidiscriminatiebeleid te implementeren. Onze fractie geeft een faire kans aan autoregulering in alle sectoren, maar met de evaluatie in 2018 uiteraard in het achterhoofd. Geen beterschap zal zeker betekenen dat strengere maatregelen nodig zullen zijn.

‘Geef me werk dat bij me past’ zou ook het leitmotiv van de VDAB-consulenten moeten zijn. We stellen vast dat het activeringsbeleid systematisch verbeterd wordt, onder meer door de heroriëntering naar competenties en ook door de werkgevers te helpen om die competenties in de sollicitaties beter in rekening te brengen. Een andere belangrijke opdracht van de VDAB is uiteraard het opleiden en omscholen zodat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter met elkaar kunnen matchen. Hier zijn voor ons de knelpuntberoepen potentiële quick wins die volgens ons prioritair moeten worden ingevuld. Dit kan onder meer via een heroriëntatie van oudere werkzoekenden, maar ook de recente instroom van vluchtelingen biedt hier opportuniteiten.

Voorzitter, minister, collega’s, voor het komende jaar liggen er heel wat ijzers in het vuur te wachten om gesmeed te worden. Ik dacht dat smid een knelpuntberoep was, dat is dan onmiddellijk een win-win. Minister, ik hoop oprecht dat u erin slaagt om deze uitdagingen binnen een redelijk tijdsbestek tot een goed einde te brengen. Laat ons het ijzer smeden nu het heet is en samen van Vlaanderen een duurzame topregio maken. (Applaus bij de meerderheid)

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.