U bent hier

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik was blij verrast toen de rector van de KU Leuven een visietekst ‘Leraar en Lerarenopleiding 2025’ voorstelde. Het is goed dat het onderwijsveld zich buigt over een aantal uitdagingen en voorstellen formuleert.

In deze visietekst pleiten de universiteit en vijf hogescholen voor een aantal hervormingen van de opleiding en de loopbaan van leraren. Zo zal de Associatie KU Leuven de band tussen de basisopleiding en de lerarenopleiding versterken door deze ‘curriculair’ te verstrengelen in de zogenaamde ‘educatieve masters’, die ook als bewijs voor pedagogische bekwaamheid zullen dienen.

Vijfjarige opleidingen – master van 120 studiepunten – zouden daardoor het volledige specifieke lerarenopleidingstraject kunnen inbouwen. Voor vierjarige opleidingen – master van 60 studiepunten – kan dat maximaal voor de helft van dat programma.

De totale duur om master leraar te worden komt daarmee op 4,5 tot 5 jaar. Maximum 15 studiepunten kunnen worden ingebouwd in academische bacheloropleidingen en maximum 15 studiepunten in masteropleidingen van 60 studiepunten. Een 30 tot 45 studiepunten kunnen worden ingebouwd in masteropleidingen van ten minste 120 studiepunten.

Daarnaast vindt de Associatie KU Leuven dat de initiële opleiding van de leraar, het loopbaanverloop, de professionele ontwikkeling en de status van de leraar coherent en gelijktijdig dienen te worden ontwikkeld. De Associatie pleit onder meer voor een dynamisch loopbaanverloop op basis van een onderscheid tussen junior leraar, leraar en senior leraar, met twee belangrijke transities.

Tot zover de twee zaken die mij het meeste opvielen in de visietekst van de Associatie. Hierbij het ik volgende vragen.

Hoe staat u, minister, tegenover de verschillende voorstellen die de Associatie formuleerde? Welke elementen neemt u mee in de hervorming van de lerarenopleiding en in het toekomstige loopbaanpact? Hoe en wanneer zult u dat precies doen en wanneer mogen we de eerste terugkoppeling over deze dossiers verwachten? We weten dat dit geen eenvoudige dossiers zijn en dat er al heel wat voorbereiding is gedaan. Hebt u zicht op de stand van zaken? Moeten de zogenaamde educatieve masters decretaal worden verankerd en hoe zullen ze concreet vorm krijgen? Hoe worden ze eventueel in het basisonderwijs geïmplementeerd? Zal dat met verschillende lonen gebeuren? Dit is een puur open opmerking, zonder dat ik daarover nu een uitspraak wil doen of een pleidooi wil houden.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Mijn vraag sluit aan op het laatste punt.

Toen de associatie KU Leuven onlangs herinnerde aan het denkspoor om de onderwijsopleiding op zijn minst ten dele op te nemen in de masteropleidingen, werd ook opnieuw verwezen naar de mogelijkheid om masters in te zetten in het basisonderwijs. Het begrip ‘nieuw’ is relatief, want het idee bestaat al geruime tijd. Tijdens de vorige legislatuur kwam het ook al aan bod. Sommigen zien in het inzetten van masters naast bachelors in het basisonderwijs een middel om de kwaliteit aan te houden, de situatie gedeeltelijk gelijk te schakelen met die in de ons omringende landen, en het onderwijzersberoep aantrekkelijk te maken voor sterke instromers die onderwijs niet zien als een tweede keuze na falen aan de universiteit. De vorige minister van Onderwijs vond het een interessant denkspoor, maar wilde er geen inhoudelijke verklaringen over afleggen. Het was immers materie voor het overleg met de vakbonden en de onderwijsverstrekkers binnen het loopbaandebat.

In de krant heb ik een paar reacties van u, minister, gelezen, maar ik vond het toch interessant even in de commissie te checken wat u denkt van masters in het basisonderwijs. En dan heb ik het niet alleen over masters lichamelijke opvoeding. Hoe verhouden die masters zich eventueel tot andere leerkrachten in het basisonderwijs?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het is zeer goed en interessant dat de Associatie KU Leuven een visietekst maakt over hoe ze de leraar en lerarenopleiding in 2025 zien. Daar kunnen we alleen maar zeer veel waardering voor hebben. Het is ook een zeer waardevolle insteek voor de uitdagingen waar onze lerarenopleidingen allemaal voor staan. Zoals gezegd, zijn de voorstellen zeker niet allemaal nieuw. Ze zijn ook in de vorige legislatuur al aan bod gekomen tijdens de hoorzittingen in de commissie onderwijs. De tekst bouwt ook voort op de beleidsevaluatie en het werk van de beleidsgroepen van de afgelopen jaren. Bepaalde voorstellen liggen in het verlengde van wat in mijn beleidsnota staat, van het debat over de lerarenopleiding dat we op 2 april in de commissie hebben gevoerd en mijn antwoorden op actuele vragen van 20 mei en 3 juni.

Ik start met enkele positieve punten. Het is zeer goed dat de visietekst in de eerste plaats vertrekt vanuit personen en niet vanuit structuren. Men uit zeer expliciet het geloof in geëngageerde, gemotiveerde leerkrachten, gepassioneerde vakexperts met een sterke persoonlijkheid. Ik zou het niet beter kunnen zeggen. Men uit ook het geloof in samenwerking binnen schoolteams, tussen scholen, tussen lerarenopleidingen, tussen lerarenopleidingen en scholen: schitterende zaak. Teamwork is het motto voor de toekomst. Men uit ook het geloof in het beleidsvoerend vermogen: ruimte geven, loopbaan dynamischer maken, de schoolopdracht, minder fixeren op uren voor de klas, zoals het systeem in het kleuter- en lager onderwijs.

Dat is een insteek die aansluit bij mijn beleid en mijn nadruk op de nood aan een positieve kijk op leraren en hun opleiding. Er zijn uiteraard problemen, maar we moeten een beetje vaker dan we nu doen beklemtonen wat goed is en niet louter problematiserend denken. Als we de instroom in de opleiding en het beroep willen versterken, zal het zeker niet helpen de opleiding permanent naar beneden te halen. Tot hier mijn appreciatie, de positieve punten, en de zaken die ik ook echt wel ondersteun en cruciaal vind.

In eerdere discussies gaf ik al aan dat er vier werkpunten zijn voor de lerarenopleiding. Ten eerste moeten we, wat betreft de instroom, sterke profielen aantrekken die een positieve keuze maken voor onderwijs en niet als tweede keuze na een andere studie-poging. De lerarenopleidingen van de hogescholen werken momenteel aan een verplichte maar niet-bindende instapproef, met focus op taalvaardigheid, die moet benadrukken dat de keuze voor de lerarenopleiding ambitieus is en goed gemotiveerd moet zijn. Die instapproef zal in het voorjaar 2016 klaar zijn, zodat ze kan worden gebruikt bij de toeleiding naar het academiejaar 2016-2017. De proef zal vooral inzetten op taalvaardigheid, omdat dit cruciaal is voor alle leraren, in het kleuter, lager en secundair onderwijs.

Ten tweede, inzake het curriculum, is de uitgebreide set aan basiscompetenties voor de leraar het kader voor alle lerarenopleidingen. We zien echter dat bepaalde van die competenties binnen de opleiding beter behaald worden dan andere. Er is bijvoorbeeld nog werk aan omgang met diversiteit. Daarvoor lanceerde ik al het idee om sociale stages in te bouwen voor alle studenten in de lerarenopleiding. Verder stelt de beleidsnota dat we extra zullen inzetten op klasmanagement en vakdidactiek. Het curriculum van de opleidingen bepaal ik uiteraard niet zelf: dat gebeurt in nauw overleg met de opleidingen én het afnemende veld.

Ten derde, wat het opleidingslandschap betreft, zijn er momenteel twee soorten lerarenopleidingen, geïntegreerde en specifieke, in drie soorten instellingen: hogescholen, universiteiten en CVO’s. Er is echter nood aan minder versnippering en meer samenwerking tussen de aanbieders. Hiervoor leggen we in het najaar een conceptnota voor aan de Vlaamse Regering. De visietekst van de associatie bevat alvast twee concrete voorstellen. Ten eerste, meer integratie tussen de SLO en de basisopleiding van masterstudenten. Ten tweede, meer samenwerking met de CVO’s. Beide pistes zijn zeker bespreekbaar. Op de masters kom ik zo meteen terug.

Ten vierde: inzake de aansluiting bij het beroep is er naast samenwerking tussen de aanbieders van de opleidingen ook nood aan nog meer samenwerking tussen de opleidingen en de scholen. Dat kan bijvoorbeeld door de stage nog meer te zien als een geïntegreerd en participatief concept. Rond de stageproblematiek heb ik eveneens al een concrete stap gezet. Ik heb de twee bestaande systemen voor het zoeken en aanvragen van stageplaatsen in het secundair gevraagd om samen te komen tot één Vlaanderenbreed systeem. Ze ontvangen daarvoor samen een subsidie van 70.000 euro. Op die manier kom ik tegemoet aan een belangrijke vraag van de beleidsgroepen, die ook door de expertisenetwerken herhaaldelijk op tafel is gelegd.

Zoals ik al eerder heb aangegeven, voer ik samen met de vertegenwoordigers van de onderwijsverstrekkers en met de vakorganisaties gesprekken om tot een duurzame loopbaan te komen. Op korte termijn moeten hier maatregelen uit voortvloeien met een focus op werkzekerheid en begeleiding voor jonge leraren. De mentoruren worden op ruime schaal teruggevraagd. Ook het systeem van juniorleraar kan interessant zij, maar daarover wil ik eerst overleg plegen. Ik wil hier niet vooruitlopen op het debat door al concrete voorstellen te poneren.

In educatieve masters is reeds in het decreet voorzien. Ze behoren tot de mogelijkheden voor studieduurverlenging, waarbij een master van 60 studiepunten kan worden uitgebreid tot 90 of 120 studiepunten. Volgens het huidige decreet kan de Vlaamse Regering echter pas concretere invulling geven aan deze educatieve masters wanneer de beroepskwalificaties voor de leraar zijn goedgekeurd. Die beroepskwalificaties zijn er momenteel nog niet.

Ik denk niet dat we ons op deze lijn moeten vastpinnen. Het concept van educatieve masters komt nu immers ter sprake in de context van de masteropleidingen die reeds twee jaar duren, met 120 studiepunten. Bij de master wiskunde bijvoorbeeld kunnen studenten momenteel wel een optie onderwijs nemen, maar nadien, na vijf jaar studeren dus, moeten ze nog steeds minstens een halfjaar studeren om ook hun SLO te behalen. 5,5 jaar studeren om leraar wiskunde te worden, lijkt me persoonlijk toch heel lang, vooral als we zien dat er een nijpend tekort is.

Het voorstel om de component lerarenopleiding voor masters meer in te bedden in de masteropleiding zelf heeft verschillende positieve kanten. De weg richting het lerarenberoep wordt korter en studenten kunnen sneller en bewuster kiezen voor onderwijs. Nu beslissen studenten al te vaak pas na hun masteropleiding om de SLO te volgen. Ze gaan ervan uit dat ze nog altijd les kunnen geven als ze geen ander werk vinden. Ze blijven dan nog een jaartje plakken aan de universiteit, of gaan de SLO doen aan een CVO.

Ik benadruk wel dat we dit debat niet mogen voeren als een soort ‘studiepuntenslag’: het gaat er niet om de lerarenopleiding zodanig in te korten dat je ze cadeau krijgt bij een masterdiploma. Het zou verkeerd zijn die indruk te wekken. Integendeel: een masteropleiding waarin de component van leraar zit ingebakken, moet minstens evenveel garanties geven op het behalen van de basiscompetenties. We moeten het debat in de beide richtingen durven te voeren. Sommigen hebben al de denkpiste geopperd om alle lerarenopleidingen bij de hogescholen onder te brengen.  De concrete implementatie van deze ideeën zal ik uitwerken in de conceptnota die ik nog dit najaar wil voorstellen.

Dan kom ik tot de vraag van de heer De Meyer over de inzet van masters in het basisonderwijs, waar de heer Van Dijck ook even naar verwees.

Ik blijf de huidige professionele bachelor onderwijs de beste vooropleiding vinden voor leraars in het kleuter- en lager onderwijs. Je kunt niet van masters verwachten dat ze zomaar alle specifieke competenties hebben waarover deze professionele bachelors beschikken. Ik zou het een slecht idee vinden om ze zonder onderscheid overal binnen te halen omdat ze ‘beter’ zouden zijn. Ze verdienen ook meer. Als we de kwaliteit van onze bachelors willen verhogen, zijn er wellicht betere manieren te vinden dan ze te ‘vermasteren’.

Mensen met een masterdiploma zijn zeker welkom om in teamverband aan de slag te gaan in basisscholen, maar als ze er voor de klas willen staan, dan vind ik een gepaste professionele opleiding ook voor hen een voorwaarde. We zien trouwens dat masters die stap nu al zetten en via verkorte trajecten en avondonderwijs het bachelordiploma behalen om te gaan lesgeven. Binnen de besprekingen die lopen over de loopbaan, maar bijvoorbeeld ook de bestuurlijke optimalisatie van scholen, kunnen we zeker bekijken of masters ook nog andere rollen kunnen vervullen in een basisschool. Je kunt denken aan ondersteuning voor zorgtaken, pedagogisch advies … Maar ik heb geen ambitie om te komen tot een soort academische kleuterjuffen en onderwijzers.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Minister, ik dank u voor het uitvoerig antwoord. Een aantal zaken zijn nog niet uitgeklaard, en daarover kunt u nog geen uitspraak doen. In grote lijnen bent u wel voldoende duidelijk over de elementen die u uit deze visietekst wil meenemen in uw beleid.

Het is vooral belangrijk om aan de instroom te werken. In de plenaire vergadering gaf u vorige week al antwoord op de vraag van collega Daniëls met betrekking tot de niet- bindende toelatingsproef.

Ik onderschrijf ook wel uw analyse dat de huidige professionele bacheloropleiding voor het basisonderwijs goed is, maar dat we, gecombineerd met die instap, de kwaliteit kunnen waarborgen.

In de visietekst stond ook al dat het van groot belang is om jongeren met een sterk profiel voor de lerarenopleiding te laten kiezen. Het is een belangrijke taak, ook in het secundair onderwijs, om scholieren die afstuderen, niet de boodschap mee te geven dat ze ‘beter’ kunnen dan te kiezen voor een lerarenopleiding. Ook de rector vond dat we die boodschap in de toekomst best achterwege laten. Met een combinatie van maatregelen kunnen we over de kwaliteit blijven waken. We mogen niet doen alsof er helemaal geen problemen zouden zijn. De verwachting is dat we te maken krijgen met een lerarentekort. Werkzekerheid zou dus een bijkomende aanmoediging kunnen zijn voor jongeren om een positieve keuze te maken voor het beroep van leraar. 

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Ik zal kort zijn. Van mij hoort u zeker geen pleidooi om alleen masters in het basisonderwijs in te zetten. Ik pleit er wel voor om voldoende ruimte te scheppen om ze daar ook een kans te geven. Dit moet uiteraard meegenomen worden in het loopbaandebat.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.