U bent hier

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ik ben geen habituee van deze commissie, minister, maar ik vond het nodig om te reageren op een situatie op het terrein in Mechelen en ongetwijfeld ook in verschillende andere steden en gemeenten. Het is een heel concrete vraag over een vonnis van de Mechelse vrederechter over de uithuiszetting van een Macedonisch gezin door de sociale huisvestingsmaatschappij Woonpunt.

Woonpunt Mechelen heeft de huurovereenkomst van asielzoekers die werden geschrapt uit het bevolkingsregister met verlies van verblijfsrecht gevorderd, omdat ze niet langer een domicilie op het verhuurde pand hadden. De motivatie was dat ze daardoor niet langer voldeden aan de voorwaarden voor een sociale woning, zoals bepaald in artikel 92 van de Vlaamse Wooncode. Deze situatie, oordeelt het vonnis, is echter niet te wijten aan een ongeoorloofde handeling van de huurders, maar aan een beslissing van de overheid, die niet in uitvoering van de wetgeving genomen is, maar op basis van een omzendbrief van de dienst Vreemdelingenzaken van 30 augustus 2013. Daarin vraagt de dienst Vreemdelingenzaken aan gemeenten om vreemdelingen af te voeren uit het bevolkingsregister – niet mijn woorden, het is iets anders dan een ambtshalve schrapping, hiermee wordt een nieuwe categorie ingevoerd – zodra de dienst Vreemdelingenzaken een negatieve verblijfsbeslissing neemt, ook als er nog eventueel een schorsend beroep is bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

De Mechelse rechter heeft gezegd dat de omzendbrief in de hiërarchie van de Belgische rechtsregels komt na de Grondwet, de wetgevende normen en de uitvoerende normen. Volgens de redenering van de vrederechter primeert de huurwetgeving in dezen. Het niet hebben van een domicilie op het adres van de hoofdverblijfplaats is geen ernstige of blijvende tekortkoming van de verplichtingen als sociale huurder. De familie werd dan ook ten onrechte verzocht om haar woning te verlaten.

De rechtbank was van oordeel dat de huurovereenkomst tussen de sociale huisvestingsmaatschappij Woonpunt Mechelen en de betrokken Macedonische familie, die sinds vijf jaar in ons land verblijft, perfect de taal spreekt, ingeburgerd is en contractueel steeds de verplichtingen als huurder was nagekomen, niet kon worden opgezegd. Bovendien hebben de huurders, zoals gezegd, nog een procedure lopen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Die uitspraak is nog niet gekend. “Het is niet geheel onwaarschijnlijk dat deze ook met positief gevolg kunnen aflopen zodat zij domicilie kunnen hebben op hun hoofdverblijfplaats”, stond in het vonnis. Het hangende beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft uiteraard een schorsende werking ten aanzien van het uitwijzingsbevel, wat betekent dat gedwongen uitvoering sowieso onmogelijk is.

Dit is een heel concreet geval, minister, van mensen die ik persoonlijk ken, en die inderdaad geïntegreerd zijn en perfect Nederlands spreken. Ongetwijfeld zullen er ook bij andere huisvestingsmaatschappijen op basis van dezelfde omzendbrief mensen in dezelfde situatie verkeren.

Minister, hebt u weet van gelijkaardige situaties, waarbij huurders bij een sociale huisvestingsmaatschappij worden verzocht om hun woning te verlaten, in navolging van de genoemde omzendbrief? Erkent de Vlaamse Regering de precedentswaarde van de juridische uitspraak van de vrederechter in Mechelen, die stelt dat het niet hebben van een domicilie op de plaats van de hoofdverblijfplaats niet te wijten is aan een ongeoorloofde handeling van de huurders maar aan een beslissing van de overheid? Gaat u als minister van Wonen de sociale huisvestingsmaatschappijen informeren over het feit dat de huurwetgeving in dezen primeert boven de omzendbrief? Dat zou veel huisvestingsmaatschappijen het leven en het werken gemakkelijker kunnen maken.

De heer Hendrickx heeft het woord.

De heer Marc Hendrickx (N-VA)

Ik wil waarschuwen dat we toch omzichtig moeten omspringen met individuele gevallen. U raakt enkele zaken aan, aan de hand van een concreet voorbeeld. Juridisch heb ik daar een beetje problemen mee, maar goed, ieder vult zijn vragen in zoals die zelf wil.

Met respect voor de scheiding van de machten wens ik toch ook te benadrukken dat de uitspraak van de rechter – ik ken de man persoonlijk – geen achterpoortjes mag openen om bijkomende rechten te proberen te verkrijgen. U verwijst zelf naar mensen in een gelijkaardige situatie. Sommige mensen wonen bijvoorbeeld bij op een illegale manier. Sommige mensen die officieel een huurcontract hebben voor een sociale woning, gaan toch nog illegalen huisvesten, met de beste bedoelingen waarschijnlijk wel. Het gevaar bestaat dat sommige mensen deze uitspraak gaan aanwenden om te proberen meer verblijfsrechten af te dwingen in een sociale woning, en dat moeten we toch te allen prijze vermijden.

Al bij al komt het er volgens mij op neer – en dat is federale materie – dat we moeten zien dat de onzekerheid die al te lang aansleept over verblijfsrechten en daaraan gekoppeld al dan niet een domicilierecht, beperkt blijft. De federale overheid werkt daaraan. We hopen snel meer duidelijkheid te hebben.

Minister Homans heeft het woord.

Dank u, mevrouw Gennez, voor de zeer interessante maar ook zeer complexe vraag. Het is inderdaad niet goed – maar u hebt dat ook niet uitvoerig gedaan, dus ik zie geen probleem – om in de commissie of in het openbaar in te gaan op concrete dossiers. U weet wat de belangrijkste voorwaarden zijn om in aanmerking te komen voor een sociale woning. Een van de voorwaarden in het kaderbesluit Sociale Huur is dat je op het moment van inschrijving en gedurende de hele periode van huur ingeschreven moet zijn in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister. U hebt verwezen naar een omzendbrief van 30 augustus 2013, die niet is verstuurd door de dienst Vreemdelingenzaken, maar door de voormalige minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw Milquet.

Die omzendbrief zorgt onmiddellijk voor een aantal problemen, die u hebt aangehaald. Ik erken die ook. U verwijst naar een concreet geval. Ik heb op mijn bureau ook verschillende beroepen liggen van andere huisvestingsmaatschappijen, waarover ik niet zal uitweiden, maar met gelijkaardige gevallen. Ze verwijzen naar een huurder die voldeed aan de toetredingsvoorwaarden, dus effectief was ingeschreven in het vreemdelingenregister, en in een procedure zat. De procedure is afgelopen, maar de huurder gaat onmiddellijk in beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het grote probleem is dat daar een vacuüm ontstaat voor de nieuwe verblijfskaart.

De omzendbrief bepaalt nu dat, zodra iemand het verblijfsrecht kwijt is – wat nog niet betekent dat die definitief het bevel heeft gekregen om het land te verlaten – de steden of gemeenten onmiddellijk moeten overgaan tot ambtelijke schrapping, op instructie dus van mevrouw Milquet. Dat zorgt voor problemen.

Ik heb recent staatssecretaris Francken van de Federale Regering gecontacteerd en gevraagd naar zijn visie over die omzendbrief. Hij heeft benadrukt – wat ook mijn mening is – dat deze omzendbrief niet boven het recht op wonen staat. Wij merken dat mensen die een procedure hebben afgerond en een uitspraak hebben gekregen, onmiddellijk in beroep gaan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Er wordt ook altijd een nieuwe verblijfskaart gegeven, weliswaar van korte duur. Toch blijf je met dat vacuüm zitten.

Door de omzendbrief moet een gemeente, stad of OCMW onmiddellijk overgaan tot ambtelijke schrapping. Dat zorgt inderdaad voor heel wat problemen voor mensen die bijvoorbeeld een sociale woning huren en die daar dan zouden moeten worden uitgezet, hoewel ze na een maand een nieuwe verblijfskaart krijgen en opnieuw recht hebben op een sociale woning. Zij kunnen dan niet gewoon zeggen dat ze weer rechtsgeldig in het land zijn. Dan moeten ze zich opnieuw inschrijven op de wachtlijst en kunnen ze niet onmiddellijk in een sociale woning, wat tot zeer onmenselijke situaties leidt.

Maar, collega’s, ik benadruk dat er verschillende situaties zijn. Voor iemand die bij aanvraag over geldige verblijfsdocumenten beschikt, ingeschreven is in het vreemdelingenregister en altijd braaf de huurdersverplichtingen is nagekomen, is er geen probleem. Maar als er een definitieve uitspraak komt en een definitief bevel om het grondgebied te verlaten, is het wel aan de huisvestingsmaatschappij om het huurcontract op te zeggen. Dat is logisch, denk ik.

Een ander voorbeeld is dat men in orde is bij de toewijzing van een sociale woning, dus ingeschreven in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister, maar dat er intussen iemand bij komt wonen die niet aan de voorwaarden voldoet. Dergelijke gevallen zijn er ook heel veel. De hoofdelijke huurder is dus in regel, maar hij geeft bijwoonst aan iemand die geen geldig verblijfsrecht heeft. Als dat na drie, vier, vijf jaar uitkomt, zijn er twee problemen. De persoon die bijwoont, heeft geen geldige verblijfsdocumenten, heeft alle procedures uitgeput en zal dus – voor de zoveelste keer – een bevel krijgen om het grondgebied te verlaten. Bovendien is de eigenlijke huurder zijn huurdersverplichtingen niet nagekomen, omdat die gedurende vele jaren illegale bijwoonst heeft getolereerd. Dan vind ik dat een sociale huisvestingsmaatschappij het recht heeft – en het staat ook zo in het kaderbesluit Sociale Huur – om tot echte actie over te gaan.

Uw concrete vraag over uw concreet probleem is niet enkel aan de orde in Mechelen. Er zijn in andere steden soortgelijke gevallen. Genk is trouwens redelijk recent in het nieuws geweest.

Ik ga de omzendbrief niet laten primeren op het recht op wonen, omdat er, zodra iemand in beroep gaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, onmiddellijk wordt overgegaan tot het afgeven van een zeer voorlopige verblijfstitel of wat dan ook. Ik ga de huisvestingsmaatschappijen dus aanraden om die mensen vooralsnog niet uit hun sociale woning te zetten. Maar ik ga ze natuurlijk ook wel vragen om zeer goed op te volgen wat de verblijfstitel van de betrokkene is in de toekomst. Dat is niet meer dan billijk, denk ik. Als iemand alle procedures heeft uitgeput en echt het land moet verlaten, mogen en kunnen wij niet meer bij machte zijn om een sociale woning aan de betrokkene te verhuren.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, minister, ik dank u. Ik denk dat u een wijze interpretatie van de rechtsregels en de hiërarchie van de normen hanteert. Ik meen ook dat het zinvol is dat u algemene informatie aan alle huisvestingsmaatschappijen overmaakt. Hoe sneller dat kan gebeuren, hoe beter. Ik neem aan dat ook het vonnis in Mechelen daar een rol in kan spelen en dat het precedentswaarde heeft.

Minister Homans heeft het woord.

Ik kan natuurlijk niets doen aan het al dan niet vernietigen van de bewuste omzendbrief, dat is mijn bevoegdheid niet. Ik kom nu natuurlijk constant in aanraking met zulke dossiers omdat de beroepen allemaal op mijn bureau terechtkomen. Als zulke beroepen in soortgelijke omstandigheden op mijn bureau terechtkomen, ben ik eerder geneigd om ze niet in te willigen.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Als u de informatie geeft aan alle huisvestingsmaatschappijen, is het dan ook de bedoeling dat u ze afraadt om in beroep te gaan? Ik kan me voorstellen dat men in beroep gaat tegen dergelijke vonnissen.

Het grote probleem zijn natuurlijk de bepalingen die heel duidelijk zijn, onder meer in het licht van het besluit Sociale Huur. Een sociale huisvestingsmaatschappij moet zich daar natuurlijk ook aan houden. De bepalingen zeggen dat men ingeschreven moet zijn in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister.

Nu is er een klein vacuüm gecreëerd door de omzendbrief die zegt dat onmiddellijk moet worden overgegaan tot een ambtelijke schrapping. Op het moment dat de betrokkene niet in het vreemdelingenregister is ingeschreven, moet de sociale huisvestingsmaatschappij in feite overgaan tot het opzeggen van het huurcontract. Dat is gewoon wettelijk zo bepaald. Ze moeten natuurlijk de geldende regels naleven.

Er is dan een vonnis. De betrokken huurders gaan dan meestal naar de toezichthouder. De toezichthouder doet dan een uitspraak en dan komt er eventueel een vonnis. En dan komt dat dossier al dan niet op mijn bureau terecht. Niet elke huisvestingsmaatschappij gaat in beroep tegen de beslissing van een toezichthouder of van een vrederechter. Er zijn er die dat doen. Eigenlijk hebben ze juridisch geen enkele poot om op te staan om het niet te doen. Ze zijn eigenlijk verplicht om het te doen.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ze zijn natuurlijk niet verplicht om een procedure in te leiden, zeker niet als u op basis van de hiërarchie van de normen zegt dat het woonrecht primeert op de omzendbrief. Dat lijkt me een duidelijke stelling en ook een duidelijke beleidsstelling: het is niet noodzakelijk dwingend om in beroep te gaan. Het is ook maar administratieve rompslomp en het zijn kosten voor een huisvestingsmaatschappij die misschien niet wenselijk zijn.

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Gennez, ik geef u gelijk, maar ze kunnen wettelijk gezien niet anders dan het doen. Maar ik denk ook wel dat, gelet op de beroepen die niet zullen worden ingewilligd in zulke zaken, veel sociale huisvestingsmaatschappijen zullen beslissen om nog eventjes te wachten omdat er op korte termijn wel een nieuwe verblijfstitel komt, al dan niet van korte duur. Ze hoeven deze procedure, die inderdaad ook kostelijk is, dan niet te doen. Hier ben ik redelijk van overtuigd.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ik dank de minister voor haar positieve antwoord.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.