U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Veys heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, minister, we zitten in Vlaanderen met een probleem. Er is een wooncrisis op de private huurmarkt en een belangrijke oplossing daarvoor is voldoende en snel sociale woningen bouwen. Het gaat er in deze commissie vaker over dat dat tempo te laag ligt en dat de wachtlijst te lang is. De vraag is: wanneer zullen we erin slagen om die woonnood te beantwoorden? En doen we dat goed? Het is een belangrijke rol om, naast het decreetgevend werk, ook de parlementaire controle uit te voeren.

De aanleiding voor mijn vraag om uitleg, minister, was de bespreking van de begroting tijdens de plenaire vergadering van 17 december. Toen heb ik voor de eerste keer gezegd dat ik toch wel wat indicaties kreeg dat dat budget onvoldoende werd besteed. Want je kunt natuurlijk centen voorzien – en dat doet u – maar je moet er ook voor zorgen – en dat is ook goed bestuur en goed vooruitkijken – dat die centen buiten geraken, dat er sociale woningen komen te staan.

Er wordt maar een deel van het jaarlijks beschikbare budget effectief geïnvesteerd in het jaar waarin het wordt toegekend. De rest wordt heel vaak overgedragen naar het jaar erop, X+1. Het is een beetje een technische kwestie, ik zal proberen het helder uit te leggen. Het is een praktijk die al jaren aan de gang is. Uit schriftelijke vragen bleek, zo hebben wij toch berekend, dat we aan ongeveer 600 miljoen euro zitten uit het verleden die nog niet tijdig besteed is geraakt. Dat is die pot die nog buiten moet. Als je die optelt bij het budget van 1 miljard euro dat wordt voorzien voor 2021, dan komen we op een budget van 1,7 miljard euro beschikbare middelen voor 2021.

Als de effectieve investeringen dit jaar op hetzelfde niveau blijven als de voorgaande jaren, ziet het ernaar uit dat we dit jaar ongeveer 1 miljard euro niet zullen kunnen besteden. Dat is spijtig. Je kunt daar ongeveer vijfduizend woningen mee bouwen, al varieert dat een beetje. Maar dat betekent dat je die vijfduizend woningen pas later zult kunnen realiseren. En hoe meer tijd we verliezen, hoe slechter. Daarover zijn alle collega's het wel eens, denk ik. Dat is niet goed voor het Vlaamse woonbeleid.

Uit het antwoord van de minister op mijn eerdere schriftelijke vraag blijkt dat we in 2023 dan wel met een serieus probleem zullen zitten. Minister, er is in de krant een artikel verschenen over mijn onderzoek. U hebt gereageerd door te stellen dat de middelen kunnen worden overgezet naar 2022. Maar wat met het jaar nadien? Want goed besturen is vooruitzien. Het ziet ernaar uit dat we eind 2022 met een heel groot overschot zullen zitten.

In het antwoord op de vraag gaf u aan dat het volume in het jaar X+2, dus twee jaar na het jaar waarin het wordt toegekend, zal vervallen. Als het aantal geïnvesteerde middelen de komende jaren stabiel blijft, komen we eind 2022 in de situatie dat er nog middelen overblijven uit 2021, die we dus niet mogen overdragen naar 2023. Uiteraard valt dit op te lossen door de uiterlijke periode van toewijzing te verlengen, zodat je in X+2 wél kunt toekennen.

Minister, eind 2022 komen we onvermijdelijk in de situatie terecht dat er nog enkele honderden miljoenen uit het budget voor 2021 in de kas zitten. Dat is geld dat we niet mogen overdragen naar 2023, jaar X+2. Klopt het dat deze middelen, gezien de huidige regelgeving, verloren zouden gaan in dat geval? Zult u, om dat te vermijden, het mogelijk maken om dat budget toch te kunnen overdragen naar het jaar X+2?

Hebt u plannen om het steeds terugkerende jaarlijks overschot terug te dringen en ervoor te zorgen dat de middelen buiten geraken, dat we meer en sneller bouwen, maar dat we dat ook tijdig doen?

Hoe loopt het momenteel met de besteding van het jaarbudget van 1,1 miljard euro voor 2021 voor de bouw en renovatie van sociale woningen? Liggen we daar op koers of niet? Ik heb die vraag enkele weken geleden al gesteld. U hebt mij toen gevraagd om een schriftelijke vraag te stellen. Die is nu ingediend. Maar ik neem aan dat u, als minister van Wonen, die informatie inmiddels ook al hebt opgevraagd of bij de hand hebt.

Hoe groot is die exacte pot aan opgespaarde middelen? Het zijn machtigingen, het zijn FS3-leningen. Dat maakt het wat technischer. Maar hoeveel budget bestemd voor sociale woningbouw hebben we? Hoeveel moeten we nog besteden uit het verleden? Wat is, met andere woorden, het overige beschikbare budget, naast het jaarbudget van 1,1 miljard, voor 2021?

Tot slot, hoe staat u tegenover een noodprogramma voor sociale woningbouw om het overschot aan middelen zo snel mogelijk om te zetten in meer sociale woningen, om ervoor te zorgen dat we die wooncrisis zo snel mogelijk oplossen? Zult u bijkomende maatregelen treffen?

Mevrouw Smeyers heeft het woord.

Mijn vraag om uitleg gaat inderdaad over de ‘spaarpot’ – de aanhalingstekens zijn belangrijk in deze vraag – van de sociale huisvestingsmaatschappijen. In Het Nieuwsblad is een artikel met als titel ‘Dik miljard opgepot met budget sociale woningen’.

Volgens een aantal collega's, zoals de vorige spreker, zijn er budgetten beschikbaar, maar gebruikt men ze gewoonweg niet. Zij komen tot de slotsom dat er in het totaal 1 miljard euro onaangeroerd blijft, terwijl dat, volgens die collega’s, perfect gebruikt zou kunnen worden om bijkomend vijfduizend sociale woningen te bouwen.

Minister, in uw reactie wees u er terecht op dat budgetten nooit verloren zijn: wat niet wordt opgebruikt, wordt verschoven naar de volgende jaren – dat is altijd zo. Wel gaf u toe dat de sector moeite heeft om het tempo te volgen. Ik denk dat we er allemaal niet meer van overtuigd moeten worden dat de bouw vertragingen heeft opgelopen door dat virus dat we ondertussen allemaal beu zijn. U rekent er ook op dat de samenwerking met de privésector die vertraging zal verkleinen en dat we op termijn wel weer op tempo zullen zijn.

Ook de sector zelf, bij monde van Björn Mallants, directeur van de Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen (VVH), reageerde ontstemd op dit artikel. Hij stelt dat de investeringsbudgetten die de Vlaamse Regering voorziet, binnen de twee jaar benut moeten worden. Van ‘oppotten’ is dus helemaal geen sprake. Zelf ziet hij ook diverse redenen voor de vertraging van het gebruik van de budgetten. Sociale Huisvestingsmaatschappijen (SHM’s) moeten nu eenmaal soms lang wachten om een project in ontwikkeling te kunnen laten doorstarten. Ik denk dat we daar allemaal van overtuigd zijn. In de sociale woonsector zijn veel mensen op het terrein actief. De tegenkanting, die dan ook haar juridische weg kent – want, minister, we leven in een rechtstaat – zorgt voor heel wat vertraging bij de uiteindelijke realisatie van sociale woonprojecten.

Verder moeten gemeenten die hun toegewezen sociaal objectief al bereikt hebben maar toch verder willen investeren in sociale woningbouw, een heel administratief proces doorlopen om het woonbeleidsconvenant – in Aalst is dat ook zo – aan te vragen bij de Vlaamse Regering. Ook de totstandkoming van de woonmaatschappij zelf – de eengemaakte woonactor – vraagt momenteel veel tijd, energie en personeelsinzet van de SHM’s. In dat verband is het dan ‘reculer pour mieux sauter’. Dat heeft de heer Mallants niet gezegd, dat zeg ik zelf.

Ten slotte zijn de dossiers zelf ook veel complexer geworden. Het laaghangend fruit, de gemakkelijke dossiers zijn behandeld. Momenteel liggen enkel nog de kernversterkende, inbreidingsgerichte dossiers op tafel. Die projecten zijn echter vaak duurder, schaars qua opportuniteiten en beperkter.

De heer Mallants benadrukt ook dat de sector er alles aan zal doen om de beschikbare budgetten optimaal te gebruiken. Hij doet daar een aantal aanbevelingen voor. Hij vraagt of de budgettering op twee jaar niet aangepast kan worden. Die twee jaar is afgestemd op een normale economische situatie, een normale projectontwikkeling in wonen. Hij suggereert om dat nu, gelet op de omstandigheden, te verlengen. Verder pleit hij ervoor om het lokaal woonoverleg sneller, bijvoorbeeld maximaal binnen drie maanden, advies te laten geven en om gemeentes die hun bindend sociaal objectief (BSO) bereikt hebben, toch te laten verder werken zonder die – hij noemt het logge procedure – wat complexere procedure van het werken met een woonbeleidsconvenant. Ten slotte wil hij dat het traject van de woonmaatschappijen zo snel mogelijk duidelijk is voor alle participanten. Daar zijn we ook aan bezig. Minister, ik geef al reactie, terwijl dat eigenlijk uw reactie moet zijn.

Kunt u úw reactie die u gaf op dat artikel nog wat verder toelichten? Hoe staat u tegenover de geformuleerde aanbevelingen van de VVH?

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Dank u wel voor de vragen. Ik denk dat dat een bezorgdheid is die ik deel. Ik heb dat nog al gezegd. We hebben dat geld voorzien. Het is natuurlijk ook de bedoeling dat dat in de stenen terechtkomt. Bouwen vraagt niet alleen veel budget, maar ook veel voorbereidingstijd.

We zien dat de laatste vier jaar de sector ongeveer 750 miljoen euro afneemt voor nieuwbouw en renovatie samen. Ik hoop dat de SHM’s de volgende maanden voldoende extra projecten indienen om dit te vermijden. Maar indien deze trend zich verderzet, komt er inderdaad een budgetoverschot in 2021 dat potentieel in 2023 niet kan worden benut, mijnheer Veys. Waar we wel een verschuiving zien, is in het aandeel van de renovaties. Dat is intussen gestegen tot ongeveer de helft van het totale budget. Het duurt nog ruim anderhalf jaar voor we zover zijn. Vermits het niet onvermijdelijk is, lijkt het me nog te vroeg om nu al een verlengde overdracht tot 2023 te overwegen. Maar laat het duidelijk zijn: het is wel degelijk mijn intentie om elke euro van het beschikbare budget ook effectief in te zetten in de sociale huisvesting. Die bedragen zijn nu eenmaal historisch hoog. Het zou dom zijn om die niet te willen inzetten uiteraard, maar dan moet dat natuurlijk ook door de sector gedragen kunnen worden.

Het steeds terugkerende jaarlijks overschot terugdringen? Dit kwam ook al aan bod in de commissie van 20 mei bij de vraag om uitleg van de heer De Meester over de evolutie van het sociale woningbestand. Ik heb toen aangegeven dat de gereserveerde bedragen historisch hoog zijn, maar dat de langere doorlooptijd van de projecten door het verplicht lokaal woonoverleg en de capaciteit van de sector om alles verwerkt te krijgen belangrijke aandachtspunten zijn. Een positieve noot is in elk geval dat de recent gepubliceerde cijfers met betrekking tot de gerealiseerde sociale woningen in 2020 aantonen dat de sector zich weerbaar getoond heeft tijdens corona.

De Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) helpt de huisvestingsmaatschappijen op dit ogenblik met een aantal groepsaanbestedingen zoals de constructieve benadering overheidsopdrachten (CBO), Design and Build (D&B) en Design and Insulate. Die procedures helpen de SHM’s om de voorbereidingsfase van de projecten te versnellen. Ik laat op dit ogenblik ook bijkomende groepsaanbestedingen onderzoeken, zowel voor nieuwbouw als voor renovatie. Daarnaast plannen we in juni een nieuwe oproep voor de woonbeleidsconvenanten. De middelen zijn dus aanwezig en ik reken op de SHM’s samen met vernieuwende of privé-initiatieven voor sociale woningbouw om hiervan gebruik te maken en de budgetten optimaal en binnen een redelijke tijdspanne te benutten.

Wat betreft uw derde vraag, mijnheer Veys: op dit ogenblik is er in 2021 iets meer dan 200 miljoen euro toegewezen, deels op budget 2020, deels op budget 2021. De toewijzingen volgen na de ontvangst van het gunningsdossier voor projecten die op de kortetermijnplanning staan. Indien de trend van de vorige jaren zich verderzet en we eerst de budgettaire ruimte van 2020 willen benutten, zal er 150 miljoen euro van de 1,1 miljard euro van 2021 worden opgebruikt. Het is echter niet zeker dat er dit jaar niet meer middelen worden gevraagd door de huisvestingsmaatschappijen wegens de hogervermelde redenen. Dan kom ik tot uw vierde vraag: eind 2020 stond er nog 0,6 miljard euro open op de machtiging van 2020. Dit volume wordt overgedragen naar 2021 en toegevoegd aan het jaarbudget van 1,1 miljard euro voor 2021.

In verband met uw vijfde vraag, mijnheer Veys: het is zeker mijn bedoeling om alle beschikbare middelen voor sociale huurwoningen in te zetten. Zoals ik heb beschreven in het antwoord op vraag twee heb ik daar al initiatieven voor genomen en plan ik er nog. Op die manier wil ik de SHM’s helpen om hun plannen versneld uit te voeren. Hierbij reken ik ook op de private sector via formules zoals CBO en D&B. Dit is evenwel niet echt een noodprogramma maar meer het versnellen van het reguliere programma.

Mevrouw Smeyers, uw eerste vraag heb ik al behandeld bij de tweede vraag van de heer Veys. Wat betreft uw tweede vraag: de aanbevelingen van de VVH neem ik zeker ter harte. Met betrekking tot het laaghangend fruit stel ik vast dat er nog voor ongeveer 1,4 miljard euro projecten op de langetermijnplanning staan. Dus in principe zijn er wel voldoende projecten, alleen merken we dat ze niet voldoende snel doorstromen naar de kortetermijnplanning, aanbesteding en gunning van de projecten. De reden hiervoor ligt er volgens de sector onder andere in dat de huisvestingsmaatschappijen voldoende intern opgeleid personeel moeten kunnen inzetten om deze projecten te begeleiden.

Een van de doelstellingen die ik beoog met de omvorming naar woonmaatschappijen zijn schaalvoordelen en een versnelling in de bouw- en renovatieactiviteiten die hiermee hopelijk gepaard kan gaan. Op lange termijn hoop ik dat de woonmaatschappijen er eigenlijk gaan toe leiden dat we nog meer geld kunnen investeren in sociale woningbouw. We overwegen ook om de beoordelingscommissie bij de VMSW continu te laten gebeuren zolang er voldoende budget is op het vorige jaar, zodat we een betere doorstroming van de projecten krijgen.

De heer Veys heeft het woord.

Dank u, minister, voor uw antwoord. U bevestigt wat we hebben onderzocht. Dat is ook logisch want ik heb de cijfers bij u opgevraagd. Als ik juist ben, is er dit jaar nog maar 200 miljoen euro toegewezen. In het eerste jaar bedraagt het totaalbudget 1,7 miljard euro. Het lijkt toch dat we niet op koers liggen. Dat is al een bijkomende vraag.

U zegt dat u de sociale huisvestingsmaatschappijen wilt steunen om sneller uit te voeren. Ik heb de gemeenten nog niet gehoord. Zult u die gemeenten actiever betrekken? Zult u spreken met de gemeenten waar het wat moeilijker gaat? De reden waarom ik dat vraag, is een van de opmerkingen uit de reactie van de VVH die mevrouw Smeyers niet vermeld heeft. Het gaat over de lat van het BSO. Dat is eigenlijk de verkeerde naam want het is een niet-bindend sociaal objectief (n-BSO). Het is vooral een minimumlat. De kritiek van de VVH is dat heel veel gemeenten vinden dat ze klaar zijn als ze dat BSO behalen. Daar is nog wat werk aan de winkel. Ik zal verder onderzoeken of dat lokale overleg flexibel en vlot genoeg gebeurt. Ongeveer drie weken geleden stelde een liberale schepen dat hij er trots op was dat er geen enkele sociale woning in de gemeente zou worden gebouwd. Ik betreur dat ten zeerste.

Ik ga even terug naar de plenaire vergadering over de begroting van 17 december 2020. Mijn kritiek was en is dat de aandacht nog meer wordt afgeleid van bouwen en renoveren door de sector van de woonmaatschappijen nog wat meer overhoop te halen. De weinige toekenningen dit jaar komen hoogstwaarschijnlijk daardoor. U kunt toch niet ontkennen dat er weinig toekenningen zijn en dat we daarmee niet aan het inhalen zijn. U gaf aan dat de uitdaging samenloopt met niet alleen blijven bouwen en renoveren, maar met nog meer bouwen en renoveren. Mevrouw Smeyers gaf ook aan dat we moeten inhalen. We zijn al sinds 2018 slechts 750 miljoen euro per jaar aan het besteden, dus die inhaalrace wordt almaar moeilijker. De projecten worden ook complexer. De VVH heeft gelijk. Ik denk dat de regering niet graag het woord ‘complexe projecten’ hoort. Vlaanderen is niet goed in complexe projecten. Het is een term die wordt gebruikt in de openbare werken, maar ook hier. Die projecten zijn binnenstedelijk. Dat is moeilijker. Er zijn meer knelpunten. Misschien moeten we de SHM’s op die manier ook meer versterken. Door de maatschappijen te laten fuseren, zal er op termijn meer personeel gepoold worden, maar die tijd hebben we vandaag niet.

Minister, u gaf aan dat u nog meer wilt inzetten op die private ondersteuning. Hoe kijkt u daar vooruit? Wanneer zult u de evaluaties versnellen? Ik vrees dat we met de grote aantallen het verschil zullen maken. 

Ik heb nog een laatste vraag: de bouwgrondstoffen worden ook serieus duurder. Houdt u daar rekening mee? Past u de prijzenplafonds aan? Ik neem aan dat dat via de ABEX-index gedeeltelijk automatisch gebeurt. Gaat dat snel genoeg zodanig dat we de procedure voor bijkomende bouwprojecten niet nog meer vertragen? 

Mevrouw Smeyers heeft het woord.

Minister, u hebt gereageerd op alle aanbevelingen die de heer Björn Mallants van de VVH heeft gedaan. Het gaat inderdaad om de combinatie. U gaat het complexe dossier van de eenmaking van de huisvestingsmaatschappijen en het streven naar een woonactor per regio niet uit de weg. Dat brengt ongetwijfeld wat terughoudendheid teweeg bij de SHM’s, de andere argumenten en redenen niet te na gesproken, maar ik wil me daarop focussen. Het siert u dat u die visie aanhoudt en dat u dat complexe dossier niet uit de weg gaat. Ik ben er ook van overtuigd dat dat op termijn schaalvoordelen zal hebben, dat er meer efficiëntie zal zijn en dat er meer ingezet kan worden op die begeleiding van dergelijke projecten. Dat is ook juridisch nodig. Zoals ik daarnet zei: ‘reculer pour mieux sauter’, we moeten wat geduld aan de dag leggen. Dat is niet alleen het geval in dit dossier, maar ook in de algemene economische situatie. De gezondheidstoestand heeft voor wat vertraging gezorgd. Het is een samenloop van omstandigheden waar we op termijn wel uit zullen geraken.

De heer De Meester heeft het woord.

Het is duidelijk dat er een structurele vertraging is. Dat heeft te maken met veel redenen. Er zijn de langere doorlooptijden en de complexe projecten. Er is het probleem van corona, maar ontegensprekelijk is er de impact van de fusieoperatie. Daarover heeft collega Veys meer dan gelijk. Ik ben veel minder optimistisch dan collega Smeyers. Die komt boven op een stagnatie in het beleid van sociale woningbouw. We vertragen verder en ik geloof helemaal niet in het sprookje van ‘reculer pour mieux sauter’. We zitten structureel in de prak en we moeten dan ook structureel ingrijpen. Dat hoor ik niet of in elk geval onvoldoende in het antwoord van de minister. Ik geloof in goede bedoelingen, maar de regering moet een anticiperend beleid voeren. In die zin begrijp ik de opmerking van de minister niet goed dat we eerst nog moeten afwachten en dat we nog wel zullen zien in 2023. We moeten niet afwachten, maar nu ingrijpen en een versnelling hoger schakelen.

Ik heb een bijkomende vraag. De minister wil vooral inzetten op dat private initiatief. Gelet op de structurele impasse waarin we beland zijn, vraag ik me af of we ook niet het publieke meer moeten versterken. Het gaat dan over de versterking van de lokale SHM’s die keihard hun best doen in een moeilijke situatie. Misschien moeten we erover nadenken of Vlaanderen die sociale woningbouw niet kan versterken met een aanvullende publieke actor die voor een stuk ingrijpt en die versnelling kan waarmaken.

Ik wil ook nog een toelichting geven, minister. Ik ben ook schepen van Financiën. In het begin van het jaar zijn er weinig vastleggingen of zijn er weinig projecten ingediend, maar op het einde van het jaar versnelt dat meestal en geraakt het budget dan toch op. Ik denk dat we die situatie op het einde van het jaar moeten beoordelen. De vraag is ook hoeveel grond er nog in het bezit is van de SHM’s. Liggen die al dan niet op goede plaatsen? De mensen zijn ook steeds meer tegen het aansnijden van de openruimtegebieden. Daardoor worden er ook veel beroepen ingediend bij de Deputatie en bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Die trajecten verlopen allemaal tamelijk traag. Het minimumtraject van nieuwbouw is zes tot zeven jaar, vooral als het over het wegennet en dergelijke meer gaat.

De fusie speelt gedeeltelijk mee. In 2018 waren we nog niet bezig met de fusie. Die brengt nu wat zorgen met zich mee in 2020 en 2021, maar ik denk niet dat dat de reden van de vertraging is. De vertraging heeft volgens mij vooral te maken met de bouwvergunningen en ook met het gebrek aan capaciteit in de bouw. Dat mag je ook niet onderschatten. Ik heb altijd geleerd van de vroegere minister van Wonen, de heer Marino Keulen, dat je in topperiodes maximum 2.500 woningen per jaar kunt bouwen over heel Vlaanderen in het kader van de sociale huisvestingbouw omdat er niet meer capaciteit is van aannemers en van metsers. Daar zit er ook een rem. Minister, kunt u in kaart brengen hoeveel projecten er geblokkeerd zijn, hoeveel grond er nog ter beschikking is en wat de reden is van de vertraging? Komt dat door een beperking van de capaciteit in de bouw?

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Veel vragen die gesteld zijn, heb ik al beantwoord. Ik hoor het allemaal graag, mijnheer De Meester: we moeten ingrijpen en een versnelling hoger schakelen. We doen dat. We grijpen structureel in. We zijn bezig met de hervorming van de hele sociale woningsector. Dat is heel ingrijpend. Die vragen zijn hier al aan bod gekomen. We doen dat met het oog op een nog betere bouwcapaciteit.

Mijnheer Veys, u zegt zelf dat we ze beter laten fuseren. Welnu, dat is wat we met die woonmaatschappijen doen. Maar dat is nu eenmaal een oefening die niet over één nacht ijs gaat en die je niet van vandaag op morgen kunt doen. Het zal twee tot drie jaar duren om dat erdoor te krijgen. Dat is net een structurele ingreep om de capaciteit van die sector te verhogen en die middelen buiten te krijgen. Maar ik hoop dat hier niemand heeft gepleit om die middelen dan maar wat lager te houden tot dit gerealiseerd is.

Er zijn trouwens nog een aantal zaken. In juni doen we die nieuwe oproep voor de woonbeleidsconvenanten, de raamovereenkomsten Design and Build en Design & Insulate, dit allemaal om de capaciteit van die sector te vergroten. Wij doen dat dus wel degelijk al.

Voor het overige is dit een bezorgdheid die ik deel, mijnheer Veys, dat heb ik u daarnet al aangegeven. Het is niet de bedoeling om geld dat we ter beschikking stellen niet uit te geven, maar wij grijpen daar wel degelijk op in.

En dan zijn nog een aantal concrete zaken. De bouwgrondstoffen zitten inderdaad in het ABEX-systeem dat wordt automatisch meegenomen. Ik geef wel toe, en dat is een beetje gekoppeld aan de vraag van mevrouw Van Volcem, dat ik niet uit mijn hoofd weet welke projecten en welke grond er nog ter beschikking zijn.

Ik durf nu te zeggen dat ik puur vanuit mijn achtergrond de bouwsector een beetje ken. Ik ben bezorgd over de capaciteit van de bouw. We weten dat die in Vlaanderen al serieus bevraagd is. Er zijn heel wat projecten in wegenbouw, waaronder Oosterweel, die een heel aantal aannemers nodig hebben. Daarnaast worden nog een aantal fabrieken gebouwd in de Antwerpse haven. Er staan in Vlaanderen dus heel wat grote projecten op stapel. De capaciteit is daar dus op zijn minst een uitdaging.

Daarnaast moeten we ook naar de prijzen kijken. Wanneer er een zeer grote vraag is aan de bouwsector maar het aanbod stijgt niet zo snel, dan krijgen we natuurlijk prijsstijgingen. Daar moeten we uiteraard voorzichtig mee zijn. Ik heb in deze commissie maar ook in de plenaire vergadering al gezegd dat dit een zeer moeilijk evenwicht is. We weten bijvoorbeeld dat lokale besturen tegen het einde van de legislatuur, de laatste 2 à 2,5 jaar, investeringen doen waarbij we ook de prijzen zien stijgen. Dat zijn golfbewegingen die we altijd zien. En dan moeten we voorzichtig zijn dat we met die druk op de bouw het voor onszelf niet duur maken. We moeten dat in de gaten houden, dat is een zeer moeilijk macro-economisch evenwicht.

De heer Veys heeft het woord.

Collega’s, ik denk dat we voor een heel belangrijke uitdaging staan de komende maanden en jaren. We zitten in de fase van heropbouw. We hebben een zeer zware crisis, de zwaarste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, meegemaakt en heel veel mensen hebben het moeilijk gekregen. Wanneer ik echter aan deze regering vraag hoe we ervoor zullen zorgen dat ook kwetsbare mensen kunnen volgen, dan gaat het voortdurend over een beleidsdomein, namelijk Werk. Een job is inderdaad een belangrijke bescherming tegen armoede maar een woning is net zo belangrijk.

Minister, ik ga u een compliment geven, namelijk dat het permanent maken van een beoordelingscommissie een goede zaak is. Maar ik ben er wel van overtuigd dat dit veel te weinig is. U en uw partij zijn al zeven jaar verantwoordelijk voor Wonen. U bent voor mij de minister met de opgestroopte mouwen, maar het zou goed zijn dat u dat ook eens toont voor uw bevoegdheid Wonen. U moet zeggen dat dit het allerbelangrijkste is, dat dit bovenaan de agenda moet staan. Daarnaast moet u ervoor zorgen dat de grote budgetten die u hebt – en het is maar goed dat u die hebt – tijdig naar buiten gaan.

In het regeerakkoord is sprake van een traject naar een woonmaatschappij waarvan u weet dat het op een koude steen zal vallen en waarvoor u heel weinig tijd geeft. En we zien het nu: er is in 2021 maar 200 miljoen euro toegekend. Dus tenzij u de volgende jaren plots drie- of viermaal zoveel zult doen – wat ik betwijfel – zullen we dat niet inhalen. U hebt het telkens over ‘op termijn’ maar dat is tijd die we nu niet hebben. U moet zich echt op korte termijn buigen over een duidelijk kader zodat die middelen kunnen worden overgezet naar x+2, en dat geld naar sociale woningen kan gaan.

Mevrouw Van Volcem, u hebt het over de lokale besturen maar dat gaat ook over bouwgronden. De lokale besturen moeten ook meekijken, zij zijn woonregisseurs. Zij moeten creatief kijken. We zitten met een huurmarkt die veel te duur wordt. We zijn veel te veel aan het bouwen voor beleggers en niet voor mensen. We zullen nog eindigen met grote leegstand van huurappartementen en mensen die geen betaalbaar appartement vinden.

Daarvoor moeten we ingrijpen. We hebben een noodprogramma nodig waarbij we misschien het spaargeld van mensen, die nu aan het beleggen zijn in veel te dure huurappartementen, kunnen gebruiken en aanwenden. Misschien is dat een goed idee. Ik zal hier blijven op hameren en ik zal blijven controleren dat wij hierin investeren, want dat is het allerbelangrijkste.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.