U bent hier

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik stel u graag een vraag over de uitdagingen voor de betrokken onderwijsinstellingen als gevolg van de invoering van nieuwe kwalificatievereisten voor begeleiders in de kinderopvang. Het zijn vooral de mensen die vandaag in de praktijk van de kinderopvang staan die een aantal vragen hebben gesteld en bekommernissen daarover hebben meegegeven.

Sinds 1 april 2014 gelden er in het kader van de uitvoering van het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters nieuwe kwalificatievereisten voor begeleiders en verantwoordelijken in de kinderopvang. Deze nieuwe kwalificatievereisten zijn enerzijds geconcretiseerd in het besluit van de Vlaamse Regering houdende de vergunningsvoorwaarden en het kwaliteitsbeleid voor gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters, en anderzijds in het ministerieel besluit ter uitvoering van artikel 8, 11, 40, 43 en 73, van het vergunningsbesluit, wat betreft de kwalificatiebewijzen en attesten.

In het genoemde besluit is onder meer opgenomen dat uit een vereist kwalificatiebewijs blijkt dat een kinderbegeleider ten aanzien van zes clusters competenties bezit die zijn vermeld in bijlage 9 van hetzelfde besluit. In het ministerieel besluit zijn dan weer, zowel voor verantwoordelijken als voor begeleiders, die kwalificatiebewijzen opgenomen die volgens de minister van Welzijn beantwoorden aan de gestelde vereisten. Bijvoorbeeld voor begeleiders gaat het om diploma’s, getuigschriften en brevetten uit het secundair onderwijs, maar ook uit het secundair volwassenenonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. Een ander voorbeeld is dat van ‘verantwoordelijke voor meer dan achttien kinderopvangplaatsen’ waar het aantal mogelijkheden meer beperkt is en alleen kwalificaties op bachelor- en masterniveau in aanmerking komen. Verder zijn in het ministerieel besluit ook overgangsmaatregelen opgenomen voor wie al gedurende een bepaalde periode in de sector actief is.

Dit alles stelt de onderwijsaanbieders van opleidingen die tot een van de voor kinderbegeleiders vereiste onderwijskwalificaties leiden, voor een aantal uitdagingen. De eerste is om hun curriculum zo goed mogelijk te laten aansluiten op de vereisten van het beroep. Wat dat betreft, zegt de website www.vlaamsekwalificatiestructuur.be dat een beroepskwalificatie ‘kinderbegeleider baby’s en peuters’ in ontwikkeling is. Ik begrijp echter dat dit al een hele tijd het geval is, en de onderwijsinstellingen bijgevolg veelal aangewezen zijn op de competenties die zijn opgesomd in bijlage 9 van het genoemde ministerieel besluit. De daar opgesomde competenties zouden los van de Vlaamse kwalificatiestructuur tot stand zijn gekomen, onder meer omdat er al jaren geen geactualiseerd beroepscompetentieprofiel meer is en de VKS-beroepskwalificatie (Vlaamse kwalificatiestructuur) te lang op zich laat wachten, meen ik te begrijpen uit de inbreng die we gekregen hebben vanuit de sector van de kinderopvang.

In heel dit proces dat op gang komt, is het vooral een bekommernis van het veld dat de zaken met elkaar stroken, dat datgene wat in een ministerieel besluit vanuit welzijn is vastgelegd. Het is een sector die het belang wil vooropstellen om zelf te bepalen wat belangrijk is dat aan competenties ontwikkeld word. De sector wil dat het proces dat daar heeft plaatsgevonden, mooi strookt met het proces dat zich afspeelt binnen onderwijs. Het is niet duidelijk dat dat het geval is.

Ook met betrekking tot het ontwikkelen van EVC-procedures (elders verworven competenties) heeft die situatie gevolgen voor de onderwijsverstrekkers, zeker voor de centra voor volwassenenonderwijs en de hogeronderwijsinstellingen, die, gelet op de voorziene overgangsmaatregelen, met diverse vragen in dat verband worden geconfronteerd. Zolang er geen beroepskwalificatie kinderbegeleider is, beschikken ze ook wat dit betreft niet over een echt stabiele basis. Als er EVC-standaarden zouden worden uitgewerkt, wat ook in het kader van de Vlaamse kwalificatiestructuur zou worden gerealiseerd, begrijp ik onder meer uit een document van het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV), lijkt een goedgekeurde beroepskwalificatie me een absolute voorwaarde om die ten aanzien van de kinderbegeleiders toe te passen.

In het verlengde daarvan worden onderwijsverstrekkers ook geconfronteerd met niet altijd evidente vragen naar flexibele leerwegen van personen die al werken in die sector, en die hun voltijdse job moeten combineren met een opleiding die leidt tot een vereiste kwalificatie van kinderbegeleider.

Minister, ik heb dus een aantal vragen over heel die evolutie, zodat we met betrekking tot heel wat mensen die vandaag in de sector aan de slag zijn en niet de vereiste kwalificaties hebben, toch kunnen weten wat de stand van zaken is en op welke manier een aantal zaken worden aangepakt. Wat is nu de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van de beroepskwalificatie kinderbegeleider baby’s en peuters? Wanneer zou die ter goedkeuring kunnen worden voorgelegd aan de Vlaamse Regering? In welke fase situeert zich de ontwikkeling van de EVC-standaarden in het kader van de Vlaamse kwalificatiestructuur? Op welke manier kunnen die EVC-standaarden op termijn een meerwaarde betekenen voor de bestaande EVC-praktijk van onderwijsinstellingen in het secundair volwassenenonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het hoger onderwijs? Hebt u weet van mogelijke problemen bij centra voor volwassenenonderwijs of bij instellingen voor hoger onderwijs als het gaat over het kunnen inspelen op de vragen naar flexibele leerwegen van mensen die vandaag als personeelslid in de kinderopvangsector zijn tewerkgesteld en die een onderwijskwalificatie kinderbegeleider moeten behalen om daar tewerkgesteld te kunnen blijven?

Ik vond zelf ook dat dit lang en nogal complex was toen ik het allemaal aan het uitpluizen was. Daarom heeft het even geduurd.

De heer Van Dijck heeft het woord.

Dit is inderdaad vrij technisch. Mevrouw Helsen heeft dit duidelijk geschetst. Enerzijds is het natuurlijk evident dat er wordt gepleit voor pedagogische kwaliteiten bij het personeel in de kinderopvang. Anderzijds wil ik toch ook wel wijzen op de deregulering die tot stand is gekomen en die me op zich ook positief lijkt. We moeten ons hoeden voor nieuwe regelgeving. Dit is een evenwichtsoefening, waarbij we het basisgegeven van kwaliteit natuurlijk wel onderschrijven.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen (CD&V)

Mijnheer Van Dijck, de regelgeving ligt vast. De vraag is gewoon of het ene met het andere spoort. Er is een ministerieel besluit vanuit Welzijn waarin duidelijk wordt geformuleerd welke de vereiste competenties zijn. Er is bepaald dat de mensen die straks niet voldoen aan die kwalificatievereiste, niet meer aan de slag kunnen blijven in de sector. Dat is één element. Aan de andere kant is men volop bezig met beroepsprofielen, beroepskwalificaties, en straks met onderwijskwalificaties. De vraag is of het ene met het andere overeenstemt. Of verlopen die processen niet gelijk?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Helsen, u hebt zelf al een aantal aanzetten tot een antwoord gegeven. U weet dat de beroepskwalificaties worden opgesteld door de betrokken sectoren, en dat er ook al enige tijd – en dat is een eufemisme – wordt gewerkt aan het beroepskwalificatiedossier van kinderbegeleider baby’s en peuters. Omdat er heel wat competenties gemeenschappelijk zijn, ontwikkelt men dat gelijktijdig met dat van de begeleider buitenschoolse opvang. Kind en Gezin is als hoofdindiener betrokken bij de ontwikkeling van de beide beroepskwalificatiedossiers. Zoals u ook weet, vertegenwoordigen zij het merendeel van de organisaties die kinderopvang aanbieden. Men meldt me dat de zaken goed opschieten in dit dossier. Er zijn echter nog enkele knelpunten, waarover verder overleg nodig is. We proberen dat dus zo snel mogelijk af te werken, maar het is nog niet helemaal rond.

De EVC-standaarden worden ontwikkeld in een werkgroep met onderwijs- en opleidingsverstrekkers en -sectoren, onder begeleiding van AKOV. Die ontwikkeling is voor dit najaar ingepland. AKOV heeft al een methodiek en een handleiding ontwikkeld. Die zal worden toegepast op een aantal pilootdossiers, en daarna ook verder worden geoptimaliseerd. Mevrouw Helsen, er wordt prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van standaarden voor die EVC-trajecten of -beroepen waar de vraag het grootst is of waar de meeste kansen liggen. Dat zijn bijvoorbeeld succesvolle ervaringsbewijzen, de onderwijskwalificerende opleidingstrajecten (OKOT’s) van de VDAB, EVC-trajecten in projecten van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en vragen naar EVC in specifieke sectoren. Aangezien de beroepskwalificatie voor kinderbegeleider nog niet klaar is, kan die nog niet worden opgenomen in de pilootdossiers. Uw vraag heeft echter een en ander teweeggebracht, in die zin dat er nog eens nadrukkelijk op wordt aangedrongen om de laatste knelpunten die er zijn, op te lossen.

EVC-standaarden worden ontwikkeld voor beroepsgerichte competenties op basis van beroepskwalificaties. EVC-standaarden geven aan welke kerncompetenties uit beroepskwalificaties moeten worden getest in een assessment en welke daarvoor de beste methodes zijn.

EVC-standaarden geven ook richtlijnen voor het assessment zelf. Deze onderdelen van een EVC-standaard vormen de kwaliteitsvoorwaarden voor de ontwikkeling van EVC-instrumenten en voor de afname ervan. EVC-standaarden zeggen niets over de EVC-instrumenten die moeten worden gehanteerd.

Doordat EVC-standaarden de kerncompetenties en de mogelijke assessmentmethoden aangeven, zullen de onderwijsinstellingen tijd en middelen besparen. Zij kunnen zich concentreren op de ontwikkeling van assessmentinstrumenten. Aansluitend bij de EVC-standaarden kunnen de onderwijsinstellingen beschikken over andere instrumenten om de kwaliteit van de EVC-trajecten te verhogen: een catalogus voor assessmentmethoden en de beroepskwalificatie voor assessor. Bijkomend voordeel van dit alles is dat er tussen de verschillende instellingen meer gelijkgericht getoetst zal kunnen worden voor EVC. Hierdoor zal het vertrouwen tussen de instellingen groter zijn en zullen ze elkaars vrijstellingen op basis van EVC wellicht makkelijker aanvaarden.

Vanuit de centra voor volwassenenonderwijs of de instellingen voor hoger onderwijs heb ik geen signalen ontvangen over mogelijke problemen. In het hoger onderwijs zijn er de gebruikelijke flexibele leerwegen zoals verkorte trajecten en de zogenaamde switch-trajecten waarbij de mogelijkheid wordt geboden om werken en studeren te combineren. Zoals bepaald in het nieuwe decreet, moeten alle nieuw startende kinderbegeleiders voor gezinsopvang vóór de start een module van twintig lestijden ‘kennismaken met de gezinsopvang’ volgen. Niet-gekwalificeerde kinderbegeleiders gezinsopvang die starten, moeten bovendien twee keer twintig lestijden volgen. Twintig lestijden hebben betrekking op het kennismaken met de gezinsopvang en twintig lestijden op het werken in de kinderopvang. Hiervoor wil Kind en Gezin samenwerken met de centra voor volwassenenonderwijs. Blijkbaar is het niet altijd even evident om voldoende snel in te spelen op de noden voor dit aanbod.

Alles zal opgelost zijn als eindelijk de beroepskwalificatie zal zijn opgesteld. Laat ons daar nu snel werk van maken. Het overleg is al volop bezig.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, het is inderdaad van belang dat er stevig wordt doorgewerkt. De sector zit erop te wachten. We stellen vast dat mensen die vandaag aan de slag zijn, de stap al willen zetten naar het volgen van een opleiding die nodig is om aan de slag te kunnen blijven in de sector. Maar omdat er nog geen beroepskwalificatie is, is het niet vertaald naar onderwijskwalificatie en hebben de instellingen een opleiding die eigenlijk niet aangepast is aan het ministerieel besluit waarin de vereiste competenties duidelijk zijn geformuleerd.

Het gaat om mensen die vandaag aan de slag zijn als kinderbegeleider. Die uren vallen vaak net op het moment dat de CVO’s opengaan, waardoor het niet zo eenvoudig is om in te spelen op die specifieke noden en behoeften van deze mensen. Wij hebben ze wel nodig om het werk te blijven doen en om de kinderen op te vangen, ook na de school. Het is dus van belang dat de dingen op elkaar worden afgestemd en dat er stevig wordt doorgewerkt zodat de juiste opleidingen zo vlug mogelijk worden aangeboden, met de nodige flexibiliteit.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.