U bent hier

Commissievergadering

woensdag 16 juni 2021, 8.22u

Voorzitter
van Stijn De Roo aan minister Hilde Crevits
3578 (2020-2021)

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer De Roo heeft het woord.

Koolstofbuffers zijn zeer belangrijk in de strijd tegen de klimaatverandering. De biomassa van wortels en bovengroei in bos en blijvend grasland zijn voorbeelden die we kennen, maar ook veen is een zeer belangrijke koolstofbuffer. In Europa is de totale opslag van koolstof in veen vijf keer groter dan die in de bossen. Het gaat om meer dan 500 miljard ton koolstof, een derde van de organische opslag van koolstof, hoewel veen minder dan 5 procent uitmaakt van de totale oppervlakte van het noordelijk halfrond.

Dat veen bevindt zich in de bodem in lagen die vaak gemakkelijk toegankelijk zijn, dicht bij de oppervlakte, maar ze kunnen tot acht of soms zelfs tien meter diepte gaan. Vroeger werd in onze streken, net zoals in Nederland en Ierland, turf gewonnen uit veen. Daarbij werd de grond droog gelegd en werd de turf vooral als brandstof gebruikt. Net als bruinkool, steenkool en petroleum is turf een fossiele brandstof. Niet enkel bij de verbranding maar ook bij de ontginning komt CO2 vrij door oxidatie.

In ons land wordt geen turf meer ontgonnen of verstookt. Turf wordt wel nog frequent gebruikt als hoofdbestanddeel, tot 83 procent, van potgrond. Volgens Ruben Vanholme van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) zou een zak van 40 liter turf gelijk staan met 10 kilogram CO2, of de uitstoot van een auto die 75 kilometer aflegt.

Het Verenigd Koninkrijk verbiedt nu de verkoop van potgrond met turf aan particulieren tegen 2024, en wil daarnaast 35.000 hectare verdwenen veengronden herstellen. Het verbod komt er na een periode van informatie en bewustmaking die had moeten leiden tot het uitfaseren van turf tegen 2020. Dat is dus niet gelukt, hoewel de campagne negen jaar heeft gelopen, sinds 2011.

Er wordt nog altijd turf gebruikt omdat turf voor de tuinbouw een topproduct is. Turf heeft enorme kwaliteiten voor tuinders, zowel voor professionele als voor amateurtuinders. Het houdt vocht en nutriënten voor de planten bij, het is licht, goed transporteerbaar en het is steriel. Bij ziektegevoelige teelten is dat laatste zeer belangrijk om een hoger gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen te gaan.

De professionele tuinbouw staat als gevolg van de ecologische situatie zeker niet weigerachtig tegenover het aanwenden van volwaardige alternatieven voor veensubstraat, maar dan moet men wel kunnen rekenen op een voldoende en standvastige kwaliteit.

Minister, welke mogelijke alternatieven ziet u voor het gebruik van veensubstraat of turf door professionelen en amateurtuiniers? Wat zijn de voor- en nadelen van die alternatieven? Welke studies of projecten zijn er tijdens deze legislatuur al gepland rond de evaluatie van alternatieven? Welke studies en projecten worden mogelijk nog gepland tijdens deze legislatuur?

Welke drempels of barrières stelt u vast om het gebruik van veensubstraat in de tuinbouwsector te verminderen? Op welke manier wilt u die drempels wegwerken?

Welke initiatieven plant u met betrekking tot het hergebruik van substraten in deze legislatuur? Welke rol ziet u weggelegd voor de overheid, voor de toeleveranciers en voor de tuinbouwsector?

Welke initiatieven zijn er wenselijk, gepland of al in uitvoering rond het gebruik van turf en veensubstraat door particulieren? Zijn de aanduidingen van herkomst, bestanddelen en buffering voldoende duidelijk op verpakte potgrond en substraatmengsels zoals men die in tuincentra of online kan aanschaffen? Is daar eventueel een aanpassing nodig?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, er zijn van die vragen waarbij ik ook veel bijleer. Het gebruik van turf is er zo eentje waar ik met stijgende interesse het antwoord heb gelezen dat ik nu voor jullie zal brengen.

Collega De Roo, onderzoek naar de vervanging van veen en turf voor substraatteelt door alternatieven is ondanks het feit dat het voor mij allemaal nieuw is, al enkele jaren actueel. Er werden de voorbije jaren verschillende projecten uitgevoerd in de sierteelt, groente- en fruitsector om turf in substraat volledig of gedeeltelijk te vervangen. Er zijn een aantal producten die gelijkaardige eigenschappen hebben zoals rotswol of kokosproducten. Daarnaast zijn er talrijke producten uit diverse afvalstromen die kunnen worden ingemengd in substraat om het aandeel turf te verminderen voor een aantal teelten. Dit kan tot ongeveer 30 procent zonder grote effecten op teelttechnisch niveau.

Deze legislatuur zijn al een aantal projecten opgestart of gepland. Voor de teelt van aardbeien en tomaten bijvoorbeeld bekijken we via het Interreg 2 Seas project ‘Horti-BlueC’ het gebruik van verschillende organische afvalstromen om tot betere en meer duurzame teeltsubstraten in serres te komen.

Daarnaast organiseren het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), het Proefcentrum voor Sierteelt (PCS), het Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen (PCG), het Proefcentrum Hoogstraten (PCH), de Universiteit Gent en de Universiteit Hasselt in augustus 2021 een internationaal symposium over dit onderwerp, waar Vlaamse onderzoekers kennis uitwisselen met buitenlandse experten. Het beleid rond veenvervanging in de tuinbouw in diverse landen zal er worden besproken.

De uniformiteit, stabiliteit en kwaliteit van substraten met veenvervangers moet over de jaren heen goed zijn om als vertrouwd product te kunnen worden gebruikt. Daarnaast zal een veenvervanger ook een regelmatige aanvoer moeten kennen. Een vervanging van 30 procent veen door alternatieven zou al een grote milieu-impact hebben voor zowel professionele als particuliere substraten. Hiervoor zal een zekere bewustwording nodig zijn om de vraag naar substraten met veenvervangers te vergroten.

Om de vraag te stimuleren is er, naast onderzoek, ook nood aan kennisdoorstroming van technische kennis naar telers, en aan promotie van het belang van veenvervangers naar het brede publiek. De sector staat hier zeker voor open, de praktijkcentra kunnen daar ook een rol in spelen. Een geleidelijke omschakeling, rekening houdend met het meerjarig karakter van sommige teelten en het in de vingers krijgen van teelttechnische wijzigingen, is hierbij erg belangrijk. Telers moeten een meerwaarde kunnen realiseren voor hun teelt met substraat met turfvervangers.

Substraatteelt is een middel om efficiënt met water en nutriënten om te kunnen gaan, en om vergroening in de stedelijke omgeving mogelijk te maken, en zorgt dus voor een groot milieuvoordeel. Om dit voordeel te behouden, dient de vervanging van turf voldoende onderbouwd te worden. Op beleidsvlak wordt dit ondersteund door het Vlaams beleidsplan bio-economie en het Vlaams actieplan ‘Voedselverlies en biomassa(rest)stromen circulair 2021-2025’.

Ik komt tot uw derde vraag. Direct hergebruik van turf is een waardevolle optie, mits een duurzame ontsmettingstechniek wordt toegepast, want er moet voldoende aandacht zijn voor het beheersen van plagen en ziekten. Hergebruik is eenvoudig op het eigen bedrijf maar complexer tussen bedrijven, vanwege de afvalstoffenreglementering. De verwerking van gebruikte teeltsubstraten door compostering bleek ook technisch haalbaar en is ook al operationeel in Vlaanderen.

Wat de initiatieven betreft: promotie bij particulieren voor het gebruik van veenvervangers kan de vraag stimuleren, bijvoorbeeld bij de aankoop van planten in pot of potgronden. Een goede afstemming met geleidelijke omschakeling bij producenten van planten en potgronden zou dit kunnen versterken: producenten schakelen om en zien de vraag toenemen, wat een win-win is voor iedereen.

Het labelen en de verpakking zijn een federale bevoegdheid. De materialen in de mengsels worden verplicht op de verpakking vermeld. Een vermelding van het percentage aan turf is momenteel niet verplicht op de verpakkingen, maar mogelijk wel wenselijk in functie van een promotiecampagne of van bewustmaking.

De heer De Roo heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb daar verschillende goede zaken in gehoord.

Het is belangrijk om te zeggen dat de sector weet dat turf voor een negatieve klimaatimpact zorgt, maar gezien de hoge kwaliteit van het product mogen we het kind niet met het badwater weggooien. Ik heb u horen zeggen dat we voor een geleidelijke overgang gaan, dat we veel gaan testen, dat we een proefcentrum gaan inschakelen, dat we gaan zorgen voor sensibilisering. Ik denk dat dat voor de professionele sector een heel belangrijke zaak is. Het zou niet goed zijn, denk ik, om vanwege een klimaatprobleem een groter probleem te creëren, wat je zou krijgen door een hogere ziektedruk of door de toepassing van meer gewasbeschermingsmiddelen omdat het alternatief dat voorhanden is, nog niet voldoende kwaliteit levert ten opzichte van het oorspronkelijke product. Een geleidelijke omschakeling lijkt me zeker het beste.

Richting hergebruik op het bedrijf zie ik zelf ook wel een aantal opportuniteiten. Vandaag gebeurt dat minder. Proefprojecten kunnen op dat vlak een bijdrage leveren om het hergebruik van turfsubstraat op het bedrijf te stimuleren, mits we de ziektedruk die daarmee gepaard kan gaan, in acht nemen.

Die sensibiliseringscampagne richting particulieren, op de verpakking van compost, heb ik goed begrepen dat dat sowieso een federale bevoegdheid is, waar we vanuit Vlaanderen dus niets kunnen doen? Of ziet u toch mogelijkheden binnen uw bevoegdheden of binnen de bevoegdheden van andere collega’s in de regering om een soort verplichting op te leggen om het percentage turf te gaan afficheren en de particulieren zo een beetje bewust te maken van het product dat die aankoopt?

De heer Steenwegen heeft het woord.

Collega De Roo, dank u wel voor uw interessante en terechte vraag. Het is een probleem dat de laatste jaren inderdaad wat meer aandacht heeft gekregen en actueler is geworden.

Ik zat zelf nog een beetje met een vraag. Er is natuurlijk het professionele gebruik, maar er is ook het particuliere gebruik. Ik kan mij voorstellen – en we hebben dat in het verleden ook gezien bij het gebruik van pesticiden – dat er bij het particuliere gebruik, waar er minder problemen zijn inzake inkomen, bedrijfsvoering en de mogelijkheden tot vervanging, een verschillend spoor is gevolgd. Ik heb eigenlijk totaal geen idee van de verhouding tussen professionelen en particulieren van het gebruik van turf of potgrond – potgrond kennen we als particulier beter. Minister, dat is een eerste bijkomende vraag. Mocht u dat niet direct weten … (Het geluid van Chris Steenwegen valt weg.) Het zou me wel interesseren om die cijfers eens te hebben, voor zover die bekend zijn, want dat lijkt me wel interessant.

Mijn vraag is eigenlijk of het mogelijk is om een verschillende aanpak te voorzien, enerzijds richting het professionele gebruik, waar we inderdaad veel omzichtiger mee moeten omgaan en waarvoor we geleidelijk aan zullen moeten zoeken om de negatieve effecten van alternatieven te vermijden, en anderzijds richting particulieren, waar problemen inzake besmettingsgevaar en zo zich minder voordoen. De potgrond die we gebruiken om bloemetjes in te zetten, ik denk niet dat dat echt een probleem is. De vraag is dus eigenlijk of er verschillende mogelijke sporen zijn. Wordt daarover nagedacht?

Ik zou misschien zelf nog een ander accentje willen toevoegen, namelijk het aspect van de zekerheid dat de alternatieve stromen die gebruikt worden om turf te vervangen, ook voldoen aan alle mogelijke gezondheidsvereisten. Vaak hebben we een standaard analyserapport dat aangeeft dat iets effectief ook wel toelaatbaar is, met een certificaat erbij, maar soms komen we in de situatie waarbij plotseling stoffen die niet gecontroleerd worden in een bepaalde stroom, toch wel voor problemen zorgen. Dat geeft dan soms problemen voor de rechtszekerheid van de gebruiker. Ik denk dus dat we ervoor moeten zorgen dat er voldoende rechtszekerheid is, ook voor de gebruiker, dat wat als nevenstroom toegevoegd wordt aan het turfmengsel, nadien niet voor problemen kan zorgen.  

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik hoor dat jullie allemaal turfexperten zijn.

Collega De Roo, ik wil het kind niet met het badwater weggooien. Het is zeker onze ambitie om onder meer door innovatie in te zetten op de alternatieven en het hergebruik, zodat turfopgravingen vanzelf uitgefaseerd kunnen worden.

De labeling en verpakking waar u naar vroeg, zijn inderdaad federale bevoegdheden, maar ik zal er zeker voor zorgen dat uw suggestie, die interessant is, aan onze diensten doorgegeven wordt om te onderzoeken. Dat kan ook perfect voor promotiecampagnes.

De cijfers over het particuliere en professionele gebruik, collega Steenwegen, die heb ik nu niet bij de hand, maar ik zal bekijken of we die ergens kunnen vinden. Zo ja, dan leveren we die aan als bijlage bij deze vraag, tenzij u er een schriftelijke vraag over stelt; dan hebt u ze over een aantal dagen exclusief. Maar het zijn geen geheimen. Als we ze hebben, dan laat ik ze aan het verslag van deze vraag om uitleg toevoegen. U steekt uw duim op, dus dat is goed.

Het is ook zo, collega Steenwegen, dat de economische gevolgen van minderwaardige alternatieven vooral spelen voor het professioneel gebruik. Ook voor particulieren moeten we vooral inzetten op communicatie, zodat mensen de negatieve impact van overmatig turfgebruik beter kunnen inschatten en dus ook hun consumptiepatroon kunnen aanpassen. Je ziet dat mensen wel gevoelig zijn voor zulke zaken. We moeten dat communicatief goed gaan aanpakken.

Collega Dochy, uw vraag ging over de inmenging van de nevenstroom en de rechtszekerheid daarvan, als ik het goed begrijp. Dat is inderdaad een heel belangrijk aandachtspunt, dat ook meegenomen is in het actieplan bio-economie. We moeten dat inderdaad goed in het oog houden.

De heer De Roo heeft het woord.

Dank u, collega’s, voor de aanvulling en, minister, voor uw antwoorden.

Ik denk dat het inderdaad een correcte opmerking is van collega Steenwegen dat particulieren misschien iets minder stilstaan bij wat er nu precies in die zak zit die ze kopen, waardoor een differentiatie in de aanpak van beleid wellicht op zijn plaats is. Bij particulieren kan dat inderdaad iets sneller gaan.

Ik ben vooral ook tevreden met het genuanceerde debat, in die zin dat ik hier in de commissie wel eensgezindheid hoor over het feit dat het geleidelijk moet gaan. Zoals collega Dochy heeft aangehaald, moeten we ten eerste zorgen voor rechtszekerheid – heel belangrijk – en ten tweede voor kwaliteit, in die zin dat die omschakeling geen verdere economische impact mag hebben.

Bedankt voor de antwoorden. Dit wordt zeker nog vervolgd.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.