U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis (N-VA)

Voorzitter, uit onze vroegere tijd zult u zich wel herinneren dat taalbeheersing een zeer belangrijk gegeven is. Het artikel in De Morgen en Het Laatste Nieuws begon als volgt: “Waar hangt de alarmbel, zodat ik er eens hard aan kan trekken?” Het waren de woorden van een ongeruste lector over het lage taalniveau van zijn studenten tijdens de examens.

De problematiek is zeker niet nieuw. Leerkrachten van zowel het secundair onderwijs als het hoger onderwijs merken al langer dat hun leerlingen en studenten het vaak moeilijker hebben om zich juist uit te drukken, zowel in de geschreven als in de gesproken taal. Het is immers een grote bezorgdheid dat het gemiddelde geletterdheidsniveau van jongeren met een diploma secundair onderwijs naar beneden gaat.

Uit de meest recente PIAAC-resultaten (Programme for the International Assessment of Adult Competencies) bleek zelfs dat 25 procent van de laagst presterende jongeren met een diploma secundair onderwijs op hetzelfde geletterdheidsniveau presteert dat men zou mogen verwachten na de eerste graad van het secundair onderwijs.

Er worden verschillende oorzaken aangehaald voor deze problematiek. Professor taalkunde Cuvelier gaf in het artikel aan dat studenten zich vaak niet voldoende kunnen uitdrukken omdat ze niet genoeg woordenschat hebben of omdat ze de vaste uitdrukkingen amper kennen. Anderen zoeken het ook bij de attitude van de studenten. Professor Delarue gaf aan dat studenten vaak niet beseffen dat men op een examen niet dezelfde taal moet gebruiken als tijdens een Facebookgesprek met vrienden.

De KU Leuven organiseert daarom sinds enkele jaren een taalscreening voor eerstejaarsstudenten waarbij ze feedback krijgen over hun taalniveau. Wie slecht scoort op deze test, doet het gemiddeld minder goed tijdens de examens. Een student die een voldoende hoog taalniveau bezit aan het begin van zijn opleiding, vergroot daarmee zijn kansen in het hoger onderwijs.

De Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) riep in een advies van 18 december 2014 nog op voor een versterking van het geletterdheidsonderwijs in het leerplichtonderwijs omdat de verwachtingen op het vlak van geletterdheid in onze maatschappij voortdurend stijgen, terwijl het niveau spijtig genoeg daalt. Een voldoende taalbeheersing is trouwens ook een van de voorwaarden voor een volwaardige participatie op de arbeidsmarkt en aan onze maatschappij.

Minister, wat zijn uw indrukken bij de berichten vanuit het werkveld dat de taalvaardigheid van onze leerlingen en studenten erop achteruitgaat? Wat zijn daarvan volgens u de oorzaken?

Zult u bij de herziening van de eindtermen voldoende inzetten op het versterken van de kennis en beheersing van het Nederlands? Op welke manier ziet u dat?

In uw beleidsnota kondigde u aan het Plan Geletterdheid te willen evalueren in 2016. Kunt u een tussentijdse stand van zaken geven met betrekking tot uw inspanningen om de geletterdheid bij jongeren te verhogen? Welke maatregelen zult u nemen? Plant u nog andere maatregelen om het taalniveau van onze leerlingen en studenten te verhogen?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel (Open Vld)

Die taalbeheersing van scholieren en studenten is al lang een bezorgdheid van mij. Ik vrees dat die de voorbije jaren is achteruitgegaan. Ik denk dat we niet bang mogen zijn om daarover te praten. Je zou nogal snel kunnen worden gebrandmerkt als iemand die altijd verwijst naar ‘de goede oude tijd’. Dat is helemaal niet wat ik wil doen.

Net zoals ik voorstander ben van het in stand houden van bepaalde opleidingen omdat ze voor kwaliteit en diversiteit zorgen in de academische wereld, vind ik ook dat een goede taalbeheersing ontzettend belangrijk is, ook voor wie het hoger onderwijs moet aanvangen. Als je als 18-jarige geen verhandeling kunt schrijven met een aantal meervoudige samengestelde zinnen of als je die zinnen niet kunt begrijpen wanneer je een tekst leest, dan hebben we een probleem. Goed kunnen argumenteren is een vaardigheid die je nodig hebt in tal van beroepen en situaties doorheen heel je leven als jongere en als volwassene. Sterk in het leven staan is ook sterk ter taal zijn.

Mijns inziens zijn we jaren geleden in de fout gegaan door zaken als zinsleer te schrappen uit het programma van de lagere school. De lagere school is de plaats bij uitstek waar je je als leerling gemakkelijk nieuwe en abstracte zaken eigen kunt maken. Je leert het op een manier aangepast aan je leeftijd. Je gebruikt kleurtjes en maakt heel veel oefeningen. Je bouwt op van eenvoudig naar moeilijk, en daar wordt tijd voor genomen. Dat is eruit gevallen.

In het lager middelbaar zijn de oefeningen ook zeer eenvoudig, maar moet je ze continu herhalen, zowel in het vak Frans als in het vak Nederlands. Diegenen die Latijn studeren, hebben een voetje voor. Het zijn straks de enige leerlingen die nog zullen weten wat een samengestelde zin is en die ze correct zullen kunnen formuleren en analyseren.

Al diegenen die mij komen zeggen dat Latijn en Grieks elitair zijn, stuur ik wandelen met die argumenten. Je kunt veel zeggen over de vaardigheden die je moet opdoen op school. Je kunt eindeloze lijsten van eindtermen maken, maar goed kunnen lezen, begrijpend lezen en schrijven, is voor mij essentieel als je aan om het even welke opleiding hoger onderwijs wilt beginnen.

Minister, dat was mijn pleidooi om daarvan de komende jaren keihard werk te maken. 

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, dank u voor deze schitterende vraag.

Op de laatste rij zit er trouwens een echte neerlandicus, wiens oogjes sprankelen bij het horen van de vragen. De commissiesecretaris sprankelt ook, want hij zegt dat er in het parlement vaak vragen met dt-fouten worden ingediend. Ik had deze week ook geantwoord op een tweet. Voor mij was het allemaal vrij duidelijk. Ik maak in principe geen dt-fouten. De mensen lieten mij weten dat ik een dt-fout had gemaakt. Dat was heel ‘shaky’. Ik had echter helemaal geen fout gemaakt. De meerderheid dacht dat ik wel een fout had gemaakt. Toen dacht ik bij mezelf: gelukkig staat er donderdag een vraag om uitleg over dat onderwerp geagendeerd, want het is toch wel triestig gesteld.

Het doet wel vreemd, hoor, als je weet dat je gelijk hebt en ze commentaar geven dat je een dt-fout hebt gemaakt.

Een goede taalbeheersing is relevant. Vaststellingen zoals de resultaten van PIAAC, waaruit blijkt dat 9 procent of 1 op 11 van de jongeren in Vlaanderen tussen 16 en 24 jaar moeite heeft met een eenvoudige taalopdracht, zijn zorgwekkend, ook al weten we dat onze jongeren het, als we het internationaal vergelijken, zo slecht nog niet doen.

Uit de resultaten van PISA en de recente peilingen zijn er indicaties dat de talige competenties erop achteruitgaan. Wat hiervan de oorzaken zijn, is niet zo eenduidig vast te stellen. Ik geef er een paar.

Zo kan de zeer heterogene instroom in het hoger onderwijs daarvan voor een stuk een verklaring zijn.  Ook de sterk gewijzigde beeldcultuur waarin onze jongeren nu opgroeien, kan een verklaring zijn. Onderzoek toont aan dat eerstejaarsstudenten meer moeite hebben met het kritisch verwerken van informatie en met helder communiceren. Hun boodschap structureren en het juiste taalregister hanteren, vormen – ongelooflijk, maar waar – meer dan spelling belangrijke werkpunten.

Chat en sms, formats waarin kinderen en jongeren talloze keren per dag hun boodschap gieten, geven hun een grote vrijheid om de spreektaal op een eigen manier weer te geven, los van de klassieke conventies qua spelling en syntaxis.

Jongeren staan vandaag een stuk sterker dan de vorige generaties, vooral dan in spreekdurf en in de taalvaardigheid in minder formele contexten. Dan dreigt natuurlijk het andere wat ondergesneeuwd te raken.

U vraagt of ik een aantal aanzetten zie bij de herziening van de eindtermen. Nogmaals: ik denk dat we hier een fantastisch debat zullen voeren. Ik zal de nodige informatie bezorgen om de eindtermen te actualiseren en om, mevrouw Brusseel, te bepalen wat er moet worden versterkt.

Momenteel werkt mijn administratie aan een aantal documenten ter ondersteuning van het debat en ook binnen de Vlor is een werkgroep bezig een oriënterend advies voor te bereiden. U zult hierover na de zomer zeker meer vernemen. Ook hier is natuurlijk de vraag: wat schrappen we uit de eindtermen?

Mijn administratie zal inderdaad in 2016 de acties van het Plan Geletterdheid evalueren. Mijn administratie start reeds met de voorbereiding ervan in het najaar van 2015. Daarvoor heeft de projectleider van het plan, in samenwerking met mijn administratie, een monitoringsinstrument uitgewerkt. Het Plan Geletterdheid kent zijn oorsprong in de basiseducatie. Het merendeel van de acties die vanuit het beleidsdomein Onderwijs worden genomen, zijn initiatieven uit het volwassenenonderwijs. Jongvolwassenen zijn hierbij een belangrijke doelgroep. Uit cijfers van de basiseducatie blijkt trouwens dat de groep van jongvolwassenen die een beroep doen op de basiseducatie, steeds toeneemt. Het overgrote deel daarvan zijn anderstaligen.

In totaal zijn er 48 acties opgenomen in het Plan Geletterdheid. Een mooi voorbeeld van zo’n actie die specifiek gericht is op jongeren, is de samenwerking tussen de centra voor basiseducatie en de scholen basisonderwijs en secundair onderwijs, ter ondersteuning van laaggeletterde ouders waarvan de kinderen schoollopen in het leerplichtonderwijs. Het Plan Geletterdheid doelt evenwel niet enkel op het verhogen van de taalcompetenties van de jongeren en volwassenen. Geletterdheid impliceert ook het kunnen omgaan met cijfers en grafische gegevens, en het kunnen gebruiken van ICT.

Zoals elk jaar vindt in september de Week van de Geletterdheid plaats. Dit is een mediacampagne waarmee we niet alleen het brede publiek, maar ook leerkrachten en beleidsmensen willen sensibiliseren.

Zoals ik ook in mijn beleidsnota aangeef, zet ik in op een talenbeleid. Scholen worden geacht én een taalbeleid én een taalvakkenbeleid te voeren. Taalbeleid staat voor het beleidsmatig omgaan met taal, bijvoorbeeld taalgericht werken in alle vakken, aandacht voor taal in toetsen en examens. Taalvakkenbeleid slaat op het taalvak zelf: bijvoorbeeld het vak Frans in het lager onderwijs met zijn leerplannen, zijn eindtermen, zijn handboeken. Iemand zei dat in bepaalde scholen geen punten voor spelling bij bijvoorbeeld het examen aardrijkskunde kunnen worden afgetrokken. Dat klopt blijkbaar niet helemaal. Het ligt niet vast in de regelgeving. Het is dus een keuze die wordt gemaakt. Het is niet de overheid die de remmende factor is. Ik vind het wel belangrijk dat in elk vak de aandacht op taal wordt gevestigd.

Tussen 2009 en 2014 legden de doorlichtingen van de onderwijsinspectie de focus onder andere op de organisatorische en inhoudelijke kwaliteit van het talenbeleid van de school. Uit dat onderzoek blijkt dat er op een aantal aspecten positieve vooruitgang werd geboekt, zoals bijvoorbeeld bij de doelgerichtheid en de beleidsmatige afspraken in functie van het talenbeleid. Toch blijft er ook nog werk aan de winkel, vooral als het gaat over de opvolging van de doeltreffendheid van het talenbeleid en op vlak van taalgericht vakonderwijs. Bovendien is uit de doorlichtingen afgelopen jaren gebleken dat niet alle scholen al een schoolbreed gedragen en actief talenbeleid voeren om de kennis van het Nederlands en vreemde talen bij hun leerlingen te versterken. We moeten proberen om iedereen mee in het taalbad te trekken.

Ten slotte vermeld ik nog dat ook in het hoger onderwijs aan taalvaardigheid wordt gewerkt. Recent bracht de Taalunie hierover nog een advies uit ‘Vaart met taalvaardigheid’, waarin bijvoorbeeld het taalbeleid van de hogeschool Odisee als goed voorbeeld wordt genoemd. Ook in het debat rond oriëntering naar het hoger onderwijs is er aandacht voor taalvaardigheid. Als de niet-bindende instapproef er komt, willen we daarin ook focussen op taal. Ik heb begrepen dat dit breed gedragen is in dit parlement.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis (N-VA)

Minister, ik dank u voor het antwoord. U hebt een opsomming gegeven van heel wat initiatieven die worden genomen.

Ik voel me, wat taalgeletterdheid betreft, een uitstervende diersoort. Als wij destijds één fout maakten in onze voorbereiding of op het bord, dan was de onvoldoende onverbiddelijk daar, hoe goed de les pedagogisch en inhoudelijk ook was. Ik heb de indruk dat het nu de andere richting uitgaat. U geeft ook aan dat door de sociale media en Facebook er een sterke achteruitgang in taalcorrectheid is gekomen.

Ik denk dat kinderen ook te weinig lezen. Ze nemen visueel te weinig informatie op. Een aantal maanden geleden was er een kindergemeenteraad in Geel. Er was een heel grote afvaardiging van alle basisscholen. Er was één kind dat naar een zwerfbib vroeg voor haar deelgemeente omdat ze zo graag leest. In Geel staat op bepaalde plaatsen een kast met leesboeken waar mensen boeken kunnen ontlenen en wisselen. Ik vroeg wie er liever las dan op de computer te spelen. Het was natuurlijk de verkeerde vraag, want het was enkel dat kind. Maar met een boek te lezen, kun je ook heel wat opsteken.

De arbeidsmarkt stelt steeds hogere eisen op het vlak van taalbeheersing en taalvaardigheid. Tussen 1998 en 2009 steeg het aantal jobs voor werkenden met een hoog niveau voor geletterdheid met meer dan 20 procent. Het aantal jobs voor mensen met een lagere geletterdheid daalde met 15 procent.

Het is dus zeer belangrijk dat eraan wordt gewerkt. Minister, samen met u kijk ik uit naar de aanpassing van de eindtermen, want het zal al een zeer goede stap in de juiste richting zijn.  

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

De projecten die u hebt vermeld, zijn belangrijk, zeker ook het werken aan de geletterdheid van ouders. Als ouders veel lezen, lezen kinderen ook en halen ze goede resultaten op school. Het allerbelangrijkste lijkt mij wat in de leerplannen komt, hoe men het in de klas aanpakt en wat het talenbeleid van de school is. Als u stelt dat daar nog werk aan is, dan moeten we dat met z’n allen in deze commissie steunen en regelmatig nagaan of er schot in de zaak komt.

Wat mevrouw Celis vertelde over de bibliotheek, is zeer belangrijk. De voorbije maanden hebben we af en toe gediscussieerd over bibliotheken in de Vlaamse gemeenten. Het kan niet voldoende worden onderstreept hoe belangrijk dat is. We moeten vertrouwen hebben in onze lokale besturen – dat zou ik van mijn fractieleider nooit mogen ontkennen. Ik zal dat dan ook niet doen. Ik weet bijvoorbeeld dat er gemeenten zijn – en ik ga nu eens heel stout zijn, want ik ben als enige blauwe hier – zoals bijvoorbeeld Oostende, die toch snoeien in het budget van de bibliotheek. Projecten voor anderstalige ouders en anderstalige kinderen werden teruggeschroefd terwijl het eigenlijk succesvolle projecten waren. Er werd nogmaals gesneden in het personeelsbestand. Dat is heel erg spijtig. We kunnen die regie wel uit handen geven, maar bibliotheken zijn toch heel erg belangrijk.

We moeten waakzaam zijn, niet alleen als volksvertegenwoordigers, maar ook als politici die de lokale besturen wat kennen en de mensen wat kunnen aanporren. Ook Mechelen heeft onvoldoende openingsuren voor de bibliotheek. Ik wil wel dat de bibliotheken overal voldoende open zijn, dat de meisjes of de jongens die als enigen uit een groep zeggen dat ze graag lezen, wel worden bediend en niet worden beschouwd als een minderheid waar we niet meteen van wakker moeten liggen. Die kinderen kunnen hun leeftijdgenootjes misschien enthousiasmeren voor de lectuur.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Mevrouw Celis heeft het belang van goede taal al in de verf gezet.

Minister, ik ben blij dat u hebt gezegd dat het geen regel is of dat de inspectie scholen niet evalueert op het feit dat ze alsnog zouden evalueren op taal bij andere vakken dan het Nederlands. Op dit moment is het in Vlaanderen ‘common sense’ dat men bij bijvoorbeeld het examen geschiedenis geen punten mag aftrekken wanneer leerlingen geen aandacht hebben voor de taal. Leerlingen vroegen aan mij altijd of ik punten aftrok voor dt-fouten. Als het antwoord neen was, lazen ze het examen gewoon niet meer na. Minister, wat u hier hebt gezegd, is zeer belangrijk.

Wat mevrouw Brusseel heeft gezegd over Latijn, is cruciaal. Het is krankzinnig dat jongeren die een andere taal studeren, beter in staat zijn om een Nederlandse tekst te ontleden dan zij die Nederlands krijgen. Als je verder studeert, moet je een tekst kunnen analyseren en op zoek gaan naar gidswoorden, naar verbanden, naar opsommingen. Bij het aanleren van Latijn leer je dit. Bij het bepalen van de eindtermen, moeten we toch zeker luisteren naar de leerkrachten Nederlands en ook andere, die zeggen dat leerlingen niet meer kunnen lezen en niet meer kunnen zoeken naar die gidswoorden.

Ik wil ook wijzen op de screening bij de overgang van het kleuter- naar het lager onderwijs en van het lager naar het secundair onderwijs, ingeschreven in Onderwijsdecreet (OD) XXIV. Die screening moet zorgvuldig gebeuren. We moeten oppassen dat we geen kringredenering maken. Als we een kringredenering maken en als we de eindtermen voor taal – die nu al een beetje te laag liggen – toetsen, dan gaan we zeggen dat die leerlingen oké zijn. Maar uit het onderzoek dat mevrouw Celis aanhaalde, blijkt dat we kritischer moeten zijn en dat we een tandje bij moeten steken. De screening is cruciaal, maar ze moet met de juiste doelen en middelen gebeuren om de problemen bloot te leggen.     

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.