U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Bonte heeft het woord.

Mevrouw Barbara Bonte (Vlaams Belang)

Minister, een leerkracht die in september mocht beginnen lesgeven in het tweede leerjaar van een basisschool van het stedelijk onderwijs in Brussel, is door de directie van die school uitdrukkelijk gevraagd om zijn homoseksuele geaardheid niet te uiten. De leerkracht in kwestie vond dat te verregaand en heeft om die reden de job niet aanvaard. Hij heeft op de sociale netwerksite Facebook zijn ongenoegen over de kwestie kenbaar gemaakt, en zijn bericht werd door diverse media overgenomen.

Charles Huygens, de directeur-generaal van het openbaar onderwijs van de stad Brussel, benadrukte in een reactie de neutraliteit van het beroep van leerkracht. “We raden leraren steeds aan voorzichtig te zijn met uitspraken over het privéleven, of dat nu over godsdienst, politieke overtuigingen of geaardheid gaat”, stelde hij. De topvrouw van het Gemeenschapsonderwijs (GO!), Raymonda Verdyck, is het daar niet mee eens. Volgens haar “heeft het feit dat of je nu houdt van mannen of vrouwen niets te maken met neutraliteit”, maar in wezen treedt ze, net zoals Lieven Boeve van het katholiek onderwijs, Huygens gewoon bij als ze zegt: “Voorzichtigheid op het vlak van persoonlijke zaken is steeds aangewezen.”

Zowel minister-president Bourgeois als uzelf heeft kritisch stelling ingenomen tegenover de houding van de directeur-generaal. Als leerkracht niet te koop lopen met wat tot de privésfeer behoort, is volgens mij de logica zelve en is een kwestie van gezond verstand en professionaliteit. De kerntaak van een leerkracht is nog steeds op een professionele manier kennis overdragen. Maar de manier waarop de schooldirectie de leerkracht in kwestie tijdens het sollicitatiegesprek op het hart bleef drukken dat hij op geen enkele wijze of moment – ook niet desgevraagd – kenbaar mocht maken dat zijn partner een man is, doet vermoeden dat er meer aan de hand is.

En er is wel degelijk meer aan de hand, want over de essentie van de zaak is bitter weinig gezegd. De school in kwestie is een moeilijke school, waar volgens de directie een taboe heerst rond homoseksualiteit. Tijdens het sollicitatiegesprek kreeg de leerkracht immers te horen: “Het zal niet gemakkelijk worden, er is veel armoede, geen kennis van het Nederlands enzovoort.” Pittig detail is dat het over een tweede leerjaar gaat, kinderen van om en bij de zeven jaar oud.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de school zich in Brussel-noord bevindt, een verloederde en gevaarlijke wijk waar zeer veel moslims wonen. Meer dan driekwart van de leerlingen in het Nederlandstalig stedelijk lager onderwijs in Brussel heeft bovendien een niet-westerse achtergrond, volgens cijfers van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Daardoor is er een zeer zwaar vermoeden ontstaan dat deze zogenaamde ‘moeilijke school’ een allochtonenschool met veel moslims is en dat de schooldirectie bang is voor mogelijke agressieve reacties van ouders, broers en zussen van de jonge moslimleerlingen.

Dat is niet geheel onbegrijpelijk. Uit verhalen afkomstig van scholen in Europa met een meerderheid aan moslims, bijvoorbeeld het atheneum van Antwerpen, weten we immers dat het steeds vaker voorkomt dat leraren angstvallig vermijden om tijdens de lessen biologie seksuele opvoeding te geven of gedetailleerd in te gaan op de verschillen tussen mannen en vrouwen, en dat er door de scholen gescheiden zwemuren worden georganiseerd, om tegemoet te komen aan de eisen van moslimleerlingen en hun ouders. Bovendien zijn in Brussel reeds vele homomannen het slachtoffer geworden van homohaat, gaande van verbale bedreigingen tot zelfs halfdood geslagen worden.

Minister, wat is uw reactie op de stelling dat het in sommige gevallen beter is om zijn of haar geaardheid niet kenbaar te maken op school om bepaalde leerlingen en hun ouders, in het bijzonder moslims, niet te schofferen? Wat is uw standpunt inzake de neutraliteit van het beroep van leerkracht? Wat verstaat u onder dat begrip? Valt seksuele geaardheid daar ook onder?

Dat bepaalde bevolkingsgroepen, in het bijzonder moslims, moeilijkheden hebben met de manier waarop hier lesgegeven wordt, maar vooral moeite hebben met het aanvaarden van ons normen- en waardenstelsel, is niet nieuw. Ik haalde al het voorbeeld aan inzake de lessen biologie, maar eerder bereikte mij bijvoorbeeld ook al een bericht van een vrouwelijke leerkracht, die op een oudercontact geschoffeerd werd door een vader van een leerling die haar geen hand wilde geven. Er zijn ook verhalen van vrouwelijke leerkrachten wier gezag niet aanvaard wordt door moslimleerlingen, met alle gevolgen van dien. Wat moet er volgens u gebeuren om dergelijke voorvallen in de toekomst te vermijden?

De voorzitter

De heer Verstreken heeft het woord.

De heer Johan Verstreken (CD&V)

Minister, naar aanleiding van het concrete voorbeeld dat hier werd aangehaald, van een Brusselse leerkracht die van de directie te horen kreeg dat hij maar beter zweeg over zijn homoseksuele geaardheid, liet het hoofd van het Brusselse onderwijs weten dat “het grondbeginsel terughoudendheid is, omdat homoseksualiteit moeilijk ligt bij verschillende bevolkingsgroepen.”

De Vlaamse onderwijskoepels reageerden afwijzend op de mededeling van hun Brusselse collega. Van leerkrachten wordt verwacht dat ze neutraal zijn, maar dat heeft niets met geaardheid te maken. Bovendien wijzen de onderwijskoepels erop dat ze in 2012 een convenant afsloten met de Vlaamse overheid over een genderbewust en holebivriendelijk beleid. Niettemin is dit een teken aan de wand dat de aanvaarding van holebileerkrachten gevoelig ligt, zeker in grootsteden.

Ook de koepelvereniging çavaria reageert verbolgen op de uitspraken van het hoofd van het Brusselse onderwijs. Zij streven al jaren naar een veilige en openlijke schoolomgeving voor leerkrachten en leerlingen. Vragen aan leerkrachten om te zwijgen over hun geaardheid is niet alleen nefast voor het welzijn van de leerkrachten, maar ook voor de leerlingen. Leerkrachten vervullen immers een rolmodel en kunnen helpen om het taboe rond homoseksualiteit te doorbreken. Het onbespreekbaar maken van homoseksualiteit werkt homofobie in het onderwijs net in de hand, aldus çavaria.

Collega Joris Poschet, die wegens andere politieke verplichtingen vandaag verontschuldigd is, had ook een gelijkaardige vraag ingediend. Zijn vraag was of u zou kunnen toelichten wat de richtlijnen zijn rond de invulling van het begrip ‘neutraliteit’ in het Vlaamse onderwijs en op welke wijze er wordt gewerkt rond de bekendmaking en implementatie van de ‘Gemeenschappelijke Verklaring over een beleid met betrekking tot gender en seksuele geaardheid in het onderwijs’ van 23 oktober 2012, wellicht ook mee ondertekend door de koepel waartoe het Brusselse stedelijke onderwijs behoort.

Minister, wat is uw visie? Welke maatregelen werden reeds genomen naar aanleiding van het convenant voor een genderbewust en holebivriendelijk beleid in scholen? Welke maatregelen kunnen er volgens u nog worden genomen om scholen meer te sensibiliseren?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel (Open Vld)

Voorzitter, minister, ik las vandaag in de krant dat een onderzoek van de Université catholique de Louvain (UCL) duidelijk maakt dat leerkrachten in Brusselse scholen zich onvoldoende gevormd voelen en onvoldoende middelen hebben om om te gaan met de superdiversiteit in Brussel. Sommigen getuigen dat homoseksualiteit heel moeilijk bespreekbaar is in hun klassen.

Ik denk dat we effectief een probleem hebben. Ik heb hierover een schriftelijke vraag met nummer 25 ingediend op 8 september. Ik heb intussen uw uitgebreid antwoord gekregen en ik ben daar zeer blij mee, vooral omdat u ondubbelzinnig de woorden van Charles Huygens veroordeelt, iets wat de stad Brussel tot mijn spijt weigert te doen. De neutraliteit is inderdaad een heel andere kwestie dan de seksuele geaardheid van een leerkracht.

Ik ben verder zeer verheugd dat het beleid dat werd versterkt door het convenant van 2012 waar de heer Verstreken naar verwijst, zal worden voortgezet in de komende jaren. U gaat dat verder als kader gebruiken.

Ik wil een bezorgdheid uiten. Er is een fantastische samenwerking met Sensoa en çavaria. Er zijn sinds 2012 twee mensen gedetacheerd om verder te werken aan projecten en informatie te brengen, niet alleen bij de scholen en leerkrachten, maar ook bij de pedagogische begeleidingsdiensten. Dat vind ik zeer belangrijk, het gaat om communicatie met leerkrachten, niet alleen over geaardheid maar ook over seksualiteit en seksuele voorlichting in brede zin. Daarover ging mijn schriftelijke vraag ook.

Ik hoop dat die twee personen die daar nu zeer nuttig werk verrichten, dat blijkt ook uit de feedback die we krijgen, hun werk kunnen voortzetten. Dit is eerder een warme oproep dan een vraag, want ik zie dat de beslissing daarover pas zal vallen in het voorjaar 2015. Ik wou die warme oproep toch nu al doen omwille van het positieve werk dat nu wordt gerealiseerd.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik sluit me aan bij wat al gezegd is en wil het belang ervan nog eens onderstrepen.

Die diversiteit mag niet worden doodgezwegen. Jongeren worden ook heel vaak gepest als ze zich uiten, dat leidt dan weer tot slechte schoolresultaten. Onderwijs speelt daar dus een grote rol in. Leerkrachten moeten worden opgeleid om klaar en duidelijk die boodschap van diversiteit te kunnen brengen en de vooroordelen rond die genderstereotypering te ontkrachten. Dat kan allemaal gebeuren door uitwerking van specifieke vakoverschrijdende projecten. Binnen de lessen kan aandacht zijn voor sensibilisering. Daarbij mogen we een realistisch beeld van de maatschappij niet uit het oog verliezen. Daarvoor is die lerarenopleiding zo belangrijk. Leerkrachten in spe moeten we echt oog laten hebben voor de diversiteit, we moeten hen aanleren hoe ze op een pedagogisch correcte manier daarmee kunnen omgaan als ze later voor de klas staan, dat ze het opmerken en er op een min of meer spontane manier werk van kunnen maken.

Minister, hoe kunnen we deze thematiek in de vernieuwde lerarenopleiding zeker aan bod laten komen?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Veel van de vragen die vandaag aan bod komen, tonen aan dat het beleid van de afgelopen jaren nog veel zaken heeft opengelaten. Ik zal nog niet alles concreet kunnen beantwoorden, er is nog tijd. We moeten zelfs onze beleidsnota indienen. Ik zal waar het kan al proberen wat pijnpunten aan te duiden. Het is een opmerking voorafgaand aan alle andere vragen. Sommige gaan over de begroting, andere over de beleidsnota, ik zal al zaken meegeven, andere zullen we pas later kunnen uitdiscussiëren.

U weet dat het neutraliteitsprincipe, vervat in artikel 24, paragraaf 1van de Grondwet, geldt – voor alle duidelijkheid – in het officieel onderwijs, en dus met name in zowel het Gemeenschapsonderwijs als het officieel gesubsidieerd onderwijs, zijnde het provinciaal onderwijs en het onderwijs van steden en gemeenten. Dat artikel 24, paragraaf 1 verankert de vrijheid van onderwijs. Om de keuzevrijheid van de ouders te waarborgen als gemeenschap, richt zij neutraal onderwijs in.

De neutraliteit houdt onder meer in dat de filosofische godsdienstige of ideologische opvattingen van de ouders worden geëerbiedigd. Zo moet het lessenpakket de levensbeschouwelijke opvatting van iedere leerling respecteren door de keuze tussen de levensbeschouwingen te waarborgen. Seksuele geaardheid – dat zal jullie niet verbazen – is los te zien van begrippen als filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen. Seksuele geaardheid staat ook uitdrukkelijk vermeld als afzonderlijke discriminatiegrond in de non-discriminatieregelgeving. Ik heb het al gezegd, ook publiekelijk: neutraliteit en seksuele geaardheid hebben niets met elkaar te maken.

Anderzijds tonen enkele incidenten, waarvan er hier eentje in het bijzonder werd vermeld, toch wel aan hoe groot de maatschappelijke noodzaak is om de diversiteit in seksuele geaardheid expliciet te beschermen. De verplichting van neutraliteit ontneemt de overheid absoluut niet het recht om, in de lijn van artikel 13.3 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en van artikel 29 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waarden, opvattingen en houdingen bij wijze van ontwikkelingsdoelen of eindtermen als minimumdoelstellingen aan te geven. De enige voorwaarde is dat het om waarden en opvattingen gaat die niet strijden met enig beginsel dat voor een democratische samenleving noodzakelijk is. Ook in de rechtspraak met betrekking tot de eindtermen wordt absoluut aanvaard dat vrije scholen aan dezelfde eindtermen zijn onderworpen, en dat de eindtermen ook betrekking kunnen hebben op waarden, opvattingen en houdingen.

Overheden moeten, wat mij betreft, en dat is ook evident, een zeer actieve rol spelen inzake sociale grondrechten. De neutraliteit kan niet ingeroepen worden om het engagement te ondermijnen dat het onderwijsveld in oktober 2012 heeft opgenomen inzake respect voor diversiteit. Je kunt je daar niet op beroepen, en ik verwerp dat ook. Het engagement werd bovendien door alle onderwijsnetten herbevestigd op de startdag van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor). Daar is geen enkele discussie over.

Het onderwijs moet kinderen en jonge mensen voorbereiden op een complexe realiteit. Wij willen hen vormen tot sterke, open en zeer veelzijdige persoonlijkheden die hun verantwoordelijkheid in de samenleving ten volle kunnen opnemen. Dit vereist uiteraard sociale vaardigheden, nieuwsgierigheid, kritische zin, respect, zorgzaamheid, enzovoort. Al deze zaken worden door de scholen gestimuleerd. Daarbij is het belangrijk dat jongeren leren omgaan met de diversiteit die hen omringt. Het Vlaamse onderwijscurriculum besteedt dan ook al heel wat jaren aandacht aan thema’s als burgerzin, weerbaarheid tegen sociale druk, leren omgaan met diversiteit...

Alle experten, ook op het gebied van educatie en burgerschapszin, benadrukken de cruciale rol van de school als oefenplaats voor participerend burgerschap. Het is zeer belangrijk dat iedereen het essentieel vindt dat je al vanaf je schooltijd die diversiteit leert kennen, en dat de schoolse omgeving de weerspiegeling is van de realiteit van elke dag.

De sprekers vroegen heel specifiek ook naar hoe dit allemaal reglementair in elkaar steekt. Kun je de grondwettelijke vrijheid van mening beperken? Sommigen suggereren dat het misschien beter is zich niet te outen. Al die mogelijkheden zijn juridisch omschreven. De algemene teneur is evident. Je kunt wel enkele beperkingen opleggen, maar te kennen geven dat je getrouwd bent of dat je een relatie hebt, wat ook het geslacht van je partner is: dat gaat helemaal niet over het veruiterlijken van je levensopvatting. Er is daar dus geen enkele mogelijkheid om daar iets aan te doen, en ik wil dat ook helemaal niet. Daarover nadenken heeft zelfs weinig zin omdat het nu eenmaal een van de basisrechten is waarop je niet kunt afdingen.

In mijn publieke reactie op het incident heb ik dan ook de houding van de persoon in kwestie snel en ondubbelzinnig veroordeeld. Ik heb ook willen beklemtonen dat de seksuele identiteit totaal niets te maken heeft met neutraliteit. Ik juich toe dat de hoofden, zowel van het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO) als van het Gemeenschapsonderwijs (GO!), onmiddellijk in de media hun engagement hebben herbevestigd en zeer expliciet hebben gesteld dat ze deze uitspraak niet oké vinden. Ik zei ook al dat die gezamenlijke verklaring van oktober 2012 werd hernieuwd op 25 september jongstleden. Hij blijft het kader voor wat betreft gender, seksualiteit en transgender.

Dat is het kader waar we voor staan en ik wil echt dat dit zo blijft.

De aanvullende vragen zijn relevant als het gaat over de manier waarop we omgaan met incidenten.

Mevrouw Brusseel, ik heb geantwoord op uw schriftelijke vraag nummer 25. De partners hebben dat wel ondertekend, maar op welke manier rapporteren zij nu? Er wordt niet stelselmatig gerapporteerd, maar mijn diensten hebben een vrij goed zicht op de nauwe samenwerking tussen het ministerie en de onderwijsnetten. Mevrouw Brusseel, u verwees naar de pedagogische begeleidingsdiensten. Er zijn een paar gedetacheerde projectmedewerkers. Zij houden zeer regelmatig contact en doen goed werk. Naast de bruikbare educatieve materialen om het in de klas over gender, seksuele diversiteit en transgender te hebben, ligt de focus nu op de expertiseopbouw binnen de begeleidingsdiensten en de competentieontwikkeling binnen de scholen. Elke school zou op zich weerbaar genoeg moeten zijn. Ik betwist helemaal niet dat de mensen goed werk doen. Maar het zou een evidentie moeten zijn dat de school zelf in staat is om op een goede, volwassen en eigen wijze met deze problematiek om te gaan.

Dit schooljaar zijn er team- en leerkrachtgerichte begeleidingstrajecten op het vlak van gender en seksuele diversiteit. Het gaat om een vrijwillig maar niet vrijblijvend en gratis ondersteuningsaanbod, op maat van een diversiteit aan basis- en secundaire scholen. Deze pilootprojecten moeten tegen het einde van dit schooljaar heel wat bruikbare expertise en tools opleveren waarmee ook andere scholen in Vlaanderen aan de slag zouden moeten kunnen gaan.

Het departement zelf werkt samen met Sensoa, de onderwijskoepels en het Gemeenschapsonderwijs aan het raamwerk Seksualiteit en Beleid. In dat raamwerk vinden scholen ook een aantal bouwstenen voor het uitwerken van een beleid rond seksualiteit en relationele vorming.

Daarnaast is er een vlaggensysteem dat door Sensoa werd gemaakt. Het vlaggensysteem laat toe om seksualiteit en seksueel grensoverschrijdend gedrag van kinderen en jongeren in scholen bespreekbaar te maken. Zowel het raamwerk als het vlaggensysteem is de basis van een aantal trainingen die momenteel lopen en die moeten toelaten om de deskundigheid van zowel scholen, centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s), koepels van ouderverenigingen als de Vlaamse Scholierenkoepel te verhogen in het omgaan met het seksueel gedrag en de seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren.

Daarnaast knoopte Sensoa met de lerarenopleiders gesprekken aan over relationele en seksuele vorming. Het expertisecentrum werkt op basis daarvan aan een draaiboek dat lerarenopleiders op maat zullen kunnen gebruiken. Dat gaat over de manier waarop we ervoor kunnen zorgen dat de mensen die worden opgeleid tot leraar beter voorbereid aan de start kunnen staan.

Ondertussen geeft de site www.seksuelevorming.be aan lerarenopleiders en toekomstige leraren een goed overzicht van de materialen en de achtergrond en organisaties over relationele en seksuele vorming. Sensoa verzorgt in een aantal lerarenopleidingen ook de gastlessen over relationele en seksuele vorming. Sensoa is bovendien mee uitgenodigd om deel te nemen aan een maatschappelijk debat over wat de inhoud moet zijn van basisvorming in het onderwijs. Ten slotte werd er, samen met Sensoa, ook gewerkt aan een eerstelijnsdossier over seksueel grensoverschrijdend gedrag.

U weet dat, als je een loopbaanpact wil sluiten, het belangrijk is om te werken aan de lerarenopleiding. Daaraan hangt dan ook die toelatingsproef vast en het oriëntatietraject in het secundair onderwijs. Ik weet niet of het vorige week werd aangehaald, maar als je wordt opgeleid als leraar is het van belang dat je ook specifiek wordt opgeleid om te kunnen werken in de stedelijke en grootstedelijke context. Verleden week werden er cijfers besproken over Brussel en de uitstroom van leraren. Ik heb toen ook gezegd dat het een van de aandachtspunten is dat je gewapend moet zijn en dat je in de opleiding voldoende aandacht moet kunnen besteden aan de diversiteit. Het gaat dan om veel meer dan de seksuele diversiteit. Om daar goed mee te kunnen omspringen, moet er in de opleiding veel aandacht aan worden besteed.

We zullen nu samen met de opleidingsverstrekkers nagaan hoe die opleiding kan worden versterkt. Uw vraag is pertinent, maar het gaat breder dan alleen de context die hier nu aan bod komt door de vraag over de neutraliteit en het omgaan met seksuele diversiteit.

De voorzitter

Mevrouw Bonte heeft het woord.

Mevrouw Barbara Bonte (Vlaams Belang)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik vrees dat wat er in deze school in Brussel is gebeurd, slechts het topje van de ijsberg is. Want veel mensen die dergelijke dingen meemaken, zwijgen uit angst om te worden beschouwd als racist of islamofoob. Vandaag  stond er in De Standaard bijvoorbeeld nog een artikel over een studie waaruit blijkt dat de spanningen tussen moslims en niet-moslims in Brussel nog nooit zo groot zijn geweest. Mevrouw Brusseel heeft er daarnet ook al naar verwezen.

In De Standaard stond er een artikel over dezelfde studie, maar dan specifiek over onderwijs, namelijk dat Brusselse leerkrachten liever niets vertellen over Darwin en de evolutieleer, over homoseksualiteit, de gelijkheid van man en vrouw, de kruistochten en dergelijke om bepaalde bevolkingsgroepen niet te schofferen.

Voor mij gaat de discussie dan ook eerder over het feit dat zaken die wij hier in een westers land als vrijheden beschouwen, die we als zeer vanzelfsprekend vinden en niet ter discussie stellen, door de islam wel ter discussie worden gesteld en niet worden aanvaard. Wanneer een ideologie en in casu de islamitische wetgeving boven onze democratische rechtsstaat wordt geplaatst, zitten we met een groot probleem. Het gebeurt maar al te vaak dat wij ons aanpassen aan wat de islam wil, bijvoorbeeld door op school halalvoedsel te serveren aan kinderen, te aanvaarden dat sommige kinderen niet willen turnen in gemengde lessen en, zoals nu het geval was in de Brusselse school, uitdrukkelijk te vragen om op geen enkele manier uiting te geven aan zijn of haar seksuele geaardheid. 

Het zou omgekeerd moeten zijn. Want we leven in Europa en hier gelden onze wetten, onze normen en waarden. 

De voorzitter

De heer Verstreken heeft het woord.

De heer Johan Verstreken (CD&V)

Ik pik even in op wat mevrouw Bonte zegt. Dit gebeurt niet alleen in islamscholen, want ik meen mij sommige tv-reportages en artikels te herinneren waaruit blijkt dat het ook gebeurt in andere scholen. Zo verwijdert men daar bijvoorbeeld sommige dingen uit het leerplan. We moeten langs beide kanten ook wat andere zaken belichten.

Minister, los daarvan wil ik u danken voor uw zeer uitgebreid antwoord. Ik denk dat we, samen met heel wat collega’s in deze commissie, op dezelfde golflengte zitten.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mevrouw Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Mocht er enige twijfel over bestaan, wil ik voor alle duidelijkheid zeggen dat ik niet twijfel aan uw stellingname met betrekking tot het werk dat nu wordt gerealiseerd door Sensoa en dergelijke. Ik meende te hebben begrepen dat u dat dacht. U zei: “Ik ben ervan overtuigd dat ze goed werk verrichten.” Ik ook. Ik heb daar geen twijfels over. Ik hoop alleen dat ze hun werk kunnen voortzetten. Het is effectief in elke school een belangrijk thema.

Mevrouw Bonte, u zegt dat er veel niet geweten is. Ik denk dat er ondertussen over heel veel zaken openlijk discussies worden gevoerd en dat er ook degelijk onderzoekswerk wordt verricht naar de problemen die er zijn. Daarvan getuigt het onderzoek dat vandaag kort werd besproken in De Morgen. Het is dus niet waar dat daar zoveel mysterie over hangt.

Ten tweede moet ik u met pijn in het hart zeggen dat homofobie zich niet beperkt tot de allochtone gemeenschap of tot de groep van moslimleerlingen in Brussel en Antwerpen. De suïcidecijfers in de groep holebi’s en transgenders liggen in heel Vlaanderen hoog, ook waar weinig allochtonen wonen. U mag niet te snel conclusies trekken en de blanke Belg als perfect verdraagzaam beschouwen en elke allochtoon veroordelen. Het is niet netjes dat u dat doet.

Los daarvan ben ik de laatste om de problemen onder de mat te vegen. We moeten ze hier openlijk kunnen bespreken. De minister heeft de intentie om met velen in deze commissie te werken aan onderwijs dat om kan met grootstedelijke problemen en diversiteit. Er is inderdaad nog werk aan de winkel, maar iedereen hier aanwezig wil daar werk van maken zonder vooroordelen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik ben het eens met mevrouw Brusseel en de heer Verstreken. Mevrouw Bonte, u haalt een aantal dingen aan, maar de overheid in het algemeen en ik als minister in het bijzonder kunnen er niet duidelijk genoeg over zijn dat er spontaan en normaal moet worden omgegaan met seksuele diversiteit. Dat is de basis. We kunnen niet duidelijker zijn dan de duidelijkheid die er is geweest. Het is belangrijk dat alle scholen dat op eenzelfde en correctie manier doen. Als dat niet gebeurt, dan horen we het wel. Er bestaan immers inspecties en waar kan, wordt er ingegrepen.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.