U bent hier

Commissievergadering

woensdag 1 april 2015, 9.30u

van Jos De Meyer aan minister Joke Schauvliege
1589 (2014-2015)

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, gezien onze zware agenda probeer ik mijn vragen samen te vatten.

Loonwerkbedrijven verrichten heel wat werk in de landbouwsector. Toch ondervinden loonwerkers jammer genoeg heel wat moeilijkheden. De kostprijs van het materiaal neemt toe. De vernieuwingsgraad van de machines moet hoog genoeg zijn om te voldoen aan de recente ontwikkelingen. Bovendien zijn er minder klanten, vanwege het dalend aantal landbouwers. Ook de energie- en loonkosten nemen jaarlijks toe. Naast de loonkosten is het niet evident om het personeel een jaar rond aan het werk te houden, vanwege de seizoensgebonden activiteiten. Ook zijn er heel wat landbouwbedrijven die machines gezamenlijk gebruiken in machineringen. Daarnaast voeren landbouwbedrijven ook zelf loonwerken uit, vanwege de aankoop van een specifieke machine.

Zo vermeldt het Landbouwrapport 2014 (LARA) dat het aantal landbouwbedrijven die naast activiteiten op het eigen bedrijf ook loonwerk verrichten, gestegen is van 618 in 2010 tot 949 in 2013. Om enerzijds de kosten te drukken en anderzijds de onzekerheid aan inkomsten te beheersen, besluiten loonwerkers veelal om hun activiteiten te verbreden. Dat is geen onlogische keuze. Een diversificatie aan inkomsten biedt een bedrijf immers meer zekerheid. Die verbreding uit zich dan vooral in het uitvoeren van grondwerken, omdat ze reeds beschikken over machines die daarvoor ingezet kunnen worden.

Toch is die verbreding niet evident. Door de verbredingsactiviteiten uit te oefenen, worden de loonwerkbedrijven nu en dan als zonevreemd beschouwd. Toch ligt de oorsprong van het loonwerkbedrijf in de agrarische sector, en voert het nog steeds agrarische activiteiten uit.

Minister, in welke zone moeten loonwerkbedrijven gevestigd zijn? Is dat afhankelijk van de omvang van het bedrijf? Is het afhankelijk van de verbredingsactiviteiten van het bedrijf? Wordt er een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe bedrijven? Wat is de trend in het aantal loonwerkbedrijven? Komen er nieuwe bedrijven bij? En zo ja, waar moeten die zich vestigen?

Naar aanleiding van de gedachtewisseling over het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling III (PDPO III) op 11 maart hebt u ons een antwoordje laten bezorgen, waarin u stelde dat loonwerkbedrijven eigenlijk geen beroep kunnen doen op de klassieke steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). U beroept zich daarvoor op artikel 17, paragraaf 1a van de verordening 1305/2013, waarin wordt gesteld: “Bedoelde steun wordt verleend aan landbouwers en groepen van landbouwers.” Dat is duidelijk, maar ik heb ook gewezen op een aantal landbouwbedrijven die als diversificatieactiviteit soms loonwerk hebben. Dat is natuurlijk een onderscheid met de echte loonwerkbedrijven. Men zegt mij dat zij zich eigenlijk beroepen op artikel 119, tweede lid, van diezelfde Europese verordening, dat stelt dat steun verleend kan worden aan landbouwers of groepen landbouwers die diversifiëren naar niet-agrarische activiteiten. Men wijst dan op een aantal landen zoals Italië.

Dat brengt mij bij een bijkomende vraag, waar u wellicht niet meteen op zult kunnen antwoorden. Kunt u door de diensten eens laten opzoeken hoe het zit met die regeling rond VLIF en loonwerkbedrijven in het buitenland, en heel specifiek voor die groep van landbouwbedrijven die diversifiëren en vanwege een onvoldoende inkomen soms een tweede activiteit op hun landbouwbedrijf uitoefenen?

De heer De Croo heeft het woord.

De heer Herman De Croo (Open Vld)

Ik heb enkele maanden geleden nog een studiedag bijgewoond in verband met het op de openbare weg vergund worden van een aantal landbouwvervoermiddelen, wat door de transporteurs was aangeklaagd wegens geen tachograaf, het niet bijhouden van reistijden en dies meer. Daar is een heel debat over gevoerd, dat erop uitmondde dat men het is gaan specificeren volgens de vergunningen, de nummerplaten en zo meer. Het probleem is dus complex, en ik ben blij dat collega De Meyer het opnieuw aanhaalt. De minister heeft inderdaad gezegd dat dat type van onderneming niet in aanmerking zou komen voor VLIF-steun.

De concentratie van het gebruik van landbouwmachines en de omvang en vernieuwing ervan brengen met zich mee dat men een soort no man’s land begint te krijgen van landbouwers die loonwerkers zijn, van loonwerkers die landbouwbedrijven als enige klant hebben, van loonwerkers die ook andere bedrijven als klant hebben. Het is een complexe aangelegenheid. Dat vindt zich terug in de vestigingsmogelijkheden, in de afstanden die men mag doen en zo meer.

Ik wil daarom de suggestie doen dat wij die federaties of groepen hier eens zouden aanhoren. Het gaat om een soort tussenniveau. Men weet niet goed waar het zit. Het is uit en voor de landbouw gegroeid, maar het is soms in concurrentie met de transporteurs. Het lijkt mij goed, voorzitter, om eens naar hen te luisteren en meer te weten te komen over hun eigen situatie.

Er is al verwezen naar de machineringen. Dat is ook een manier van samenwerken. Wordt daar betoelaging aan gegeven door VLIF? Onder welke vorm moet men dat dan doen? Enfin, er zijn een aantal zaken die de moeite lonen om het probleem in de breedte te bespreken in deze commissie, in een hoorzitting met de federaties of met de groeperingen.

Mijnheer De Croo, we zullen uw suggestie bespreken tijdens de regeling der werkzaamheden.

Mevrouw Joosen heeft het woord.

Ik heb nog twee bemerkingen. Het onderscheid tussen de para-agrarische bedrijven en de zuiver commerciële dienstverlenende en industriële bedrijven is inderdaad soms moeilijk te bepalen. Volgens arresten van de Raad van State vallen grondwerken echter niet onder die para-agrarische bedrijven.

Ten tweede: is het dalende aantal landbouwers wel een goede indicatie om het potentieel van het aantal opdrachten te bekijken? Bedrijfsoppervlaktes nemen immers toe. Is door die schaalvergroting de kans op opdrachten dan weer niet groter? Is VLIF-steun dan opportuun?

Minister Schauvliege heeft het woord.

Mijnheer De Meyer, we moeten een onderscheid maken tussen het aspect ruimte – ruimtelijke ordening en inplanting – en het aspect van de steun. Beide zaken komen aan bod.

Wat een zuiver loonwerkbedrijf betreft, gaat het, als je naar de gewestplannen kijkt, om een aan de landbouw verwant bedrijf. Zij kunnen zich dus vestigen in agrarisch gebied, voor zover hun activiteit daar nuttig of nodig is. Landbouwloonwerkbedrijven kunnen ook een directe relatie hebben met de aanwezige landbouwbedrijven. Ze moeten dat ook aantonen. Op die manier kunnen ze daar dus aan bod komen. Natuurlijk moet de schaal van de bedrijven ook altijd beantwoorden aan de omgeving. Dat heeft dan te maken met de vergunning die verleend wordt.

Aan de landbouw verwante bedrijven dienen gevestigd te worden in bestaande landbouwbedrijfszetels. Indien een verbredingsgraad geen nauwe relatie heeft met het landbouwproductieproces, kan het zijn dat zij worden doorverwezen naar industriegebied.

Hoe zit het met de cijfers? Bij de landbouwtelling van 2007 waren er 378 loonwerkbedrijven, bij de telling van 2013 949. Er is dus een opmerkelijke groei van het aantal landbouwbedrijven dat ook aan loonwerk doet. De aard van hun loonwerkactiviteit is bepalend voor de plaats waar ze zich kunnen vestigen.

VLIF-steun geven wij voor diversificatie tout court. Het is wel zo dat investeringssteun, specifiek voor loonwerkers, niet mogelijk is onder de nieuwe maatregel rond projectsteun voor innovatie. De Europese wetgeving zegt dat deze steun enkel kan worden gegeven aan landbouwers en groepen van landbouwers. Als verschillende landbouwers samen één machine kopen, kunnen ze daar dus wel steun voor krijgen, mijnheer De Croo.

Men kan wel opleiding volgen via onze maatregel rond naschoolse vorming. Voor investeringen zijn ze dus veeleer aangewezen op steunmechanismen in het beleidsveld Economie. Dat zij daar niet onder vallen, komt doordat de nadruk vooral op de duurzaamheidscriteria ligt.

Eigenlijk geven wij in VLIF nagenoeg geen ondersteuning meer wanneer een landbouwer bijvoorbeeld een nieuwe tractor koopt. Dat maakt dat wanneer een loonwerker dergelijke machines koopt, hij daar geen steun voor kan krijgen omdat het niet valt onder de duurzaamheidscriteria. Zo zit het vandaag in elkaar.

Ruimtelijk hangt het een beetje af van hoe groot het is en welke soort activiteit het is. Het is duidelijk dat ze niet onder de VLIF-steun vallen.

De heer De Croo heeft het woord.

De heer Herman De Croo (Open Vld)

Ik ben tevreden met het antwoord, als wij het krijgen van bijkomende informatie kunnen organiseren, waarover de commissie zal beslissen.

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Er zijn twee elementen. Zoals u terecht zegt, minister, is er het aspect van ruimtelijke ordening. Van de zuivere loonwerkbedrijven zegt u dat ze kunnen worden gevestigd in agrarisch gebied. Ik denk dat uw antwoord op dat vlak meer dan terecht is. Anderzijds zegt u dat in sommige situaties het industrieterrein wordt. De grote vraag bij een aantal loonwerkbedrijven is: vanaf welk moment is het niet meer agrarische zone maar wel industrieterrein? Daar gaat een aantal discussies over. U begrijpt dat de voorwaarden voor landbouwzone of industrieterrein heel wat financiële implicaties hebben voor de bedrijven.

Wat betreft de VLIF-steun, is het zeer duidelijk dat volgens de regelgeving zoals ze vandaag is, een zuiver loonwerkbedrijf niet valt onder VLIF-steun, of we dat nu jammer vinden of niet. Het kan wel genieten van kmo-steun, waar minister Muyters bevoegd voor is. Ik heb hem daar reeds schriftelijke vragen over gesteld. Daaruit blijkt dat er nagenoeg geen beroep wordt gedaan op de kmo-steun. Mogelijk moet eens worden bekeken hoe de regelgeving van de kmo-steun kan evolueren of aangepast worden zodat loonwerkbedrijven er effectief gemakkelijk gebruik van kunnen maken. Volgens de Europese regelgeving kunnen ze jammer genoeg geen gebruik maken van VLIF-steun.

Het discussiepunt blijft voor mij wel hoe het zit met landbouwbedrijven die diversifiëren. U zegt dat u in het kader van duurzaamheidscriteria ook geen steun meer geeft voor bijvoorbeeld tractoren en dat u dat evident dan ook niet kunt doen voor het diversifiëren in de richting van loonwerkbedrijven. Ik kan deels die redenering volgen, maar daarvan vraag ik toch eens te bekijken hoe dat in het buitenland is en of dat inspiratie kan geven voor onze regelgeving. Mocht u daar meer nieuws over hebben, dan kan ons dat uiteraard via het commissiesecretariaat worden bezorgd.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.