U bent hier

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, mijn vraag gaat over een dossier dat een tijdje terug bijzonder vaak in de actualiteit was, namelijk de beschikbaarheid van oudere werkzoekenden of SWT’ers (stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag), vroeger gekend als de bruggepensioneerden.

Er is op federaal niveau een akkoord gekomen over het beleid daaromtrent. Dat zou nu verder uitgerold en uitgevoerd worden. Er zou een KB en een normatief kader moeten komen om te bepalen hoe alles concreet wordt ingevuld en waaraan de betrokkenen kunnen worden getoetst door de arbeidsbemiddelingsdiensten van de deelstaten.

Het cruciale element is de aangepaste beschikbaarheid, zoals dat heet. De invulling van die aangepaste beschikbaarheid is een zaak van overleg tussen de gewesten en de federale overheid. Het doel is uiteraard om zo veel mogelijk ervaren oudere werkzoekenden aan het werk te helpen via begeleiding op maat. Die zal er allicht wat anders uitzien dan voor een 35-jarige. Die begeleiding moet vooral gefocust worden op competenties in plaats van op diploma’s. U hamert daar al jaren op, dat competenties de norm moeten zijn voor het activeringsbeleid in Vlaanderen.

De regeling voor SWT’ers wordt dus aangepast. De ijkdatum daarvoor is 1 januari 2015. Degenen die daarvoor in SWT zaten, kunnen meestal een beroep doen op een vrijstelling van beschikbaarheid. Vanaf dit jaar wordt die vrijstelling aangepast en zullen steeds meer mensen in aanmerking komen voor een actieve begeleiding naar werk. De vraag is hoe die aangepaste beschikbaarheid concreet moet worden ingevuld. Dat is uiteraard een taak van de deelstaten. Het was de bedoeling van de federale minister van Werk om eind mei te landen met de invulling van het concept van de aangepaste beschikbaarheid. Er was daarover overleg geweest met de gewesten. Mijn vraag dateert al van begin mei, dus intussen zijn er al wel een aantal andere zaken gebeurd. U zult daar straks ongetwijfeld meer over kunnen vertellen.

De bedoeling was dat Vlaanderen en de andere gewesten elk hun invulling gaven, en dat dat uiteindelijk zou leiden tot een nieuw federaal KB. Hoever staan we daarmee? Hoe ziet Vlaanderen de invulling van het begrip aangepaste beschikbaarheid? U hebt eerder al gezegd dat de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) helemaal klaar staat om die taak op zich te nemen. Kunt u ook aangeven hoe de VDAB die taak concreet op zich zal nemen?

Is er ondertussen overleg geweest met de andere regio’s? Ik heb begrepen dat zij wat vertraging hadden in hun werkzaamheden. Ik hoop dat ze intussen wel hun werk hebben gedaan. In het beste scenario is dat gebeurd in overleg tussen de drie gewesten en de federale overheid. Is er daaromtrent ook overleg geweest met de sociale partners of zal er nog overleg plaatsvinden?

De heer Jan Hofkens (N-VA)

Ik wil even aanpikken bij de vraag van de heer Bothuyne. Ik kan me er volledig bij aansluiten. De vraag op zich is misschien een beetje achterhaald, maar het thema is dat uiteraard niet. Mijn vraag aan de minister borduurt voort op de discussie van een paar weken geleden hier. Toen had ik begrepen dat de eerste deadline voor de adviezen van de regio’s 15 mei was. Vlaanderen heeft dat op 8 mei aangeleverd; Brussel en Wallonië hadden dat nog niet kunnen doen. De federale minister van Werk heeft dan nog eens een bijkomend uitstel gegeven tot eind mei. Ik heb echter vernomen dat we die adviezen vandaag nog niet hebben mogen ontvangen. Men zou er wel aan aan het werken zijn – dat vermoed en hoop ik althans. De vraag is dus wanneer die komen, als ze nog komen.

Mijn tweede vraag is wat dit betekent voor de timing van de inkanteling en de operationalisering van de zaak met betrekking tot de controles vanaf 1 juli 2015. We weten dat het normatief kader nog in de vorm van een KB moet komen. De regio’s moeten een advies uitbrengen. Dit moet nog een hele weg afleggen. De sociale partners moeten een advies uitbrengen.

Minister, mijn fractie is een beetje ongerust. De federale minister van Werk en uzelf trekken aan dezelfde kar en hebben dezelfde doelstelling. We moeten vermijden dat ten gevolge van het uitblijven van een advies van de regio’s chaos ontstaat. U zult dat natuurlijk niet toelaten, maar het is uiteindelijk bedroevend dat we de deadline van 1 juli 2015 om deze reden misschien niet zullen halen. Ik zou dat ten zeerste betreuren.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters

Voorzitter, ik wil twee punten naar voren brengen. De KB’s betreffende SWT hebben vooral betrekking op de wijziging van de leeftijd waarop dit stelsel van toepassing zal zijn. Als Vlaams minister heb ik daar gewoon kennis van genomen.

Iedereen weet echter dat we de leeftijd tot dewelke iemand actief moet blijven tijdens de vorige legislatuur van 52 jaar tot 60 jaar hebben opgetrokken. In het Vlaams regeerakkoord is een optrekking van die leeftijd van 60 jaar tot 65 jaar opgenomen. We hebben daar steeds twee criteria aan gekoppeld, namelijk de capaciteit van de VDAB en de situatie op de arbeidsmarkt. Die mensen moeten ook een kans op de arbeidsmarkt hebben.

Op zich ligt het KB dat de leeftijd voor SWT verhoogt in de lijn van wat we in het Vlaams regeerakkoord hebben opgenomen. Dit komt ook overeen met wat in ‘Samen op de bres voor 50+’ en in het loopbaanakkoord met de sociale partners staat.

Daarnaast is er ook het effectief kader betreffende de aangepaste beschikbaarheid. Ik veronderstel dat de verwijzing naar de federale minister van Werk hierop slaat. De invulling van het normatief kader is immers een federale bevoegdheid. De toepassing van het kader is een Vlaamse bevoegdheid. Dit is belangrijk. Ik kan het kader niet toepassen als het niet is ingevuld en ik mag het zelf niet invullen. Dat is een belangrijk punt.

Op 4 mei 2015 hebben we een schrijven van minister Peeters ontvangen. Hierin heeft hij een aantal principes van het normatief kader geschetst en het voornemen geuit het begrip ‘aangepaste beschikbaarheid’ te definiëren of in het normatief kader op te nemen. Hij heeft ons toen op zeer korte termijn om een advies gevraagd.

We zijn echter sneller geweest. Op 7 mei heeft de werkgroep van het Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité (VESOC) hierover overleg gepleegd. Dat is meteen een antwoord op de vraag of we de sociale partners hier al bij betrokken hebben. Op 8 mei 2015 heeft de Vlaamse Regering een antwoord geformuleerd.

De andere twee gewesten hebben echter voor 15 mei 2015 geen antwoord gegeven. Volgens mij heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vandaag een antwoord gegeven. Het antwoord van het Waalse Gewest wordt nog steeds verwacht.

Vorige week heb ik contact gehad met minister Peeters. Hij hoopte toen me begin deze week verder op de hoogte te kunnen brengen en over de aanzet van een normatief kader te beschikken. Dat is ondertussen nog steeds niet het geval. We zitten dan ook met een probleem inzake de timing.

Het is ondertussen 11 juni 2015. Het gaat nog maar om het normatief kader. Indien ik me niet vergis, moet dat dossier ook nog voor advies naar het beheerscomité van de RVA. Ik veronderstel dat het ook naar de Raad van State en nadien opnieuw naar de Federale Regering moet. We weten nu al dat dit nooit voor eind juni 2015 klaar zal zijn.

Op de vraag wanneer het wel klaar zal zijn, kan ik enkel antwoorden dat ik het niet weet. Dat is afhankelijk van het tijdstip waarop minister Peeters het normatief kader vaststelt en van de vraag of het beheerscomité van de RVA op dat ogenblik nog niet in reces is. Ik kan nu enkel stellen dat 1 juli 2015 niet haalbaar is. Ik beschik immers niet over een normatief kader dat ik kan uitvoeren.

Zodra ik van de Federale Regering een normatief kader krijg, zal ik dat uiteraard in het VESOC met de Vlaamse sociale partners bespreken. Dan zal ik de stap naar de uitvoering zetten. Zoals ik al eerder heb verklaard, staan we klaar. Zodra we het normatief kader krijgen, zullen we het uitvoeren.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het valt te betreuren dat de uitvoering van een beleid dat we hier allemaal op poten willen zetten vanwege de vertragingen in andere gewesten vertraging oploopt. Aangezien de zomerperiode eraan komt, ga ik ervan uit dat het geen vertraging van een maand maar van meerdere maanden zal zijn. Uw non-verbale communicatie bevestigt dit.

Ik wil nog een vraag stellen die losstaat van de timing. Volgens u is de VDAB hier klaar voor. Misschien zou het goed zijn hier nog even te duiden hoe de betrokkenen effectief zullen worden begeleid. Er was wat animositeit bij de sociale partners. De vrienden van het ABVV trokken sterk in twijfel of de VDAB effectief in staat is om de begeleiding van deze relatief grote bijkomende groep oudere werkzoekenden op zich te nemen. Misschien moet u nog even duiden hoe de VDAB dit kan en zal aanpakken.

Als dit niet op 1 juli 2015 ingaat, zal het op 1 september 2015 of op 1 oktober 2015 ingaan. Het tijdstip komt eraan waarop een grotere groep mensen van die leeftijd bij de VDAB zal aankloppen. Die mensen hebben dan effectief recht op een aangepaste begeleiding en op eventuele opleidingen.

De heer Jan Hofkens (N-VA)

Minister, ik wil nog een korte aanvullende vraag stellen. Hoe zal die operationalisering op 1 juli 2015 concreet verlopen? Zal dat binnen het oude kader gebeuren?

Moeten we dan eerst een voorlopige structuur opzetten? Gaat die dan zwaar veranderen vanaf een latere datum? Wat is de complicatie praktisch gezien van deze problemen met de timing?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters

Voorzitter, werken met het oude normatieve kader kan niet omdat er uitdrukkelijke bevoegdheden zijn toegewezen aan de RVA. Zonder nieuw normatief kader kunnen we dat niet overnemen. Ik kan niet werken vanaf 1 juli. Ik kan pas werken als er een nieuw normatief kader goedgekeurd is.

Ik kan ook niet werken omdat het een ander systeem is. We hebben bij de VDAB onmiddellijk gekozen voor een computersysteem dat aansluit op het systeem van de VDAB. Het oude systeem nu rap integreren, dat gaat niet. Dat is effectief een probleem. Alles is voorbereid, maar we moeten het wel krijgen. Het oud normatief kader invoegen in het nieuwe systeem zou veel werk vragen, en over een maand moeten we dan opnieuw herbeginnen. Dat is niet zinvol.

Dan zou er nog een wettelijke bepaling moeten zijn om de bevoegdheden die aan de RVA zijn toegekend, toe te wijzen aan de regio’s. Dat kan nu ook niet.

Mijnheer Bothuyne, er zijn verschillende elementen. Het normatief kader bevat veel meer dan alleen de ouderen. De bezorgdheid rond de ouderen is niet nieuw; u weet dat wij die passende begeleiding al lang toepassen. We deden dat eerst vanaf 50 jaar. In de loop van de tijd hebben we dat verschoven naar 55 jaar. Tot 55 kregen werkzoekenden de automatische matching. Vanaf 55 waren er extra procedures, zowel inzake begeleiding als in het doorsturen naar vacatures. Er werd goed nagegaan of de vacatures geschikt waren voor 55-plussers – alsof men vanaf 55 jaar minder zou kunnen, ik begrijp dat niet.

Die filosofie blijven we volhouden. Dat kan soms tot gevolg hebben, zoals gisteren bleek in de plenaire vergadering, dat sommige mensen minder vacatures krijgen. Ze worden niet meer automatisch allemaal doorgestuurd. Inzake competenties en talenten zou het misschien wel kloppen, maar er zit een extra filter op. Dat is juist de afspraak die we gemaakt hebben met de sociale partners.

Dit is een ruwe schets van wat we zouden doen. Ik verwacht geen immense problemen om op die manier verder te werken.

Het lijkt me belangrijk om duidelijkheid te scheppen als er een soort vacuümperiode ontstaat tussen 1 juli en het moment dat u effectief aan de slag gaat. Wat zijn de praktische gevolgen dan voor de betrokkenen op het terrein?

Minister Philippe Muyters

Er is geen vacuüm. De RVA zet dat voort. De mensen van de RVA die gingen overkomen, komen nog niet over. Ze hebben nog geen job bij ons, maar nog wel federaal. Het is niet zo evident allemaal.

– Axel Ronse treedt als voorzitter op.

U hebt gelijk, de kwantiteit van de vacatures is minder doorslaggevend. De begeleiding door de VDAB stelde in de afgelopen jaren voor de kleine groep van SWT’ers zonder vrijstelling niet zo heel veel voor. U zei dat u geen stok achter de deur had en dat u daar niet op inzette. Die stok achter de deur hebt u straks wel. Ik ga ervan uit dat de VDAB dan toch een grotere inspanning zal leveren ten aanzien van die groep, omdat we het beleid dan volledig in handen zullen hebben. We hebben dan ook de bevoegdheid om op te treden als ze niet ingaan op de begeleiding. Er zal wellicht een extra inspanning worden gevraagd van de VDAB om kwaliteitsvolle begeleiding van deze grotere groep te bieden.

Minister Philippe Muyters

Ik moet eerst zien wat het federale normatieve kader zal zijn om dan te kunnen bepalen of ik inderdaad een stok achter de deur heb. Ik blijf het zeggen: stel u voor dat u 80 procent van uw wedde krijgt om niet te werken en 100 procent moet werken om die 20 procent erbij te krijgen. U begrijpt dat het niet gemakkelijk is om die mensen te motiveren om 100 procent te gaan werken om 20 procent meer wedde te krijgen. Als dat de situatie is – maar het is een hypothese – dan hangt het ervan af wat die stok achter de deur inhoudt en hoe gemotiveerd ze zijn om te solliciteren. Misschien kunnen we de mensen verplichten om te gaan solliciteren, maar daarom zijn ze nog niet gemotiveerd om aan de werkgever te zeggen: laat me 100 procent werken en dan kan ik 20 procent meer verdienen. Dat blijft een vraag.

We moeten ervan uitgaan dat de goesting om te werken bij veel mensen effectief aanwezig is. U gaf het zelf al aan: 55-plussers kunnen heel wat, ze kunnen dikwijls heel veel en meer zelfs dan jongeren.

Die groep zal altijd een iets guller uitkeringsregime of inkomen kennen dan andere werkzoekenden. Dat is eigen aan het SWT-systeem. Er zijn incentives voor de betrokkenen om aan de slag te gaan, financiële dan. Het is aan de VDAB om de andere incentives zoals opleiding en begeleiding aan te bieden. Dat zal wel degelijk maatwerk zijn en een inspanning vergen van de VDAB. We rekenen er ten volle op dat u daarop inzet.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.