U bent hier

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Minister, in oktober 2008 legde de toenmalige Vlaamse Regering een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) vast voor de Leievallei. Het plan bestrijkt de volledige loop van de rivier, van aan de Franse grens tot aan de monding in de Ringvaart om Gent. Het GRUP bakent 41,5 hectare natuur af in dat gebied. Het was een aanvulling op het GRUP afbakening regionaalstedelijk gebied Kortrijk. Bij dat Kortrijkse GRUP ging nogal wat open ruimte verloren, en dit werd gecompenseerd in het GRUP Leievallei.

In 2010 keurde de Vlaamse Regering ook het project ‘Rivierherstel Leie’ goed. Met dat plan wil de Vlaamse overheid tegen 2027 ongeveer 500 hectare natuur creëren in tien verschillende projectgebieden. Het gaat over het herstellen van oevers, meanders en het creëren van natte natuur, maar ook over recreatie en toegang voor de bevolking.

De uitvoering start vanuit Frankrijk en eindigt in 2027 met de inrichting van een laatste gebied in de streek van Deinze. Voor de landbouwsector wordt voorzien in flankerende maatregelen zoals een grondenbank met financiële stimuli, een wijkersregeling, een regeling voor wie grond verkoopt of het ter beschikking stellen van ruilgronden voor wie grond verliest. Waar de projecten nog geen groene bestemming hebben, worden de komende jaren daarvoor de nodige planologische inspanningen gedaan.

In de week van 18 november 2014 verscheen een vreemd bericht in de regionale krant. De burgemeester van een aan de Leie grenzende gemeente en tevens Kamerlid – en blijkbaar ook bevoegd voor de ontwikkeling van natuur en landbouwbeleid –, verklaarde dat de Vlaamse Regering die plannen voor natuurontwikkeling en -herstel serieus zou bijstellen. Dit past trouwens ook in het hele verhaal van Seine-Schelde-West waarvan ‘Rivierherstel Leie’ een onderdeel is. In plaats van 500 hectare zou slechts 300 hectare een groene invulling krijgen. Dit stond geagendeerd op de Vlaamse ministerraad van vrijdag 21 november, maar werd uitgesteld.

Minister, ik citeer uit een persbericht op uw eigen website ‘jokeschauvliege.be’ van 22 december 2010: “Het Rivierherstel Leie herstelt waardevolle landschappen en natuur en verhoogt bovendien de kans tot recreatie. Recreanten krijgen de kans deze unieke gebieden te verkennen vanaf de trekweg langs de Leie of vanuit de historische dorpen langs de oude loop. Met het Rivierherstel Leie realiseert de Vlaamse overheid ongeveer 500 hectare natuur in tien verschillende projectgebieden, alle gelegen tussen de Franse grens en Deinze.”

Ik citeer nu Jan Pauwels, uw woordvoerder, uit Het Nieuwsblad van 19 november 2014 waarin de betrokken burgemeester de 300 hectare aankondigt: “Daarom is bijsturen noodzakelijk. Minister Schauvliege streeft ernaar om 300 hectare prijs te geven aan de natuur.” Ik kan aannemen dat ‘prijsgeven’ als keuze van het werkwoord een daad is van de journalist en niet van uw woordvoerder. Zo niet, markeert het wel heel mooi een hiërarchie in het denken over het belang van hoe de ruimte wordt ingevuld. Als dit klopt, gaat deze beslissing diametraal in tegen het mooie principe van pacta sunt servanda, zeker wanneer je enig inzicht hebt in het totstandkomingsproces van het pact.

Ik wil de verzuchtingen van de landbouworganisaties best delen. Daarom is er voorzien in een grondenbank. De Vlaamse Landmaatschappij is op zoek naar vervangende landbouwgronden en legt de financiële regeling helemaal uit. Het project loopt en er zijn bewegingen mogelijk. Naast de grondenbank zijn er voor mij ook heel wat oplossingen mogelijk door middel van natuurverwevingsgebieden waarbij landbouwbedrijven in natuurgebied actief kunnen zijn met enige beperkende maatregelen bijvoorbeeld inzake bemesting. Voor de hardst getroffen landbouwers moeten vervangende gebieden worden gezocht. Ik pleit met andere woorden voor een humane en economische regeling die de landbouwsector niet treft.

Maar deze nogal brutale uitspraak van dat ene Kamerlid… Het gaat over iemand van uw partij, mijnheer Vandaele. Ik wend me tot u omdat u het natuurgeweten van de N-VA bent, maar er zijn blijkbaar ook mensen van die partij die graag hold-ups plegen op de natuur, in plaats van uw visie te ondersteunen.

De landbouworganisaties klagen het verdwijnen van de open ruimte aan – daar steun ik hen in – maar ik betreur ten zeerste dat ze zeer selectief op dit dossier ingaan en het ook als een voldongen feit in de kranten brengen. Dat irriteert me het meest. Het is een bevoegdheid van deze regering, waarover dit parlement vragen kan stellen. Ik vind het niet fijn om dat uit de mond van een Kamerlid te moeten lezen in de regionale kranten. Ik wist niet dat de verzuiling zo ver was geëvolueerd dat de Boerenbond ook al een voet in huis heeft bij de N-VA. Maar ja, de zaken evolueren, nietwaar, mijnheer Vandaele.

Minister, klopt het dat de Vlaamse Regering van plan is om 200 hectare minder groen in te kleuren langsheen de Leie als het project ‘Rivierherstel Leie’ inderdaad wordt onthoofd? Komt die vermindering op conto van het project of wordt er ook geraakt aan het GRUP Leievallei? Dat ligt ook al enkele jaren in het vuur.

Indien dat GRUP wordt geraakt, hoe verantwoordt u dan deze beslissing in de context van de andere GRUP’s die aan dit GRUP gelinkt zijn, onder andere dat regionaal stedelijk gebied? Wat is de relatie daarvan? Beseft u dat u daarmee raakt aan een teer evenwicht en een zorgvuldig onderhandeld compromis?

Ik heb ook nog in de meerderheid gezeten en heb die onderhandelingen over dat GRUP toen van heel nabij, tot op perceelsniveau, gevolgd. Voor de landbouwers in de regio zijn er inspanningen gedaan.

Het project ‘Rivierherstel Leie’ is amper vier jaar oud en zou nog lopen tot 2027. Wat maakt dat het zo nodig nu al moet worden herzien? Waarom is dat? Werd er al iets van de initiële plannen gerealiseerd? Welk overleg ging aan deze beslissing vooraf? Blijkbaar wordt er gepraat met de landbouworganisaties, maar wordt er ook overleg gepland met de natuurbewegingen? Hoever staat het in de procedure? Hoe concreet is al bepaald – de concrete vermindering van 500 naar 300 hectare – waar de natuurgebieden zouden worden geschrapt? Ik ben er me van bewust dat het om zoekgebieden gaat. Wordt het verlies aan natuurgebied in de Leievallei elders gecompenseerd?

De heer Vandaele heeft het woord.

Mijnheer Caron, u spreekt me uitdrukkelijk aan. Ik kan dan ook niet achterwege blijven. De vraag voor natuurherstel Leie past in het grote infrastructuurproject Seine-Schelde om de binnenvaart in Europa te verbeteren en vergemakkelijken. Het project van die 500 hectare is bij Europa aangemeld. Er zijn ook subsidies voor, 80 miljoen euro als ik me niet vergis. Er is een milieueffectenrapport klaar. Het zit ook al verankerd in een stroomgebiedbeheerplan dat momenteel in openbaar onderzoek is.

Het is uitermate belangrijk dat dit grote Seine-Scheldeproject kan plaatsvinden en dat de subsidies van Europa behouden blijven. De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) heeft de opdracht gekregen om een uitgebreid landbouweffectenrapport (LER) te maken voor elk deelgebied, en te zoeken naar ruilgronden voor de actieve landbouwers. Ik heb daar begin dit jaar een vraag over gesteld. Toen kwam het antwoord van minister Crevits dat alle LER’s waren afgerond en dat bijkomende maatregelen noodzakelijk bleken.

Mijnheer Caron, u maakt zich vrolijk over wat de burgemeesters annex Kamerleden in dit dossier verklaren. Twee weken geleden heeft de verantwoordelijke van de VLM op een vergadering van de klankbordgroep voor het project ‘Rivierherstel Leie’ in Gent verklaard dat die 500 hectare wordt teruggebracht naar 300 hectare. Alle aanwezigen – er waren nogal wat betrokkenen en burgemeesters – hebben dat daar vernomen, maar ze hebben er niet meer uitleg over gekregen, want die kon de verantwoordelijke van de VLM toen niet geven.

Wij vinden het belangrijk dat dit project kan plaatsvinden. We mogen het niet hypothekeren, ook met de subsidies die eraan vasthangen. We hebben natuurlijk ook oog voor de haalbaarheid en de eventuele invloed op andere sectoren, met name op de landbouw in de streek. De VLM zegt dat we 370 hectare natte natuur vrij gemakkelijk kunnen realiseren. Dat komt omdat er stukken zijn zonder beroepslandbouw, omdat er bedrijven staan die stilaan uitdoven, omdat sommige terreinen niet essentieel zijn voor de huiskavels.

Dat is het ergerlijke aan dit project: men is er al heel lang mee bezig. Tien jaar, als het niet meer is. Maar eigenlijk is er nog niets gerealiseerd. Je kunt je voorstellen dat we die 370 hectare, waarvan de VLM zegt dat die gemakkelijk te realiseren is, in de eerste plaats realiseren. Waarschijnlijk is het ook niet nodig dat alle gebieden meteen als natuurgebied worden ingevuld. Die taakstelling kan men op een genuanceerde manier uitvoeren. Er zijn waarschijnlijk verschillende manieren om dat te doen.

In timing kunnen we misschien faseren, rekening houdend met het feit dat die landbouwbedrijven soms oude bedrijfsleiders hebben zonder opvolging. We kunnen ook kijken of we die projectgebieden niet kunnen verfijnen. Misschien kunnen we de zoekzones langs de Leie verruimen. Waarschijnlijk zijn er gebieden die minder impact hebben op de landbouw en zo gemakkelijker aan te snijden zijn om aan natuurherstel te doen.

Zelfs vanuit de milieubeweging worden er alternatieven aangereikt om aan een voldoende grote oppervlakte te geraken. Ons idee is: breng het project niet in gevaar. Binnenkort moet er een tussentijdse rapportage gebeuren aan Europa. Waarschijnlijk zal minister Weyts dat doen. Om dat niet in gevaar te brengen, zeggen wij: doe dat maar, dat natuurherstel, begin er vooral aan, doe wat nu mogelijk is en kijk of we kunnen nuanceren door de zoekzones te verruimen en zodanig te faseren dat je die landbouwbedrijven niet al te zwaar onder druk zet.

De heer Dochy heeft het woord.

Ik was onder de indruk van het betoog van de heer Caron. Hij gaat ervan uit dat het project ‘Rivierherstel Leie’ een goed maatschappelijk gedragen visie is. In het verleden, meer bepaald op 26 oktober 2013, hebben de lokale besturen een duidelijk signaal gegeven dat dat maatschappelijk draagvlak voor dat element, in elk geval voor die zo ruime natuurcompensatie, ontbreekt. Het gaat hier niet om een Europese verplichting, het gaat niet om een Europees habitatgebied, dat heeft er allemaal niets mee te maken. Die compensatie moet misschien als glijmiddel dienen om het project Seine-Schelde gemakkelijker bij Europa verkocht te krijgen, maar het is geen officiële compensatievraag van deze kant.

Ik herinner me de tijd dat u in de meerderheid zat, mijnheer Caron. Toen hebben we nog samen een landbouwer bezocht in Wevelgem. Dankzij uw tussenkomst heeft hij wellicht garanties gekregen in het toen opgestelde GRUP. Wanneer het project ‘Rivierherstel Leie’ naar boven is gekomen, zou hij meteen 30 hectare van zijn huiskavel verliezen. Met welke garantie kun je dan als landbouwer nog exploiteren? Het ene jaar krijg je de garantie dat je mag blijven, dat je gespaard blijft van de toenmalige VEN-inkleuring, en drie jaar later word je geconfronteerd met een project dat je volledige bedrijf onderuit haalt.

Minister, ik betreur dat het LER is opgesteld nadat de beslissing in 2010 is genomen met betrekking tot het aantal hectaren binnen een zeer beperkte vork. Hebt u kennis van alle elementen van het door de VLM opgestelde LER? In welke mate zult u daarmee kunnen werken om heel wat leefbare bedrijven in de Leievallei ook leefbaar te houden?

Als er een aantal hectaren gereserveerd moeten worden, is het belangrijk dat daar een flankerend beleid tegenover staat om in die gebieden tot leefbare landbouw te kunnen komen. Minister, hebt u vandaag een goed overzicht van de financiële en sociaal-economische impact? Kunnen de nodige instrumenten worden ingezet?

In welke mate worden hier Europese instandhoudingsdoelstellingen (IHD's) mee bereikt? Ik heb van de heer Dochy begrepen dat dat in dit dossier mogelijk niet het geval is, terwijl de focus van het Vlaamse natuurbeleid toch heel sterk op IHD ligt. Wordt dat ook meegenomen? In welke mate kunnen de doelen in dit gebied drukverlichtend werken? We weten immers uit de discussie en de hoorzitting dat daar een zeer zware taakstelling ligt.

Mijnheer Vandaele, u zegt dat de burgemeesters te horen hebben gekregen dat het over 300 hectare gaat, maar dat ze niet meer uitleg hebben gekregen. Zegt u nu dat het de vraag van de burgemeesters is om meer dan die 300 hectare te plannen? Ik had het omgekeerd begrepen.

Ik geloof niet dat die vraag van de burgemeesters doorslaggevend is.

Nee nee, maar ik geloof dat u zei dat de burgemeesters verder geen uitleg hebben gekregen over die 300 hectare. Hebt u signalen dat er lokaal een ruimere vraag is? Ik ben daarin geïnteresseerd omdat ik het lokale draagvlak en een gedragen visie heel belangrijk vind.

Minister Joke Schauvliege heeft het woord.

Collega’s, een uitvoerige vraag noopt tot een uitvoerig antwoord. Ik zal dat ook geven, en even terugkeren in de tijd.

Er is al een paar keer verwezen naar de beslissing van december 2010. De Vlaamse Regering heeft toen beslist het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) de opdracht te geven tot uitvoering van de maatregelen, met inbegrip van de daartoe noodzakelijke studies, voor de ontwikkeling van 500 hectare watergebonden, terrestrische natuur. Verder heeft de Vlaamse Regering toen de opdracht gegeven aan de VLM om voor de deelgebieden, waarvan de bestemming reeds is vastgelegd door een ruimtelijk uitvoeringsplan, een landbouweffectenrapport op te maken. Ook voor de overige deelgebieden moest een LER worden opgesteld.

Bij brief van 19 maart 2014, heel recent dus, hebben de Vlaamse ministers, bevoegd voor de openbare werken en voor de landinrichting en het natuurbehoud, het afdelingshoofd van de VLM Regio West, de heer Roland Vancauwenberghe, aangesteld tot bijzonder coördinator om in overleg met de projectcoördinator Seine-Schelde en met de verschillende administraties, een voorstel uit te werken. Het probleem bij zulke projecten is dat er verschillende diensten bij betrokken zijn, namelijk Waterwegen en Zeekanaal, het ANB, de VLM en het beleidsdomein Landbouw en Visserij. Al die actoren moeten rond de tafel zitten. Daarom werd er een coördinator aangesteld. Hij had de opdracht om te bekijken hoe er een oplossing kon worden gevonden om het maatschappelijk draagvlak te vergroten.

Deze coördinator heeft zijn taak heel ernstig genomen en heel veel overleg gepleegd. Hij heeft overleg gehad met de stakeholders, zowel de natuurorganisaties als de landbouworganisaties: twee keer in maart, één keer in juni, één keer in juli, twee keer in augustus en één keer in september. Hij heeft ook overleg gepleegd met de task force: twee keer in april en één keer in juni. Er was ook verschillende keren overleg met de ministers bevoegd voor de openbare werken, de landinrichting en het natuurbehoud. Met de betrokken gemeenten was er overleg op 18 en 30 juni 2014. Met de klankbordgroep was er overleg op 10 juli en 14 november 2014. Er is dus heel veel overleg geweest om ervoor te zorgen dat het draagvlak voor dit project in kaart werd gebracht.

Er was ook opdracht gegeven voor een landbouweffectenrapportage. Wat zijn daarvan de resultaten? De gronden in de tien projectgebieden worden op dit moment grotendeels door landbouwers gebruikt. De tien LER’s, die het effect beschrijven op landbouw bij onttrekking van gronden, zijn afgewerkt door de Vlaamse Landmaatschappij. Naast oriënterend cijfermateriaal gaat het ook over een beschrijving van de effecten van de grondonttrekking en de mogelijke remediërende maatregelen.

Het samenvattend verslag levert de volgende bevindingen op. In de tien projectgebieden zijn 125 landbouwbedrijven betrokken met 510 hectare landbouwgrond. Dat is 73 procent van het totaal areaal dat 701 hectare omvat. De eerste vijf deelgebieden omvatten grotendeels groene bestemmingen met VEN-overdruk (Vlaams Ecologisch Netwerk). Voor de eerste vier deelgebieden is dit het resultaat van het ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) dat in 2008 werd goedgekeurd. Met dit RUP werden bijna alle gronden die op het gewestplan een agrarische bestemming hadden, gewijzigd naar een groene bestemming. De laatste vijf deelgebieden hebben grotendeels nog steeds een agrarische bestemming. Deze deelgebieden werden nog niet onderworpen aan een RUP. Er is wel een AGNAS-RUP (Afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur) gepland. De conclusies van de LER’s zullen onder meer als insteek dienen bij de opmaak van dit AGNAS-RUP.

Wat is het resultaat op het vlak van de bodemgeschiktheid? Gemiddeld is 76 procent van de totale oppervlakte geschikt voor landbouwdoeleinden. Gemiddeld is 63 procent van de totale oppervlakte, die rest van de oppervlakte die afgebakend is in de ecohydrologische studie, uitgevoerd door Ecorem nv, na aftrek van open water, bebouwing, wegen enzovoort, geschikt voor de ontwikkeling van natte terrestrische natuur.

De landbouweconomische huiskavels beslaan 211 hectare. Dat is 41 procent van de totale oppervlakte. Van de 211 hectare behoort 150 hectare toe aan bedrijven die zwaar getroffen zijn. De landbouweconomische huiskavels behoren toe aan 38 bedrijven, waarvan er 11 met hun bedrijfszetel in de projectgebieden gelegen zijn en 27 met hun bedrijfszetel net buiten de projectgebieden.

Het verlies van een landbouweconomische huiskavel is zeer ingrijpend, omdat de huiskavel bijdraagt tot kostenbesparing en tot een betere opvolging van dieren en teelten. De meerderheid van de gronden is niet in eigendom, maar in pacht, wat de mogelijkheid om ruilgronden via de lokale grondenbanken te vinden, bemoeilijkt.

De aanwezige landbouw is uitgesproken dynamisch en grondgebonden. 60 procent van de 125 landbouwbedrijven heeft een grote tot zeer grote economische productieomvang; 23 procent heeft een matige productieomvang en 17 procent heeft een kleine tot zeer kleine productieomvang. 15 procent van de landbouwers is niet-beroepslandbouwer. 75 procent van de landbouwers is jonger dan 50 jaar of heeft een opvolger. 65 procent van de landbouwers heeft recent een overname gedaan of de laatste vijf jaar geïnvesteerd in het bedrijf.

Wat is de grondgebondenheid, op basis van mest-, ruwvoeder- en landbouwpremiebalans? 77 procent van de bedrijven heeft momenteel een grondbalans in evenwicht – 45 procent – of met een tekort – 32 procent. Dat betekent dat grondinname een behoorlijke impact heeft op de leefbaarheid van die bedrijven. De effecten op de bedrijven zijn in kaart gebracht, rekening houdend met absolute grondinbreng, relatieve grondinbreng, landbouweconomische huiskavel en beroepsmatigheid van de landbouw.

Bij de beroepslandbouwers worden vier klassen onderscheiden. Alle landbouwers werden bevraagd. Bij een eerste klasse is er een zeer groot effect: 16 bedrijven met 194 hectare, 38 procent van de totale oppervlakte. Effecten remediëren met ruilgronden of financiële vergoedingen, is hier zeer moeilijk, zodat veelal een totaaloplossing nodig is. Bij een tweede klasse is er een groot effect: 12 bedrijven met 75 hectare, 15 procent van de totale oppervlakte. Als remediërende maatregel is ruilgrond mogelijk, tenzij het huiskavelpercelen betreft. Bij een derde klasse is er een matig effect: 16 bedrijven met 76 hectare, 15 procent van de totale oppervlakte. Als remediërende maatregel is ruilgrond of financiële vergoeding mogelijk. Ten slotte is er een klasse waarbij het effect klein blijft: 62 bedrijven met 94 hectare, 18 procent van de totale oppervlakte. Als remediërende maatregel is ruilgrond of een financiële vergoeding mogelijk.

Wat is het effect bij de niet-beroepslandbouw? Het gaat om 19 bedrijven met 71 hectare, 14 procent van de totale oppervlakte. Als remediërende maatregel is ruilgrond of financiële vergoeding mogelijk.

De LER’s tonen aan dat de landbouwimpact van de geplande grondonttrekking in de tien projectgebieden zeer groot is en alvast vele malen groter dan aanvankelijk ingeschat op basis van een in 2006 en 2007 uitgevoerde desktop landbouwgevoeligheidsanalyse. Dat heeft als gevolg dat de haalbaarheid van de geplande grondonttrekking, met koppeling aan het binnenvaartdossier, bijsturing vereist, onder meer op het vlak van timing, fasering, budgettering en financiële stimuli. Vooral voor de beroepslandbouw met een zeer groot effect, waar remediëren nagenoeg onmogelijk is, alsook voor beroepslandbouw met een groot effect, waar remediëren ook niet evident is, is een oplossing nodig.

Op 12 november 2014 heeft de heer Roland Vancauwenberghe, de coördinator, verslag uitgebracht van de tot dan toe verrichte werkzaamheden. Hij heeft het landbouweffectenrapport toegelicht. Wat zijn de verschillende uitgangspunten? Niet inzetten op niet-beroepsmatige bedrijven, die hun hoofdinkomen niet uit de landbouwactiviteiten op hun site genereren; niet inzetten op landbouwbedrijven die in beperkte mate betrokken zijn, met minder dan 2 getroffen hectare; inzetten op beroepsmatige landbouwbedrijven met een jonge bedrijfsleider, die op het moment van de landbouwenquête 50 jaar of jonger is; zoeken naar een oplossing op maat voor landbouwbedrijven met een deel van de landbouweconomische huiskavel in de deelgebieden; faseren van de uitvoering in de tijd op basis van de pensioenleeftijd van de bedrijfsleider en ervoor zorgen dat de timing daaraan wordt aangepast en, ten slotte, de zuidelijke gebieden anders benaderen dan de noordelijke gebieden.

Wat zijn de uitgangspunten op het vlak van natuur? Komen tot een ruime interpretatie van het begrip natuur door de overgangsgronden die op zich drogere natuurvormen bevatten, te laten meetellen. Overgangsgronden zijn heel waardevol aangezien een gradiënt gecreëerd wordt van de natte kern naar de drogere landbouwomgeving. Het meetellen van deze overgangsgronden is helemaal conform het plan-MER dat werd opgesteld.

Een tweede uitgangspunt is het meetellen van de bruto-oppervlakte. De bruto-oppervlakte is ruimer dan de bij de administratie Landbouw en Visserij geregistreerde oppervlakte van de landbouwpercelen. Het gaat om de geregistreerde oppervlakte van de landbouwpercelen, maar ook de niet-geregistreerde oppervlakte tussen de landbouwpercelen. Een ander uitgangspunt is het creëren van aaneengesloten, beheerbare gebieden, waarbij een minimale oppervlakte van ongeveer 20 hectare wordt vooropgesteld.

De oefening werd uitgevoerd in drie stappen: het verfijnen van de oorspronkelijke perimeter tot de mogelijk in te richten gronden voor natuur; het bepalen van de ligging van de landbouweconomische huiskavel in de deelgebieden bij leefbare bedrijven met jonge bedrijfsleiders en het verdelen van de overblijvende gronden en bepalen onder welke voorwaarden die gronden dienstig kunnen zijn voor de realisatie van natuur.

De drie stappen zijn doorlopen en leveren het volgende resultaat op. De totale oppervlakte van de tien deelgebieden bedraagt 701 hectare, inclusief open water.

In een eerste stap worden gronden uit de deelgebieden geweerd waar inrichting tot natuur onmogelijk is. Het gaat bijvoorbeeld over bebouwde gronden, gronden in woongebied en verharde jaagpaden. De oppervlakte waarmee de perimeter inkrimpt in stap één, bedraagt 41 hectare.

In een tweede stap werden de landbouweconomische huiskavels in de deelgebieden bij leefbare bedrijven met een jonge bedrijfsleider uit de perimeter geknipt, ervoor zorgend dat ze nog steeds verder kunnen functioneren. De oppervlakte waarmee de perimeter daardoor inkrimpt, bedraagt 63 hectare. Tezelfdertijd werd de oppervlakte, essentieel voor de leefbaarheid van bedrijven met een jonge bedrijfsleider, bepaald. Het gaat hier over 172 hectare. Die gronden worden niet uit de perimeters geknipt, maar kunnen op andere plaatsen buiten de perimeters worden gecompenseerd.

Er zijn dus verschillende stappen gezet. Na stap één en stap twee rest van de oorspronkelijke oppervlakte een zogenaamd verfijnde oppervlakte van 425 hectare. Deze gronden komen na inachtname van de uitgangspunten van landbouw en natuur potentieel in aanmerking voor de invulling van natuur in de tien deelgebieden.

In stap drie wordt de verfijnde oppervlakte verder verdeeld. Zo werd bepaald dat 34 hectare van de oppervlakte in de deelgebieden om open water van de meanders gaat. De andere gronden, aangeduid als gecorrigeerde oppervlakte, werden deels geregistreerd door landbouwers. De voorgestelde maatregelen voor niet-beroepsmatige bedrijven, gepensioneerde bedrijfsleiders of bedrijven betrokken met beperkte oppervlakte, zijn vrijwillig verwerven en vanaf een bepaalde datum onteigenen. Het gaat over 203 hectare te verwerven gronden.

Het deel van de gecorrigeerde oppervlakte dat niet behoort tot de oppervlakte landbouwgebruik, aangeduid als versnipperde restgronden, bedraagt 188 hectare en ligt verspreid in de tien deelgebieden. Het gaat enerzijds om gronden in eigendom van de overheid, ongeveer 112 hectare, vooral van ANB en W&Z. In sommige gevallen zijn die gronden nog in gebruik van landbouwers met een overeenkomst tot beëindiging van het gebruik. Het restant van die restgronden bedraagt 76 hectare. Het gaat over wegen, grachtjes en bosjes, met een betrekkelijk grote oppervlakte. Die restgronden situeren zich ook tussen de 172 hectare gronden van jonge bedrijfsleiders.

De bijzondere coördinator is tot een aantal conclusies gekomen. Het vinden van 172 hectare ruilgrond is in de regio onmogelijk. Het ernstig beknotten van de leefbaarheid en de toekomst van een aantal bedrijven is problematisch. Het aanhouden van de uiterste uitvoeringsdatum van 2027 is onrealistisch, aangezien er veel gronden dienen te worden aangekocht op een relatief beperkte tijdspanne en aangezien het onzeker is welk budget beschikbaar is. Het tijdig en deelgebiedgewijs verwerven van de gronden, en indien nodig onteigenen, vraagt veel tijd. De 112 hectare overheidsgronden liggen versnipperd en erg verspreid. De leeftijd van de landbouwers in functie van de uitdoofscenario’s ligt moeilijk. Het risico van een ongelijke behandeling van landbouwers en eigenaars is reëel. De communicatie naar de landbouw, na de beslissing van de Vlaamse Regering, over het al dan niet innemen van gronden voor natuur, het uitdovend landbouwgebruik en het ogenblik van onteigening, is bijzonder complex.

Op basis van deze studies, de LER’s en de bevindingen van de bijzondere coördinator blijkt het aangewezen om de timing en de fasering aan te passen en de oppervlakte voor natte ecotopen te herbekijken en na te gaan hoe de ongeveer 200 hectare beroepslandbouw met zeer groot effect kan worden gevrijwaard.

Dat was de reden waarom in 2010 het LER gevraagd werd. Nu worden we geconfronteerd met de conclusies. Het is op basis daarvan dat de nieuwe beslissing zal moeten worden genomen. We moeten bekijken hoe het in de praktijk kan worden uitgevoerd.

Ondertussen werden we ook door meerdere burgemeesters van allerlei partijkleuren aangeschreven met de vraag om de 200 hectaren, en zelfs nog meer, niet in te nemen voor natuur. Ik neem er akte van. Ik kan eruit afleiden dat het lokale draagvlak bijzonder klein is, daar moeten we vanuit de Vlaamse Regering zeker ook rekening mee houden. Op het terrein moeten we dit op een haalbare, aanvaardbare en betaalbare manier uitvoeren.

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Minister, het is natuurlijk een nadeel dat we als een relatief kleine partij niet betrokken worden in klankbordgroepen, dat we geen burgemeesters naar VLM-werkgroepen kunnen sturen. De achtergrondinformatie is me daardoor niet bekend.

Ik dank u niettemin voor de heel uitvoerige uitleg en toelichting. Ik geef u een eerste reactie, want het is heel complexe materie. Ik heb zo goed mogelijk proberen te volgen en op te schrijven wat u allemaal zei, maar de cijfers kwamen zo snel dat het niet altijd mogelijk was.

Mijn eerste conclusie luidt dat het engagement dat in 2010 werd genomen, lichtzinnig was. Ik kan niets anders zeggen als ik de cijfers hoor over de leefbaarheid van de landbouwbedrijven. De Vlaamse Regering heeft toen een ernstige fout gemaakt, zowel op het vlak van de timing, als op het vlak van de perimeter, als op het vlak van de haalbaarheid. Ik heb er begrip voor dat leefbare landbouwbedrijven ook leefbaar moeten blijven in de toekomst. In die zin kan ik de keuze begrijpen.

Ik kan natuurlijk ook aftrekken en optellen. De kern van de afspraak, van het toenmalige akkoord is 500 hectare. Als het daar niet kan, dan moet de Vlaamse Regering op een andere plek in de regio een compenserende oefening maken. Ik kan er begrip voor opbrengen dat het daar niet kan, zeker voor de 200 hectaren die genoemd werden. Dit moet worden bekeken in de brede regio, het gaat over twee grote provincies.

We hebben afspraken gemaakt over de afbakening van natuurgebied en van landbouwgebied. Ook wij staan achter AGNAS. Voor de invulling van natuurgebieden hebben we een veel grotere achterstand dan voor de invulling van landbouw. We moeten de afspraken zeker respecteren. Ik pleit ervoor om dat te doen.

Ik kan ook steunen dat u de timing herbekijkt en ik kan begrijpen dat u op een langere termijn een aantal stappen zet. Dat is in het belang van de betrokken landbouwers, zeker van degenen met een huiskavel, en van de kleinere bedrijven. Ik kan dat steunen.

Ik blijf echter met een wrang gevoel zitten na dit alles te horen. Ik zou oneerbiedig kunnen zeggen dat het in 2010 aankondigingspolitiek was. Dingen werden beloofd die achteraf totaal onhaalbaar blijken. Ik doe hiermee niets af van de studie van de bijzondere coördinator en de overlegmomenten. Ik zal ook informeren bij de natuurverenigingen naar hun standpunt en vragen of ze betrokken waren bij het overleg.

Ik ben in elk geval verrast. Ik vat samen. Eén, ik kan respect opbrengen voor de bedrijven waarvan de leefbaarheid in het gedrang is. Ik kan niet voor elk bedrijf zeggen of de huiskavel al dan niet verantwoord is, ik zal me dus ook op het rapport baseren. Twee, ik denk dat we de timing moeten bijwerken. Drie, ik denk dat er een afspraak moet zijn over de afbakening van het natuurgebied en daarom moeten minstens de 200 hectaren die daar verloren gaan, op een andere plek gecompenseerd worden.

Minister, ik zal uw cijfers en uw uitgebreid antwoord nog eens grondig bekijken en me verder informeren.

De heer Vandaele heeft het woord.

Voorzitter, minister, ook ik dank u voor uw heel omstandige antwoord met veel cijfers. We zullen het nog eens moeten herlezen in het verslag.

Mijnheer Dochy, u zegt dat er geen Europese verplichting is omdat we niet in Habitatrichtlijngebied zitten. Dat is wel zo, maar ik heb daarnet al opgemerkt dat de 500 hectaren wel degelijk verankerd zitten in een plan-MER. Volgens mijn informatie is het niet mogelijk om daarop terug te komen zonder dat het hele project van het trans-Europees transportnetwerk, het Seine-Scheldeproject en de daaraan vasthangende 80 miljoen euro aan subsidies, in het gedrang komt.

Ik herhaal dat we zeker begrip hebben voor de landbouw en voor de bezorgdheid die de geciteerde burgemeester heeft willen ventileren. We denken dat er oplossingen mogelijk zijn door te spreiden in de tijd, door de zoekzones te verruimen en door snel iets te doen. Dat laatste is belangrijk opdat Europa ziet dat we iets doen, dat we niet blijven stilzitten.

Minister, ik stel voor om eerst de 370 hectare uit te voeren waarvan de VLM zegt dat ze makkelijk haalbaar zijn. We kunnen inzetten op de vier deelgebieden in het GRUP Leievallei en daarnaast alternatieven zoeken buiten de tien aangeduide zones. Dan kunnen we misschien zonder kleerscheuren uit dit avontuur geraken.

De heer Dochy heeft het woord.

Voorzitter, minister, ik denk niet dat het een schande is om een fout te maken, het zou pas een schande zijn om een fout niet te erkennen. Uiteindelijk is het belangrijk om hier lessen uit te trekken. Dit dossier heeft heel veel ongerustheid teweeggebracht bij heel veel landbouwers, bij heel wat jonge gezinnen, bij heel wat leefbare bedrijven in de regio. Het zou logisch en beter zijn om voorafgaand aan dergelijke projecten te zorgen voor een gegrond LER. Dat is beter dan achteraf te moeten vaststellen dat het bijna onmogelijk is om dergelijke zaken te realiseren.

Mijnheer Caron, ik denk dat ik op een van de overlegmomenten aangaande dit dossier wel de schepen van Groen van Kuurne heb gezien. U hebt misschien geen burgemeesters, maar toch mandatarissen in de regio. Ook zij zijn op de hoogte van wat hier gebeurd is.

Het zou heel wijs zijn indien de Vlaamse Regering in de toekomst de middelen die beschikbaar kunnen worden gesteld om aan natuur- en milieubeleid te doen, en vooral die voor natuurbeleid, te focussen op de instandhoudingsdoelstellingen. Mensen die hier vorige week de hoorzitting hebben bijgewoond over de IHD, beseffen goed dat daar heel veel middelen voor nodig zullen zijn. Dat is wel een Europese verplichting in tegenstelling tot dit dossier.

Minister Schauvliege heeft het woord.

Voor de duidelijkheid wil ik opmerken dat het fout is om te stellen dat er in 2010 iets misgegaan is of dat er toen een foute beslissing werd genomen. Ik daag u uit om de beslissing van 2010 goed te lezen. Het gaat over een richtcijfer van 500 hectare. Er staat bij dat het Agentschap voor Natuur en Bos het gaat onderzoeken, zal bekijken of het haalbaar is en of het kan worden gerealiseerd. Er staat ook heel uitdrukkelijk bij dat ook een LER zal worden opgemaakt om te bekijken of het verzoenbaar is met de landbouw ter plaatse.

Wat gebeurt, is volledig conform de beslissing van 2010. Op basis van dat LER moeten we nu de juiste conclusies trekken. Dat ligt volledig in lijn van de beslissing die in 2010 werd genomen. Natuurlijk moet ook het LER serieus worden genomen. Op basis daarvan moeten we de nodige juiste beslissingen nemen. Dat is de enige juiste weg. Het is de weg die we bewandelen. Het zou nogal gek zijn om een LER te bestellen, er mensen en middelen voor in te zetten en dan, als de conclusie er is, te zeggen dat we het weggooien, dat we iets anders beslissen. In dat geval was het beter geweest inden we in 2010 gewoon hadden beslist dat het de 500 hectare waren en dat we die koste wat het kost zouden uitvoeren. We hebben dat niet gedaan, we hebben toen met de Vlaamse Regering afgesproken om het LER op te maken en om er op een ernstige manier mee om te gaan.

Ik stel vast dat de conclusie ervan nu is dat het niet kan, niet gaat en niet lukt zonder dat we heel veel landbouwers in de problemen duwen. We moeten daar dus de nodige conclusies aan koppelen. We moeten binnen de Vlaamse Regering zoeken naar een manier om op het terrein aan de landbouwers de kans te geven om hun activiteiten voort te zetten. Aan de andere kant moeten we bekijken hoe we watergebonden terrestrische natuur kunnen realiseren op het terrein zonder dat beide in conflict met elkaar komen.

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Mijnheer Dochy, het is niet omdat iets niet wordt verplicht door Europa dat we het niet moeten doen. Ik weet ook wel dat u geen groot liefhebber van ‘gold-plating’ bent, maar verdorie, over de afbakening van natuurgebied bestaan ook politieke afspraken en engagementen. Dat ritme wordt absoluut niet gevolgd in verhouding tot de afbakening van landbouwgebied.

Ik doe hiermee niets af over de andere opmerking over leefbare landbouw. In verband met de afbakeningen kunt u ook naar de MER verwijzen die de heer Vandaele aanhaalde. Ook die heeft kracht van wet. Die is ook bindend. Soms moet er politiek worden afgewogen. Wie heeft een fout gemaakt? Ik laat het in het midden.

Minister, is het streefdoel nu 370 hectare van wat de VLM ‘te realiseren oppervlakte’ noemt? Is dat het cijfer dat u in de loop van een lange periode wilt bereiken?

Bent u van plan om aan de regering voorstellen te doen om 130 hectare op andere plekken te compenseren? 

Minister Schauvliege heeft het woord.

De conclusies van de coördinator zijn er en het LER is er. Wij gaan daarmee nu terug naar de regering en we zullen daar een beslissing nemen. Ik kan hier niet zeggen wat het wordt. We zullen het afwegen.

Ik wil nog eens benadrukken dat het niet om IHD’s gaat.

Ik wil ook meegeven dat een plan-MER iets aangeeft, maar niet te nemen of te laten is. Een plan-MER stelt ons perfect in staat om er mits een aantal goed gemotiveerde maatregelen van af te wijken. Een plan-MER is geen directieve die aan het beleid oplegt wat wel en wat niet kan gebeuren, het is een richting die aangegeven wordt en waarmee het beleid aan de slag moet gaan en voldoende moet motiveren waarom dat MER al dan niet gevolgd wordt.

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Minister, ik kijk uit naar het vervolg. Ik zou u nog kunnen vragen wanneer u dit wilt agenderen op de Vlaamse Regering.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.