U bent hier

Commissievergadering

donderdag 26 maart 2015, 10.00u

Voorzitter
van Caroline Gennez aan minister Hilde Crevits
1242 (2014-2015)
De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Alle fracties hebben hun Brusselse collega’s afgevaardigd voor een vraag over capaciteit, maar misschien is het voor hen ook interessant en handig om mee te volgen over de vzw Voorrangsbeleid Brussel (VBB). Er is namelijk wat onrust ontstaan over de continuering van de expertise die de VBB de afgelopen jaren heeft opgebouwd.

We weten allemaal dat de Brusselse Nederlandstalige basisscholen worden gekenmerkt door een erg diverse leerlingenpopulatie, in de breedst mogelijk definitie: taal, socio-economische achtergrond, herkomst. Deze basisscholen liggen daarenboven hoofdzakelijk in een anderstalige omgeving. Wegens de complexe situatie waarin Brusselse Nederlandstalige basisscholen zich bevinden, krijgen ze extra ondersteuning. Dat is uiteraard een goede zaak. Die ondersteuning wordt onder andere geboden door VBB. VBB ondersteunt netoverschrijdend basisscholen op het gebied van taalvaardigheidsonderwijs, taalbeleid, efficiënt omgaan met diversiteit en differentiatie, samenwerken met ouders en andere onderwijspartners.

De expertise die is opgebouwd binnen VBB is niet onaanzienlijk. VBB heeft haar oorsprong in het decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs van 8 mei 2009 en wordt volledig door de Vlaamse overheid gesubsidieerd.

Minister, we hebben vernomen dat u hebt beslist om de middelen die deze vzw krijgt over te hevelen naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), meer bepaald het Onderwijscentrum Brussel (OCB), en de pedagogische begeleidingsdiensten van de netten in Brussel. Heel concreet betekent dit dat VBB zou worden opgedoekt op 31 augustus 2015.

De stemmen die ons bereikten, uiten inderdaad de bezorgdheid dat de expertise van VBB verloren dreigt te gaan. Het feit dat de personeelsleden van VBB gedetacheerd zijn uit het onderwijs en dat het OCB werkt met contractuelen, lijkt een obstakel te zijn om deze expertise door te geven, eventueel via het overhevelen van de betrokken personeelsleden.

Minister, wat is de achterliggende motivatie om VBB op te doeken en deze middelen over te hevelen? Is deze beslissing genomen op basis van een evaluatie? Zo ja, kunnen we daar kennis van krijgen?

Hebt u al contact gehad met de VGC en OCB en de bevoegde minister Vanhengel om na te gaan hoe deze middelen zullen worden gebruikt? Hebt u er zicht op hoe dit nieuws wordt onthaald door de Brusselse scholen?

Hoe kunnen we garanderen dat de opgebouwde expertise binnen VBB niet verloren zal gaan en eventueel de contracten van de personeelsleden of de expertise van de personeelsleden zullen worden gecontinueerd?

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Ik wil graag aansluiten bij de vraag om uitleg.

Het is inderdaad een Brussels project, maar wel een Brussels project dat al vaak heeft aangeboden om haar expertise ten dienst te stellen van andere centrumsteden en dat inderdaad ook wel expertise heeft die nuttig is in andere centrumsteden. Dat zal echter wellicht niet zo zijn omdat ze binnenkort de deuren moeten sluiten.

Het gaat over het VBB, maar in dezelfde beweging zijn ook de projecten rond innoveren en excelleren stopgezet. Of niet echt stopgezet, het gaat – voor zover wij begrijpen – niet om een besparing, maar om een overheveling van de middelen naar het OCB en de onderwijskoepels.

Minister, kunt u bevestigen dat hetzelfde bedrag nog wel steeds zal worden geïnvesteerd in het begeleiden van de Brusselse scholen? De Brusselse scholen kampen met speciale uitdagingen. 30 procent van de leerlingen is Nederlandstalig. Meer dan 50 procent van de kinderen valt onder de oude GOK-criteria (gelijke onderwijskansen). Die cijfers tonen toch dat omkadering van die scholen geen overbodige luxe is.

Mevrouw Gennez vraagt hoe we de expertise kunnen behouden. Ik vind dat een pertinente vraag. Zeggen dat het personeel wordt overgedragen naar het OCB of de koepels, is daar mijns inziens te weinig een antwoord op.

Als je een team hebt en je deelt dat team op, dan heb je niet diezelfde expertise op verschillende plaatsen gezet. Een team is veel sterker dan de individuele medewerkers. Die individuele medewerkers verspreiden, betekent een kwaliteitsverlies. De sterkte van zo’n ploeg is vaak net dat ze een ploeg zijn en dat ze een pakket aan ervaring en expertise hebben en samen sterke dingen kunnen maken.

Ik had nog een bijkomende vraag. De helft van de middelen zal naar de pedagogische diensten gaan. Dat doet mij vragen stellen over hoe het netoverschrijdend werken kan worden bevorderd. Dat was een van de krachten, zowel van het OCB als van VBB, namelijk dat het netoverschrijdend werken leerrijk kan zijn en interessant is.

De voorzitter

De heer Poschet heeft het woord.

De heer Joris Poschet (CD&V)

VBB en OCB – dat weten we allemaal – deden voor het grootste stuk hetzelfde, in hetzelfde werkdomein. Dat die samen zullen werken en dat er een soort fusie komt, is op zich geen slechte zaak.

Wat wel een bekommernis is, die ik onder andere deel met mevrouw Van den Brandt, is dat er voldoende middelen naar Brussel blijven gaan voor de ondersteuning van de Brusselse scholen. Ik hoop dat de koepels de middelen die ze nu van VBB krijgen, nog steeds aan Brussel zullen blijven geven en dat ze niet zullen schuiven met de middelen die ze er nu aan geven. Die bekommernis wilde ik nog meegeven.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

De heer Jo De Ro (Open Vld)

Minister, ik sluit graag aan bij de vraag om uitleg. Wat mevrouw Van den Brandt en de heer Poschet hebben gezegd, is een bezorgdheid die leeft in onze fractie. De expertise die is opgebouwd, niet alleen bij VBB, maar ook bij OCB heb ik zowel in de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand, als hier in de Commissie voor Onderwijs bij de bespreking van de begroting en de beleidsnota al meerdere keren aangehaald als zeer waardevol. Dat wil ik nog eens heel duidelijk onderstrepen.

Ik denk dat het werk dat door de verschillende mensen die de afgelopen vijftien jaar bij VBB en bij uitbreiding bij OCB hebben gewerkt, een wezenlijk verschil heeft gemaakt op het terrein. Ik hoor dat in elk gesprek dat ik heb met directies en leerkrachten uit Brussel. Ik ervaar dat zelf als inrichtende macht ook in de Rand. Als er leerkrachten bij ons komen die al ervaring hebben opgedaan in Brussel, is een van de eerste dingen die zij zeggen dat ze daar zeer sterk en zeer specifiek, zowel op het vlak van materiaal als van begeleiding, door ondersteund zijn. In tijden dat we allemaal van startende leerkrachten of leerkrachten met ervaring te horen krijgen dat een goede begeleiding op de werkvloer cruciaal is om om te gaan met nieuwe uitdagingen – en de diversiteit in onze scholen neemt alleen maar toe – is dat cruciaal.

Mevrouw Van den Brandt en ook andere collega’s, ik krijg grijs haar en kriebels als ik hoor zeggen dat er alleen maar problemen zijn in centrumsteden. Ik kan u garanderen, mevrouw Van den Brandt, als u de stadspoorten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest overschrijdt, zult u weinig centrumsteden tegenkomen, want er zijn er geen in Halle-Vilvoorde. Maar de regio Halle-Vilvoorde wordt wel geconfronteerd met de problematiek van Brussel. Op zich is dat niet erg, maar we moeten wel vanuit de wetgevende macht naar reglementering en decreetgeving de komende jaren ook wel eens durven te erkennen dat die grens er in de praktijk geen meer is voor pedagogische uitdagingen en dat we daaruit conclusies moeten durven te trekken.

Minister, ik sluit mij aan bij de heer Poschet. Als er inderdaad op het terrein al een aantal organisaties zijn en er is in het verleden door het creëren van het OCB een concentratie van ervaring en expertise geweest – wat zeer nuttig is, het bundelen van die expertise kan effectief helpen om beter te worden – dan moeten we ook garanties durven en kunnen inbouwen dat deze operatie op het terrein zal leiden tot een verbetering en niet tot een verarming.

Ik blijf met de vraag zitten die al jaren gesteld is. Er wordt gezegd dat de expertise ter beschikking kan worden gesteld. Ik blijf echter de vraag stellen namens al die steden en scholen die met dezelfde problematiek te kampen hebben als Brussel. Deze week nog hebben we de getuigenissen gehoord in de hoorzitting over het Inschrijvingsdecreet. Hoe zal het concreet worden gemaakt? 

En ten slotte, daarstraks is er een uur lang over vertrouwen gesproken. Na mijn betogen in deze commissie word ik regelmatig aangesproken door begeleidingsdiensten of medewerkers daarvan. Zij vragen dan wat ik tegen hen heb en waarom ik hen niet vertrouw. Het is geen kwestie van vertrouwen, maar van feiten op het terrein.

Minister, welke garanties hebben we dat deze middelen, zodra ze bij de pedagogische begeleidingsdiensten zitten, effectief op het terrein in Brussel en bij uitbreiding liefst ook in de Rand of in steden en gemeenten die met dezelfde problematiek worden geconfronteerd, zullen worden ingezet? Ik vrees dat het anders geen operatie is die tot verbetering leidt, maar dat het een verarming zou zijn. Ik durf er niet aan denken dat iemand in deze zaal dat zou willen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Er is over dit thema in het verleden al veel inkt gevloeid. Ik heb de vraag nog gesteld bij de hoorzittingen over het Inschrijvingsdecreet. Er is het OCB en VBB. In het verleden is er al x aantal keer gepoogd om die expertise samen te brengen om zo meer slagkracht te hebben op het terrein. De heer De Ro maakt zeer terecht de opmerking dat het gaat over het terrein, dus in de klas en in de school.

Volgens de laatste informatie waarover ik beschik – tenzij de minister andere informatie heeft – is het nog altijd niet gelukt om die twee organisaties samen te brengen. Ik zou graag willen weten wat de reden is dat het niet lukt. Ze zouden eigenlijk hetzelfde doel moeten dienen.

De N-VA vindt het natuurlijk belangrijk dat er op het terrein wordt gewerkt. We stellen inderdaad vast dat kinderen het Nederlands niet machtig zijn. We moeten elkaar niet uitleggen hoe het komt dat die kinderen dan achterstand oplopen in het onderwijs.  Daarom vinden we de doelstellingen van het OCB en VBB belangrijk, net om die scholen te begeleiden. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat die kinderen die het Nederlands onvoldoende machtig zijn, zo snel en zo goed mogelijk het Nederlands goed beheersen, zodat ze vlot kunnen volgen? Dat is de ene kant van het verhaal. De andere kant is: hoe ga je om met de ouders en de leerkrachten die met die situatie worden geconfronteerd?

Ik denk dat de heer De Ro zeer terecht stelt dat die problematiek niet stopt aan de grenzen van Brussel. De problematiek is over alle Vlaamse provincies stevig gespreid. In Antwerpen bevindt 45 procent van de kinderen zich in die situatie. Ik kan eigenlijk alleen maar aansluiten bij de vraag van de heer De Ro. Hoe we het aanpakken en door wie het wordt aangepakt, dat maakt ons eigenlijk niet veel uit. We willen echter wel de garantie hebben dat het in de klas en in de school gebeurt.

In het rapport-Monard over de evaluatie van de pedagogische begeleidingsdiensten was een van de zaken die sterk naar voren kwam, dat scholen en vooral leerkrachten aangaven dat ze daarvan niet zoveel effect merken in de klas en in de school. Dus denk ik dat we moeten waken over de doelstelling. Hoe ziet u dat?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik dank jullie voor de vragen. Elke vraag die hier gesteld wordt, wordt uiteindelijk groots. Voor alle duidelijkheid: dat is goed.

De achterliggende motivatie om de middelen voor de vzw Voorrangsbeleid Brussel over te hevelen naar het Onderwijscentrum Brussel en de pedagogische begeleidingsdiensten is om de transparantie van de ondersteuning voor het Brussels leerplichtonderwijs te vergroten, en vooral om eindelijk te kunnen komen tot een meer eengemaakte visie op het ondersteuningsbeleid voor de Nederlandstalige scholen in Brussel.

Ik ga hier trouwens in op een aantal opmerkingen die bij de bespreking van de beleidsnota in deze commissie ook aan bod kwamen.

Ik geef u kort de voorgeschiedenis mee van de ondersteuning. Ik ben nog niet lang minister van Onderwijs, maar op dit vlak heb ik al een stukje frustratie. Ik heb de voorbije maanden gesproken met alle partners. Ik moest iets doen. De situatie laten bestaan zoals ze bestond, kon niet langer.

De vzw Voorrangsbeleid Brussel geniet al sinds 1999 een subsidie van de Vlaamse overheid om een ondersteuningsstructuur uit te bouwen voor de Brusselse Nederlandstalige scholen. In 2004 werd besloten om de subsidie decretaal te verankeren.

In 2007 heeft Vlaanderen, in samenwerking met de Vlaamse Gemeenschapscommissie, een rondetafelconferentie georganiseerd over de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De scholen gaven toen aan dat er voldoende aanbod aan ondersteuning is, maar dat ze door het bos de bomen niet meer zagen. Samenwerken en afstemmen op het vlak van ondersteuning was en is dus noodzakelijk.

In navolging van deze rondetafelconferentie werd een ondersteuningscentrum opgericht met als doel een geïntegreerd concept van ondersteuning uit te werken.

Op 1 september 2008 ging op initiatief van toenmalig Brussels minister voor Onderwijs, Guy Vanhengel, het Onderwijscentrum Brussel van start als operationele entiteit binnen de VGC.

Het OCB bundelt de bestaande netoverschrijdende vzw’s die gefinancierd werden door de Vlaamse Gemeenschapscommissie, met name Taalvaart, Nascholingscentrum, Leermiddelencentrum, Schoolopbouwwerk en Bits2. Het was toen politiek niet mogelijk of wenselijk om de vzw VBB op te nemen in het OCB. Er ontstond wel een vorm van functionele samenwerking met de vzw VBB.

In het kader van de opeenvolgende begrotingsopmaken werd een aantal keer aangekondigd dat de vzw VBB structureel zou worden verankerd in een groter ondersteuningsgeheel. Want dat daar behoefte aan was, collega’s, daarover bestaat geen enkele twijfel. Uiteindelijk moest telkens de decretale basis voor de vzw VBB worden verlengd.

Ook tijdens de vorige legislatuur werd een poging ondernomen door de toenmalige minister bevoegd voor onderwijs, Pascal Smet. Hij wilde de vzw’s VBB en het Brussels Ondersteuningspunt Secundair Onderwijs (Broso) in één structuur samenbrengen om te zorgen dat de aanpak in het secundair onderwijs een verlengstuk werd van de aanpak in het basisonderwijs.

De bestaande vzw’s gaven echter blijk van een dermate verschillende werking dat een samenvoeging niet haalbaar was. Ook een integratie van de vzw VBB in OCB werd overwogen door Pascal Smet, maar dat struikelde toen over de mogelijkheid om met detacheringen te werken.

Voor de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015 werd een decretale oplossing uitgewerkt om de continuïteit van de taalondersteuning te kunnen waarborgen door enerzijds de vzw Broso samen te voegen met de vzw Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten (SNPB) en door anderzijds de vzw VBB te laten voortwerken voor de Nederlandstalige basisscholen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Ik kon die situatie niet zo laten bestaan. Er moet transparantie zijn; er moet eenheid van middelen zijn.

Vanaf 1 januari 2015 werd beslist om de vzw SNBP niet langer te subsidiëren en om deze middelen toe te kennen aan de pedagogische begeleidingsdiensten, met terugvloeiing. We zullen die discussie niet opnieuw voeren, we hebben dat al uitgebreid gedaan.

Uit de geschiedenis leer ik wel dat men reeds lang pogingen onderneemt om de krachten voor onderwijsondersteuning in Brussel te bundelen. De overgangsperiode heeft ons mee aangezet om een heldere keuze te maken, in de lijn van wat de voorgaande jaren is uiteengezet. Bovendien geef ik u aanvullend de resultaten uit een wetenschappelijk onderzoek dat in 2009 in opdracht van VBB werd uitgevoerd. Dat onderzoek leidde tot een rapport dat de nodige beleidsaanbevelingen bevatte voor de toekomstige Brusselse ondersteuningsstructuur. Uit deze evaluatie bleek dat VBB een grote verdienste heeft gehad via de intensieve en individuele begeleiding die zij bood aan de leraars, schoolteams en de directies.

Er is dus geen enkel probleem wat de expertise van VBB betreft, maar wel wat het bos en de bomen betreft. Daarom zijn we tot die keuze gekomen. Een aantal van jullie bezorgdheden deel ik.

Mevrouw Van den Brandt, er is geen besparing op de budgetten. Het is geen besparingsoperatie, maar een transparantieoperatie. Mijn kabinet heeft al herhaaldelijke contacten gehad met de VGC en het OCB, en ook met de pedagogische begeleidingsdiensten. We zullen decretaal moeten vastklikken hoe de middelen worden gebruikt. De middelen moeten maximaal in Brussel worden ingezet. Ik wil daarover geen discussie. Ik vind het echt van belang dat die middelen verder geoormerkt, ingezet en gebruikt worden.

De oorspronkelijke opdrachten van VBB die worden toegekend aan het OCB, kunnen als volgt worden geheroriënteerd. Ten eerste: de ondersteuning op het vlak van taalvaardigheidsonderwijs en talenbeleid wordt verbreed en verdiept in zowel het basisonderwijs als het secundair onderwijs. Ten tweede: de werking inzake ouder- en buurtbetrokkenheid wordt hertaald naar een ondersteuning op het vlak van de toepassing van het concept Brede School.

Uit de contacten met het OCB en de pedagogische begeleidingsdiensten blijkt dat het merendeel van de Brusselse scholen geen probleem zouden hebben met dit nieuws. Het is vooral van belang dat de expertise gewaarborgd blijft. Tot nu toe zijn er immers ook al functionele samenwerkingen op het terrein. 

Ik heb samen met minister Vanhengel trouwens een persbericht verspreid om aan de scholen te verzekeren dat de ondersteuning bewaard blijft. Bovendien werken het OCB en de pedagogische begeleidingsdiensten een protocol uit over de wijze van samenwerking en afstemming. Dat is cruciaal voor mij. Het decreet moet nog worden goedgekeurd. We zitten nu op het pad dat al die zaken al kunnen worden uitgewerkt.

Tijdens de onderhandelingen van OD XXV heeft mijn kabinet uitdrukkelijk het engagement aangegaan om de opgebouwde expertise te waarborgen. De opgebouwde expertise van VBB betreft een visie van het ondersteunen van scholen die vervat zit in de mensen van VBB die al vele jaren Brusselse scholen ondersteunen. Uiteraard kan niemand worden verplicht om in te gaan op vacatures. Onze medewerkers doen momenteel al het mogelijke om ervoor te zorgen dat de omstandigheden zo zijn dat er maximale kansen zijn op werving. Er zijn ook al gesprekken geweest met het OCB en de begeleidingsdiensten. Het OCB heeft daarbij bijvoorbeeld aangegeven dat zij ook met gedetacheerden kunnen werken. Op 20 maart is de verantwoordelijke van het OCB het profiel, de selectieprocedure, de mogelijkheden inzake detacheringen gaan toelichten aan de personeelsleden van VBB. De pedagogische begeleidingsdiensten zullen via mail de personeelsleden van VBB kort na het paasreces hun afgestemde procedure meedelen. De komende weken zal er nog heel veel bewegen. Het is zeker de bedoeling om zoveel mogelijk expertise van het VBB over te nemen, maar de situatie laten zoals ze was, was geen optie, gelet op de niet-transparantie. Dit wordt vervolgd. We zullen half mei goed weten hoever het staat met de samenwerkingsovereenkomsten en hoeveel mensen er overgenomen kunnen worden.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, u zegt dat het om hetzelfde bedrag gaat en dus geen besparingsoperatie is. Betekent dit dat de 10 procent generieke besparingen er niet zijn afgegaan? (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Die zijn er wel afgegaan.

Minister Hilde Crevits

Er is generiek op alles bespaard. Ik zal het voor alle zekerheid nog eens navragen. In principe gaat het bedrag dat ingeschreven stond voor VBB, volledig over. De overgang op zich heeft geen enkele budgettaire impact.

Ik vind het positief dat u zich engageert om de ondersteuning te continueren. Dat is een belangrijk signaal dat Vlaanderen de band met het Nederlandstalig onderwijs in Brussel blijft versterken. We kijken erop toe dat het bedrag gehandhaafd blijft.

We vinden het belangrijk dat de expertise netoverschrijdend wordt uitgewisseld. Bij het OCB doet men dat ook. Het is belangrijk dat men voor alle scholen, ongeacht het net, blijft werken. Dat gebeurt niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten van de netten en dat is een gemiste kans. Het is zinvol dat als u overhevelt, u het protocol maakt met de pedagogische begeleidingsdiensten. Ik dring erop aan dat ook het netoverschrijdende element daarin wordt vervat. Zelfs als de middelen rechtstreeks naar de netten gaan, moeten ze zich toch engageren om netoverschrijdend expertise te blijven uitwisselen.

Het is erg belangrijk dat het personeel dat expertise heeft op zo’n manier geclusterd en gepoold kan blijven dat de expertise van het team maximaal wordt behouden. Het is aan te bevelen dat ze met zijn allen binnen OCB terechtkunnen.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Ik wil twee misverstanden absoluut de wereld uit helpen. Ik zeg niet dat het OCB niet goed zou werken. Het doet cruciale dingen. Ik bevestig dat er buiten Brussel zeker ook noden zijn. De grens van Brussel en Vlaanderen ligt vast, maar de kinderen durven die vlotjes te overschrijden. Ik ben er absoluut zeker van dat er ook in de Rand rond Brussel werk is. Het kan een interessante denkoefening zijn hoe de expertise van het OCB en VBB ook buiten Brussel kan worden ingezet. In een stad waar 50 procent van de kinderen onder de GOK-criteria valt en maar 30 procent Nederlandstalig is, moeten scholen worden begeleid. Dat is echter niet exclusief voor Brussel. Dit wou ik rechtzetten.

Ik blijf op mijn honger zitten inzake de manier waarop de expertise wordt overgezet. U zegt dat mensen kunnen solliciteren voor vacatures. Op welke vacatures zal dat zijn en in welke omstandigheden? Worden de teams samengehouden? Er moet over worden gewaakt dat niet enkel individuen hun werk houden, maar dat ploegen van mensen met expertise worden ingezet onder andere structuren.

Ik sluit me aan bij de opmerking over de pedagogische studiediensten. De overheveling naar OCB is een politiek begrijpelijke overgang. Dat de helft van de middelen naar de koepels gaat, lijkt een verdere versnippering in plaats van een ondersteuning van netoverschrijdend werken.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

De heer Jo De Ro (Open Vld)

Minister, ik heb de start in 1999 heel persoonlijk meegemaakt. Die beslissing is genomen door de Vlaamse en Brusselse Regeringen die aan de macht waren van 1995 tot 1999. De beslissing is net voor de verkiezingen genomen en moest worden opgestart in de periode dat mevrouw Neyts in Brussel bevoegd was en mevrouw Vanderpoorten in Vlaanderen. De opstart was moeilijk omdat het een periode was waarin de manier van netoverschrijdend werken duidelijk werd. Mensen kwamen in de klassen en men wou starten in de vier aanwezige netten in Brussel. Het eerste jaar waren er heel veel problemen om de financiering rond te krijgen omdat het een last-minutebeslissing van de vorige regeringen was.

De dame die door de VGC en de Vlaamse Gemeenschap was aangezocht om dit te leiden, was mevrouw Deckers die haar sporen al had verdiend in Limburg in de mijngemeentes. Ze is toen met een zeer enthousiaste en betrokken ploeg gestart. De eerste maanden was er geen financiering. Later bleek dat de lonen van het personeel waren betaald door een lening die mevrouw Deckers persoonlijk was aangegaan. Ik heb zelden meegemaakt dat het zo ver gaat. Een van de laatste weken dat ik kabinetsmedewerker was in de periode 1999-2004 hebben we met die mensen gesproken en is dat verhaal nog eens opgerakeld.

Ik vertel dit hier nog eens uitdrukkelijk omdat ik de expertise van OCB en VBB wil onderstrepen en omdat ik wil aantonen dat het engagement erg ver is gegaan. Ik hoop dat vooraleer het VBB het Consciencegebouw verlaat, de administratie en het kabinet de prestaties van de afgelopen vijftien jaar zullen onderstrepen. Het borgen van de ervaring is belangrijk. Ze hebben die niet in vergaderzalen of in een academisch milieu opgedaan, maar in de praktijk. Als ik me niet vergis, was hun werkwijze vier dagen in de scholen en een dag intervisie en overleg. Als ik het rapport van de heer Monard over de pedagogische begeleidingsdiensten in het achterhoofd hou, dan kan er nog veel worden geleerd van én het engagement én de methodes én de capaciteit van die ploeg. Ik hoop oprecht dat deze operatie er een van versterking is. Ik ga daar wel van uit, maar ik zal dit van zeer nabij blijven opvolgen.

In de regeling van de werkzaamheden wordt het misschien tijd om tegen het einde van dit politieke jaar een hoorzitting te organiseren met de verantwoordelijken van de pedagogische begeleiding om na te gaan wat ze het afgelopen jaar met het rapport-Monard in de praktijk hebben gedaan. Onze controlefunctie is er niet alleen om de minister te controleren, maar ook om na te gaan wat onafhankelijke diensten doen met de middelen van de Vlaamse belastingbetaler.

De voorzitter

De heer Poschet heeft het woord.

De heer Joris Poschet (CD&V)

Minister, ik dank u voor uw steun om de huidige middelen van het VBB en de pedagogische begeleidingsdiensten voor Brussel mee te helpen garanderen. Ik wil u feliciteren voor het realiseren van plannen die vorige ministers niet af kregen.

Minister Hilde Crevits

Ik heb vooral bezorgdheden gehoord die ik deel. Ik heb alle appreciatie voor het VBB. Mijnheer De Ro, de dame waarover u het had, heeft lang met mij gesproken. Ze erkende ook dat er een oplossing moest komen. Ik heb een heel pijnlijke beslissing moeten nemen. Ofwel was het verder doen met alle discussies van dien, ofwel moesten we proberen alles in elkaar te schuiven.

De discussie over de pedagogische begeleidingsdiensten is ook bij het SNPB gevoerd. Ik heb die keuze gemaakt. Daar hoort ook een protocol tot samenwerking in thuis. Ik zal daarop toezien. Als we zeggen dat er geen tussenstructuur moet zijn om te kunnen samenwerken, dan moeten ze op het terrein tonen dat het kan. Ik ga ervan uit dat ze zullen gebruikmaken van de hefboom. Als dat niet zo is, is dat bijzonder spijtig want dat is absoluut niet de bedoeling. Als we een tussenstructuur afschaffen, denken we dat ze volwassen genoeg zijn om samen te werken en niet om alle samenwerking te liquideren. Ik hoop dat ik daar duidelijk in ben.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.