U bent hier

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, minister, geachte leden, ik ben blij dat ook collega Sanctorum aanwezig is. Mocht Dierenwelzijn tot het beleidsdomein Landbouw hebben behoord, dan hadden we dit agendaprobleem al niet.

Een aantal leden kennen de discussies die er in het verleden zijn gevoerd. Dat waren nogal heftige discussies. Er waren in de vorige legislatuur of ervoor trouwens ook hoorzittingen over genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), dacht ik. De meningen waren verdeeld. Sommigen waren fel tegen, anderen voor, anderen waren veeleer genuanceerd. Dat was ook zo op Europees niveau. Een aantal landen pleitten voor een verbod op ggo’s, terwijl andere landen vonden dat die wel moesten worden toegelaten, omdat er een eventueel concurrentienadeel met andere landen buiten Europa kon zijn.

In België werd er eigenlijk een genuanceerde houding aangenomen. Er was het goedkeuren van het Co-existentiedecreet, dat het samengaan van de traditionele landbouw met ggo-landbouw mogelijk moest maken. In Europa heeft die discussie zich jarenlang voortgesleept omdat men maar niet tot een akkoord kwam. Geheel tegen de traditie van de Europese Unie in zijn de lidstaten opnieuw het beslissingsniveau ter zake geworden. In ons geval zijn dat dan de gewesten.

Voorzitter, ggo’s moeten een debat op zich hebben. De vraag spitst zich nu vooral toe op de beslissing van de Europese Unie of het Europees Parlement om de lidstaten, de gewesten opnieuw te laten beslissen. In ons geval heeft dat immers wel een aantal gevolgen. De andere vraagstellers hebben ook deze vraag gesteld. Als drie gewesten moeten beslissen, rijzen er toch wel een aantal praktische problemen, dacht ik. In het Co-existentiedecreet is een afstand bepaald. Die afstand verschilt naargelang het gewest.

Mijn vraag is veeleer algemeen. Minister, wat is de impact van die Europese beslissing om de lidstaten, en in ons geval de gewesten, te laten beslissen of ze al dan niet ggo’s toelaten? Ik weet wel dat we ons nog maar in een beginstadium bevinden wat ggo’s betreft, maar vroeg of laat zal de beslissing over de vermarkting er toch wel moeten komen. Het is altijd beter te voorzien dan te genezen, zou ik zeggen.

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Groen)

Voorzitter, minister, geachte leden, deze vragenronde gaat inderdaad niet over het al dan niet toelaten van ggo’s tout court. Het gaat dus niet over pro of contra ggo’s, maar veeleer over de Europese procedures en het gedeeltelijk hernationaliseren van het toelaten van het gebruik van ggo’s.

Sinds 2001 bepaalt de Europese richtlijn de procedures voor toelatingen van ggo’s in de Europese Unie. U weet dat die discussies zeer moeizaam zijn. Het gaat ook over complexe besluitvorming via een zogenaamde gekwalificeerde meerderheid, waarbij dan een bepaald gewicht wordt toegekend aan een lidstaat. Daardoor en gezien de juridische procedures stelde de Europese Commissie in 2010 voor om de autorisatieprocedures deels te hernationaliseren.

De filosofie daarachter is dat een lidstaat die gekant is tegen een Europese goedkeuring van een ggo, dat laat varen, om dan nadien op lidstaatniveau, of waarschijnlijk op regionaal niveau, een individueel verbod in te voeren. Minister, de Raad van Milieuministers, waarvan u via een rotatieprincipe af en toe ook deel uitmaakt, werkte verder op dit voorstel en stelde voor om twee fasen in te bouwen. In de eerste fase zou een initiatiefnemer voor een autorisatie een brief kunnen ontvangen van een lidstaat die de vraag stelt om de autorisatie niet te richten op zijn grondgebied. Daar kunnen we ook al bemerkingen bij geven, maar goed, dat was een voorstel. In een tweede fase zou de lidstaat vooralsnog de autorisatie kunnen weigeren, echter na het aanbrengen van een uitgewerkte argumentatie.

Op 11 november van verleden jaar maakte de commissie Milieubeheer van het Europees Parlement toch enkele kritische bemerkingen en een duidelijk statement over de werkwijze voorgesteld door de Raad. Over de eerste fase was ze toch wel zeer kritisch, omdat die eigenlijk zorgt voor een intens contact tussen lidstaten enerzijds en de industrie anderzijds. We weten dat we daar toch goed mee moeten oppassen, zeker op Europees niveau. Met betrekking tot de tweede fase werd voorgesteld om het argumentarium uit te breiden. De commissie verwees nog eens naar het voorzorgsprincipe en wenste duidelijke regels over de zogenaamde co-existentie.

Op 3 december werd dan een akkoord bereikt over de eindtekst. Op 13 januari gaf het Europees Parlement zijn fiat aan die gedeeltelijke hernationalisering. Er waren eigenlijk geen fundamentele wijzigingen aangebracht ten opzichte van het eerdere voorstel. Wel werd die voorwaardelijkheid tussen die twee fasen opgeheven.

Minister, hoe staat u eigenlijk tegenover die Europese beslissing? Wat was de positie van ons land in die discussie? Zijn wij een voorstander van die gedeeltelijke hernationalisering? Wenst Vlaanderen dan ook dat binnen de Europese Unie op lidstaatniveau een weigering mogelijk is? Wat gaan we doen met die mogelijkheid? Is Vlaanderen een voorstander van een uniforme regeling wat co-existentie betreft? Er zijn co-existentieregels in Vlaanderen, in Wallonië. Er is sprake van heel grote verschillen. Als het gaat over die fameuze genetisch gemodificeerde maïs – van Monsanto, denk ik –, dan zou er in Vlaanderen een afstand van 50 meter moeten bestaan tussen een ggo-maïsveld en een niet-ggo-maïsveld. In Wallonië is dat dan 600 meter. Plots is dat een vermenigvuldiging met meer dan 10. Bent u voorstander van het onderhandelen over een gemeenschappelijke regeling met Wallonië en Brussel, goed wetend dat er natuurlijk nog andere grensgebieden zullen zijn, zoals die met Frankrijk, Nederland en Duitsland? Misschien kunnen de gewesten onderling toch een gemeenschappelijke regeling uitwerken. Wat bent u van plan ter zake?

De voorzitter

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag sluit aan bij die van de collega’s. Ik ga het niet allemaal herhalen. De aanpassing van de Europese richtlijn maakt dat de discussie over de ggo’s opnieuw op ons bord komt, meer bepaald op het bord van de gewesten. Ggo’s leiden vaak tot een maatschappelijk debat. De meningen zijn verdeeld daarover. Tegenstanders zeggen dat de veiligheid onvoldoende is bewezen. Ze wijzen ook vaak op potentieel misbruik van ggo’s. Er is het voorbeeld van de multinational Monsanto, die zijn ggo-teelten contractueel verankert aan het gebruik van giftige onkruidverdelgers en meststoffen. Er is ook sprake van een verschraling van de biodiversiteit, de teloorgang van de onafhankelijkheid van de landbouw en de uitputting van landbouwgronden.

Daartegenover staan de voorstanders, die zeggen dat plantenveredeling van alle tijden is en dat de voordelen wetenschappelijk aantoonbaar zijn: een grotere productie, een rationeler gebruik van de ruimte, minder pesticides, minder mislukte oogsten en stabielere prijzen. Er is het voorbeeld van de aardappelen die via ggo-technieken resistent worden tegen aardappelziekten. Er valt dus ook wel iets te zeggen voor de stelling dat er een voordeel zou zijn voor mens en milieu.

Die discussie moeten we nu misschien hier niet voeren. Alleszins leidt het feit dat de gewesten bevoegd worden om de ggo’s al dan niet toe te laten, ons tot de eerste vraag.  Wat gaan we ermee doen, welke impact heeft de verandering van de richtlijn op Vlaanderen en op de andere gewesten?

We moeten ons nog een andere vraag stellen. Ons land is een beetje voorloper op het vlak van wetenschappelijk onderzoek naar ggo’s. In het Technologiepark in Gent bevindt zich de grootste concentratie van biotechnologische bedrijven. Zal daar een zekere impact voelbaar zijn?

Ik wil nog een voorbeeld aanhalen. Ik woon in het zuiden van Limburg, niet zo ver van de taalgrens. Heel veel landbouwers wonen op de taalgrens. Ze hebben zowel landbouwgronden in Wallonië als in Vlaanderen. Als we dan verschillende regels toepassen, zal dat in de praktijk tot moeilijkheden leiden.

Minister, wat is uw standpunt over de ggo’s? Wat is de impact van de gewijzigde Europese richtlijn?

Hebt u er al zicht op wat de invloed van de wijziging zal zijn voor het wetenschappelijk onderzoek?

Wat met de landbouwers die percelen bewerken in twee gewesten? Ik wil graag de heer Sanctorum bijtreden. Het lijkt ook mij wenselijk om tot een uniform kader te komen. Kunt u overleg plegen met de andere regionale collega’s?

Hoe schat u de impact in van ggo’s op biodiversiteit?

De voorzitter

Mevrouw Joosen heeft het woord.

Voorzitter, minister, de context werd reeds uitgebreid geschetst. De N-VA heeft het akkoord gesteund omdat de finale tekst tegemoetkomt aan specifieke bezorgdheden. Zo verhoogt het werken met de tweestapsprocedure de juridische zekerheid. Essentieel is ook de geboden flexibiliteit en de geloofwaardigheid van de EFSA-risicobeoordeling (European Food Safety Authority), want die mag niet op de helling staan.

Toch zijn we niet onverdeeld tevreden, voornamelijk omdat opt-outs leiden tot een fragmentatie van de interne markt. Ook de situatie in grensgebieden, de positie van de landbouwers daar en de praktische werkbaarheid van de regels vragen verdere opvolging.

Op 5 november vroeg onze fractie om overleg betreffende ggo’s met de federale en de Waalse collega’s. U hebt toen aangegeven steeds dossier per dossier te willen werken. Ik wil hier nogmaals de noodzaak tot overleg aankaarten.

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

De heer Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Voorzitter, minister, collega’s, het werd al aangehaald dat het ggo-debat een moeilijk en gevoelig debat blijft. Vaak is het gesteund op niet-correcte informatie die niet gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek. Denken we ook aan de strijd tegen multinationals zoals Monsanto. Het is eigenlijk intellectueel een oneerlijke strijd. Het blijft jammer dat die tot gevolg heeft dat Europa tot een regeling komt waar niemand gelukkig van wordt, noch de voorstanders, noch de tegenstanders.

Wij blijven pleiten voor een correcte benadering van de ggo’s. We moeten ze altijd kritisch benaderen en iedere toepassing op zich bekijken. We moeten echt handelen op basis van ratio in plaats van op basis van ‘emo’.

Mevrouw Robeyns verwees al naar het Technologiepark in Gent. Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) is er gehuisvest. Als ik juist ben, investeert Vlaanderen er jaarlijks 44 miljoen euro in. Van het budget gaan heel wat middelen naar onderzoek in ggo’s. We mogen dan ook zeggen dat het VIB een wereldautoriteit is op het vlak van onderzoek naar ggo’s.

De onderzoekers moeten natuurlijk opereren in vijandige omstandigheden. Denken we maar aan het aardappelproefveld in Wetteren dat werd vernield. Jammer genoeg zijn dit situaties waardoor onderzoekers niet altijd de vrijheid hebben om hun onderzoek te voeren zoals ze willen.

Natuurlijk is de werkelijkheid dat het ggo-onderzoek steeds meer wegtrekt uit Europa. Het gevaar is dat het onderzoek ook in Vlaanderen wordt stopgezet.

We doen investeringen voor onderzoek naar toepassingen van ggo’s die in Vlaanderen nog niet mogelijk zijn. We investeren heel veel in onderzoek, maar de technologie en de kennis gaan naar het buitenland. Finaal laat Europa toch een aantal ggo-gewassen toe om vanuit het buitenland in Europa te importeren.

Het is belangrijk dat we vandaag opnieuw de discussie voeren over ggo’s. We willen echter niet alleen de discussie op ons bord krijgen, maar, in functie van de landbouw, ook voedsel dat met ggo’s is geteeld.

Hoe schat u de ontwikkeling in naar het onderzoek in Vlaanderen?

De heer Sintobin haalde al aan dat de gewesten een beetje verschillend zijn. Brussel heeft zich uitgeroepen tot ggo-vrije zone. Wallonië dreigt er ook naartoe te gaan. Het is heel belangrijk dat we een gezamenlijke aanpak hebben, dat we op dezelfde lijn zitten.

De voorzitter

De heer De Croo heeft het woord.

De heer Herman De Croo (Open Vld)

Voorzitter, minister, collega’s, we moeten hierover een debat te gronde voeren. De hete aardappel – als dat in dezen zo mag worden gezegd – wordt doorgeschoven naar het gouwgebied. Op een dag zullen we onze positie toch moeten definiëren.

Ik heb me voorafgaandelijk vragen gesteld over onze commissiebevoegdheid. Dierenwelzijn zit in een andere commissie, het Mestactieplan zit ook in een andere commissie en zo zijn er nog voorbeelden. Kortom, ik vermoed dat deze commissie bevoegd is voor het probleem van de ggo’s, maar ik ben niet zeker of het niet bij Milieu hoort. Dat stelt ons toch voor problemen.

De veredeling in de landbouw is immens. We kunnen er niet blind voor zijn. Toen ik nog veel, veel jonger was, waren de graangewassen 1 meter of 1,10 meter hoog. Het graan werd kleiner gemaakt, de steeltjes werden korter gemaakt. Zo kan het graan weerstaan aan stormen, zo valt het niet om. Het gaat niet alleen over graan, ik kan u zo 101 voorbeelden geven. Toen we een week of vijf geleden het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) bezochten, hebben we daar 800 selecties gezien van sojaplantjes. Zo wordt er bekeken of ze sojaplantjes kunnen vinden die tegen een vroege vorst kunnen en toch voldoende warmte hebben om uit te groeien.

Het is een totaal verloren gevecht. Ik ben ervan overtuigd dat we de capaciteit die we hebben, meester kunnen. Ik verwijs naar de bezorgdheid die we hebben en naar de mensen van Montagu die we in onze universiteiten hadden. Wie echter zegt dat we niet aan veredeling doen, het weze bij dieren, bij rassen, bij bomen, bij vruchten, kortom bij alles, maakt zichzelf blind voor de realiteit.

Het is te gemakkelijk om te zeggen dat we het niet doen, dat we zaken verbieden, dan zijn we zeker dat we het voorzorgprincipe huldigen. Cynisch genoeg heeft in Frankrijk ooit een kind zijn ouders een proces aangedaan omdat het geboren was. Een van de zaken die voorspelbaar zijn bij iemand die geboren is, is dat hij of zij ook doodgaat.

We moeten de zaken realistisch benaderen. We moeten geen spel spelen zoals bij de geluidsnormen voor Brussel. Ik kijk trouwens vol bewondering naar de landbouwgrond van Brussel. Als ik me niet vergis, zijn er drie boerderijen in Brussel, een heel belangrijk areaal.

Laten we het even globaal bekijken. We hebben in Vlaanderen in ongeveer 700.000 hectare voor landbouw voorzien. Ik heb eens vlug de berekening gemaakt: dat is 1 hectare op 150 in de RD Congo, alleen voor de landbouw. We mogen natuurlijk vergelijkingen maken met andere landen. Wij zijn daarbij natuurlijk eigenaardig, maar we moeten het positief bekijken.

Laten we onder sommige voorwaarden ggo’s toe in Vlaanderen? Het is een zwakheid van Europa dat het geen beslissing kan nemen en het stekelvarkentje terugstuurt naar de verschillende gouw- en landgebieden. Ik zou graag hebben dat we de discussie opnieuw te gronde aangaan, dat we ons determineren ter zake. En daarom is het belangrijk om er tijd in te steken. Vandaag voeren we het debat hierover niet, dat weet ik wel, maar het debat te gronde wordt wel verstuurd naar de verschillende gebieden die ervoor bevoegd zijn. Onder sommige voorwaarden kan het misschien. Ik ben klaar om het debat met een heel open geest aan te pakken.

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Ik sluit me aan bij degenen die zeggen dat het hernationaliseren van de beslissingen rond het al of niet toelaten van ggo’s te betreuren valt. We moeten dit dossier zeker kritisch opvolgen, maar bij voorkeur op basis van wetenschappelijke elementen. Mevrouw Robeyns heeft verwezen naar de vele discussies die we vorige legislatuur hierover hebben gehad. Wat me steeds is bijgebleven, is dat mochten we ggo’s gebruiken voor wat betreft de aardappelteelt en kijken hoeveel tonnen sproeistoffen we vandaag gebruiken, alleen al in Vlaanderen, ter voorkoming van de aardappelziekte, dan zegt dat toch wel uitermate veel in dit dossier.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega’s, er is al heel veel gezegd. We staan uiteraard bijzonder positief tegenover innoverende technologieën en ook biotechnologisch onderzoek, waarin we wereldfaam hebben en aan de top staan. We zijn daar inderdaad al jaren mee bezig en het wordt ook al toegepast in de praktijk. Mijnheer Vanderjeugd, op dit momenten starten er trouwens nog nieuwe onderzoeken op rond ggo’s. Ze gaan dus niet allemaal naar het buitenland. Er is trouwens ook nog een aanvraag hangende.

Er zit dus heel veel potentieel in de ggo’s om te innoveren in de land- en tuinbouw. Wij gaan ervan uit dat we daar pragmatisch in moeten zijn en we niet a priori zaken mogen uitsluiten. Het moet natuurlijk veilig zijn voor mensen, dieren en het leefmilieu. Dat is een voorwaarde om eraan te werken. Het moet wetenschappelijk veilig zijn en dat wordt beoordeeld door het Europees Voedselagentschap. Wij zijn daar niet alleen, dit wordt globaal bekeken.

Ik heb in mijn beleidsnota Landbouw gezegd dat ik heel sterk geloof in gefundeerde gewas- en raskeuzes in land- en tuinbouw. We moeten dat verder onderzoeken en ondersteunen en ook daar kan ggo een oplossing bieden.

Biodiversiteit en de potentiële impact erop, is een belangrijk element dat wordt meegenomen. Ik zei daarnet dat het op het vlak van leefmilieu veilig moet zijn. Die milieurisicobeoordeling gebeurt door het Europees Voedselagentschap. Dat gebeurt geval per geval, omdat alle aanvragen anders zijn. Elk ggo heeft specifieke eigenschappen en concrete omstandigheden waarin het gebruikt wordt. Je kunt moeilijk een generieke bepaling hebben die zegt dat het veilig of onveilig is, je moet het geval per geval bekijken. Het gaat ook vaak over het bekijken van alle mogelijke risico’s, zowel voor mens, dier als leefmilieu.

Hierover is nog niet gestemd in Europa, dat moet binnenkort gebeuren. Het is wel duidelijk welke richting het uitgaat. Voor de goede orde: wij zijn er geen voorstander van dat er binnen Europa een versnippering komt binnen de eengemaakte markt en ook niet van het fragmenteren van principiële teelttoelagen. Maar samen met de Europese Commissie moeten we gaande de jaren vaststellen dat de situatie bijzonder ongunstig geworden is. Vandaag sluiten een aantal lidstaten de facto de teelt van ggo’s op het eigen grondgebied uit. Ze gebruiken dan soms onterecht de vrijwaringsclausule. Dan worden er juridische steekspelletjes gespeeld en wordt zelfs tot bij het Europese Hof van Justitie gegaan om te kijken of dit al of niet kan. Bovendien is het stemgedrag van lidstaten bij dossiers voor markttoelating vaak eerder politiek geïnspireerd dan science-based. Het gevolg is dat er voor de teelt geen nieuwe ggo’s op de markt komen, ook niet wanneer ze door het Europees Voedselagentschap volledig veilig bevonden zijn voor mens en milieu.

Na afweging van al die elementen, kan Vlaanderen dan ook het geëvolueerde compromisvoorstel aanvaarden. Dat is heel sterk geëvolueerd in de tijd door die omstandigheden. We zijn niet voor die versnippering, we zijn daar tegenstander van, maar aan de andere kant zie je de problemen. Vandaar het standpunt van het compromis. Het laat de nodige ruimte aan de lidstaten die wel aan die ggo’s willen werken. Wie dat expliciet wil weren, kan dat ook doen.

De bedoeling van de Europese Commissie is dat deze bijsturing het vastgelopen Europese proces rond ggo-veldtoepassingen zal deblokkeren. Of dat ook werkelijk zal lukken, moeten we nog afwachten. Er is immers geen garantie dat de uitsluitingsmogelijkheid op eigen grondgebied in de praktijk ook zal leiden tot een ander stemgedrag van lidstaten.

Wij delen de mening van de Europese Commissie dat een uniforme co-existentieregeling binnen de hele Europese Unie niet wenselijk is. Het doel van dergelijke maatregelen is het vermijden van de effecten, namelijk de vermenging van ggo- en niet-ggo-gewassen. Daarvoor moeten de lidstaten kunnen beschikken over een zekere flexibiliteit om rekening te houden met hun specifieke regionale kenmerken. Aspecten zoals de gemiddelde grootte van percelen, de aanwezigheid van onkruiden in de nabijheid die kruisbaar zijn met de ggo in kwestie, de daglengte enzovoort, bepalen mee de effectiviteit van de maatregel. Uniforme reglementering zou dan voor de ene lidstaat ruim voldoende kunnen zijn en voor de andere heel veel problemen met zich meebrengen. De Europese Commissie ondersteunt de lidstaten door samen met hen beste praktijken voor co-existentie te ontwikkelen binnen de werkzaamheden van het Europees Co-existentiebureau (ECoB). We staan daar ook niet alleen.

De maatregelen die Vlaanderen uitwerkte, voldoen aan de Europese aanbevelingen op het vlak van de co-existentie. Ze zijn wetenschappelijk gebaseerd en voldoende specifiek. Zo ook is de Vlaamse afstand van 50 meter voor maïs, volledig conform wat het ECoB voorschrijft in hun ‘Best Practices Document’ voor ggo-maïs. Dit werd via een praktijktoets door het ILVO grondig wetenschappelijk geëvalueerd tijdens het seizoen 2010. Wallonië heeft binnen zijn bevoegdheid de keuze gemaakt om grotere afstanden vast te leggen.

Het is vandaag niet aan de orde om over eenzelfde gemeenschappelijke regeling te onderhandelen met Wallonië en Brussel. Ik verklaar me nader. Naar aanleiding van de totstandkoming het Vlaamse Co-existentiedecreet destijds zijn er heel veel hoorzittingen geweest en uitgebreide discussies in het parlement. Mijnheer De Croo, bepaalde elementen van de ggo-teelt vallen onder de bevoegdheid Leefmilieu, en andere onder Landbouw. Het zit op het snijvlak, zoals vele zaken. We brengen beide bevoegdheden een beetje bij elkaar. De debatten hebben geleid tot wat er nu is. De respectieve regelingen in Vlaanderen en Wallonië zijn democratisch tot stand gekomen. Vandaag zijn er geen redenen om dat allemaal in vraag te gaan stellen.

Wel zullen de gevolgen van de nieuwe richtlijn bekeken worden. Wat betekent dat voor landbouwers met velden in de nabijheid van grenzen? Uiteraard moeten we een afsprakenkader maken en moeten we wel de stap maken met onze bovenste beste buren, zowel onze buurlanden als onze interne Belgische buren. Dat zal ook gebeuren. Het zit vervat in de nieuwe richtlijn. Daarin staat dat je binnen de twee jaar co-existentieafspraken moet maken.

Mijnheer Vanderjeugd, ik heb al geantwoord op de bijkomende vragen. Het klopt dat we dat onderzoek hier moeten houden. We hebben de knowhow en staan aan de wereldtop. Er lopen ook nieuwe aanvragen. We moeten opletten dat we die knowhow niet uit handen geven.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Minister, dank u voor uw genuanceerd antwoord, dat ik voor een groot stuk kan onderschrijven. U ziet het potentieel in van gebruik van ggo’s voor onze land- en tuinbouw. Net zoals ik, pleit u ook voor een pragmatische aanpak van het dossier, waarin vooral de wetenschappelijk bewezen veiligheid zowel voor mens, dier als leefmilieu voorop moet staan.

Wat de co-existentie betreft, maakt u nogmaals duidelijk dat, ondanks wat sommigen daarover vertellen, alles conform de Europese richtlijnen is. Zoals de heer Vanderjeugd zegt en zoals ik in het verleden altijd bepleit heb, moeten we dit dossier met ratio en niet met emotie benaderen. U geeft volgens mij ook een voldoende antwoord op onze vragen over wat er gebeurt met landbouwgronden in grensgebieden met onze buurlanden.

Hopelijk kunt u daarvoor een goede regeling uitwerken. Mijn bijkomende vraag is: op welk niveau wordt dit geregeld? Komt dit terug naar het parlement of hoe gaat dit praktisch in zijn werk? Het Co-existentiedecreet werd hier behandeld. En inderdaad: een en ander overlapt elkaar. Maar ik meen mij te herinneren, voorzitter, dat toen het Co-existentiedecreet werd behandeld in de commissie Landbouw, ook de leden van de commissie Leefmilieu werden uitgenodigd.

Mij gaat het erover hoe dit verder in zijn werk gaat. Komt het terug naar het parlement? Of zie ik dat verkeerd?

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Groen)

Collega’s, we kunnen natuurlijk niet aan de verleiding weerstaan om, zodra het over ggo’s gaat, daar ook een aantal inhoudelijke bemerkingen bij te maken.

Er zijn daarnet een aantal zaken aangehaald: het behoud van ratio, opletten met emo. Ik ben het daarmee eens en ik heb begrip voor de nuance. Alleen moeten de grote voorstanders van ggo’s durven openstaan voor de kritisch-wetenschappelijke bemerkingen die je kunt plaatsen bij ggo’s. Ik verwijs bijvoorbeeld naar een aantal studies over biodiversiteit. Er zijn wel degelijk studies die aantonen dat er in ggo-velden een verschraling plaatsvindt: minder wilde planten, minder wilde vogels. Er is een achteruitgang van biodiversiteit op die percelen.

Een ander voorbeeld gaat over de opbrengsten. Vaak worden daar zeer grote projecties rond gemaakt, maar zowel op niveau van het onderzoek als in de landbouwpraktijk zelf, zie je dat die opbrengsten een heel stuk lager zijn dan men oorspronkelijk had ingeschat. Ik vind dat de voorstanders ook dat moeten durven te erkennen in het debat. Bij dezen doe ik dus nog eens een oproep voor die nuance.

Minister, ik merk dat iedereen, zowel aan deze kant als aan uw kant, eigenlijk tegen de gedeeltelijke hernationalisering is. Ik merk dat u de afweging hebt gemaakt van “oké, we zijn daar theoretisch tegen, maar in de praktijk zullen we daarin meegaan, omdat dat een aantal hindernissen uit de weg zal gaan”. Zo begrijp ik het alleszins. Dat is volgens mij de nuance die u aanbrengt in uw antwoord.

Ik denk dat de vrees dan nog altijd reëel is dat we naar een lappendeken gaan in Europa van verschillende manieren van aanpak. Ik dacht dat Wallonië zich expliciet ggo-vrij had verklaard. Ik dacht dat het tot het netwerk van ggo-vrije zones binnen Europa behoorde. In elk geval is er een verschillende gevoeligheid in Brussel en Wallonië ten opzichte van Vlaanderen. Dat betekent dat we alleen al binnen België naar een totaal verschillende aanpak zullen evolueren.

Ik weet ook dat Frankrijk zeer kritisch staat tegenover ggo’s. Ook daar zal er zich dus een complex grensgebied voordoen.

Nu, ik heb één bijkomende vraag. Minister, ik begrijp tussen de regels door dat u, wanneer die gedeeltelijke hernationalisering definitief en die clausule actief zal zijn, u daar nooit gebruik van zult maken. Dat lees ik dan tussen de regels door.

Mijn vraag is: hoe zal dat in de praktijk gebeuren? Stel dat men in Wallonië en Brussel een andere mening is toegedaan. Kan het gebruik van die clausule op termijn regionaal worden beslist of kan dat enkel op lidstatenniveau?

De voorzitter

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Minister, ook ik wil u danken voor het genuanceerde antwoord op mijn genuanceerde vraag.

Ten eerste vind ik het positief dat u – als ik het goed begrijp – zegt dat er geen impact zal zijn wat het wetenschappelijk onderzoek betreft en dat u, integendeel, extra onderzoek aanbeveelt of zult laten uitvoeren.

Mijn tweede aspect gaat over de biodiversiteit. Ik begrijp dat u zegt – en dat is uiteraard ook positief – dat het wetenschappelijk veilig moet zijn op alle vlakken, ook op het vlak van biodiversiteit. Ik heb even verwezen naar die multinational met de koppelverkoop. Ook daar leeft er wat vrees waarvoor we alert moeten zijn. Hoe kunnen we die in de praktijk wegnemen?

En het derde aspect is een punt waarover alle collega’s het eens zijn, de gesplitste situatie waarin we dreigen te komen staan. Ik heb het dan natuurlijk over de landbouwers die zich op de grens bevinden.

Ik vind het positief dat u zegt dat er een afsprakennota over zal worden gemaakt. Dat lijkt me ook heel wenselijk. Er zijn wel heel wat vragen hoe dat in de praktijk dan in zijn werk zal gaan. Alleszins zal het debat vandaag nog niet afgesloten zijn.

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

De heer Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Minister, het stelt mij gerust dat de toekomst voor de ggo’s niet vandaag stopt.

Ik wil even reageren op wat de heer Sanctorum zei. Ik heb in mijn betoog gezegd dat we voor een correct debat moeten gaan, met alle pro’s en contra’s. We moeten dus ook de kritische bemerkingen waarnaar u verwijst, in overweging nemen. Ik zeg net dat het geen emo, maar ratio moet zijn, op alle vlakken, pro’s en contra’s, en dat we dan een correcte discussie kunnen voeren, wat niet altijd het geval is.

De voorzitter

De heer De Croo heeft het woord.

De heer Herman De Croo (Open Vld)

Voorzitter, ik deel de opinie van de minister. Het ‘vergouwen’ – om een nieuw woord te gebruiken – van België op ggo-vlak herinnert mij aan het lawaai boven Brussel dat ook de drie gewesten aandoet. Ik vind het een beetje kinderachtig, met alle respect voor de lokale democratie. Is het nu Waals, Brussels of Vlaams? Er zijn een aantal dingen die we ofwel hypocriet zullen doen – en sommige politici zijn daarin gespecialiseerd – ofwel zullen we proberen een aantal zaken, niet te forceren, maar te beslissen. Als je de geschiedenis bekijkt van de veredeling in landbouw, tuinbouw enzovoort, zouden we wellicht nog in de situatie van Julius Caesar zitten, waar men in plaats van velden te irrigeren in Rome, omdat daarbij veel te veel water werd gebruikt, granen kweekte in Gallië en die met krakkemikkige karren over de Alpen naar Rome bracht, het oorspronkelijke vervoer van waterreserves. Er zijn limieten aan het retrogradisme dat wetenschappelijk niet gefundeerd is.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega’s, voor alle duidelijkheid zal ik de procedure nog eens herhalen. Er bestaat wat verwarring over wat de nieuwe richtlijn zal bepalen.

Op dit moment is er in Vlaanderen nog geen enkele ggo-toepassing waar echt mee geteeld wordt. Ik vind het belangrijk om dat te zeggen. Er is wetenschappelijk onderzoek, maar er is nog geen enkele ggo-plant die bij ons wordt geteeld. Ik vind het belangrijk dat te melden.

Wat zal er in de nieuwe richtlijn staan? Je kunt het als lidstaat doen, maar ook als regio in een lidstaat. Het kan dus ook apart. Je kunt voor twee soorten procedures kiezen. Je kunt, als er heel specifiek een aanvraag komt voor een ggo-teelt, als lidstaat of regio zeggen dat je het zult uitsluiten. Je kunt dat op die manier aanvragen bij Europa. Dat heeft als gevolg dat die teelttoelage niet voor heel Europa overal dezelfde is. Dat is dus een soort versnippering. Als lidstaat blijf je ook wel stemrecht hebben in het toelatingsdossier op zich. Dat is eigenaardig, maar goed.

De tweede mogelijkheid is dat je kiest voor specifiek één aanvraag voor een bepaalde teelt, maar dat je een globale weigering neerlegt bij de commissie, waarbij je dan globaal vraagt dat meerdere ggo’s worden verboden op je grondgebied. Je moet dat ook onderbouwen. Het kan gaan om milieubeleidsopties die je als lidstaat of regio neemt, ook socio-economische of landbouwkundige doelen. Die zaken moet je aanmelden bij Europa.

De verplichting om akkoord te gaan met je buurregio’s of buurlanden gaat enkel over het feit dat, als jij bijvoorbeeld ggo toelaat, maar je buur niet, je een akkoord moet afsluiten, onder elkaar moet afspreken welke afstandsregels er zijn en hoe je zult overeenkomen.

Maar stel dat Vlaanderen zegt dat het kan, maar evengoed Wallonië en Brussel, Frankrijk en Nederland, dan moeten we in principe geen akkoord afsluiten. Dan is het goed en kan het overal worden geteeld. Is er een verbod in Brussel, Wallonië en Frankrijk, dan moeten we onderhandelen en afspraken maken. Dat is in het kort hoe die nieuwe richtlijn in elkaar zal zitten.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Minister, u zegt dat als Brussel, Wallonië, Nederland en Frankrijk ggo’s toelaten, er geen akkoord moet worden gesloten. Maar dan zit je toch nog altijd met die verschillende afstandsregels?

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

De heer Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Het is inderdaad aan de gewesten om al dan niet toelating te geven. Als ik me niet vergis, heeft Brussel zich nu al uitgeroepen tot ggo-vrije zone. Wallonië zou eraan denken. Het gewest bepaalt of er ggo’s worden toegelaten, maar het is een federale bevoegdheid om de teelttoelating zelf te behandelen. Klopt dat?

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Groen)

Minister, u zegt dat u, wetenschappelijk gefundeerd, pleitbezorger bent van die co-existentie. Er moeten verschillende werkwijzen mogelijk zijn binnen Europa. Ik kan dat wel plaatsen. Er zullen inderdaad wel geografische verschillen bestaan die dat motiveren. Maar om dan te komen tot een regeling in Vlaanderen van 50 meter verschil en in Wallonië van 600 meter, dat lijkt me niet gebaseerd op een wetenschappelijk gefundeerd geografisch verschil. Zonder daar een wetenschappelijk expert in te zijn, denk ik dat de vork voor die afstandsregels voor een deel kan worden gereguleerd op Europees niveau. Daarbinnen kan dan een geografische marge worden toegepast. De verschillen die vandaag soms bestaan, zijn niet wetenschappelijk gefundeerd.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

De teelttoelage op zich wordt Europees geregeld maar het kan zijn dat die teelt niet op het volledige Europese grondgebied toegelaten is. De lidstaten kunnen die teelt verbieden.

Het is evident dat die co-existentieregeling helpt. Maar wanneer men naast een land of regio ligt die deze teelt verbiedt, dan moet men bijkomende afspraken maken om overlap of overslag van die ggo’s op dat land of die regio te vermijden. Dat is nu een bijkomende verplichting.

Mijnheer Sanctorum, dat verschil moet inderdaad wetenschappelijk verder worden onderbouwd maar wetenschappers zijn het niet altijd eens met elkaar. Dat is eigen aan wetenschap. Daarnaast is ook elke regio anders. Daar wordt rekening mee gehouden bij de uitwerking van maatregelen.

De voorzitter

De heer De Croo heeft het woord.

De heer Herman De Croo (Open Vld)

In de procedure die nu hangende is, wordt er een aanvraag ingediend voor een ggo-teelt die aan uw departement wordt gericht. U geeft die aanvraag door aan Europa, met een gunstig of ongunstig advies. Europa gaat na welke teelten in de buurt van de regio al dan niet al zijn geweigerd. Wanneer de teelt wordt toegelaten, dan volgt er een overleg. Indien niet, dan volgt er geen overleg. Wordt het elders toegelaten, dan is er ook geen overleg. Heb ik het zo goed begrepen?

Ik zal u de vier stappen die men moet zetten om een toelating te krijgen, bezorgen.

De voorzitter

Dat document zal aan de commissie worden bezorgd.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.