U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Slootmans heeft het woord.

Minister, het is een jaarlijks terugkerende vraag om uitleg en de vorige maand vrijgemaakte cijfers van Kind en Gezin vormen opnieuw de aanleiding. We weten dat er in twee van de negentien gemeenten in de Vlaamse Rand nog een meerderheid moeders is die thuis Nederlands spreken en die het Nederlands als communicatietaal met hun kind hanteren. Het gaat dan om Meise en Merchtem. In de andere zeventien gemeenten in de Vlaamse Rand is het Frans de grootste taal. De verschillen tussen die gemeenten zijn uiteraard relatief groot, zoals het onderzoek van het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (BRIO) uiteindelijk ook heeft uitgewezen.

In Sint-Pieters-Leeuw, Machelen, Zaventem en Vilvoorde zijn de cijfers echt dramatisch. Daar gaat het om tot 80 procent aan anderstalige gezinnen. Ook in uw eigen Beersel en in Dilbeek, Grimbergen en Tervuren zitten we met betrekking tot de geboortecijfers op een nieuwe bodemkoers. Daar groeit een op drie kinderen of nog minder in een Nederlandstalig gezin op. Wat ook pertinent opvalt, is dat uit de cijfers van Kind en Gezin blijkt dat het aantal geboorten in gezinnen waar geen van beide landstalen wordt gesproken, in tien van de negentien gemeenten in de Vlaamse Rand hoger ligt dan het aantal geboorten in Nederlandstalige gezinnen. Het gaat dan om het Roemeens, het Pools en dergelijke. Dat is een pertinente vaststelling.

U zult waarschijnlijk antwoorden dat die evolutie niet nieuw is. Dit is ook al ruim aan bod gekomen in de omgevingsanalyse in uw beleidsnota, maar deze cijfers zijn natuurlijk een duidelijk waarschuwingssignaal. Het is vijf na twaalf.

In uw beleidsnota en in het Vlaams regeerakkoord hebt u een aantal hefbomen en instrumenten aangereikt die een zeer gedeeltelijk antwoord moeten bieden op de demografische evolutie of revolutie. Ten eerste is er de voorrangsregel ten voordele van leerlingen uit de Vlaamse Gemeenschap. Ten tweede is er het voorbehouden van kavels in grote woonontwikkelingen voor mensen met een streekbinding. Wat die woonontwikkeling betreft, weten we ondertussen trouwens dat heel wat gemeenten in de Vlaamse Rand een bouwstop zullen afkondigen en dergelijke woonontwikkelingen niet meer willen. Dat is nog een bijkomende probleemstelling.

Wat die twee concrete verbintenissen betreft, zijn we ondertussen twee jaar verder en het lijkt me opportuun te vragen wat de stand van zaken is en welke bijkomende maatregelen u in het vooruitzicht stelt om een antwoord te bieden op de demografische evolutie die de cijfers van Kind en Gezin veruitwendigen.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik geef enkele vaststellingen. Het is zo dat niet in twee, maar in drie van de negentien gemeenten het Nederlands niet de grootste taal is, zij het dat het in Hoeilaart vrij nipt is, met 41 procent. In tien gemeenten is de groep die níet het Nederlands of Frans als taal heeft, inderdaad groter dan de groep die Nederlands spreekt. Positief is dat in tien gemeenten het aandeel van het Nederlands, dus het aantal moeders die met hun kind Nederlands spreken, in 2020 steeg ten opzichte van 2019. In de meerderheid van de negentien gemeenten van de Vlaamse Rand stijgt het aandeel van het Nederlands dus, soms ook fors, zoals in Hoeilaart en Overijse. Ik wil daar geen hoerastemming over creëren, maar dat zijn wel lichtpunten. Als die lichtpunten er dan zijn, dan betreur ik dat die gewoon onder de mat worden geveegd omdat ze niet passen in het politiek discours, namelijk dat alles toch naar de vaantjes gaat. Als er lichtpunten zijn, dan mogen we die ook wel eens voor het voetlicht brengen, vind ik.

Het is echter duidelijk dat de bevolkingsgroei de Vlaamse Rand natuurlijk voor een aantal enorme uitdagingen stelt, door de grootte, maar misschien nog meer door de aard van de aangroei, met meer anderstaligen en mensen van buitenlandse herkomst. Dat zien we natuurlijk ook vertaald in die cijfers van Kind en Gezin. We kennen die cijfers. Dat is een van de redenen waarom er vandaag deze aparte commissie voor de Vlaamse Rand is, met een minister die apart voor de Vlaamse Rand bevoegd is en met een begroting voor de Vlaamse Rand, die net werd toegelicht en die sinds 2019 dus met maar liefst 80 procent is gestegen. Dat is een duidelijk engagement van de Vlaamse Regering. Naast het financiële luik is het inhoudelijke natuurlijk van belang. Daarbij ligt de absolute focus op de kennis van het Nederlands. Dat is ruimer dan de Vlaamse Rand essentieel, maar is specifiek voor de Vlaamse Rand absoluut dienstig. Die focus is er in heel ons regeerakkoord, in Onderwijs, in Inburgering. Daaraan gekoppeld is er natuurlijk ook de aandacht voor de groene en open ruimte.

Welke concrete initiatieven ondernamen we in het kader van wat u de ‘vervreemding’ noemt, maar vooral ook van de ontnederlandsing in de Vlaamse Rand? Ten eerste is er de ambitie om fors te investeren in schoolplaatsen in de Rand en daarbuiten. Ik denk dat onze scholen onze belangrijkste integratiehefboom zijn in de Vlaamse Rand. Als we willen dat de Vlaamse Rand ook in de toekomst Vlaams blijft, dan moeten we zo veel mogelijk jongeren in de Rand ervan overtuigen om toe te treden tot het Vlaams onderwijs. Daarom investeren we fors in scholenbouw. In de periode van 2010 tot 2018 kreeg de Vlaamse Rand 9 procent van de totale middelen. In de huidige regeerperiode kreeg de Vlaamse Rand van 2019 tot 2022 bijna 16 procent van de toegekende middelen, en die toegekende middelen zijn ook nog eens fors verhoogd. We zullen in deze regeerperiode 3 miljard euro investeren in schoolinfrastructuur. In de vorige regeerperiode was dat 2,5 miljard euro. 16 procent in vergelijking met 9 procent, dat is dus een goede stap vooruit.

Ook bij volgende toekenningsrondes zullen we ongetwijfeld opnieuw verhoudingsgewijs sterker investeren in de Vlaamse Rand dan in vorige regeerperiodes. Net daarom is er die capaciteitsmonitor. Die moet tegen het einde van dit jaar zijn afgewerkt. We zullen zo een projectie maken van de toekomstige noden op het vlak van capaciteit in de Vlaamse Rand, maar natuurlijk ook daarbuiten.

Daarnaast investeren we in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Dat zijn immers natuurlijk communicerende vaten: als er meer wordt geïnvesteerd in capaciteit in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel verlaagt dat natuurlijk ook de druk op onze scholen in de Vlaamse Rand.

Ten tweede is er de focus op taal. Nog nooit is er zo sterk de klemtoon op de kennis van het Nederlands gelegd. Specifiek voor kinderen die thuis geen Nederlands spreken, is er de nieuwe taalscreening die ik als minister van Onderwijs invoer. Vanaf het schooljaar 2021-2022 voeren we resoluut en kordaat taalscreening in die ook van groot nut zal zijn in de Vlaamse Rand. De daaropvolgende taalintegratietrajecten zijn een nieuw instrument. Dat zal een goede zaak zijn voor onze regio. Er is de verhoging van de eindtermen Nederlands. We leggen in het algemeen de lat hoger in ons secundair onderwijs, maar dat is ook en vooral voor het Nederlands. In de zomerscholen en het leesoffensief dat er binnenkort aankomt, leggen we ook nog eens de focus op het Nederlands. Er zijn de projectoproepen ‘Taalstimulerende activiteiten tijdens schoolvakanties en buitenschoolse kinderopvang’ en ‘Lezen op school’. Ik heb twaalf projecten goedgekeurd, enkel en alleen voor de Vlaamse Rand.

Ten derde is er een nieuw ondersteuningsaanbod voor scholen door vzw ‘de Rand’. Dat is u op het colloquium voorgesteld. De expertise die de vzw ‘de Rand’ heeft opgebouwd, moet niet alleen ten dienste gesteld worden van de gemeenschapscentra en in tweede orde van de gemeentebesturen, maar ook van de scholen. Hoe kunnen we daar vanaf 2022 werk maken van een rechtstreekse ondersteuning van de scholen door vzw ‘de Rand’, onder andere met betrekking tot hun taalbeleid en integratie?

Ten vierde en ten vijfde is er het nieuw inschrijvingsdecreet en Wonen in eigen streek. Over dat nieuwe inschrijvingsdecreet ben ik momenteel de discussie aan het voeren. Ik heb gezien dat dat ook aan bod komt in een volgende vraag. Dat zal ik daarvoor reserveren. Voor Wonen in eigen streek heb ik gezegd dat ik daar dit jaar een initiatief voor wil nemen met alle juridische wolfijzers en schietgeweren. Ook dat wil ik tot een goed einde kunnen brengen. Wil dat dan zeggen dat dit allemaal een positief verhaal is? Nee, zo simpel is het niet, maar met een kordaat, gefocust beleid kunnen we ervoor zorgen dat we enkele nefaste gevolgen van de internationalisering, van de demografische druk toch minstens wat kunnen temperen.

De heer Slootmans heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw uitgebreid antwoord. Ik begrijp daaruit dat u toch heel veel doet om vooral het licht van de zon te ontkennen. U hebt het over lichtpunten, maar ik denk dat het licht soms een beetje te veel in uw ogen schijnt, waarbij u de realiteit niet meer onder ogen kunt zien. Ik gun u dat, maar als we wat cijfers en demografische evoluties betreft, in een parallel universum gaan beginnen te leven, dan is het natuurlijk heel moeilijk om beleid te gaan voeren dat daarop ageert.

Wat betreft de twee concrete doelstellingen of engagementen die u was aangegaan inzake wonen en in het kader van het inschrijvingsdecreet: we begrijpen daaruit dat uw administratie nog altijd naarstig aan het werk is om die op papier te zetten, om die hard te maken in decretaal werk. Wat de kavels en de voorrang betreft, dat is ondertussen al een arrest van het Grondwettelijk Hof van 2013. Ondertussen zijn we acht jaar verder. In die zin is er toch wel tijd genoeg geweest om daaraan tegemoet te komen. In 2017 was er ook de conceptnota Wonen in eigen streek van de N-VA-fractie die goed was, maar die tot nader order nog altijd dode letter gebleven is. Bon, we blijven wel op hoop leven, want het zijn twee maatregelen die uiteraard maar een druppel op een hete plaat zijn, maar ze zijn tenminste een druppel. Onze vrees is, ik hoop het niet, dat het een eersteklas begrafenis wordt. Daar begint het alleszins meer en meer op te lijken. 

Nu, een andere invalshoek wat wonen en sociale verdringing betreft, zou ook de versterking kunnen zijn van Vlabinvest, eventueel via middelen van het Vlaamse Randfonds. We hebben het laatste jaarverslag van Vlabinvest gelezen. We zien daar opnieuw dat de budgettaire marge van Vlabinvest veel te beperkt is om maar enigszins impact te kunnen hebben op het vlak van sociale verdringing. Zij zitten sinds 1992 aan 1,2 woningen per jaar per gemeente. Dat is verwaarloosbaar. Dat is gewoon impact nul. Zoals u weet, is Vlabinvest voor een heel groot stuk afhankelijk van Vlaamse subsidies en dotaties. De vraag aan u is om middelen van het Vlaamse Randfonds of eventueel bij uw collega Diependaele los te weken in het kader van Vlabinvest om op het vlak van wonen, als daar volgend jaar een prioritair jaar aan wordt besteed, veel meer middelen te besteden om het probleem van de sociale verdringing, dat een van de belangrijkste factoren is voor de ontnederlandsing van de Vlaamse Rand, aan te pakken.

Mevrouw De Coninck heeft het woord.

Collega Slootmans, ik denk dat u ondertussen specialist bent in het telkens herhalen van dezelfde problemen. Ik denk niet dat iemand in deze zaal die problemen ontkent. U suggereert dat wij die realiteit ontkennen. Dat is absoluut niet waar. Ik denk dat iedereen, zowel op Vlaams niveau als bij de lokale besturen, naar oplossingen zoekt. Iedereen weet dat die uitdagingen groot zijn, zowel op het vlak van taal als ruimtebeslag.

Minister, het beleid van deze regering, net zoals de vorige, is om te zorgen dat alle kinderen en hun ouders zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren. De initiatieven die u neemt, zijn daar een mooi voorbeeld van. U haalde ze al aan: recent het taalbad, de taalscreening en dergelijke meer. Dat zijn allemaal instrumenten om ervoor te zorgen dat de taalachterstand geen leerachterstand wordt en dat de grondige kennis van het Nederlands centraal staat om te kunnen participeren in onze samenleving in Vlaanderen. Ook het feit dat het inburgeringsbeleid verscherpt wordt, is een goede zaak om hiermee om te gaan. Het feit dat Vlaanderen op dat vlak kosten noch moeite spaart om alle nieuwkomers te begeleiden, is nodig en nuttig.

Uit de cijfers blijkt ook dat we hier en daar wat kansen moeten zien. Terwijl het Frans en de Franstalige inwoners vroeger het overwicht hadden, is er nu een veranderende populatie en komen er meer anderstaligen bij ten opzichte van Franstaligen en Nederlandstaligen. Daarbij zien we dat bij veel mensen met een andere taalachtergrond er net wel de wil is om het Nederlands te leren, niet alleen door het gebrek aan kennis van de andere landstalen maar ook omdat ze het steeds meer als een noodzakelijkheid zien. Dat is een goede zaak, net zoals het feit dat de lokale besturen mee op die kar springen en daarop inzetten om de taal aan te leren aan anderstaligen.

Het is duidelijk dat we op het vlak van taalwetgeving geen toegevingen moeten doen. Er is maar één bestuurstaal in Vlaanderen en dat is het Nederlands.

Ik had nog een vraag. Misschien heb ik het niet goed gehoord in uw antwoord. Wonen in eigen streek is inderdaad een belangrijk dossier. U zei dat u daar werk van maakt. Kunt u al wat meer duidelijkheid geven over de timing van dat dossier? 

Mevrouw Segers heeft het woord.

De vraag van collega Slootmans sluit eigenlijk ook aan bij mijn volgende vraag. Die gaat over BRIO. Of het nu de cijfers van Kind en Gezin zijn of de cijfers van BRIO, ze wijzen allemaal in dezelfde richting. Volgens BRIO heeft 40 procent van de bevolking uit de strikt gedefinieerde Rand een niet-Belgische herkomst. Ter vergelijking: in Vlaanderen is dat 23 procent. Dat is dus een hoog percentage.

Minister, ik heb zeker appreciatie voor de inspanningen die al gebeuren vanuit uw bevoegdheid voor het beleidsdomein van de Vlaamse Rand. Dit is ook een zeer interessant debat, maar het feit is – en dat is nu heel vervelend – dat ik dadelijk naar Brussel moet vertrekken. Mijn vraag is eigenlijk of ik mijn vraag om uitleg die hierna geagendeerd staat, naar volgende week kan uitstellen. Dan kunnen we dit debat nog eens voeren. Want nu moet ik moet eigenlijk meteen op de trein, en ik weet dat ik daar geen verbinding heb. Dat is dus eigenlijk mijn vraag aan de collega’s, en aan u, minister: om mijn vraag om uitleg uit te stellen naar volgende week, en dat we dan het debat verder nog wat intensiever kunnen voeren. 

Dank u, mevrouw Segers. Het is natuurlijk niet zeker dat we volgende week een vergadering hebben, maar ik begrijp dat u uw vraag wil uitstellen.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ja, mevrouw Segers heeft natuurlijk gelijk dat de vraag eigenlijk over exact dezelfde problematiek gaat. Als je enige rechtlijnigheid aan de dag legt, dan heeft dat als consequentie dat ook het antwoord volledig in dezelfde zin zal zijn als het antwoord dat ik daarnet gaf aan de heer Slootmans.

Ik begrijp natuurlijk uw discours, mijnheer Slootmans, maar ik wil gewoon, wanneer er lichtpunten zijn, dat we die dan toch eens gaan aanhalen. Ik snap dat dat niet in uw politiek narratief past, maar als die lichtpunten er zijn, dan wil ik die toch bekijken. Die cijfers zijn – bijvoorbeeld voor Hoeilaart en Overijse – toch wel significant. Ik wil dat kunnen bekijken, of we daar bepaalde oorzaken van kunnen aanduiden. Die zijn statistisch echt significant. Ik spreek over – uit het hoofd – een toename met 7 à 8 procent. Dat is relevant. Kunnen we daarvan de oorzaken aanduiden?

Ten tweede, wat de maatregelen betreft: u luidt al de doodsklokken en een eersteklas begrafenis voor maatregelen waarmee ik bezig ben. U weet ongetwijfeld veel meer dan ikzelf. Maar ik zeg wel – ook met betrekking tot Wonen in Eigen Streek – dat ik dit jaar met een initiatief wil komen. Het is niet allemaal sodom en gomorra, zwartgalligheid alom. Schroom u vooral niet om constructieve, nieuwe, creatieve voorstellen te doen die ook juridisch steek kunnen houden, die we echt kunnen uitrollen, die misschien een beetje verder gaan dan ‘geld geven aan Vlabinvest’. Ik ken uw appreciatie en liefde voor het provinciaal niveau – mogelijk wat in conflict met een partijlijn, maar dat is u gegund –, maar ik denk dat we wel wat creatiever aan de slag zouden kunnen gaan. Vandaar ook mijn voorstel dat als er creatieve voorstellen zijn, die werkelijk op het terrein het verschil kunnen maken, dan wil ik die altijd bekijken, natuurlijk binnen de beperking dat ze ook juridisch steek kunnen houden.

De heer Slootmans heeft het woord.

Wat mevrouw De Coninck betreft: zij zegt dat ‘het altijd hetzelfde riedeltje is dat we hier moeten aanhoren van Slootmans’. Ik ben ooit nog naar een N-VA-meeting geweest, mevrouw De Coninck, en daar stond op het podium een grote boomstam, en Mark Demesmaeker klopte daar altijd met een nagel op, en hij zei dat zij als N-VA de garantie waren om telkens op diezelfde nagel van het communautaire te kloppen. Wel, in navolging van het advies van de heer Demesmaeker doe ik dat hier ook. Ik denk dus niet dat u mij dat kunt verwijten.

Wat uw antwoord betreft, minister: u zegt dat het juridisch moet standhouden, dat het juridisch moet steekhouden. Ja, dat klopt. Maar bijvoorbeeld, wat betreft de voorrangsregeling in het onderwijs: ik heb partijblaadjes van de N-VA teruggevonden van 2012 waarin dat al wordt aangehaald. En men is negen jaar verder. In die tijd beheersten jullie de kabinetten, en hebben jullie het nodige personeel gehad om daar inderdaad werk van te maken. In die zin begrijp ik absoluut niet waarom zoiets deze keer wel zou lukken. Het is mijn vrees dat het een eersteklas begrafenis wordt, wanneer het de afgelopen acht à negen jaar niet gelukt is.

Maar bon, wij leven op hoop. Ik begrijp dat zelfs u als minister, zelfs als viceminister-president, de grote demografische evoluties niet kunt keren. Maar wat wij u verwijten, is dat u de zeer beperkte beleidsruimte die u hebt niet maximaal gebruikt. De weinige marge die u hebt, wordt niet gebruikt. Bij ongewijzigd beleid vrees ik dat we op zeer korte termijn ook in Hoeilaart en Overijse – want ook daar gaat het over een minderheid Nederlandstaligen – naar een volledig geminoriseerde Vlaamse gemeenschap gaan in de Rand. Ik mag hopen dat u niet wilt dat dat uw politieke erfenis is. We zullen het zien.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.