U bent hier

De heer Danen heeft het woord.

De Vlaamse overheid wil het hernieuwbare-energiepotentieel van steden en gemeenten in kaart brengen en bouwt daarvoor verder op de nulmetingen die de Vlaamse overheid aan de lokale besturen aanbiedt en actualiseert in het kader van het Burgemeestersconvenant. Via een studie van Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek Leefmilieu (TWOL) zal een potentieelinschatting hernieuwbare energie worden gemaakt en een interactieve kaart worden opgesteld.

Ruimte Vlaanderen neemt momenteel het initiatief om hernieuwbare-energiepotentiekaarten op te stellen met onder andere ook een studie over de conceptnota Fast Lane windenergie.

De provincie Vlaams-Brabant werkt op dit moment aan energiekansenkaarten en de provincie Limburg heeft het windpotentieel al in kaart gebracht. In Oost-Vlaanderen werd dan weer heel wat werk verricht met de opmaak van energielandschappen. Binnen verschillende beleidsdomeinen en op verschillende bestuursniveaus worden er momenteel dus gelijkaardige plannen opgemaakt.

Minister, is er contact geweest tussen Ruimte Vlaanderen en Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) over de opmaak van deze plannen? Is er een samenwerking en wie zou deze dan coördineren? Het zou jammer zijn indien door een gebrek aan coördinatie een aantal zaken niet of dubbel zouden gebeuren.

Vertrekt LNE bij de opmaak van de TWOL-studie vanuit de huidige technische mogelijkheden van bepaalde hernieuwbare energiebronnen of vanuit de ruimtelijke mogelijkheden of het huidige wetgevende kader voor de inplanting van dergelijke hernieuwbare energiebronnen?

Wordt bij de opmaak van de plannen rekening gehouden met de ruimtelijke interferenties tussen de verschillende hernieuwbare energiebronnen?

Welke hernieuwbare energiebronnen worden in kaart gebracht, enkel hernieuwbare energiebronnen voor elektriciteitsproductie of ook hernieuwbare bronnen voor groene warmte?

LNE laat een potentieelinschatting hernieuwbare energie ontwikkelen die de bestaande hernieuwbare energie ruimtelijk in kaart brengt en ook een methode aanreikt om het potentieel hernieuwbare energie te berekenen per gemeente. Worden de resultaten daarvan openbaar gemaakt? Zullen die resultaten vrij raadpleegbaar zijn door andere bestuursniveaus en eventueel andere stakeholders?

Verschillende bestuursniveaus werken momenteel aan gelijkaardige plannen of hebben deze oefening al afgerond. Is er een overleg gepland met deze lokale overheden om de verschillende plannen op elkaar af te stemmen? Worden de verschillende plannen die in opmaak zijn of die al zijn opgemaakt, in kaart gebracht? Wordt bij de opmaak van nieuwe plannen rekening gehouden met de al opgemaakt plannen? Wie zal dit coördineren?

De heer Gryffroy heeft het woord.

Dit is min of meer een uitbreiding van de vorige vraag over de zonnekaart. Deze vraag bevat echter twee belangrijke aspecten.

Deze namiddag wordt het voorstel van resolutie betreffende een energiepact besproken. De basis is het stakeholdersoverleg dat de inventaris moet opmaken. Ik vrees echter dat we straks allemaal op ons klein lapje grond, per provincie, een eigen methode zullen hebben om iets te stroomlijnen of te inventariseren. Het kan dan ook nuttig zijn dat de Vlaamse overheid een coördinerende rol speelt om ervoor te zorgen dat wanneer al die plannen moeten worden opgevraagd, eenzelfde methode wordt gehanteerd. We moeten bepaalde zaken op dezelfde manier kunnen vergelijken. Dat geldt voor zonnekaarten, potentie aan restwarmte enzovoort. Volgens welke basisparameters moet zoiets worden opgemaakt? Zult u daartoe initiatieven nemen?

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

Er zijn verschillende contacten geweest met Ruimte Vlaanderen. Ruimte Vlaanderen heeft input gegeven op het ontwerp van bestek. De studie is complementair met de studie die Ruimte Vlaanderen uitvoert. Ruimte Vlaanderen is uitgenodigd om deel te nemen aan de stuurgroep die de studie begeleidt.

De potentieelinschatting gebeurt per hernieuwbare-energietechnologie en is gebaseerd op het regelgevend kader en de bestaande ruimtelijke randvoorwaarden. Er zullen een aantal sensitiviteitsanalyses gebeuren op deze randvoorwaarden en op de evolutie van de technologische ontwikkelingen.

De bedoeling van de studie is de gemeenten te ondersteunen bij de opmaak van duurzame-energieactieplannen in het kader van het Burgemeestersconvenant. Ongetwijfeld zal het budget van de studie beperkingen opleggen aan het niveau van detaillering dat mogelijk is.

Zoals gezegd, is het de doelstelling alle gemeenten een indicatie te geven van wat mogelijk is aan hernieuwbare energie in de gemeente. Afhankelijk van de offertes die binnenkomen, zal worden gekeken hoe de onderzoeksteams door middel van modellering antwoorden kunnen bieden op deze problematiek.

Met volgende hernieuwbare energiebronnen moet minstens rekening worden gehouden, met mogelijk elk hun eigen methodologie, zowel voor de weergave van de huidige situatie als de potentieelinschatting: zonne-energie, zowel fotovoltaïsch als zonneboilers; windenergie; waterenergie; hernieuwbare warmte: afvalwarmte en geothermie; biomassa of restafval als energiebron: vergisting, organische groente-, fruit- en tuinafvalstromen zoals mout, eigen waterzuiveringsslib, enzovoort.

De hernieuwbare-energieatlas is een hulpmiddel voor gemeentelijke overheden en burgers om inzicht te krijgen in de mogelijkheden van de gemeente om de toepassing van hernieuwbare energie te realiseren. De bedoeling van de studie is om de verkregen resultaten met een interactieve kaart beschikbaar te stellen aan lokale overheden en burgers. De resultaten worden op een website ontsloten.

Het is de bedoeling om van het bestaande instrumentarium te vertrekken en daarop voort te bouwen. De uniformiteit van de gebruikte systemen en modellen binnen de verschillende beleidsniveaus vormt een belangrijk element bij deze potentieelinschatting. Idealiter kan een methodologie worden gebruikt op gemeentelijk, provinciaal en Vlaams niveau. Daarnaast is al veel geografische informatie beschikbaar voor Vlaanderen. In de stuurgroep van de nog op te starten studie zullen de provincies of een vertegenwoordiger van de provincies aanwezig zijn.

Er zal binnen de stuurgroep van de nog op te starten studie worden bekeken op welke manier lopende initiatieven het best worden opgenomen op de interactieve kaart. Indien er praktische oplossingen beschikbaar, kunnen deze plannen, bijvoorbeeld in de vorm van een kaartlaag, mee worden opgenomen op de interactieve kaart.

Er wordt rekening gehouden met de lopende initiatieven en de coördinatie gebeurt in de stuurgroep van de studie. Het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) coördineert de studie en zit de stuurgroep voor. Zoals gezegd, valt de opmaak van plannen buiten het bereik van deze studie.

De heer Danen heeft het woord.

Minister, dank u voor uw antwoord. Ik wil er nog twee bijkomende bedenkingen bij maken.

Ik begrijp dat er een zo ruim mogelijke waaier van hernieuwbare energiebronnen zal onderzocht worden – of toch de potentie ervan. Dan is het belangrijk om in te schatten op welke manier de technologie de komende jaren zal vooruitgaan. Op welke manier wordt met de progressie van de technologie rekening gehouden? Zo staat er in verband met zonnepanelen heel wat op stapel, met lichtere folies en dergelijke. Ook windenergie heeft heel wat progressie te verwachten, met andersoortige windmolens en dergelijke. Het is van belang om daar in die studie in de mate van het mogelijke rekening mee te houden.

In hoeverre zullen de initiatieven worden verankerd in het ruimtelijk wetgevend kader, om de afdwingbaarheid hard te maken? Is er overleg met de instanties die bevoegd zijn voor Ruimtelijke Ordening? Het zou kunnen dat bepaalde hernieuwbare energiebronnen op bepaalde plekken heel interessant kunnen zijn, maar dat het ruimtelijk momenteel niet kan. Waarmee ik niet wil zeggen dat alles overal moet kunnen, helemaal niet. Maar het zou toch jammer zijn dat door een te strikte interpretatie bepaalde potenties niet worden benut.

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

Wij volgen uiteraard de nieuwe technologieën op de voet. We kennen de zonne- en de windenergie. We kennen de bestaande technologieën. Maar er zijn heel wat onderzoeksinstellingen bezig met nog andere technologieën, bijvoorbeeld de technologie waarbij energie wordt opgewekt door de wrijving van voertuigen met het wegdek te capteren. Sommige bedrijven zijn daarmee bezig. Het staat nu nog in zijn kinderschoenen. Ik ben ervan overtuigd dat we moeten teruggaan naar de natuurlijke of normale manieren om energie op te wekken. Zeker als je in een decentraal model denkt, hoef je niet altijd grote centrales op te zetten. Een veelvoud van gemakkelijk integreerbare kleine centrales is ook nuttig. Denk maar aan de vraag die hier onlangs werd gesteld door de heer Schiltz naar aanleiding van een doctoraatsonderzoek van een student in Leuven, die zei dat als je 1 miljoen elektrische wagen per dag 1 uur voor opslag zou laten zorgen, je op een piekmoment de capaciteit van een kerncentrale zou hebben, die je dan zou kunnen uitsluiten. We moeten dus denken in termen van een veelheid van kleine, decentrale zaken.

Uiteraard volgen we dat op de voet. Ik ben ervan overtuigd dat daar de komende jaren nog zaken in zullen worden ontwikkeld waar we vandaag misschien nog niet bij stilstaan. We moeten dat opvolgen, om te zien wanneer dat marktconform wordt en introduceerbaar op de markt. We moeten ons werk doen en heel kort op de bal spelen, om ervoor te zorgen dat we altijd rekening kunnen houden met die nieuwe technologieën.

Ruimte Vlaanderen is hierbij wel degelijk betrokken. Dat is logisch. Je kunt niet op een bepaald moment het potentieel in kaart brengen als je geen rekening houdt met de ruimtelijke ordening. Wij werken daar met minister Schauvliege zeer goed samen. We hanteren de filosofie zoals bij de ‘fast lane’ voor de windmolens. Er is een heel duidelijke link. De departementen werken samen. Met het departement Energie, met zijn eigen bevoegdheden, proberen wij heel nauw samen te werken. Het is bijna een Siamese tweeling: je kunt niet denken over nieuwe concepten als je niet weet of je de ruimte hebt om ze te plaatsen en wat de eraan verbonden vergunningen zijn.

De heer Danen heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U haalt Fast Lane aan, maar dat vind ik net een minder goed voorbeeld, omdat er heel wat fricties zijn met Oost-Vlaanderen, waar de samenwerking op bepaalde vlakken blijkbaar niet van een leiden dakje is verlopen. Men is geconfronteerd met een aantal voldongen feiten, wat niet zo interessant was voor de samenwerking.

Ik hoop dat we daaruit kunnen leren, dat de coördinatie er in de toekomst voor zal zorgen dat dit soort fricties en conflicten zoveel mogelijk kan worden vermeden.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.