Commissievergadering

donderdag 23 april 2015, 10.00u

Voorzitter
Vraag om uitleg over het voortbestaan van de lokale jeugdraden
van Tine Soens aan minister Sven Gatz
1820 (2014-2015)

Mevrouw Soens heeft het woord.

Voorzitter, minister, in het regeerakkoord lazen we het volgende: “We stimuleren de inspraak van kinderen en jongeren in het lokale jeugdbeleid.” Een lokale jeugdraad is daarbij het absolute minimum van participatie. Niemand ontkent het belang van een lokale jeugdraad. Bovendien zetelen in een jeugdraad ook een mix van zowel mensen uit het jeugdwerk als de jeugd zelf. Op die manier wordt er naar beide partijen geluisterd en worden hun behoeftes, noden en aanbevelingen kenbaar gemaakt. Het bestaan van die mix is uiteraard ontzettend belangrijk.

De subsidiestroom voor het lokaal jeugdbeleid wordt geïntegreerd in het Gemeentefonds en het decreet Lokaal Jeugdbeleid houdt daarmee op te bestaan, althans voor de Vlaamse gemeenten die niet onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) vallen of faciliteitengemeenten zijn. Op die manier heeft de lokale jeugdraad in die gemeenten geen decretale verankering meer en worden gemeenten niet langer verplicht om een jeugdraad te hebben.

In het antwoord van u op de vraag om uitleg van collega Meremans over de inspraak van kinderen en jongeren in het beleid, verzekerde u dat u voor een verankering van de lokale jeugdraden blijft. Op de afgelopen rondetafel ‘Goe Gespeeld!’ van vorige maand had u het in uw openingsspeech over de lokale jeugdraden en de verankering ervan in het lokaal jeugdbeleid. De gemeenten zouden verplicht worden advies te vragen aan de jeugdraad.

Minister, hoe ziet u het verplicht advies vragen aan lokale jeugdraden? Is een adviesplicht op het meerjarenplan van een gemeente niet te beperkend als adviesplicht? Volstaat dit als decretale verankering? Zal dit voldoende zijn om gemeenten te verplichten een jeugdraad te blijven hebben?

Wat met de samenstelling van jeugdraden? Blijft u stimuleren dat zowel jeugdwerk als jongeren hier deel van uitmaken? Hoe zult u dat doen? Blijven de jeugdraden ondersteuning krijgen van een ambtenaar?

Wat met andere participatieve initiatieven? Hoe zult u die blijven stimuleren en ondersteunen zonder het decreet als hefboom?

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Voorzitter, mevrouw Soens, u verwijst correct naar een vraag om uitleg van de heer Meremans. U hebt er ook het regeerakkoord bijgehaald, ik wil zelfs verwijzen naar de beleidsnota waarin de minister het belang en de waarde benadrukt van de inspraak van kinderen en jongeren in het beleid. We hebben met onze fractie ook al bij herhaling benadrukt dat dit absoluut noodzakelijk is.

Wat ik niet correct vind, is dat u stelt dat het volledige decreet Lokaal Jeugdbeleid zal ophouden te bestaan voor gemeenten die niet onder de bevoegdheid van de VGC vallen en voor de faciliteitengemeenten. Ik vind dat een beeld dat al te vaak wordt opgehangen door de oppositie, maar dat niet correct is. We hebben van nabij opgevolgd welke wijzigingen er worden voorgesteld om het decreet Lokaal Jeugdbeleid aan te passen naar aanleiding van de overheveling van de sectorale middelen naar het Gemeentefonds.

Collega’s, zoals ik het lees, blijft er ook na de voorgestelde wijziging een decretale verankering van de lokale jeugdraad bestaan. Graag kreeg ik hierover nog wat meer informatie van de minister.

Mevrouw Soens zal waarschijnlijk zeggen dat doordat de subsidiestroom wegvalt er geen straf meer kan volgen, wat ertoe kan leiden dat er geen inspraak meer zou worden getolereerd. Ik weiger mee te doen aan dit doemdenken. Er zijn nog heel veel sp.a-mandatarissen die mee trekken aan het lokale beleid. Het getuigt dan ook van heel weinig vertrouwen in de eigen mandatarissen.

Bovendien moet de jeugdraad zelf ook op zijn strepen staan. De jeugdraad moet zelf ook opkomen voor zijn rechten en plichten. Als de jeugdraad zichzelf respecteert en als de gemeente zichzelf respecteert, dan kunnen ze het niet maken dat er geen lokaal jeugdbeleid is en dat er geen lokale jeugdraad zou zijn.

De heer Annouri heeft het woord.

Voorzitter, minister, ik sluit me graag aan bij de vraag van mevrouw Soens. Ik wil er nog enkele opmerkingen en vragen aan toevoegen. Het decreet Lokaal Jeugdbeleid verdwijnt zo goed als helemaal. Dit betekent dat het kader grondig verandert. U legt heel veel vertrouwen bij de lokale besturen. Ook wij juichen die lokale autonomie toe, maar ik plaats er een grote ‘maar’ bij.

Lokale besturen zouden voeling moeten hebben met wat leeft op lokaal vlak, maar hoe zit het bijvoorbeeld met de kredietwaardigheid van de gemeenten, van de lokale besturen? Wanneer we het hebben over de toekomst van het lokaal jeugdbeleid gaat het niet per se over slechte intenties of over wantrouwen, maar puur over budgettaire keuzes. De gemeenten streven een dubbel evenwicht na in hun begroting: één op jaarbasis en één op zes jaar.

Uit cijfers die werden getoond op de studiedag over lokaal jeugdbeleid blijkt dat dit voor 20 procent van de gemeenten een probleem vormt. 20 procent, dat is één op vijf. Welk bestuur zal in dergelijke budgettair precaire tijden kunnen garanderen dat het dezelfde middelen zal besteden aan lokaal jeugdbeleid? Vertrouwen moet er zijn, maar hoe kunnen we dit hebben als er geen controle meer is op de beleidsprioriteiten in de meerjarenplanning? Eigenlijk is de situatie nu even simpel als zorgwekkend. De middelen gaan allemaal in één grote pot, en de gemeente kan ermee doen wat ze wil. Uit onderzoek blijkt dat de financiële situatie voor heel wat gemeenten enorm precair is. Ze zullen dus een keuze moeten maken, en dat is de essentie van de problematiek.

Minister, u haalt heel vaak het argument aan van de autonomie van lokale besturen, die op een democratische wijze zijn verkozen. Dat is heel terecht, maar de doelgroep waarover we hier spreken, namelijk jongeren en kinderen, kunnen niet allemaal stemmen. Wat mij betreft geldt dat argument niet voor hen. Zij kunnen zich niet op een democratische wijze uiten. Daarom is het belangrijk hun inspraak op een andere manier te garanderen. De lokale jeugdraad is daartoe een middel. Dat verdient ondersteuning vanuit de gemeente en moet op een of andere manier gegarandeerd kunnen worden. U hebt al verschillende keren gezegd dat de lokale jeugdraad decretaal verankerd blijft. Gemeenten moeten advies vragen aan de lokale jeugdraad, maar wat als die er niet meer is? Wat als de ondersteuning en de middelen onvoldoende blijken te zijn voor het voortbestaan ervan? Collega Van Eetvelde, lokale autonomie kan zowel een vloek als een zegen zijn, maar om er een zegen van te maken is er nood aan sterke schouders voor jeugd. Dat kan zowel lokaal als op Vlaams niveau.

Minister, hoe ziet u dat precies? Welke garanties zijn er voor het voortbestaan van de lokale jeugdraden? In verband met het monitoringsprincipe dat u naar voren schuift om de beslissing van de overheid in kaart te brengen, wat kan er worden gedaan na monitoring? Is het kwaad dan niet al geschied? Blijft het niet enkel bij het vaststellen dat het kalf dan al verdronken zal zijn? Een laatste vraag: we staan voor verschillende uitdagingen. Wat mij betreft is de belangrijkste daarvan hoe een draagvlak te bouwen is voor lokaal jeugdwerk en beleid. Ook daarover had ik graag uw visie gehoord.

De heer Poschet heeft het woord.

Ik ga een beetje misbruik maken van de vraag van mijn collega over jeugdraden om een bijvraag te stellen in verband met de Brusselse jeugdraden, het jongste gewest van heel het land, en een zeer waardevol gewest. Ik heb al eens een vraag gesteld over hoeveel Nederlandstalige jeugdraden er zijn. Het zijn er heel weinig. We weten ook dat de demografische omstandigheden en de kritische massa voor een Nederlandstalige jeugdraad niet in elke gemeente aanwezig is. Daarover moeten we ook eerlijk over zijn. Minister, ik had toch graag geweten hoe u daar nog verder rond zultwerken in Brussel. Zult u daarrond nog promotie maken of kunt u met de VGC samenwerken om verder te werken aan de uitbouw van lokale jeugdraden, aangezien de situatie in Brussel en in de faciliteitengemeenten op wettelijk vlak niet zal veranderen?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Mevrouw Soens, ik moet u feliciteren. Het is sedert de vinkenzettingen geleden dat er in dit parlement nog eens een positief intimiderend publiek in de zaal is, die uw zaak voluit kracht kan bijzetten. De goede verstaander zal begrepen hebben dat het over het voortbestaan van de lokale jeugdraden gaat.

Zoals ik al eerder aangaf, onder meer in deze commissie, hecht ik veel belang aan de participatie van kinderen en jongeren aan het jeugdbeleid. In mijn beleidsnota zeg ik daarover het volgende: “Om het gemeentelijk jeugdbeleid gestalte te geven richten vele gemeenten ook een jeugdraad op. Ik hecht heel veel belang aan een lokale jeugdraad. Het is de plaats bij uitstek om van het lokale bestuur voldoende aandacht en steun af te dwingen voor de ondersteuning van de jeugd en jeugdorganisaties. Het is de plaats om inspraak te krijgen en te leren participeren aan het beleid.” Ik kan dit alleen maar herhalen.

Belangrijker is het volgende: niet alleen het hebben van een jeugdraad blijft daarom een decretale verplichting, maar ook het vragen om advies blijft verplicht. Deze verplichting tot adviesvraag blijft echter niet beperkt tot de opmaak van het meerjarenplan. Het ontwerp van decreet tot wijziging van diverse decreten houdende de subsidiëring aan de lokale besturen legt de verplichting op advies te vragen over alle aangelegenheden die betrekking hebben op het jeugdbeleid, en uiteraard kan een jeugdraad altijd op eigen initiatief advies uitbrengen. Ik wil nogmaals benadrukken – het is algemener, maar het is volgens mij geen slecht argument – dat naast het decreet op het lokaal jeugdbeleid, waarover we de voorbije maanden al veel discussies hebben gevoerd en wellicht nog zullen voeren, ook de cultuurpactwetgeving gemeentebesturen aanzet tot het verlenen van inspraak.

De Cultuurpactwetgeving stelt namelijk dat de gemeentebesturen alle erkende representatieve verenigingen en alle ideologische en filosofische strekkingen moeten betrekken bij de voorbereiding en de uitvoering van het cultuurbeleid, en daaronder wordt ook het jeugdbeleid verstaan. Met dat doel dienen zij een beroep te doen op passende bestaande of op te richten organen en structuren, met het oog op inspraak of advies.

Het kan bovendien ook niet voldoende worden benadrukt dat nog voor de verplichting tot het hebben van een jeugdraad destijds werd ingeschreven in de Vlaamse regelgeving, de meeste lokale besturen al over een jeugdraad beschikten. Dat bewijst nogmaals dat zij dat belangrijk vonden, en dat volgens mij vandaag nog altijd vinden. Uiteraard zal de toekomst moeten uitwijzen of het wegvallen van een decretaal kader voor een grote verandering of trendbreuk zal zorgen. Ik heb er alvast alle vertrouwen in dat lokale besturen verder zullen werken aan een beleid waarin inspraak van kinderen, jongeren en hun verenigingen een plaats krijgt. Zoals eerder gezegd, zal ook de monitoring van het lokaal beleid, waarover concrete afspraken werden gemaakt tussen gemeentebesturen en de Vlaamse overheid binnen de werkgroep vrije tijd van de commissie decentralisatie, moeten uitwijzen welke plaats jeugdraden krijgen binnen het lokaal beleid. De uitvoering van de volgende meting, dus de eenmeting – want er bestaat al een nulmeting – met betrekking tot het lokaal jeugdbeleid is gepland voor 2016.

Hoe een jeugdraad het best wordt samengesteld, valt moeilijk te bepalen door Vlaanderen. Dat hangt sterk af van de lokale context. In veel gemeenten is de jeugdraad slechts één instrument om de betrokkenheid van kinderen en jongeren vorm te geven en worden diverse doelgroepen op even diverse manieren betrokken bij het beleid. Beleidsparticipatie is dus een verhaal dat breder gaat dan louter adviesraden. Hoe en door wie een lokale jeugdraad het best wordt ondersteund, behoort ook tot de lokale autonomie. Het decreet bepaalt dat een gemeentebestuur moet vastleggen hoe het zijn jeugdraad zal ondersteunen. De financiering van organisaties die inzetten op de ondersteuning van lokale jeugdraden en andere participatie-initiatieven, was nooit rechtstreeks verbonden aan het decreet Lokaal Jeugdbeleid, en komt dus niet in het gedrang met het wijzigen van dit decreet. Al vele jaren ontvangen een aantal organisaties subsidies om lokale besturen te ondersteunen bij het organiseren van participatie van kinderen en jongeren. Zij ontwikkelen methodieken, bieden trajectbegeleiding aan, verspreiden goede praktijken en dergelijke meer. Ook jeugdraden kunnen op die ondersteuning blijven rekenen. De Vereniging Vlaamse Jeugddiensten (VVJ) heeft daartoe een specifieke opdracht. Dit alles wordt gefinancierd op basis van het decreet houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid.

Verder zal ik, zoals ik u in mijn beleidsnota heb meegegeven, gemeenten blijven stimuleren om werk te maken van een goed jeugdbeleid, waarbij de betrokkenheid van kinderen en jongeren bij dit beleid centraal staat. De oproep voor de prijs Jeugdgemeente van Vlaanderen is ondertussen gelanceerd. Jeugdraden worden ertoe opgeroepen hun gemeentebestuur voor te dragen voor die prijs. Een van de criteria waaraan de dossiers kunnen worden getoetst, is hoe de gemeente concreet werk maakt van participatie van kinderen en jongeren aan het beleid. Ik sta erop dat goede voorbeelden, knappe en inspirerende projecten die jeugdraden opnemen in hun voordracht, worden verzameld en verspreid, en zo ook voor andere gemeenten toegankelijk worden gemaakt. Ook het label kindvriendelijke steden en gemeenten is een belangrijk instrument om kwaliteitsvol jeugdbeleid verder te stimuleren en te ondersteunen. Ook daarbij vormt de participatie van kinderen en jongeren aan het beleid een cruciale toetssteen.

Wat tot slot de specifieke invalshoek van Brussel betreft: het lijkt me zinvol dat we met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) het nodige overleg plegen om te bekijken hoe zij in haar beleidsprioriteiten mogelijk – want ik kan me daar niet eenzijdig over uitspreken – de verdere oprichting in de toekomst van jeugdraden in de gemeenten tot een van haar speerpunten kan maken. Dat lijkt me een zinvolle startpositie, na uw terechte schriftelijke vraag. Het antwoord op die vraag is onderweg.

Mevrouw Soens heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Kijk, een derde van onze samenleving is jonger dan 30. Een pak daarvan is nog geen 18. Zij kunnen dus ook niet stemmen en kunnen in ieder geval op die manier niet wegen op het beleid. Een lokale jeugdraad is daarom de basis van participatie voor kinderen en jongeren.

Ik heb de vrees – en dat leeft ook bij de lokale jeugdraden zelf – dat ze zullen worden afgeschaft. Ik zou dan ook willen vragen dat u echt heel veel duidelijkheid verschaft aan die lokale jeugdraden dat ze kunnen blijven bestaan. De N-VA zegt wel dat het decreet Lokaal Jeugdbeleid blijft bestaan, en dat daar ook in wordt opgenomen dat de jeugdraad moet blijven bestaan, maar aangezien ik niet word betrokken bij de beslissingen of de onderhandelingen van de regering, kan ik dus ook niet weten hoe dat er voorlopig precies zal uitzien.

U zegt dat de Cultuurpactwetgeving ervoor zal zorgen dat ook jongeren nog steeds worden betrokken, maar dat gaat enkel over erkende verenigingen. In een jeugdraad zitten ook een aantal jongeren die niet georganiseerd zijn. Hoe zult u ervoor zorgen dat ook zij een stem kunnen geven met betrekking tot het beleid?

Tot slot zegt u de inspraak van jongeren en kinderen te zullen blijven stimuleren, maar waarmee? Alle incentives vanuit Vlaanderen ten opzichte van het lokaal jeugdbeleid verdwijnen. U zit dus niet meer aan het roer. U zegt dat te zullen monitoren, maar wat als blijkt dat er daadwerkelijk een probleem is? Wat zult u dan doen, want u hebt geen middelen meer in handen?

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Voorzitter, ik vind het heel jammer dat mevrouw Soens het beeld blijft ophangen dat de jeugdraad zal verdwijnen. (Opmerkingen van mevrouw Tine Soens)

Ik begrijp uw bezorgdheid. Absoluut. Ik heb immers ook die bekommernis. Ik stel daar ook mijn vragen over. Ik vind het echter totaal fout om constant dat beeld naar buiten te brengen, want dat is niet zo. Trouwens, de minister heeft daarnet gezegd dat er een eenmeting in 2016 komt. Geef het een kans. Ik heb vertrouwen in de jongeren. Men zegt dat alles staat of valt met die subsidies. Voor mij is het engagement van de jongeren primordiaal. Ik zou dus zeggen: geef het toch een kans, en heb wat meer vertrouwen.

De heer Annouri heeft het woord.

Ik wil nog eens heel duidelijk herhalen dat de vraag die ik heb gesteld, vooral geen kwestie is van een tekort aan vertrouwen. Je ziet een bepaalde situatie. Ik herhaal de cijfers van de studiedag nog eens, die heel duidelijk waren. Een vijfde van de gemeenten zal in budgettair moeilijk vaarwater komen. Het is dus geen kwestie van een gebrek aan vertrouwen hebben: nu al vangt men bepaalde signalen op waaruit zou kunnen blijken dat jeugdraden in de problemen zullen komen. Dan lijkt het me de plicht van ons allen om te proberen daarop te anticiperen, om ervoor te zorgen dat dit niet gebeurt.

Minister, u stelt terecht dat we zullen zien of er een trendbreuk zal volgen, of men zal doorgaan op de goede weg. Dan meen ik echter dat we vooral nu al moeten weten op welke manier we zullen reageren als er vooral een trendbreuk in negatieve richting zit aan te komen.

De heer Poschet heeft het woord.

Voorzitter, ik wou me nog even aansluiten bij mevrouw Van Eetvelde. Ik betreur dus echt dat men het hier telkens opnieuw heeft over het afschaffen van de jeugdraden. Als dat veel wordt gezegd, dan begint dat op den duur een eigen leven te leiden, en dat lijkt me niet de bedoeling.

Minister, ik ben wel blij met uw antwoord over Brussel, en ik kijk vol verwachting uit naar het schriftelijke antwoord op mijn schriftelijke vraag.

Collega’s, de heer Annouri volgt voor ons het jeugdbeleid, maar namens mijn fractie wil ik ook wat historisch besef meegeven met betrekking tot het Cultuurpact. Daarvoor heb ik op mijn tanden gebeten om het volgende niet te zeggen. Voor het decreet Lokaal Jeugdbeleid bestond, bestond het Cultuurpact al twintig jaar en waren er in de meeste Vlaamse gemeenten jeugdraden. Het is alleen opgenomen in het decreet Lokaal Jeugdbeleid om die koppige gemeenten die er geen wilden, over de brug te trekken. Ik wil dat even meegeven. Je maakt geen verplichtingen voor diegenen die het goed menen en dit willen doen, maar voor diegenen die het niet willen doen. Je maakt geen snelheidsbeperking voor diegenen die traag rijden, maar voor diegenen die snel rijden: laat dat duidelijk zijn.

Al mag het worden geactualiseerd, het Cultuurpact is en blijft een relevant instrument, dat de inspraak en de participatie met betrekking tot culturele materies garandeert, zij het formeel, maar niet in de praktijk, omdat het niet afdwingbaar is. Ik geef enkele voorbeelden. Ik moet ter zake even mijn hart luchten. Ik heb in een vorige legislatuur diverse zaken ingeleid bij de Cultuurpactcommissie. Een notoir iemand in de zaal kan daarvan getuigen: zij is vandaag de nieuwe voorzitter van de Cultuurpactcommissie. Minister, het ging trouwens over klachten over de samenstelling van een aantal raden van bestuur van grote kunsteninstellingen. De vorige minister van Cultuur had het Cultuurpact niet gevolgd. Ik heb ter zake ook gelijk gekregen van de Cultuurpactcommissie, maar de Vlaamse Regering heeft het nodig geacht om dat naast zich neer te leggen. Als gevolg daarvan heeft men heel wat klachten van gemeenten na de vorige gemeenteraadsverkiezingen met betrekking tot de samenstelling van lokale jeugdraden en besturen van lokale culturele en jeugdorganisaties ook vrolijk fluitend naast zich neergelegd. Als dat de toekomst moet zijn, dan is dat niet de goede toekomst. Ik wil met u graag pleiten voor een nieuw Cultuurpact, maar daar zijn we vandaag niet aan toe, want dat is federale materie en dat kunnen we zomaar niet doen. Ik wil maar zeggen: laten we elkaar ook geen rad voor de ogen draaien. Zo eenvoudig is het niet. Ik herhaal vooral die ene bedenking die ik heb gemaakt: je plaatst geen verkeersdrempel of verkeersbord voor diegene die traag rijdt.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik wil benadrukken dat we er niet mogen van uitgaan dat er zaken zijn opgericht omdat er een plicht bestond om dat te doen. Het gaat dan evengoed over de bibliotheekplicht als over de oprichting van de jeugdraden. Men heeft die in de meeste gevallen opgericht omdat men er inhoudelijk belang aan hechtte dat dit uit vrije wil gebeurt. Er is ook nooit een sanctie geweest. Wij zitten hier niet in het strafrecht, maar in het administratief recht. We hebben wel met stimulansen gewerkt. De laatste veertig jaar in het algemeen en de laatste vijftien jaar in het bijzonder is er gewerkt om al die lokale partners zoals jeugdraad, bibliotheek of cultureel centrum te stimuleren. Vlaanderen haalt geen 100 procent, maar wel een grote onderscheiding, want we halen meer dan 95 procent. Dat is de kracht van het beleid waardoor we nu kunnen zeggen dat we met alle stimulansen en met het eigen draagvlak verder kunnen.

Mijnheer Annouri, ik doe niet graag aan een ‘wat als’-politiek. Ik vind dat een heel leuke serie op televisie, maar ik probeer evenwichtige beslissingen te nemen en daarbij de risico’s voldoende in te schatten. Indien in een ‘wat als’-beleid de zaken werkelijk aan een hoog tempo fout zouden lopen, dan zullen u en anderen mijn eerste bondgenoten zijn om verder in te grijpen maar ik denk niet dat het nodig zal zijn, u denkt dat wel. Zo kunnen we deze discussie nog maanden voortzetten. Dat deert mij niet, maar ik betwijfel of het zinvol is.

Los van de discussie over de onduidelijkheid ben ik van plan om een apart schrijven te richten aan de gemeentebesturen om heel duidelijk de krachtpunten van mijn antwoord, vooral over de decretale verplichting en de verplichting om advies te vragen, mee te delen. Ik wil dat daar geen enkele onduidelijkheid over ontstaat. Uiteraard wil ik niet in het vaarwater van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten of andere komen. Het kan echter helpen de nodige duidelijkheid te creëren. Op die manier kunnen we ook de rechtstreekse communicatielijn tussen de gemeentebesturen en de minister van Jeugd maximaal open houden.

Mevrouw Soens heeft het woord.

Minister, ik ben blij met uw laatste antwoord, namelijk dat u duidelijkheid zult verschaffen aan de gemeenten. Hopelijk doet u dat aan de jeugdraden. Ik heb vertrouwen in jongeren, absoluut maar niet altijd in lokale besturen, en zeker niet in de budgettaire context van vandaag, zoals ook de heer Annouri zegt.

Minister, ik wil u vragen om te garanderen dat de jeugdraden niet worden afgeschaft. Wat die stimulansen betreft, zit u niet meer aan het roer als blijkt dat er effectief iets fout loopt.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, u geeft aan dat u niet aan een ‘wat als’-politiek doet. Fair enough, ik vind dat zelfs een heel goede houding. Ik ben het daar volledig mee eens. Maar ik heb jammer genoeg geen DeLorean waarmee ik naar de toekomst kan gaan om te zien wat er zal gebeuren. Ik beweer zeker niet dat dit wel zo zal zijn. Ik geef gewoon een heel duidelijk signaal dat het fout kan gaan en dat daar zeker over nagedacht moet worden. We moeten vermijden dat we in een probleemsituatie terechtkomen waarvoor we voorzorgsmaatregelen hadden kunnen nemen.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Mevrouw Soens, alle wijzigingen die gebeuren aan het decreet, kunt u volgen via de documenten van de Vlaamse Regering.

Het voorontwerp van decreet staat op de website van het Vlaams Parlement, het gaat dan over laatste versie zoals opgestuurd naar de Raad van State.

Het gaat over de subsidiëring van de lokale besturen, er staat toch niets over het decreet over de lokale jeugdraden.

Het gaat over het decreet dat allerlei bepalingen betreft die ingrijpen in andere separate lokale decreten die er zijn. Het is één wijzigingsdecreet dat een impact heeft op elf sectorale terreinen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vraag om uitleg over de Luisterpuntbibliotheek
van Yamila Idrissi aan minister Sven Gatz
1848 (2014-2015)

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of het PDF iconJaaroverzicht 2016-2017 (pdf) voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.