U bent hier

De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers (N-VA)

Voorzitter, minister, collega’s, onlangs heeft de Koning Boudewijnstichting op haar webstek de belangrijkste conclusies van het rapport ‘Moslims en niet-moslims in Brussel: tussen spanningen en wederzijdse aanpassingen’ gepubliceerd. Het betreft een studie over de relaties en de wederzijdse kijk tussen moslims en niet-moslims in Brussel. Het onderzoek richtte zich “in het bijzonder op de relaties in scholen, bedrijven en verenigingen, maar ook op het intermenselijke vlak. De resultaten wijzen op de moeilijkheden om vreedzame relaties op te bouwen, en op het wederzijds gevoel van onbehagen.”

Een van de belangrijkste conclusies vormt het feit dat “ondanks de wettelijke regelingen en het belangrijke werk in de samenleving zelf om de wederzijdse aanpassingen aan te brengen, er nog altijd heel wat onderhuidse spanningen zijn die eventueel te maken hebben met (denkbeeldige) fobieën of met min of meer aanvaarde ideologische standpunten.” Er is dus nog veel werk aan de winkel, langs beide kanten.

Minister, in de vorige legislatuur heb ik uw voorganger, Pascal Smet, enkele vragen gesteld over de religieuze oversocialisering bij moslimjongeren in Brussel en het beleid daaromtrent in samenwerking met de andere betrokken overheden. Dat was naar aanleiding van een studie van de Université catholique de Louvain (UCL) over de moslimbevolking in onze hoofdstad. Daaruit bleek onder meer dat het salafisme moslims isoleert van andere moslims en van niet-moslims. Uw voorganger zag vooral sport en onderwijs als mogelijke antwoorden op religieus extremisme en wees het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een belangrijke regierol toe in deze problematiek.

Minister, hoe staat u tegenover de bevindingen van dit rapport? Welke aanbevelingen vormen voorwerp van eventueel nieuw beleid? Welke rol wilt u spelen in het bestrijden van religieus extremisme bij Brusselse jongeren? Ziet u bijvoorbeeld ook een belangrijke regierol voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest? Hebt u al overleg gepland met de andere betrokken ministers? Beschouwt u het aanstellen van radicaliseringsambtenaren in de Brusselse gemeenten als een belangrijke stap in de goede richting? Zo ja, plant u overleg met hen?

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Mevrouw Yamila Idrissi (sp·a)

Minister, in opdracht van de Koning Boudewijnstichting voerde het Centrum voor de Studie van de Islam in de Hedendaagse Wereld (CISMOC) een studie uit over de blik van Brusselse moslims en niet-moslims op elkaar en op de samenleving. De bedoeling van de studie was om aan beide zijden de bronnen van ergernis vast te stellen. Collega Segers heeft het alleen maar over moslims en vergeet daarbij dat de studie ook voor een belangrijk deel over niet-moslims gaat.

De studie besteedde ook bijzondere aandacht aan het opsporen van processen die leiden tot wederzijdse vervreemding of zelfs conflicten. De studie stipt een aantal problematische aspecten aan die in Brussel opduiken bij ontmoetingen tussen moslims en niet-moslims, zoals de visie op het statuut van de islam, verbodsbepalingen, gender enzovoort.

Zo stelt de studie vast dat leerkrachten, opvoeders en animatoren in Brusselse instellingen heel weinig gewapend zijn om te antwoorden op vragen van jongeren. Voor een groot deel is dat ook normaal, dat je als puber een identiteitscrisis doormaakt en daar vragen over begint te stellen. Men stelt vast dat leerkrachten en opvoeders niet gewapend zijn om correct te antwoorden, en daardoor zelfs proberen om die thema’s uit de weg te gaan.

En dat is jammer, want een studie van Felice Dassetto toont aan dat tussen de 250.000 en 300.000 Brusselaars een islamitische achtergrond hebben. Daarvan zijn er tussen de 120.000 en 150.000 personen praktiserend en actief binnen religieuze bewegingen. Daarom is het belangrijk dat we die vragen hier vandaag stellen.

De studie van de Koning Boudewijnstichting is echter niet alleen gefixeerd op de islam. Ze stelt bijvoorbeeld ook dat er discriminatie is en dat heel veel jongeren zich gediscrimineerd voelen. Daar bestaan ook andere onderzoeken over. De studie van professor Baert in Gent zegt dat als je een Turkse achternaam hebt, maar voor de rest een gelijkaardige scholing, woonplaats, ervaring of hobby, je de helft meer sollicitatiebrieven moet sturen om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek dan een sollicitant met een Vlaamse naam. En dan ben je nog niet aangenomen.

Deze studie gaat dus veel breder dan alleen maar de moslimthematiek. Ze gaat over het samenleven in Brussel en hoe je dat samen met elkaar doet. Er is een enorme behoefte aan kennis en debat onder die jongeren. Ze zitten met heel veel vragen en twijfels. En daar ligt het pad vrij voor u, als minister van Brussel en Jeugd, om ervoor te zorgen dat die jongeren veel beter begeleid en geïnformeerd worden.

We zien ook dat de aandacht van niet-moslims zich vooral concentreert op bepaalde hedendaagse misstanden in de moslimwereld en dat ze zich vaak ergeren aan de opdringerige geloofsijver, ook al weten ze weinig over de concrete wereld en de ervaring van de Brusselse moslims. Ook daar is werk aan de winkel.

De studie stelt “dat het benoemen van reële situaties die spanningen aanwakkeren een onontbeerlijke voorwaarde is voor het identificeren van aspecten die we kunnen aanpakken. Langs beide zijden is er een zwijgende meerderheid die beschikbaar is en openstaat voor meer vreedzame uitwisselingen.”

Ten slotte doet de studie een belangrijke aanbeveling, namelijk dat we afstand moeten nemen van een indeling in algemene categorieën. Je ziet dat ook al in dit debat. We moeten de omvang van de uitdagingen door de aanwezigheid van de moderne islam in Europa en vooral Brussel, situeren. We moeten afstappen van extreme standpunten en onze houding herzien. We moeten de eenzijdige categorie van islamofobie opnieuw bekijken.

Minister, hebt u kennis genomen van deze studie? Zo ja, welke conclusies trekt u hieruit? Verontrusten de resultaten van de studie u? Welke beleidsmaatregelen zult u hiervoor nemen? Denkt u vanuit het beleidsdomein Jeugd, Brussel of andere hierin maatregelen te kunnen nemen? Hebt u hierover al contact gehad met het middenveld en de scholen? Zo ja, wat is het resultaat van die contacten? Zo nee, zult u hierover nog contacten leggen? Een heel specifiek luik gaat over onderwijs. Hebt u hierover al contact gehad met uw collega-minister Crevits? Zo ja, wat is het resultaat van dit contact? Zo nee, zult u hierover nog contact hebben?

De heer Poschet heeft het woord.

De heer Joris Poschet (CD&V)

Eerst en vooral wil ik mij voor het grootste deel aansluiten bij de heer Segers en mevrouw Idrissi. Het is een heel gevoelig onderwerp, dat het verdient om in alle nuance te worden behandeld. We moeten ons ervoor hoeden in stereotypen te vervallen. Ik vrees dat het thema de komende jaren actueel zal blijven en nog sterker aanwezig zal zijn, zeker gezien de verdere ontwikkelingen in het Midden-Oosten.

Ik wil graag twee elementen verder onderstrepen. Ik wil de migratie situeren. Ik denk dat heel veel Brusselaars met een migratiegeschiedenis eigenlijk niet goed weten wat daarvan de achtergrond is en daardoor gemakkelijker een doelwit kunnen zijn van zeer duidelijke, maar soms extremistische theorieën. Ik denk dat het onderwijs de taak heeft daarbij te helpen. In onze geschiedenislessen is er veel sprake van bijvoorbeeld Bourgondische vorsten, maar over de migratie van vijftig of zestig jaar geleden vanuit Turkije en Marokko wordt nagenoeg niets gezegd. Het situeren van dat migratieverleden is belangrijk. In de opleiding van leerkracht moet er ook specifieke aandacht worden besteed aan het bijzondere publiek in Brussel.

Minister, hebt u hierover overleg gepland met uw collega-minister van Onderwijs?

De heer De Ro heeft het woord.

De heer Jo De Ro (Open Vld)

Minister, vervang Brussel en Brusselse jongeren door gelijk welke andere stad met nogal wat jonge mensen die zoekende zijn, zoals Antwerpen, Mechelen en Vilvoorde en je komt volgens mij tot soortgelijke resultaten.

Mijn vraag zit al impliciet en expliciet vervat in de betogen van de collega’s. We kunnen de vragen aan u stellen en ook aan minister Crevits, omdat er ook veel samenhangt met hoe leerkrachten zich voelen en hoe leerlingen tegen leerkrachten en scholen aankijken.

Ook dit onderzoek doet een zeer duidelijke oproep om binnen de Vlaamse Regering horizontaal te werken en een aantal problemen aan te pakken die niet stoppen aan de bevoegdheidsgrens of de gewestgrens.

Minister, ik kijk uit naar uw antwoord en vooral ook naar de beleidsnota’s die we de komende weken zullen bespreken. Die zullen voor mij toch wel een ernstige toets zijn van hoe u en uw collega’s die samenwerking zien, ook binnen de administratie en met mensen op het terrein.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Geachte collega’s, Brussel is een kosmopolitische stad, een kleine wereldstad, zoals we die ook graag zien. Zoals bekend is Brussel de stad in België met de grootste diversiteit naar culturele afkomst. Ruim meer dan de helft van de bevolking is van buitenlandse oorsprong.

De studie waarnaar de vraagstellers verwijzen, heeft inderdaad als voorwerp ‘Moslims en niet-moslims in Brussel: tussen spanningen en wederzijdse aanpassingen’. De studie werd uitgevoerd door CISMOC, het Centrum voor de Studie van de Islam in de Hedendaagse Wereld.

Sinds deze maand staat de synthese van het onderzoek op de website van de instelling. Wie er de besluiten op naleest, wordt er in eerste instantie niet bepaald vrolijker van. Er wordt onder meer gesproken over: de relaties tussen de moslims en niet-moslims, die niet van een leien dak lopen en soms zwaar doorwegen op de onderlinge verhoudingen; het ontstaan en bestaan van concrete wederzijdse relaties, die meestal getuigen van verbijstering, wederzijds afstand nemen, latente vijandigheid tot soms venijnige verbale confrontatie; een fundamenteel historisch geschil dat aanwezig blijft tussen de moslim- en niet-moslimgemeenschap; een te grote identificatie met de eigen groep door zowel moslims als niet-moslims; daarbovenop nog eens sociale tegenstellingen die de divergenties over waarden versterken.

De studie wil geen onrust zaaien, maar een vinger op de wonde leggen. De onderzoekers komen tot de zware conclusie dat de cohabitatie tot hiertoe globaal gezien enkel betrekking had op oppervlakkige aspecten. Daarom wil de studie ‘benoemen’ door vragen met betrekking tot zingeving in relatie te zetten tot concrete vraagstukken die vandaag vaak in een spanningsveld komen te staan. Daarbij wordt dan concreet verwezen naar genderissues, de relatie tussen wetenschap en geloof, het neutraliteitsprincipe van publieke instellingen enzovoort.

In de synthesenota wordt voortdurend gewezen op het belang van na te denken over breuklijnen tussen de moslim- en de niet-moslimgroepen. De wederzijdse beeldvorming is negatief vertekend en laat weinig openheid tot debat en tot het naar elkaar toegroeien.

De nota besluit letterlijk op pagina 97: “... om afstand te nemen van de onbuigzaamheid van sommige standpunten.” Dat is wederzijds te begrijpen.

In deze context, mevrouw Idrissi, is uw opmerking uiteraard relevant. Hoe kunnen we leerkrachten, opvoeders en animatoren bagage meegeven om bepaalde thema’s bespreekbaar te maken? Het onderwerp van de studie ligt me na aan het hart. De analyse is scherp, maatschappelijk relevant en intellectueel uitdagend.

Alvorens enkele elementen van antwoord te geven – ook als minister van Jeugd, want het gaat wel degelijk over een bevoegdheidsoverschrijdende aangelegenheid –, wil ik de volgende Brusselse of algemene kanttekeningen maken. In de eerste plaats – dit moet u me niet kwalijk nemen, geachte volksvertegenwoordigers – vind ik dat deze studie meer verdient dan een week na publicatie de vraag aan de minister of hij de studie heeft gelezen en welk nieuw beleid hij hiermee gaat voeren. De vraag is relevant en moet worden gesteld, maar het is breder dan alleen de techniek van de parlementaire vraag. U moet zelf nadenken hoe het debat daarover kan worden verbreed. Ik vind de problematiek die hier wordt gesteld, te belangrijk en ook te moeilijk om te beantwoorden binnen het bestek van een parlementaire vraag, om er voor de vuist weg een antwoord op te formuleren. Niettemin zal ik toch een ernstige poging ondernemen.

Bovendien is het voorwerp van de studie inderdaad het samenleven van moslims en niet-moslims in Brussel, maar de problematiek overstijgt duidelijk Brussel. Het harmonieus samenleven van beide groepen is niet alleen een uitdaging in Brussel: het is dat ook in andere Vlaamse en Europese steden en ver daarbuiten.

Ik ben als minister van Brusselse aangelegenheden bevoegd voor het coördinerend beleid. Ik wil me hierachter niet wegsteken, maar de antwoorden op de gestelde vragen moeten ook komen vanuit de andere departementen, in het bijzonder Inburgering, Jeugd – dus mezelf weer – Welzijn en Onderwijs. Ten slotte zijn er in Brussel ook andere overheden bevoegd die ook deelantwoorden moeten formuleren. Ik denk hierbij aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), de Commission Communautaire Française (COCOF), de Franse Gemeenschap, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, gemeenten. In een van de vragen van vandaag wordt trouwens expliciet verwezen naar de zogenaamde radicaliseringsambtenaren van de Brusselse gemeenten.

Ik vind dus dat we de problematiek breder moeten benaderen dan enkel vanuit mijn coördinerende bevoegdheid Brusselse aangelegenheden. Ik zal zeker de betrokken collega’s in de Vlaamse Regering aanschrijven met de vraag welke acties we hier kunnen ondernemen. We zullen het effectief gezamenlijk doen. Ik denk hierbij dan aan de ministers bevoegd voor het onderwijs, de jeugd, de integratie en inburgering enzovoort.

Mijnheer Segers, aangezien u in uw vraag ook verwijst naar de strijd tegen religieus radicalisme, wil ik in dit verband ook verwijzen naar het federaal regeerakkoord. Daar werden afspraken gemaakt rond een integrale aanpak van radicalisering. Men wil hierbij een beleid uitwerken op preventief, proactief, justitieel en bestuurlijk vlak. Ik citeer uit het federaal regeerakkoord: “Gelet op het belang van een preventief luik in de globale aanpak van het radicalisme en het gewelddadig jihadisme, zal de federale regering een overleg opstarten met de deelstaten en de lokale besturen die ter zake belangrijke hefbomen hebben”. Wat we hier moeten vermijden, is dat we in al deze horizontale contacten zowel binnen de Vlaamse Regering als over onze bevoegdheden als deelstaat heen, verzanden in nietsdoen, want dat is altijd het risico. Enfin, nietsdoen: dat iedereen naar iedereen kijkt.

Naast minister bevoegd voor de Brusselse aangelegenheden ben ik ook bevoegd voor de jeugd. In mijn beleidsnota die na het herfstreces zal worden voorgesteld in de bevoegde commissie, schrijf ik een specifieke operationele doelstelling om het jeugdwerk toegankelijk te maken voor maatschappelijk kwetsbare jongeren van vreemde origine. Een van de redenen van de spanningen tussen de jongeren die het onderzoek aanhaalt, is het feit dat er weinig gemeenschappelijke ontmoetingsplaatsen zijn voor jongeren met een verschillende achtergrond. Dat heeft vaak te maken met de kwetsbare situatie van de ouders, waardoor parascolaire activiteiten minder worden bezocht.

Omdat onwetendheid vaak aan de basis ligt van spanningen tussen jongeren, is het in dit verband belangrijk dat jongeren ook buiten de schoolse omgeving met elkaar in contact komen. Ik bedoel wel degelijk alle jongeren, niet enkele jongeren van een of andere culturele herkomst. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan de verschillende jeugdwerkingen.

In mijn hoedanigheid als minister van Jeugd zal ik daarom aandacht besteden aan het toegankelijk maken van het jeugdwerk voor maatschappelijk kwetsbaren en jongeren van vreemde origine. Het is belangrijk dat alle lagen van de bevolking, ongeacht hun etnische afkomst, worden betrokken bij de verschillende jeugdwerkingen. Projecten die een aantrekkelijk aanbod uitwerken voor iedereen en waar iedereen zich goed voelt, verdienen dan ook alle steun. Toegankelijk maken is één zaak, empowerment en emancipatie een andere.

Het jeugdwerk met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren heeft een opdracht op het vlak van zelfontplooiing, empowerment en emancipatie en kan een stap in de goede richting zijn om jongeren positief te leren omgaan met diversiteit. Ik zal daar nu niet dieper op ingaan, omdat het onderwerp zal zijn van het debat in de commissie Jeugd na de herfstvakantie. Ik loop daarop nu enigszins vooruit. Ik wil wel aangeven dat er een aantal accenten en perspectieven in die richting duidelijk verankerd zijn in de beleidsnota.

Zoals ik al zei, mijnheer Segers, verwijst u ook nog naar de strijd tegen religieus extremisme. Vooreerst wil ik hier zeggen dat ik vind dat we een goed onderscheid moeten maken tussen religieus extremisme enerzijds en het slecht begrip tussen moslims en niet-moslimjongeren anderzijds, waar de hogervermelde studie onderzoek naar deed. Voor mij zijn dit twee afzonderlijke sociale feiten, die elkaar raken op een bepaald moment, maar toch een aparte benadering nodig hebben.

Dit gezegd zijnde wil ik in antwoord op de vragen toch al meegeven dat ik over het moslimextremisme dat momenteel aanwezig is in de samenleving, ook een passus plan in mijn beleidsnota Jeugd, maar zonder de pretentie te hebben dit probleem vanuit het jeugdwerk te kunnen/moeten oplossen. Het jeugdwerk heeft in dit geval enkel een preventieve signalisatiefunctie. Maar dit thema zullen we in de beleidsnota verder bespreken.

Wat concreter nu. Ik hoop dat u me niet ten kwade duidt dat op een heel algemene vraag in het begin heel algemene antwoorden komen. Enkele zaken die we zouden kunnen doen, zijn de volgende. Ik heb het genoegen al een verleden te hebben. Toen ik in 1991 debuteerde op het kabinet van een staatssecretaris bevoegd voor de coördinatie van het migrantenbeleid in Brussel, hebben we ons in een heel moeilijke periode na ‘zwarte zondag’ afgevraagd wat we daar kunnen aan doen. We hebben dan voluntaristisch en misschien zelfs lichtjes amateuristisch – het was een coördinerende bevoegdheid zonder veel middelen – een brochure gemaakt over vooroordelen van Belgen ten opzichte van migranten en vice versa. Ik denk dat we er zeven hadden.

Het onnozele van die actie was dat we toen nog dachten dat we, door deur aan deur te gaan in buurten waar de spanningen vrij hoog waren – wat we ook hebben gedaan gedurende vele weekends –, het probleem zouden oplossen. Zo jong en naïef was ik toen.

Het goede van dat boekje is dat er op een vulgariserende manier nog altijd wordt ingegaan op gelijkenissen en verschillen en dat er op die manier bagage wordt aangereikt in het onderwijs. Samen met minister Crevits moeten we nagaan wat er al bestaat aan materiaal dat in de lessen aan bod kan komen en hoe we leerkrachten kunnen versterken om hen de nodige ruggengraat te geven om dat onderwerp aan bod te laten komen. Ik geloof dat het zinvol is om verschillen te benoemen omdat er op die manier gemakkelijker tot gelijkenissen kan worden gekomen. Dat blijft mijn diepste overtuiging.

Wat betreft het jeugdwerk moeten we nagaan wat er al voorhanden is aan materiaal over die thema’s binnen de jongereninformatiepunten. Er moet ook worden nagegaan wie die informatie raadpleegt. Komt die wel bij de juiste personen? Zo niet, moeten we daar bijkomende inspanningen voor leveren?

Die concrete denksporen moeten we de komende weken en maanden uitwerken. Zonder me neer te leggen bij de zwaarte van de studie an sich, kan ik me inbeelden dat we binnen twee jaar een gelijkaardig debat zullen moeten voeren. We moeten dan wel kunnen aantonen dat er bijkomende inspanningen zijn gebeurd, in eerste instantie van de bevoegde ministers, maar ik nodig ook u uit om gericht een antwoord te proberen geven op deze problematiek.

De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers (N-VA)

Minister, ik dank u voor uw beknopte visie. U hebt ook aangegeven wat de reden daarvoor is en die is terecht. Mijn vraag had ook niet als bedoeling om het volledige plan in al zijn facetten te krijgen. Ik zal deze vraag ook aan minister Crevits stellen omdat onderwijs hier een belangrijke rol in speelt. Het is vooral vanuit uw coördinerende functie voor Brusselse instellingen dat ik u heb bevraagd.

Ik verwijs naar de discussie van twee jaar geleden. De dames Idrissi en Zamouri hebben toen vanuit het Brusselse standpunt de zaak belicht. Men dacht toen over het hoogtepunt heen te zijn en dat het probleem aan het wegebben was. We dachten dat het nog om enkele extreme gevallen ging die de bovenhand niet mochten halen. Ondertussen zijn we twee jaar verder en weten we wat er allemaal aan de hand is in de wereld. We mogen daar niet blind voor zijn. Dat is ook een passage van een van de onderzoeksters: “We kunnen niet zeggen dat alles goed gaat, want het gaat niet goed. We moeten ook niet denken dat alles zal overwaaien.” Ik ben dan ook erg tevreden met uw conclusie dat we er iets aan moeten doen zodat we binnen twee jaar niet dezelfde discussie moeten voeren. Het horizontale beleid moet worden opgevolgd in elke bevoegde commissie en voor alle parlementsleden is daarin een rol weggelegd.

De discussie van twee jaar geleden heeft ons geleerd waar de regierol moet liggen. U hebt ook terecht aangehaald dat er een bijzondere passage staat in het federale regeerakkoord waar we ook rekening mee zullen moeten houden. Voor de Brusselse instellingen moet sowieso een tandje worden bijgestoken. We rekenen op u om van hieruit de coördinerende rol van Vlaanderen naar Brussel te spelen. Ik geef nog een voorbeeld dat ook twee jaar geleden aan bod kwam. Vanuit de Franse Gemeenschap en COCOF was er in het verleden geen wil om een gemeenschappelijk jeugdonderzoeksplatform te hebben. Dat kan echter een initiatief zijn om in een kosmopolitische stad als Brussel alle jongeren te verenigen en niet enerzijds de Nederlandstaligen en anderzijds de anders- of Franstaligen en dan maar hopen dat er een gemeenschappelijke conclusie komt. Het is aangewezen om die weg niet te bewandelen. Wilt u die mogelijkheid onderzoeken? Hoe denkt u de andere Brusselse overheden hierbij te betrekken?

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Mevrouw Yamila Idrissi (sp·a)

Minister, u hebt een voorzichtig antwoord gegeven. U lanceert een oproep naar ons maar ook naar uzelf om dit ter harte te nemen zodat het niet blijft steken in een vragenuurtje. U geeft ook twee concrete denksporen aan.

Op het vlak van de brochure blijf ik op mijn honger zitten. Om het op zijn Frans te zeggen: ‘On a depassé ce stade.’ We zijn aan andere dingen toe. De heer Segers pleit ervoor om anderen hierbij te betrekken en dat is terecht, maar we moeten eerst en vooral nagaan wat we zelf kunnen doen. Waar kan de Vlaamse overheid verantwoordelijkheid in nemen? Ik heb enkele suggesties opgelijst die u misschien ter harte kunt nemen. We hebben nood aan een centrum voor Europese islam in Brussel. Uit de studie blijkt dat er heel wat vragen zijn en leraren, opvoeders en jeugdwerkers weten niet altijd wat te antwoorden of voelen zich er erg ongemakkelijk bij. Een expertisecentrum is dan ook nodig, vandaag meer dan ooit. We krijgen allemaal via de televisie binnen wat er in de wereld gebeurt, maar we hebben meer vragen dan antwoorden. Er is geen enkele instantie die objectieve informatie kan geven.

Minister, u hebt daarnet verwezen naar uw tijd als kabinetsmedewerker van een Brussels staatssecretaris. Als ik me niet vergis, is tijdens die periode het Brussels Studies Institute opgericht. Misschien kunt u eens over iets gelijkaardigs in verband met de Europese islam nadenken.

Brussel is niet alleen de hoofdstad van Vlaanderen, maar ook de hoofdstad van Europa. Brussel vormt een Midden-Oosten op zich. Alle strekkingen binnen de islam zijn er aanwezig. Sommige strekkingen zijn moslimreligies met enkel aanhangers in de kleinste boerengaten en andere strekkingen behoren tot de grootste die er zijn. De ene islam is de andere niet.

De nood is momenteel groter dan ooit. Er zijn een aantal goede denksporen. Tijdens de vorige legislatuur is minister Smet gestart met de opleidingen voor imams en islamconsulenten aan de KU Leuven. Die inspanningen moeten worden voortgezet. Momenteel worden die imams en islamconsulenten immers uit Saoedi-Arabië of elders gehaald. Zij komen met een zeer vertekend beeld naar hier. Hun islam is niet de moderne Europese islam.

Minister, u hebt een van uw bevoegdheden, namelijk cultuur, niet vermeld. Volgens mij kunnen binnen uw bevoegdheden nochtans nog heel wat zaken plaatsvinden. U hebt zelf verklaard dat we ontmoetingsplekken nodig hebben waar we kennis kunnen opdoen en waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, van gedachten kunnen wisselen en ook met zaken kunnen worden geconfronteerd. Het cultuurbeleid lijkt me hiervoor ideaal.

Ik heb dit in de commissie Cultuur al vermeld. De Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) organiseert momenteel avonden met Rachid Benzine, een vooraanstaand islamoloog. Die avonden zijn eigenlijk vrij droog. Buiten het feit dat hij sexy is, is er aan die avonden niets sexy. Met enkel een microfoon neemt hij gedurende twee uur het woord. Alle Brusselaars, jongeren en ouderen, vrouwen met en zonder hoofddoek, zijn daar aanwezig. Hij legt uit wat de Koran is en in welke context dit boek moet worden geplaatst. Die zaal is uitverkocht. Er staan wachtrijen. Er is duidelijk honger en dorst naar dergelijke initiatieven. De plekken bestaan. Enkel de programmatie moet nog volgen. Ik kan direct drie of vier mensen opsommen die in het rijtje zouden passen.

Wat u binnen uw bevoegdheid voor cultuur ook zou kunnen doen, is de vertaling van werken van die toonaangevende denkers naar het Nederlands stimuleren. Dit begint stilaan te gebeuren. Die werken zijn weinig gekend. Als ze al gekend zijn, worden ze niet naar het Nederlands vertaald. Veel jongeren zijn op zoek naar kennis. Ze kunnen die werken niet in hun moedertaal, het Nederlands, lezen.

Dergelijke kleine ingrepen zijn belangrijk. Ze dragen ertoe bij dat kennis wordt doorgegeven en dat de horizonten van die jongeren worden verbreed. Die jongeren gaan nu op zoek en krijgen op de Lemonnierlaan allerlei boekjes die absoluut een bepaalde strekking aanhangen. Vervolgens begeven ze zich op het internet en op Facebook. Wat daar aanwezig is, is totaal niet waar die jongeren naar op zoek zijn.

Volgens mij heb ik alle belangrijke punten aangehaald. Het debat is nog niet afgelopen. Ik kijk uit naar wat u in uw beleidsnota zult opnemen. Ik hoop dat we dit debat in deze commissie op een constructieve wijze zullen kunnen voortzetten.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Voorzitter, ik vind het zeer moeilijk me in dit debat te mengen. We trachten tijdens deze parlementaire discussie een immense materie te behandelen. Het gaat om de samenleving, om veiligheid, om kansen voor mensen, om polarisering en om radicalisering. Er liggen een hele hoop thema’s op ons bord. Ik heb niet de ambitie op al deze punten in te gaan.

Minister, we moeten al deze essentiële, cruciale thema’s aanpakken. U hebt terecht verklaard dat we niet moeten wegkijken. Velen zijn bevoegd, maar we moeten daar niet achter schuilen. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid nemen.

Mevrouw Idrissi heeft u opgeroepen na te gaan wat we kunnen doen. Ik sluit me aan bij de heer Segers. We moeten samenwerken met de Franstaligen die mee verantwoordelijk zijn en die Brussel mee besturen. Wat de haalbaarheid hiervan betreft, ben ik om een eenvoudige reden minder pessimistisch dan hij: het moet. Indien we in Brussel iets willen veranderen, moet de Vlaamse overheid met de Franstalige overheid samenwerken.

Er zijn voorbeelden die aantonen dat dit werkt. Tijdens de afgelopen legislatuur hebben de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en de Commission Communautaire Française (COCOF) in het jeugdbeleid geïnvesteerd. Dat is uw beleidsdomein. Ze hebben samen op jeugdwerkers ingezet. Er bestaan heel sterke pilootprojecten. De beide Brusselse ministers bevoegd voor het jeugdbeleid investeren samen in de jeugdwerking. Ze willen een overkoepelend verhaal vertellen. Dit pilootproject moet worden voortgezet.

Tijdens de begrotingsbesprekingen zullen we hierover allicht een debat voeren. Die mooie voorbeelden moeten blijven bestaan. Ik denk dan ook aan ‘Het Werkt! Ca Marche!’, een ander concreet project over de grenzen van de taalgemeenschappen in Brussel heen. Het is de bedoeling op deze wijze samen de stad aan te pakken. Dit is immers absoluut nodig.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Mijnheer Segers, u hebt me net gevraagd hoe ik ervoor zal zorgen dat met de verschillende partners overleg zal worden gevoerd en dat duidelijkheid over de regiefunctie ontstaat. Het antwoord is eenvoudig: ik zal hen contacteren. (Gelach)

Ik wil me niet neerbuigend over dit aspect van uw vraag om uitleg uitlaten. Er zijn al goede contacten gelegd. We zullen echter nog bijkomende contacten moeten leggen. Dat is goed aan het begin van een nieuwe beleidsperiode. Er zitten nieuwe mensen op nieuwe plaatsen. Hierdoor kunnen ook nieuwe dynamieken ontstaan. We zullen zeker contacten leggen met alle overheden die in mijn antwoord aan bod zijn gekomen.

Ik heb het daarnet over een brochure gehad. Het is echter niet mijn bedoeling opnieuw een brochure uit te brengen. Brochures hebben hun belang voor zover ze terechtkomen bij de mensen die ze moeten of kunnen gebruiken en ook gebruikt worden. Het gaat niet over de brochures op zich, maar over wat men in tekst brengt en over wat men in kant-en-klare methodieken voor leerkrachten of jeugdwerkers kan brengen. Ik gaf gewoon het voorbeeld van hoe destijds de brochure een beetje als een wereldverbeterend instrument werd beschouwd en hoe die misschien ook wel een bepaalde impact heeft gehad, maar in elk geval niet voldoende.

Ik moet samen met de minister van Onderwijs bekijken wat er al bestaat en wat er werkt. Dit werk zal nooit helemaal af zijn, in die zin bestaan dé brochure en dé methodologie niet. We moeten er echter wel naar streven om een aantal zaken structureel in te bedden, niet alleen in het beleid maar in de dagelijkse realiteit op het terrein. In dat verband vond ik uw suggestie om te kijken in welke mate bepaalde interessante werken of bronnen kunnen worden vertaald, wel goed. Maar ook dat sluit een beetje aan bij de vraag hoe jongeren aan informatie geraken en welke rol jongereninformatiepunten vandaag nog spelen. Zijn zij nog zo relevant als zij zouden moeten zijn in een wereld waarin jongeren zich steeds meer informeren op sociale media, waar de kans op manipulatie op allerlei vlakken veel groter is? Wij veronderstellen nog altijd dat wat in een krant staat ook waar is. Iedereen van ons weet echter dat in een artikel minstens drie fouten staan. Kranten wemelen van de fouten, jammer genoeg, en het is nog veel erger gesteld met de sociale media. En dan komen we opnieuw bij het debat van mediawijsheid.

Het zou nuttig zijn, en ik nodig u daar in alle sereniteit toe uit, om inzake het Centrum voor Islam in Europa, een voorstel van resolutie in te dienen en dat hier te bespreken. Het is niet voldoende dit even ter sprake te brengen en te zien wat ik daarmee doe. Ik kijk echt benieuwd uit naar de wijze waarop u daarnaar kijkt en naar de effecten die dit zou kunnen hebben. We kunnen daar dan een grondiger debat over voeren. Voordien zal ik me daar niet over uitspreken maar dat dit een zinvolle optie zou kunnen zijn, zal ik zeker niet ontkennen.

Wat de plaats van cultuur in het geheel betreft, is het juist dat de opvoeringen een nuttige maatschappelijke rol hebben. We moeten er wel voor zorgen dat we niet opnieuw vervallen in bijkomende opdrachten aan het culturele veld om op die manier de wereld beter te maken. In die val mogen we niet trappen. Die zaken komen nu van onderuit, worden zeer goed georganiseerd en wekken ook belangstelling. Als er dus wachtrijen zijn, is dat een uitdaging en moeten we nagaan of we kunnen zorgen voor bijkomende programmatie in deze moeilijke tijden van besparingen. We mogen echter niet in die val trappen waarbij de culturele wereld als vehikel zou worden gebruikt om een sociale opdracht al te sterk uit te bouwen. Dat mag, maar ik zal dat niet regisseren, ik laat de actoren daarin liever vrij.

Ik vind dit een goed debat. De vraag is nu hoe we dit een vervolg geven naast het feit dat u binnen afzienbare tijd nog eens mag vragen welke contacten er zijn gelegd en wat daarvan het resultaat is. Dat hoort zeker tot het gangbare werk.

Het is duidelijk dat dit debat absoluut nog niet is afgerond en dat we het verder in deze commissie zullen voeren, ook al behelst het alle beleidsdomeinen.

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Mevrouw Yamila Idrissi (sp·a)

Een kleine rechtzetting: in het Kunstendecreet staat heel duidelijk dat een van de voorwaarden interculturaliteit is. Dat kan een heel handig middel zijn. Het gaat niet om bijkomende opdrachten, maar om wat er eigenlijk vandaag al wordt verwacht.

De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers (N-VA)

Minister, in uw conclusie zegt u dat u geen initiatief zult nemen of zult regisseren inzake cultuur. De gemeenschappelijke plaats waar jongeren elkaar ontmoeten, is de school, van daaruit zal dus heel veel moeten vertrekken. Ik pleit er echt ook niet voor om dit in de bak van de leerkrachten te gooien. We kennen de problematiek daar. U hebt mooi geformuleerd dat de verschillende beleidsdomeinen het samen zullen moeten doen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.