Verslag vergadering Commissie voor Economie, Werk, Sociale Economie, Wetenschap en Innovatie
Verslag
De heer Ronse heeft het woord.
Er is een interessante studie van het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA) over het inzetten van instrumenten voor werkgevers ter aanpassing van het arbeidsvolume op de arbeidsmarkt. Dat onderzoek gaat in op het gebruik van tijdelijke werkloosheid. Er zijn enkele interessante vaststellingen. De grootte van de onderneming, de financiële situatie en het aandeel van vijftigplussers en de levensfase van een onderneming zijn echt bepalende factoren. De algemene conclusie is dat de steun vooral terecht is gekomen bij ondernemingen die de steun op korte termijn gezien slechte vooruitzichten en precedenten van vóór corona ook echt nodig hadden. Dat is goed nieuws. Het betekent dat de mensen die beroep hebben gedaan op tijdelijke werkloosheid, ook de personen waren voor wie de steunregeling was uitgewerkt. Het bleek dus een efficiënte buffer tegen ontslag, maar zorgde voor minder aanwervingen, waardoor wie werkloos was, nog minder kansen kreeg. Daardoor haperde de motor voor het invullen van vacatures. De onderzoekers besluiten: “Dit patroon tempert de dynamiek die hoort bij een heroplevende economie.” Zij zeggen ook: “Hoe langer men afhankelijk blijft van tijdelijke werkloosheid en hoe structureler het stelsel wordt ingezet, des te groter zijn de nadelen met betrekking tot de individuele loopbaan van werknemers.”
Er zijn dus twee conclusies te trekken uit die HIVA-studie over tijdelijke werkloosheid. Er is een zeer positieve conclusie: het was een perfecte schokdemper. Dat sluit aan bij het sentiment van veel collega’s. Dat instrument heeft er echt voor gezorgd dat veel bedrijven de crisis zijn doorgeraakt. Maar er is een tweede conclusie, die ook aansluit bij ons sentiment en onze intuïtie. De individuele loopbaan van de werknemers is enigszins gefnuikt door een tijdlang in die tijdelijke werkloosheid te zitten. Hoe langer men inactief is, hoe moeilijker het is om iemand te heroriënteren, zeker naar andere sectoren. In deze commissie zijn al pleidooien gehouden om sneller iemand in tijdelijke werkloosheid te vatten. Wij hebben zelfs even gekeken naar Nederland, waar men een loonsubsidie had, wat de tweede conclusie wat voorkomen kon hebben. Dat wordt nu bevestigd in de HIVA-studie.
Ik heb hierover volgende vragen.
Welke lessen trekt u, minister, uit dit onderzoek?
Op welke manier wordt de inzet en de effecten van de tijdelijke werkloosheid geëvalueerd en opgevolgd? Kan die evaluatie bijdragen om de tijdelijke werkloosheid aan te passen en aan de slag te gaan met de tijdelijk werklozen, bijvoorbeeld door een automatische inschrijving, het voorzien in een competentiecheck, een opleidings- en begeleidingsaanbod op maat, de koppeling aan vacatures waar er enorme noden zijn enzovoort? Ik vond het jammer te zien toen corona hoogtij vierde, dat er veel tijdelijke werkloosheid was in bepaalde sectoren en er in andere sectoren veel handen te kort waren. Dat had sneller gematcht kunnen worden.
Wordt de piste van een loonsubsidie, het Nederlandse model, nog onderzocht? Op welke manier zou dit een oplossing kunnen zijn voor de kritische succesfactoren van de tijdelijke werkloosheid?
Minister Crevits heeft het woord.
Collega, dank u wel voor de interessante vraag.
U hebt al een aantal zaken over het onderzoek geciteerd, waardoor ik een aantal zaken niet hoef te herhalen.
We zagen tijdens de coronacrisis een aantal interessante patronen over de sectoren heen. Zo is het patroon van de industriesectoren en de bouw in de eerste coronagolf bijvoorbeeld veelzeggend. Eerst was er een duidelijke piek in de tijdelijke werkloosheid en een gelijktijdige terugval van de aanwervingen. Ook de uitzend- en studentenratio viel terug. Dat wijst erop dat ondernemingen in de industrie onmiddellijk hebben ingezet op een daling van het arbeidsvolume via het stopzetten van de uitzendcontracten, maar dat ook tijdelijke werkloosheid samen met een aanwervingsvermindering nodig bleek. Aan de uitstroom verandert er dan weinig. Die sectoren hernamen in de tweede coronagolf zeer snel hun precoronapatroon. Zeker de externe flexibele schil, opgebouwd vanuit uitzendwerk en studentenwerk, is hersteld, terwijl ook de inzet op tijdelijke werkloosheid enorm is gedaald. We merken duidelijk dat in deze sectoren enkel het gedaalde aantal aanwervingen een probleem blijft.
We hebben in het onderzoek ook de werknemersprofielen laten monitoren. Er zijn ook wat dat betreft diverse kenmerken waar te nemen. Zo stroomden oudere werknemers in grotere mate uit, maar de jongere groep werknemers zat vaker en langer thuis in tijdelijke werkloosheid. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat sectoren als de horeca of de evenementensector, die door de strenge coronamaatregelen uiteraard zwaarder werden getroffen, vaker dan gemiddeld zulke jonge mensen aanwerven.
De onderzoekers hadden ook oog voor de verschillen op individueel bedrijfsniveau. Kleinere bedrijven en bedrijven met een groter aandeel vijftigplussers maakten iets vaker gebruik van tijdelijke werkloosheid. Het onderzoek concludeert daarbij dat de steun voornamelijk is terechtgekomen bij die ondernemingen die dat op korte termijn het meest nodig hadden. Algemeen leer ik ook uit het onderzoek dat het belangrijk is dat we werknemers, en zeker zij die al kwetsbaar zijn, niet te lang in tijdelijke werkloosheid mogen houden. Het is belangrijk dat we hen ondertussen opleiden en omscholen naar een andere job.
Uw tweede vraag gaat natuurlijk over de discussie over de tijdelijke werkloosheid. We hebben die al heel vaak gevoerd de voorbije twee jaar. Dat is federale materie. Het is ook federale regelgeving die bepaalt in welke gevallen de werkgever tijdelijke werkloosheid kan inroepen et cetera. Naar aanleiding van de coronacrisis én de gedane vaststellingen heb ik echter diverse stappen gezet om in dialoog te gaan met de federale overheid om de regelgeving inzake tijdelijke werkloosheid te herzien. Na advies van het interfederale platform heeft de interministeriële conferentie (IMC) van maart 2022 beslist om de artikelen over tijdelijke werkloosheid in het koninklijk besluit (KB) inzake werkloosheid te herzien. Wij zullen meer ruimte krijgen om deze doelgroep sneller te kunnen activeren. Ik verwacht dat die voorstellen nu aan de regio’s zullen worden bezorgd. We hadden ze eigenlijk vorige week moeten krijgen, maar ik heb ze nog niet. Ik probeer rustig te blijven.
VDAB voorziet in dienstverlening voor kwetsbare werknemers, waaronder de tijdelijk werklozen, en evalueert die ook op regelmatige tijdstippen. U kent het schema: de tijdelijk werklozen die zich inschrijven, worden toegeleid naar partners die de verdere begeleiding van de tijdelijk werkloze op zich nemen als hij of zij op het aanbod ingaat. Collega’s, het onderzoek en al mijn vragen maken mij nog meer overtuigd van het grote belang van het echt moeten kunnen begeleiden van tijdelijk werklozen, in hun eigen belang. Dat vergt dat ze worden ingeschreven bij VDAB.
Dan is er de vraag over de loonsubsidie. Het systeem van tijdelijke werkloosheid heeft zijn rol gespeeld. Bovendien is onze Vlaamse bevoegdheid voor loonkostensubsidies veeleer beperkt, tot deze die kunnen worden gelinkt aan de kenmerken van de werknemer. We hebben de focus gelegd op het aanbieden van opleiding aan personen in tijdelijke werkloosheid en bemiddeling naar vacatures in sectoren waar er tekorten waren. We blijven ook inzetten op wijzigingen aan het systeem van tijdelijke werkloosheid. Dat neemt niet weg dat de ontwikkelde coronabeschermingsmaatregelen eigenlijk ook voor een stukje als een loonsubsidie kunnen worden beschouwd. De doelstelling van ons beschermingsmechanisme was expliciet het compenseren van vaste kosten, dus ook voor het personeel dat aan de slag moest worden gehouden, ook bijvoorbeeld bij de voorschotregeling voor events. De herboekingsvergoeding in de eventsector is ook uitgewerkt als een systeem van compensatie van personeelskosten die gepaard gingen met de noodzakelijke en massale herboekingen.
Er is eigenlijk één sector die echt naar zo’n loonsubsidie vraagt. Wij blijven daarmee overleggen om te bekijken of daar eensgezindheid over kan ontstaan. Het is immers een iets complexer probleem om dat op een van de beide niveaus in werking te laten treden dan aanvankelijk gedacht.
De heer Ronse heeft het woord.
Minister, ik deel de conclusie uiteraard dat we er zo snel mogelijk moeten bij zijn en dat die automatische inschrijving een goede zaak is. Ik hoop, als de nood zich ooit voordoet, dat de automatische inschrijving zal lonen en dat we door er zeer kort bij te zijn, gaan kunnen vermijden dat mensen echt in langdurige inactiviteit terechtkomen.
Het zou trouwens interessant zijn – ik heb dat nu niet opgevraagd, ik ga er ook geen schriftelijke vraag over stellen want ik zou veel mensen hoofdpijn bezorgen, het is bijna onmogelijk trouwens, maar we zouden het eigenlijk moeten kunnen weten – te weten hoeveel mensen in tijdelijke werkloosheid of in de klassieke werkloosheid zitten, en vandaag nog altijd geen job hebben. Dan kunnen we de impact zien van er niet snel bij geweest te zijn inzake de carrièrekansen van mensen. Dat zou interessant zijn om te zien.
Wat betreft de voorstellen zelf deel ik uw ongeduld, minister. Kijk, ik zie dat ze misschien net binnengekomen zijn op de gsm van de voorzitter, en dat u mee aan het lezen bent. Nee, ik wacht mee de voorstellen af.
Nog een laatste puntje, wat ik ook heel interessant vind, los van de tijdelijke werkloosheid – en dat kost de overheid geen geld –, is het delen van werknemers uitbreiden. Ik ben niet zo hard thuis in die wetgeving, maar ik weet dat bedrijven een samenwerkende groep kunnen vormen met een pool van maximum vijftig werknemers. Ik denk dat we moeten durven nadenken over een uitbreiding, een beetje meer flexibiliteit. Als we zoiets stimuleren, vermijden we de uitkering voor tijdelijke werkloosheid en creëren we voor heel veel werknemers een permanente tewerkstelling. Dat is ook zeer boeiend, want afwisselend op de diverse werkvloeren. Als we naar een arbeidsmarkt 2.0 gaan, moeten we dat durven bekijken. Bent u dat ook genegen of niet?
Minister Crevits heeft het woord.
Collega Ronse, het is inderdaad een boeiende problematiek. Ik heb ook geluisterd naar uw repliek bij de vorige vraag om uitleg. De twee hebben met elkaar te maken. Ik voel een zekere dualiteit. Aan de ene kant moeten we tijdelijke werklozen aanklampend kunnen begeleiden om ze desgevallend naar een andere job te helpen. Aan de andere kant zijn de werkgevers bang dat we te assertief optreden en dat mensen gaan overstappen naar een andere job en dat ze daardoor hun personeel kwijtraken. Diezelfde werkgevers die mensen op tijdelijke werkloosheid hebben, klagen dat er een grote krapte aan personeel is. Er zit dus wat spanning op. Ik begrijp die spanning.
Maar we mogen mensen in tijdelijke werkloosheid en ook gewoon werkenden altijd contacteren met jobaanbiedingen, zeker als ze zich inschrijven. Begin deze week las ik nog een hele commentaar rond het feit dat mensen moeilijk van job veranderen en dat het een goede zaak is dat men dat doet. Ik moet dat mogen uitspreken, maar een werkgever heeft dit niet graag, hij wil liever dat de mensen bij hem blijven. We moeten daar een beetje consequent in zijn.
Cijfers over tijdelijk werkzoekenden die doorstromen naar werkzoekenden heb ik niet.
Inzake de flexibele samenwerkingsvormen deel ik uw sentiment. Het wordt ook in de sociale economie heel intens gedaan. Er wordt nu samen met VDAB geëxperimenteerd binnen CareerFlow, een proefproject dat vormgeeft aan de transitiepunten. We vragen net in het kader van al de vragen rond asymmetrie zulke transitietrajecten nog meer mogelijk te maken als een job onder druk staat. U weet dat we zo’n systeem hebben. Als je in een sector werkt met dreigende werkloosheid kun je al tijdelijk gaan werken in een ander bedrijf. Maar ook dat valt bij de werkgevers niet altijd in even goede aarde. Toch is het noodzakelijk, zeker in tijden van grote arbeidskrapte.
De heer Ronse heeft het woord.
Een kritische noot voor de werkgevers, misschien niet op individueel niveau, maar minstens wel op interprofessioneel niveau. Ik denk niet dat wat dé werkgevers zeggen altijd strookt met de belangen van onze arbeidsmarkt. Ik vind dat we daar vooruit moeten kijken, zeker als we zien hoe makkelijk de Unie van Zelfstandige Ondernemers (UNIZO) meegaat in bijvoorbeeld het brugpensioen op federaal niveau in de Groep van Tien. Ik vind dat stuitend. De individuele leden denken daar anders over. Het navelstaren in de zin van ‘ik mag mijn werknemers niet verliezen’ moet stoppen. Het gaat over loopbaanzekerheid voor de mensen. Ik denk dat we daar met een genuanceerde bril naar moeten kijken.
In het laatste SERV-advies (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) dat we hier met Hans Maertens hebben besproken, stelde men zelfs voor om premies te geven aan uitkeringsgerechtigde werkzoekenden als ze een knelpuntopleiding zouden volgen. Sindsdien is mijn standpunt over de mening van werkgevers of hun organisaties toch wel wat kritischer geworden. Ik hoop dat we kunnen gaan naar nieuwe eigentijdse manieren van het sharen van werknemers. Er zit zelfs een evolutie op het statuut werkgever/werknemer. We moeten daar met een gedurfde vernieuwende bril naar kijken.
De vraag om uitleg is afgehandeld.