U bent hier

Vrijdag 10 april zijn de website en de webservices niet beschikbaar

Op vrijdag 10 april zijn de website www.vlaamsparlement.be en de webservices niet beschikbaar.
Er is een technisch onderhoud van alle informaticasystemen.
De werken starten om 07:00u en duren tot 09:00u.
Om de impact van de onderhoudswerken te beperken, vindt het onderhoud ’s ochtends vroeg plaats.
Onze excuses.

Onderwijs

In het beleidsdomein Onderwijs werden in de zittingsperiode 2014-2019 heel wat decretale aanpassingen en vernieuwingen ingevoerd. Tijdens de laatste twee zittingsjaren werden telkens meer dan tien ontwerpen en voorstellen van decreet goedgekeurd.

Enkele grote onderwijsdossiers passeerden de revue. Het kader voor de eindtermen werd aangepast en voor de eerste graad van het secundair onderwijs werden de concrete eindtermen vernieuwd. Het deeltijds kunstonderwijs kreeg een eigen niveaudecreet en de regeling voor het inschrijvingsrecht werd aangepast. Maar ook zonder decretale aanpassingen kon een dossier de agenda bepalen. De capaciteit van de onderwijsinfrastructuur is daar een voorbeeld van.

Nieuwe eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs

Aan het dossier van de eindtermen is voor en achter de schermen nagenoeg een hele legislatuur gewerkt. Eindtermen zijn de minimumdoelen inzake kennis, inzicht en vaardigheden waarover jongeren moeten beschikken bij het afronden van de verschillende delen van hun opleiding om later ten volle te kunnen functioneren in de samenleving. Het concept werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw ontwikkeld in Nederland en kreeg in Vlaanderen voor het eerst concreet gestalte in 1997. Doordat die eindtermen onderhand bijna twintig jaar oud waren, sloten ze niet meer zo goed aan bij de sterk veranderde samenleving, noch bij de leefwereld van de jongeren, en was  een opfrisbeurt nodig. De consensus daarover was vrij algemeen. In haar Regeerakkoord voor de periode 2014-2019 kondigde de Vlaamse Regering dan ook een herziening van de eindtermen aan. In combinatie met de modernisering van het secundair onderwijs (de herschikking van de studierichtingen in de tweede en de derde graad naargelang ze gericht zijn op doorstroming naar het hoger onderwijs, op de arbeidsmarkt, of op beide), was het de bedoeling om het Vlaamse onderwijs zo toekomstbestendig mogelijk te maken. Zowel de inhoudelijke vernieuwing als de vernieuwing van de structuren van ons onderwijs ging in op 1 september 2019.

Na de nodige aftastende besprekingen gaf minister Hilde Crevits op 29 oktober 2015 in de Commissie voor Onderwijs het startschot voor een breed maatschappelijk debat over de eindtermen. Jongeren, onderwijsprofessionals, geïnteresseerde burgers en organisaties werden in verschillende fases geraadpleegd en bevraagd. Daartoe vond in de eerste helft van 2016 onder de naam ‘Van LeRensbelang’ een breed participatief debat  plaats, dat de bedoeling had om zoveel mogelijk mensen en organisaties de kans te geven bij te dragen tot de discussie over de eindtermen. Dit kon online via de website van Van LeRensbelang en via debatten tijdens de ’50 dagen van het onderwijs’. In de debatten konden de geïnteresseerde burgers de veelheid van ideeën die voortvloeiden uit het onlinegebeuren nog wat verder te verdiepen en verbreden.  In elke Vlaamse provincie werd daartoe een ‘nacht van het onderwijs’ georganiseerd. Afsluitend vond er op 13 mei 2016 in het Vlaams Parlement een ‘onderwijsfestival’ plaats, waar de diverse stakeholders nog een laatste keer publiekelijk met elkaar in debat gingen.

Tegelijk startte ook de Vlaamse Scholierenkoepel met een groots scholierendebat. Op de vraag “Wat wil jij leren op school?” kregen ze van niet minder dan 17.000 leerlingen uit het secundair onderwijs een antwoord. De VSK-campagne ging van start in het Vlaams Parlement op 26 februari 2016 op  de ‘Dag van de 100’. Op dit kick-off event over de eindtermen werden 100 scholierenvertegenwoordigers grondig gebrieft over het thema en kregen ze van deskundigen tips en tricks mee om in hun scholen een inspraaktraject uit te tekenen voor hun medeleerlingen. Dat dit geen loze oefening was, blijkt uit het feit dat met een heel aantal ideeën van de scholieren rekening werd gehouden door de Vlaamse Regering bij het opstellen van het voorontwerp van kaderdecreet over de eindtermen. Het gaat dan met name over aandacht voor burgerschap, een sterkere focus op mentale gezondheid, op financiële competenties en op zelfbewustzijn en zelfexpressie.

Los daarvan was ook een representatief ouderstaal – het zogenaamde ‘Ouderforum’ – betrokken geweest bij de totstandkoming van een onder de auspiciën van de Koning Boudewijnstichting geformuleerd advies over de toekomst van het secundair onderwijs.

Parallel aan en gelijktijdig met het brede maatschappelijke debat over de eindtermen, zette ook de Commissie voor Onderwijs haar parlementaire werkzaamheden rond dit dossier volop voort. Na de inleidende themastelling door minister Hilde Crevits, werden diverse hoorzittingen georganiseerd,  onder andere: met de Vlaamse Onderwijsraad, met emeritus professor Roger Standaert die  aan het hoofd stond van de entiteit Curriculum van het Departement Onderwijs toen daar de eerste eindtermen ontwikkeld werden, met Paulo Santiago van de OESO over het rapport ‘OECD Reviews of School Resources: Flemish Community of Belgium 2015’ en met professor Maarten Simons van de KU Leuven over de bevindingen van een wetenschappelijk onderzoek naar de (actuele) werking en de doeltreffendheid van de eindtermen. In dat onderzoek werden de eindtermen bekeken vanuit de invalshoek van de onderwijsinspectie, de leerplanmakers, de scholen, de leraren en andere betrokken actoren. En ten slotte gaf het Departement Onderwijs ook toelichting over de technische en procedurele aspecten van de totstandkomingsprocedure van de eindtermen.

Daarnaast werd ook in het buitenland inspiratie gezocht. Onder andere via een hoorzitting met Ingrid Brummelman over het Nederlandse Platform 2032. In de loop van 2015 was in Nederland namelijk al een maatschappelijke dialoog gehouden over de inhoud van het basis- en het secundair onderwijs. Het platform voerde gesprekken met een brede groep van mensen die bij het onderwijs betrokken zijn, bekeek de  beschikbare wetenschappelijke literatuur, en ging andere buitenlandse voorbeelden na. In januari 2016 formuleerde het Platform 2032 zijn eindadvies. De gelijkenis met het in Vlaanderen gevolgde traject is manifest. Daarnaast bracht de commissie van 26 tot 28 oktober 2016 ook een werkbezoek aan Schotland, waar men – vooral met het oog op kwaliteitshandhaving en kwaliteitsverbetering – de afgelopen jaren een curriculumherziening had uitgevoerd.

Het eindrapport van de maatschappelijke consultatie werd op 4 oktober 2016 voorgesteld in het Vlaams Parlement, waarna de diverse betrokken strategische adviesraden zich erover bogen. Het rapport van het participatief publiek debat en het Scholierenrapport van de Vlaamse Scholierenkoepel maakten daaropvolgend ook nog het voorwerp uit van een hoorzitting in de Commissie voor Onderwijs.

Daarna werd er gedurende een goed jaar in de luwte verder gewerkt aan het dossier. Gedurende die periode vonden er nog veelvuldig gesprekken plaats met het onderwijsveld en met heel wat betrokken organisaties. Binnen het parlement kwam in  de Commissie voor Onderwijs een ‘Kerngroep Eindtermen’ tot stand. Alle  in commissie vertegenwoordigde fracties maakten er deel van uit. Deze werkgroep had geen officiële status en vergaderde in alle beslotenheid, om de kansen op een zo ruim mogelijk consensus gaaf te houden.

Doordat een consensus over alle partijen heen finaal toch niet haalbaar bleek, dienden de meerderheidsfracties op 9 november 2017, een voorstel van kaderdecreet over de eindtermen in.

Het toeval wilde dat de parlementaire behandeling van dit kaderdecreet zich afspeelde tegen de achtergrond van een net gepubliceerde studie, waaruit moest blijken dat Vlaamse tienjarigen – in vergelijking tot enkele jaren daarvoor – behoorlijk teleurstellende resultaten neerzetten qua leesvaardigheid. Over deze PIRLS (Progress in International Reading Literacy Study)-studie hoorde de commissie dan ook bij hoogdringendheid de betrokken lead-onderzoeker voor Vlaanderen, professor Bieke De Fraine (KU Leuven).

Het voorstel van decreet zelf, introduceert in wezen drie soorten eindtermen:

  •  de gewone eindtermen zoals we die altijd al gekend hebben en die bereikt moeten worden op ‘populatieniveau’. Het gaat om minimumdoelen die door het grootste deel van de leerlingen gehaald moeten worden;
  • ‘eindtermen basisgeletterdheid’: financiële geletterdheid, digitale geletterdheid, wiskundige competentie en communicatie in het Nederlands. Ze moeten door iedere individuele leerling gehaald worden. Anders beschikt men niet over de nodige bagage om adequaat te functioneren in de maatschappij;
  • ten slotte voor de A-stroom van de eerste graad: extra ‘uitbreidingsdoelen’ voor welbepaalde populaties van leerlingen en ‘specifieke eindtermen’. Bij de specifieke eindtermen gaat het over kennis en kunde met het oog op een vlotte doorstroom op een bepaald wetenschapsdomein.

Het onderscheid tussen vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen wordt verlaten. Wel zijn er nu zogenaamde transversale en domeingebonden eindtermen. Die eerste zijn niet aan een domein gekoppeld, waardoor de schoolbesturen op grond van hun pedagogische visie zelf kunnen bepalen waar ze die realiseren. Computationeel denken en mediawijsheid zijn voorbeelden hiervan. De domeingebonden eindtermen van hun kant, sluiten inhoudelijk doorgaans vrij goed aan op de vroegere vakgebonden eindtermen,  die doorgaans flink aangevuld en concreter gemaakt zijn. Vermeldenswaard is dat er naast de eindtermen voor de A-stroom nu ook voor de B-stroom (waar men voorheen met ontwikkelingsdoelen werkte) te behalen eindtermen zijn.

In het kaderdecreet eindtermen worden 16 sleutelcompetenties onderscheiden. Het zijn deze sleutelcompetenties die de grondslag en het ordeningskader vormen voor de nieuwe eindtermen.

De 16 sleutelcompetenties in kwestie zijn: (1) Nederlands; (2) andere talen; (3) digitale vaardigheden en mediawijsheid; (4) wiskunde, exacte wetenschappen; (5) economische en financiële competenties; (6) burgerschap; (7) historisch bewustzijn; (8) ruimtelijk bewustzijn; (9) lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid; (10) sociaal-relationele competenties; (11) duurzaamheid; (12) juridische competenties; (13) leercompetenties, met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken; systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken; (14) zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en zelfwendbaarheid; (15) ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties; (16) cultureel bewustzijn en culturele expressie. Met name via de sleutelcompetenties burgerschap, digitale vaardigheden, mediawijsheid en financiële geletterdheid ambieert men antwoorden te bieden op een aantal grote maatschappelijke uitdagingen die zich sinds 1997 steeds scherper hebben laten voelen. 

Na heftige discussies en een korte maar intense procedureslag in commissie, keurde de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement op 17 januari 2018 het kaderdecreet goed dat de contouren van de nieuwe eindtermen uittekent. 

Na de parlementaire goedkeuring van het kaderdecreet eindtermen gingen vanaf eind januari 2018 zeven ontwikkelcommissies aan de slag. Hun opdracht bestond erin om op basis van de 16 sleutelcompetenties concrete eindtermen te formuleren.. De Commissie voor Onderwijs probeerde dit administratief gedeelte van het totstandkomingsproces van de eindtermen zo goed en zo kwaad mogelijk op te volgen via een reeks van vragen om uitleg aan de bevoegde minister.

Nadat de ontwikkelcommissies hun werkzaamheden afgerond hadden, werden hun resultaten onder de loep genomen door een valideringscommissie die uiteindelijk alle voorgestelde eindtermen valideerde

De regering diende het finale ontwerp van decreet met gevalideerde eindtermen in  bij het Vlaams Parlement. Daar informeerde de Commissie voor Onderwijs zich eerst nog via een korte hoorzitting over het technische totstandkomingsproces dat de nieuwe eindtermen hadden doorlopen.

Het  ontwerp van decreet (gebaseerd op het eerder goedgekeurde kaderdecreet eindtermen) slaat enkel op de eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Die gaan in op 1 september 2019. De nog te ontwikkelen eindtermen voor de tweede graad moeten ingaan op 1 september 2021 en de eindtermen voor de derde graad op 1 september 2023. De eindtermen worden dus progressief doorheen de tijd ingevoerd. Voor leerlingen die hun secundaire schoolcarrière starten op 1 september 2019 zullen er dus in elke graad splinternieuwe eindtermen beschikbaar zijn.

Het aantal eindtermen werd gevoelig verminderd. Voor de eerste graad ging men van 688 eindtermen in het oude systeem naar 382 eindtermen in het nieuwe. De nieuwe eindtermen zijn daarenboven ook een heel stuk soberder geformuleerd. Tegelijk zijn ze echter ook behoorlijk ambitieus. Op veel terreinen liggen de eisen hoger dan vroegers. Zo impliceren de eindtermen basisgeletterdheid nu een resultaatverbintenis (tegenover een inspanningsverbintenis vroeger) en zijn er nu ook eindtermen voor de B-stroom. Het  ontwerp van decreet (gebaseerd op het eerder goedgekeurde kaderdecreet eindtermen) slaat enkel op de eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Die gaan in op 1 september 2019. De nog te ontwikkelen eindtermen voor de tweede graad moeten ingaan op 1 september 2021 en de eindtermen voor de derde graad op 1 september 2023. De eindtermen worden dus progressief doorheen de tijd ingevoerd. Voor leerlingen die hun secundaire schoolcarrière starten op 1 september 2019 zullen er dus in elke graad splinternieuwe eindtermen beschikbaar zijn.

De plenaire vergadering van het Vlaams Parlement keurde de nieuwe eindtermen voor de eerste graad goed op 5 december 2018. De drie partijen van de meerderheid stemden voor, de oppositie onthield zich.

Met de decretale afronding van het eindtermendossier was het werk overigens nog niet voltooid. De onderwijsverstrekkers moesten nu immers nog gezamenlijk – dat wil zeggen netoverstijgend – curriculumdossiers opstellen voor respectievelijk de A- en de B-stroom van de eerste Bedoeling hiervan is dat ze onderwijsaanbod van de verschillende onderwijsaanbieders maximaal op elkaar zou worden afgestemd. Zo worden de zaken makkelijker voor leerlingen die van school veranderen. Ook de externe kwaliteitscontrole moet hierdoor gemakkelijker worden.

Daarna moet een en ander door de onderwijskoepels en door het GO! vertaald worden in leerplannen. En het zijn de leerplanmakers die kiezen welke competenties in welke vakken of vakkenclusters terechtkomen. Hier wordt dus de concrete link gelegd tussen de eindtermen en de vakken. Het is met die leerplannen dat de educatieve uitgevers en de scholen en leerkrachten aan de slag kunnen.

Ondertussen is echter gebleken dat het opstellen van netoverstijgende curriculumdossiers geen sinecure is. Op 28 juni 2019 besliste de Vlaamse Regering immers om de ingediende curriculumdossiers voor de A- en de B-stroom van de eerste graad secundair onderwijs vooralsnog niet goed te keuren.  In afwachting van goedgekeurde curriculumdossiers, zal er in de eerste graad gewerkt worden met voorlopig goedgekeurde leerplannen.

Indicatief voor de problematische aard van de oefening is dat Vlaamse Regering de onderwijsverstrekkers tot maximaal één schooljaar na de goedkeuring van de curriculumdossiers voor de studierichtingen in de tweede en derde graad heeft gegeven om met nieuwe curriculumdossiers voor de eerste graad voor de dag te komen. Rekening houdend met de gefaseerde invoering van nieuwe eindtermen voor de tweede en derde graad brengt dit potentieel vele jaren uitstel met zich mee.

Zuurstof voor het deeltijds kunstonderwijs

168 academies, verspreid over 268 gemeenten in Vlaanderen en Brussel, zorgen voor een rijk aanbod voor 178.000 leerlingen. Maar de regelgeving voor het deeltijds kunstonderwijs (dko) was nog verspreid over verschillende decreten en besluiten. Het was nodig om de regelgeving voor het dko in een niveaudecreet te bundelen om het dko als volwaardig onderwijs te kunnen beschouwen. Daarnaast was er behoefte aan een inhoudelijke actualisering van het deeltijds kunstonderwijs.

De voorbereiding

Het regeerakkoord 2014-2019 van de Vlaamse Regering omschreef de doelstelling als volgt: “Samen met de Vlaamse gemeenten en andere betrokken actoren werken we een Niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs uit. We stimuleren daarbij een nauwere samenwerking met het leerplichtonderwijs en vrijetijdsactoren.”.

In haar beleidsnota Onderwijs ging minister Hilde Crevits daar verder op in: “Kinderen, jongeren en volwassenen met een interesse en aanleg voor kunst moeten ook terechtkunnen in een deeltijds kunstonderwijs dat aansluit bij de kunstwereld en cultuurbeleving van de 21ste eeuw. In samenspraak met deskundigen uit de sector moderniseer ik de einddoelen. In nauw overleg met alle betrokken actoren maak ik werk van een niveaudecreet. Dit moet een vereenvoudigd en coherent juridisch kader bieden en schoolbesturen voldoende uitdagen om een eigen beleid te ontwikkelen.”.

Op 17 juli 2015 gaf de Vlaamse Regering haar goedkeuring aan een conceptnota over het deeltijds kunstonderwijs. De Vlaamse Regering wilde aan het Vlaams Parlement een niveaudecreet voor het deeltijds kunstonderwijs voorleggen, gebaseerd op drie ambities:  vereenvoudiging van de regelgeving; stevige verankering in onderwijs; en verbinding met de kunsten en het kleuter- en leerplichtonderwijs.

De toetsing

Op 12 december 2017 organiseerde de Commissie voor Onderwijs een hoorzitting over het voorontwerp van decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs met vertegenwoordigers van de vereniging van directeurs van academies podiumkunsten en kunstacademies (VerDi), het comité van directeurs van de Vlaamse academies beeldende kunsten (codibel), De Spreekkamer en de directeurs van de academies van Lier, Geel, Westerlo, Sint-Agatha-Berchem en Mechelen.

Door het organiseren van een hoorzitting wou de commissie in een vroeg stadium het werkveld de kans bieden om aandachtspunten te formuleren. Naast positieve punten (zoals de verankering in onderwijs en de inschaling in de kwalificatiestructuur) zagen de organisaties en academies ook nog pijnpunten. De (te grote) klasbezetting in  de eerste en tweede graad woord en muziek was een heikel punt. Ook de voorgestelde afstandsnormen (de minimumafstand tussen de vestigingsplaatsen die vereist is om een nieuwe vestigingsplaats te starten) kregen kritiek. Voor de ondersteuning van het middenkader, onder andere voor zorg, waren meer structurele middelen nodig. Voor woordkunst-drama is een veilige leeromgeving in leeftijdsgroepen noodzakelijk. De prefinanciering bemoeilijkt de organisatie van programma’s. De programmatie- en rationalisatienorm van de eerste graad remt de gewenste drempelverlaging. De samenwerking met het leerplichtonderwijs moet duurzaam verankerd worden en niet met tijdelijke projecten. De doorgevoerde besparingen (aanwendingspercentages) werden zorgwekkend genoemd. De vrees voor ontslagen en het verlies aan knowhow werd geuit. Haalbaarheid, financiering, planlast en gelijkberechtiging met het leerplichtonderwijs waren  de belangrijke aandachtspunten van de sector.

Door het stellen, in de Commissie voor Onderwijs, van acht vragen om uitleg (zittingsjaar 2014-15, 2015-16, 2016-17, 2017-18) aan minister Hilde Crevits werd zowel de aanloop naar, als de uitvoering van het nieuwe decreet door de Vlaamse volksvertegenwoordigers opgevolgd.

Ontwerp van decreet

Op 10 januari 2018 werd het ontwerp van decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs door minister van Onderwijs Hilde Crevits ingediend bij het Vlaams Parlement en op 1 februari werd het besproken en goedgekeurd in de Commissie voor Onderwijs.

Het decreet zorgt voor nieuwe einddoelen en een geactualiseerde opleidingsstructuur. Maar het niveaudecreet laat ook veel vrijheid voor de artistieke en pedagogische visie van leerkrachten en directeurs. Vanaf nu kunnen kinderen van 6 jaar ook voor muziek en woordkunst-drama kiezen. In de eerste graad kan een academie kiezen om domeinoverschrijdend of domeingericht te werken (ofwel onmiddellijk een opleiding zoals dans of muziek, ofwel eerst een breder aanbod en een keuze na twee jaar). De academies kunnen weer nieuw aanbod programmeren en nieuwe vestigingsplaatsen oprichten. Door lokaal samen te werken met scholen van het basis-, secundair of hoger onderwijs, kunnen academies leerlingen warm maken voor het kunstonderwijs. De inning van het inschrijvingsgeld en de uitbetaling van de werkingsmiddelen voor de academies worden eenvoudiger en transparanter.

Een aantal krachtlijnen van het nieuwe niveaudecreet kregen pas vorm door de aanpassing van de oorspronkelijke tekst van het ontwerp van decreet. Leden van de meerderheidsfracties dienden samen met de Groen-fractie een reeks amendementen in om de tekst aan te passen aan een aantal bezorgheden die tijdens de hoorzitting algemeen gedeeld werden. Als gevolg daarvan kwamen onder meer de volgende aanpassingen in de tekst van het decreet: het schrappen van de afstandsnorm; het onderscheid tussen een muziekopleiding voor jongeren en voor volwassenen; het verhogen van het percentage leerlingen dat na de vierde graad kan doorstromen naar de specialisatie; de aanpassing van een aantal omkaderingscoëfficiënten; en de evaluatie van de doelstellingen van de lokale samenwerkingsinitiatieven.

Tijdens de plenaire bespreking op 28 februari 2018 diende de sp.a-fractie twee amendementen in over punten waarover de sector opmerkingen had gemaakt. Het eerste had als doel de solidariteitsfactor te schrappen, het tweede wilde de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering schrappen om aanwendingspercentages in te stellen.  Beide amendementen werden verworpen.

Het ontwerp van decreet werd door alle fracties goedgekeurd, met uitzondering van de onthouding van de sp.a-fractie. Sinds 1 september 2018 worden de nieuwe regels voor het deeltijds kunstonderwijs in de academies toegepast.

Niet meer kamperen aan de schoolpoort

Aan de poort van populaire scholen waren er jaarlijks kampeerrijen. Ouders waren verontwaardigd omdat niet altijd duidelijk was waarom een kind geen plaats kreeg. Leerlingen konden in meerdere scholen ingeschreven worden, waardoor ze op 1 september niet opdaagden in een school en veel in- en uitschrijvingen gebeurden. En de verschillende inschrijvingsdata zorgden voor onduidelijkheid.

Het was duidelijk dat voor de oplossing van een aantal problemen een aanpassing van de regels nodig was. Heel de zittingsperiode was de regeling voor het inschrijven van leerlingen in het leerplichtonderwijs dan ook een regelmatig weerkerend thema binnen het beleidsdomein Onderwijs.

De grote lijnen

De doelstelling om een nieuwe en eenvoudige decretale basis voor schoolinschrijvingen te creëren, waarbij de keuzevrijheid van de ouders wordt gemaximaliseerd, werd opgenomen in het Regeerakkoord van de Vlaamse Regering 2014-2019.

Minister van Onderwijs Hilde Crevits verduidelijkte deze doelstelling in haar beleidsnota Onderwijs. Vereenvoudiging en versterking van de vrije schoolkeuze, rekening houdend met de capaciteitsdruk in bepaalde regio’s, was de kern. Daarnaast  wars er  aandacht voor de gelijke kansen van elk kind, de gemengde samenstelling van de samenleving en het engagement van de schoolbesturen belangrijke aandachtspunten.

Specifiek voor Brussel wou de minister de onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen versterken. Voor het buitengewoon onderwijs zou een eigen kader voor inschrijvingen tot stand moeten komen. Een duidelijk, maar eenvoudig regulerend kader voor meervoudige inschrijvingen en voor uitschrijvingen moest meer duidelijkheid scheppen en een juister beeld geven van de beschikbare plaatsen in scholen.

De voorbereiding

In maart 2015 organiseerde de Commissie voor Onderwijs zes hoorzittingen met het hele werkveld: ouderverenigingen, academici, deskundigen van de lokale overlegplatforms, departement Onderwijs en Vorming, Agentschap voor Onderwijsdiensten, schepenen voor Onderwijs en schooldirecties. Daaruit bleek een vraag naar meer uniformiteit, de behoefte aan een eigen kader voor het buitengewoon onderwijs en werd duidelijk dat er een breed draagvlak was voor aanmelden.

Maar het was wachten tot 26 oktober 2018 voor het voorstel van decreet over het inschrijvingsrecht werd ingediend.

Ondertussen bleef het inschrijvingsrecht niet onbesproken. Met twintig vragen om uitleg in de commissie (zittingsjaar 2014-15, 2015-16, 2016-17, 2017-18) en zes actuele vragen in de plenaire vergadering (zittingsjaar 2017-18, 2018-19)  zetten de Vlaamse volksvertegenwoordigers het thema constant op de agenda.

De concretisering

Met de goedkeuring door de Vlaamse Regering van de conceptnota ‘Basisprincipes inschrijvingsrecht lager en secundair onderwijs’ op 14 september 2018 werd het kader vastgelegd voor de nieuwe regelgeving. In het voorstel van decreet van Kathleen Helsen, Kris Van Dijck en Jo De Ro werden de basisprincipes voor de inschrijvingsprocedure in Vlaanderen en het Nederlandstalig onderwijs in Brussel uitgewerkt tot concrete regelgeving.

De zes basisprincipes:

  • de vrije schoolkeuze van alle leerlingen en ouders zonder kampeerrijen wordt gewaarborgd
  •  er wordt gestreefd naar maximale uniformiteit, transparantie en een centrale tijdslijn;
  • scholen die leerlingen willen kunnen weigeren, moeten digitaal aanmelden;
  • sterke deregulering voor scholen die geen capaciteitsdruk ervaren (zij bepalen zelf de datum van inschrijving en schrijven leerlingen chronologisch in);
  • elk kind een plaats geven is de gedeelde verantwoordelijkheid in het buitengewoon onderwijs;
  • zowel binnen als buiten het gebied van een lokaal overlegplatform (LOP) geldt dezelfde regeling.

De voorgestelde aanpassingen voor Brussel, zouden een cruciaal element worden in het debat. Zowel voor het basisonderwijs als het secundair onderwijs wordt de voorrang voor Nederlandstaligen opgetrokken van 55 naar 65 procent. Voor het secundair onderwijs is er daarnaast voor 15 procent van de plaatsen voorrang voor leerlingen die al negen jaar Nederlandstalig onderwijs hebben gevolgd.

Op voorstel van de indieners werd advies gevraagd aan de Vlor en de Raad van State. Op 4 en 6 december 2018 werden hoorzittingen georganiseerd met de onderwijsverstrekkers,  een vertegenwoordiging van de LOP’s en de steden Antwerpen en Gent.

Met het advies van de Vlor in de hand en een aantal aandachtspunten van de hoorzittingen in het achterhoofd, werd in de Commissie voor Onderwijs op 6 december 2018  het voorstel van decreet toegelicht. De indieners (waarbij Jan Durnez de rol overnam van Kathleen Helsen, die gedeputeerde van de provincie Antwerpen was geworden)  stelden meteen een aantal aanpassingen voor, om zo tegemoet te komen aan een aantal opmerkingen en aandachtspunten.

Na ontvangst van het advies van de Raad van State volgde op 13 december de bespreking. Minister Hilde Crevits legde uit wat de administratie al had ondernomen en nog zou ondernemen voor de uitvoering van het voorstel van decreet. De indieners antwoordden op de opmerkingen van de Raad van State en dienden als amendement een nieuwe tekst en een aangepaste memorie van toelichting in van het voorstel van decreet. Daarin waren alle voorstellen tot aanpassing verwerkt.

Zo werd voor het basis- en secundair onderwijs de timing van de centrale tijdslijn voor aanmeldende scholen aangepast en werden de samenwerkingsmogelijkheden verbreed. In het buitengewoon onderwijs werden een aanmeldingssysteem en een centrale tijdslijn mogelijk gemaakt.

Tijdens de bespreking uitte de oppositie haar enorme onvrede over de gevolgde timing en werkwijze, hoewel ze het eens was met heel wat aspecten van het voorstel, alsook met de meeste wijzigingen na de hoorzittingen.

Elisabeth Meuleman kantte zich tegen de afschaffing van de dubbele contingentering (twee lijsten van leerlingen, een groep van kwetsbare en een groep van niet-kwetsbare leerlingen) in het secundair onderwijs. Dat de school de voorrangsgroep zelf afbakent, viel volgens haar niet te rijmen met een uniforme aanpak per LOP. Voorts betreurde ze dat er geen algemeen Vlaams aanmeldsysteem komt en had ze heel wat bedenkingen bij de regeling voor Brussel.

Steve Vandenberghe toonde zich voorstander van een centraal aanmeldregister, van een algemeen geldende inschrijfdatum vroeger dan 29 mei, van de dubbele contingentering, en was voor een latere beslissingsdatum voor het digitaal systeem dan 31 januari.

De Groen-fractie stelde met twee amendementen voor om de specifieke regeling voor Brussel te wijzigen. Beide amendementen werden verworpen.

Op 18 december 2018 werd het voorstel van decreet in de Commissie voor Onderwijs aangenomen.

Belangenconflict

Bij brief van 14 december 2018 informeerde Julie de Groote, voorzitter van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, parlementsvoorzitter Jan Peumans over de motie van de COCOF (Franse Gemeenschapscommissie) van 14 december 2018 waarbij ze verklaart ernstig te worden benadeeld door dit voorstel van decreet en met het oog op overleg de schorsing van de procedure vraagt. Daardoor kon de plenaire vergadering van 20 december 2018 niet stemmen over het voorstel van decreet.

Door het belangenconflict konden de nieuwe regels niet meer van kracht worden voor het schooljaar 2019-2020. Om de aanmeldingen voor de inschrijvingen voor dat schooljaar rechtszeker te kunnen laten verlopen, werden met een voorstel van decreet een aantal data uit de oude inschrijvingsregeling aangepast.

Op 16 en 23 januari en 6 februari 2019 werd overlegd tussen een delegatie van het Vlaams Parlement, onder voorzitterschap van Jan Peumans, en een delegatie van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, onder voorzitterschap van Julie de Groote.

De reden van het instellen van het belangenconflict en de kern van de discussie waren de aanpassingen van de voorrangsregels voor Nederlandstaligen in het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel en de daaruit mogelijk voortvloeiende veranderde toewijzing van plaatsen aan leerlingen uit andere groepen in de scholen van beide gemeenschappen in Brussel.

Het aanpassen van de voorrangsregels in Brussel en het opsplitsen van de decretale regeling voor de inschrijvingen in Vlaanderen en Brussel werden geopperd als wegen om het belangenconflict te beëindigen. De diverse fracties verschilden van mening over deze pistes, maar de indieners van het voorstel van decreet opteerden voor de eenheid van de regelgeving.

Er werd dus geen overeenstemming bereikt tussen beide delegaties. Het dossier werd daarna bezorgd aan de Senaat, die een advies uitbracht aan het Overlegcomité. Aangezien het Overlegcomité op 24 april geen overeenstemming vond tussen beide gemeenschappen, kon het Vlaams Parlement de werkzaamheden voortzetten.

Goedkeuring decreet

Op 24 april 2019 werd het voorstel van decreet over het inschrijvingsrecht door de plenaire vergadering aangenomen. De oppositie onthield zich. Dat betekent dat vanaf het schooljaar 2020-2021 scholen met een capaciteitstekort verplicht digitaal aanmelden. In het basisonderwijs is de afstand tot de school en de schoolkeuze bepalend voor de ordening van leerlingen. De dubbele contingentering blijft er behouden als middel om een evenwichtige sociale mix te garanderen. In het secundair onderwijs telt eerst en vooral de schoolkeuze van ouders en leerlingen. Bij plaatstekort bepaalt loting wie een plaatsje krijgt. Scholen krijgen de mogelijkheid om tot 20 procent van de vrije plaatsen voor te behouden voor ondervertegenwoordigde groepen. Het systeem van dubbele contingentering verdwijnt in het secundair onderwijs. In de Brusselse Nederlandstalige scholen wordt de voorrang voor Nederlandstalige leerlingen versterkt door twee maatregelen.

Schoolinfrastructuur

Het Vlaams onderwijs is de eenentwintigste eeuw ingegaan met een patrimonium dat hoofdzakelijk dateert uit het derde kwart van de twintigste eeuw, en voor bijna dertig procent zelfs nog van voor het midden van die eeuw. Veel scholen moesten daardoor een aanzienlijk deel van hun middelen besteden aan het louter op punt houden van hun gebouwen qua veiligheid, hygiëne en bewoonbaarheid. En ook de verwarmingskosten van dergelijke oude gebouwen namen een flinke hap uit hun budget. Daarnaast had de decennialange onderinvestering in schoolinfrastructuur vanaf de millenniumwende ook een steeds scherpere – en niet meer te ontkennen – impact op het pedagogisch comfort van leerlingen en leraars. De onaangepastheid van de gebouwen noopte – over de netten heen – tot ingrijpen. Veel schoolgebouwen waren aan een ingrijpende renovatie toe, of moesten zelfs volledig nieuw gebouwd worden. Deze aanslepende problematiek werd nog verergerd doordat er na de eeuwwisseling ook steeds meer leerplichtige leerlingen bijkwamen. Deze demografische ontwikkeling deed zich echter niet gelijkelijk voor over heel Vlaanderen. Antwerpen en (het Nederlandstalig onderwijs in) Brussel, liepen voorop, maar Gent en de andere Vlaamse centrumsteden volgden al snel. Er was op een aantal plaatsen dus behoefte aan extra.

Ondanks opeenvolgende, maar eerder geleidelijke budgetverhogingen, volstond het gewone financieringskanaal vanuit de overheidsbegroting voor scholenbouw duidelijk niet meer. En daarenboven leidde het vaak tot extreem lange wachttijden voor bouwdossiers. Daarnaast bleek het ook niet altijd even evident om extra-capaciteitsmiddelen te dirigeren naar de plaatsen waar ze het meest nodig waren of  nodig zouden zijn.

Al in de legislatuur 2009-2014 werd daarom – op basis van een al in 2006 goedgekeurd decreet – een publiek-private samenwerking opgezet, waardoor de private sector mee zou gaan investeren in schoolinfrastructuur. De daartoe opgerichte private vennootschap (de DBFM Scholen van Morgen nv) staat in voor het ontwerpen, bouwen, financieren en onderhouden van de gebouwen, en ontvangt in ruil daarvoor gedurende dertig jaar een zogenaamde ‘beschikbaarheidsvergoeding’. Na afloop van die dertigjarige periode wordt de schoolinfrastructuur kosteloos aan de inrichtende machten overgedragen. Het totale investeringsbedrag bedroeg anderhalf miljard euro, waarvan ongeveer twee derde opging aan de bouw van scholen en een derde aan het dertigjarig onderhoud ervan. De inrichtende machten ontvangen van de overheid een betoelaging als tussenkomst in de beschikbaarheidsvergoeding. Bedoeling was om tegen 2016-2017 in totaal 182 nieuwe scholen te bouwen.

De moeilijke situatie op de financiële markten na de financiële crisis van 2008, gekoppeld aan de verstrakking van de Europese begrotingsregels die voortkwam uit de Griekse staatsschuldencrisis van 2010 (i.c. voor wat de ESR-neutraliteit betreft) en gekoppeld aan de omvang van de hele operatie, zorgden ervoor dat het uitwerken van een correct kader voor het DBFM-project Scholen van Morgen en de daaropvolgende grootschalige aanbesteding nogal wat voeten in de aarde had. De eerste school van het project, werd daarom pas in september 2014 opgeleverd.

Aan het begin van de voorbije legislatuur was er op het terrein dus nog niet zoveel te merken van de vooropgestelde inhaaloperatie. Naar aanleiding van een interpellatie van Elisabeth Meuleman aan  onderwijsminister Hilde Crevits, keurde het Vlaams Parlement - meerderheid tegen oppositie - een motie goed over de staat van de schoolinfrastructuur in Vlaanderen en de geplande acties om dit aan te pakken. Dit document vormde de eerste basisschets voor het scholenbouwbeleid van de legislatuur 2014-2019.

Een en ander werd daarop verder uitgewerkt door de Vlaamse Regering, die op voorstel van minister Crevits, op 17 juli 2015 de conceptnota Masterplan Scholenbouw ‘Samen bouwen aan een sterker schoolpatrimonium’ goedkeurde. Hiermee lag voor het eerst een geïntegreerd totaalplan voor om de wachtlijsten inzake scholenbouw structureel aan te pakken. Het plan bevat 5 strategische doelstellingen:

  • (1) beoordeling van de aanvragen in functie van 6 prioritaire criteria (i.p.v. enkel de chronologie):  dwingende noodzaak van de investering, multifunctionaliteit, bouwkost, duurzaamheid, planmatige aanpak en chronologie;
  • (2) integratie van de capaciteitsmiddelen in de reguliere scholenbouwmiddelen op grond van een driejaarlijkse capaciteitsmonitor met prognoses over vraag en aanbod, gebaseerd op informatie over demografische ontwikkelingen, leerlingendata, leerlingenstromen en infrastructurele data;
  • (3) het verder aanboren van alternatieve financieringsbronnen: meer kleinschalige DBFM-projecten en huursubsidies;
  • (4) de focus op schoolgebouwen van de toekomst die multifunctioneel gebruikt en energiezuinig zijn; 
  • (5) het bevorderen van een meer beheersmatige aanpak binnen een langetermijnplanning.

Op 8 oktober 2015, lichtte de minister deze conceptnota toe in de Commissie voor Onderwijs. Daaraan gekoppeld werd ook de eerste  Capaciteitsmonitor leerplichtonderwijs 2015  voorgesteld door de onderzoekers (Steven Groenez van de KU Leuven en Johan Surkyn van de VUB). Een uitvloeisel van die eerste capaciteitsoefening bestond erin dat de beschikbare capaciteitsmiddelen in 2016, op vraag van het veld, voor een periode van drie jaar werden toegekend. Doordat de investeringen over een langere periode werden vastgeklikt, kregen de in capaciteitsgemeenten gelegen scholen veel meer zekerheid over het budget waarover ze zouden kunnen beschikken. Dit vergemakkelijkte in niet geringe mate hun planningsproces.

Ondertussen was de DBFM Scholen van Morgen ook op kruissnelheid aan het komen. Met de bouw van de meeste scholen werd begonnen in de tweede helft van 2014 en in 2015. Initieel ging het bij dit programma over 165 scholenbouwprojecten. Door intens en constructief overleg met de federale overheid, en goede communicatie met het Europese bestuursniveau, slaagden de deelstaten er echter in om het voor scholenbouw geldende btw-tarief – een federale bevoegdheid – te laten verlagen van 21 percent naar 6 percent.  Dit verlaagde tarief ging in vanaf 1 januari 2016. De  vrijgekomen budgettaire ruimte van 160 miljoen euro, werd integraal geherinvesteerd in scholenbouw en was goed voor 17 extra bouwprojecten. In totaal kreeg Scholen van Morgen zo de verantwoordelijkheid voor 182 projecten, gespreid over 102 gemeenten. Om de vertraging opgelopen bij de aanvang van dit scholenbouwprogramma te counteren, had de Vlaamse Regering ondertussen overigens ook beslist dat de termijn voor realisatie van het geheel van het project van 2017 op 2020 werd gebracht. De btw-verlaging had evengoed positieve gevolgen voor de reguliere financiering van de scholenbouw. In de loop van 2019, na voltooiing van bijna heel het ontwerp- en bouwprogramma, zal het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION) een eerste uitgebreid evaluatierapport opmaken over het DBFM-programma Scholen van Morgen.

De Vlaamse Regering zette haar zoektocht naar extra alternatieve financieringsmechanismen verder. Dit resulteerde in een ontwerp van decreet voor de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten dat,  na op 20 oktober 2016 te zijn behandeld in de Commissie voor Onderwijs, door de plenaire vergadering werd goedgekeurd op 16 november 2016. In tegenstelling tot het grootschalige project Scholen van Morgen, wordt hiermee gemikt op meer kleinschalige DBFM-projecten. Daarin worden clusters van individuele bouwprojecten (bundelingen van de bouwprojecten van een aantal in elkaars geografische nabijheid gelegen inrichtende machten of scholengroepen) in de markt gezet. Op deze nieuwe decretale grondslag werden ondertussen al 13 clusters gebaseerd, goed voor 42 nieuwe projecten. Ook het GO! participeert hierin volop. Eind november 2018 lanceerde het zijn eerste DBFM-cluster die bestaat uit zeven GO!-schoolbouwprojecten. Medio 2019 werd opnieuw de selectie van verdere DBFM-clusters opgestart. Een groot verschil met Scholen van Morgen is dat er binnen dit nieuwe programma gestreefd wordt naar een zo groot mogelijke betrokkenheid van de inrichtende machten van bij de start van het volledige traject. De schoolbesturen – hierin bijgestaan door een projectbureau – voeren nu zelf de gunninsprocedure uit voor het aanduiden van de private partner die hun cluster moet realiseren. Keerzijde van de medaille is natuurlijk dat de inrichtende machten hierdoor ook een grotere verantwoordelijkheid dragen. Ook voor deze projectspecifieke DBFM-vorm gelden overigens de strenge Europese begrotingsbepalingen.

Een andere alternatieve financieringsvorm om heel snel extra schoolinfrastructuur en dus extra plaatsen te realiseren is het systeem van huursubisdies, ingevoerd door de Vlaamse Regering eind 2016,  Hierdoor kunnen scholen voor maximaal 18 jaar bestaande (denk aan bestaande kantoorgebouwen of voormalige kindercrèches) of zelfs nog te bouwen infrastructuur huren. Dat kan met name nuttig zijn in nieuwe woonwijken waar veel jonge gezinnen komen wonen of in gebieden waar stadsvernieuwingsprojecten lopen. Op dergelijke plaatsen wordt, op die manier schoolinfrastructuur gerealiseerd, die eventueel tijdelijk kan zijn. Er wordt daartoe jaarlijks door AGION een oproep gedaan naar de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs. Terwijl de eerste oproep na selectie resulteerde in 35 goedgekeurde huursubsidiedossiers, leverde de tweede oproep 77 dossiers op en de derde 54 dossiers. Samen goed voor 166 projecten, die ten goede kwamen aan zo’n 50.000 leerlingen en die zorgden voor 9000 extra plaatsen. Jaarlijks wordt er daartoe zo’n 15 miljoen euro aan huursubsidie toegekend. Met name de grote flexibiliteit van dit instrument maakt het zo aantrekkelijk voor veel schoolbesturen.

Verdere investeringen – vaak ook mee gefinancierd vanuit andere beleidsdomeinen – zijn specifiek gericht op het realiseren van ‘schoolgebouwen van de toekomst’ (de vierde strategische doelstelling van het Masterplan Scholenbouw). Bedoeling is onder andere om de schoolinfrastructuur multifunctioneel te maken. Zo heeft Sport Vlaanderen samen met de onderwijskoepels (via AGION en het GO!) investeringen gedaan om de sportinfrastructuur in scholen buiten de schooluren open te stellen voor het lokale sport- en verenigingsleven. Dat leverde overigens wel enige problemen op bij gebouwen die onder het DBFM-programma waren gebouwd. De private partner redeneerde immers dat meer gebruik ook meer slijtage en dus meer onderhoud met zich meebracht, en vroeg daarom een hogere beschikbaarheidsvergoeding. OVAM van zijn kant, maakte al een gedeeltelijke inventaris van de asbestproblematiek in onze scholen en draagt bij aan het asbestvrij maken van oudere schoolgebouwen. Vanuit het Vlaams Klimaatfonds werden dan weer aanzienlijke bedragen vrijgemaakt (54 miljoen euro in de periode 2016-2019 en nog eens 20,7 miljoen euro in de begroting 2019) voor directe energiebesparende infrastructurele ingrepen in schoolgebouwen. In het verlengde daarvan werd in september 2017 ook een zogenaamd ‘zonneplan’ van kracht, dat erin voorziet dat scholen bij AGION een zeer goedkope lening – de rente bedraagt 1 percent – kunnen aangaan voor het plaatsen van zonnepanelen op hun gebouwen. Een laatste, eerder beperkte, maar toch interessante extra investering is het kwaliteitsvoller en avontuurlijker maken van schoolspeelplaatsen, met het oog op het aanmoedigen van beweging bij kinderen. Daarvoor werd in samenwerking met de beleidsdomeinen Sport en Jeugd zo’n miljoen euro vrijgemaakt. Er werd op grond van een decreet houdende diverse bepalingen onderwijs van einde 2017 overigens ook nog mee geïnvesteerd in het up-to-date houden van de uitrusting van technische scholen, maar dit gebeurde op een indirecte manier, namelijk via een verhoogde tegemoetkoming in de werkingskosten per leerling. De uitdaging om de, vaak zeer dure technische uitrusting, bij de tijd te houden (en dus ook de technische opleidingen bij de tijd te houden) blijft echter groot. 

 Alle hierboven genoemde maatregelen en ontwikkelingen werden nauwgezet gevolgd door de leden van de Commissie voor Onderwijs. Naast een veelvoud aan vragen om uitleg  met een min of meer brede scope, gebeurde dit vooral via twee omvattende gedachtewisselingen in het kader van voortgangsrapportages over het Masterplan Scholenbouw. De eerste rapportage vond plaats 15 juni 2017, de tweede en laatste voortgangsrapportage  op 14 februari 2019. Ten slotte maakte ook de eind 2018 verschenen tweede editie van de driejaarlijkse capaciteitsmonitor op 17 januari 2019 het voorwerp uit van een hoorzitting met Steven Groenez (KU Leuven) en Johan Surkyn (VUB) in de commissie. Bij deze tweede editie was de accuratesse van de vraag- en aanbodgegevens geüpdatet op basis van nieuwe bevolkingsprojecties van Statistiek Vlaanderen en op basis van een doorgedreven aanbodbevraging bij de gemeenten.

In globo kan gesteld worden dat van 2010 tot 2018  371,6 miljoen euro extra werd geïnvesteerd in extra capaciteit,,, vooral in het basisonderwijs. Deze investeringen vonden plaats in 21 capaciteitsgemeenten, inclusief Brussel. In totaal waren ze goed voor zo’n 40.000 extra plaatsen. In oktober 2018 werd opnieuw voorzien in 150 miljoen euro extra capaciteitsmiddelen, maar dit keer vooral om extra plaatsen te realiseren in het secundair onderwijs. De demografische piek is ondertussen immers naar dat schoolniveau doorgeschoven.

Ondanks al deze inspanningen blijft de nood echter hoog. Uit het meest recente jaarverslag van AGION (jaarverslag over 2017) blijkt immers dat de wachtlijst voor scholenbouw – toestand per 1 januari 2018 –, met 1826 subsidieaanvragen, toch nog is opgelopen tot een bedrag van 2,967 miljard euro (komende van 2,72 miljard euro het jaar daarvoor). Rekening houdend met de eveneens gestegen noden in het GO!, mag het duidelijk zijn dat de scholenbouw nog voor meerdere toekomstige regeringsploegen een hoofdpijndossier zal blijven.

 

Nuttige info: