U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel (Open Vld)

Voorzitter, minister, collega’s, in het schooljaar 2008-2009 werden 768 leerlingen van school gestuurd. Dat is het cijfer dat ik heb gevonden. Twee jaar later was dat aantal al opgelopen tot 1850. Een rapport van de Kinderrechtencoalitie stelt dat er in 2012-2013 2793 leerlingen definitief werden uitgesloten op school. Dat is een correctie op de cijfers die ik eerder heb gegeven en waarover onduidelijkheid was. Er zit een stijgende lijn in die schorsingen en dat zorgt voor bezorgdheid, niet alleen bij mezelf, maar ook bij de Kinderrechtencoalitie en de kinderrechtencommissaris enzovoort.

Het decreet betreffende de rechtspositie van de leerling in het secundair onderwijs stelt dat de school twee tuchtmogelijkheden heeft: een tijdelijke schorsing en een definitieve schorsing. Na het inwinnen van het advies van de klassenraad, ligt de bevoegdheid tot preventieve schorsing of tuchtmaatregelen bij de directeur van de school. Het decreet bepaalt verder dat de betrokken leerling toegang heeft tot een beroepsprocedure. Dat beroep wordt behandeld door een beroepscommissie die voor de meerderheid bestaat uit leden van het bestuurspersoneel, het onderwijzend personeel en de klassenraad. Maar het is de directeur van de school die kan beslissen om een klassenraad bijeen te roepen om opnieuw een evaluatiebeslissing te nemen.

Dit is meteen waar het schoentje knelt: spreekt men van een objectieve beslissing als de personen die de leerling in de eerste plaats hebben geschorst, moeten beslissen over de evaluatie van de beslissing? Dat baart mij zorgen. Het Kinderrechtencommissariaat stelde in haar jaarrapport van 2014 vast dat een derde van de schorsingen gebeurt in de maanden mei en juni. Dit is een bedreiging voor de slaagpercentages van de betrokken leerling, die vaak al een moeilijk schoolparcours loopt. Daarom vragen het Kinderrechtencommissariaat en de onderwijskoepels aan de overheid om de welzijns- en onderwijssector beter te laten samenwerken om die jongeren een aangepast toekomsttraject te bieden. De vraag is of er altijd een welzijnstraject nodig is, of de uitsluitingen altijd wel een dergelijke dramatische situatie verhullen.

Het is duidelijk dat die leerlingen van de ene school naar de andere sturen niet de meest duurzame oplossing is. Een aantal van die leerlingen zit gedurende zeer lange tijd thuis. Het zijn pubers met moeilijkheden. Die ouders hebben er niet altijd opvangmogelijkheden voor. We hebben hier dus te maken met een prangend probleem voor de leerlingen die worden getroffen.

Op een vraag om uitleg van mevrouw Celis aan uw voorganger minister Smet, antwoordde hij dat de stuurgroep Onderwijs-Welzijn-Jeugd bezig was met verdere engagementen waaruit bleek dat er nood was aan flexibilisering, werking op maat en een goede dispatching. Minister Smet stelde dat er meer moest gebeuren voor een nauwere samenwerking met de school en dat er meer aandacht moet zijn voor re-integratie van de leerling.

Minister, wat is de stand van zaken van deze stuurgroep en zijn er al concrete initiatieven genomen? Bestaat er een draagvlak voor de creatie van een onafhankelijke Vlaamse beroepscommissie die zich over dergelijke zaken kan buigen, een commissie, zeg maar, met meer externen dan nu het geval is?

Het Kinderrechtencommissariaat krijgt ook vaak te horen dat de communicatie met de schooldirectie ondermaats is en pleit voor een externe klachtencommissie om hieraan te verhelpen. In welke mate is het mogelijk zo’n klachtencommissie op te richten? Het rapport Leerplicht toont aan dat in 2009-2010 8,4 procent van de leerlingen na een definitieve uitschrijving wegens tucht een bepaalde periode nergens waren ingeschreven. Hoe evolueert dit cijfer? Hebben we daar zicht op? Welke maatregelen bent u van plan te nemen om deze leerlingen zo snel mogelijk opnieuw op de schoolbanken te krijgen?

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Mevrouw Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, het systematisch stijgend aantal leerlingen dat van school wordt gestuurd, vraagt inderdaad om actie. Ik sluit me deels aan bij mevrouw Brusseel dat het systeem voor re-integratie moet worden aangepakt en uitgebreid. Hier moeten we net een nuance maken. Een systeem van re-integratie houdt inherent in dat de leerling in kwestie uit het reguliere systeem werd gehaald en van school werd gestuurd. We mogen de straffeloosheid ook niet aanmoedigen.

Het jaarrapport van het Kinderrechtencommissariaat van 2014 stelt inderdaad dat ongeveer een derde van die schorsingen gebeurt in de maanden mei en juni. Mevrouw Brusseel zegt dat dat een bedreiging is voor het slaagpercentage. In zekere zin ga ik daarmee akkoord, maar ik wil toch een belangrijke kanttekening maken. We kunnen die vaststellingen ook op een andere wijze interpreteren. Leerlingen worden niet zomaar van school gestuurd. Meestal vertonen ze zeer ernstig gedrag dat niet enkel hun eigen schoolloopbaan ondermijnt, maar ook die van hun vrienden en medeleerlingen negatief beïnvloedt. De scholen in kwestie ondernemen meestal meerdere pogingen om met de leerling te praten, om oplossingen te vinden en om de ouders erbij te betrekken. Het lijkt me vanzelfsprekend dat de leerling niet bij het begin van een schooljaar van school kan worden gestuurd aangezien men de nodige en voldoende interventies heeft kunnen toepassen om die leerling tot rede te brengen.

Wanneer dat echt niet lukt, moeten de school en het CLB hun verantwoordelijkheid nemen, niet enkel naar de leerling, maar ook naar de medeleerlingen en klasgenoten. Die moeten niet worden gestraft omdat een leerling zich niet houdt aan de rechten en plichten van de school.

Leerlingen hebben bepaalde rechten, dat is waar, ook leerlingen die voor problemen zorgen. Maar we mogen de andere kant van het plaatje niet vergeten. De andere leerlingen die negatief worden beïnvloed door het gedrag, hebben ook hun rechten. Voor hen is de definitieve uitsluiting van een leerling soms de meest gerechtvaardigde oplossing.

Het is dan ook belangrijk dat we beseffen dat leerlingen van school sturen geen impulsieve beslissing is van de school. Minister, hoe evalueert u het voorstel van het Kinderrechtencommissariaat om eventueel een begeleidingscontract voor die leerlingen in te voeren? Hoe zult u erover waken dat dit geen extra planlast meebrengt voor leerkrachten?

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis (N-VA)

Minister, dit is duidelijk een vraag naar een werkbaar systeem voor leerlingen die soms met een geweldig brokkenparcours worden geconfronteerd en heel wat scholen doorlopen. Anderzijds zijn er ook scholen met een eigen klimaat en eigen afspraken in een reglement. Dat moet ook worden nageleefd. Leerkrachten moeten toch wel op een goede en positieve manier hun lessen kunnen geven.

In het verleden hebben we vaak gediscussieerd over bijvoorbeeld time-outprojecten. Dat zijn projecten waarin leerlingen terechtkomen die het heel moeilijk hebben gehad. Denkt u in de richting van bijkomende projecten die daarmee te maken hebben? Ik heb ooit de cijfers opgevraagd van de time-outprojecten over wie daarin zit en hoe de terugkeer naar de school verloopt. Dat is een systeem dat zijn vruchten afwerpt. Misschien denkt u in die richting verder na.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Ik sluit me aan bij de terechte zorg van de collega’s. De problematiek is voldoende zwaarwichtig om er de nodige aandacht aan te besteden. Meer samenwerking tussen de welzijns- en onderwijssector is cruciaal in deze materie. Op dit moment zijn er nog steeds te veel definitieve schorsingen in onze scholen. Maar in uitzonderlijke omstandigheden kan veranderen van school wel een oplossing bieden. Dit zeg ik allemaal onder voorbehoud van de drie elementen die ik eerst heb gesteld.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Voorzitter, geachte leden, ik zal proberen kort te antwoorden, maar dat is niet evident, door alle vragen.

U hebt kunnen lezen in het regeerakkoord en in de beleidsnota’s dat we hieromtrent initiatieven willen nemen. Een stuurgroep wordt verantwoordelijk voor de uitrol van ons beleidsvoornemen. Ondertussen is die stuurgroep al twee keer samengekomen. Ze bestaat uit vertegenwoordigers van de kabinetten en de onderwijs- en welzijnsadministraties. De eerste opdracht van de stuurgroep is het flexibiliseren van het huidige aanbod aan time-outprojecten naar trajecten op maat voor jongeren die dreigen uit te vallen op school. Hierbij moet ook veel aandacht gaan naar het ondersteunen van de scholen zelf met betrekking tot de manier waarop ze kunnen omgaan met dergelijke jongeren en problemen. Ik wil trouwens ook meegeven dat we ook een actieplan leerrecht aan het maken zijn. Ik heb al gezegd dat het buitengewoon onderwijs voor mij in de hervorming van het secundair onderwijs moet, net als leren en werken, en dan is er het leerrecht, dat eigenlijk het hele veld moet bestrijken en waarin we al die zaken ook meenemen.

Dan is er die beroepscommissie. Het decreet met betrekking tot de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs is pas dit schooljaar in werking getreden. Dat weet u wellicht allemaal. Daar is een lange onderzoeks- en voorbereidingsfase aan voorafgegaan. Er zijn diverse mogelijkheden bekeken over de situering van de beroepscommissies met betrekking tot definitieve uitsluitingen en omstreden evaluatiebeslissingen van klassenraden. Deskundigheid, neutraliteit en objectiviteit zijn essentieel bij de samenstelling en de werking van een beroepscommissie. Dat wordt ook door iedereen erkend, zowel door de sociale partners als door alle betrokken actoren. De meningen lopen evenwel uiteen over de vraag of dat dan betekent dat de beroepscommissie schoolintern dan wel schoolextern moet zijn.

Een van de mogelijke opties bestond erin om de Raad voor Betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in het hoger onderwijs uit te breiden met een kamer voor het leerplichtonderwijs, wat neerkomt op een onafhankelijke Vlaamse beroepscommissie. Van deze optie is afgestapt wegens het vermoeden dat een dergelijk rechtscollege een te hoge drempel vormt voor ouders en leerlingen uit het leerplichtonderwijs. Ook voor andere, op Vlaams niveau fungerende beroepscommissies bestond er geen draagvlak bij de sociale partners, omdat ze de schoolnabijheid, dus de kennis van het profiel en de achtergrond van de leerling, van het leerprogramma, van de schoolcontext, in een beroepsgang als noodzakelijk beschouwen. Uiteindelijk is dan met de sociale partners een consensus gevonden: een beroepscommissie op het niveau van het schoolbestuur die uit schoolinterne en schoolbestuurinterne en -externe leden bestaat en die over de volheid van bevoegdheid beschikt. Dat is dus de reden waarom we zijn gekomen tot waar we nu zijn.

Dan was er de vraag over het Kinderrechtencommissariaat. Het decreet met betrekking tot de rechtspositie van leerlingen zet sterk in op communicatie en bemiddeling. Door ouders en leerlingen tijdig en afdoend te informeren over alle aspecten van het onderwijsgebeuren die hen aanbelangen, moet er een klimaat van wederzijds vertrouwen worden gecreëerd en moet de acceptatie van school- en klassenraadsbeslissingen kunnen groeien. We willen eigenlijk dat op die wijze het aantal klachten en beroepszaken vermindert. Het decreet dateert van 4 april 2014 en is pas dit schooljaar in werking getreden. Uiteraard moeten we dat een kans geven, maar tegelijk bekijken welke de resultaten of de effecten zijn.

Anderzijds is het ook zo dat het decreet op diverse punten al tegemoetkomt aan de desiderata van instanties zoals het Kinderrechtencommissariaat en de Vlaamse Scholierenkoepel. Ik vind het dus een beetje vroeg om nu al meteen aanvullende initiatieven op het vlak van rechtsbescherming te nemen, zoals die externe centrale klachtencommissie. Ik zou toch graag eventjes laten werken wat nu net is gestart. Anders dreigen we ook chaos in het onderwijs te creëren, denk ik.

Bij het cijfer uit het leerplichtrapport werd enkel rekening gehouden met het aantal leerlingen dat om tuchtredenen is uitgeschreven. Ik kan u wat meer volledige cijfers geven, die uitgaan van alle tuchtmeldingen in de loop van het schooljaar. Daarbij maken we een onderscheid tussen drie verschillende situaties.

Een eerste mogelijkheid – Geen UIT – is dat de uitgesloten leerling niet wordt uitgeschreven. Tijdens die schooljaren mochten minderjarige leerlingen nooit worden uitgeschreven als ze nog geen nieuwe school hadden gevonden. In die groep zitten zowel leerlingen die pas met ingang van het volgende schooljaar worden uitgesloten als leerlingen die in de loop van het schooljaar werden uitgesloten, maar nog geen nieuwe school vonden. De tweede groep leerlingen – UIT…IN – zijn de leerlingen die werden uitgeschreven en die in een andere school werden ingeschreven. De derde groep – UIT – zijn leerlingen die werden uitgeschreven en die niet werden ingeschreven in een andere school.

Uit die cijfers blijkt dat het aantal definitieve uitsluitingen zonder directe nieuwe inschrijving lichtjes is gestegen tussen 2010 en 2013, van 9,37 procent naar 9,70 procent. Dat is dus die derde categorie. Ik heb het tabelletje bij, maar ik zal dat niet voorlezen. Ik zal dat dus bij het verslag laten voegen (zie bijlage). Dan hebt u die cijfers.

Welke maatregelen zijn we van plan te nemen? Zoals ik al heb gezegd, werken we aan een geïntegreerd beleid met betrekking tot leerrecht, spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten, omdat die zaken voor mij onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Die problematieken zijn sterk verbonden en vragen dus, zoals ik al zei, een geïntegreerde aanpak. Mevrouw Brusseel, de definitieve uitsluitingen worden daar mee in opgenomen. Met het recente decreet met betrekking tot de rechtspositie van de leerling zijn de procedures duidelijk gemaakt. Misschien moeten we nog wat explicieter communiceren over wat er allemaal bestaat. Op het terrein winnen herstelgerichte oplossingen voor conflicten op school steeds meer aan aandacht. We zien dat steeds meer scholen er ook mee aan de slag gaan en dat er ook heel wat aanbod qua nascholing is op dat vlak. Ik sta ook echt achter die aanpak. Mevrouw Celis, nog maar recent heb ik daar trouwens ook naar verwezen in de plenaire vergadering, toen het ging over de pestproblematiek. Dat komt altijd enigszins samen. Ik ben nieuw in het beleidsdomein, maar ik vind dat leerrecht, spijbelen, vroegtijdig schoolverlaten en pesten enigszins samenhangen. We moeten dat alomvattend proberen te bekijken. Veel instrumenten die bestaan, kunnen we ook daarvoor allemaal inzetten.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel (Open Vld)

Het is inderdaad nog een beetje vroeg om conclusies te trekken, en zeker om nieuwe acties te gaan vastleggen. Er wordt echter gewezen op een aantal knelpunten, en ik was daar wel gevoelig voor. Daarom heb ik de vraag gesteld, en ook vanuit een algemene filosofie: als je ziet dat die cijfers stijgen, dan voel je dat er iets aan de hand is in de samenleving, in de scholen. Dan voel je dat er kinderen zijn die niet goed in hun vel zitten, en dat dit aantal ook in stijgende lijn gaat. Dat is een grote bekommernis van mij. Ik heb de getuigenissen gelezen in het jaarverslag van de kinderrechtencommissaris. Ik schrok toch wel van een aantal zaken.

Mevrouw De Meulemeester, soms is het inderdaad zo dat een leerling al dan niet tijdelijk van school moet worden gestuurd, omdat hij of zij een probleem vormt voor de andere leerlingen. Absoluut. Ik pleit absoluut niet voor straffeloosheid, integendeel. Als de zaken escaleren, als er geweld in het verhaal komt, dan moet je ingrijpen. Uit een aantal getuigenissen blijkt echter dat het eigenlijk gaat over een escalatie van slecht opgeloste conflicten, waarbij ik zie dat de volwassenen een zekere koppigheid aan de dag leggen waarvan ik vind dat die niet thuishoort in een pedagogische context.

Ik ben met andere woorden echt wel geschrokken van een aantal getuigenissen. Ik vind dat leerlingen, ook diegenen die lastig zijn, die een vervelende puberteit hebben, ook rechten hebben. Ook al ervaart iedereen dat kind als lastig, het is nog altijd wel een kind, ook al is dat al 16,17 jaar. Diegenen hier die al pubers in huis hebben gehad, weten dat, denk ik, ook zelfs wel beter dan ik. Daarom pleit ik ervoor om met een heel open blik naar deze situatie te kijken.

Minister, daarom vind ik het belangrijk dat die cijfers inderdaad worden gemonitord en dat er een goede communicatie en nascholing is. Misschien kan er al worden gekeken naar die knelpunten die worden geciteerd door de Kinderrechtencoalitie. Ik geef een voorbeeld: scholen zouden zelf mee moeten helpen zoeken naar een alternatief, naar opvang, met een CLB bijvoorbeeld, zodat een leerling die uit een school wordt weggehaald, zo snel mogelijk in een andere school terechtkomt. Ik vind het fundamenteel dat er meteen een zeer herstelgerichte aanpak is.

Voor het overige zal ik niet ingaan op elk facet van uw antwoord. Ik ben zeer tevreden met uw antwoord.

Wat die te hoge drempel voor een externe beroepscommissie betreft, dat hangt ervan af hoe sterk je over die externe beroepscommissie communiceert ten overstaan van de ouders. Ik denk immers dat mensen die echt het probleem willen oplossen, de weg wel zullen vinden. Het is vooral belangrijk dat mensen het gevoel hebben dat hun zaak met heel veel rechtvaardigheid wordt behandeld. Dat wou ik toch even meegeven.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Mevrouw Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Wat mevrouw Brusseel ook aangeeft, is heel belangrijk: die problematische leerlingen mogen natuurlijk niet in een roulatiesysteem van de ene school naar de andere terechtkomen zonder dat er inhoudelijk iets wordt gedaan aan hun problemen. Daar ben ik het volledig mee eens. Bijvoorbeeld in Beveren hebben we een time-outsamenwerking met diverse scholen die echt wel werkt. Het is tot op heden gelukt om leerlingen eventjes tien dagen echt in een time-outproject te zetten en ze dan te heroriënteren. In datzelfde GTI hebben we ook al een leerling echt moeten uitsluiten uit de school, omdat het zo bleef. Alle moeite is gedaan ter zake. Er is bijna meer dan een schooljaar over gedaan, maar die leerling is uiteindelijk in het tweede schooljaar van school gestuurd omdat dit gewoon niet wou werken, omdat het niet ging. Dat lijkt me dus wel belangrijk. Bij die problematiek is het voor de scholen ook wel belangrijk dat ze toch altijd ergens – laat het me letterlijk en stout zeggen – een stok achter de deur te hebben, dat ze, als het echt niet meer gaat, wel die mogelijkheid hebben om die leerling van school te sturen.

Minister, we wachten dan natuurlijk op dat leerrechtplan. Hebt u er een idee van wanneer we dat kunnen krijgen en inzien? Het is maar een vraag.

Minister Hilde Crevits

We doen ons best.

Mevrouw Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Dus niet voor de paasvakantie.

Minister Hilde Crevits

Als het van mij afhangt wel. Dit hangt immers samen met alles wat we ook willen doen met betrekking tot leren en werken. We volgen hier ook de commissies. Tegelijk moet ik ook wat planlast liquideren uit het onderwijs, moet ik ook schoon schip maken met betrekking tot al die projecten die er nu bestaan in het kader van de time-outs en zo. We moeten toch wel voldoende zorg hebben. Ik wil ook geen one-shots doen. Het gaat ook over centen, maar ook over veel meer dan dat. Ik zou er eigenlijk al mee kunnen zijn gekomen, maar we zijn het nog wat aan het verbeteren. In het onderwijs is het vaak zo: hoe meer je ernaar kijkt en ermee bezig bent, hoe voorzichtiger je bent om de sprong te maken. Laat dat dan een positieve eigenschap zijn, dat we daar met heel veel zorg mee omgaan.

Mevrouw Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Dat is ook de bedoeling. We kunnen ook samenwerken ter zake.

Minister Hilde Crevits

Ja, maar dat is de bedoeling. Ik moet er ook mee naar de regering. Het moet goed zijn. Ook mijn administratie is er heel bekommerd over dat het in orde is, maar er wordt volop aan gewerkt. Dus zo snel mogelijk.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.