U bent hier

Statuut van de Vlaamse volksvertegenwoordiger

Aangenomen door de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement op 4 juli 2018

 

Uitgangspunten

Gelet op artikel 31ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen,

Gelet op de parlementaire vergoeding die aan de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers toegekend wordt,

Gelet op de wedde van Staatsraden, zoals bepaald bij artikel 1, § 1, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de Raad van State,

Gelet op artikel 27, tweede lid, 5°, artikel 53, 17° en artikel 297 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd door de wet van 7 april 1995 betreffende het fiscaal statuut van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Gemeenschaps- en Gewestraden en het Europees Parlement,

Gelet op het protocol met betrekking tot de toepassing van de wet van 7 april 1995 betreffende het fiscaal statuut van de leden van de parlementaire assemblees, ondertekend door de parlementsvoorzitters en de Minister van Financiën op 22 december 1995, en het addendum hierbij ondertekend op 17 maart 2003,

Gelet op het protocol houdende een financiële regeling voor de leden van de Federale regering, van een Gewest- en/of Gemeenschapsregering en gelijkgestelde leden, ondertekend door de parlementsvoorzitters, de Eerste Minister en de ministers-presidenten van de Gewest- en Gemeenschapsregeringen op 3 februari 2003, en het aanvullend protocol bij de overeenkomst tussen de parlementaire assemblees betreffende de uittredingsvergoeding voor de uittredende parlementsleden, met betrekking tot de toepassing van deze overeenkomst op de leden van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap,

besluit het Vlaams Parlement als volgt:

 

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

Waar in dit statuut bij de verwijzing naar personen de mannelijke vorm wordt gebruikt, kan ook de vrouwelijke vorm gelezen worden.

Artikel 2

Waar in dit statuut de termen “wettelijk samenwonende partner” worden gebruikt, wordt de persoon bedoeld die samen met de Vlaamse volksvertegenwoordiger een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van art.1475 en 1476 Burgerlijk Wetboek heeft overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, en in de verhouding tot de Vlaamse volksvertegenwoordiger geen band van bloed- of aanverwantschap tot en met de derde graad heeft, noch een verwantschap ingevolge adoptie.

 

Titel 2. Het parlementair inkomen

Hoofdstuk 1. Samenstelling van het parlementair inkomen

Artikel 3

Elke Vlaamse volksvertegenwoordiger heeft recht op een parlementair inkomen, dat bestaat uit:

  • een parlementaire vergoeding
  • een forfaitaire vergoeding van kosten
  • een eindejaarspremie, en
  • vakantiegeld

Een Vlaams volksvertegenwoordiger kan geen afstand doen van zijn recht op dit parlementair inkomen.

 

Hoofdstuk 2. De parlementaire vergoeding en de forfaitaire vergoeding van kosten

Artikel 4

De parlementaire vergoeding bedraagt 53.511,00 euro (100%) op jaarbasis.

Op de parlementaire vergoeding wordt een pensioenbijdrage van 8,5% ingehouden ten voordele van de vzw Pensioenen van de Vlaamse volksvertegenwoordigers.

Artikel 5

De forfaitaire vergoeding van kosten bedraagt 14.983,08 euro (100%) op jaarbasis. Deze forfaitaire vergoeding dekt alle kosten en lasten verbonden aan de uitoefening van het parlementair mandaat, met uitzondering van de reiskosten bedoeld in artikel 12.

Artikel 6

De parlementaire vergoeding en de forfaitaire vergoeding van kosten volgen de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, zoals toegepast voor de bezoldigingen van rijksambtenaren en is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 (basisjaar 1981).

Artikel 7

De Vlaamse volksvertegenwoordiger heeft voor elke begonnen maand recht op 1/12 van de parlementaire vergoeding en 1/12 van de forfaitaire kostenvergoeding zoals bepaald in de artikelen 4 en 5. De parlementaire vergoeding en de forfaitaire kostenvergoeding worden vooruit betaald op de eerste werkdag van de maand.

Een maand wordt geacht begonnen te zijn indien de volksvertegenwoordiger op de eerste dag van die maand het parlementair mandaat bekleedde.

Na de hernieuwing van het Vlaams Parlement heeft de effectief verkozen Vlaamse volksvertegenwoordiger evenals de opvolger die ingeval van verzaking door of overlijden van de effectief verkozen kandidaat in diens plaats de eed als Vlaamse volksvertegenwoordiger aflegt bij het begin van de zittingsperiode, recht op een parlementaire vergoeding vanaf de eerste kalendermaand na de verkiezingsdatum. De parlementaire vergoeding en de forfaitaire kostenvergoeding voor deze maand worden uitbetaald na de eedaflegging van de volksvertegenwoordiger.

Buiten de situatie bedoeld in het vorige lid heeft elke Vlaamse volksvertegenwoordiger die als opvolger zetelt recht op een parlementaire vergoeding en forfaitaire kostenvergoeding vanaf de eerste kalendermaand volgend op zijn eedaflegging.

Elk lid van de federale of Vlaamse Regering die na de beëindiging van zijn ambt zijn mandaat als Vlaams volksvertegenwoordiger weer opneemt, heeft recht op een parlementaire vergoeding en forfaitaire kostenvergoeding vanaf de eerste kalendermaand die daarop volgt.

 

Hoofdstuk 3. De eindejaarspremie

Artikel 8

Elke Vlaamse volksvertegenwoordiger die in de periode van januari tot en met september minstens een maand een parlementaire vergoeding genoten heeft, heeft voor dat kalenderjaar recht op de eindejaarspremie.

De jaarlijkse eindejaarspremie wordt berekend volgens de regels die gelden voor het rijkspersoneel.

De cumulatieregels inzake de eindejaarspremie, bepaald volgens de sociale programmatie voor het rijkspersoneel, zijn van toepassing.

Artikel 9

De eindejaarspremie wordt uitbetaald in de maand december van het kalenderjaar bedoeld in artikel 8.

Bij de beëindiging van het parlementair mandaat wordt de eindejaarspremie waar de Vlaamse volksvertegenwoordiger krachtens artikel 8 recht op heeft, vervroegd uitbetaald.

 

Hoofdstuk 4. Het vakantiegeld

Artikel 10

De Vlaamse volksvertegenwoordiger heeft recht op vakantiegeld. Op jaarbasis bedraagt het vakantiegeld 92% van de parlementaire vergoeding van de maand maart van het vakantiejaar.

Het vakantiegeld wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden waarvoor de betrokkene in het voorgaande kalenderjaar een parlementaire vergoeding als Vlaams volksvertegenwoordiger heeft ontvangen.

De cumulatieregels inzake vakantiegeld, bepaald volgens de sociale programmatie voor het rijkspersoneel, zijn van toepassing.

Artikel 11

Het vakantiegeld wordt uitbetaald in de maand mei van het vakantiejaar.

Bij de beëindiging van het parlementair mandaat ontvangt de Vlaamse volksvertegenwoordiger vervroegd vakantiegeld. Dit wordt berekend op basis van het totaal aantal maanden waarvoor de betrokkene een parlementaire vergoeding als Vlaams volksvertegenwoordiger maar nog geen vakantiegeld ontvangen heeft. In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt het vervroegd vakantiegeld berekend op basis van de parlementaire vergoeding van de laatste maand van het parlementair mandaat.

 

Titel 3. Geïndividualiseerde tegemoetkomingen

Hoofdstuk 1. Reiskostenvergoeding

Artikel 12

Elke Vlaamse volksvertegenwoordiger heeft recht, op zijn verzoek, op een vergoeding voor zijn verplaatsingskosten van en naar het Vlaams Parlement.

Deze vergoeding wordt berekend:

  • op de wijze zoals vastgesteld in artikel 13 van het Koninklijk Besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en met als maximum de in het fiscaal protocol van 22 december 1995, zoals gewijzigd door het addendum van 17 maart 2003, vastgestelde limiet
  • voor maximaal het aantal kilometers tussen de woonplaats van de Vlaamse volksvertegenwoordiger en het Vlaams Parlement, en
  • op basis van maximaal 10 ritten heen en terug per maand

De Vlaamse volksvertegenwoordiger heeft recht op deze reiskostenvergoeding vanaf de maand volgend op zijn verzoek of, bij het begin van de zittingsperiode, volgens de regel bepaald in artikel 7, derde lid. De vergoeding wordt maandelijks uitbetaald.

Bij de beëindiging van het parlementair mandaat krijgt de Vlaamse volksvertegenwoordiger de vergoeding voor de volledige maand waarin het mandaat beëindigd wordt.

De periodes van afwezigheid, bedoeld in artikel 23, 6°, 7° en 8°, die meer dan vier weken duren, geven geen recht op een reiskostenvergoeding.

 

Hoofdstuk 2. Terugbetaling van de bijdragen voor ziekteverzekering

Artikel 13

De volgende bijdragen die de Vlaamse volksvertegenwoordiger in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering zelf betaalt, worden door het Vlaams Parlement terugbetaald:

  1. Bijdragen, betaald met toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 15° en 121 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
  2. Bijdragen, betaald door de Vlaamse volksvertegenwoordiger die valt onder de verplichte regeling van de voortgezette verzekering;
  3. Bijdragen, betaald in het kader van de voortgezette verzekering voor zelfstandigen door de Vlaamse volksvertegenwoordiger die zijn zelfstandige activiteit stopgezet heeft;
  4. Een aanvullende bijdrage, betaald door de Vlaamse volksvertegenwoordiger die, op grond van een beperkte opdracht, voordien slechts een gedeeltelijke bijdrage betaalde.

Het bedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan de werkelijk betaalde bijdrage, met als maximum de bijdrage die de Vlaamse volksvertegenwoordiger die verzekerd is met toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 15° en 121 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, heeft gestort.

 

Hoofdstuk 3. Kinderbijslag, geboorte- en adoptiepremie

Artikel 14

Indien geen van de ouders een recht op kinderbijslag kan doen gelden via een wettelijk stelsel, verleent het Vlaams Parlement aan de Vlaamse volksvertegenwoordiger een kinderbijslag, geboortepremie en adoptiepremie in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als bepaald door het wettelijk stelsel dat van toepassing is in de Vlaamse Gemeenschap.

 

Hoofdstuk 4. Begrafenisvergoeding

Artikel 15

Aan de Vlaamse volksvertegenwoordiger wordt een begrafenisvergoeding toegekend gelijk aan het bedrag van één twaalfde van de parlementaire vergoeding bij het overlijden van:

  • de echtgenoot
  • de wettelijk samenwonende partner
  • een kind ten laste

 

Titel 4. Financiële decumulatie

Artikel 16

Indien de toepassing van de regeling inzake financiële decumulatie, zoals bedoeld in artikel 31ter, § 1bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, tot interpretatieproblemen aanleiding geeft, beslist het Uitgebreid Bureau.

Artikel 17

Bij het opnemen van zijn parlementair mandaat brengt de Vlaamse volksvertegenwoordiger de voorzitter op de hoogte van alle openbare mandaten, openbare functies of openbare ambten van politieke aard die hij uitoefent, met inbegrip van de brutobezoldiging die hij hiervoor ontvangt. Tijdens de duur van het parlementair mandaat brengt hij de voorzitter onmiddellijk op de hoogte van elke wijziging ter zake.

Hij bezorgt tevens de gegevens van de instellingen waar hij deze mandaten uitoefent, en legt inkomensattesten die door deze instellingen afgegeven worden voor.

Artikel 18

Het maximumbedrag wordt toegepast op basis van een referentieperiode van 12 maanden.

Wanneer het parlementair mandaat begint of eindigt in de loop van het kalenderjaar, wordt het maximumbedrag bepaald in verhouding tot het aantal maanden dat de betrokkene gedurende dat kalenderjaar een parlementaire vergoeding genoot.

Artikel 19

Indien het maximumbedrag wordt overschreden en het parlementair mandaat niet gecumuleerd wordt met een mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van een raad van maatschappelijk welzijn, wordt de parlementaire vergoeding verminderd.

Elke maand wordt van de parlementaire vergoeding een bedrag afgehouden dat overeenstemt met de te verwachten overschrijding van het maximumbedrag. Indien op het einde van het kalenderjaar blijkt dat er te veel of te weinig werd ingehouden, wordt het verschil terugbetaald of ingevorderd.

 

Titel 5. Vermindering van de parlementaire vergoeding en kostenvergoeding ingeval van ongewettigde afwezigheid bij stemmingen in de plenaire vergadering

Artikel 20

De parlementaire vergoeding en de forfaitaire kostenvergoeding van een Vlaams volksvertegenwoordiger die gedurende de voorbije twaalf kalendermaanden meer dan 20% ongewettigd afwezig was bij de stemmingen in de plenaire vergadering, zoals bedoeld in artikel 22, wordt verminderd overeenkomstig volgende tabel:

ongewettigde afwezigheid

vermindering van de parlementaire vergoeding en de forfaitaire kostenvergoeding met

Meer dan 20% tot 30%

10%

meer dan 30% tot 50%

30%

meer dan 50%

60%

Het percentage ongewettigde afwezigheid wordt elke maand berekend op basis van een referteperiode van de twaalf kalendermaanden die aan die maand voorafgaan.

Artikel 21

De vermindering wegens ongewettigde afwezigheid wordt toegepast op de parlementaire vergoeding en de forfaitaire kostenvergoeding voor de tweede maand na afloop van de toegepaste referteperiode.

Deze vermindering wordt toegepast nadat, in voorkomend geval, de regels inzake financiële decumulatie, zoals omschreven in Titel 4, toegepast werden.

De vermindering heeft geen weerslag op het bedrag van het vakantiegeld, de eindejaarspremie of het pensioen. De pensioenbijdrage, bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt dus berekend op het basisbedrag van de parlementaire vergoeding vóór toepassing van de vermindering bedoeld in artikel 20, eerste lid.

Artikel 22

Voor de toepassing van deze titel worden de aanwezigheden vastgesteld op basis van de deelname aan de hoofdelijke stemmingen in de plenaire vergadering, in zoverre voor die plenaire vergadering in de vooraf verspreide agenda hoofdelijke stemmingen als vaststaand aangekondigd werden.

Alleen de stemmingen die betrekking hebben op het geheel van de ontwerpen van decreet, voorstellen van decreet, resolutie, gemotiveerd subsidiariteitsadvies of reglementswijziging, moties, het regeerakkoord of de septemberverklaring, worden in aanmerking genomen.

Alleen de Vlaamse volksvertegenwoordiger die aan de meerderheid van de genoemde stemmingen heeft deelgenomen, wordt voor de toepassing van deze titel geacht aanwezig te zijn op de betrokken plenaire vergadering. Voor de toepassing van deze regel wordt de loutere aanwezigheid tijdens de stemmingen niet beschouwd als een deelname aan de stemming.

Artikel 23

De volgende omstandigheden wettigen de afwezigheid van een Vlaams volksvertegenwoordiger tijdens aangekondigde stemmingen in de plenaire vergadering:

  1. deelname aan door het Vlaams Parlement toegestane parlementaire zendingen;
  2. deelname aan vergaderingen van commissies, adviescomités of werkgroepen van het Vlaams Parlement;
  3. deelname aan vergaderingen en zendingen als lid of afgevaardigde van de Senaat, de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad of de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie;
  4. deelname aan vergaderingen en zendingen van het Comité van de Regio’s en van het Congres van Lokale en Regionale Autoriteiten van Europa, voor zover de betrokkene er lid van is;
  5. het verlaten van de vergadering om politieke procedures;
  6. een ongeval;
  7. ziekte;
  8. bevallings- en adoptieverlof;
  9. het huwelijk van het lid, de bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, het overlijden van de echtgenoot of de samenwonende partner, het overlijden van een bloed- of aanverwant in de eerste graad of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de echtgenoot of samenwonende partner. Het lid is gewettigd afwezig in de week van of in de week volgend op deze gebeurtenissen;
  10. het huwelijk van zijn kind of van een kind van de echtgenoot of samenwonende partner, het overlijden en de begrafenis van een bloed- of aanverwant in de tweede graad of van een bloed- of aanverwant in de tweede graad van de echtgenoot of samenwonende partner, het overlijden en de begrafenis van een bloed- of aanverwant die onder hetzelfde dak woont, indien deze gebeurtenissen plaatsvinden op de dag van de plenaire vergadering.

De Vlaamse volksvertegenwoordiger die afwezig is om redenen als bedoeld in het vorige lid, 3°, 4°, 6°, 7°, 9° en 10°, dient zijn afwezigheid te melden op de wijze door het Uitgebreid Bureau bepaald, en dient uiterlijk op de dertigste dag na de datum van de betrokken plenaire vergadering een bewijsstuk in. Nadien kunnen die afwezigheden niet meer gewettigd worden.

Artikel 24

In geval van betwisting over de toepassing van deze titel beslist het Uitgebreid Bureau.

 

Titel 6. Bevallingsverlof

Artikel 25

Een Vlaams volksvertegenwoordiger heeft recht op bevallingsverlof; de duur ervan bedraagt 15 weken.

Het bevallingsverlof gaat in op verzoek van de Vlaamse volksvertegenwoordiger, ten vroegste 7 weken en uiterlijk één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum.

Artikel 26

Drie maanden voor de vermoedelijke bevallingsdatum bezorgt de betrokken Vlaamse volksvertegenwoordiger aan de bevoegde dienst een medisch attest waarin de vermoedelijke bevallingsdatum wordt meegedeeld.

De door de Vlaamse volksvertegenwoordiger meegedeelde aanvangsdatum van het bevallingsverlof wordt meegedeeld aan het Uitgebreid Bureau. Het Uitgebreid Bureau treft de nodige schikkingen in verband met stemafspraken.

 

Titel 7. Adoptieverlof

Artikel 27

De Vlaamse volksvertegenwoordiger die een kind jonger dan 10 jaar adopteert, heeft recht op adoptieverlof.

Het adoptieverlof bedraagt:

  • een aaneengesloten periode van maximum zes weken, indien het kind bij het begin van dit verlof de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt;
  • een aaneengesloten periode van maximum vier weken in de ander gevallen.

De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid die volgens het toepasselijk wettelijk kinderbijslagstelsel aanleiding geeft tot de toekenning van een verhoogde kinderbijslag.

De uitoefening van het recht op adoptieverlof neemt een einde op het moment waarop het kind de leeftijd van 10 jaar bereikt tijdens de opname van het verlof.

Artikel 28

Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen twee maanden volgend op de dag waarop het geadopteerde kind daadwerkelijk in het gezin wordt opgenomen. Het bewijs van dit tijdstip moet blijken uit een getuigschrift van domiciliëring, uitgereikt door het gemeentebestuur. Dit getuigschrift moet uiterlijk op het ogenblik waarop het adoptieverlof ingaat aan de diensten van het Vlaams Parlement bezorgd worden.

De door de Vlaamse volksvertegenwoordiger meegedeelde aanvangsdatum van het adoptieverlof wordt meegedeeld aan het Uitgebreid Bureau. Het Uitgebreid Bureau treft de nodige schikkingen in verband met stemafspraken.

 

Titel 8. Vergoeding voor de uitoefening van bijzondere functies in het Vlaams Parlement

Artikel 29

Onverminderd de rechten die zij putten uit titel 1 tot en met titel 4 van dit Statuut wordt aan de parlementsvoorzitter, de leden van het Vast Bureau, de fractievoorzitters en de voorzitters van de vaste beleidscommissies een vergoeding toegekend voor de uitoefening van hun functie. Deze vergoeding is samengesteld uit een belastbaar basisbedrag en een forfaitaire kostenvergoeding.

Artikel 30

De uitoefening van de bijzonder functies wordt vergoed voor de werkelijke duur van de uitoefening van de aanvullende verantwoordelijkheden. Een volledige kalendermaand geeft recht op 1/12e van de vergoeding op jaarbasis. Voor een onvolledige kalendermaand geeft elke gepresteerde dag recht op 1/30e van een maandvergoeding.

De betaling gebeurt vooruit op de eerste werkdag van de maand.

Artikel 31

De vergoedingen voor de uitoefening van de bijzondere functies zijn niet cumuleerbaar. De Vlaamse volksvertegenwoordiger die meerdere bijzondere functies uitoefent, ontvangt alleen de hoogste vergoeding.

Artikel 32

De vergoeding voor de uitoefening van de functie van parlementsvoorzitter bedraagt op jaarbasis 53.511 euro bruto (100%), aangevuld met een forfaitaire kostenvergoeding van 32.107 euro bruto (100%).

Artikel 33

De vergoeding voor de uitoefening van de functie van ondervoorzitter of secretaris van het Vlaams Parlement bedraagt op jaarbasis 13.485 euro bruto (100%), aangevuld met een forfaitaire kostenvergoeding van 8.091 euro bruto (100%).

Artikel 34

De vergoeding voor de uitoefening van de functie van fractievoorzitter bestaat op jaarbasis uit een vast gedeelte van 13.485 euro bruto (100%), aangevuld met een forfaitaire kostenvergoeding van 8.091 euro bruto (100%) en een variabel gedeelte van 83 euro bruto (100%) per fractielid, aangevuld met een forfaitaire kostenvergoeding van 50 euro bruto (100%) per fractielid.

Artikel 35

De vergoeding voor de uitoefening van de functie van voorzitter van een vaste beleidscommissie bedraagt op jaarbasis 4.200 euro bruto (100%) aangevuld met een forfaitaire kostenvergoeding van 2.520 euro bruto (100%).

Artikel 36

De vergoedingen voor de uitoefening van de bijzondere functies volgen de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, zoals toegepast voor de bezoldigingen van rijksambtenaren. De vergoeding is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 (basisjaar: 1981).

 

Titel 9. Uittredingsvergoeding

Artikel 37

De Vlaamse volksvertegenwoordiger van wie de politieke loopbaan eindigt in het Vlaams Parlement heeft recht op een uittredingsvergoeding in de volgende gevallen:

  1. zijn parlementair mandaat eindigt ten gevolge van de vernieuwing van het Vlaams Parlement, met inbegrip van het geval waarin de Vlaamse volksvertegenwoordiger kandidaat is voor parlementsverkiezingen die aansluiten op zijn afgelopen mandaat en na de verkiezingen geen nieuw mandaat opneemt;
  2. zijn parlementair mandaat eindigt doordat een lid van de Vlaamse of federale regering, dat oorspronkelijk verkozen was als Vlaams volksvertegenwoordiger, na ontslag als regeringslid opnieuw zitting neemt in het Vlaams Parlement;
  3. zijn parlementair mandaat eindigt wegens ontslag om medische redenen. Ontslag om medische redenen wordt bewezen aan de hand van een door een arts afgeleverd getuigschrift van langdurige arbeidsongeschiktheid.

Artikel 38

Onder politieke loopbaan, zoals bedoeld in artikel 37, wordt verstaan: de ononderbroken reeks van parlementaire en uitvoerende mandaten uitgeoefend als lid van het Vlaams Parlement of een andere wetgevende vergadering, als lid van de Vlaamse Regering of een andere regering of als gewestelijk staatssecretaris.

Artikel 39

De duur van de uittredingsvergoeding bedraagt 5 maanden, vermeerderd met een maand uittredingsvergoeding voor elk begonnen politieke loopbaanjaar. De politieke loopbaan wordt geacht begonnen te zijn vanaf de eerste maand die recht geeft op een vergoeding als volksvertegenwoordiger, regeringslid of staatssecretaris.

Voor de berekening van het aantal loopbaanjaren zoals bedoeld in het eerste lid wordt het mandaat als lid van het Europees Parlement dat uitgeoefend werd na 14 juli 2009 niet meegeteld en wordt de duur van het mandaat van gecoöpteerd senator dat uitgeoefend werd na 25 mei 2014 voor de helft meegerekend.

De maximumduur van de uittredingsvergoeding bedraagt 24 maanden.

Het recht op de uittredingsvergoeding gaat in op de eerste dag van de maand volgend op het einde van de politieke loopbaan.

Artikel 40

De uittredende Vlaamse volksvertegenwoordiger verliest zijn recht op een uittredingsvergoeding zodra hij een van de volgende mandaten of functies uitoefent: lid van de deputatie, provinciegouverneur, ambassadeur, lid van het Grondwettelijk Hof.

De uittredingsvergoeding wordt opgeschort zodra de uittredende Vlaamse volksvertegenwoordiger opnieuw lid wordt van een wetgevende vergadering of tot lid van een regering of staatssecretaris benoemd wordt.

De uittredingsvergoeding wordt stopgezet op het einde van de maand van het overlijden van de uittredende Vlaamse volksvertegenwoordiger.

Artikel 41

De duur van de uittredingsvergoeding na een tweede of volgende politieke loopbaan bedraagt één maand voor elk begonnen jaar van de nieuwe politieke loopbaan.

Wanneer de uitkering van een eerdere uittredingsvergoeding opgeschort is omwille van een nieuw mandaat in een wetgevende vergadering of na een nieuwe benoeming als regeringslid of als gewestelijk staatssecretaris, wordt de duur van de nieuwe uittredingsvergoeding desgevallend vermeerderd met de niet uitbetaalde maanden van de eerdere uittredingsvergoeding.

De totale duur van de eerste en de volgende uittredingsvergoedingen mag nooit meer bedragen dan 24 maanden.

Artikel 42

De uittredingsvergoeding is gelijk aan de som van de parlementaire vergoeding zoals bepaald in artikel 4, eerste lid en de forfaitaire vergoeding van kosten zoals bepaald in artikel 5.

Op de uittredingsvergoeding wordt een pensioenbijdrage gelijk aan 8,5% van de parlementaire vergoeding ingehouden ten voordele van de vzw Pensioenen van de Vlaamse volksvertegenwoordigers.

Artikel 43

Voor de duur van de uittredingsvergoeding behouden de gewezen Vlaamse volksvertegenwoordigers:

  • recht op de terugbetaling van de bijdragen voor ziekteverzekering zoals bepaald in artikel 13;
  • recht op kinderbijslag ten laste van de begroting van het Vlaams Parlement zoals bepaald in artikel 14.

Artikel 44

De uittredingsvergoeding wordt schriftelijk aangevraagd bij de voorzitter van het Vlaams Parlement binnen een termijn van drie maanden na de maand waarin het mandaat werd beëindigd. Aanvragen die later worden ingediend zijn onontvankelijk.

In geval van betwisting beslist het Uitgebreid Bureau.

Artikel 45

De uittredingsvergoeding wordt maandelijks uitgekeerd en wordt betaald op de eerste werkdag van de maand waarop de vergoeding betrekking heeft.

Artikel 46 - overgangsbepaling

In afwijking van artikel 39 wordt voor het gedeelte van de politieke loopbaan tot en met 31 mei 2014 het aantal maanden uittredingsvergoeding dat de Vlaamse volksvertegenwoordiger heeft opgebouwd berekend volgens de regeling die gold tot 31 mei 2014, en die luidt als volgt:

  • elk begonnen politieke loopbaanjaar geeft recht op twee maanden uittredingsvergoeding;
  • in afwijking hiervan geven de eerste 12 maanden van de politieke loopbaan recht op een maand uittredingsvergoeding per loopbaanmaand;
  • een politieke loopbaan van 1 jaar tot 6 jaar geeft recht op 12 maanden uittredingsvergoeding;
  • de maximumduur van de uittredingsvergoeding bedraagt 48 maanden.

Voor zover op grond van deze berekening de duur van de uittredingsvergoeding nog geen 24 maanden bedraagt, wordt voor het gedeelte van zijn politieke loopbaan vanaf 1 juni 2014 voor elk begonnen politieke loopbaanjaar de duur van de uittredingsvergoeding vermeerderd met een maand, zonder dat de totale duur meer mag bedragen dan 24 maanden.

 

Titel 10. Rechten van gewezen leden na afloop van de ontvangst van een uittredingsvergoeding

Hoofdstuk 1. Gewezen leden zonder voldoende bestaansmiddelen

Artikel 47

Een gewezen Vlaams volksvertegenwoordiger die onmiddellijk na het verstrijken van de periode waarin hij een uittredingsvergoeding van het Vlaams Parlement ontving over onvoldoende bestaansmiddelen beschikt kan bij de voorzitter van het Vlaams Parlement een gemotiveerde aanvraag voor ondersteuning indienen.

Het Bureau beslist over het gevolg dat aan de aanvraag wordt gegeven, na onderzoek van de bestaansmiddelen van het gewezen lid.

Artikel 48

Het Bureau kan aan het gewezen lid een vergoeding toekennen. Deze vergoeding wordt gedurende ten hoogste 36 maanden uitgekeerd. Het totale bedrag van de vergoeding mag niet hoger zijn dan het bruto jaarbedrag van de uittredingsvergoeding.

De periode waarin de vergoeding uitgekeerd wordt, komt niet in aanmerking voor de berekening van het parlementair pensioen. De vergoeding kan niet gecumuleerd worden met het pensioen.

Het Bureau kan als alternatief voor de toekenning van een vergoeding ook enige andere, meer aangepaste maatregel treffen. De totale kostprijs hiervan mag evenwel niet hoger liggen dan die van de vergoeding.

 

Hoofdstuk 2. Terugbetaling van de bijdragen voor ziekteverzekering

Artikel 49

Artikel 13, eerste lid, 1°, is van overeenkomstige toepassing op een gewezen Vlaams volksvertegenwoordiger die na het verstrijken van de periode waarin hij een uittredingsvergoeding ontving in de verplichte ziekteverzekering onder het stelsel van niet-beschermd persoon valt.

 

Titel 11. Rechten van derden

Hoofdstuk 1. Begrafenisvergoeding bij overlijden van een Vlaams volksvertegenwoordiger

Artikel 50

Indien een Vlaams volksvertegenwoordiger overlijdt in de loop van de periode waarin hij zijn parlementair mandaat uitoefent, een uittredingsvergoeding kan aanvragen, of een uittredingsvergoeding ontvangt, hebben de erfgenamen recht op een begrafenisvergoeding. Het totale bedrag van de begrafenisvergoeding stemt overeen met twee twaalfden van de som van de parlementaire vergoeding.

 

Hoofdstuk 2. Toekenning van een recht op een vergoeding aan nabestaanden bij overlijden van een (gewezen) Vlaams volksvertegenwoordiger

Artikel 51

Indien een gewezen Vlaams volksvertegenwoordiger overlijdt in de periode waarin hij een uittredingsvergoeding ontvangt, hebben de volgende personen recht op een vergoeding:

  1. de echtgenoot of de wettelijk samenwonende partner; of, als de betrokkene op het ogenblik van overlijden geen echtgenoot of wettelijk samenwonende partner had,
  2. de kinderen die op het ogenblik van overlijden ten laste waren van de gewezen Vlaamse volksvertegenwoordiger. Elk kind dat aan de voorwaarden voldoet heeft recht op een gelijk deel van die vergoeding.

Artikel 52

Het bedrag van de in artikel 51 bedoelde vergoeding is gelijk aan 60 % van de op het ogenblik van het overlijden toegekende, maar nog niet uitgekeerde uittredingsvergoeding.

De vergoeding wordt gedurende de resterende looptijd van de uittredingsvergoeding op maandelijkse basis uitbetaald.

Artikel 53

Indien de rechthebbende, bedoeld in artikel 51, 1°, zelf overlijdt in de periode waarin de betrokkene recht heeft op de vergoeding, wordt het resterende deel uitbetaald aan de kinderen bedoeld in artikel 51, 2°.

Artikel 54

De vergoeding wordt schriftelijk aangevraagd bij de voorzitter van het Vlaams Parlement binnen een termijn van drie maanden na het overlijden van de gewezen Vlaamse volksvertegenwoordiger of , in het geval bepaald in artikel 53, na het overlijden van de rechthebbende, bedoeld in artikel 51, 1°. Aanvragen die later worden ingediend zijn onontvankelijk.

Artikel 55

Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing, wanneer een Vlaams volksvertegenwoordiger overlijdt op het ogenblik dat hij zitting heeft in het Vlaams Parlement. In dat geval bedraagt de vergoeding 60% van de uittredingsvergoeding die de Vlaamse volksvertegenwoordiger zou ontvangen hebben indien hij zijn mandaat om een in artikel 37 vermelde reden had beëindigd.

 

Titel 12. Verzekeringen

Artikel 56

Het Vlaams Parlement sluit voor de Vlaamse volksvertegenwoordigers verzekeringen voor risico’s die verband houden met de uitoefening van het parlementair mandaat en verzekeringen die als een sociaal voordeel voor de Vlaamse volksvertegenwoordigers en eventueel hun familieleden gelden.

Artikel 57

Het Vlaams Parlement sluit de volgende verzekeringen af voor de Vlaamse volksvertegenwoordigers:

  • Verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid;
  • Verzekering voor bagage en annuleringsverzekering voor dienstreizen;
  • Verzekering voor rechtsbijstand naar aanleiding van handelingen of uitspraken gesteld in de uitoefening van het mandaat.

Artikel 58

De Vlaamse volksvertegenwoordiger en in voorkomend geval zijn gezin geniet volgende verzekeringen:

  • Aanvullende verzekering gezondheidszorg;
  • Invaliditeitsrenteverzekering (gewaarborgd inkomen bij invaliditeit);
  • Lichamelijke ongevallen verzekering (overlijden en invaliditeit);
  • Reisbijstandsverzekering;
  • Verzekering tegen gevolgen van terrorisme, vandalisme en gewelddaden.

Artikel 59

Volgende verzekeringen blijven van toepassing voor de gewezen Vlaamse volksvertegenwoordiger en in voorkomend geval zijn gezin in de periode dat hij een uittredingsvergoeding ontvangt:

  • Aanvullende verzekering gezondheidszorg;
  • Lichamelijke ongevallen verzekering (overlijden en invaliditeit);
  • Reisbijstandsverzekering;
  • Verzekering tegen gevolgen van terrorisme, vandalisme en gewelddaden.

Artikel 60

De aanvullende verzekering gezondheidszorg blijft van toepassing voor de gepensioneerde Vlaamse volksvertegenwoordiger en in voorkomend geval zijn gezin.

 

Titel 13. Slotbepaling

Artikel 61

Het Statuut van het Lid van het Vlaams Parlement van 6 april 1995, zoals laatst gewijzigd op 17 december 2014, wordt opgeheven.