U bent hier

Commissievergadering

woensdag 11 maart 2015, 10.00u

Voorzitter
van Willy Segers aan minister Sven Gatz
1250 (2014-2015)

De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers (N-VA)

Voorzitter, er is nog steeds een duidelijk tekort aan studentenhuisvesting in Brussel, onze hoofdstad, waar tientallen grote en kleinere instellingen van het hoger onderwijs zijn gevestigd.

Op de website www.brusselnieuws.be schat de vastgoedgigant Quares het tekort op 27.000. Br(ik, de Nederlandstalige studentendienst in Brussel, houdt het op een tekort van 9000. Er moeten alleszins nog heel wat koten bijkomen om aan de groeiende vraag te voldoen.

De directeur van Br(ik heeft gesteld dat de nood aan studentenhuisvesting het hoogst is in het prijssegment tussen 300 en 350 euro. Boven dit bedrag haken veel studenten af. Op die manier kiezen ze voor het pendelen, waardoor ze minder een band met onze hoofdstad opbouwen.

Minister, als Vlaams minister van Brussel maakt u zich hier ongetwijfeld zorgen om. Tijdens de vergadering van de commissie Brussel van 15 oktober 2014 hebben we de studentenhuisvesting in Brussel en de rol van Br(ik reeds besproken.

U hebt toen onder meer het volgende verklaard: “Aangezien het Brusselse huisvestingsbeleid algemeen zal worden opgenomen op gewestelijk niveau, zal in samenspraak met Br(ik bekeken worden hoe Br(ik zijn opdracht inzake studentenhuisvesting naar de toekomst toe het best kan invullen. Eventueel – maar ik wil niet vooruitlopen op de gesprekken – kan ook een heroriëntatie naar een flankerende dienstverlening, bijvoorbeeld rond het beheer van studentenhuisvesting voor Br(ik, aan de orde zijn.”

Over het aanbod aan studentenkoten hebt u het volgende verklaard: “In de sector van de privéstudentenkoten waarvoor Br(ik bemiddelt, zijn er momenteel op een totaal van 4300 units nog steeds een tweehonderdtal koten beschikbaar. Die situatie is precies dezelfde als in 2013. Als we het totale aanbod aan studentenkoten naast elkaar leggen, overheerst het aanvoelen dat de kotenmarkt voor dit academiejaar – begin september – eerder ontspannen is. Daarmee bedoel ik dat er geen acuut tekort is zoals enkele jaren geleden en dat het dus minder lijkt te spelen.”

Tot slot hebt u ook nog dit gezegd: “Ik heb met plezier vastgesteld dat er bij het aantreden van de nieuwe Brusselse Hoofdstedelijke Regering expliciet een nieuwe bevoegdheid ‘studentenzaken’ werd gecreëerd. Die bevoegdheid wordt gedeeld door de voorzitter van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering – door gemeenschap en gewest dus, wat op zich niet slecht is.”

Minister, ik zou u in dit verband graag een paar vragen stellen.

Hebt u reeds overleg gepleegd met Br(ik over de toekomstige rol inzake de studentenhuisvesting? Welke concrete rol plant u voor Br(ik?

Zijn alle privéstudentenkoten waarvoor Br(ik bemiddelt ondertussen verhuurd? Hoe schat u momenteel het globale aanbod aan studentenkoten in, meer bepaald in het prijssegment tussen 300 en 350 euro? Beschouwt u het aanbod als voldoende? Welke eventuele maatregelen wilt u treffen?

Hoe evalueert u de werking van de nieuwe bevoegdheid ‘studentenzaken’ op het eerste gezicht? Is er sprake van een gemeenschappelijke visie op het studentenbeleid in Brussel?

De heer Bajart heeft het woord.

De heer Lionel Bajart (Open Vld)

Voorzitter, enorm veel studenten kiezen er nog steeds voor te pendelen. Dat pendelgedrag zorgt er natuurlijk voor dat die studenten een minder hechte band opbouwen dan de studenten die op kot blijven.

Het tekort aan studentehuisvesting speelt ons nog altijd parten. Volgens mij is de stijging van het private aanbod dan ook goed nieuws. De schatting van Quares heeft volgens mij echter niet enkel betrekking op Brussel. Het gaat om zes verschillende steden, namelijk Brussel, Antwerpen, Gent, Leuven, Luik en Namen. Wat Brussel betreft, gaat het volgens Quares om een tekort van 15.000 kamers.

Volgens mij heeft Quares in opdracht van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een marktonderzoek uitgevoerd. Het gekende aanbod in Brussel, dat is het aanbod dat door de instellingen voor hoger onderwijs als specifiek studentenaanbod wordt erkend en ook op die manier op de markt wordt gepromoot, wordt ten gevolge van het door Quares uitgevoerde werk op 10.480 geschat. Het tekort dat Br(ik vooropstelt, ligt natuurlijk lager. Volgens mij maakt Quares echter geen onderscheid tussen Nederlandstalige en Franstalige studenten. Dat onderscheid valt op zich ook bijzonder moeilijk te maken. Ik denk ook dat een derde van de Brusselse studenten voor cohousing kiest. Dit betekent dat ze samen een appartement op de reguliere huurmarkt huren.

Minister, het grootste tekort situeert zich in het lagere prijssegment. Ik zou u hierover graag een aantal bijkomende vragen stellen.

In oktober 2014 hebt u verklaard dat de kotenmarkt zich voor dit academiejaar veeleer ontspannen gedroeg. Blijft u bij die analyse nu er wat meer cijfermateriaal beschikbaar is? In oktober 2014 waren de inschrijvingen aan de Brusselse instellingen voor hoger onderwijs nog niet gekend.

Er wordt gesteld dat het aanbod in het lagere prijssegment ontoereikend is. Ik weet dat we moeilijk in de toekomst kunnen kijken, maar zal de toename aan nieuwe studentenhuisvesting volgens u een opwaartse druk of een neerwaartse druk op de prijzen uitoefenen? Ik besef uiteraard dat dit geen eenvoudige vraag is.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Voorzitter, dit is een interessant debat. Ik ga ermee akkoord dat er in Brussel niet bepaald een overaanbod aan studentenkoten is. Ik wil het echter even over de rol en de functie van Br(ik hebben.

Ik heb in het verleden vernomen dat huisvesting een gewestbevoegdheid is. Tijdens de vorige legislatuur heeft de staatssecretaris van Wonen een aantal initiatieven met betrekking tot studentenwoningen genomen. Ze heeft het plan opgevat een van de sociale verhuurkantoren tot een studentenwoningverhuurkantoor om te vormen. Deze plannen worden tijdens de huidige legislatuur voortgezet.

We voelen dat er initiatieven zijn. De vraag is echter wat dit voor Br(ik betekent. Tijdens de vorige legislatuur heeft de Vlaamse overheid de studenten in Brussel korting op de abonnementen voor het openbaar vervoer gegeven. We hebben gemerkt dat dit is teruggeschroefd met de motivering dat het openbaar vervoer een gewestbevoegdheid is.

Huisvesting is een gewestbevoegdheid. Als we nu dezelfde teneur zien, zou het mogelijk zijn dat Br(ik zich op een of andere manier moet heroriënteren. Volgens mij zullen we op die manier altijd de gewestbevoegdheden raken. We moeten dan ook afspreken op welke plekken we al dan niet complementair willen zijn. Het is zeer belangrijk dat er goed wordt overlegd.

Ik vind het zeer positief dat nu iemand de specifieke bevoegdheid voor studentenzaken heeft en dat er overleg tussen beide gemeenschappen is. We kunnen het immers niet over Franstalige, Nederlandstalige of anderstalige studenten hebben. Er is, zeker in het studentenmilieu, veel uitwisseling en diversiteit. Die mensen komen van overal en gaan overal studeren. Dit is zeer internationaal. Het beleid moet dan ook in overleg tussen de gemeenschappen en de gemeenten tot stand komen.

Minister, hoe ziet u de rol van de Vlaamse Regering met betrekking tot de studentenzaken in Brussel? Wat is ons doel? Wat is onze ambitie? Op welk vlak willen we complementair aan de gewestbevoegdheden zijn? We willen niet dubbelop werken, maar we moeten een toegevoegde waarde creëren.

Welk overleg hebt u gehad met de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, met de Franse Gemeenschap en eventueel met een aantal gemeenten waar zich een grote studentenpopulatie bevindt om aspecten van studentenzaken te bespreken?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Voorzitter, er is hier een hele reeks pertinente vragen gesteld. Ik zal die vragen met plezier trachten te beantwoorden.

Mijn kabinet en Br(ik hebben al verschillende gesprekken gevoerd. Sommige gesprekken zijn in het gezelschap verlopen van het kabinet van minister Vanhengel, de voorzitter van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Minister Vanhengel is ook bevoegd voor studentenzaken.

In januari stelde mijn kabinet samen met het kabinet Vanhengel een formele vraag aan de directeur van Br(ik om als Nederlandstalige entiteit mee verantwoordelijkheid op te nemen in het gewestelijk studentenbeleid. Aan Franstalige kant komt de koepel van de Franstalige hogescholen en universiteiten, het Plateforme Logement Etudiant (PLE), stilaan op kruissnelheid. Het is daarom belangrijk dat we ook aan Nederlandstalige kant goede afspraken maken. Ook de Nederlandstalige instellingen moeten naar mijn aanvoelen mee op de trein springen van het gewestelijk beleid. Ik zal straks zeggen wat ik daar precies mee bedoel.

Naar aanleiding van die vraag kwam er intussen – meer bepaald eergisteren – ook een overleg met de rectoren en algemeen directeurs van de Brusselse universiteiten en hogescholen, Br(ik en mezelf. Het overleg leerde me dat Br(ik bereid is om mee te werken aan een gewestelijke beleidsagenda op het vlak van huisvesting. De organisatie heeft op dit vlak veel expertise en knowhow opgebouwd. Ze wil dit nu ook, uiteraard in overleg met de politieke instanties van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschap, inzetten in een regionale samenwerking met het PLE.

Die samenwerking op gewestelijk vlak brengt in de toekomst hopelijk extra mogelijkheden op het vlak van huisvesting waarvan ook de studenten aan de Vlaams-Brusselse hogescholen en universiteiten kunnen meegenieten. Van mijn kant sprak ik af dat de extra mogelijkheden ook daadwerkelijk extra mogelijkheden moeten zijn en dat die niet zullen leiden tot een afbouw van mijn inspanningen op het vlak van studentenhuisvesting in Brussel.

Het gesprek met de rectoren en algemeen directeurs was bovendien goed om nog andere bezorgdheden te bespreken. Zo werd de afspraak gemaakt dat de promotie van het Brussels Nederlandstalig onderwijs bij Vlaamse en internationale studenten en het steunen van het studentenleven in de stad een onverminderde opdracht moet blijven voor de Vlaamse Gemeenschap.

Het overleg tussen Br(ik en het PLE bevindt zich uiteraard nog in een beginstadium en het zou voorbarig zijn om nu reeds een concrete conclusie te trekken over de toekomstige rol van Br(ik. Voor wat mijn eigen bevoegdheid betreft, kan ik wel nog aankondigen dat in de komende maanden verder overlegd zal worden met Br(ik in het kader van de vernieuwing van hun vijfjaarlijkse beheersovereenkomst. Ik heb dat trouwens al vermeld in mijn beleidsnota Brussel. De huidige beheersovereenkomst loopt tot eind dit jaar en de nieuwe beheersovereenkomst zal dus begin volgend jaar starten. Daartoe dient Br(ik voor de periode 2016-2020 een strategisch meerjarenplan op te maken, dat als basis zal dienen voor die beheersovereenkomst. In de loop van dit jaar zullen dus wel degelijk een aantal strategische keuzes gemaakt worden die invloed hebben op de toekomstige opdrachten en doelstellingen van Br(ik, dus ook op het vlak van de studentenhuisvestingen en de samenwerking met gewestelijke instanties voor studentenbeleid.

Het komt erop neer dat Br(ik zich intern nog aan het positioneren is op een raad van bestuur een van de volgende dagen. Br(ik zal binnenkort nog rechtstreekse contacten met het PLE hebben om in een soort snuffelfase na te gaan hoe ze het best kunnen samenwerken. Het nadeel is dat je nu dus een Franstalige partner krijgt die over een grotere massa aan hefboom beschikt. Het voordeel is dat er een Nederlandstalige partner is die over veel meer knowhow beschikt. In die zin bekijken we hoe we dat het best aan elkaar kunnen plakken, ook in het belang van het algemeen aanbod van studentenkoten voor Brusselse studenten in het algemeen. Op het vlak van die gewestelijke bevoegdheid, die is wat ze is, willen wij dus samenwerken. Dat zegt echter niets over hoe wij zelf ons aanbod willen sturen en bepalen. Er is niets dat zegt dat, omdat het een gewestelijke bevoegdheid is, daarin geen Nederlandstalige of Franstalige aanbieder een rol zou kunnen spelen. Wij gaan die dus verder blijven spelen. Dit zal verder evolueren. Ik zal u hierover in deze commissie of op andere plaatsen de komende maanden zeker kunnen rapporteren.

De promotionele rol die Br(ik nu speelt om Brussel als Vlaamse studentenstad aantrekkelijk te maken en te houden, moeten we daar volledig van loskoppelen. Dat moet niet in het samenwerkingsverband met het PLE worden opgenomen. Niet omdat we dat niet willen, maar omdat dat nergens voor nodig is.

Die twee bewegingen zullen we nu parallel proberen op te bouwen.

U hebt een aantal vragen gesteld over de markt zelf en het aantal koten. Wat de heer Bajart zei, klopt. Het cijfer van 27.000 – dat geciteerd werd op www.brusselnieuws.be in verband met het tekort aan koten – werd door vastgoedontwikkelaar Quares zelf rechtgezet. Dat cijfer had immers betrekking op het tekort voor heel België en niet alleen voor Brussel.

Wat Brussel betreft, heeft Br(ik het cijfer van het aantal koten in zijn privékotenbestand bijgesteld van 4300, zoals Br(ik had medegedeeld in oktober 2014, naar 3985 units. Naar aanleiding van een grondige screening van de activiteit of soms inactiviteit van de huisbazen, heeft Br(ik intussen namelijk 169 huisbazen geschrapt uit zijn bestand. Het gaat dan vooral om huisbazen in het segment van de kleine verhuurders, met 1 à 2 studentenkoten. Van de bijna 4000 overblijvende actieve units waren er op 5 maart 2015 nog 74 beschikbaar. Dat komt overeen met 1,9 procent leegstand en kan worden gekwalificeerd als laag of eventueel als frictieleegstand. Ik weet niet goed hoe we dat moeten doen, maar het is in elk geval niet hoog. Het is immers een normaal gegeven dat een beperkt aantal studentenkoten vrijkomt of vrij staat in de loop van het academiejaar. De meest voorkomende reden daarvoor is dat studenten hun studies in de loop van het academiejaar afbreken.

Er zijn momenteel geen gewestelijke data beschikbaar over het aantal studentenkoten in het prijssegment van 300 tot 350 euro. Ik neem aan dat de samenwerking tussen Br(ik en het PLE hier op termijn toe zou kunnen leiden. Dat zou toch een meerwaarde moeten betekenen van een gewestdekkend aanbod. In het databestand van de privékotenmarkt van Br(ik is het aanbod in de verschillende prijssegmenten als volgt verdeeld. Er zijn 1060 koten die voor minder dan 300 euro worden verhuurd, wat neerkomt op 26,6 procent, dus ongeveer een kwart van het Br(ik-aanbod. Er zijn 941 koten die worden verhuurd tussen 300 en 350 euro, wat neerkomt op 23,6 procent. Als je de koten onder de 300 euro en onder de 350 euro samentelt, komt je ongeveer op de helft van de Br(ik-kotenmarkt.

En dan is er de andere helft: in de categorie meer dan 350 euro huurprijs zijn er 1984, dat is 49,8 procent. Ik kan u nu moeilijk zeggen of dat genoeg of te weinig of te veel is. Ik denk in elk geval niet dat die beginverhouding alarmerend slecht is. We moeten ons afvragen of dat beter kan – of is het een normale verhouding? Daar zullen de samenwerking met het Plateforme Logement étudiant (PLE) en het globale gewestelijke aanbod ons meer over leren.

De 74 units die vandaag beschikbaar staan op het ‘iKot’-platform situeren zich in de volgende prijssegmenten. Er zijn nog 13 koten beschikbaar die goedkoper zijn dan 300 euro, er zijn nog 19 koten beschikbaar van tussen de 300 en de 350 euro, er zijn 42 koten die duurder zijn dan 350 euro, of 56,7 procent. Ook daar zijn de verhoudingen min of meer dezelfde.

Uiteraard vind ik het net als u belangrijk dat er voldoende studentenkoten beschikbaar zijn in het prijssegment onder 350 euro. Het is van belang dat studentenhuishuisvesting betaalbaar is én kwaliteitsvol. Het is niet de bedoeling dat sommige studenten uit de boot zouden vallen of dat zij zouden moeten opteren voor een andere studentenstad omdat de Brusselse studentenkoten te duur zouden worden bevonden. Los van de regels van de markt, die zijn wat ze zijn, dient dit een aandachtspunt te blijven.

Ziedaar mijn antwoord, ik hoop dat het op de meeste vragen een bevredigende respons heeft geboden. We zijn dus wel degelijk in beweging. We zijn nog niet waar we moeten zijn, maar er zijn toch al significante stappen gezet sedert uw laatste vraag, durf ik te stellen.

De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers (N-VA)

Minister, dank u voor uw toelichting en voor de bedenking dat deze zaak in beweging is. Dat is zeer positief. Ik dank u ook voor het cijfermateriaal. Je kunt dat niet raadplegen om daar zicht op te krijgen. Uiteraard is dat een belangrijk element voor de prijszetting in de toekomst, en voor de afweging van een student om voor Brussel te kiezen of niet. In die context dank ik u voor uw antwoord op mijn vragen naar uw beleid. De samenwerking op gewestbasis zou daar een doorbraak kunnen brengen. We zullen dat afwachten. Met betrekking tot het internationale hoger onderwijs mogen we toch wel verwachten dat ons beleid en het Brusselse beleid elkaar vinden, ook in het belang van de studenten. Ook belangrijk is dat we de expertise van Br(ik behouden. Die doelstelling wordt hier duidelijk meegegeven, wat ook de latere rol van Br(ik wordt. Ook daar is toch wel een tijdlijn op gezet, namelijk in het strategisch beleidsplan: tegen het eind van dit jaar of het begin van volgend jaar zou er een licht moeten op schijnen.

Minister, dank u voor al deze informatie. Ik zou zeggen: op dezelfde weg verder. Wij zullen tegen het eind van het jaar onze vraag nog wel hernemen, om te zien hoever we staan.

De heer Bajart heeft het woord.

De heer Lionel Bajart (Open Vld)

Minister, dank u voor uw antwoorden op mijn vragen vanuit het marktperspectief. Ik sluit mij natuurlijk ook aan bij de vragen van mevrouw Van den Brandt over de rol en functie van Br(ik. Ik onthoud dat de gewestelijke samenwerking op beleidsvlak op de agenda staat. Ik kijk natuurlijk uit naar de oefening betreffende het strategische meerjarenplan en de samenwerking tussen het PLE en Br(ik. Dat zullen wij allemaal samen opvolgen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.