U bent hier

Commissievergadering

dinsdag 14 juli 2015, 13.54u

Voorzitter

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, Kind & Samenleving publiceerde onlangs de resultaten van hun onderzoek naar het speelpleinwerk in Vlaanderen en Brussel. Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media van de Vlaamse overheid. Er werden 316 speelpleinverantwoordelijken en 2010 animatoren uit 109 werkingen betrokken. In elf uiteenlopende speelpleinwerkingen werd dieper onderzoek gedaan door middel van observaties van speelpleinwerkingen.

De grootste bekommernis die in het onderzoek terugkomt, is de moeilijke balans tussen een strikt gereglementeerd schema en het vrij laten spelen. De vraag hoe flexibel dit systeem wordt toegepast, bepaalt mee de speelkansen en de vrijheid die kinderen op een speelpleindag ervaren. Mogen ze bijvoorbeeld afhaken uit een activiteit omdat ze moe zijn of omdat ze gewoon geen zin meer hebben? De Vlaamse kinderrechtencommissaris, Bruno Vanobbergen, is van mening dat al genoeg tijd van kinderen voorgestructureerd is: “Kinderen geven duidelijk aan dat ze ook wel eens tijd willen die ze zelf mogen invullen.”

Het onderzoek stipt verder nog enkele andere bekommernissen aan. Zo vindt slechts een kwart van de verantwoordelijken dat de speelpleinwerking ook voor opvang moet zorgen. Tegelijk stelt men vast dat slechts een minderheid van de werkingen niet in een opvangfunctie voor en na de speelpleindag voorziet.

Speelpleinwerkingen ondervinden ook moeilijkheden met de indeling van hun terrein. Twee derde van de speelpleinwerkingen hebben hun terrein niet exclusief ter beschikking. Ze delen het met een school, een jeugdbeweging, een sportzaal of een gemeentelijk speelterrein. 37 procent vindt dit een belemmerende factor voor de eigen werking.

Minister, ik leg u in het licht van het onderzoek graag de volgende vragen voor. Hoe beoordeelt en evalueert u, als Vlaams minister van Jeugd, de bevindingen uit het grote speelpleinonderzoek?

Het grote speelpleinonderzoek formuleert ook een aantal beleidsaanbevelingen voor de Vlaamse overheid, onder andere met betrekking tot een veelzijdig terrein, de opvangrol, de diversiteit en de animatoren. Wat is uw houding omtrent de verschillende beleidsaanbevelingen uit het rapport? Wilt u aanbevelingen meenemen in uw toekomstig beleid? Waarom wel of waarom niet?

Specifiek wat betreft het medegebruik geeft u in uw beleidsnota Jeugd 2014-2019 aan dat “de mogelijkheid tot medegebruik onderzocht moet worden bij zowel planning, ontwikkeling en inrichting van nieuwe ruimte, als bij het gebruik van bestaande ruimte”. U zou hierbij focussen op zowel publieke als private ruimte. Hebt u hiervoor reeds concrete stappen kunnen zetten? Welke resultaten hebt u reeds kunnen boeken? Graag kreeg ik daar enige toelichting bij.

Mevrouw Soens heeft het woord.

Voorzitter, ik dank mevrouw Van Eetvelde voor haar vraag. Ik heb het onderzoek ondertussen ook gelezen, en ik heb nog twee bijkomende puntjes die ik graag even wil aanhalen.

We zien in het onderzoek dat de diversiteit op het speelplein geen weerspiegeling is van de diversiteit in de buurt. Bovendien blijkt dat slechts een minderheid van de werkingen daadwerkelijk acties onderneemt om die diversiteit te verbeteren. Een kwart van de werkingen heeft ook al eens kinderen met een beperking moeten weigeren omdat de werking er niet op is afgestemd.

Een van de aanbevelingen uit het onderzoek is dan ook de volgende. Binnen het jeugdwerk vormt de speelpleinwerking een sterke hefboom voor sociale participatie van maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. De Vlaamse overheid dient het lokale niveau hierin aan te moedigen en hiervoor een referentiekader aan te bieden. Hoe zult u dat doen?

Een tweede puntje betreft de grens tussen jeugdwerk, speelpleinwerk en kinderopvang. Als we naar speelpleindagen van 9,5 uur gaan, zijn dat voor zowel de kinderen als voor de animatoren heel erg lange dagen. De vraag is of dat wenselijk is. Jeugdwerk is toch veel meer dan een goedkope kinderopvang? Speelpleinwerking is toch veel meer dan een goedkope kinderopvang? Vanuit mijn fractie zou ik u willen vragen om dat mee in het oog te houden.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Voorzitter, dames en heren, op 1 juli kreeg ik inderdaad voor het eerst de kans als minister van Jeugd om de speelpleinzomer te openen – sommigen onder u hebben ook gezien hoe dat afgelopen is. (Gelach)

Op die dag konden ook de resultaten van het grote speelpleinonderzoek, uitgevoerd door Kind & Samenleving in opdracht van de afdeling Jeugd van het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media (CJSM), worden voorgesteld aan de pers. Ik kan dit onderzoek, dat in een reeks van onderzoeken naar verschillende jeugdwerkvormen past, alleen maar toejuichen. Het onderzoek werd grondig gevoerd. 316 organisatoren en maar liefst 2010 monitoren namen de moeite om de vragenlijst in te vullen. Naast de mening van organisatoren en monitoren werd ook de beleving van kinderen die deelnemen aan het speelpleinwerk, in kaart gebracht.

Deze verschillende perspectieven maken het onderzoek bijzonder interessant. Het onderzoek brengt vooral een positieve boodschap over het belang van speelpleinwerk als unieke jeugdwerkvorm die ook een belangrijke opvangfunctie vervult, maar zich door de aard van werking, de organisatie, het aanbod en bovenal door de begeleiding, sterk onderscheidt van de sector buitenschoolse kinderopvang.

Ook in vergelijking met onze buurlanden blijkt het Vlaamse speelpleinwerk een uniek fenomeen, dat een belangrijke meerwaarde biedt voor zowel de deelnemende kinderen als voor de monitoren en dat we dus moeten koesteren. Het klopt dat dit onderzoek naast aanbevelingen voor lokale besturen, speelpleinorganisatoren en ondersteunde organisaties ook aanbevelingen bevat voor de Vlaamse overheid.

Als u me nu vraagt wat mijn houding is ten opzichte van deze aanbevelingen en welke ik al dan niet zal meenemen in het toekomstig plan, dan kan ik u daarop nog geen definitief antwoord geven. Het onderzoek werd pas opgeleverd. Het is dus erg snel om nu al grote uitspraken te doen en beloften te maken op basis van de opgenomen aanbevelingen.

Toch wil ik al enkele sporen openen waarop we kunnen voortbouwen en die aansluiten bij mijn beleidsnota en bij het Vlaams Jeugd- en Kinderrechtenplan dat we normaal gezien vrijdag goedkeuren.

Ik ben er mij, ten eerste, van bewust dat er nog heel wat uitdagingen zijn om vrijwilligers beter te ondersteunen dan vandaag al gebeurt. Daarom bereid ik momenteel een traject voor om een gecoördineerd vrijwilligersbeleid beter vorm te geven. U weet dat we daarover al een aantal beginnende discussies hebben gevoerd. We zullen dat in het najaar zeker concreter kunnen voortzetten.

Ten tweede wordt er specifiek voor het jeugdwerk vandaag ook een nieuw decretaal systeem uitgerold voor de organisatie en erkenning van kadervorming van onder meer de speelpleinanimatoren. Jeugdverenigingen worden expliciet erkend voor het organiseren van kadervorming. Ook de attesten die animatoren ontvangen, worden gekoppeld aan deze erkenning. Uit het onderzoek blijkt dan ook dat een goede opleiding en ondersteuning van animatoren en organisatoren een belangrijke voorwaarde vormen voor een goede speelpleinwerking. Een belangrijke rol blijft hier weggelegd voor verenigingen als de Vlaamse Dienst Speelpleinwerking (VDS), de Vereniging Vlaamse Jeugddiensten en -consulenten (VVJ), VIVES en andere.

Ten derde blijkt dat er een grote nood is aan een goede afbakening van de speelplein- en de opvangfunctie binnen het speelpleinwerk. Dat is al door een aantal van jullie aangehaald. Een betere afstemming tussen verschillende lokale actoren die in de vakantieperiodes een speelplein- of opvangaanbod ontwikkelen, is dan ook erg belangrijk. Minister Vandeurzen is deze oefening reeds gestart en zal weldra verder het initiatief nemen om deze afstemming te stimuleren en te optimaliseren. Wij zullen dit inderdaad van zeer nabij opvolgen.

Ten vierde zijn, zoals u zelf al aanhaalt, niet alleen de animatoren van groot belang, maar zijn ook de ruimte en de omgeving waarin het speelpleinwerk kan plaatsvinden een belangrijke voorwaarde voor een goede speelpleinwerking. Gezien de tijdelijke aard van de speelpleinwerking blijkt het inderdaad niet altijd eenvoudig om een geschikte ruimte te vinden waar de werking kan plaatshebben. De meerderheid van de speelpleinwerkingen deelt dan ook zijn ruimte met andere verenigingen.

Medegebruik is dan ook een belangrijk thema binnen het jeugdbeleid, zowel op Vlaams als op lokaal niveau. De Ambrassade maakt momenteel werk van een uitgebreid onderzoek rond medegebruik. Een aantal praktijkvoorbeelden worden in kaart gebracht. Niet alleen de gedeelde ruimtes zelf worden geïnventariseerd, ook belevingen van gebruikers, eigenaars, uitbaters enzovoort van deze ruimten worden in kaart gebracht.

Op basis hiervan zal dan worden getracht om aandachtspunten voor medegebruik op te lijsten. Het is de bedoeling om goede voorbeelden te verspreiden onder lokale besturen en verenigingen.

Ten vijfde wordt in het nieuwe Jeugd- en Kinderrechtenplan waarnaar ik al kort verwees en dat vrijdag op de agenda van de ministerraad staat een doelstelling rond medegebruik geformuleerd. Hier wordt uiteraard uitgekeken naar de acties die mijn collega van Omgeving samen met ons zal ontwikkelen. Vooral een kader ontwikkelen voor de tijdelijke inrichting en ingebruikname van een ‘niet benutte’ ruimte is hier een belangrijke doelstelling, die de druk op de ruimte tijdelijk kan verminderen. Aangezien ook scholen in de vakanties vaak hun deuren openstellen voor de speelpleinwerking, zal ook mijn collega bevoegd voor het onderwijs een belangrijke partner zijn bij het streven naar kwaliteitsvolle ruimte voor het speelpleinwerk.

Ten slotte mag ook de verantwoordelijkheid van de lokale besturen, die vaak eigenaar of beheerder zijn van ruimten die worden gebruikt voor het speelpleinwerk, niet worden onderschat. Hen tracht ik onder meer via het label kindvriendelijke steden en gemeenten en via de prijs voor jeugdgemeente van Vlaanderen te stimuleren hierop in te zetten.

Mevrouw Soens, ik stel voor dat we nog even de afwerking van het Jeugd- en Kinderrechtenplan afwachten. Dat gebeurt vrijdag, ik beloof het u. Daarin kunnen we dan uw bekommernissen rond diversiteit meenemen. Het is natuurlijk zo dat het speelpleinwerk op dit ogenblik een van de meer laagdrempelige vormen is om die diversiteit niet perfect, maar toch al in grote mate te laten doorstromen. We zullen verder bekijken hoe we dit kunnen versterken in het kader van de vele acties die in het Jeugd- en Kinderrechtenplan worden opgelijst.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. Het onderzoek is zeer recent. Ik begrijp dat u nog niet onmiddellijk een concreet plan kunt voorleggen. Daarom wil ik graag nog eens de punten aanhalen die voor ons belangrijk zijn. Het is inderdaad niet eenvoudig om het evenwicht te bewaren tussen de speel- en de educatieve factor. Dat is inderdaad een zeer dunne grens. Ik denk dat we er vooral over moeten waken dat we de normen en waarden van die speelpleinwerking bewaren en garanderen, zodat jongeren op een speelse en toffe manier samen kunnen zijn en plezier maken. Daarbij kunnen er sociale banden worden gesmeed en kunnen de sociale cohesie en de gemeenschapsvorming worden bevorderd.

Het is inderdaad zo dat ouders steeds meer naar de speelpleinwerking kijken als een soort opvang na de uren van de echte speelpleinwerking. Heel vaak zorgt dit voor een extra belasting van de animatoren en mentoren. Vaak zijn dat jonge mensen. We moeten misschien eens kijken naar de ouders. Zij moeten daarin hun verantwoordelijkheid nemen. Het is inderdaad noodzakelijk dat we daaraan aandacht besteden. Ook in het kader van het gecoördineerd vrijwilligersbeleid is het belangrijk dat we dat bewaken.

U hebt heel wat uitleg gegeven over het probleem inzake het medegebruik. Er leeft inderdaad steeds meer de vraag naar een gecombineerd medegebruik. U kent dat heel goed. Het gaat over het openstellen van de schoolinfrastructuur en degelijke. Ik heb dat ook al gesuggereerd in het verleden. Ik ben daar absoluut voorstander van. We moeten daar echt werk van maken. Ik zie in verschillende beleidsnota’s veel aanknopingspunten om daarin tijdens deze legislatuur stappen te zetten en er werk van te maken. Dat is voor ons een heel belangrijk aandachtspunt. Ik zal dat blijven opvolgen.

Verder moeten lokale overheden aandacht hebben voor een aantrekkelijke omgeving en speel- en beweegruimtes. Dat is een van de belangrijke doelstellingen voor lokale overheden. Het is hun verantwoordelijkheid, maar de overheid kan misschien flankerende maatregelen of instrumenten aanreiken en een aantal goede voorbeelden ondersteunen.

Wat de diversiteit betreft, moeten we er aandacht voor hebben om de drempels om te participeren aan jeugdwerk en speelpleinwerking zo laag mogelijk te houden. Het is een specifieke keuze geweest om slechts beperkt te besparen op de subsidies die naar mensen in de praktijk gaan. Daarnaast zien we wel dat jeugd- en speelpleinwerkingen te kampen hebben met besparingen van andere overheden en andere inkomsten zien inkrimpen. We moeten daar aandacht voor blijven hebben.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.