U bent hier

Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening, Energie en Dierenwelzijn

Sinds 1 april 2017 vormen de beleidsvelden Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening, Energie en Dierenwelzijn het beleidsdomein Omgeving.

Meest tekenend in de afgelopen legislatuur voor zowel het beleidsveld Leefmilieu als Energie, is de aanpak van de klimaatverandering, die in een niet onbelangrijke mate een energievraagstuk vormt. Het streven naar minder energieverbruik en de moeizame overschakeling van fossiele naar hernieuwbare brandstoffen vormt daarbij de inzet. Ook een betere ruimtelijke ordening kan voor een belangrijk deel in dat kader worden gesitueerd.

Het beleidsveld Dierenwelzijn was een nieuwe bevoegdheid die met de zesde staatshervorming aan de gewesten werd overgedragen. De ontwikkeling van een ambitieus en coherent beleid vormde daarbij de inzet.

Klimaatdebat

De klimaatverandering en de aanpak hiervan was geen nieuw gegeven binnen de legislatuur 2014-2019. Na de Klimaatconferentie van Parijs van december 2015 is het bewustzijn over de urgentie hiervan in een hogere versnelling getreden. Er werd dan ook binnen het parlement een tijdelijke commissie voor de opvolging van het klimaatbeleid in Vlaanderen opgericht. Die had als opdracht een stand van zaken op te stellen. Gezien de de coördinerende bevoegdheid van de minister van Leefmilieu, bleef de discussie ook de agenda van de commissie Leefmilieu domineren. Ook in de plenaire vergadering vormde het meermaals onderwerp van bespreking.

Voorgeschiedenis

In 1992 werd op de top van Rio het Klimaatverdrag gesloten – voluit het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering. Een concrete invulling van dat verdrag kwam er in 1997 met het Kyoto-protocol. Het duurde evenwel nog tot 2005 voor dit protocol ook effectief in werking trad. Voor het eerst in de geschiedenis waren er voor de industrielanden concrete - en bindende reductiedoelstellingen inzake broeikasgassen, werd een handhavingssysteem uitgewerkt, en voorzag het protocol in een systeem voor een wereldwijde markt voor emissierechten. Voor de verbintenissenperiodes van 2008-2012 en 2013-2020 werden specifieke verplichtingen  overeengekomen. Meer in het bijzonder voor deze laatste verbintenisperiode ratificeerde het Vlaams Parlement deze overeenkomst op 28 oktober 2015, een maand later volgde België. 

Hoewel het Klimaatverdrag door de meeste VN-lidstaten werd ondertekend,  was er toch vooral binnen de Europese Unie een reëel engagement tot het voeren van een klimaatbeleid. Dit kwam onder meer tot uiting met het in 2005 geïnstalleerde Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) en het Europees energie- en klimaatpakket. Dat laatste slaat op de periode 2013-2020 en werd in december 2008 door het Europees Parlement goedgekeurd. Met dit pakket schoof de Europese Unie de volgende doelstellingen voor 2020 naar voren: een vermindering van het energiegebruik met 20% ten opzichte van het verwachte niveau in 2020 bij ongewijzigd beleid, het optrekken tot 20% van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het bruto eindgebruik van energie en een vermindering met 20% van de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990.

Als gevolg van de steeds zichtbaardere gevolgen van klimaatverandering en de wetenschappelijk consensus hieromtrent liepen intussen ook de onderhandelingen voor een bredere invulling van het klimaatbeleid en het uiteindelijke streven om de opwarming te beperken tot 2°C boven het pre-industriële niveau. Uiteindelijk werd pas na jaren van moeizame onderhandelingen door de klimaatconferentie van Parijs, de 21ste opvolgingsconferentie sinds het Klimaatverdrag, en het daaruit voortvloeiende akkoord, een versnelling hoger geschakeld. Het Akkoord van Parijs bevat een ambitieus, bindend en billijk mondiaal klimaatakkoord. Het legt de basis voor het internationale en nationale klimaatbeleid voor de komende decennia. In tegenstelling tot traagheid bij de eerdere akkoorden trad dat  verdrag al één jaar na de ondertekening in werking. Het Vlaams Parlement ratificeerde dat verdrag dan ook met spoedbehandeling op 16 november 2016.

Het akkoord wil de temperatuurstijging dus ruim onder 2°C ten opzichte van de pre-industriële periode houden en streeft er zelfs naar om deze temperatuurstijging te beperken tot 1,5°C. Het wil de capaciteit van landen verhogen om zich aan te passen aan klimaatopwarming en de klimaatweerbaarheid te verhogen (adaptatie). Verder wil het de transitie maken naar een koolstofarme maatschappij en de financiële stromen compatibel maken met de transitie naar deze koolstofarme en klimaatweerbare ontwikkeling.

Met dit akkoord stapte men af van de ‘klassieke’ formule waarbij de inspanningen van de individuele landen worden onderhandeld en ingeschreven in het akkoord zelf, wat nog het geval was bij het Protocol van Kyoto. In tegenstelling daarmee bepalen alle partijen zelf hun bijdragen die elke 5 jaar opwaarts moeten worden herzien op basis van de periodieke analyse op wereldschaal van de kloof tot een 2°C- of 1,5°C-traject. Dit bindende karakter verhoogt het politieke gewicht van dit akkoord in grote mate.

Bovendien moeten alle ondertekenende partijen ernaar streven om uiterlijk tegen 2020 langetermijnstrategieën voor een koolstofarme ontwikkeling uit te werken. Voor de landen van Europese Unie betekent dit een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 tot 95%  t.o.v. 1990. Deze doelstelling is voor ons land opgenomen in de langetermijnvisie duurzame ontwikkeling die de federale regering tijdens de vorige legislatuur heeft aangenomen.

Die langetermijnvisie moet worden vertaald in de nationale Klimaat- en Energieplannen die bij Europa ingediend worden.  

Het klimaatbeleid in de legislatuur 2014-2019

De Vlaamse Regeringsverklaring was inzake de klimaatdoelstellingen veeleer voorzichtig vanuit de bezorgdheid om de economische groei niet in het gedrang te brengen. Het inzetten op energie-efficiëntie was in de verklaring een prioriteit. Ook een energiepact tussen de verschillende overheden en tal van stakeholders werd in het vooruitzicht gesteld. Wat specifiek de vertaling van onze Europese  klimaatinspanningen betreft, werd een akkoord tussen de drie gewesten vooropgesteld.  Ten slotte werd voor deze legislatuur ook voorzien in een verdere rapportering en actualisering van het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020, aangenomen in de vorige legislatuur

Het aanvoelen dat de regeringen in België tekortschieten in hun strijd tegen de klimaatopwarming was begin december 2014 voor burgers  de aanleiding om een klimaatzaak tegen de regeringen aan te spannen. De reactie van minister Joke Schauvliege hierop gaf binnen het Vlaams Parlement de aanleiding geven tot een actualiteitsdebat op 3 december 2014.

De dynamiek die het Akkoord van Parijs creëerde, bracht de Vlaamse Regering ertoe op 19 april 2016 een Vlaamse Klimaattop te organiseren en op 1 december 2016 een Vlaamse Klimaat-en Energietop. Ook voor het Vlaams Parlement had de top over het akkoord tot gevolg dat het onderwerp klimaat een prominentere rol zal spelen. Zo werd op 17 februari 2016 een Klimaatcommissie opgericht. Haar werkzaamheden mondden uit in een resolutie die richting gaf aan het langetermijnbeleid.

Wat energiebeleid, gerelateerd aan het klimaat, betreft, vonden de meerderheid, sp.a  en Groen elkaar vrij snel  in de  resolutie van 10 juni 2015. Daarin staat een traject uit om te komen tot een Vlaamse en interfederale energievisie en een energiepact. Begin juli 2016 keurde de Vlaamse Regering ook het Energieplan goed waarmee aangegeven werd hoe men de Europese doelstellingen inzake hernieuwbare energie zou halen. Nog in juli 2016 discussieerden de leden over het plan met de minister.  Latere onenigheid over de wenselijkheid van de wettelijk vastgelegde kernuitstap vertroebelden evenwel de verstandhouding. Omdat voornamelijk de N-VA een sluiting van de kerncentrales op de geplande datum als weinig realistisch beoordeelde - rekening houdend met de voorwaarden inzake betaalbaarheid, duurzaamheid, veiligheid en bevoorradingszekerheid - was lang onduidelijk of er nu al dan niet een energiepact was afgesloten, of enkel onder voorwaarden. Die discussie beheerste in het zittingsjaar 2017-2018 het thema energie. Illustratief is het actualiteitsdebat op 13 december 2017 over de opmaak van het interfederaal energiepact en de houding van de Vlaamse Regering daarin.

Het overleg met de andere gewesten en de federale overheid over de tdoelstellingen en de verdeling van de klimaatinspanningen verliep gedurende de gehele legislatuur moeizaam. Symptomatisch hiervoor is dat het samenwerkingsakkoord betreffende de verdeling van de Belgische klimaat- en energiedoelstellingen voor de periode 2013-2020 uiteindelijk pas op 12 februari 2018 werd afgesloten.

Klimaatplannen

Voor de opvolging van onze klimaatverplichtingen maakt de regering al sinds het Kyotoprotocol klimaatplannen. In deze legislatuur vond de vertaling plaats naar de Europees verplichte Klimaat en Energieplannen. Zo hechtte de Vlaamse Regering op 22 april 2016 haar goedkeuring aan de conceptnota 'Voorbereiding van een Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 en een Vlaamse Klimaatvisie 2050'. Deze conceptnota had onder meer als doelstellingen: het voorbereiden van de Vlaamse klimaatinput voor een Belgisch geïntegreerd energie- en klimaatplan 2021-2030; het ontwikkelen van een geïntegreerde visie op het Vlaams klimaatbeleid met als horizon 2050 en een routekaart tot een koolstofarme samenleving voor Vlaanderen in 2050. Wat de opvolging hiervan door het Vlaams Parlement vermelden we, naast de jaarlijkse bespreking  -van de beleidsbrieven Omgeving en Energie, de gedachtewisselingen in de commissie Leefmilieu van 9 en 10 januari 2018 over de stand van zaken van de uitvoering van de resolutie betreffende een sterk Vlaams klimaatbeleid.

Op 20 juli 2018 keurde de Vlaamse Regering dan het ontwerp van Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 goed. Samen met het Vlaams Energiebeleidsplan 2021-2030 vormt het de Vlaamse inbreng voor het ontwerp van Belgisch geïntegreerd energie- en klimaatplan. Wat de discussie over het afdoende karakter van onze inspanningen inzake energie betreft,  geven het verslag van de gekoppelde vragen om uitleg van 3 juli 2018 en de vraag om uitleg van 3 oktober 2018 meer informatie.

In de Klimaatcommissie bereidde het Vlaams Parlement met het oog op de top in Katowice, samen met de andere parlementen, nog een resolutie betreffende het Vlaamse en nationale klimaatbeleid voor.  Die resolutie werd in de plenaire vergadering 24 oktober 2018 aangenomen. In de resolutie wordt gepleit voor een ambitieus beleid. 

Een afzonderlijke bespreking van dit plan vond niet meer plaats in de commissie Leefmilieu. Het kwam wel ter sprake naar aanleiding van de beleidsbrieven. In de plenaire vergadering van 28 november 2018  waren er ook een reeks actuele vragen om uitleg naar aanleiding van het klimaatrapport van het VN-milieuagentschap en de ambitieuze plannen van de Europese Commissie. Verder was er ook nog het actualiteitsdebat 30 januari 2019 over het klimaatbeleid van de Vlaamse Regering. Verontwaardiging over de beperkte ijver die in de laatste opvolgingsconferentie van Katowice aan de dag werd gelegd, gaf eind 2018 en begin 2019 immers aanleiding tot enkele grote klimaatbetogingen en massaal scholierenprotest. Lees hierover de vraag om uitleg van 18 december 2018 over de klimaatambitie van Vlaanderen. Het schijnbaar in diskrediet brengen van deze beweging had ten slotte ook het ontslag van de minister van Leefmilieu Joke Schauvliege tot gevolg op 6 februari 2019.

Ook de onduidelijkheid over de doelstelling inzake hernieuwbare energie in het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 gaf in het voorjaar van 2019 nog aanleiding tot discussie.

In het kader van de discussie om de klimaatambities wettelijk en decretaal te verankeren, diende de Groen-fractie eind januari 2019 nog een voorstel van decreet in, houdende een kader  voor het ontwikkelen van beleid,  gericht op het onomkeerbaar  en stapsgewijs terugdringen  van de Vlaamse emissies van broeikasgassen  om de wereldwijde opwarming van de aarde  en de verandering van het klimaat te beperken. Dat werd na een korte bespreking verworpen.

Uiteindelijk vond in de periode  van 4 tot 15 juli 2019 nog een Europees verplichte publieksbevraging plaats van het ontwerp van nationaal Energie- en klimaatplan 2021-2030.

Op 18 juni 2019 gaf de Europese Commissie ten slotte een eerste beoordeling van de klimaatplannen ingediend door de lidstaten. België  werd onder meer om  verduidelijking gevraagd over hoe  het denkt de broeikasgasreductiedoelstelling van -35 procent te halen in 2030. België kreeg ook  kritiek op het beperkte ambitieniveau inzake hernieuwbare energie. De Europese Commissie twijfelde of zelfs de 2020 doelstellingen gehaald zouden worden. België moest ook zijn ambitie inzake energie-efficiëntie opkrikken.

Hernieuwbare energie

Voor energie zijn de gewesten onder meer  bevoegd voor het distributienet voor elektriciteit en gas, de nieuwe energiebronnen, de terugwinning van energie door de nijverheid en andere gebruikers, de netten voor warmtevoorziening op afstand en het rationeel energieverbruik.

De legislatuur stond met de ambitie om een energiepact met de andere gewesten en de federale overheid te sluiten, in het teken van de omslag naar een klimaatneutrale energievoorziening. Meer en meer inzetten op hernieuwbare energie met een toenemend aandeel van prosumenten vraagt evenwel een herdenking van het energiesysteem. De noodzaak aan productie- en verbruiksgegevens zorgde ervoor dat digitale meters, die ‘slim’ kunnen worden gemaakt, onontkoombaar werden. De introductie ervan had heel wat voeten in de aarde omdat met de andere overheden hieromtrent overlegd en afgestemd moest worden over de communicatiestandaarden binnen het overlegplatform Atrias. Op het einde van de legislatuur was ook maar gedeeltelijk gerealiseerd.

Groenestroomcertificaten

Vrij vroeg vonden de meerderheid, sp.a  en Groen elkaar in een voorstel van resolutie dat een traject uitzette om te komen tot een Vlaamse en interfederale energievisie en een energiepact. Toch werd het begin van de legislatuur voornamelijk gekenmerkt  door de noodzaak om de schuldenberg aan groenestroomcertificaten af te bouwen. Hiertoe werd een energieheffing ingevoerd – al snel Turteltaks genoemd. Onder meer door deze heffingen bleven de energieprijzen ook stijgen en  zorgden ze ervoor dat energiearmoede een blijvend probleem vormde. Lees in dit kader het verslag van het actualiteitsdebat van 21 oktober 2015 over de evolutie van de energieprijzen in Vlaanderen.

Deze heffing gaf ook aanleiding geven tot het vrijwillig ontslag van minister Turtelboom. Zie hierover  het actualiteitsdebat van 4 mei 2016 over het energiebeleid van de Vlaamse Regering, gevoerd naar aanleiding van dit ontslag. Uiteindelijk werd deze heffing, waarvan de Raad van State de onbevoegdheid van de decreetgever vooropstelde, ook door het Grondwettelijk Hof vernietigd. Lees hierover het verslag van het actualiteitsdebat van 28 juni 2017.

De nieuwe minister, bevoegd voor Energie, Bart Tommelein, liet evenwel niet af burgers opnieuw warm te maken  voor het investeren in hernieuwbare energie, waaronder de zonnepanelen. Begin juli 2016 keurde de Vlaamse Regering het Energieplan goed waarmee werd aangegeven hoe men de Europese doelstellingen inzake hernieuwbare energie zou halen. Nog in juli 2016 hielden de leden een gedachtewisseling met de minister over dit plan. Het latere Zonneplan, Windplan en Warmteplan passen in dit kader. Ook de beslissing tot het afstappen van grootschalige biomassacentrales maakte de inzet op wind en zon des te noodzakelijker.

Energiepact

Het zittingsjaar 2017-2018 werd dan weer beheerst door de vraag naar een globaal energiebeleid inclusief het afsluiten van een Energiepact met de andere gewesten en de federale overheid. De sluiting van de kerncentrales is wettelijk bepaald voor het jaar 2025. Tegen dan moet in minstens een gedeeltelijke vervangingscapaciteit worden voorzien. Verder moest België eind 2018,  ter invulling van de verplichtingen van het Akkoord van Parijs, aan Europa een ontwerp van Nationaal Klimaat- en Energieplan voor de periode 2021 en 2030 bezorgen. Omdat voornamelijk de N-VA een sluiting van de kerncentrales op de voorziene datum als weinig realistisch beoordeelde, was lang onduidelijk of er dan al dan niet een energiepact was afgesloten, of enkel onder voorwaarden[MB1] . N-VA verbond daaraan voorwaarden inzake betaalbaarheid, duurzaamheid, veiligheid en bevoorradingszekerheid. Lees bijvoorbeeld het verslag van de gebundelde  actuele vragen van 11 oktober 2017 , 15 november 2017 het actualiteitsdebat van 13 december 2017 over de opmaak van het interfederaal energiepact en de houding van de Vlaamse Regering daarin.  Zie ook de interpellatie van 28 januari 2018 van minister Bart Tommelein over de reactie van de Vlaamse Regering op de resultaten van de nieuwe studie betreffende de kostprijs van de keuzes in de Visienota rond het interfederale Energiepact. De discussie over de vervanging van de kerncentrales door gascentrales en de klimaatimpact hiervan, vindt men in de gebundelde actuele vragen van 7 maart 2018. De twijfels over het al dan niet afgesloten energiepact vindt men terug in de gekoppelde actuele vragen van 23 mei 2018.

De digitale meter

In dit perspectief moet ook het invoeren van de digitale meter gezien worden. Strikt gezien gaat het over de uitvoering van de Europese richtlijn Energie-efficiëntie uit 2012 en was dit al gepland als een operationele doelstelling binnen de beleidsnota energie. Onder de noemer van een betaalbare energiefactuur voor gezinnen, stelde het regeerakkoord immers dat in de toekomst gezinnen de mogelijkheid moeten krijgen om hun energievraag aan te passen afhankelijk van de kostprijs van energie, die op verschillende tijdstippen van de dag kan verschillen.

Het onderwerp bleef evenwel de gehele legislatuur onderwerp van gesprek en pas helemaal op het einde raakte het formeel geregeld. Lees hieromtrent de gebundelde actuele vragen van 17 juni 2015 naar aanleiding van enkele uitlatingen van de minister van Energie over de slimme meters, de gebundelde vragen om uitleg van 14 december 2016 over de impact van de slimme meters op de bezitters van zonnepanelen. Ondertussen keurde de Vlaamse Regering begin februari  2017 de conceptnota over de uitrol van de digitale meters goed en besliste ze voor te leggen voor stakeholderoverleg en hierover een nieuwe kosten-batenstudie te laten uitvoeren. De nota werd niet afzonderlijk besproken,  maar maakte opnieuw het voorwerp uit van talrijke vragen om uitleg. Lees hierover het verslag van de gekoppelde vragen om uitleg van 15 februari 2017 en vervolgens dat van de gekoppelde vragen om uitleg van 14 juni 2017 over die kosten-batenanalyse van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt

Het voorontwerp van decreet over de digitale meter werd in juli 2017 door de Vlaamse Regering  principieel goedgekeurd. Intussen bleven er vragen rijzen in het parlement. Zie bijvoorbeeld de gekoppelde vragen om uitleg van 2 mei 2018 over de uitrol van de digitale meter. Het ontwerp van decreet werd dan in juli 2018 in het parlement ingediend. In oktober 2018 volgden hoorzittingen. De eigenlijke behandeling van het decreet volgde echter pas in maart 2019. Eén van de redenen daarvoor was dat men met de invoering van de digitale meter het investeringsklimaat voor zonnepanelen niet wilde schaden en de eigenaars ervan een zekere opbrengst wilde garanderen. Zij behouden het voordeel van de terugdraaiende klassieke teller tijdelijk. De VREG was evenwel van oordeel dat de regeling discriminerend was. Bovendien ging de decreetgever zijn bevoegdheden te buiten omdat het tot de tarifaire bevoegdheid van de VREG moet worden gerekend. Lees in dit kader het verslag van de hoorzitting van 13 november 2018 over het ontwerp van ondernemingsplan en ontwerp van begroting van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt en het verslag van de bespreking van de Beleidsbrief Energie 2018-2019. Uiteindelijk werd het ontwerp van decreet op de valreep op 3 april 2019 toch aangenomen. Daarmee konden de digitale meters dan ook worden uitgerold. Binnen het overlegplatform Atrias konden evenwel nog niet de nodige vorderingen worden gemaakt zodat de gegevensuitwisseling ook mogelijk wordt en de digitale meter ook ‘slim’ kan worden gemaakt. Ook de vraag of de bezitters van zonnepanelen het voordeel van de terugdraaiende teller kunnen behouden bleef open omdat de VREG op 24 juni 2019 liet weten het decreet te betwisten bij het Grondwettelijk Hof. 

De moeizame weg naar een Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV)

Al in de legislatuur 2009-2014 werd er gestart met het ontwerpen van een opvolger voor het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Begin 2011 startte de regering het proces dat op 4 mei 2012 zou uitmonden in het Groenboek BRV. Zie hierover de gedachtewisseling van 29 juni 2011 over het Beleidsplan Ruimte en  de gedachtewisseling van 30 mei 2012 over het groenboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen ‘Vlaanderen in 2050: mensenmaat in een metropool?’. In de Regeringsverklaring bij het begin van de legislatuur 20014-2019 stond dan de ambitie om het BRV te realiseren.

Op 24 april 2015 resulteerde dit in een  conceptnota (pdf), goedgekeurd door de Vlaamse Regering, waarbij de processtructuur en de aanpak van het BRV werden vastgelegd. De bevoegde minister werd onder meer belast met een ontwerp van Witboek BRV en een voorontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. 

De Vlaamse Regering had intussen op 25 maart 2016 ook de 'Visie 2050: een langetermijnstrategie voor Vlaanderen' goedgekeurd. In deze langetermijnstrategie voor Vlaanderen werden een aantal ruimtelijke doelstellingen en ontwikkelingsrichtingen bepaald die essentieel zijn om de ruimere maatschappelijke transities mee te kunnen realiseren. Een daarvan is de doelstelling om het netto ruimtebeslag in 2050 niet meer te laten toenemen, al gauw de betonstop genoemd.  Vrijwaring van open ruimte, een inbreidingsgerichte aanpak, een locatiebeleid om tot een afstemming te komen tussen mobiliteit en ruimte, verdwenen van dan af niet meer uit het debat.

Ongeduld over het uitblijven van het witboek gaf aanleiding tot het actualiteitsdebat van 25 mei 2016 over de voorstellen van minister Joke Schauvliege voor een hertekening van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen.

Het Witboek BRV werd uiteindelijk op 30 november 2016 goedgekeurd door de regering.  De principes van de Visie 2050 werden er uiteraard ook opgenomen en nader uitgewerkt. Opvallend daarbij is dat ook beslist werd om al in 2040 te komen tot een ‘betonstop’, 10 jaar vroeger dan aanvankelijk gepland. Lees hieromtrent de actuele vraag van 30 november 2016 en het verslag van het actualiteitsdebat van 7 december 2016 de week nadien.

De gevolgen van dit beleid op diverse domeinen gaf meermaals aanleiding tot verhitte discussies. Lees bijvoorbeeld de actuele vragen van 8 februari 2017  over de VITO-studie naar de ontwikkelingskansen van harde bestemmingen op basis van knooppuntwaarde en nabijheid van voorzieningen, de actuele vragen van 10 mei 2017 over de oproep van de Vlaamse Bouwmeester om in de toekomst de bouw van vrijstaande woningen te verbieden en de actuele vragen van 14 juni 2017 over de bevraging van de gemeenten inzake de woonreservegebieden. Op 28 maart 2017 werd ook een hoorzitting gehouden over de cijfers inzake het ruimtebeslag die aan de grondslag liggen van het BRV.

Het ontwerp van decreet houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, vermeld in de conceptnota van 2015, werd in mei 2017 ingediend. Het bevatte bepalingen die deze ruimtelijke transitie mee vorm moesten geven. Het gaat onder meer om  een vernieuwd systeem van beleidsplanning en soepelere procedures om verouderde voorschriften af te schaffen. De omvangrijke amendering kort voor de behandeling en het feit dat het ontwerp ook een betwiste regeling voor de verwerking van bouw- en sloopafval in ontginningsgebieden bevatte, leidde ertoe dat er pas in december 2017 over gestemd werd.

Nog eind 2017 werd ook een maatschappelijke kosten-batenanalyse definitief opgeleverd die de kosten van de diverse beleidsopties verduidelijkte. Stilzitten was hierbij geen optie,   mede in het kader van het Klimaatdebat. Lees hierover de actuele vragen van 22 november 2017. Voor zover nodig werd de noodzaak aan verdichting nog een paar keer in de verf gezet door de Vlaamse Bouwmeester, wat steevast aanleiding gaf tot een zekere commotie. Lees hierover de vragen om uitleg van 12 juni 2018.

Een heikel punt bij de uitwerking van het ruimtelijk beleid was de vraag wie zou bepalen welke woonreservegebieden nog konden worden aangesneden. Lees hierover de vagen om uitleg van 3 oktober 2017. Een ander punt betrof de vraag welke vergoeding eigenaars zouden ontvangen, de zogeheten planschadevergoeding, en wie deze zou betalen, het Gewest of de gemeenten. Ook de verhouding tot de planbaten op plaatsen waar extra bebouwing dan weer wel wenselijk was, vormde voorwerp van debat. Lees hierover de vragen om uitleg van 3 oktober 2017 en de vragen om uitleg van 8 mei 2018.

In juli 2018 kon de regering een akkoord vinden over de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Daarbij werd een volledige schadevergoeding overeengekomen en liet zij het initiatief tot verdichting bij de gemeenten. Ook het Instrumentendecreet kon hierbij principieel worden goedgekeurd en voor advies naar de Raad van State gestuurd.

De discussie over de kritiek van de Vlaamse bouwmeester over de 'bananenrepubliek' Vlaanderen op het vlak van ruimtelijke ordening is te lezen in de vraag om uitleg van 23 oktober 2018.

Op het einde van de legislatuur bleek het finaliseren van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen niet meer mogelijk. Lees in dit kader de bespreking van de beleidsbrief omgeving 2018-2019. Wel bleef het tot het einde de ambitie om met een viertal gekoppelde ontwerpen van decreet te landen. Het ging over een ontwerp van Instrumentendecreet, een ontwerp van decreet betreffende de bestemmingsneutraliteit voor de winning van hernieuwbare energie, een ontwerpdecreet betreffende de bescherming van waardevolle bossen, en ten slotte een ontwerp van decreet betreffende de woonreservegebieden. De kritiek van de oppositie daarbij luidde dat het wel merkwaardig is dat men de instrumenten voor een ruimtelijk beleid uitwerkt zonder eerst de algemene visie goed te keuren. Zie hierover de vraag om uitleg van 29 januari 2019.

Kritiek van de Raad van State bij één van deze ontwerpen begin maart leidde ertoe dat over het geheel niet meer gestemd kon worden. Lees hieromtrent eerst nog de vraag om uitleg van 26 februari 2019 en ten slotte de vragen om uitleg van 12 maart 2019

De Groen-fractie diende nog een conceptnota voor nieuwe regelgeving betreffende het terugdringen van het bijkomend ruimtebeslag en het creëren van robuuste open ruimte indienen. Deze werd  kort besproken op 3 april 2019, wanneer duidelijk was dat er over de genoemde ontwerpen niet meer gestemd kon worden. Samen met de vaststelling dat de ruimte-inname nog toeneemt, te lezen in  de vragen om uitleg van 15 januari 2019, maakt dit duidelijk dat een en ander wel in mineur eindigt.

Eind maart 2019 verscheen ook nog een studie van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek. Daarin worden de kosten en de financiële gevolgen van onze ruimtelijke ordening  berekend. Daaruit blijkt dat niets doen ons handenvol geld kost. Lees hieromtrent de actuele vraag van 3 april 2019.

In juni 2019 maakte de heisa over de mobiliteitsscore van woningen en nogmaals de uitspraken van de Vlaamse bouwmeester hieromtrent duidelijk dat het debat over het anders gaan wonen en anders omgaan met de ruimtelijke ordening ook in een volgende legislatuur zal worden voortgezet.

Verbod op pelsdieren, dwangvoederen en onverdoofd slachten

Dierenwelzijn is een nieuwe Vlaamse bevoegdheid die met de zesde staatshervorming aan de gewesten werd toebedeeld. In de Regeringsverklaring voor de legislatuur 20014-2019 lezen we over dierenwelzijn de algemene ambitie om een coherent beleid te ontwikkelen en een gericht controlesysteem tot stand te brengen zodat inbreuken niet ongestraft zouden blijven. Ook werd in de oprichting van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn voorzien, een responsabiliseringscampagne rond het houden van huisdieren, een oplossing voor de zwerfkatten, een verbod voor de chirurgische castratie van biggen en een regelgevend kader voor de invoer van gezelschapsdieren.  Het invoeren van een verbod op pelsdieren en onverdoofd slachten vinden we voor het eerst terug in de Beleidsnota Dierenwelzijn 2014-2019. De problematiek van het dwangvoederen wordt pas eerst in de Beleidsbrief Dierenwelzijn 2015-2016 vermeld. Terwijl een verbod op dwangvoederen en pelsdieren op weinig ethische bezwaren stuit, maar vooral een economisch verhaal betreft, ligt dit bij het verbod op onverdoofd slachten heel wat gevoeliger gezien de religieuze connotatie. Voor landbouwdieren wordt verder ook het nastreven van een voortrekkersrol binnen Europa vooropgesteld.

Onverdoofd slachten

Zoals ook in de beleidsnota staat, was de stelling van de minister dat het onverdoofd slachten van schapen op tijdelijke slachtvloeren niet in overeenstemming was met de Europese regelgeving. Afhankelijk van het partijstandpunt zullen door de leden van de commissie dan ook vrij snel een reeks initiatieven worden ingediend. Het voorstel van decreet van Hermes Sanctorum- Vandevoorde wat een pijnloze manier van sterven van te slachten dieren betreft van 6 oktober 2014 en het voorstel van decreet van het Vlaams Belang voor een algeheel verbod op onverdoofd slachten van 8 mei 2015 zetten daarbij meteen de toon. Daarentegen stuurt bijvoorbeeld de sp.a-fractie met het voorstel van resolutie betreffende de organisatie van het Offerfeest nog maximaal aan op overleg.

Sowieso moest er  een oplossing gezocht worden voor het vlotte verloop van het Offerfeest van 24 september 2015. Zolang het overleg met de sector liep, wilde de minister, ondanks de vele vragen, hier geen details over verstrekken. Zijn voorstel om de tijdelijke slachtvloeren nog voor 2 jaar toe te staan om nadien en totaalverbod op onverdoofd slachten in te voeren,  werd uiteindelijk niet aanvaard. Voor het Offerfeest werd het verbod op onverdoofd slachten in tijdelijke slachtvloeren dan ook toegepast en moest er voor voldoende alternatieven worden gezorgd. Lees hierover de gedachtewisseling van 26 augustus 2015 en 21 oktober 2015.

Tijdens het zittingsjaar 2015-2016 respecteerde het parlement de discretie, gevraagd door de minister . Lees hierover de bespreking van de Beleidsbrief Dierenwelzijn van 2015-2016.  Vooral de toepassing van het verbod op onverdoofd slachten buiten de erkende slachthuizen kwam verder op de agenda. De hoorzitting van 16 maart 2016 daaromtrent heeft evenwel ook het belang van het onverdoofd slachten voor de geloofsgemeenschappen als onderwerp.  Zie ook de vraag om uitleg van 13 april 2016 over de dagvaarding van de minister wegens het verbod op onverdoofd slachten op tijdelijke slachtvloeren.

Ondertussen werd door de voorzitter van het parlement op 25 mei 2016 het advies van de Raad van State ingewonnen over de vermelde voorstellen van decreet houdende de instelling van een verbod op onverdoofd slachten. Op 26 oktober 2016 werden, rekening houdend met de bedenkingen van de Raad van State betreffende de vrijheid van godsdienst, de voorstellen  weggestemd. Ontgoocheld over het getalm om in dit dossier een beslissing te nemen, verliet Hermes Sanctorum-Vandevoorde begin september 2016 de Groen-fractie en had voortaan als onafhankelijke zitting.

Intussen valt bij de vragen om uitleg van 5 oktober 2016 en ook de  Beleidsbrief Dierenwelzijn 2016-2017 vooral de aanstelling van Piet Vanthemsche als tussenpersoon voor de dialoog met de geloofgemeenschappen te noteren.  Daaruit vloeide dan uiteindelijk het algemeen verbod op onverdoofd slachten voort. De voorstelling van het rapport vond  plaats tijdens de gedachtewisseling van 29 maart 2017

Het decretaal verbod op onverdoofd slachten, waarvan de inwerkingtreding  tot 2019 werd uitgesteld, werd uiteindelijk vastgelegd in het voorstel van decreet van 26 juni 2017. Het werd door alle partijen ingediend met uitzondering van het Vlaams Belang, en is via spoedbehandeling in de plenaire aangenomen. Daarmee lijkt dit dossier ontmijnd.  In het verdere verloop van de legislatuur kwam de nadruk meer te liggen op de vastgestelde wantoestanden in de slachthuizen en het bewaken van het dierenwelzijn daarbij. Lees hierover het verslag van de hoorzitting van 6 juni 2018 over het analyse en adviesrapport 'Dierenwelzijn in de Vlaamse slachthuizen in 2017' van de onderzoeksgroep Dier & Welzijn.  

Het lot van het decretaal verbod op onverdoofd slachten bleef evenwel tot op het einde van de legislatuur onzeker, omdat tegen het decreet diverse beroepen tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof werden ingediend.  Voor het Hof een uitspraak kon doen, stelde het zelf op 4 april 2019 nog een reeks prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Pelsdieren

Vlaanderen telt 17 bedrijven met pelsdieren, met name nertsen. Omdat nog weinigen aanvaarden dat dieren gedood worden voor een luxeproduct en onderzoek van de afgelopen decennia uitwijst dat het welzijn van pelsdieren in de klassieke houderij ernstig in het gedrang is, wordt een verbod op de uitbreiding van de bestaande bedrijven in het vooruitzicht gesteld. Ook de oprichting van nieuwe bedrijven zou worden onmogelijk gemaakt. Er zou ook aandacht geschonken worden aan de minimumvoorwaarden voor de bestaande bedrijven, waarbij men afgaat op de aanbevelingen van de Raad van Europa.  

Al vrij snel diende ook door Hermes Sanctorum-Vandevoorde een voorstel van decreet houdende uitdoving van nertsenkwekerijen in Vlaanderen in. Het voorstel wilde tegen uiterlijk 2025 alle pelsdierhouderijen laten stoppen. Omdat verder overleg met de sector gewenst was, stemde de meerderheid dit voorstel weg bij de behandeling op 11 februari 2015. Een begin van regeling liet evenwel nog even op zich laten wachten. Het voorstel van decreet van de sp.a-fractie van houdende instelling van een verbod op pelsdierfokkerijen, ingediend op 9 september 2015, werd nooit behandeld.

De Beleidsbrief Dierenwelzijn 2015-2016 kondigde een decretale regeling  aan die een uitdovingsbeleid voor pelsdierhouderijen invoerde. In 2016 zouden ook de minimumvoorwaarden voor de bestaande pelsdierhouderijen opgesteld worden. Op 16 februari 2016 waren er daaromtrent  de vraag om uitleg van Jelle Engelbosch aan minister Joke Schauvliege over een flankerend beleid voor pelsdierhouderijen  en op 17 februari 2016 de actuele vraag van Jelle Engelbosch aan minister Ben Weyts over een mogelijke doorbraak binnen de Vlaamse Regering voor het geblokkeerde dossier van een verbod op pelsdierhouderijen.

Nadien kwamen er vooral vragen over de uitblijvende regeling. Zie bijvoorbeeld de gekoppelde vragen om uitleg van 24 mei 2017 over een totaalverbod voor nertsenkwekerijen, of de vraag om uitleg van 21 juni 2017 over de uitbreiding van nertsenkwekerijen en de gevolgen daarvan voor het uitdoofscenario.

Uiteindelijk werd er pas met het indienen van het ontwerp van decreet houdende een verbod op het houden van pelsdieren en op het houden van dieren voor de productie van foie gras door middel van dwangvoedering een concrete regeling in het vooruitzicht gesteld. Het ontwerp werd begin juli 2018 principieel door de Vlaamse Regering goedgekeurd en in januari 2019 in het parlement ingediend. Lees hieromtrent nog de vraag om uitleg van 3 oktober 2018.

Het ontwerp werd ten slotte in maart 2019 door het parlement aangenomen. Het wijzigde de Dierenwelzijnswet door de invoering van twee nieuwe hoofdstukken. De bepalingen voor pelsdieren en voor het houden van dieren voor de productie van foie gras door middel van dwangvoedering lopen daarbij gelijk. Zij bestaan in een onmiddellijk verbod op het opstarten, exploiteren of aanhouden van bedrijven waar pelsdieren of dieren voor de productie van foie gras door middel van dwangvoedering worden gehouden. Bedrijven die actief zijn op het moment van inwerkingtreding kunnen hun activiteiten voortzetten tot 30 november 2023. Vergoedingen worden toegekend voor een bedrijfsstopzetting of een bedrijfsreconversie. Verder wordt een versnelde stopzetting nagestreefd door gebruik te maken van een degressieve vergoeding die daalt met het verstrijken der jaren.

Dwangvoederen

De thematiek van het dwangvoederen in Vlaanderen is beperkt omdat er maar één producent van foie gras actief is. Het probleem werd voor het eerst aangekaart met de vragen om uitleg van 11 februari 2015.  Die werden gesteld naar aanleiding van het verschijnen van meer natuurlijke en diervriendelijke methodes voor de productie van foie gras. Probleem is dat ze geen label kunnen krijgen omdat Europese regelgeving een bepaald minimaal gewicht oplegt. Het aankaarten van dit probleem op Europees niveau werd dan ook in  de Beleidsbrief Dierenwelzijn 2015-2016  opgenomen.

In februari 2016 werd door Hermes Sanctorum-Vandevoorde een voorstel van decreet houdende het invoeren van een verbod op dwangvoederen ingediend. Het voorstel werd in december 2017 besproken maar door de meerderheid verworpen, onder meer omdat de minister een driejarige studieopdracht uitschreef naar nieuwe teelttechnieken, waarop men wilde wachten.  Voor deze studie verwijzen we naar de vraag om uitleg van 13 april 2016.

Zoals vermeld werd uiteindelijk met hetzelfde ontwerp van decreet als voor de pelsdieren, en mede gesteund door een advies van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn van april 2018, een verbod op dwangvoederen ingesteld.

 

Nuttige info:

Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening, Energie en Dierenwelzijn

Vlaams Ministerie Omgeving:

  1. Departement Omgeving (departement)
  2. Vlaams Energieagentschap (VEA) (IVA zonder rechtspersoonlijkheid)
  3. Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) (IVA zonder rechtspersoonlijkheid)
  4. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) (IVA zonder rechtspersoonlijkheid)

De agentschappen met rechtspersoonlijkheid:

  1. Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) (IVA met rechtspersoonlijkheid)
  2. Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) (IVA met rechtspersoonlijkheid)
  3. Vlaamse Landmaatschappij (VLM) (EVA publiek)
  4. Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG) (EVA publiek)

De strategische adviesraden

  1. Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad)
  2. Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening-Onroerend Erfgoed (SARO)