U bent hier

De voorzitter

De heer Verstreken heeft het woord.

De heer Johan Verstreken (CD&V)

Op 21 mei 2015 organiseerden het projectsecretariaat ‘100 jaar Groote Oorlog’ en het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed (FARO) een informele rondetafelconferentie  over de herdenking van 100 jaar Groote Oorlog. Zo’n twintig erfgoedwerkers en onderzoekers evalueerden het voorbije herdenkingsjaar in Vlaanderen en verzamelden insteken met het oog op de herdenking van 100 jaar Wapenstilstand.

Wat de erfgoedsector betreft, stelden de aanwezigen van de rondetafelconferentie vast dat er een zeer groot aanbod was aan tentoonstellingen, lezingen, evenementen, fiets- en wandelroutes met een grote publieke belangstelling. Toch is voor een aantal zaken het verzadigingspunt al bereikt. Daarnaast vonden ze het jammer dat subsidies van lokale, provinciale of Vlaamse overheden vooral werden toegekend aan publieksgerichte projecten en infrastructuurwerken, en minder naar digitaliserings- of archiveringsprojecten.

De deelnemers van de rondetafelconferentie waren van oordeel dat academisch onderzoek naar de Eerste Wereldoorlog vooral moet worden gefinancierd door de federale of de Waalse overheid, en dat de Vlaamse overheid onvoldoende inspanningen heeft geleverd om wetenschappelijk en historisch onderzoek rond de Eerste Wereldoorlog te bevorderen.

Wat het onderwijs betreft, zijn de deelnemers van de rondetafelconferentie van mening dat het helemaal niet duidelijk is hoe de Eerste Wereldoorlog in de klas werd aangekaart en dat hier veel kansen onbenut bleven. Naast de evaluatie blikten de deelnemers al vooruit naar de herdenking van 100 jaar Wapenstilstand, dat breder moet gaan dan het ‘nooit meer oorlog’-verhaal. Volgens de deelnemers nodigt de thematiek uit om verder na te denken over het sociaal beleid van de jaren 20 en de politieke en sociaal-economische geschiedenis van België in de 20e eeuw.

Maar hiervoor is het belangrijk dat de verschillende actoren meer samenwerken. De erfgoed-, onderwijs- en onderzoekswereld kunnen meer voor elkaar betekenen dan het voorbije jaar het geval is geweest. De deelnemers aan de rondetafelconferentie suggereerden dat FARO en het projectsecretariaat een vast overlegplatform oprichten voor geïnteresseerden uit de verschillende sectoren.

Minister, wat is uw visie op de bedenkingen en voorstellen van de deelnemers van de rondetafelconferentie? Hoe zal bij de verdere herdenking van de Eerste Wereldoorlog rekening worden gehouden met de projecten en bedenkingen van de rondetafelconferentie? Op welke manier zullen de projecten en het beleid worden bijgestuurd, indien nodig? Bent u het voorstel van een overlegplatform genegen? Indien ja, hoe zal dit worden uitgewerkt?

Van verschillende kleinere sociaal-culturele organisaties die niet professioneel maar wel semiprofessioneel bezig zijn en die mooie projecten hebben – ik heb het over lokale erfgoedverenigingen die mooie zaken doen, lokale organisaties die wandeltochten organiseren – kreeg ik meer dan dertig reacties, maar ze zeggen dat ze niet in aanmerking komen. Ze dienen aanvragen voor subsidies in. Waarom gaat het allemaal naar dezelfde spelers? Met een kleine subsidie zouden ze nochtans al serieus geholpen zijn. Waarom was het niet mogelijk? Kan het in de komende jaren nog worden aangepast of bijgestuurd?

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed organiseerde dit overleg. De rondetafelconferentie is slechts bijgewoond door vijftien deelnemers uit heel Vlaanderen en het waren bijna allemaal mensen uit de cultureel-erfgoedsector. Ik zal de deskundigheid van die mensen niet in twijfel trekken, maar om te komen tot een representatief geheel… Stel u voor dat we met professor Luc De Vos en zijn assistenten gaan spreken, alleen al over de historische publicaties die er in Vlaanderen zijn gebeurd, dan zou je een enorm overzicht krijgen. Ik verwijs naar het werk dat De Vos samen met Bostyn en een derde auteur, wiens naam me ontsnapt, heeft gepubliceerd, dat wordt een van de standaardwerken over het Belgische verhaal in de Eerste Wereldoorlog. Alleen al aan de laatste publicaties heb ik een hele rij boeken om, als ik ooit de pensioenleeftijd bereik, een paar jaar in te lezen. Er is enorm veel gepubliceerd.

Ik weet niet of het echt wel op basis van die ene rondetafelconferentie met maar vijftien mensen, en dan nog uit één sector, mag worden geconcludeerd. Het is goed dat ze een aantal thema’s onder de aandacht brengen, en aandacht vragen voor bepaalde zaken. Heeft dat nu voor de gewone mens bijgedragen tot een beter inzicht in de Eerste Wereldoorlog? Die vraag krijg je herhaaldelijk. Iemand als De Vos – ik heb het hem zien zeggen op tv naar aanleiding van Waterloo – is er bijzonder van overtuigd dat op die manier de ‘gewone mens’ kennis maakt met geschiedenis en daar inzicht in krijgt. In het onthaalcentrum in Nieuwpoort krijg je bijvoorbeeld een zeer, zeer goed educatief beeld over het verloop van de onderwaterzetting, over wat zich heeft afgespeeld op en achter die frontlijn.

Uit ervaring kan ik zeggen dat de gewone mens veel minder gemakkelijk toe te leiden is tot die dikke standaardwerken. Wanneer mensen goed uitgewerkte tentoonstellingen of onthaalcentra bezoeken, gaan zij naar huis met een beter inzicht. Ik heb professor De Vos herhaalde keren horen beklemtonen dat zij daar kennis en inzicht verwerven. Dat is een prof die wel publiceert en die strikt de hand houdt aan de wetenschappelijkheid van tentoonstellingen. Over het minste detail in een tentoonstelling dat historisch niet klopt, maakt hij opmerkingen.

U kunt ervan overtuigd zijn dat die werking goed is. U kent de bezoekerscijfers, die zijn indrukwekkend. Ik denk dan ook dat heel wat mensen daar kennis en inzicht bij verworven hebben.

Wat onderzoek en erfgoed betreft, mag ik in alle bescheidenheid zeggen dat Vlaanderen een voorloper is. Het kenniscentrum van het In Flanders Field Museum wordt bevraagd vanuit de hele wereld en werkt nauw samen met andere internationale centra. Dat geldt evenzeer voor het museum in Zonnebeke en voor het Vredescentrum.

Onroerend Erfgoed beschikt over een heel uitgebreide databank. Die kan worden geraadpleegd via https://inventaris.onroerenderfgoed.be/woi. De herdenking was in de vorige regeerperiode en ook nu een prioriteit voor het agentschap. De aangehouden inspanningen hebben kwaliteitsvolle belangrijke resultaten opgeleverd met betrekking tot inventarisatie, bescherming en beheer.

In Onderwijs zijn kansen onbenut gebleven volgens de rondetafel. Wij hebben altijd horizontaal gewerkt. Wij hebben ook gevraagd dat Onderwijs daar aandacht aan zou besteden. Het is ook niet zo dat de minister van Onderwijs kan zeggen dat er in elke klas een bepaald initiatief moet worden genomen. Dat is heel vaak aangeklaagd. Ik stel vast dat een stijgend aantal kinderen en schoolgaande jeugd naar al die sites gaat waar zij sterk worden geconfronteerd met die oorlogsrealiteit. Zij stellen vragen en keren terug met heel veel bijkomende achtergrond en informatie.

Ik kan niet onmiddellijk zeggen wat er concreet is gebeurd op het vlak van vredeseducatie. U kunt wel aan minister Crevits vragen wat er tijdens haar ministerschap gebeurt. De herdenkingsperiode is nog altijd niet voorbij, er kan nog altijd aandacht aan geschonken worden.

Men vraagt om een overlegplatform op te richten door FARO – de bevoegdheid van minister Gatz – met het projectsecretariaat. Er is al sinds 2009 geïnvesteerd in die overlegstructuur op Vlaams niveau. Het regeerakkoord bevestigt ook de rol van dat projectsecretariaat. Specifiek voor de Westhoek is er de beleidsstuurgroep Wereldoorlog I waarin alle sectoren vertegenwoordigd zijn, ook de kabinetten van de Vlaamse ministers. Persoonlijk denk ik dat een nieuw overlegplatform niet aangewezen is maar als FARO of de cultureel-erfgoedsector vindt dat er nieuwe initiatieven kunnen worden genomen, zijn zij welkom met hun voorstellen op het projectsecretariaat. Daar kan dan worden gekeken of er nieuwe horizontale initiatieven kunnen worden genomen en verbanden kunnen worden gelegd.

Het Vlaams projectsecretariaat ‘100 jaar Groote Oorlog’ zal de opmerkingen en voorstellen van die rondetafel ter bespreking voorleggen op de eerstkomende vergadering van de centrale projectgroep, die bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende beleidsdomein van de Vlaamse overheid.

Ik ben voorstander van een overleg en zo nodig ook van bijkomende initiatieven. Ze zullen die daar bekijken. Als het resultaat is dat men daarop ingaat, is dat zeer goed. Ik ben er wel geen voorstander van om nog eens een nieuwe structuur in het leven te roepen. We zetten met die regering precies in op vereenvoudiging. We hebben een projectsecretariaat, en dat gaat die voorstellen al op de eerste vergadering behandelen.

Wat uw bijkomende vraag betreft, had ik kleinere initiatieven. U weet dat Vlaanderen rechtstreeks alleen de grotere initiatieven heeft ondersteund. We hebben zelfs die van de provincie GoneWest zeer substantieel ondersteund. Ik heb heel veel respect voor de kleinere, lokale initiatieven, want die zijn soms zeer goed en brengen soms enorm veel naar boven over die periodes: persoonlijke verhalen, achtergrond, zaken die dreigden verloren of vergeten te geraken. Maar wij hebben van meet af aan ingezet op die dingen die internationaal belangrijk kunnen zijn. De provincies hebben waar nodig de lokale initiatieven ondersteund.

De voorzitter

De heer Verstreken heeft het woord.

De heer Johan Verstreken (CD&V)

Minister-president, ik dank u voor uw antwoord.

[Wegens technische problemen met het geluidsopnamesysteem kunnen we de repliek van de heer Johan Verstreken niet weergeven.]

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Ik wil graag de positivo zijn. Algemeen kunnen we spreken van een heel goede aanpak. Alles is adequaat gebeurd en werd goed op elkaar afgestemd. Mijn perceptie van de tentoonstellingen en evenementen van GoneWest is heel positief. Ik was zijdelings betrokken bij een aantal evenementen, mijn perceptie is heel positief. Ik wil er mijn waardering voor uitspreken, ik meen dit uit de grond van mijn hart.

Eén opmerking zou ik kunnen maken. Die vormt misschien ook de basis van de kritische reactie van de rondetafel van FARO. Misschien had het op een aantal andere domeinen in de samenleving beter kunnen doorsijpelen. Vanuit de erfgoedsector is er heel veel gebeurd, vanuit de provincie en regionaal. Zeker in West-Vlaanderen zijn er al heel veel mooie dingen gedaan. De duurzaamheid is helemaal ingekaderd in de beschermingsprocedure van het Werelderfgoed en werd zo op een goede manier verankerd. In het verenigingsleven en in het onderwijs – niet uw bevoegdheid – mocht er misschien wat meer aandacht voor de thematiek zijn op een meer systematische manier en vanuit een vredeseducatieve benadering, ook voor de gewone bezoekers.

Finaal is mijn beoordeling heel positief. Dat wil ik ook gezegd hebben. De Vlaamse overheid is er op een heel goede manier mee omgegaan. Was de brug tussen onroerend en cultureel erfgoed in het verleden iets breder geweest, dan waren er meer doorsijpeleffecten in andere sectoren geweest.

Maar goed, het lijkt me ook niet zo heel erg. Ik kom vaak over de vloer in culturele huizen en daar zegt men de laatste tijd vaak al lachend: “Wanneer zal die oorlog nu eindelijk eens gedaan zijn?” (Gelach)

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Mijnheer Verstreken, nog even iets over de rondetafel, waar werd gezegd dat er meer wetenschappelijk onderzoek zou zijn geïnitieerd door de federale overheid en door de Franstaligen. Ik weet dat niet. Wellicht is dit nattevingerwerk. Het zou mooi zijn om eens na te gaan welke publicaties er geweest zijn. Wij hebben daarvoor een fonds voor wetenschappelijk onderzoek. Ik meen dat daar studies gemaakt zullen zijn.

Een aantal mensen hebben totaal ten onrechte beweerd dat de Vlaamse Regering het historisch, wetenschappelijk en geschiedkundig onderzoek naar haar hand wou zetten. (Opmerkingen van de heer Bart Caron)

Ja, mijnheer Caron, u noemt haar: Sophie de Schaepdrijver.

We hebben ons daar altijd van afgehouden. Stel dat wij hadden gezegd: “Maak eens een wetenschappelijke studie of een historisch werk over een bepaald thema.” Dan zouden we onmiddellijk het verwijt hebben gekregen dat we zaken wilden sturen. We hebben dat nooit gedaan.

In de wetenschappelijke comités in het In Flanders Fields Museum en in Brugge, waar Sophie de Schaepdrijver bij betrokken is, op een manier die we allemaal kennen, heeft de Vlaamse overheid zich op geen enkele manier gemengd. We hebben niet gezegd aan Piet Chielens dat hij een wetenschappelijk comité moest hebben en we hebben niet gezegd welk hij moest hebben. Dat zijn hun beslissingen. Stel dat de overheid zou opleggen om een wetenschappelijke studie te maken over – ik zeg maar iets – de Frontbeweging. Dan zouden we direct de kritiek hebben gekregen dat we de zaken sturen. Laat dat gebeuren door wetenschappers die het onafhankelijk doen. Dat is trouwens ook gebeurd.

Het kan zijn dat het juist is dat er meer federale publicaties zijn, maar ja, wat is een federale publicatie? Het kan ook zijn dat er meer Franstalige zijn. Ik weet het niet, maar naar mijn aanvoelen is het net omgekeerd.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Ik heb goede contacten op federaal niveau in de omgeving van het Legermuseum en zo. Daar klaagt men steen en been dat er geen ruimte werd gecreëerd in de instelling zelf en in de omgeving, om op een degelijke manier met de Eerste Wereldoorlog om te gaan. Er is een grote tentoonstelling geweest, maar ‘that’s it’. Men moet niet doen alsof men daar enorm veel doet.

Ik ben ook wel te vinden voor de diversiteit. Ik denk aan Sophie de Schaepdrijver of mensen als Misjoe Verleyen, die over de vluchtelingen hebben gepubliceerd, of aan de romanciers Stefan Hertmans en Stefan Brijs en aan zovelen meer.

Zij hebben een diversiteit van invalshoeken belicht. Dat heeft geleid tot een grote kwaliteit. Ik vind de inhoudelijke terughoudendheid van de Vlaamse overheid in dezen zeer terecht.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.