U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze interpellaties en deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

We hebben de volgorde bepaald op basis van het moment van het indienen van de vragen of interpellaties.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, collega’s, ik denk dat ik de inleiding over de uitdagingen die we hebben op het vlak van stikstof momenteel achterwege kan laten en meteen de sprong kan maken naar de concrete vraag, die ik een aantal weken geleden heb ingediend. Ik heb ondertussen moeten vaststellen dat die vraag steeds actueler wordt door de uitvoeringen, de reacties en de toepassingen op het terrein.

Minister Demir, ik had de vraag aan u gesteld. Ik richt me momenteel dus ook tot u. Op 2 mei maakte u via een ministeriële instructie bekend hoe het tijdelijke PAS-kader (Programmatische Aanpak Stikstof) eruit zou zien in afwachting van een definitief PAS-kader. Veehouderijen en mestverwerkende bedrijven moeten een individuele beoordeling ondergaan voor hun ammoniakuitstoot, en als de bijkomende stikstofdepositie boven de 0 procentdrempel komt, moet er ook een passende beoordeling worden gemaakt.

Op 11 mei 2021 werd op de website van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) aan deze ministeriële instructie een richtsnoer toegevoegd, waarbij u adviseert om bepaalde principes toe te passen bij de beoordeling van vergunningsaanvragen.

Specifiek over het uitvaardigen en de toepassing van dit richtsnoer had ik u graag een aantal vragen gesteld, minister.

Wat is de betekenis van een richtsnoer – aangezien dit een nieuw instrument is in de regelgeving – en wat is de decretale basis van dit instrument? Wat is de juridische waarde van dit richtsnoer bij het verlenen van vergunningen? In welke mate zijn een vergunningverlenende overheid en anderen gebonden aan dit instrument?

Op welke wetenschappelijke onderbouwing baseert u zich om zonder een doorrekening van scenario’s, zonder milieueffectrapport (MER), zonder passende beoordeling en zonder een definitief PAS-kader deze richtsnoeren uit te schrijven? In welke mate is het expertenpanel PAS betrokken bij het uitwerken van dit richtsnoer?

Op welke manier geeft de Vlaamse Regering invulling aan haar engagement om de land- en tuinbouwsector voluit te begeleiden en te ondersteunen in de uitdagingen en de extra inspanningen die voortvloeien uit het PAS-beleid? Hoeveel extra budgetten zijn vrijgemaakt voor de extra inspanningen opgenomen in dit specifieke richtsnoer?

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, in de eerste plaats wil ik zeggen dat ik tevreden ben dat beide ministers aanwezig zijn. Ik heb mijn interpellatie gericht aan minister Demir, maar ik denk dat het terecht is dat ook de minister van Landbouw hierbij aanwezig is. Ik denk dat dit een dossier is waarin de verschillende betrokken beleidsdomeinen moeilijk van elkaar losgekoppeld kunnen worden. Het zou natuurlijk nog beter geweest zijn, mochten we fysiek vergaderd kunnen hebben. Dat zou de dynamiek van het debat ten goede komen. Ik vrees dat dit echter pas na het zomerreces mogelijk zal zijn.

Wat de interpellatie zelf betreft, hoop ik dat ik hier vandaag de economische meerwaarde, de absolute noodzaak van onze Vlaamse land- en tuinbouwsector niet meer moet onderstrepen. Ik geef u een paar cijfers mee. Er zijn 20.000 professionele landbouwbedrijven in Vlaanderen, waarin bijna 135.000 mensen rechtstreeks tewerkgesteld worden, met daarnaast nog een aantal onrechtstreeks tewerkgestelden. De jaarlijkse omzet van landbouwproducten en hun afgeleiden bedraagt 61,7 miljard euro, met een aandeel van 12 procent in de totale Belgische in- en uitvoer. Het Belgisch handelsoverschot in agrohandelsproducten bedroeg in 2017 6,5 miljard euro. Zoals geweten, staat de toekomst van deze voor onze economie en welvaart belangrijke sector echter onder toenemende druk vanwege diverse factoren die de voorbije weken en maanden reeds herhaaldelijk ter sprake kwamen in het Vlaams Parlement. De voorbije maanden kreeg de sector nieuwe klappen te verwerken en werd hij overladen met alle zonden Israëls.

Collega Rombouts verwees al naar het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 25 februari, dat de Vlaamse stikstofregeling op losse schroeven zette. De Vlaamse Regering werkte toen een tijdelijke stikstofregeling uit. Hieruit bleek dat er een onderscheid gemaakt werd tussen de landbouwbedrijven en de industrie- en transportsector. De voorziene regels voor de industrie- en transportsector waren of zijn blijkbaar minder strikt.

De tijdelijke regeling werd ook van toepassing verklaard op lopende aanvragen. De landbouwsector sprak van discriminatie tussen de sectoren. De vrees leeft bij landbouwers dat zij het slachtoffer zullen worden van de nieuwe stikstofaanpak, omdat die het onmogelijk zou maken voor stikstofuitstotende bedrijven om nog uit te breiden of op te starten. Er werd zelfs luidop de vraag gesteld of de regeling wel stand zou houden voor de rechtbank.

Uit persberichten van vandaag blijkt dat de administratie van het Departement Landbouw en Visserij zich – volgens mij terecht – weigert neer te leggen bij de nieuwe instructie en adviezen van de omgevingsvergunningscommissies die in dat verband worden afgeleverd. De landbouwadministratie is in haar standpunt bij de adviezen vlijmscherp voor de instructie, en dus ook voor het beleid van de regering. De administratie noemt de criteria in de instructie “eenzijdig en willekeurig, waardoor de facto een vergunningsstop voor de landbouwsector ontstaat, en de rechtszekerheid wordt ondergraven”. Verder nog: “In afwachting van duidelijke en rechtszekere criteria over hoe de vergunningverlening wordt aangepakt, wensen we niet mee te gaan in het voorliggend voorstel tot weigering”, schrijft het departement.

De administratie is het duidelijk allerminst eens met de bewering van minister Crevits, toen zij op mijn recente vraag – ik dacht in de commissievergadering van 12 mei – antwoordde dat de tijdelijke regeling en beslissing de vergunning niet minder, maar net meer rechtszeker zou maken. Dat blijkt toch niet uit de feiten, en het blijkt niet uit de houding van het landbouwdepartement, minister.

Voorzitter, het zal u niet verbazen dat ik het standpunt van het departement Landbouw volledig onderschrijf. Ik heb er natuurlijk ook voor gewaarschuwd in het parlementaire debat, dat er problemen op ons af zouden komen, en dat er door die tijdelijke regeling een pak uitbreidingen en vergunningsaanvragen geweigerd zouden worden, waardoor de rechtszekerheid allerminst gegarandeerd is.

Ik heb een aantal vragen. Ze waren gericht aan minister Demir, maar ik denk dat er een aantal bij zitten waar ook minister Crevits wel zal kunnen op antwoorden.

Minister – of ministers –, kunt u mij meedelen of de in het artikel vermelde informatie dat het departement Landbouw zich niet neerlegt bij de instructie, wel degelijk klopt? We hadden het daarnet over de pers, ik zou dat graag vandaag bevestigd horen.

Is, naast de landbouworganisaties, dus ook de landbouwadministratie van oordeel dat door de nieuwe tijdelijke regeling de rechtszekerheid wordt ondergraven en er de facto dus een vergunningsstop is ontstaan? Ik zou er zelfs durven bij te vragen of dit betekent dat de nieuwe tijdelijke regeling het best op de schop gaat.

Hoe reageert u, minister Demir, op de snoeiharde kritiek van een administratie die dan toch wel het meest te maken heeft en het best op de hoogte is van de problemen in de landbouwsector?

Zal de regering naar aanleiding van deze kritiek alsnog de instructie laten aanpassen, zodat de landbouwsector opnieuw de gelegenheid krijgt om uit te breiden op een manier die economische activiteit en milieu verzoent?

Tot slot: op welke manier wil de regering dan wel uitvoering geven aan het Vlaams regeerakkoord, dat stelt dat land- en tuinbouwers door de regering zullen worden benaderd “als ondernemers die een strategische rol voor onze economie en onze maatschappij vervullen” en derhalve dus uiteraard ruimte moeten krijgen om op een gezonde manier te groeien? Want voor ons is en blijft de land- en tuinbouwsector in Vlaanderen meer dan ooit een economische sector.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Goeiemorgen, ministers. Ook ik ben tevreden dat de twee ministers aanwezig zijn op deze commissievergadering, want het is inderdaad zo dat Landbouw en Milieu in deze problematiek niet los van mekaar te zien zijn. Het is dus goed dat we jullie beiden hierover kunnen aanspreken.

Mijn interpellatie is gericht aan minister Crevits, en heeft betrekking op de houding van de administratie. We kennen de context:

De uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) van 25 februari gaf mee dat de voorlopige stikstofregeling die Vlaanderen hanteerde, en die de basis was om vergunningen te verlenen, eigenlijk niet voldeed.

Eigenlijk had de Raad voor Vergunningsbetwistingen vooral problemen met de wetenschappelijkheid. De kwantitatieve drempelwaarde van 5 procent kon niet wetenschappelijk aangetoond worden. Men moet eigenlijk bij elk dossier aantonen wat de impact is op het nabijgelegen natuurgebied, de speciale beschermingszone (SBZ). Dat was een uitspraak op 25 februari 2021 over een vergunning voor twee nieuwe pluimveestallen.

Intussen is afgelopen vrijdag bekend geraakt dat er ook voor de vergunningen van het containerdok in de haven van Antwerpen een negatief advies is van de auditeur over de stikstofuitstoot. Ook daar was de reden de kwantitatieve drempelwaarde van 5 procent, dezelfde reden als bij de pluimveestallen. Dat toont dus wel aan dat we met een groot probleem zitten. Die beslissingen betekenen dat we geen richtlijnenkader meer hebben om vergunningen af te leveren.

Op 2 mei maakte u een ministeriële instructie bekend, geen omzendbrief maar een ministeriële instructie, waarop de administraties zich kunnen baseren om vergunningen te verlenen. We hadden voordien al een hoorzitting gehad over de oorzaken van stikstofuitstoot. Daaruit kwam heel duidelijk naar voren dat de stikstofdepositie in Vlaanderen voor twee derde te wijten is aan de landbouw. De rest is te wijten aan het verkeer – 22 procent –, huishoudens – 5 procent –, de industrie – 5 procent – en de energiesector – 0,9 procent. Bovendien blijkt ook – dat is tijdens de hoorzitting ook aangegeven – dat de daling van de ammoniakuitstoot van de veeteelt veel minder uitgesproken is dan nodig. Het is dan ook logisch wat in die ministeriële instructie staat, namelijk dat de landbouw een extra inspanning levert ten opzichte van de andere sectoren.

We kennen de inhoud van die ministeriële instructie, namelijk dat voor de uitstoot van NOx wel wordt gewerkt met een drempelwaarde van 1 procent. Voor de ammoniakuitstoot wordt niet met een drempel gewerkt, maar die moet worden afgetoetst, via een passende beoordeling, aan de impact op de natuur.

Sinds 2 mei hebben de vergunningverleners een kader ter beschikking. Nu blijkt dat de landbouwadministratie in ministens drie gevallen, voor een veestal in Lokeren, Dendermonde en Knesselare, een standaardadvies afgeleverd heeft, waarbij ze zich afzet tegen die ministeriële instructie. Ik citeer uit die drie adviezen, die hetzelfde stellen:

“Het departement Landbouw en Visserij neemt akte van de “Richtsnoeren bij de toepassing van het tussentijds kader voor NH3-emissies veroorzaakt door veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties, opgenomen in de Ministeriële instructie d.d. 2 mei 2021 betreffende de beoordeling van de stikstofuitstoot van vergunningsaanvragen betreffende projecten of activiteiten met mogelijke betekenisvolle effecten op de habitatrichtlijngebieden”, zoals gepubliceerd op 11/05/2021 op de website van het Agentschap Natuur en Bos. Het departement Landbouw en Visserij stelt vast dat in toepassing van de richtlijnen dergelijk strenge criteria worden gehanteerd voor ammoniakemissies van landbouwbedrijven dat een vergunningverlening onmogelijk wordt gemaakt. Zo wordt in de boven vermelde richtlijnen onder meer gesteld: dat vanaf een impactscore van 0,1% een reductie van minimaal 30% moet nagestreefd worden, bovenop het uitrusten van een stalsysteem met een ammoniakemissiearm stalsysteem; dat voor een loutere hervergunning dezelfde principes gehanteerd worden, behoudens ingeval de vergunning wordt beperkt tot 2022; dat voor een hogere impactscore een hogere reductie moet voorop gesteld worden, zonder dat deze geduid wordt. Door dergelijke éénzijdige en willekeurige criteria te hanteren voor één bepaalde doelgroep, wordt de facto een vergunningenstop gehanteerd voor de landbouwsector en wordt de rechtszekerheid van de betrokken aanvragers in de programmatische aanpak stikstof, ongeacht of dit landbouwbedrijven, industriële installaties, particulieren of projectontwikkelaars betreft, ondergraven.

In afwachting van duidelijke en rechtszekere criteria over hoe de vergunningenverlening wordt aangepakt, wensen we niet mee te gaan in voorliggend voorstel tot weigering.”

Dat is een advies dat we in drie adviezen lezen van de landbouwadministratie.

Nu, u werd, minister Crevits, in De Ochtend geconfronteerd met deze uitspraken. U gaf als commentaar dat dit een advies op maat is. Ik lees hier helemaal geen maatwerk in, maar een duidelijk protest tegen een beslissing van de Vlaamse Regering. Ik vind dat een eigenaardige manier van werken. Een administratie doet beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend werk. U bent als minister verantwoordelijk voor de landbouwadministratie. Hiermee gaan ze hun boekje te buiten. Ze gaan niet mee met uw richtlijn en die van de Vlaamse Regering. Bovendien poken ze daarmee de landbouwsector op. We moeten in Vlaanderen komen tot een gedragen stikstofregeling. Met zo’n houding staan we verder van een oplossing dan ooit. We hebben de uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwisting voor de twee kippenstallen in Kortessem en een voorlopige uitspraak over het containerdok in Antwerpen. Eigenlijk lopen we hier het risico dat de hele Vlaamse samenleving op slot gaat als we niet met een deftige regeling komen en niet iedereen zich eraan houdt.

Dat waren drie adviezen in Oost-Vlaanderen, maar het gaat nog verder, met het dossier dat gisteren naar buiten is gekomen en dat aan de basis ligt van de vernietiging van de sectorregeling. Daar geeft de landbouwadministratie voor de tweede keer een positief advies. Ik heb het advies hier bij me, het dateert van voor de ministeriële instructie. Toen waren er eigenlijk geen afspraken, en dus zegt de landbouwadministratie – en dat kan ik nog enigszins begrijpen –: “In afwachting van een duidelijk beleid omtrent de vergunningverleningen in alle sectoren wensen we niet mee te gaan in een algemene vergunningsstop noch in een vergunningsstop die enkel van toepassing is op landbouwbedrijven. Bijgevolg” – en dan komt het – “blijven de eerder verleende adviezen met betrekking tot de uitbreiding onverkort gehandhaafd.”

De Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigt dus een vergunning, de landbouwadministratie moet opnieuw advies geven over diezelfde vergunning, en ze blijven bij hun oud advies. Hun motivatie: ‘Er zijn geen richtlijnen waar we ons kunnen op baseren om ons advies bij te stellen.’ De administratie zegt met andere woorden dat er geen richtlijnen zijn en dat ze dus zelf iets uitvinden. Van het moment dat er wel richtlijnen geformuleerd worden, zeggen ze actief zich daar niet aan te zullen houden. Dit is toch een bijzondere houding.

Gisteren in De Ochtend noemde u, minister Demir, deze houding kafkaiaans. U begrijpt niet dat de landbouwadministratie de sense of urgency niet ziet. Daarmee nemen ze een risico om zelf mee te werken aan een volledige vergunningsstop, die ervoor zal zorgen dat heel wat projecten die tewerkstelling opleveren in Vlaanderen – waaronder de landbouw – niet kunnen doorgaan. Minister Crevits, ik kan me niet voorstellen dat u bereid bent om zo’n risico te lopen.

Ik kom bij mijn tweede punt van enorme bezorgdheid. Waar rijdt de trein naartoe? De landbouw is nu op slot. Maar welke richting willen we uit? De stikstofdepositie vanuit de landbouw zit al jaren op hetzelfde niveau. Op individueel bedrijfsniveau worden inspanningen geleverd, maar de totale sector blijft gelijk. Eigenlijk is het sinds minister Dua geleden dat er ernstige inspanningen geleverd zijn om een echte dalende trend voor de hele sector in te zetten. Nadien, onder CD&V-ministers, is de daling gestopt.

Ik hoor hier telkenmale heel veel spreken over technische oplossingen. Die zijn zeker nodig, we moeten inzetten op innovatie, maar dat is absoluut onvoldoende om die onwaarschijnlijk gigantische uitdagingen waar we voor staan, aan te gaan. Het is de opdracht van deze Vlaamse Regering om dit probleem bij de kern, bij de wortel aan te pakken en te stoppen met symptoombestrijding. We hebben de plicht om de landbouw een toekomstperspectief te bieden. Met andere woorden, we moeten ervoor zorgen dat we lokale voedselvoorziening én de zorg voor het milieu hand in hand laten gaan, en dat de landbouw te allen tijde loon naar werken krijgt voor de rol die we als maatschappij ervan verwachten. Minister Crevits, naar dát debat kijk ik uit. Dát moeten we aangaan. Zonder dat debat te voeren zullen we die stikstofproblematiek niet oplossen.

Minister, vandaar mijn twee vragen. Zult u de administratie richtlijnen verschaffen om de ministeriële instructie toe te passen in haar adviesverlening? Zult u haar erop wijzen dat ze in haar adviezen wel degelijk rekening moet houden met die ministeriële instructie? Welke initiatieven zult u nemen om het debat over de toekomst van de landbouw in Vlaanderen op te starten binnen de grenzen van de milieugebruiksruimte van Vlaanderen? Zult u daar alle actoren bij betrekken? De impact van die visie is immers heel groot, zeker nu we in feite met een vergunningenstop zitten ten gevolge van overmatige stikstofdepositie.

De heer Vandaele heeft het woord.

Voorzitter, ik zal proberen mijn vraag zo kort mogelijk te stellen, want de tijd vordert. Ik hoop dat ik er straks nog ben bij de antwoorden en bij de tweede ronde. Ik zie dat minister Crevits ook al de lange tocht naar Brussel heeft aangevat. Ik moet dat straks ook nog doen. Mocht ik er niet meer zijn, alleszins mijn excuses. Ik ga proberen nog even in de vergadering te blijven.

Ik heb goed geluisterd naar de tussenkomsten van collega Rombouts en collega Sintobin. Ik heb zo het gevoel dat zij te weinig kijken naar datgene waarmee dit alles eigenlijk is begonnen, het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Dat arrest blijft toch niet zonder gevolgen. Ook collega Schauvliege heeft daar daarnet voorbeelden van gegeven. Er is dus dat arrest. Minister Demir verstuurde ministeriële instructies als kader voor de vergunningsaanvrager en de vergunningsverlener, maar blijkbaar trekt het Departement Landbouw en Visserij zich daar dus niks van aan in het kader van zijn adviesverstrekking als het over omgevingsvergunningen gaat. Zelfs – het is al gezegd – in het hernomen dossier van de kippenkwekerij waarmee het eigenlijk allemaal is begonnen en waarop het arrest van Raad voor Vergunningsbetwistingen is gebaseerd, blijft het Departement Landbouw en Visserij bij het oorspronkelijke gunstige advies.

Dat een administratie, die per definitie het beleid van de regering moet uitvoeren, de instructies van die regering niet volgt, tart in mijn ogen elke verbeelding. Het is ook al gezegd. Dit is gewoon onzin, dit kan niet. Collega Rombouts, men kan dan natuurlijk nog discussiëren over de status van die instructie en de precieze juridische draagwijdte ervan, maar daar gaat het mij niet eens om. De intentie is duidelijk. Het probleem is duidelijk. Ook de gevolgen zijn intussen steeds duidelijker. Ik snap het dus niet dat die administratie zich op die manier gedraagt. Trouwens, ik vraag mij ook af welke criteria zij dan zelf gebruikt voor haar advisering. Men geeft een gunstig advies op basis van een kader dat door een arrest al onderuit is gehaald. Als je dan echt de landbouwsector een warm hart toedraagt, als je die bedrijven wilt steunen en rechtszekerheid wilt bieden, dan doe je dat toch niet. Dan ga je toch geen advies geven als een arrest dat kader al heeft vernietigd. En dan zeggen dat je voor de landbouw bent, dat snap ik niet.

Het zou ons te ver leiden, maar men kan natuurlijk nog wel meer vragen stellen bij het functioneren van dat Departement Landbouw en Visserij. Ik denk dat mensen met een lokale verantwoordelijkheid ook wel wat voorbeelden hebben van hoe dat departement soms toch kromme standpunten inneemt.

Ik geef een voorbeeld, waarbij je toch een andere houding van zo’n departement verwacht. Sinds 2004 is het gebruik van emissiearme stallen volgens de best beschikbare technologieën eigenlijk al voorgeschreven. In werkelijkheid zien we dat slechts weinig stallen emissiearm zijn. Dan zou ik verwachten van zo’n administratie Landbouw dat ze aan dat soort thema’s toch veel meer aandacht besteedt en daar ook echt actief aan meewerkt en dat ondersteunt. Maar dat is blijkbaar niet het geval. Dat is slechts één voorbeeld.

Ik wil enkele vragen stellen aan minister Crevits.

Hoe gaat de regering om met een administratie – in dit geval het Departement Landbouw en Visserij – die haar laars lapt aan het beleid van de regering?

In het parlement hebben we jaren gepleit voor en gewerkt aan eengemaakte adviezen. We vonden dat het voor de burger en voor de buitenwacht eigenlijk geen goede zaak was dat de verschillende Vlaamse administraties aparte adviezen gaven die vaak tegenstrijdig waren. We hebben toen gezegd, en de regering heeft dat ondersteund, dat er een eengemaakt advies moest zijn. Blijkbaar trekt ook hier het Departement Landbouw en Visserij zich daar niets van aan, het geeft gewoon zijn eigen standpunt, al is dat een minderheidsstandpunt. Ook hier leidt de houding van zo’n administratie tot het bankroet van het systeem van de eengemaakte adviezen.

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Voorzitter en beste collega’s, ook ik vind het goed dat we hier vandaag deze commissie hebben. Ik vertel jullie namelijk niets nieuws als ik zeg dat de stikstofproblematiek een ernstig probleem is in Vlaanderen. Niet alleen vormt dat een probleem voor de realisatie van onze natuurdoelen maar het is natuurlijk ook een bedreiging voor de algehele Vlaamse economie. De problematiek werd natuurlijk op scherp gesteld door het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen maar ondertussen is de urgentie ook nog eens benadrukt door de auditeur van de Raad van State in het ECA-dossier (Extra Containercapaciteit Antwerpen).

Op 2 mei heb ik dan ook aan mijn administratie een ministeriële instructie overgemaakt voor de beoordeling en advisering van vergunningen voor de uitstoot van stikstof, met instemming van de collega’s in de kern van de Vlaamse Regering.

Ik besef dat we met deze instructie de lat hoog leggen en dat die vrij streng is. Belangrijk is echter de reden waarom we dat doen: we willen een algehele vergunningsstop vermijden. We – en dat is de visie van de hele Vlaamse Regering – viseren niet de een of andere sector maar we willen een algehele vergunningsstop in de tussentijd vermijden. We weten namelijk ook heel goed dat we een definitief kader moeten maken. Daar zijn we volop mee bezig. In de tussentijd is het volgens mij logisch dat we vanuit de overheid voldoende voorzichtig zijn, dat het voorzichtigheidsprincipe het hier moet halen. Ik heb begrip voor verschillende tussenkomsten, waarin wordt gezegd dat we moeten blijven vergunnen en dergelijke. Ik zou dat allemaal wel willen, maar helaas gaat dat gewoonweg niet. We moeten nu even voorzichtig zijn.

Ik hoor ook vaak ‘een kilogram stikstof is een kilogram stikstof’, maar daarbij mogen we niet uit het oog verliezen waar de grootste inspanningen noodzakelijk zijn. Daarom hebben we in de instructie een onderscheid gemaakt tussen NOx en ammoniak, zoals dat ook voor 2016 al het geval was. Ik vind het belangrijk om nogmaals te benadrukken waarom we dat onderscheid maken. We baseren ons daarvoor op cijfers van onze administraties, van wetenschappers die de knowhow hebben in dit heel complexe dossier. Meer dan drie kwart van de binnenlandse deposities zijn afkomstig vanuit de intensieve veeteelt, vergeleken met de rest, die afkomstig is van industrie, huishoudens en transport. Belangrijk om te weten is dat de industrie verantwoordelijk is voor 4 procent. Door de dalende trend en de veel kleinere bijdrage aan het probleem inzake NOx-emissies hebben we beslist dat in de tussentijd de drempel verlaagd wordt van 5 procent tot 1 procent. In verschillende tussenkomsten werd gezegd dat de industrie niets moet doen, maar dat klopt dus niet.

Dus, zeggen dat er maar één sector wordt geviseerd – iets wat ik in de pers toch vaak lees –, dat klopt niet. Ook de industrie zal zijn bijdrage moeten leveren. Ook het tussentijds kader is voor hen heel streng. Die 1 procentdrempel betekent dat zij voor alles daarboven een passende beoordeling zullen moeten maken, terwijl die drempel vroeger 5 procent was.

Ten tweede: door het grote aandeel uitstoot en depositie van ammoniak, en het feit dat we daar een stagnatie zien in de cijfers, is het zonder definitieve PAS of gekoppeld beleid niet mogelijk te werken met een drempel voor ammoniakemissies. Vandaar dat in deze dossiers steeds een individuele beoordeling vereist is. Als je het stikstofarrest goed leest, dan geeft dat ook die richting aan.

Vandaar dat kader, de ministeriële instructie, van 1 procent, en de individuele beoordeling voor ammoniak. Dat wordt vervolgens overgemaakt aan de administratie, en de administratie moet natuurlijk invulling geven aan de individuele beoordeling van ammoniakuitstoot. Dat is gebeurd met de ‘richtsnoeren’. Die zijn nodig om tot een effectieve beoordeling te komen van de individuele passende beoordeling die vergunningsaanvragers bij hun dossier dienen te voegen.

De richtsnoeren geven een aantal richtlijnen mee die kunnen worden gebruikt bij de beoordeling van vergunningsaanvragen, zoals onder meer: geen bijkomende emissies. Want, om het visueel voor te stellen, PAS zit vol: er kan niet meer veel bij komen. Het moet eerst naar beneden. Ten tweede moet men zoveel als mogelijk inzetten op ammoniakbeperkende maatregelen die al lang beste beschikbare techniek (BBT) zijn, maar nog te weinig ingang hebben gevonden in de landbouwsector, zoals ammoniakemissiearme stallen en dergelijke.

Ik besef dat de lat hoog ligt voor ammoniak, en dat we voorzichtig moeten zijn. De emissieregels zijn richtinggevend. We gaan geen vergunningsstop doen, we willen kansen geven aan innovatieve, duurzame ontwikkelingen die voor een reductie van emissies zorgen. In Vlaams-Brabant hebben we zo’n dossier in aanvraag gehad. Ze hebben het weer ingetrokken. Ze gingen akkoord om iets aan de reductie te doen, en ze hebben het dossier aangepast.

Het betreft hier geen geautomatiseerd toepasbaar beoordelingskader, maar wel richtlijnen voor de opmaak van een passende beoordeling. Hiermee wordt dus ook invulling gegeven aan de wettelijke vereisten van artikel 36ter van het Natuurdecreet.

De instructie en richtlijnen moeten worden toegepast door de administraties die onder mijn bevoegdheid vallen. In de eerste plaats is dat het Agentschap Natuur en Bos, dat een advies verstrekt over alle passende beoordelingen die bij een vergunningsaanvraag worden gevoegd.

Ook de lokale besturen zijn uiteraard gebonden door het wettelijk beschermingsregime van de Habitatrichtlijnen en ook zij nemen hun verantwoordelijkheid en houden rekening met de gevolgen van het stikstofarrest. Een ondernemer – ongeacht of het een industrieel is of een landbouwer – is er bij gebaat een voldoende juridisch robuuste vergunning te ontvangen. Vandaar dat het ook belangrijk is dat men rekening houdt met de richtlijnen en de richtsnoeren.

Met dit tussentijdse kader worden instructies gegeven die de grootste voorzichtigheid aan de dag leggen, en dit tot aan de definitieve PAS. Zoals ik eerder zei, vind ik dat vanuit het voorzorgsprincipe ook behoorlijk bestuur. Ik wil dan ook vermijden dat er nu investeringen worden gedaan waarbij we misschien later moeten zeggen dat we ons vergist hebben, met alle gevolgen van dien, als die investeerder intussen zware financiële ingrepen heeft gedaan.

Ik hoor vaak de kritiek dat de tijdelijke regeling niet onderbouwd zou zijn. Ik vind het belangrijk dat die wel onderbouwd is. Het is ook goed dat heel veel collega’s naar die onderbouwing vragen, ook wetenschappelijk.

Collega Rombouts, u vraagt naar een MER, naar een passende beoordeling, naar doorrekening van scenario’s. Inderdaad, een dergelijke aanpak vormt de essentiële bouwstenen van een definitief PAS-kader. Er wordt intussen keihard gewerkt aan de opmaak van een definitieve stikstofaanpak, met invulling van alle randvoorwaarden, maar door het zogenaamde stikstofarrest van 25 februari was het nu eenmaal nodig om op heel korte termijn met een tussenoplossing te komen. Ik hoop dat die tussenoplossing ook echt voor de heel korte termijn is en dat we vrij snel kunnen overgaan naar een definitief kader.

Ik heb vorige week in de plenaire vergadering beklemtoond dat het belangrijk is dat we in die tussentijdse richtlijnen de grootste voorzichtigheid aan de dag leggen bij vergunningverlening. Bijvoorbeeld bij de vergunning rond Broeklin hebben wij al rekening gehouden met de 1 procent. Ik denk dat het de logica zelve is dat je voldoende streng oordeelt, vanuit een voorzorgsprincipe en vanuit een grote zorg voor rechtszekerheid, zodat de uitstoot en de depositie van ammoniak zeker niet toeneemt. Daarmee wordt een vergunningsstop vermeden, zoals we ook allemaal willen. Er zijn nog een aantal zaken die voorliggen bij rechtbanken. Ik vind het belangrijk dat we in de tussentijd geen vergunningsstop hebben. We gaan door de zure appel heen moeten bijten, of we dat nu willen of niet. Het is van moeten.

Binnen die context maakt mijn instructie ook een onderscheid tussen NOx en ammoniak. Dat is een onderbouwde keuze, die ook voldoende geduid wordt in de instructie. Ik heb daarstraks al toegelicht vanwaar dat onderscheid komt.

Naar aanleiding van het artikel in De Standaard heb ik mijn administratie bevraagd naar de wijze waarop de richtsnoeren toegepast worden bij de advisering in elk van de vijf Provinciale Omgevingsvergunningscommissies (POVC’s), en dat natuurlijk na 11 mei, de dag dat het Agentschap voor Natuur en Bos de richtsnoeren bekend heeft gemaakt. Ik denk dat het belangrijk is dat ik daar even een overzicht van geef, zodat we weten hoe dat in de praktijk zit.

Alvast vanuit de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Limburg heeft men mij geantwoord dat in dossiers waar de POVC tot een ongunstig advies besloot inzake de stikstofimpact, het departement Landbouw een minderheidsstandpunt heeft ingenomen. Dat standpunt is een generiek geformuleerde standaardtekst, die stelt dat het departement akte neemt van de richtsnoeren en waarin de gehanteerde criteria eenzijdig en willekeurig genoemd worden – die criteria zijn natuurlijk door mijn departement ingevuld, zij geven die invulling aan de passende beoordeling – en die besluit dat het departement in afwachting van duidelijke en rechtszekere criteria niet wenst mee te gaan in een voorstel tot weigering. De adviezen bevatten evenmin verantwoording waarom de aanvragen volgens het departement Landbouw wel aanvaardbaar zouden zijn, rekening houdend met de stikstofproblematiek. Nogmaals, een landbouwondernemer heeft geen baat bij een vergunning die vatbaar is voor juridische betwistingen die hoogstwaarschijnlijk succesvol zullen zijn.

In Vlaams-Brabant lag er op de twee zittingen van de POVC sinds 11 mei in totaal één landbouwdossier met stikstofimpact voor. De aanvrager heeft zijn dossier aangepast in lijn met de richtsnoeren.

Een dergelijk dossier stemt mij ook positief en hoopvol. Het is duidelijk dat de landbouwondernemer inspanningen doet en manieren ziet om met technologie en innovatie zijn impact te beperken.

Op de vergadering van de POVC van West-Vlaanderen van 21 mei heeft het departement geen opmerking laten optekenen bij dit dossier.

In de Gewestelijke Omgevingsvergunningscommissie (GOVC), die wat betreft aanvragen van landbouwbedrijven enkel beroepsdossiers behandelt, nam het Departement Landbouw en Visserij in de periode tussen het stikstofarrest en de ministeriële instructie een minderheidsstandpunt in als de commissie een ongunstig advies formuleerde naar aanleiding van de stikstofproblematiek. Deze minderheidsstandpunten waren alle zeer gelijkend en ook generiek geformuleerd. Sinds de ministeriële instructie heeft het departement zich systematisch onthouden wanneer de GOVC een ongunstig advies formuleerde naar aanleiding van de stikstofproblematiek.

Uiteraard respecteer ik de rol van de verschillende entiteiten in de adviesverlening, elk met hun eigen insteek en scope, maar we kunnen niet doen alsof het stikstofarrest er niet is. Dat wil bijgevolg zeggen dat we ook onderbouwde en voorzichtige adviezen mogen verwachten tussen nu en het definitieve PAS-kader.

Ik heb van mijn administratie vernomen dat in de GOVC van gisteren het Departement Landbouw en Visserij zich aangesloten heeft bij de consensus over het eindadvies en geen minderheidsstandpunt heeft laten optekenen. Beide administraties hebben de afgelopen weken ook samengezeten om de richtlijnen en het tussentijdse kader goed uit te leggen. Ik besef heel goed dat dit een zure appel is die we moeten doorbijten.

Ik blijf erop hameren dat we dit probleem collectief zullen moeten oplossen en dat het een verantwoordelijkheid is van ons allemaal en van alle Vlaamse instanties om in de tussentijd voorzichtigheid aan de dag te leggen en oplossingen te zoeken in het nemen van robuuste beslissingen. De essentie van de richtlijn is immers dat we tijdens de tussenperiode handelen vanuit een voorzorg, vanuit een aanpak op maat en zonder mechanisch toepasbare criteria. Dit alles moeten we doen vanuit een zorg voor rechtszekerheid, om in het licht van het stikstofarrest vergunningverlening mogelijk te maken en ook om verdere en mogelijk nog verregaandere rechtspraak te vermijden.

Ik sluit af met de blik vooruit, collega’s. Jullie peilen in jullie vragen en interpellaties naar het toekomstperspectief voor de landbouw in het licht van de stikstofaanpak. Het gaat daarbij natuurlijk vooral over de veeteelt.

Zonder vooruit te lopen op de bespreking met de Vlaamse Regering en ook met mijn collega, minister Crevits, waarmee we vorige week hebben samengezeten om na te gaan hoe we deze uitdaging zullen aanpakken, wil ik hierover twee zaken meegeven.

Ten eerste, we zullen samen met de landbouwsector het stikstofprobleem moeten oplossen. Zij zijn een deel van de oplossing. Dat is belangrijk. Alle experten en alle berekeningen komen steeds opnieuw tot de conclusie dat we moeten zorgen voor een substantiële vermindering van de stikstofuitstoot. Dat spreekt voor zich: de stikstofuitstoot moet worden verminderd.

Ten tweede, ik ben me ervan bewust dat dit een enorme uitdaging betekent voor heel wat individuele bedrijven. Inderdaad, collega Sintobin, daar zitten heel wat mensen achter. We zullen die uitdaging moeten aangaan, samen met de sector, om de sector een duurzame toekomst te kunnen geven in Vlaanderen. Laten we dit ook aangrijpen om de vereiste innovatie en ondernemerschap verder ingang te laten vinden in de sector. Bij de opmaak van de definitieve PAS worden momenteel een groot aantal mogelijke maatregelen onderzocht om, zowel generiek als gebiedsgericht, de stikstofbijdrage van de veeteelt en ook van de industrie te verminderen. Ook bij transport moet die verminderen, dat zit deels in het luchtbeleidsplan. We zullen daar heel wat voor nodig hebben: technologische innovatie, procesinnovaties, ruimtelijke keuzes enzovoort.

Collega Rombouts, u vroeg ook specifiek naar het flankerend beleid dat werd opgezet voor landbouwbedrijven met een grote impact. Tot nader order blijft het huidige flankerend beleid van toepassing voor de rode en oranje bedrijven, maar het spreekt voor zich dat we dat zullen meenemen naar het definitieve kader, dat we dat zullen updaten, en dat het flankerend beleid een groot deel zal uitmaken van het definitief kader. Daarnaast kunnen landbouwbedrijven uiteraard ook nog een beroep doen op investeringssteun vanuit het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) om met innovatieve technieken de omslag te kunnen maken.

Collega’s, ik heb getracht om op heel wat vragen te antwoorden. Ik hoop dat iedereen heel goed beseft wat de essentie is van deze instructie en ook de invulling die de administratie eraan heeft gegeven. Die is ingegeven vanuit een voorzorgsprincipe. Ik denk dat het de logica zelve is dat we in tussentijd niemand blaasjes wijsmaken, en voldoende zeker zijn tot er een definitief kader is. Daar wordt heel hard aan gewerkt. Ik verneem ook vanuit de sector, maar ook van daarbuiten, dat iedereen wil dat het definitieve kader er zo snel mogelijk ligt. Wij hopen dus dat we dit jaar kunnen landen. Daar wordt heel hard aan gewerkt, zowel door de dienst Stikstof, waar ook verschillende departementen in zitten, als door het PAS-panel, de klankbordgroep die binnenkort alle scenario’s zal berekenen op de socio-economische impact – ook heel belangrijk. Ik ben er dan ook van overtuigd dat we met al deze elementen, zodra die goed op tafel liggen, een goed inzicht zullen hebben en het stikstofprobleem definitief een richting zullen kunnen geven.

Ik zie ook dat dit ook in andere landen enorm leeft: in Nederland – dat wist men –, in de Povlakte, maar ook in Duitsland is de problematiek vandaag levend. Maar nogmaals, het is een uitdaging voor alle sectoren, voor de samenleving, niet alleen voor de natuurdoelen, maar ook voor het vergunningenbeleid. Ik ben ervan overtuigd dat we dit definitief moeten oplossen, zodat iedereen weet waar men aan toe is.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik zou eigenlijk willen inpikken op een aantal elementen die collega Demir heeft aangehaald en die ook inpikken op de heel specifieke zaken die aan bod kwamen in de interpellatie van collega Schauvliege en in de vraag van collega Vandaele.

Ik wil eerst en vooral bevestigen dat het stikstofdossier ook mij, in mijn bevoegdheden, die net zoals bij collega Demir zeer breed zijn, wakker houdt, in de positieve en negatieve zin. Er is heel veel innovatiekracht en creativiteit nodig om dit opgelost te krijgen, maar de zorgen op het terrein, bij mensen die net nu geconfronteerd worden met een vergunningsaanvraag en al een heel traject gelopen zijn, zijn ook zeer groot.

Die zorgen zijn na het arrest van 25 februari vanwege de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog een pak groter geworden, omdat op dat moment gebleken is dat het significantiekader zoals het voorlopig was vastgelegd, niet meer gebruikt kon worden. We hebben daar toen inderdaad binnen de Vlaamse Regering, maar ook binnen de commissie – daar was ook een vraag over van collega Sintobin een tweetal weken geleden, denk ik – over gesproken. Er is binnen de regering een afspraak gemaakt, waarin geëxpliciteerd is dat we voor Landbouw naar 0 zouden gaan voor de passende beoordeling en voor de industrie naar 1, ook een serieuze verstrenging. We hebben collega Demir dan ook de toelating gegeven om daar een ministeriële instructie rond te maken. Waarom een ministeriële instructie? Omdat dit bevoegdheden zijn van collega Demir en omdat – ik mag dat wel zeggen, collega Demir – u ook op uw bevoegdheid ter zake stond. De afspraken binnen de regering zijn dan vertaald, en daar is die instructie uit voortgekomen. Die is ook nodig om opnieuw duidelijkheid te brengen in de vergunningverlening.

Na die instructie zijn er aanvullende richtsnoeren door de administratie gepubliceerd voor veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties. Het is echt ook wel belangrijk voor mij om op het verschil tussen het ene en het andere te wijzen. Collega Demir heeft dat zelf ook gedaan in haar antwoord. Die aanvullende richtsnoeren zijn niet op de regeringstafel gekomen. Dat hoefde ook niet. Dat gaat eigenlijk over het kader dat de administratie maakt om die passende beoordeling in te vullen. Zoals collega Demir heel correct en terecht heeft gezegd, bindt dit haar administraties. Daar zitten een aantal principes in waarvan onder andere wordt aangeraden ze te hanteren bij de beoordeling van vergunningsaanvragen. Lat wel, het woordje ‘aanraden’ is belangrijk in dezen. Men laat dus ook ruimte om op maat van een bedrijf een aantal inschattingen te doen. Voor elke vergunningverlenende overheid is het van belang om, binnen de grenzen van de discretionaire bevoegdheid en rekening houdend met alle adviezen, een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen op maat van het individuele dossier.

Collega Schauvliege, zo kom ik bij mijn radioquote. Die principes gelden ook voor de adviezen. Alle adviesdiensten moeten een doordachte afweging maken in elk individueel dossier. Dat geldt dus ook voor het Departement Landbouw en Visserij. Zij hebben daar ook enige autonomie in. Ze moeten dat objectief, onpartijdig, gemotiveerd doen bij elk concreet dossier.

Specifiek voor het landbouwdepartement richten de adviezen zich op de landbouwkundige en de socio-economische aspecten van de aanvraag, tegen het licht van de concrete ruimtelijke ordening. Dat weten jullie echter. Vroeger waren die adviezen eigenlijk vooral gericht op de ruimtelijke ordening. We hebben dus ook al een hele historie meegemaakt met die adviezen. Collega Vandaele, het is echter niet zo dat die adviezen nooit mogen verschillen. Er zijn heel vaak verschillen tussen de adviezen onderling. Dat is eigenlijk niet opmerkelijk. Elke adviesinstantie geeft immers een advies vanuit haar eigen specialisatie en invalshoek. Eén grote en belangrijke nuance is echter dat elk advies natuurlijk moet worden veruitwendigd binnen de grenzen van de geldende regelgeving en altijd op maat van het dossier. Collega Vandaele, die minderheidsstandpunten zijn ook geen unicum. Dat gebeurt wel vaker, maar ook wel vaker om redenen die niks te maken hebben met stikstof. Dat wil ik ook meegeven. Er zijn bijvoorbeeld soms afwijkende adviezen als het gaat over waterverbruik. Dat kan een advies van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) zijn. Er zijn soms ook afwijkende adviezen als het gaat over maatschappelijk waardevol agrarisch gebied. Dat zijn dan adviezen van Omgeving. Op zich is dat dus niet verwonderlijk. Ik vind dat ook enigszins logisch. Als er geen verschillen tussen adviezen zouden kunnen bestaan, dan zou het natuurlijk niet nodig zijn dat iedereen een apart advies geeft.

Collega Schauvliege, u kunt zeer gedetailleerd citeren uit al die dossierstukken. Ik vind dat fabelachtig. Ik geef mijn administratie grote autonomie in het geven van adviezen, maar het is goed dat alles nauwlettend wordt opgevolgd.

Ik heb uiteraard naar aanleiding van de recente commotie overleg gehad met het departement. Daarbij heb ik een aantal zaken besproken. Ten eerste was er het belang van een concrete en individuele afweging en beoordeling. Het moet gaan om een zorgvuldig advies en het moet gaan om een advies op maat. Ik wil in deze commissie heel duidelijk zijn over het volgende: loutere standaardzinnen zijn voor mij uit den boze. Dat is ook bevestigd in het overleg. Ik vind het dus niet kunnen dat men in alle adviezen een aantal standaardzinnen, dezelfde zinnen gaat opnemen. Dat heb ik dus ook aangekaart bij mijn mensen. Het is echter uiteraard voor alle adviesdiensten en ook voor mijn administratie nog wat zoeken. Collega Demir heeft ook gezegd dat er wel begrip is voor het feit dat iedereen zich wat moet aanpassen. Het is een nieuwe wereld waarin we zijn terechtgekomen. Eigenlijk zijn het twee nieuwe werelden. Je hebt de nieuwe wereld na het arrest en vóór de instructie en je hebt de nieuwe wereld na het arrest en na de instructie. Dat is dus opnieuw een grote aanpassing.

Onze administratie heeft me alvast echt verzekerd dat ook aan mijn vraag om heel concreet in dossiers een afweging te maken, nog meer aandacht zal worden besteed. Ze heeft in enkele zaken een minderheidsstandpunt ingenomen. Collega Demir heeft er ook naar verwezen. Er zijn ook dossiers waarover ze al een deeladvies had uitgebracht, maar die nog moeten worden behandeld door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.

Waar zit eigenlijk het probleem? Een aantal deeladviezen werd al uitgebracht voor de instructie. In die instructie werd de afspraak gemaakt dat, op het moment dat de adviezen besproken worden in de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, daar een standpunt ingenomen wordt waarbij ook heel concreet rekening gehouden wordt met de richtsnoeren die werden aangereikt en met de ruimte die daarin wordt gegeven om een advies op maat te voorzien.

Zo komt het dat, zoals collega Demir ook al zei, er gisteren op het grote overleg een eensgezind standpunt is ingenomen inzake de kippenstal. Het oorspronkelijke advies werd gegeven voor de instructie, en men heeft nu het advies bijgesteld. Ik vind dat ook een logische gang van zaken. Dat is ook de afspraak die we gemaakt hebben in alle andere dossiers. Nogmaals, ik bevestig ook dat het voor mij echt van belang is dat je het op maat van het bedrijf kunt bekijken. De instructie moet uiteraard nageleefd worden. Die richtsnoeren laten en geven ruimte om in individuele gevallen tot een andere conclusie te komen, maar dat vraagt dus een afgewogen motivering door de administraties.

Dan ga ik in op de toekomst van de landbouw in Vlaanderen – het meest besproken thema in de commissie Omgeving en zeker ook in de commissie Landbouw, voorzitter. Binnen de sector zelf is er al geruime tijd het besef dat onze bedrijven samen met ons het verhaal van de verduurzaming zullen moeten schrijven. Niet alleen de belangenorganisaties, maar ook onze boeren zelf vinden die omslag naar een duurzame en toekomstbestendige landbouw in Vlaanderen belangrijk.

Ik zou hierbij graag een persoonlijk sentiment uitdrukken. Het is van belang dat we onze boeren beschouwen als medestanders in de verduurzaming die er moet komen. Het heeft echt geen zin om hen weg te zetten als diegenen die gestraft moeten worden of die het grootste slachtoffer zullen zijn van de stikstofregeling. Iedereen moet inspanningen leveren, maar zeker ook onze boeren. We gaan hen niet in de steek laten. Collega Demir heeft het zonet ook gezegd: we zullen een flankerend, stimulerend beleid voeren. Het is niet de bedoeling om van alles te veranderen en ervoor te zorgen dat de mensen allemaal failliet gaan. Dat willen we echt niet. We hebben onze boeren in de toekomst in Vlaanderen nodig.

Het is wat mij betreft – en ik heb zonet ook een stukje meegemaakt van de korteketendiscussie – niet de taak van de overheid om een welbepaald bedrijfsmodel op te leggen aan onze boeren. Ons huidig landbouwlandschap wordt gekenmerkt door een erg grote diversiteit en binnen elk van die landbouwmodellen zal op een andere manier worden omgegaan met de grenzen van de milieugebruiksruimte. Ik ben er echter van overtuigd dat de kracht van onze landbouw niet zit in eenheidsworst. Het zijn net diversiteit, innovatie en samenwerking die de sleutels zijn voor de toekomst. Bepaalde bedrijven zullen vooral inzetten op het toepassen van emissiereducerende technieken, terwijl andere zullen kiezen voor een andere innovatieve bedrijfsvorm of de omschakeling zullen maken naar een andere bedrijfstak. Wij moeten hen daar voor een stuk in begeleiden. Ik heb al een aantal keren gezegd dat volgens mij elke boer in Vlaanderen kennis moet hebben van goede verdienmodellen en soms ook eens moet durven switchen van de ene sector naar de andere. Ook op dat vlak is heel veel steun aanwezig in Vlaanderen om de bedrijven te begeleiden.

Onze boeren zijn ondernemers en moeten dus zoals andere ondernemers ook zelf de keuze kunnen maken over de manier waarop zij bijdragen aan het terugdringen van de stikstofdepositie. Wij staan klaar om hen daarin te begeleiden. De transitie waar veel boerenbedrijven gelegen in de buurt van beschermde natuurgebieden voor staan, zal echt gepaard moeten gaan met een doordacht, stimulerend en slim flankerend beleid. Collega’s, het is niet zo dat enkel grote stallen in de buurt van natuurgebieden liggen. Het gaat soms om heel kleine bedrijven, ook korteketenbedrijven. Er is dus een heel grote variëteit. We moeten er echt mee vooruit. We hebben lang geleden al een lijst gemaakt van grote bedrijven waarvan we weten dat ze zorgen voor een onhoudbare spanning. Daar moeten op korte termijn oplossingen voor gevonden worden.

Zoals collega Demir zei, wordt er binnen de Vlaamse Regering verder gewerkt aan een definitieve stikstofregeling. We kunnen over veel van mening verschillen, maar ik hoop dat we het in deze commissie over één ding eens zijn, namelijk dat de definitieve regeling rechtszekerheid zal moeten bieden, collega Sintobin. Hoe sneller die er is, hoe beter. Maar een definitieve regeling zonder flankerend beleid wordt ook een ramp. We moeten dat dus echt zeer doordacht en gepast met elkaar laten samengaan. Dit wordt dus sowieso vervolgd. U kunt de Vlaamse Regering moeilijk verwijten, vind ik, dat we nu een nieuwe tussentijdse regeling hebben. Die moet op een menselijke manier toegepast worden, dat is evident. Dat is wat zoeken, zeker nu in den beginne, want iedereen is plots zijn houvast kwijt. Het zijn ook mensen die oordelen over die dossiers. Dus het lijkt mij dan echt wel te begrijpen dat er wat spanning op zit.

Enfin, ik weet niet of het daarnet al gezegd is, maar de administraties Landbouw en Natuur hebben ondertussen onder elkaar overlegd. Dat is een goede zaak om de spanningen weg te werken en constructieve oplossingen te zoeken, en niet de spanningen te laten ontploffen in negatieve energie. Dat kan absoluut niet de bedoeling zijn.

Collega Vandaele, ik heb uitgelegd hoe adviezen worden gegeven. Ik heb een gesprek gehad met mijn administratie. Er zijn een aantal zaken uitgeklaard. Ik heb gemeld dat afwijkingen niet noodzakelijk problematisch zijn, maar standaardadviezen die afwijken, dat gaat niet. Afwijkingen moeten gemotiveerd zijn. Dan probeert men tot een eensgezind advies te komen in de tweede fase.

Tijdens de vergadering van zo’n omgevingsvergunningscommissie – dat weet u, collega Vandaele – lichten de aanwezige leden hun beoordeling van het dossier toe. Als een verzoek is ingediend, zal de vergunningsaanvrager of een derde belanghebbende beroepsindiener gehoord worden. Ik vind dat een heel goede manier van werken. Zo geeft men de kans aan mensen om hun standpunt uiteen te zetten. Na beraadslaging en rekening houdend met alle beschikbare dossierstukken, gegevens en informatie en met nieuwe argumenten die nog worden ingebracht, wordt gepoogd om tot een geïntegreerd advies met eenparigheid te komen.

Bij de totstandkoming van het decreet betreffende de omgevingsvergunning was dit het uitgangspunt, maar het was niet de bedoeling om afwijkende standpunten onder de mat te vegen. Er is ruimte voor andere standpunten. Als je er niet in slaagt om een eenparig advies uit te brengen, wordt het uitgebracht door de meerderheid van de leden.

Ik vind dat een zeer goede zaak. Het komt alleen maar de kwaliteit van de vergunningverlening ten goede. Eén kanttekening daarbij: het mogen geen standaardafwijkingen zijn, want dan wijkt men af van het doel van het decreet.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Voorzitter, ministers, ik wil nog eens refereren aan het begin van het debat. Ik heb gezegd dat ik mijn inleiding kort zou houden omdat iedereen de geschiedenis kent van het arrest en ook de cijfers. Ik wil toch nog eens de cijfers en de impact van de depositie herhalen, omdat er vaak alleen naar het onderdeel Vlaanderen wordt gekeken en wat we in Vlaanderen kunnen – de impact van landbouw is daar het grootste. Ik wil meegeven dat de depositie-impact voor 51,4 procent van import, 34,5 procent van landbouw, 6,9 procent van transport en 3,4 procent van industrie komt. Dat is het hele plaatje.

Daaruit blijkt dat we voor een hele uitdaging staan. Verschillende sectoren, alle sectoren, zullen serieuze inspanningen moeten leveren. We moeten dat samen doen om de doelstellingen op het vlak van natuur te bereiken. Inderdaad, enkele sectoren hebben in het verleden al inspanningen gedaan. Ik vroeg heel uitdrukkelijk naar de wetenschappelijke onderbouwing, minister. Collega Vandaele gaf aan dat die voor hem niet belangrijk was of hem niets deed. Ik vind dat een beetje raar, want het arrest heeft net de uitspraak gedaan dat wetenschappelijke onderbouwing cruciaal is. Ik meen dat de regering er alles aan doet om daartoe te komen en tot een robuust juridisch kader te komen. Ik vroeg naar de wetenschappelijke onderbouwing in onder andere de richtsnoeren, omdat op het terrein op het moment dat de passende beoordeling moet worden opgemaakt, mensen rechtstreeks worden geconfronteerd met de cijfers. Vandaag wordt gekeken met een vergrootglas en gevraagd om naar een onderbouwing te gaan als er bijvoorbeeld een ammoniakimpact is van 0,05 die naar 0,08 zou gaan, terwijl er omgekeerd bij een NOx-impact van 0,05 naar 1 procent geen passende beoordeling wordt gevraagd. Dat valt wetenschappers die de onderbouwing moeten schrijven, zwaar.

Dat zet wetenschappers, die een onderbouwing moeten schrijven, toch wel voor een serieuze uitdaging. Die achterliggende wetenschappelijke onderbouwing kan toch wel interessant zijn om mee te nemen. Vandaar dat ik aandacht vroeg voor de effectieve wetenschappelijke onderbouwing achter de richtsnoeren, die ook een aantal extra maatregelen opleggen.

Ik gaf daarnet al aan dat het belangrijk is om al die sectoren mee op de kar te krijgen, en dat alle sectoren dan ook als partners worden benaderd om mee tot oplossingen te komen. De ministers hebben daar beiden naar verwezen. In dezen is rechtszekerheid voor alle partners – aangezien het ook economische partners zijn – een heel belangrijk element. We moeten als overheid voldoende rechtszekerheid kunnen geven. Als we specifiek kijken naar de landbouwsector en het tijdelijk kader dat hier vandaag voorligt, meer bepaald de richtsnoeren, dan leefde op het terrein toch wel de bezorgdheid op welke manier men blijvend kan investeren in de duurzaamheid van het bedrijf, en van de sector. Dat staat toch wel onder druk door een aantal elementen die opgenomen zijn in de richtsnoeren. Ik heb begrepen, minister Crevits, dat u stelt dat de richtsnoeren richtinggevende elementen zijn die kunnen gebruikt worden bij het komen tot een passende beoordeling. Ik vind dat dit heel belangrijke cruciale woorden zijn die u net hebt gezegd: ‘elementen die kunnen worden gebruikt bij de beoordeling van dossiers’. Ik denk dat iedereen ondertussen het advies met een vergrootglas doorgenomen heeft, en ik zie daar toch een evolutie in. Daar waar in het begin zeer stringent elk lettertje bij wijze van spreken werd afgewogen, stel ik vast dat niet elk lettertje van het richtsnoer geautomatiseerd toegepast moet worden, zoals u zelf aangeeft, maar dat het op maat moet kunnen worden gemaakt. Ik denk dat die dossiers en adviezen vooral vanuit een oplossingsgerichte ingesteldheid benaderd moeten worden. Ik hoop, minister, dat het ook heel duidelijk is voor iedereen die binnen de administratie meewerkt aan de adviezen, dat zij ook vanuit die optiek moeten omgaan met het richtsnoer: oplossingsgericht, en als elementen die kunnen gebruikt worden in de beoordeling.

Wat ik nog wil aanstippen, minister, is het element van het flankerend beleid. Ik heb daarnet gevraagd of er reeds elementen van het flankerend beleid gekoppeld zitten aan het richtsnoer. Het historisch flankerend beleid loopt door, maar ik begrijp goed dat bij de extra maatregelen die worden opgelegd in het richtsnoer momenteel geen extra flankerend beleid voorzien is. Dat ligt moeilijk, want we vragen wel heel wat extra inspanningen van de sector, ook nu al in het tijdelijk kader. Anderzijds heb ik wel duidelijk uw engagement gehoord dat dit, zeker bij de uitwerking van de definitieve PAS, een heel belangrijk en cruciaal onderdeel is. Daar kijk ik zeker naar uit. We moeten zo snel mogelijk komen tot een definitieve PAS-regeling, waarbij iedereen duidelijk weet wat de toekomst op langere termijn is, wat effectief verwacht wordt van elke ondernemer, van alle diverse sectoren, en met welk flankerend beleid. Daar moeten we zo spoedig mogelijk werk van maken.

In die zin heb ik een vraag naar de timing, minister. Hoe ziet u die definitieve PAS, en – met de gegevens die we vandaag wel of niet al hebben – in welk tijdskader mogen we dat plaatsen?

En ik heb nog expliciet een vraag over het element van de rechtszekerheid, minister. De meest rechtsonzekere positie van een landbouwer vandaag doet zich voor indien de vergunning nu komt te vervallen.

Er is in het richtsnoer voorzien dat die landbouwbedrijven de kans krijgen om een vergunningsdossier in te dienen, met een beperking tot 2022. Dat is een bijzonder korte periode. Ik ben benieuwd naar het definitieve PAS-kader en welke timing u daarop kleeft. Maar eender welke timing, en hoe snel u vandaag ook zult werken, ik vrees dat dat een bijzonder krappe positie is. We vragen aan de landbouwers om vandaag een dossier in te dienen en heel het proces te doorlopen, om dan vervolgens, als de vergunning eenmaal verleend is, de dag nadien dadelijk opnieuw een dossier in te dienen. En dan is de vraag of dan al heel duidelijk is wat de richtlijnen in het definitieve PAS-kader zijn.

In die zin, minister, zou ik willen vragen of u een mogelijkheid ziet om voor de bedrijven die effectief gewoon in een tijdelijke verlengingsprocedure van hun vergunning zouden moeten kunnen komen, een vereenvoudigde procedure te maken via een melding of eventueel via een decretale verlenging, zodat die mensen toch de nodige rechtszekerheid hebben totdat de overheid ook klaar is met haar regelgevend kader, want die mensen zijn in die zin wel overgeleverd aan de overheid en hoe snel die kan werken. Het zou niet correct zijn om hen heel die procedure te laten doorlopen.

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, ik ben tevreden dat we hier ruimschoots tijd uittrekken om dit debat te voeren. De verschillende tussenkomsten en vragen bewijzen dat dit een debat is dat inderdaad leeft. Maar ik moet er wel bij zeggen dat ik, net als collega Vandaele, straks nog in mijn wagen moet springen om naar Brussel te rijden. Ik probeer nog de hele vergadering bij te wonen om een aantal standpunten van andere fracties te horen, hoewel ik de meeste natuurlijk wel ken. Ik ben ook benieuwd naar het voorstel van de Open Vld-fractie over het inrichten van bufferzones. Collega Coenegrachts, hoe sympathiek en hoe goed dat ook lijkt, ik denk dat de praktische uitwerking daarvan heel moeilijk wordt.

Los daarvan wil ik kort nog een algemene beschouwing geven. Het is nu niet meer het moment om de technische discussie te gaan voeren. Ik denk dat we dat gaan krijgen bij het definitieve kader. En ik denk dat alle collega's ervoor pleiten om zo snel mogelijk een definitief kader te hebben. Want wat de ministers ook zeggen, dit tijdelijke kader zorgt voor rechtsonzekerheid. Ik steun trouwens de vraag van collega Rombouts wat de verlenging van sommige vergunningen betreft.

Hier in de commissie wordt er altijd wel met nuances gesproken, maar ik kan mij toch absoluut niet van de indruk ontdoen dat er binnen de Vlaamse Regering en binnen de Vlaamse meerderheid een beetje een tweespalt is in dit dossier, niet alleen wat betreft het stikstofdossier, maar ook wat betreft de algemene visie op landbouw en de toekomst van de landbouw in Vlaanderen. Ik denk dat dat voor iedereen duidelijk is.

We kunnen hier natuurlijk over ammoniak en stikstof spreken en cijfers voorleggen en dergelijke, maar men mag niet vergeten dat achter iedere vergunningsaanvraag mannen en vrouwen zitten, gezinnen met kinderen. U zegt, minister Demir, dat u veel op het terrein komt en dat u veel landbouwbedrijven bezoekt en dergelijke, maar op bepaalde plaatsen zijn er op dit ogenblik menselijke tragedies aan het gebeuren. Er wordt altijd gefocust op die megastallen en dergelijke, maar het gaat ook over kleinere, familiale landbouwbedrijven. We hebben de vastlegging van de rode zones meegemaakt. Ik heb zelf kleine familiale landbouwbedrijven bezocht die van de ene dag op de andere geen vergunning meer kregen, omdat toevallig naast hun gronden enkele bomen bijeen stonden. Want dat is natuurlijk het punt. Het uitgangspunt van mijn fractie is volledig anders. Jullie leggen zich neer bij de dwingende Europese richtlijnen wat natuur en milieu betreft. Wij doen dat niet.

Dat betekent niet dat wij niet willen zorgen voor het milieu en voor onze natuur. We moeten inderdaad een evenwicht zoeken tussen landbouw, natuur en milieu. In heel deze discussie zit de landbouwsector, de tuinbouwsector in de hoek waar de klappen vallen. We hebben al een paar voorbeelden gehoord. Deze ochtend is het debatje over de korte keten blijkbaar uitgeklaard. Recent hadden we ook nog de strengere bemestingsnormen, zonder een nieuw Mestdecreet. Zo zijn er toch een aantal zaken die wijzen op een aparte benadering, een aparte visie binnen de meerderheid op de toekomst van onze landbouw. Voorzitter, dat zal ongetwijfeld blijken in de komende maanden en jaren.

Ik besluit. Ik denk dat we het er allemaal mee eens zijn dat het meest cruciale voor onze land- en tuinbouwbedrijven nu de rechtszekerheid is. Ik ben er niet van overtuigd, minister Crevits, dat er met het tijdelijke kader meer rechtszekerheid wordt geboden, zoals u vorige week in de commissie beweerde. Ik heb de indruk dat er meer rechtsonzekerheid is. Maar het is belangrijk dat er meer rechtszekerheid komt. Er moet zo snel mogelijk een definitief kader komen. We zitten nu opgescheept met dat tijdelijke kader, in afwachting van een definitief kader. En dat mag ook weleens worden gezegd, voorzitter. Maar we mogen toch ook eens achteruitkijken. Opeenvolgende regeringen hebben nagelaten om dit dossier ten gronde aan te pakken, waardoor we nu met de gebakken peren zitten.

Ondertussen zal iedereen wel weten dat ik een fervent verdediger ben van onze land- en tuinbouwsector. Ik vind het belangrijk en hoop dat er ook met een definitief kader een mogelijkheid blijft voor onze landbouwsector om op een goede manier verder uit te breiden. Ik hoop dat de verdere ontwikkeling van onze land- en tuinbouwsector in de toekomst verder wordt gegarandeerd, want wij hebben onze land- en tuinbouwsector nodig, collega’s. Ik dank jullie.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister Demir en minister Crevits, ik dank jullie voor jullie antwoorden. Ik onthoud uit jullie uitgebreide toelichting dat het voorzichtigheidsprincipe hier heel belangrijk is. Groen onderschrijft dat. Het heeft geen zin om nu dingen te doen die je nadien moet terugdraaien.

Minister Crevits, ik heb toch nog wel wat vragen bij uw antwoord over de houding van de administratie. Ik apprecieer het ten zeerste dat u aangeeft dat u niet gediend bent met de standaardadviezen. Dat lijkt mij de correcte houding te zijn. Het kan absoluut niet dat een administratie standaardadviezen tegen een instructie van een andere minister in formuleert, zonder maatwerk te leveren, zonder het dossier grondig te bekijken en minstens de moeite te doen om te kijken hoe daar vanuit landbouwoogpunt naar kan worden gekeken. U zult ons absoluut nooit horen vertellen dat een administratie het altijd eens moet zijn, eensgezind moet zijn. Het kan perfect dat daar een verschil in zit. Maar het is wel heel belangrijk dat het dossier ten gronde wordt bekeken. Ik apprecieer het dan ook ten zeerste dat u uw administratie erop wijst dat dit ook zo hoort.

Maar wat mij zeer ernstige zorgen baart – en ik zeg dat als voormalig medewerker van een administratie en leidinggevende in een administratie – is de cultuur die in die landbouwadministratie heerst. Dat men het zelfs maar aandurfde om zoiets te doen, daar kan ik met de beste wil van de wereld echt niet bij. En dan kunt u als minister aangeven dat u dit niet op prijs stelt, maar ik denk dat er toch wel een traject nodig is om die cultuur te veranderen. Want het is onwaarschijnlijk dat men dit zelfs nog maar heeft aangedurfd.

En het is niet zo dat dit het initiatief is van één ambtenaar. Minister Demir heeft mooi geïllustreerd dat die adviezen door heel de administratie, over alle provincies heen, op dezelfde wijze zijn uitgerold. Dat bleek ook uit mijn informatie, en dat wordt nu ook bevestigd door minister Demir. Ik denk dus dat daar nog meer werk aan de winkel is dan louter aandringen op adviezen op maat.

Ik denk dat er werk gemaakt moet worden van een wijzigende cultuur. Een administratie kan heel veel creativiteit aan de dag leggen en inspanningen doen om het beleid te beïnvloeden. Dat is haar rol: adviseren. Maar zodra beslissingen genomen zijn, heeft zij dat beleid uit te voeren, op een rigoureuze en onpartijdige manier. Ik denk dat dat toch wel een zeer belangrijk aspect is, en ik wil u vragen om daar een plan voor op tafel te leggen en daar inspanningen voor te doen.

Ten tweede, minister, hoor ik u zeggen dat u geen fan bent van eenheidsworst en dat u alle vormen van landbouw wenst te onderschrijven en te ondersteunen. Ik deel uw mening, in die zin dat we ook geen fan zijn van eenheidsworst, maar u zult toch moeten kiezen. Kiezen is misschien verliezen, maar niet kiezen zal nog veel meer verliezen zijn.

Ik geef u een voorbeeld. In een artikelenreeks van Apache hebben we onlangs kunnen lezen dat er heel wat Nederlandse landbouwbedrijven de grens zijn overgestoken en zich in de Kempen gevestigd hebben. Dat zijn grootschalige bedrijven, groter dan de gemiddelde Vlaamse bedrijven, maar die hebben hun vergunningen op zak. Het stikstofbad is vol, zei minister Demir daarnet. Dat klopt. Wel, als die Nederlandse bedrijven hun vergunningen op zak hebben, dan betekent dat ook dat de kleinere, Vlaamse familiale bedrijven niet meer in aanmerking komen voor hun aandeel stikstofuitstoot, als ze nieuwe vergunningen wensen aan te vragen. U zult dus keuzes moeten maken.

Mijn vraag is dan ook heel concreet: welke instructies zult u aan uw administratie geven als op dit moment zulke vragen op tafel komen te liggen? Zult u dan een keuze maken of blijft u dan bij de houding dat u geen voorstander bent van eenheidsworst, dat iedereen hier kansen moet krijgen – groot en klein? Als u die houding aanneemt, minister, dan bevoordeelt u de grote ten koste van de kleinere landbouwer. Ik denk niet dat dat de richting is die we uit willen gaan. Ik denk dat iedereen kansen moet krijgen, maar dat er op een bepaald moment keuzes gemaakt moeten worden. Dat is meteen mijn vraag: als zulke discussies op tafel komen te liggen, welke instructies geeft u dan en hoe zult u ervoor zorgen dat die kleinere landbouwer ook aanspraak maakt op mogelijkheden en op zijn aandeel van de stikstoofuitstoot in dit debat?

De heer Vandaele heeft het woord.

Collega Rombouts, u trekt het toch flink op flessen als u zegt dat ik beweerd zou hebben dat wetenschappelijke onderbouwing niet belangrijk is. Ik heb dat op geen enkel ogenblik gezegd. Ik heb alleen gezegd dat de Vlaamse administratie het beleid van de Vlaamse Regering moet uitvoeren en niet moet tegenwerken. Dat heb ik gezegd. Die wetenschappelijke onderbouwing is natuurlijk belangrijk, maar die is er ook, dus we moeten niet doen alsof er geen enkele wetenschappelijke onderbouwing is. We zijn al decennia bezig – binnenland, buitenland, onze universiteiten, onze wetenschappelijke instellingen – om data te verzamelen en conclusies te trekken. Maar wat al te vaak gebeurt, zeker in het milieubeleid, is dat we, als die conclusies ons niet aanstaan, zeggen dat ze niet goed zijn. Dan is de methodiek verkeerd of zijn de staalnames verkeerd of zijn de meetmethodes verkeerd. Enfin, kijk naar het oppervlaktewaterbeleid, die problematiek; we kunnen een boek schrijven over hoe het daar elke keer weer loopt: ‘Het is niet wetenschappelijk, het is niet goed.’ Enfin.

Import uit het buitenland wordt ook weer aangehaald, dat is zo de mantra. We weten allemaal dat die er is. Die is er natuurlijk wel, maar we moeten daar in één zin toch altijd bij zeggen, collega’s, dat onze export van stikstof drie keer hoger is dan onze import. Als we natuurlijk aan het buitenland willen vragen om ook hun best te doen, moeten we zelf eerst voor eigen deur vegen.

Ik denk dat we allemaal voor die rechtszekerheid van de landbouwers zijn, voor alle bedrijven, dus ook voor de landbouwers. Iedereen heeft behoefte aan rechtszekerheid en heeft er recht op. Maar vertel mij nu eens hoe de administratie Landbouw bijdraagt tot de rechtszekerheid van de landbouwers door een gunstig advies te geven op een moment dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een arrest het kader al onderuit heeft gehaald? Hoe draagt dat in godsnaam bij tot de rechtszekerheid van de landbouwers? Ik dacht van niet, ik denk dat het juist het omgekeerde is.

Minister, ik heb nog één bijkomende vraag. Ik ga helaas niet meer kunnen luisteren naar uw antwoord, denk ik, maar ik hoor het zeker wel via de goede collega’s. Minister Crevits, u hebt het even gehad over de mestproblematiek. Die komt hier natuurlijk ook wel om het hoekje kijken. Die heeft ook een grote impact op de oppervlaktewaterkwaliteit en op de natuur in de speciale beschermingszone (SBZ). We moeten er geen tekening bij maken dat er in de toekomst in elk geval niet meer, maar veeleer minder mest zal mogen worden afgezet. Dat betekent dan ook meer mestverwerking. Maar we weten dat precies die mestverwerking ook een belangrijke bron is van ammoniakuitstoot. Vandaar ook mijn vraag aan u, minister Crevits. We komen daar dus in een moeilijk parket. Welke oplossing ziet u daar dan voor? Dank u wel, voorzitter.

Dank u wel, collega Vandaele, maar misschien een suggestie voor u en collega Sintobin: ten einde de stikstofemissie te beperken, kan het openbaar vervoer misschien soelaas brengen om ook nog wat gemakkelijker de rest van …

Ik neem altijd het openbaar vervoer, voorzitter, maar op dit moment kan dat niet. Als we dat natuurlijk allemaal moeten combineren, dan kan dat niet.

Goed, begrip daarvoor.

Dan komen we te laat. U bent met de trein gekomen deze morgen, voorzitter?

Inderdaad.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Alvast mijn excuses dat ik dadelijk ook in de auto stap richting Brussel.

Collega’s, dit is natuurlijk een belangrijk en interessant debat, maar we vervallen te snel in polarisatie, de polarisatie tussen industrie en landbouw, tussen natuur en landbouw. Meestal eindigt dat met de landbouw die met alle zonden van Israël wordt beladen en in een heel deel karikaturen langs beide kanten. Ik denk dat we die polarisatie dringend moeten overstijgen en dat we daar het best vanuit de politiek, vanuit deze commissie, ook mee beginnen.

Collega Sintobin, we moeten de sector ook geen blaasjes wijsmaken. De problemen en de uitdagingen die op de sector afkomen zijn reëel en zijn belangrijk. We gaan het stikstofprobleem in Vlaanderen niet oplossen zonder de landbouw, we gaan de waterkwaliteit in Vlaanderen niet kunnen verbeteren zonder de landbouw. Er wordt dus naar die sector gekeken, naar de landbouwondernemers gekeken om daar ook oplossingen voor uit te werken. Het helpt langs de andere kant ook niet, collega’s, om te zeggen dat, als iedereen in de sector nu gewoon biowortelen begint te telen en korteketeninitiatieven opzet, we ook de wereld veranderd hebben. Ook dat is geen oplossing voor de sector.

Het echte debat dat we vandaag eigenlijk hadden moeten voeren, moet gaan over het flankerend beleid. Ik ben blij dat de ministers daar allebei ook veel aandacht voor hadden en het belang daarvan hebben bevestigd. Dat is immers waar het over gaat: hoe helpen we onze landbouwondernemers om die omslag te maken naar een nog duurzamere sector met meer respect voor natuurwaarde en voor het milieu? Hoe helpen we dat te doen met respect voor de rechtszekerheid, met respect voor de economische impact van de sector en met respect voor de veelheid aan verdienmodellen in die sector, waar wij ons inderdaad als overheid niet mee te moeien hebben? Het echte debat moet gaan over hoe we de sector en de landbouwondernemers helpen en hoe we hun duidelijk maken dat we hen niet in de steek laten, dat we er voor hen zijn, ook met middelen en met een rechtszeker kader.

Ik had nog twee vragen, voorzitter, en ik zal toch één stellen. Weten we al wanneer de socio-economische impactanalyse zou worden opgeleverd? Dat was de belangrijkste vraag.

De heer Tobback heeft het woord.

Ik kan eigenlijk naadloos aansluiten bij collega Coenegrachts. Dat komt niet vaak voor. Collega Coenegrachts, een flankerend beleid kun je maar voeren wanneer duidelijk is welke weg je hebt gekozen. Dan moet je dat wel klaar en duidelijk doen, zonder dat er vanuit de administratie gemengde signalen worden gestuurd, zoals hier het geval is. De waarheid is natuurlijk dat men al jarenlang weet dat dat stikstofprobleem eraan komt, maar dat men beleid heeft gevoerd alsof men dat kon negeren en men dus onder andere die megastallen heeft vergund. Nu dat arrest er is, nadat iemand de verantwoordelijkheid heeft genomen om dat in de plaats van de overheid af te dwingen, probeert men blijkbaar te doen alsof dat arrest er niet is. In die zin is dat natuurlijk een zeer slechte manier om hieraan te beginnen. Als de overheid bedrijven wil meenemen in het verhaal van verduurzaming, dan moet ze klaar en duidelijk zijn, en dat is in dezen heel klaar en duidelijk niet gebeurd, met een administratie die haar kop in het zand steekt en ingaat tegen de instructies van de eigen regering. Dat is vrij ongezien.

Er is een tijd geweest waarin Vlaanderen probeerde zich te profileren als een voorbeeld van administratieve efficiëntie, correctheid en depolitisering. Ik denk dat we dat allemaal kunnen opzijschuiven en afschrijven. Dit is een voorbeeld van een administratie die mordicus als een belangengroep optreedt en de kop in het zand steekt. Ik denk niet dat je daar iemand mee helpt op het terrein. Je geeft daarmee geen duidelijkheid aan bedrijven.

Ik heb dus een heel simpele vraag, aan de beide ministers. Het is heel duidelijk dat we dringend, zo snel mogelijk, naar het permanent kader moeten gaan, maar zullen in dat permanent kader ook de eisen klaar en duidelijk aanwezig zijn die vandaag in de richtlijn en de instructie van de minister zitten? Zal de minister van Landbouw ook van haar eigen administratie vragen dat die zich gedraagt als een administratie die beleid uitvoert, en niet als een politiek orgaan dat als een belangengroep optreedt? Immers, eerlijk gezegd – en het wordt te weinig gezegd –, wat de landbouwadministratie hier heeft gedaan, is eigenlijk een pure schande. Dat is een wanboel voor een administratie en voor een beleid. Mocht dat in een of ander ontwikkelingsland gebeuren, dan zouden we er schande van spreken. Ik zal er geen bij naam noemen, want ik wil niemand beledigen, maar dit is toch echt wel ver over de schreef, en dat moet klaar en duidelijk worden gezegd, ook door de diverse ministers. In het andere geval is men hier geen beleid meer aan het voeren en zal men niemand nog duidelijkheid geven. Rechtszekerheid betekent dat je ervan kunt uitgaan dat de administraties – de overheid – het beleid correct uitvoeren, de regels correct toepassen en een duidelijk lijn trekken voor de toekomst, niet dat ze tegen elkaar strijden in een soort loopgravenoorlog, want daar heeft niemand baat bij.

De heer Van Hulle heeft het woord.

Voorzitter, ministers, bij Open Vld zijn we er zeer positief over dat niemand in de steek zal worden gelaten, dat verschillende bedrijfsgroottes mogelijk zijn, dat er met steun zal worden begeleid, dat de rechtszekerheid zal worden gewaarborgd. Het is allemaal zeer positief dat dit zal gebeuren. Alleen, hoe zal dit zich uiten in de realiteit? Dat is zeer onduidelijk. Open Vld zal erover waken dat dit op een correcte manier en met respect voor de landbouwer gebeurt.

Er is nog een bijkomend iets. Daar is het eigenlijk nog niet over gegaan, denk ik. Hoe gaan we om met de schaarste qua landbouwgrond en qua natuur? We vernemen dat er in natuur- en bosgebied meer mogelijkheden zullen zijn om te kunnen aankopen vanuit de Vlaamse overheid. We constateren dat gemeenten en provincies landbouwgebied opkopen. We constateren ook dat natuurverenigingen en Natuurpunt ook in landbouwgebied gronden opkopen. Het is al aan bod gekomen: we hebben een landbouwsector die een grote economische waarde heeft, die zelfs vergelijkbaar is met die van de chemiesector. Ik vergeet ook het feit dat er vanuit de industrie misschien ook wel een flankerend beleid zal zijn, dat er landbouwgronden kunnen worden opgekocht. Ik denk dus dat we ons daar zorgen over moeten maken, dat de landbouwsector nog de mogelijkheid moet hebben om op voldoende grond aan landbouw te doen.

Ministers, ik ben benieuwd naar jullie visie op hoe we hiermee moeten omgaan. Landbouwgrond zal een schaars product worden. Ik ga er natuurlijk mee akkoord dat natuur- en bosgebieden groter moeten worden, maar op een bepaald moment zullen we, met respect voor de landbouwers, een standpunt moeten innemen en een visie moeten hebben. Mijn bijkomende vraag is hoe jullie dit zien.

Mevrouw Rombouts, u hebt mijn eerste aansluitende vraag al deels aangeraakt. Het betreft de verlenging van de vergunningen tot 31 december 2022. Het zou bijzonder interessant en correct zijn voor de implementatie van de passende beoordeling, die met betrekking tot deze dossiers nog niet is gebeurd, een verkorte procedure te doorlopen en niet opnieuw de volledige vergunningsprocedure te moeten doorlopen alvorens dat aspect van de beoordeling van de vergunningsaanvraag, namelijk de passende beoordeling, te kunnen bekijken.

Minister Demir, dit is een uitdrukkelijke vraag om met een eenvoudige procedure tijd en kosten te besparen. De implementatie van een vergunningsaanvraag heeft voor de landbouwer ook een kostprijs.

Mijn tweede vraag betreft de PAS-lijst. Deze lijst met de erkende ammoniakreductiesystemen die kunnen worden toegepast, is gebaseerd op een besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2004. Hiervoor moet een administratieve, technische en wetenschappelijke procedure en een testperiode worden doorlopen. Het is logisch dat dit moet worden getest, maar door de druk die nu is ontstaan om de ammoniakreductie op het bedrijfsniveau te implementeren, zullen nieuwe technieken ontstaan. Mijn vraag is met een zekere flexibiliteit en op een doordachte manier te kijken naar de erkenning van de nieuwe technieken die zullen worden ontwikkeld.

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

(Slechte geluidskwaliteit)

Het is goed dat dit dossier de komende maanden ‘top of mind’ blijft in deze commissie. Ik ben blij dat iedereen beseft dat een wetenschappelijke onderbouwing belangrijk is. We zijn bezig met die onderbouwing. We willen dat zo wetenschappelijk mogelijk laten onderbouwen in de richting van het definitief kader. Het spreekt voor zich dat het op maat van elk bedrijf moet worden bekeken.

Er zijn veel vragen over het flankerend beleid gesteld. Als er een definitief kader is, zal uiteraard ook in een flankerend beleid worden voorzien. Ik ben het eens met wat is gezegd over wat we kunnen doen als er een definitief kader voor de PAS is.

Met betrekking tot de aanvragen van vergunningen die komen te vervallen, voorziet de richtlijn in de mogelijkheid een tijdelijke vergunning tot eind 2022 aan te vragen. Verschillende sprekers hebben gezegd dat dit te kort is. Als we eind dit jaar een definitief kader hebben, zullen we uiteraard ook kijken naar de vergunningen die in 2022 vervallen. Ik ben bereid voor die groep bepaalde overgangsmaatregelen te nemen.

Mijnheer Sintobin, voor u is rechtszekerheid rechtszekerheid. Voor mij is dat niet gelijk aan een vergunning om eender wat te doen. Rechtszekerheid betekent dat er een voldoende robuust juridisch kader is en dat de ondernemer duidelijk weet waar hij aan toe is. Dat is voor mij rechtszekerheid.

Een aantal sprekers hebben zeer terecht vragen over het tijdspad gesteld.

Het is zo dat de socio-economische impact ongeveer tegen half juni wordt opgeleverd. Tegen dan wordt ook de doorrekening van de verschillende scenario’s voor de definitieve PAS gefinaliseerd. Het is goed dat dat samenloopt, denk ik. Daarnaast wordt er een lijst opgemaakt van maatregelen die gekoppeld worden aan die socio-economische impactstudie. Als ik al die elementen heb, zal ik dit alles voorleggen aan de Vlaamse Regering om hier een eerste gedachtewisseling over te hebben. Uiteraard zal ik ook overleggen met collega Crevits. De regering zal daarna knopen moeten doorhakken. Vervolgens zullen we overgaan tot het opmaken van een voldoende robuust, definitief PAS-kader, dat wetenschappelijk onderbouwd is. Daarna volgt er een openbaar onderzoek. Tegen eind dit jaar zal dit hopelijk volledig afgerond kunnen worden.

Parallel daarmee zal natuurlijk ook het PAS-panel zijn werk doen met al deze gegevens. Dit zal uiteraard ook bekeken worden in de klankbordgroep, met daarin alle tenoren, alle stakeholders die betrokken zijn bij dit dossier, gaande van de landbouwsector tot het ondernemingsleven, het Vlaams netwerk van ondernemingen (Voka) en de natuurverenigingen.

In de tussentijd denk ik dat het logisch is dat we voldoende voorzichtig zijn. Ik hoop dat we zo snel mogelijk een definitief kader hebben.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u wel, collega’s, voor alle tussenkomsten in dit toch wel bijzonder boeiende dossier.

Ik wil even repliceren op de diverse tussenkomsten die gingen over mijn administratie. Ik laat mijn administratie hier niet de grond in boren. Daar werken honderd mensen met een enorme expertise, die ook in heel grote autonomie werken. Ik vind het oprecht goed dat de parlementsleden de uitvoering van het beleid met een kritische bril bekijken. Als ik hier echter moet horen dat mijn diensten weggezet worden als onprofessioneel of tegendraads omdat ze een autonoom advies geven, dan ben ik het daar fundamenteel oneens mee. Daar zitten mensen met een enorme expertise. Elke week gaat het hier over onderzoeksprojecten, investeringsdossiers gericht op innovatie, op samenwerking, op een daling van de milieudruk … Het zijn wel allemaal mensen van ons departement die daar hun hart en hun ziel in steken. Uiteraard moeten zij het beleid uitvoeren. Maar ik heb, collega’s, met handen en voeten proberen uit te leggen dat onder andere het advies over Kortessem er gekomen is vooraleer er een instructie was. Gisteren was er dan de grote vergadering. Na die instructie hebben de mensen zich aangepast aan de instructie, zoals het hoort. Ze hebben dat goed gedaan. Ik heb dan over de drie andere adviezen die gegeven werden, waarbij standaardformuleringen gebruikt werden, aan mijn administratie gezegd dat ze dat niet mag doen. Maar ze hebben dus een autonome vrijheid om op hun punten, die punten waarover ze advies moeten geven, uiteraard binnen de grenzen van alle decreten en regels die er zijn, ook een appreciatie te geven.

Collega Demir heeft zelf gezegd wat staat in de richtsnoeren die ze uitgevaardigd heeft – dus niet de instructie maar wel de richtsnoeren. Daarin staat: het is aangeraden, je zou toch het best eens dit of dat eens bekijken … Maar als het gaat over de landbouwelementen, kunnen ze elk individueel dossier op zijn merites beoordelen. En je krijgt dan verschillen in de adviezen. Dat is perfect mogelijk. Men probeert dan om tot een eensgezind advies te komen, maar dat is niet in alle dossiers mogelijk. Ze hebben ook met elkaar gesproken. Ze komen uit een heel moeilijke periode, dat zei ik daarnet al. Als een voorlopig stikstofkader plots naar de prullenmand verwezen wordt, moet men zich aanpassen aan de nieuwe realiteit. Ze hebben dat bij ons zelfs twee keer moeten doen, namelijk in de periode vóór de instructie en in de periode ná de instructie.

Ik heb zelf ook aangegeven dat het voor mij niet oké was dat daar zulke standaardzinnen in stonden. Ik vind dat trouwens voor geen enkele administratie aangewezen om standaardadviezen te geven, want dan is het natuurlijk niet nodig om advies te geven. Er moet advies gegeven worden op maat van het dossier, maar in alle onafhankelijkheid en deskundigheid. Ik houd natuurlijk de pen niet vast bij het geven van adviezen.

Kiezen is verliezen, collega’s. Wat het landbouwmodel van de toekomst betreft, is het voor mij echt van belang dat de boeren ook in de toekomst zelf architect van hun toekomst kunnen zijn. Maar het is aan ons om de omkaderende regels te voorzien en om de individuele plannen op basis van die regels te beoordelen. Ik hoop toch dat we nu geen aanvragen zullen discrimineren op basis van afkomst. We zitten in een eengemaakte markt, waar ondernemers grensoverschrijdend kunnen werken. Er is een grote diversiteit in ons landbouwmodel. Ook morgen zullen, op basis van de verwachtingen, alle sectoren evolueren, maar het liefst wel samen met onze boeren aan boord en niet boven hun hoofden.

Collega’s, ik hoop, nogmaals, dat we zo snel mogelijk komen tot een definitief stikstofkader. Mijn mensen werken, waar dat hen wordt gevraagd, daar absoluut aan mee.

Het zal een huzarenstukje zijn om niet alleen de landbouw, maar ook de industrie volgende stappen te laten zetten. Het zal ook aan ons, politici, en aan jullie zijn om het flankerende en omkaderende beleid in goede banen te leiden.

Nogmaals, collega’s, mijn medewerkers zijn zeer gemotiveerd. Ik ga ervan uit dat ook de medewerkers van minister Demir gemotiveerd zijn. We hebben er alle belang bij om een gezamenlijk, sterk, juridisch robuust kader te voorzien. Want met een definitief stikstofkader dat niet robuust zou zijn, zullen we natuurlijk in dezelfde problemen terechtkomen als deze waarin we vandaag zitten. Ik volg dus alle tussenkomsten die er daarover geweest zijn en die vragen naar een robuuste toekomst. Daarmee ben ik het absoluut eens.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Ministers, ik dank u voor de bijkomende antwoorden en, collega’s, voor uw bijkomende vragen. Een aantal daarvan verbazen mij wat. Ik ben heel blij, minister, dat u heel duidelijk stelt dat de administratie onafhankelijk is en dat je als minister niet de Gestapo bent ten aanzien van de administratie, zeker niet in de individuele adviesverlening van vergunningen. Want daarover gaat het in dezen wel.

Als ik kijk naar de administratie van het Departement Landbouw en Visserij, kan ik enkel ‘chapeau’ zeggen voor hun kennis, bedrijfscultuur en gedrevenheid. Ik denk dat die zelfs zeer inspirerend zouden kunnen zijn voor velen.

Wat de toekomstvisie voor landbouw betreft, hebben we al meermaals gezegd dat er diversiteit is. Hét landbouwbedrijf bestaat niet. Hét meest duurzame en ideale bedrijf in Vlaanderen bestaat niet. Diversiteit is net onze kracht. En de keuzes die een bedrijfsleider moet maken, moeten we als overheid aan de bedrijfsleider laten. Dat wil niet zeggen dat we geen goed en rechtszeker kader moeten aanbieden, maar bedrijfskeuzes moeten door de bedrijfsleider worden gemaakt.

Verder verbaast het mij in het hele debat wel dat, wanneer ik gewoon nog maar verwijs naar de verschillende elementen die een impact hebben op het bereiken van de doelstellingen, een aantal collega’s hun stekels opzetten en vinden dat de ene of de andere toch wel meer maatregelen moet treffen. Ik wil in dezen heel duidelijk de polarisering kunnen overstijgen en zeggen: we staan hier voor een gigantische uitdaging, maar met iedereen. Heel wat sectoren, heel wat factoren hebben een impact. Als overheid moeten we daar in verhouding op een correcte manier rekening mee houden. Als we dat al niet meer tegen elkaar kunnen zeggen, dan vrees ik dat we nog een bijzonder moeilijk, maar vooral geen democratisch en evenwichtig debat zullen tegemoetgaan. Dat zou ik toch ten stelligste betreuren.

Ik denk dat we die polarisatie inderdaad moeten kunnen overstijgen. Alle sectoren en alle factoren die een impact hebben moeten we als partners aanzien. Dat kan ik enkel nog eens herhalen. Ik hoop en ik ervaar op het terrein en in een aantal tussenkomsten dat de land- en tuinbouw minder als een partner wordt aanzien. Dat betreur ik ten stelligste, want ik denk dat het net belangrijk is om hen inderdaad ook als partner te zien. Zij zijn ook voor Vlaanderen de basis van onze bijzonder belangrijke, kwaliteitsvolle en strategische sector, namelijk onze hele voedingsketen. Het lijkt mij belangrijk dat we dat ook meenemen in het hele verhaal.

Minister, ik wil nog even stilstaan bij een element. U hebt ook heel duidelijk aangestipt dat het de bedoeling was om geen vergunningenstop te realiseren, en dat dat ook net het doel is van het tijdelijk kader en het richtsnoer. Het verduurzamen van de sector moet met andere woorden mogelijk blijven, en er moet dus een oplossingsgerichte benadering zijn van elk dossier.

Wat betreft de periode van de vergunning voor de bedrijven waarvan de vergunning komt te vervallen, met die verlenging naar 2021, hebt u heel duidelijk gesteld dat u in het definitief PAS-kader een overgangsregeling wilt meenemen. Maar ik wil toch nog eens uitdrukkelijk de vraag benadrukken om daar naar een vereenvoudigde procedure over te gaan, zodat zij inderdaad die verlenging kunnen krijgen. Ik denk dat dat in overleg en op een juridische manier mogelijk moet zijn, waardoor extra kosten en onzekerheden weggenomen worden. Ik meende dat dat ook heel duidelijk uw bedoeling was.

Verder kijken we uiteraard uit naar de discussie van de definitieve PAS.

De heer Sintobin heeft het woord.

Ik zal heel kort zijn. Voorzitter, bedankt dat dit debat op een serene manier werd gevoerd. Ik denk dat alle collega’s het daarmee eens zijn. Het is een debat dat zeker nog terugkomt. Ik vind het alleen een beetje jammer, en daarin geef ik minister Crevits en collega Rombouts gelijk, dat collega’s Tobback en Vandaele het nodig vonden om de aanval in te zetten op het departement en de administratie Landbouw.

Ik ben het ermee eens dat er geen gestandaardiseerde antwoorden of adviezen moeten worden gegeven, maar dat die gemotiveerd moeten zijn. Waarom zou het departement Landbouw geen visie mogen hebben? Waarom zou het departement dan überhaupt om een advies gevraagd worden, collega’s Tobback en Vandaele, als jullie vinden dat zij hetzelfde moeten zeggen als de rest? Ik vond dit een beetje beneden alle peil, voorzitter, maar dit staat los van het debat.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister Crevits, ik moet zeggen dat ik nog ongeruster ben geworden door uw antwoord. U geeft aan dat de landbouwadministratie haar standpunt heeft bijgesteld na het arrest van Kortessem – het is te zeggen: nadat de ministeriële instructie er gekomen is. Maar minister Crevits, eerst hebt u hen wel de arm moeten omwringen voor ze hun advies hebben bijgesteld. Dat zij van zichzelf niet beseffen dat, op het moment dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een vergunning vernietigt, zij hun standpunt moeten bijstellen: dat is toch onbegrijpelijk? Dat kunt u toch niet goedpraten?

Het is mooi van u dat u uw administratie probeert te steunen, maar eigenlijk zijn hier geen woorden voor. U geeft aan dat we er een beetje begrip voor moeten hebben omdat het stikstofarrest er plots is gekomen. Maar dat stikstofarrest is de kroniek van een aangekondigde dood. Dat is in Nederland al gebeurd. Eigenlijk wist iedereen – we hebben daar meermaals voor gewaarschuwd in de commissie – dat dat er aankwam. Het is dus niet zo dat dat uit de lucht kwam vallen, iedereen wist dat dit kon gebeuren. En dat zij daardoor verrast waren is eigenlijk bijzonder eigenaardig.

Minister, ofwel wist u dus van de houding van de administratie en ging u ermee akkoord, ofwel wist u niet van die houding en handelde die administratie autonoom. Dat is wat u zegt. Maar ik weet eerlijk gezegd niet wat het ergste is, want in beide gevallen is er polarisatie en komen we niet tot een oplossing. Dit is wat we moeten doen: deze Vlaamse Regering moet voor een oplossing van het stikstofprobleem zorgen. Zonder die deftige oplossing zullen we die vergunningenstop verder moeten zetten, en dan zal die definitief worden. Dat betekent geen toekomst voor onze economie, geen toekomst voor onze landbouw, geen toekomst voor onze natuur.

Er dreigen heel wat jobs te sneuvelen. Dus de situatie is bijzonder ernstig. Dat mag niet gebeuren. We zullen, vanwege het onbevredigend antwoord dat u ons hier vandaag hebt gegeven, een motie indienen om deze problematiek verder te bespreken in het parlement.

Inderdaad, de procedure voorziet ook de mogelijkheid tot het indienen van een motie. Dat moet gebeuren tegen vrijdag 17 uur, als dit gekoppeld wordt aan de interpellaties van vandaag. Dat kan trouwens door elk parlementslid gebeuren.

De interpellaties en de vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.