U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde zijn het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016.

Het Uitgebreid Bureau stelt voor om de algemene besprekingen van de drie ontwerpen van decreet samen te voegen tot één enkele algemene bespreking.

Is het parlement het hiermee eens? (Instemming)

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Maes, verslaggever, heeft het woord.

Lieve Maes (N-VA)

Voorzitter, dames en heren, de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting besprak op haar vergaderingen van 10, 17 en 24 november en 1 en 9 december 2015 het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016 en het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016. De twee ontwerpen werden in samenhang behandeld en daarom is er één verslag van opgesteld. Ook meegenomen in dit verslag zijn de meerjarenraming 2016-2021, de beleidsbrief Algemeen Regeringsbeleid ingediend door minister-president Bourgeois, en de beleidsbrief Financiën en Begroting ingediend door minister Turtelboom.

We begonnen met de bevoegdheid Algemeen Regeringsbeleid. Bij de bespreking van de begroting lichtte minister-president Bourgeois de aanpassing van de structuur toe aan de creatie van het nieuwe beleidsdomein Kanselarij en Bestuur sinds 1 april 2015, door samenvoeging van de beleidsdomeinen Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid (DAR) en Bestuurszaken. Met enige technische ingrepen werd er toch voor een transparant begrotingsdocument gezorgd.

De minister-president gaf een overzicht van de middelen waarvoor hij bevoegd is en overliep de belangrijkste budgettaire wijzigingen. De toelage aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) stijgt met 406.000 euro. Dat komt doordat de middelen voor de Strategische Adviesraad Landbouw en Visserij toegevoegd worden, aangezien die ingebed wordt in de SERV. Bij de apparaatkredieten zit er nog een stuk besparingen, de werkingskredieten stijgen netto, en bij de beleidskredieten zijn de budgetwijzigingen beperkt. De werkingsmiddelen van de Dienst van de Bestuursrechtscolleges worden structureel met 200.000 euro verhoogd en zullen vooral ingezet worden voor de digitalisering, om zodoende de procedures actiever en gestroomlijnder te laten verlopen. De Studiedienst van de Vlaamse Regering bestaat vanaf 1 januari 2016 niet langer als aparte entiteit en wordt ook organisatorisch een onderdeel van het nieuwe Departement Kanselarij en Bestuur. De totale apparaatkredieten van Audit Vlaanderen stijgen in functie van het groeipad van die dienst.

De toelichting van de beleidsbrief gebeurde aan de hand van een powerpointpresentatie. Het hele verhaal is opgebouwd rond zes domeinen: samenwerking, dialoog en vertrouwen, kwaliteitsvolle besluitvorming, uitbouw Departement Kanselarij en Bestuur, specifieke horizontale prioriteiten, communicatiedoelstellingen en Audit Vlaanderen. Elk werd uitgewerkt in een strategische doelstelling. Voor de liefhebbers is de volledige presentatie beschikbaar op het intranet.

Daarna werd er overgegaan tot de bespreking. Vier sprekers kwamen tussen: de heer Rzoska van Groen, de heer Vandenbroucke van sp.a en de heren Diependaele en Hofkens van N-VA. De algemene tendens was dat er goede dingen in de beleidsbrief staan en dat die helder is opgebouwd. Ook is er een goede rapportering over de stand van zaken. Er werden bijkomende vragen gesteld. Pps-projecten, hoe gaan we ermee verder? Wat is de scope van de rapportage voor alternatieve financiering die wordt aangehaald? Wat met het groenboek rond adviesverstrekking? Wat met de opvolging van auditaanbevelingen? Dit waren vragen van de heer Rzoska. De heer Vandenbroucke stelde een vraag over de inplanning en aanpak van het kerntakenplan. De heer Diependaele stelde een vraag over wetgevingshygiëne en het kerntakenplan. De heer Hofkens drukte zijn tevredenheid uit over de uitbouw van het Vlaams justitieel beleid.

In zijn antwoord dankte de minister-president de collega’s voor hun positieve benadering van zijn beleidsbrief. Iedereen, meerderheid en oppositie, heeft belang bij een goed werkende en transparante overheid die werk maakt van goed bestuur. In de eerste plaats gaat het daarover. Er zit ook veel inhoudelijk beleid in, maar het gaat over een kwaliteitsvolle overheid die goed bestuurt en vertrouwen wekt, die data ter beschikking stelt, die zorgt voor minder regeldruk maar toch ook voor voldoende heldere regels. Daarnaast werden de antwoorden gegeven op de gestelde vragen, waarmee dit onderdeel werd afgerond.

Zo komen we bij de bevoegdheden Financiën en Begroting. De minister begon haar uiteenzetting met een verwijzing naar het monitoringrapport van oktober 2015 dat zij aan de commissieleden bezorgde en waarover zij een presentatie bij had. In de samenvattende tabel staat het cijfer van een tekort van 931 miljoen euro. Een groot deel daarvan is volgens haar te wijten aan een eenmalige vertraging in de inning van de erf- en schenkingsbelastingen. In 2016 zal er een omgekeerd effect zijn, aldus de minister.

Na het overlopen van de ontvangsten en de uitgaven, besluit de minister dat het monitoringrapport nog onderhevig kan zijn aan mogelijke veranderingen in de berekeningen. In een latere bespreking in de commissie wordt het monitoringrapport van november nog toegelicht. Het tekort op de uitvoering van 2015 daalt van 931 tot 766 miljoen euro, voornamelijk door een afspraak tussen de minister en het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) over een gewijzigde aanrekeningsmethode. De minister vindt het het belangrijkst dat de begroting 2016 verder op orde wordt gezet.

Wat is daar de stand van zaken? Op basis van de gebruikte parameters wordt het tekort voor 2016 op 172 miljoen euro geraamd, exclusief de kosten voor de asielcrisis, met als vooruitzicht een begroting in evenwicht in 2017. De voorbereidingswerken voor Oosterweel zijn volledig in de begroting 2016-2017 opgenomen. Er wordt verder gesaneerd, maar er is in 2016 al ruimte voor 483 miljoen euro vastleggingskredieten voor nieuw beleid. Met deze begroting wordt dus een combinatie gemaakt van het verder op orde zetten van de begroting, met het alle kansen geven aan het prille economische herstel en het zorgen voor nieuw beleid, en dit ondanks de volatiele externe omgeving.

Gedetailleerde tabellen met inkomsten en uitgaven werden bezorgd en toegelicht en er werd ook uitgebreid ingegaan op welke parameters gebruikt werden voor de berekeningen. Dan kwam de evolutie van de beleidsruimte. Om de totale bruto beleidsruimte te bepalen, werd er vertrokken van de bruto beleidsruimte bij constant beleid, de ESR-correcties, de onderbenutting en de creatie van de nieuwe ontvangsten, onder andere de kilometerheffing. Ook langs de aanwendingskant werd een optelsom gemaakt van de uitgaven bij ongewijzigd beleid, de bestaande kostendrijvers, de kostendrijvers naar aanleiding van de zesde staatshervorming, onder andere de ziekenhuisfinanciering, om te komen tot voorzieningen voor nieuw beleid.

Als laatste aspect van de uiteenzetting van de begroting werd er nog gekeken naar de evolutie van de geconsolideerde schuld en de financieringsbehoeften. De geconsolideerde schuld stijgt, voornamelijk door de ziekenhuisinfrastructuur. Dat is dus geen nieuwe schuld in de nv België, aldus de minister. Het is een nieuwe schuld voor Vlaanderen, maar het is minder schuld voor de federale overheid.

Daarnaast heeft de Vlaamse Regering het voornemen om de financiering door te consolideren instellingen of financieringsschema’s niet langer te waarborgen, maar zo veel mogelijk zelf te financieren. Dat is goedkoper en efficiënter. Voor 2016 gaat dat vooral over de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW), het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA) en het Vlaams Woningfonds (VWF). Alles samen komt dat neer op een investeringsbehoefte van 1,8 miljard euro.

Het volgende item dat toegelicht werd, is de beleidsbrief. De minister gaf hierin een overzicht van de strategische en operationele doelstellingen inzake budgettair beleid, fiscaliteit, financieel beheer, controle en riskmanagement en het beleidsdomeinoverschrijdende. Op gebied van budgettair beleid gaat de minister voor begrotingsdiscipline, maar ook voor groeibevorderende investeringen. Ze werkte ook een beloofde methodiek uit over wat als investering kan worden beschouwd. Er zijn drie verschillende soorten investeringen: kerninvesteringen, investeringen van de eerste schil en investeringen van de tweede schil.

De opsplitsingen worden afgelijnd door wat er onder bepaalde ESR-codes valt. Dat laat toe om een duidelijk zicht te hebben en dubbeltellingen te vermijden. Voor 2016 geeft dat in totaal 6,4 miljard euro. In 2015 was dat nog 5,4 miljard euro. De minister heeft de definitie zo opgedeeld en duidelijk gemaakt dat het parlement nu jaar na jaar kan monitoren of Vlaanderen nu daadwerkelijk meer of minder investeert.

Het Vlaamse begrotingsbeleid wordt in belangrijke mate beïnvloed door de Europese regelgeving inzake het toezicht op de nationale begrotingen. Men gaat naar een begrotingsnormering in meerjarig perspectief. De minister zal ook de impact van de lokale overheden op het vorderingensaldo opvolgen in het kader van de geconsolideerde ESR-opvolging.

In verband met de fiscaliteit wil de minister een coherent fiscaal kader creëren waarbij de Vlaamse Codex Fiscaliteit als centrale bron geldt voor alle fiscale bepalingen, en daarnaast zorgen voor een correcte inning van de belastingen. Zij gaf achtereenvolgens uitleg over de voorbereiding van de overname van de belasting op spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen, de nieuwe lopende initiatieven in de fiscaliteit, de plannen om de genomen fiscale maatregelen te evalueren en de geplande toekomstige initiatieven.

Op het vlak van financieel beheer en risk management wordt voortgewerkt aan de gecentraliseerde opname van leningen voor instellingen uit de consolidatieperimeter. Er wordt gewerkt aan de zichtbaarheid van Vlaanderen op de internationale kapitaalmarkt en aan de rating. En men werkt ook aan het gemeenschappelijke boekhoudkantoor. De minister besloot met een overzicht van een aantal beleidsoverschrijdende zaken, zoals de uitvoering van het kerntakenplan en de afschaffing van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU), het Toekomstfonds en de DAB-emissierechten (Dienst met Afzonderlijk Beheer), het aanleggen van een subsidiedatabank en het vormgeven van de prestatiebegroting voor andere beleidsdomeinen.

Dan komen we bij het verslag van het Rekenhof. Ook dit jaar onderzocht het Rekenhof de Vlaamse begroting. Raadsheer bij het Rekenhof, Jan Debucquoy, gaf een toelichting bij hun rapport. Hij verklaarde dat het rapport als bedoeling heeft om aanvullende toelichting en duiding te geven bij de toelichting van de minister, zodat de commissieleden voldoende geïnformeerd zijn om de juiste vragen te stellen. Het rapport analyseert vier aspecten: de normnaleving, de transparantie van de begroting, de ontvangsten en de uitgaven. Hierin worden bezorgdheden en aandachtspunten verwerkt.

De werkgroep voor meer transparantie van de Vlaamse begroting wordt volgens Jan Debucquoy een heel interessante oefening. Hij stelt immers vast dat de begroting van jaar tot jaar minder leesbaar wordt. Het is een uitdaging om de leesbaarheid te verhogen en om de beleidsinformatie en -doelstellingen die men in de beleidsbrieven terugvindt, te koppelen aan de begroting. Het rapport van het Rekenhof vermeldt een aantal aandachtspuntjes in dat verband.

Het Rekenhof had aandacht voor een opvallend sterke stijging van de gewestelijke belastingen, ten bedrage van 11 procent, het hoge cijfer bij de belasting op de inverkeerstelling (BIV), namelijk een stijging van 17,8 procent, de verwachte inkomsten uit verkooprecht, verdeelrecht, efficiëntiewinsten, schenkingsbelasting, kilometerheffing, en de bijdrage van het Energiefonds. Wat de uitgaven betreft, had het Rekenhof in het algemeen minder opmerkingen dan de voorgaande jaren.

Minister Annemie Turtelboom bevestigde een aantal van de opmerkingen, gaf tegengas op een aantal andere en verduidelijkte een reeks cijfers. Ze kondigde ook aan dat de meerjarenraming klaar zou zijn op vrijdag 20 november 2015. Daarna begon de bespreking met opmerkingen en vragen. De heer Bertels had het over de timing van de meerjarenraming, het nominale tekort op de begroting, besparingen doorgeschoven naar lokale besturen en de cijfers van de ramingen. De heer Rzoska had het over het ontbreken van de meerjarenraming, de ramingen van cijfers van de schenkingsrechten, en over pps-structuren. De heer Diependaele had het over het schuldniveau, de kosten van de asielcrisis buiten de begroting, en een simulatiemodel voor de vergroening van de verkeersbelasting. Hierop kwam een eerste ronde antwoorden van zowel de minister als het Rekenhof. Het hoofdpleidooi van het Rekenhof is om de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen. Ze waren wel positief over de werking met een provisie voor de kilometerheffing.

Wat de ziekenhuizen betreft, heeft het Rekenhof voornamelijk twijfels over de raming die de federale overheid maakte, minder dan over de raming van de Vlaamse Regering. Voor beide cijfers is het sowieso onduidelijk wie het bij het rechte eind heeft. Het Rekenhof hoopte dat de minister nog verder werk maakt van een schuldnorm en het in kaart brengen van de schuld.

Minister Turtelboom bevestigde dat de regering de oefening maakt: ten opzichte van welke schuld staan activa? Een andere aan de gang zijnde oefening is: wat is schuld die is opgebouwd voor recurrente zaken en wat is schuld waar eigendom tegenover staat?

Daarna volgde een nieuwe ronde tussenkomsten van de commissieleden. De heer Vandenbroucke bracht de inkomsten uit de kilometerheffing in het debat en kwam terug op de vergroening van de BIV en de verkeersbelasting. Hij had ook bedenkingen bij de energieheffing. Zijn partijgenoot, de heer Bertels, ging dieper in op het saldo van de lokale besturen, de parameters voor de berekeningen, minderopbrengsten bij successierechten en de onderbenuttingshypothese. De heer Rzoska voegde ook nog een aantal vragen toe. Onder meer over de hervorming van de BIV, de kilometerheffing, en over cijfers uit het monitoringrapport. De heer Van Rompuy had nog vragen bij recente uitspraken van de Europese Commissie over de situatie in België.

Hierop volgden uitgebreide replieken van minister Turtelboom, doorspekt met kritische bemerkingen en aanvullend cijfermateriaal. De minister bevestigde dat het monitoringrapport met het tekort van 930 miljoen euro een momentopname was. Zeker met de overname van een bevoegdheid voor 5 miljard euro en met een totaal andere werkmethode die veel meer geautomatiseerd is, komt men terecht in een volatiliteit waarbij de minister een aantal maanden tijd nodig heeft om dat volledig uit te klaren. De minister heeft er geen probleem mee om regelmatig een stand van zaken te geven over de gesprekken met het INR en Eurostat. Dat heeft immers een groot effect op de uitvoeringsresultaten van 2015 en 2016. De minister wees erop dat het afstemmen van de kalenders een belangrijk werkpunt is. De interministeriële conferentie Financiën en Begroting is in oktober voor het eerst sinds acht jaar opnieuw samengekomen. Er moet volgens de minister worden gewerkt aan een gelijktijdige rapportering. Daarbij moet worden vertrokken vanuit de Europese rapportering en worden teruggekoppeld naar de andere entiteiten.

Hierop kwamen nog bijkomende replieken van de heren Vandenbroucke, Bertels en Rzoska, met opnieuw antwoorden van de minister. (Applaus)

De voorzitter

De heer Bertels, verslaggever, heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Dank u wel, mevrouw Maes, voor het voor uw rekening nemen van het eerste deel van het verslag. Ik zal proberen even kort te zijn. We hebben alles sterk gereduceerd, maar ik zal toch enkele minuten bezig zijn.

Ik begin dit deel van het verslag bij de meerjarenraming 2016-2021.

Minister Turtelboom licht de uitgangspunten van de meerjarenbegroting toe. Voor deze meerjarenbegroting werden de meest recente parameters gebruikt inzake economische groei en inflatie. Deze parameters zullen evenwel onderhevig blijven aan een zekere volatiliteit.

Wat betreft de taxshifts I en II, bestendigt de voorliggende meerjarenbegroting de voorziene verlaging van de personenbelasting in het Vlaams aandeel in de effecten op de belasting Staat. De negatieve impact van deze maatregelen op de Vlaamse begroting wordt niet teruggedraaid door middel van een verhoging van de opcentiemen. Voor 2016 verwacht men een impact van 72 miljoen euro, voor 2019 583 miljoen euro, en dit loopt verder op tot 873 miljoen euro in 2021. Mogelijke positieve effecten van deze taxshifts zijn nog niet verrekend.

Wat de federale dotaties betreft, komt er een dip in 2018 door de uitvoering van de Bijzondere Financieringswet.

Minister Turtelboom maakt zich ook sterk dat de vergroening van de verkeersbelasting zal werken. De verkeersbelasting en de BIV moeten hier samen worden bekeken.

Op een eerdere vraag van de heer Bertels over de erf- en schenkbelastingen, stelt de minister dat men de cijfers van Brussel niet kan vergelijken met die van Vlaanderen, omdat er een essentieel verschil is in de berekening, voornamelijk wegens het progressievoorbehoud, en Vlaanderen volgens haar een conservatieve schatting heeft gemaakt.

De toename van de schuld in 2016 is volgens de minister bijna volledig te wijten aan de ziekenhuisfinanciering. De minister heeft een berekening verspreid waarbij de schuld wordt uiteengezet tegenover de activa. Deze berekening is een eerste stap, een basis om later een schuldnorm te kunnen definiëren.

De meerjarenplanning geeft het ESR-investeringssaldo weer zonder nieuw beleid en zonder de Oosterweelverbinding. De minister licht vervolgens toe waarom zij de Oosterweelverbinding anders wenst te behandelen. Ze beschouwt deze investering als een uitzonderlijke eenmalige maatregel.

De heer Bertels vroeg of de minister de cijfers van eRegistration omtrent de erf- en schenkbelasting kon overmaken. De minister liet hierop een gedetailleerd document ronddelen met de toelichting van de raming. Het blijft voor de heer Bertels vreemd dat er helemaal geen effect is op de erfbelastingen in de meerjarenramingen.

Volgens de heer Bertels is er een louter virtueel evenwicht in de meerjarenbegroting, waarbij sommige inkomsten en uitgaven niet te verifiëren zijn. In het verleden bleken er ook virtuele begrotingsevenwichten te zijn die achteraf niet konden worden bewaarheid.

De heer Bertels hekelt ook dat deze regering zichzelf een investeringsregering noemt, terwijl de enige evidentie hiervoor blijkbaar een nieuwe methodologische berekening is en investeringen in zorg, welzijn en onderzoek en ontwikkeling, net zoals in de vorige meerjarenraming, niet zijn opgenomen.

Tot slot vraagt de heer Bertels een verduidelijking over de rentelasten die moeten worden betaald voor het tekort op de begroting, onder meer wegens de investeringen in de ring rond Antwerpen. Verder vraagt hij naar de indexering van de kinderbijslag.

De heer Vandenbroucke zoomt in op het thema vergroening van de verkeersbelasting en vergelijkt de cijfers van de komende jaren met die uit de vorige legislatuur. De nieuwe cijfers wijzen niet op een sterkere vergroening. Hij vraagt zich af waar de minister haar hoeveelheidseffect vandaan haalt.

De heer Rzoska wenst meer inlichtingen over de paramaters inzake economische groei in de meerjarenraming. Er werd volgens hem gemakkelijkheidshalve gezegd dat die cijfers van het Federaal Planbureau komen en dat daarmee rekening moet worden gehouden. Hij stelt zich echter de vraag of de minister niet voorzichtiger had moeten zijn, ook specifiek inzake Oosterweel.

Hij stelt dat Europa in 2014 niet wilde meegaan in een pps-constructie en vraagt zich af of Europa hiervoor intussen groen licht heeft gegeven. Daarnaast wil hij volledige transparantie over de inkomsten uit de tolheffing en ook over het zogenaamde businessmodel.

De heer Rozska stelt zich tevens vragen over de vergroening van de verkeersbelasting. Hij vraagt zich af hoe het komt dat de inkomsten daaruit, ondanks positieve vergroeningseffecten, toch zouden stijgen tot 2021. Ofwel is het geen vergroening ofwel gelooft de minister niet in die vergroening. Hij vraagt ook of de minister rekening heeft gehouden met het Nederlandse voorbeeld en de Nederlandse ervaringen.

Inzake de schenk- en erfbelastingen begrijpt de heer Rzoska eveneens niet waarom in de meerjarenraming zowel de inkomsten uit de schenkbelasting als die uit de erfbelasting blijven stijgen. Het ene heeft immers met het andere te maken. Hij ziet nergens een correctie voor de stijging van de schenkingsrechten in de erfbelasting.

Hij begrijpt ook niet waarom de minister geen nieuwe leningen voor investeringen in ziekenhuisinfrastructuur heeft ingeschreven.

De heer Diependaele wijst erop dat een begroting steeds over ramingen gaat. Het is vooruitkijken en dus altijd een beetje voorspellen. Hij is echter ook vragende partij voor correcte cijfers. Hij vindt de schuldoefening interessant, maar wijst eveneens op de beperkingen ervan. Samen met de heer Daems gaat hij nog even in op de btw op de scholenbouw.

De minister wijst erop dat in een meerjarenraming geen nieuw beleid is verwerkt en dat die zich beperkt tot potentieel nieuw beleid. Voor 2017 is er een overschot, in 2018 is er een dip en in 2019 is er volgens haar 980 miljoen euro ruimte voor nieuw beleid.

Voor Oosterweel verwijst de minister naar de Europese beslissing aangaande de asielkwestie, waarin de commissie aangaf nooit een beslissing ex ante te willen nemen. Het is bijgevolg altijd wachten op een postuum oordeel.

De minister verwijst ook naar de Europese Investeringsbank. Volgens die bank heeft Vlaanderen een sterke businesscase. De minister stelt dat de oppositie, wanneer zij de begroting bekritiseert, alternatieven moet voorstellen.

Wat de kinderbijslag betreft, stelt de minister dat de uitgaven inzake de index in een apart hoofdstuk en in een aparte tabel binnen de meerjarenbegroting zitten.

De fiscale regularisatie is wel ingeschreven en de minister stelt voor dat de Vlaamse Regering daar coöperatief optreedt. Zij verwijst tevens naar een volgend overleg dat daarover zal worden opgestart.

Wat de discussie betreft over de compensatie voor materieel en outillage, stelt de minister dat in de schattingen van de heer Bertels gewag wordt gemaakt van een te snelle vervanging van materieel. De genoemde 180 miljoen euro is het maximaal theoretisch aftrekbaar volume op materieel en outillage.

Voor de vergroening van de verkeersbelasting stelt de minister dat de stijging te verklaren is doordat bestaande contracten op wagens blijven lopen en de vernieuwing geleidelijk in werking treedt. Gedragsveranderingen vragen tijd. Er komt ook een nauwgezette monitoring.

De heer Bertels is het met de heer Diependaele eens dat begrotingen ramingen zijn, maar ramingen moeten wel onderbouwd zijn. Hij blijft onder meer aandringen op cijfers over de schenkingsrechten en de erfbelastingen.

Wat de compensatie voor materieel en outillage betreft, krijgt de heer Bertels de indruk dat de Vlaamse Regering bang is geworden van haar eigen beslissingen als gevolg van de reacties en de klachten van burgemeesters en schepenen van Financiën. Hij wil weten of er een berekening is gemaakt voor 2016 van de minderinkomsten voor de gemeenten.

De heer Vandenbroucke vindt sommige antwoorden over de verkeersfiscaliteit niet erg overtuigend en stelt dat de minister uitgaat van een gedragsverandering die zich niet al te sterk zal doorzetten. De stijging van de inkomsten was volgens de heer Vandenbroucke ook in tegenspraak met de door de regering afgesproken budgettaire neutraliteit van de hervorming.

De heer Rzoska vindt dat een vast ijkingspunt te verkiezen is wanneer wordt gewerkt met economische parameters. De huidige parameters lijken immers een beetje te positief. Hij vindt ook de redenering over Oosterweel erg vreemd. De vorige Vlaamse Regering toetste af of een constructie al dan niet met publiek-private samenwerking kon. De minister heeft ook in het verleden al gezegd dat dit project in de begroting zou moeten worden opgenomen. De heer Rzoska vroeg zich af wanneer Europa toestemming zou hebben gegeven om dit eruit te halen. Hij wil ook weten of er een correctie is toegepast op de erfbelasting in de meerjarenraming. Dat blijkt alvast niet uit de cijfers.

De heer Rzoska begrijpt tevens de eigenaardige redenering van de minister over de hoeveelheidseffecten in de verkeersbelasting niet.

De heer Diependaele vraagt of het mogelijk is dat een gemeente die in 2014 een compensatie ontving voor materieel en outillage maar daar in 2015 geen recht op heeft, toch nog een compensatie zou krijgen. De minister bevestigt dit. De heer Bertels noteert uitdrukkelijk dit antwoord.

De minister stelt in haar repliek dat Vlaanderen met dezelfde parameters als de Europese Commissie werkt. Wanneer men binnen dat kader Oosterweel zou inschrijven, is in de begroting alle ruimte voor nieuw beleid weg. Nu is ervoor gekozen Oosterweel in de begroting op te nemen maar buiten het vorderingensaldo. De minister vraagt de oppositie hoe zij dat zou oplossen. Ze herhaalt dat Europa nooit uitspraken ex ante doet over een begroting.

Inzake de erf- en schenkbelasting herhaalt de minister dat er een progressievoorbehoud bestaat, wat maakt dat er de eerste drie jaar een rem is, zowel op het aantal schenkingen als op het effect op de erfbelasting, en dat de geschatte opbrengst conservatief is berekend.

Wat materieel en outillage betreft, wordt de uitbetaling van de compensatie vanaf het kalenderjaar 2016 stopgezet, met overgangsmaatregelen voor gemeenten met een te zwaar verlies door de stopzetting. De minister herhaalt dat er maar er maar één doel is bij de verkeersfiscaliteit: een shift in de nieuw aangekochte wagens van diesel naar benzine, naar meer wagens op aardgas en naar meer elektrische en waterstofwagens.

De heren Vandenbroucke en Bertels herhalen na deze repliek hun opmerkingen over de minder sterke gedragsverandering die uit de cijfers van de verkeersfiscaliteit zou blijken en ook over de stopzetting van de compensatie voor materieel en outillage, daar de vrijstellingspercentages van het kadastraal inkomen met betrekking tot deze maatregelen niet constant zijn. Bij constante compensatie zullen de gemeenten bijkomend verlies moeten slikken. De minister herhaalt dat de compensatie constant is, waarop de heer Bertels repliceert dat de gemeenten hierover dienden geïnformeerd te worden wegens de significante impact op hun meerjarenbegroting.

Verder wilde hij weten wat de reden is voor de extra stijging van de inkomsten van de onroerende voorheffing van het jaar 2016 naar het jaar 2017. De minister verwijst naar het jaarlijks hoeveelheidseffect van 2 procent. Voor de heer Bertels blijft dit een onverklaarbare stijging en hij vraagt of die te maken heeft met de overname van de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing. Hij vraagt zich af of er iets meer achter de stijging zit.

De heer Rzoska vraagt of er geen advies is gevraagd aan Eurostat over Oosterweel. En hij vraagt ook naar de impact van de taxshift op de meerjarenraming daar er stevige verschillen op de ramingen van de FOD Financiën en de meerjarenraming zaten. De minister antwoordde dat de FOD Financiën enkel met taxshift II rekening gehouden heeft.

Ik kom tot een nieuw hoofdstuk: het onderzoek van de meerjarenraming door het Rekenhof. Het eerste deel was de toelichting van het Rekenhof. De vergadering opende met de toelichting van het Rekenhof door raadsheer Debucquoy. Volgens hem weerspiegelt het rapport van het Rekenhof twee grote bezorgdheden: de schuld die ook in de meerjarenraming blijft groeien en de nieuwe zorg dat het masterplan Antwerpen alleen maar kan worden gefinancierd als de begrotingsdoelstellingen niet worden nageleefd. Een vergelijking met de vorige meerjarenraming geeft grote verschillen weer op het vlak van de saldi en de beleidsruimte wegens de nieuwe en slechtere economische parameters, de opname van het masterplan en de federale taxshift. Dit zijn voor hem de drie grootste redenen.

Het Rekenhof wijst ook op de onduidelijkheid over wat onder het begrip ‘constante uitgaven’ valt. Het Rekenhof was tevens ongerust omdat er nog altijd geen schuldnorm is, ondanks het feit dat het hof daar al jaren op aandringt.

Het Rekenhof stelde ook dat de uitgaven voor de asielcrisis wel in de meerjarenraming zitten, terwijl Europa de mogelijkheid laat ze buiten de begroting te houden, wat betreft de berekening van het vorderingensaldo.

Voor het masterplan Oosterweel zou de regering vanaf 2017 in het rood willen gaan terwijl ze aan Europa een evenwicht had beloofd in het kader van het ontwerpbegrotingsplan. Afwijkingen van de begrotingsdoelstellingen moeten volgens het Rekenhof gebeuren in overleg met de andere deelstaten en de federale overheid. Het hof verwijst hierbij naar het samenwerkingsakkoord van 13 december 2013. De piste met betrekking tot de wijziging van de ESR-regels zal volgens het hof, als het er al komt, heel veel tijd vergen: meerdere jaren. Wat de investeringen betreft, heeft België de hoogste primaire uitgaven maar vertaalt dit zich niet in het realiseren van de investeringsdoelstellingen. Het Rekenhof heeft daarover een grafiek verspreid.

Het antwoord van de minister op het onderzoek van het Rekenhof ging als volgt. De minister antwoordde dat er 1,5 miljard potentieel nieuw beleid mogelijk is en dat dit nodig is. Alle voorbereidende werken rond Oosterweel zitten ook in de begroting. Elke oplossing voor de mobiliteitsknoop Antwerpen zal geld kosten. Ze stelt ook dat Oosterweel inkantelen in de begroting, vijf jaar lang 700 miljoen euro zou kosten, die dan elders langs inkomsten- of uitgavenzijde gezocht moet worden. Er zal een debat met Europa gevoerd moeten worden, waarbij de nadruk gelegd wordt op de eenmaligheid, de uitzonderlijkheid en de grootte van deze investering voor een kleine regio. De minister wijst erop dat ‘size matters’: kleinere regio’s moeten ook grotere investeringen kunnen doen.

Over de schuldnorm stelt de minister dat er noch binnen de Hoge Raad van Financiën noch in het interfederaal overleg een schulddoelstelling per entiteit gedefinieerd is. De oefening inzake de activa kan hiertoe een eerste aanzet zijn.

De minister benadrukt tot slot dat de schuldgraad van Vlaanderen onder controle is.

Dan gaan de leden over tot de discussie over het onderzoek van het Rekenhof. De heer Bertels dankt het Rekenhof om zo snel de meerjarenraming te bekijken en dankt de minister voor een aantal van haar verduidelijkingen. Hij vraagt ook een verduidelijking over constant beleid versus nieuw beleid en geeft daarbij het voorbeeld van het groeipad in Welzijn voor personen met een handicap. Hij dringt er ook op aan bij de minister, zoals vroeger reeds gevraagd, om afspraken te maken over de investeringen en de schulddoelstellingen binnen de nv België, opdat de Vlaamse Regering een echte investeringsregering kan zijn.

De heer Rzoska wijst erop dat de meerjarenraming volgens het Rekendecreet het parlement in staat zou moeten stellen om de begroting 2016 te bekijken binnen de begrotingsdoelstellingen op lange termijn. Hij stelt ook vast dat het Rekenhof daaraan twijfelt. Hij vraagt de minister het Rekendecreet te respecteren en duidelijkheid te verschaffen over de groeipaden en de grote infrastructuurprojecten.

De heer Vanbesien beaamt de eerdere verklaring van de minister dat elke oplossing voor de Antwerpse mobiliteit geld kost, maar hij stelt dat de regering doet alsof ze dat geld heeft gevonden, terwijl daar de grootste onduidelijkheid over heerst, onder meer bij gebrek aan openbare documenten over bijvoorbeeld het terugverdieneffect.

De heer Diependaele stelt dat de primaire uitgaven te hoog zijn en dat de regering daarvoor een oplossing wil bieden. Er is volgens hem nog ruimte voor efficiëntiewinsten. Hij vraagt hoe de grafiek van het Rekenhof over de investeringen in de Europese context moet worden geïnterpreteerd. Hij onderschrijft ook de vraag van de heer Bertels voor overleg met andere deelstaten, maar verwacht daar niet al te veel heil van. Volgens hem moeten we nu de gevolgen dragen van de ESR-wijzigingen in het verleden. Ook hij wil een oplossing voor de Antwerpse mobiliteit, en die mag dan ook buiten de begroting worden gehouden. De stilstand van vandaag heeft ook zijn prijs.

De heer Lantmeeters wijst erop dat de minister met betrekking tot de gewestbelastingen en cours de route een wijziging van de inkohiering heeft doorgevoerd. Terwijl er aanvankelijk op het aanslagbiljet werd ingekohierd, is men overgeschakeld naar een kasontvangst. Hij vraagt een verduidelijking over de manier waarop dat in de meerjarenbegroting is verwerkt.

De heer Schiltz stelt dat de stelling van de oppositie dat het Rekenhof brandhout maakt van de begroting, overroepen is. Hij ziet de effecten van de structurele saneringen en vindt dat Vlaanderen de federale inspanningen in de personenbelasting moet vrijwaren. Oosterweel moet er voor hem ook komen. Hij vindt het logisch dat de minister probeert dat buiten de begroting te houden. De betaling ervan staat immers niet ter discussie. Hij vraagt tevens aandacht voor de schuldontwikkeling, en hij vraagt ook dat er afspraken zouden worden gemaakt over een schuldplafond. Ook de doelstellingen en de groeipaden inzake onderzoek en ontwikkeling moeten in het oog worden gehouden, maar hij meent dat Vlaanderen ter zake op schema is.

De heer Debucquoy antwoordt op een aantal opmerkingen dat het aandeel van de investeringen in de primaire uitgaven van België slechts de helft is in vergelijking met het Europese gemiddelde, en dat grote investeringen perfect te combineren zijn met de naleving van de begrotingsdoelstellingen. Hij herhaalt ook de bezorgdheden over de schuld. Afschrijvingen zijn volgens de huidige ESR-regels niet mogelijk, volgens het Rekenhof.

De minister antwoordt op de vraag van de heer Lantmeeters dat wat meer binnenkomt in 2015, minder zal binnenkomen in 2016. Het totaalbedrag dat binnenkomt, zal echter gelijk blijven. Ze stelt eveneens dat sommige inkomsten nu mogelijk worden onderschat en dat er nog positieve effecten kunnen optreden. Wie het niet eens is met de investering in de Antwerpse mobiliteit, moet volgens haar een alternatief voorstellen. Er bestaan nu eenmaal geen mirakeloplossingen. Ze erkent dat de groeipaden in de begroting 2016 beter zouden kunnen worden gespecificeerd en aangeduid. Ze verwijst naar het voorbeeld van de openendregeling voor de dienstencheques. Ze ontwaart in Europa ook een dubbele maatstaf, waarbij investeringen in het plan-Juncker mild worden beoordeeld en andere strenger.

De heer Bertels is blij dat de minister een verfijning van constant en nieuw beleid wilde uitwerken, want de huidige regeling is inconsequent: sommige zaken zitten erin, andere niet. In reactie op een verklaring van de heer Diependaele zei de heer Bertels dat Vlaanderen budgettair niet onafhankelijk verklaard kan worden en dat overleg nodig blijft.

De heer Diependaele repliceert dat Vlaanderen in zijn begrotingen altijd geprobeerd heeft beter te doen dan wat de Hoge Raad van Financiën oplegde.

De heer Rzoska herhaalt de vraag over de begrotingspaden in de meerjarenraming, welke zitten erin en welke niet.

De heer Vanbesien wou tot slot weten of het parlement informatie kan krijgen over het businessplan voor de Antwerpse mobiliteit.

De minister repliceerde dat de huidige meerjarenraming het systeem van vroeger volgde en dit niet eenvoudig veranderd kan worden. Overleg met andere deelstaten zal gebeuren maar Vlaanderen moet ook zelf beslissen wat het wil.

Na de ronddeling van de details over investeringscijfers stelt de heer Bertels dat die vooral de perceptie voeden dat Vlaanderen een investeringsregering is, in tegenstelling tot de perceptie die bij de adviesraden leeft, over het gebrek hieraan. Blijkbaar zitten er ook vervangingsinvesteringen en herfinancieringen in de rondgedeelde cijfers.

De heer Diependaele vindt de nieuwe methodologie een meerwaarde voor het debat in de komende jaren. Hij waarschuwt wel dat overheidsactiva niet zomaar te vermarkten zijn om schuld te verlichten.

De heer Rzoska stelt voor te kijken naar wat de SERV als investeringen beschouwt en vraagt duiding over de pss-projecten en ESR2010 en de mate waarin die in de begroting ingekanteld waren.

De heer Bertels herhaalt tot slot de vraag over het compensatiemechanisme over materieel en outillage en of de toewijzing jaar per jaar kan verschillen tussen gemeenten.

Minister Turtelboom repliceert dat investeringen berekend zijn op basis van ESR-codes maar erkent dat de oefening op dit moment onvolmaakt is, maar dicht staat bij de SERV-definitie. Het is een eerste aanzet. Met betrekking tot materieel en outillage heeft ze een overgangsmechanisme vastgeklikt. Inzake de pps’en is een beoordeling van Brabo 2 nog hangende. De activa-oefening werd overgemaakt aan het Rekenhof en er zal waarschijnlijk een advies komen.

De beleidsbrief werd samen met de begroting besproken en binnen deze besprekingen werden er vanuit de commissie door collega’s Maes, Bertels, Rzoska en Diependaele vragen gesteld over de complementariteit van de federale taxshift met Vlaamse initiatieven, over de crowdfundingplannen, over het begrotingssaldo van de lokale besturen, over een betere monitoring van de begroting en over de komende fiscale hervormingen en mogelijke onbedoelde bijwerkingen hiervan.

Specifiek werd er stevig van gedachten gewisseld naar aanleiding van het overlopen van het deel fiscaliteit van de beleidsbrief door de heer Van Malderen. Het betrof de globale visie inzake regionale fiscaliteit, of het gebrek daaraan, de door sommigen geziene koerswijzigingen van de fiscale administratie, de gegevensuitwisseling, de leegstand en krotbelasting. In het bijzonder was er een discussie over het verdeelrecht voor wettelijk samenwonenden. Ik verwijs verder naar het verslag en de discussie over de amendementen die nog volgt.

Op 9 december 2015 nam de commissie vervolgens zonder verdere opmerkingen akte van het verslag van de bespreking van de uitgavenbegroting in de verschillende vakcommissies.

Hierna werden de regeringsamendementen bij de middelenbegroting door de minister toegelicht. Ze stelde dat dit vooral technische correcties waren. Die werden met 8 stemmen voor en 3 stemmen tegen door de commissie aangenomen. De geamendeerde artikelen werden samen met de middelenbegroting eveneens aangenomen met 8 stemmen voor en 3 stemmen tegen.

Bij het decreet houdende de uitgavenbegroting lichtte de minister eveneens de regeringsamendementen toe. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan enkele opmerkingen van het Rekenhof en werden enkele technische en taalkundige correcties doorgevoerd.

De amendementen van de sp.a-fractie over de ziekenhuisfinanciering en het ongedaan maken van de stopzetting op de compensatie voor materiaal en outillage werden eveneens toegelicht. De amendementen 9 tot en met 30, ingediend door de Vlaamse Regering, worden aangenomen met 8 stemmen voor en 3 stemmen tegen. De amendementen ingediend door de sp.a-fractie worden verworpen met 3 stemmen voor en 8 stemmen tegen. Alle artikelen van het ontwerp van decreet en de bijhorende tabel worden, zoals geamendeerd, aangenomen met 8 stemmen voor en 3 stemmen tegen. Het gehele ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2016 wordt, zoals geamendeerd, aangenomen met 8 stemmen voor en 3 stemmen tegen.

Op het decreet houdende bepalingen tot de begeleiding van de begroting werden in de eerste lezing amendementen ingediend door de Vlaamse Regering, de meerderheid en de oppositie. De amendementen van de regering hadden betrekking op de verkeersbelasting, de inverkeersstelling en aanpassingen op de data van inwerkingtreding van sommige artikelen. De amendementen van de heer Schiltz en collega’s hadden betrekking op het verdeelrecht, de tarieven voor motor- of samengestelde voertuigen en een aanpassing van het e-peil. Het amendement van de heer Bertels handelde over de compensatie voor materieel en outillage. De amendementen van de Vlaamse Regering en de amendementen van de meerderheid werden aangenomen met 8 stemmen voor en 3 onthoudingen. De amendementen van de sp.a fractie werden verworpen met 3 stemmen voor en 8 stemmen tegen.

De heer Rzoska vroeg hierna een tweede lezing die een dag later plaatsvond. Hij stelde enkele vragen over de band met de begroting van sommige amendementen en betreurde de werkwijze. De heer Bertels stelde zich eveneens vragen over de band met de begroting en over de datum van inwerkingtreding van artikel 92/1 dat handelt over het verdeelrecht. Hij vroeg zich af waarom er niet is geopteerd voor een inwerkingtreding op 1 januari 2015 en steunde daarvoor op het rechtvaardigheids- en gelijkheidsbeginsel.

Na een gedachtewisseling met leden van de meerderheid en de minister pleitte iedereen voor een oplossing in de vorm van de vraag en het amendement van de heer Bertels. Een juridisch-technische oplossing zal indien mogelijk worden uitgewerkt tegen de plenaire vergadering, zo werd beloofd. De minister en de leden van de meerderheid erkennen de verdienste van de sp.a-fractie met betrekking tot deze vraag en dit amendement.

Onder deze voorwaarden voor een zoektocht naar een juridisch-technische oplossing en in afwachting van die oplossing trok de heer Bertels zijn amendement in. Het ontwerp van decreet, zoals gewijzigd, werd aangenomen met 10 stemmen voor en 2 stemmen tegen. (Applaus)

De voorzitter

Zijn er verslaggevers van het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 die het woord vragen? (Neen)

Ingekomen documenten en mededelingen
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.