U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Recent – hoewel, het is ondertussen ook al niet meer zo recent, maar goed – maakte de schepen van Onderwijs uit Antwerpen enkele nieuwe, veelbelovende cijfers bekend over de evolutie van het aantal spijbelaars in zijn stad. De cijfers zijn positief, in tegenstelling tot wat in de rest van Vlaanderen zou gebeuren. Voor Antwerpen is dat natuurlijk goed nieuws, hoewel de cijfers behoorlijk verwarrend zijn. De geschetste gunstige trend, die kennelijk af te leiden valt uit eigen Antwerpse registraties over ‘10 of meer dagen ongewettigde afwezigheid’, wordt niet bevestigd door het cijfermateriaal in de nieuwe stadsmonitor 2014, met cijfers over ‘30 of meer dagen ongewettigde afwezigheid’ voor het lager, secundair en deeltijds onderwijs. Die laatste cijfers zijn voor het schooljaar 2013-2014 en voor de drie genoemde onderwijsniveaus in Antwerpen niet beter, maar juist slechter dan voor het schooljaar 2012-2013.

Welke ook de juiste cijfers zijn, of de juiste vergelijking is, één iets maakt dit alvast duidelijk: er is nood aan duidelijke afspraken en betere en snellere doorstroming en communicatie van gegevens. Vlaamse scholen geven elke dag alles door aan Brussel. Dat kost veel tijd en energie. Daarnaast zijn er ook heel wat lokale besturen of overlegplatforms die cijfers opvragen aan de scholen. Ze kunnen vandaag niet anders, omdat ze jaren moeten wachten op cijfers uit Brussel. Voor het grotere plaatje: het departement Onderwijs heeft nog geen nieuw rapport met spijbelcijfers over het schooljaar 2013-2014 bekendgemaakt. Het laatst gepubliceerde schoolbelrapport handelt over 2012-2013.

Vlaamse en lokale leerlingenregistratie: dat is nutteloos dubbel werk, en scholen en directeurs zien daar – terecht – het nut niet van in. Er wordt bovendien niet alleen dubbel, maar ook op een verschillende manier geregistreerd. In Vlaanderen worden leerlingen pas gecategoriseerd als spijbelaar vanaf dertig dagen ongewettigde afwezigheid, in Antwerpen is dat blijkbaar al vanaf tien dagen. Dit maakt het vergelijken van cijfers moeilijk en werpt de vraag op naar de beste strategie.

De Antwerpse schepen vraagt voor de spijbelaanpak ook een duidelijk extra financieel engagement van de Vlaamse overheid. Dat de middelen van het Gemeentefonds stijgen met 3,5 procent, is intussen geweten. Maar men kan niet garanderen dat een deel van dat budget naar onderwijs gaat, te meer omdat er door Vlaanderen op allerlei andere vlakken beknibbeld wordt bij de gemeenten. De nood aan lokale antispijbelmaatregelen is en blijft torenhoog, en er is nog steeds onzekerheid over de middelen van flankerend onderwijsbeleid. Ondertussen niet meer, maar goed.

Minister, u zou hierover na de begrotingscontrole meer duidelijkheid verschaffen. Dat is gebeurd. Ik had graag wat meer informatie gekregen over waar de zaken mislopen, maar vooral wat u concreet van plan bent om dit aan te pakken en op welke termijn.

Minister, wanneer wordt het ‘schoolbelrapport’ 2013-2014 verwacht? Hoe komt het dat het zo laat komt? U zegt werk te willen maken van het communiceren van cijfers naar steden en gemeenten. Wanneer en hoe maakt u dat in orde? Welke concrete stappen hebt u al gezet? Zijn de privacyproblemen al van de baan? Welke afspraken maakt u, in afwachting van die communicatie, voorlopig met lokale besturen om dubbel werk te voorkomen?

In Antwerpen gaat er na tien spijbeldagen een alarmbelletje rinkelen, in Vlaanderen pas na dertig. Van waar dat verschil? Is het niet beter het Antwerps voorbeeld te volgen om vroeger te kunnen ingrijpen? Is er een evaluatie van die termijn gepland?

Communicatie over deze gegevens is meer dan gewoon het doorgeven van cijfers. Er hoort ook een kwalitatieve, verklarende analyse en duiding bij. Hoe wilt u dat aanpakken?

Heeft u al geïnformeerd naar het ‘aanval op uitval’-systeem van Nederland? Kan daaruit iets worden overgenomen door het Vlaamse beleid tegen spijbelen?

Wat heeft de begrotingscontrole opgeleverd voor de middelen voor het flankerend onderwijsbeleid, waarmee heel wat lokale anti-spijbelacties worden gefinancierd? Intussen weten we dat die middelen zijn afgeschaft, en dat is voor mij nog altijd geen goede beslissing.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik wil dit aanvullen met enkele cijfers waaruit blijkt dat het aantal problematische afwezigheden in het deeltijds beroepssecundair onderwijs soms oploopt tot 48 procent van het aantal leerlingen. Dat is blijkbaar vooral het geval in het Limburgs onderwijs. In Antwerpen is 32 procent van alle leerlingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs een problematische spijbelaar, in Vlaams-Brabant gaat het om 34 procent, in West-Vlaanderen om 35 procent en in Oost-Vlaanderen om 42 procent. Ook in de centrumsteden Leuven en Hasselt piekt het aantal problematische afwezigheden in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, met respectievelijk 57,23 procent en 54,20 procent. Een aparte categorie zijn de meerderjarige spijbelaars, die opnieuw vooral in het deeltijds beroepssecundair terug te vinden zijn. Hierdoor scoren ook het zesde en zevende jaar bso hoog op de spijbellijst. Hoewel deze jongeren niet langer leerplichtig zijn, is het toch belangrijk dat ook zij een kwalificatie halen. Preventie is daarbij nodig, maar ook responsabilisering van leerling en ouders. Bovendien gaat problematisch spijbelgedrag hand in hand met ongekwalificeerde uitstroom, waarover we het in de commissie al eerder hadden. Ook dat is een reden om het problematisch spijbelgedrag een halt toe te roepen.

Minister, zult u in het aangekondigde leerplan rekening houden met de cijfers van het dbso en een specifieke aanpak uitwerken voor meerderjarige spijbelaars?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Net zoals alle vragen, is ook deze interessant en geeft ze aanleiding tot een flinke gedachtewisseling.

Ik start bij het rapport met de mooie titel ‘Wie is er niet als de schoolbel rinkelt?’, over 2013-2014, dat zeer binnenkort wordt gepubliceerd. Dat betekent echter niet dat er nog geen cijfers zijn. In mijn antwoord op schriftelijke vraag nummer 187 van 13 januari van Ingeborg De Meulemeester geef ik al een uitgebreid overzicht van de geregistreerde problematische afwezigheden in 2013-2014, met onder andere cijfers per centrumstad. Ik zal ze niet allemaal opnieuw voorlezen, u kunt ze daar terugvinden.

Ik ben het er zeker mee eens dat we dubbele registraties moeten vermijden en de procedures op elkaar moeten afstemmen. In ons actieplan leerrecht, dat hopelijk zeer binnenkort klaar is, plan ik een jaarlijkse update van de cijfers van vroegtijdig schoolverlaten op Vlaams niveau, op niveau van de steden en gemeenten en op schoolniveau. Dat zal ons een zeer transparant beeld geven. Onlangs is het nieuwe macrorapport met de recente cijfers over vroegtijdig schoolverlaten gepubliceerd. Dat zijn de nieuwe Vlaamse cijfers en de cijfers van de centrumsteden en de provincies. Het berekenen en bekendmaken van die cijfers past in het vorige actieplan vroegtijdig schoolverlaten, en via de gemeenterapporten kregen alle Vlaamse steden en gemeenten hun eigen cijfers. Het gaat daarbij enkel om een algemeen cijfer van de secundaire scholen van elke gemeente of stad in Vlaanderen, dus geen cijfer op schoolniveau.

Dankzij het rapport over de recentste opeenvolgende schooljaren, hebben we cijfers beschikbaar van de schooljaren 2009-2010 tot en met 2012-2013. Via de databundel kregen de scholen zelf onlangs ook hun cijfer over vroegtijdig schoolverlaten. In het nieuwe actieplan zit, zoals gezegd, een jaarlijkse update. In 2016 wordt die nog uitgebreid met andere indicatoren, zoals spijbelen en definitieve uitsluiting en zullen we ook bekijken hoe de leerlingenstromen in een regio in kaart kunnen worden gebracht. Scholen kunnen zelf hun eigen cijfers aan het CLB of de lokale besturen doorgeven, maar we verplichten hen daartoe niet. We willen immers vermijden dat scholen met elkaars cijfers aan de slag gaan. We weten dat bepaalde scholen zich heel sterk engageren om met jongeren in moeilijke situaties toch te werken. Zo was ik een paar dagen geleden op bezoek bij KTA Wollemarkt in Mechelen, waar je een totaal andere type leerling vindt dan in bepaalde andere scholen. Ik wil echt vermijden dat scholen publiek een label krijgen omdat ze op een bijzondere manier met hun leerlingen omgaan en ook de meest kwetsbare jongeren proberen te begeleiden. De school zelf kan er dus wel voor kiezen zelf de cijfers bekend te maken. Het bekendmaken van die gegevens is ook volledig conform de privacywetgeving.

Alle scholen geven nu al via DISCIMUS hun cijfers door aan de administratie in Brussel. Om alle gegevens over aan- en afwezigheden van leerlingen te ontsluiten, moet er een applicatie worden gebouwd, en dat is niet zo evident. Er wordt volop aan gewerkt en volgens de meest recente informatie die we kregen, zullen de lokale besturen vanaf september volgend jaar beschikken over alle gegevens over spijbelen en definitieve uitsluiting. Intussen kunnen individuele scholen die informatie nu al bij de administratie opvragen. Vanaf september 2016 zal de informatie ook automatisch via de applicatie worden ontsloten.

Dan kom ik bij de dertig en tien halve dagen afwezigheid. Dertig halve dagen problematische afwezigheid als criterium voor een hardnekkige spijbelaar bestaat al vele jaren. Scholen zijn verplicht om het Agentschap voor Onderwijsdiensten op de hoogte te brengen zodra een leerling ten minste dertig halve dagen problematisch afwezig is, maar scholen zijn ook nu al vele jaren verplicht het CLB in te schakelen voor het begeleiden van een leerling vanaf tien halve dagen problematische afwezigheid. Ze kunnen het CLB al vroeger bij de begeleiding van de jongere betrekken, maar zelf moeten ze de leerling opvolgen vanaf de eerste halve dag spijbelen. Dat is de bestaande cascade. Sinds het schooljaar 2013-2014 sturen de scholen alle afwezigheden van leerlingen via DISCIMUS door. Daardoor kunnen we veel fijnmaziger rapporteren over problematische afwezigheden en dus ook over het aantal leerlingen met ten minste tien halve dagen problematische afwezigheid. In de toekomstige rapportering zal daaraan ook de nodige aandacht worden besteed, want ik geef toe dat het systeem van dertig en tien halve dagen voor verwarring zorgt.

Scholen ontvingen dit jaar al een aantal databundels met cijfergegevens. Ook de steden en gemeenten hebben die ontvangen. In de databundels worden de cijfers voor de scholen in de gehele schoolcontext geplaatst. Ook als we in de toekomst meer cijfers aan meer actoren zullen bezorgen, zullen we die altijd afzetten tegen een aantal omgevingsfactoren die van belang zijn. Er is ook al een leeswijzer ontwikkeld om de gebruikte definities te beschrijven en het lezen van de cijfers te vergemakkelijken. Dat zal in de toekomst ook telkens aangevuld worden naarmate er meer rapporten gemaakt worden. Verder kan er dit schooljaar via de prioritaire nascholing ingezet worden op het verhogen van de datageletterdheid.

De aanpak in Nederland is mij uiteraard bekend, collega’s. Een aantal elementen willen we ook meenemen in ons actieplan leerrecht. Ik stel voor dat we dat luik meenemen als het actieplan er is. Zoals u weet, werken zij zeer aanklampend, wat in een aantal opzichten een zeer goede zaak is.

Het is belangrijk dat we dit goed opvolgen. Voor mij is het eerstvolgende, naast de communicatie, het actieplan leerrecht, en dan de ‘warehouse’ waar je alle relevante informatie kunt vinden.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, bedankt voor een aantal antwoorden die toch wel wat duidelijkheid hebben verschaft en die al een blik werpen op wat er in de toekomst te gebeuren staat. De lokale besturen kunnen echt wel een belangrijke rol spelen op het vlak van het tegengaan van spijbelen en ook van schooluitval, dat vaak een link heeft met problematisch spijbelen.

Cijfergegevens zijn een zeer belangrijke zaak. Dat moet prioritair rechtgezet worden.

Ik had ook nog een vraag in verband met het flankerend onderwijsbeleid. Worden die middelen behouden, of moet dat op een andere manier gebeuren? Die middelen zijn daar immers belangrijk in. We weten nu dat daar geen geoormerkte middelen meer voor zullen zijn en dat het aan de steden en gemeenten zal zijn om daar budget voor vrij te maken.

Met betrekking tot het Gemeentefonds spreekt u over een stijging met 3,5 procent, maar er zijn ook een aantal besparingen geweest, voordat een aantal middelen werden opgenomen in dat fonds, waardoor de nettorekening voor steden en gemeenten niet altijd even gunstig is. Het zal dus wel een moeilijke oefening worden om in die budgetten te kunnen blijven voorzien. Een aantal steden en gemeenten zullen dat misschien wel doen, een aantal andere zullen echt krap bij kas zitten, en voor die zal het niet zo evident zijn. Ik vind het een beetje jammer en gevaarlijk dat het op die manier moet gebeuren en dat er vanuit Vlaanderen niet meer wordt ingezet op het flankerend onderwijsbeleid. Volgens mij blijft dat een echte incentive.

Die schooluitval moet een echte prioriteit zijn. We zitten nog altijd met een bijzonder grote ongekwalificeerde uitstroom. De link met spijbelen is evident. Ik wacht dus met grote interesse op uw plan en ik ben benieuwd hoe u dat zult realiseren als er inderdaad geen geoormerkte middelen meer zullen zijn voor de gemeenten.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, u zegt terecht dat het actieplan leerrecht hier nog uitgebreid besproken zal worden, maar mogen we ervan uitgaan dat het element van de meerderjarige spijbelaars daar ook een onderdeeltje van vormt? Dan kan ik mijn collega geruststellen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Minister, bij de zeer hardnekkige spijbelaars, die twee schooljaren na elkaar dertig halve dagen of meer afwezig zijn, kan de studietoelage ingehouden worden. Kunt u ons, eventueel via het secretariaat, laten weten hoeveel dat er zijn?

Mijn vraag is eigenlijk of die maatregel al of niet efficiënt is. Hier en daar hoor je immers pleidooien om die periode in te korten, maar dat is natuurlijk pas interessant als die maatregel efficiënt is.

Mevrouw Kathleen Helsen (CD&V)

Mijnheer De Meyer, straks zal mevrouw Gennez het nog hebben over straffen. Als je iemand moet straffen, zijn daar een aantal regels voor om dat effectief te doen. Je moet dat onmiddellijk doen en er moet een verband zijn tussen de straf en het gedrag dat je wilt bijsturen. Deze maatregel voldoet niet aan die voorwaarden om een effectieve straf uit te spreken. Dat is zeer duidelijk voor wie geleerd heeft hoe je moet straffen. (Opmerkingen van de heer Jos De Meyer)

U vroeg of de maatregel effect heeft, en dan kan ik u het antwoord nu al geven: neen, want de straf die gegeven wordt, voldoet niet aan de voorwaarden waaraan een straf moet voldoen om effectief te zijn.

Mevrouw Meuleman, u vindt dat gemeentebesturen een belangrijke rol spelen inzake de aanpak van de spijbelproblematiek. Ik heb daar mijn vragen bij, zeker als ik de cijfers bekijk. Wij zetten al verschillende jaren in op de aanpak van de spijbelproblematiek. Er worden veel acties opgezet, er worden middelen van het flankerend onderwijsbeleid ter beschikking gesteld, er worden projectjes opgestart, maar we zien dat de cijfers nog stijgen. Ik stel mij vragen bij de effectiviteit van een aantal dingen.

Ik zie dat er initiatieven genomen worden met de beste bedoelingen en dat er heel veel nagedacht wordt over wat het best kan gebeuren in de aanpak van de spijbelproblematiek, maar ik stel niet vast dat dat ook de effecten heeft die we mogen verwachten. En dat is al gedurende jaren zo. Het is heel belangrijk om veel meer aandacht te hebben voor het preventieve luik en minder voor de situatie als het probleem zich ten gronde voordoet. Ik zie daar een zeer grote uitdaging voor de scholen zelf. Bijvoorbeeld de hervorming van het secundair onderwijs is daarbij cruciaal, alsook de aandacht van leerkrachten en scholen voor het welbevinden en de betrokkenheid van leerlingen op school. Als het daar misloopt, mis je iets fundamenteels in de samenwerking tussen school, leerkracht en leerling, die je zeer moeilijk kunt rechttrekken met initiatieven buiten de school, hoe goedbedoeld ze ook zijn.

De cijfers tonen aan dat we de effectiviteit in vraag mogen stellen. We moeten echt nadenken over de manier waarop we de problematiek aanpakken.

Ik ben het met u eens, mevrouw Helsen, ook wat betreft de hervorming van het secundair onderwijs. Als systemen als duaal leren op punten zullen staan, zullen dat de belangrijkste aspecten zijn in dat preventieve beleid. Maar ik zie ook wel projecten die, op een heel preventieve manier, kinderen van bij het begin mee proberen te krijgen in het onderwijs. Het begint immers vaak in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs. Projecten met kinderen in armoede zijn preventieve projecten die misschien wel werken.

Ik geloof ook veel meer in zo’n preventieve aanpak dan in remediëren als het al fout gaat. Al hebben we die zaken natuurlijk ook nodig, zoals time-outprojecten en andere. Er zijn succesvolle projecten waarbij jongeren tijdelijk iets anders proberen te doen om hun interesse opnieuw te wekken. Het is soms wel een en-enverhaal.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Spijbelen is iets wat we allemaal niet graag hebben, en zeker hardnekkig spijbelen moeten we proberen te vermijden.

Mevrouw Helsen, mevrouw Meuleman, we hebben die discussie vorige week al gevoerd. Ik wil die niet opnieuw openen.

De middelen van het flankerend onderwijsbeleid gaan mee in de pot. Gemeenten kunnen daar verder mee werken. Niet vergeten, collega Meuleman, dat het nog altijd over 1,3 miljoen euro gaat. Er zijn er die zeggen dat alles wordt geschrapt, maar het is 1,3 miljoen euro die in de pot gaat.

Sommige steden zoals Gent zetten assistenten in. Dat gaat over veel meer dan enkel spijbelen en het bezoeken van de ouders thuis, bijvoorbeeld ook over nieuwe mensen. Dat zijn waardevolle projecten. Het overstijgt de school, het is ook integratie. Dat interesseert me vanuit een onderwijscontext, omdat die brugfiguren ook de ouders bij de school kunnen betrekken, wat positieve effecten kan hebben op de leerling en ervoor kan zorgen dat die ook liever komt. Dat is dan weer goed voor hetgeen waarnaar mevrouw Helsen verwijst. Ik zie lokaal initiatieven die niet gefocust zijn op één school, maar die kunnen helpen om het welbevinden te stimuleren. Ik ga met steden en gemeenten spreken. Ik vind het waardevol dat dergelijke zaken behouden kunnen blijven of kunnen worden versterkt. Ik neem die zorg mee, maar we hebben de keuze nu gemaakt om de middelen in te kantelen in de gemeenten, bijvoorbeeld ook voor sport.

Wat het actieplan leerrecht betreft, vind ik het belangrijk dat we vanuit Vlaanderen middelen blijven inzetten om scholen te ondersteunen om in te grijpen. De time-out die time-in wordt, interesseert me. Sommige scholen in Vlaanderen halen leerlingen die het moeilijk hebben niet uit de school, maar houden ze binnen de school tijdelijk in een apart traject. Ik heb een aantal leerlingen gesproken die zo’n time-in hebben gevolgd. Zij vonden het veel beter, ze hebben gedragszaken aangeleerd. Ze vinden het verschrikkelijk als ze buiten de school moeten, ze blijven liever in de school. Dat hangt ook een beetje samen met hoe ze het in Nederland doen. Het is relevant dat Vlaanderen middelen blijft inzetten, en dat zal ik ook doen. Maar ik volg de zorg van mevrouw Helsen ook. Voor mij kunnen bepaalde projecten wel een positieve impact hebben op het spijbelgedrag van jongeren in de scholen.

Mijnheer De Meyer, ik denk dat er al een schriftelijke vraag over is gesteld. Die zit misschien nog in de periode van tien dagen waarbinnen je autonomie hebt. We zullen u de link doorgeven. Zo niet, krijgt u de gegevens.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.