U bent hier

Commissievergadering

woensdag 28 april 2021, 9.23u

Voorzitter
van Annick Lambrecht aan minister Ben Weyts
2959 (2020-2021)
Externe sprekers
Bart Meganck (voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek)
van Katrien Schryvers aan minister Ben Weyts
2970 (2020-2021)
Externe sprekers
Bart Meganck (voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek)
van Johan Deckmyn aan minister Ben Weyts
2999 (2020-2021)
Externe sprekers
Bart Meganck (voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek)
87 (2020-2021)
Externe sprekers
Ben Weyts (viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand) en Bart Meganck (voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek)

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg en deze hoorzitting via videoconferentie behandeld.

De heer Meganck heeft het woord.

Bart Meganck, voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek

Goeiemorgen, leden van de commissie, ik breng u het rapport van de Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek (OOG), dat begin april aan de minister werd bezorgd. Ik licht de conclusies toe.

Iedereen werd betrokken: ex- en huidige gymnasten, omstaanders, coaches en medewerkers, het vorige en het huidige management. Vanuit die aanpak en inzichten concludeert de OOG dat de vele ex-gymnasten fysiek, sociaal en emotioneel onder te hoge druk kwamen te staan waarvan ze de sporen tot vandaag dragen. Kinderen en jongeren werden slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag door coaches en moesten opgroeien in een omgeving die onvoldoende werd afgestemd op hun noden.

De erkenning van deze situaties beschouwt de commissie als belangrijk voor de ex-gymnasten. In ieder geval is daarmee een begin gemaakt. Dat hebt u ongetwijfeld al gezien tijdens de persconferentie. Het is een aanknopingspunt om in de toekomst beter te doen.

We hebben de opdracht aangegrepen om te kijken wat er precies fout liep in het verleden. De commissie ging na hoe het gaat met de huidige gymnasten. We zijn hen gaan bezoeken in de Topsportschool, dat wil zeggen de commissieleden met specialiteiten daarvoor, onze kinderpsychiater, dokter Vanderstraete, en topsportexpert Eddy De Smedt. Ze bezochten hen gedurende verschillende dagen. Ze kregen ruim de tijd.

Het rapport is genuanceerd en formuleert duidelijke aanbevelingen die moeten toestaan dat het verleden met alle fouten wordt omgedraaid in groeikansen. We zijn dat de ex-gymnasten verplicht, maar ook de huidige en toekomstige gymnasten. Dat deel van het verleden mag zich alleszins niet herhalen.

Ik zal kort ingaan op de conclusies. Ik deel die onder in negatieve en positieve aspecten. Wat de negatieve aspecten betreft, is er duidelijk sprake van psychisch grensoverschrijdend gedrag. Dat hebben we kunnen vaststellen uit de verschillende bezwarende authentieke getuigenissen die we hebben gehoord. Ik benadruk dat er geen sprake was van fysiek grensoverschrijdend gedrag, laat staan seksueel grensoverschrijdend gedrag; daar hebben we geen enkele indicatie in de getuigenissen over gehoord.

Dat grensoverschrijdend gedrag werd gepleegd door meerdere coaches. We hebben kunnen vaststellen dat er voor verschillende gymnasten een blijvende impact is voor 2019. Het ging ruimer dan de artistieke gymnastiek dames (AGD), ruimer dan de topsportwerking in Gent. De commissie heeft haar opdracht moeten beperken – om verschillende redenen, zoals de tijd en het kader dat ons werd meegegeven – tot de artistieke gymnastiek dames.

De Gymfed was volgens ons op de hoogte van die klachten, maar heeft onvoldoende ondernomen. We hebben de meerledige rol van de algemeen manager belicht. Dat was een negatieve rol op dat moment. Daarmee bedoel ik niet de persoon zelf. Hij geniet het volle vertrouwen. De dubbele petjes die hij droeg, zorgden echter voor een negatieve spiraal. Het was vooral een gemiste kans om de klachten te erkennen.

De manier waarop de coaches en de Gymfed op dat moment omgingen met de klachten, leidde tot wantrouwen bij de gymnasten. Wij hebben wel degelijk dat wantrouwen kunnen horen in de verschillende getuigenissen. Gelukkig was dat wantrouwen er ten aanzien van de commissie niet, of het was er alleszins niet meer.

Er is een positieve weg ingeslagen, maar er is nog wat werk aan de winkel. De evolutie kwam heel traag op gang. De prestatiedruk was nog steeds prioritair en ging voor een deel ten koste van de totale ontwikkeling van de gymnasten. De communicatie van de positieve evolutie, die er ongetwijfeld was, kon beter. De Gymfed had zich op dat moment kwetsbaarder kunnen opstellen. We hebben kunnen vaststellen – en dat hebt u misschien ook kunnen doen – dat die kwetsbare opstelling al een heel stuk beter is.

De communicatie en de betrokkenheid van bijvoorbeeld de ouders bleven lang een probleem. Nu zijn de eerste stappen gezet om daaraan te verhelpen door de atletencommissie en de oudercommissie die werden opgericht. Het zal natuurlijk belangrijk zijn om de concrete opvolging daarvan te realiseren.

Er was in de omkadering te weinig aandacht voor het individu, voor de persoon die de atleet op zich is. Wij hebben dus duidelijk klachten op het vlak van ethisch en gezond sporten vastgesteld. De houding van de hoofdcoaches op dat moment maakte het herstel wel heel moeilijk. Er was nog sprake van het negeren van de problemen die er toen waren.

Wij lichten in onze conclusies ook positieve conclusies toe. De Gymfed heeft steeds een voortrekkersrol gespeeld in de noodzakelijke aandacht voor ethiek in de sport. Het was de tragiek van de ironie. Met die metafoor hebben we het verwoord in ons rapport. Zij waren de eerste sportfederatie die heel actief een Aanspreekpunt Integriteit (API) hebben geïnstalleerd. Zij waren ook een van de eersten om een ethische commissie te installeren. Het schortte enigszins aan de invulling ervan. Het is nog fout kunnen lopen. Daar deed zich dan die gemiste kans voor die wij in ons rapport hebben beschreven.

Het is positief dat er een evolutie zichtbaar is. De uitbreiding van de begeleiding is er duidelijk. Het interdisciplinaire team wordt steeds verder uitgebouwd. Er is meer aandacht voor positieve teamsfeer en de belastende deelaspecten van topsport. Ik heb al gewezen op de oudercommissie en de atletencommissie. Er is ook de duidelijke uitwerking van het sportmodel.

We hebben ter plaatse ook kunnen vaststellen dat er een goede relatie en samenwerking is tussen de coaches en de huidige gymnasten. Dat vind ik toch mooi aan die huidige gymnasten. Ze zijn nog jong maar ze hebben op een zeer adequate en bijna volwassen manier aangegeven dat zij de klachten van de ex-gymnasten niet betwisten. Zij vragen van die ex-gymnasten dat zij van hen aanvaarden dat zij die klachten op dit moment niet hebben en dat zij zich dus goed voelen in hun samenwerking en relatie met de huidige coaches. Zij vragen niet meer dan in alle sereniteit te kunnen voortwerken.

Een ander positief aspect is dat het werken met het ‘in campus’-model als positief wordt ervaren door diegenen die daaraan deelnemen. Het is een praktisch en goed systeem. Het heeft natuurlijk niet enkel voordelen, maar ook nadelen. Maar als die nadelen goed in het oog worden gehouden en goed worden opgevolgd, kan dat ‘in campus’-model zeker worden aangehouden, volgens de commissie.

De commissie stelde in de evolutie vast dat tot 2016 de wetenschappelijke ondersteuning eerder beperkt groeide. Veel klachten stammen dan ook uit die periode en uit de periode daarvoor. In de periode 2016-2018 krijgt het multidisciplinaire team meer vorm en wordt het stelselmatig uitgebouwd. Weliswaar worden de positieve intenties nog onvoldoende in de praktijk gebracht.

In de periode 2018-2020 wordt het interdisciplinaire team (IDT) verder uitgebouwd en komt er ook veel meer stabiliteit in de samenstelling. Er is geen voortdurende wissel van het personeel binnen dat IDT, wat toch belangrijk is om de continuïteit te waarborgen. Er komt ook weer duidelijk meer verantwoordelijkheid voor het team en de experten, waardoor de coaches meer ontlast worden van die aspecten en zij zich kunnen bezighouden met de corebusiness, met de kern van hun taak waarvoor ze zijn aangesteld.

Een belangrijke dissonant in die positieve evolutie, die toch wel een gemiste kans was, was dat de klachten bij de API om juridisch-formele redenen niet zijn behandeld. Was dat wel gebeurd, dan was er misschien geen oprichting geweest van onze commissie. Dan hadden zij dat zelf kunnen opvolgen. Maar dat kunnen we natuurlijk niet met zekerheid stellen.

Sinds 2020 is het interdisciplinaire team op volle kracht. Er dringt zich nog steeds voortdurende verduidelijking op, maar in ieder geval werkt het goed. De atletencommissie en de oudercommissie zullen daar ook een belangrijke rol in spelen en zullen mee in dat model moeten worden opgenomen.

Ik heb de conclusies heel beknopt samengevat. Vanuit die conclusies zijn we tot dertien aanbevelingen gekomen, onder meer het installeren van een open taskforce rond grensoverschrijdend gedrag. Dat klinkt heel vaag, maar dat is natuurlijk iets dat heel concreet moet worden opgevolgd en ingevuld. We vragen ook aan de Gymfed om de problematiek te bekijken in een bredere context dan artistieke gymnastiek dames alleen, en om dus eigenlijk hun gehele werking onder de loep te nemen en een grondige screening te doen van alle coaches, dus niet alleen van de coaches in de topsportwerking, maar over de gehele werking. Het systeem bij gymnastiek werkt immers altijd van de basis naar boven.

We vragen om nog meer te investeren in de vorming van trainers en andere belanghebbenden, om het gezond en ethisch sporten op de eerste plaats te stellen, om bewust om te gaan met het eencampusmodel en om omzichtig om te springen met de ontwikkelingsnoden van de jonge gymnasten die topsport nastreven. In gymnastiek komen veel blessures voor, in Vlaanderen weliswaar niet meer dan op internationale schaal, maar men mag een blessure nooit als normaal beschouwen. Er kan altijd iets anders van de werking onder liggen. We vragen in een aanbeveling om te zorgen voor een open communicatie op maat van de gymnasten. We vragen om te zorgen voor transparante selectiecriteria en -procedures, want daar waren toch ook verschillende klachten en onduidelijkheden over.

We vragen in een aanbeveling ook om het uitstroombeleid en de bijhorende nazorg als een systematische opdracht van de Gymfed te beschouwen. Dat is iets zeer specifieks bij gymnastiek. Als men uit de topsportwerking valt, is er eigenlijk nog weinig in de gymnastiek om op terug te vallen. In andere sporten is dat heel anders. Iemand die bijvoorbeeld niet in de top van het voetbal terechtkan, kan nog altijd op een lager niveau gaan voetballen. Een loper kan bijvoorbeeld nog heel veel plezier beleven aan het lopen van op zich goede tijden. Maar in de gymnastiek ligt dat natuurlijk heel anders, omdat het heel specifiek werken is naar die perfectie. Op een lager niveau gaan turnen, is praktisch niet mogelijk. Er is dus heel veel nood aan een uitstroombeleid, om de mensen die net niet goed genoeg zijn, om welke reden dan ook, of die net niet de top kunnen halen, door blessures, door hun persoonlijke ingesteldheid of wat dan ook, op te vangen en om de teleurstelling die daar ongetwijfeld bij betrokken is, op te vangen. Want we hebben vastgesteld dat er vanuit die teleurstelling ook heel wat frustraties naar boven komen, die in sommige gevallen misschien ook wel de basis vormden voor de klachten. Het feit is dat daar onvoldoende aandacht voor was.

Ik heb nog een laatste aanbeveling, en dat is om heel duidelijk de begeleiding van de huidige gymnasten in aanloop naar de Olympische Spelen, die binnenkort beginnen, te bestendigen.

Dat was het rapport in het kort.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik ben dankbaar voor dat onderzoek. Ik zal de aanleiding nog eens schetsen. Vorige zomer werden we geconfronteerd met getuigenissen van ex-gymnasten. Daar volgde snel een reactie op van de Gymfed, met de opmerking: dat is voor de ethische commissie. Onmiddellijk brak de discussie uit over de onafhankelijkheid van die commissie. Ik heb daarop zelf het initiatief genomen om in eerste instantie de gymnasten te horen. Ik heb vrij velen van hen gezien of op een andere manier gecontacteerd. Het leek me wijs om zelf de onafhankelijkheid van die commissie te borgen, door zelf een voorzitter aan te duiden en hem te vragen om een onafhankelijke samenstelling met experten uit allerlei disciplines. Dat moet worden gezegd: de commissie was samengesteld uit mensen die bekwaam zijn in de psychologie, kinderrechten, het justitiële aspect, topsportbeleid enzovoort. Het is een evenwichtige samenstelling geworden, met een garantie op onafhankelijkheid. Om dat nog meer te verzekeren, hebben we ingestaan voor de financiering van de OOG. De commissie is tot een evenwichtige rapportering gekomen, totaal onafhankelijk.

Ik vind het goed dat we kunnen proberen om op grond van de bevindingen en aanbevelingen van de commissie – we hebben een blik geworpen op het verleden en verantwoordelijkheden aangeduid – naar het heden en de toekomst te kijken. We kunnen lessen leren uit wat zich heeft voorgedaan. De reactie van de Gymfed en betrokken coaches is er onmiddellijk gekomen in de erkenning van de gemaakte fouten. We hebben een kentering gezien vanaf 2018 en 2019, doordat aan de slag werd gegaan met een interdisciplinair team waarbij de atleten individueel worden opgevolgd. Men vertrekt daarbij vanuit meerdere disciplines, waarbij wekelijks wordt samengezeten met de kine en de psychologen. De almacht van de coaches zoals die vroeger bestond, is doorbroken. Nu is er altijd per definitie die multidisciplinaire aanpak. Die gezamenlijke aanpak garandeert dat te allen tijde de rechten en de integriteit van de atleten worden gevrijwaard. Dat is het belangrijkste. We kunnen door deze aanbevelingen en de terugblik in het verleden vooral lessen trekken voor de toekomst.

Ik heb de Gymfed de opdracht gegeven om onmiddellijk aan de slag te gaan met die aanbevelingen. Er zitten dertien aanbevelingen in, met als belangrijkste de oprichting van een taskforce. Die moet ervoor zorgen dat de aanbevelingen correct worden omgezet. De taskforce heeft de opdracht om de problemen rond grensoverschrijdend gedrag aan te pakken aan de hand van een concreet actieplan. De Gymfed moet natuurlijk wel de tijd krijgen om daar een eerste plan van aanpak voor te leggen op basis van de analyse van het rapport. Men heeft die verantwoordelijkheid opgenomen.

Het plan van aanpak moet zich trouwens ruimer oriënteren dan enkel het topsportcentrum in Gent of de discipline toestelturnen dames. Men moet andere disciplines en niveaus binnen de topsportwerking betrekken. Ik hoop dat we in dezen ook de stap kunnen zetten dat het integriteitsbeleid dat zich vandaag in hoofdzaak richt tot de federaties ook naar het niveau van de sportclubs wordt uitgerold. We gaan daarbij naar het aanspreekpunt, niet alleen op het niveau van de federaties, maar ook op het niveau van de clubs. Integriteitsbeleid moet vaste kost zijn in elk clubreglement. Ten aanzien van iedereen die zich inschrijft en het reglement onderschrijft, moet duidelijk worden gemaakt dat er een aanspreekpunt is en een geanonimiseerd meldpunt. Er zijn twee mogelijkheden. Dat zal even tijd vragen, maar we moeten dit momentum aangrijpen.

Terug naar de taskforce. Ondertussen heeft men al enkele maatregelen getroffen op grond van de aanbevelingen, op heel korte termijn. En heel veel is nog onder constructie, maar men heeft onmiddellijk geschakeld. Ik wil nog meegeven dat ik opnieuw zelf wel borg wil staan voor de correcte omzetting en uitvoering van die aanbevelingen. Enerzijds wordt een taskforce samengesteld door de Gymfed, met externe experten, maar anderzijds wil ik een begeleidende stuurgroep die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van de commissie. Ik heb de heer Meganck gevraagd om daarin te zitten en hij heeft toegestemd. Ik wil daar ook minstens één ex-gymnaste in van de mensen die zich gemeld hebben als slachtoffer. Ik wil een vertegenwoordiging van het Internationaal Centrum Ethiek in de Sport (ICES). Ik wil er nog twee mensen bij, zodat die concreet kunnen toezien op de correcte omzetting van de aanbevelingen. Dan kunnen we daar weer borg voor staan.

Ondertussen is men bezig met het tuchtreglement en -procedure. De Gymfed is lid van het Vlaams sporttribunaal en is intussen in overleg met ICES gestart aan de hervorming van het tuchtreglement en de procedure. De Gymfed wordt daarin begeleid door de Vlaams Sportfederatie. Het vernieuwde reglement zou volgende maand al rond moeten zijn. Het vermeldt dat iedereen de mogelijkheid heeft om rechtstreeks bij het Vlaams Sporttribunaal een klacht in te dienen. Dat blijft de mogelijkheid. Het was niet de opdracht van deze commissie om te fungeren als een tuchtorgaan of tribunaal, maar de mogelijkheid blijft dat men naar het Vlaams Sporttribunaal stapt. Wie geen genoegen neemt met de uitspraak of een tuchtrechtelijke uitspraak wil uitlokken, kan nog altijd naar het Vlaams Sporttribunaal gaan.

Het herstelbeleid is van wezenlijk belang. Het is heel belangrijk om daarmee voorzichtig en doordacht aan de slag te gaan.

De Gymfed zal die aanpak bespreken met het Centrum Ethiek in de Sport (ICES) en zal zich laten adviseren en begeleiden door experten. Het API zal polsen naar de verwachtingen van de personen die een anonieme melding hebben gedaan. Ondertussen zijn er nog ouders en getuigen die hun getuigenis hebben bezorgd aan de Gymfed. Die mensen zullen ontvangen worden voor een gesprek.

Dan is er de problematiek van het optrekken van de minimumleeftijd. Dat is natuurlijk in een internationaal perspectief relevant. De minimumleeftijd voor deelname aan de Olympische Spelen is een dubbele verantwoordelijkheid. Er is enerzijds de lobby van de Gymfed zelf ten aanzien van haar collega’s in een internationaal perspectief. Anderzijds neem ik daar zelf het initiatief om te proberen om minstens op Europees niveau iets in gang te zetten. Dit is misschien het momentum. Je ziet dat die discussie woedt in verschillende buurlanden, zij het misschien minder in de Oost-Europese landen. We moeten dit momentum kunnen aangrijpen om daarover minstens op Europees niveau een uitspraak te doen, dat we de minimumleeftijd voor deelname aan de Olympische Spelen graag opgetrokken zouden zien van 16 naar 18 jaar.

Dan is er de opleiding van de coaches. De Gymfed gaat voor elk van de professionele coaches in een aangepaste opleiding voorzien. Voor clubcoaches zal de Gymfed jaarlijks het kaderweekend Gymnastiek organiseren. Dat zou ondertussen het grootste opleidingsweekend moeten zijn in Vlaanderen, met tweeduizend deelnemers. Daar wordt gezond en ethisch sporten ook een vast agendapunt, een vast onderdeel van de opleiding.

Ik wel even meegeven dat de onderzoekscommissie melding maakt van een hoge blessure-incidentie. Turnen is nu eenmaal een blessuregevoelige want intense sport. Als je dat in internationaal perspectief bekijkt, ligt de blessure-incidentie in Vlaanderen niet hoger dan elders. Maar de medische commissie van de Gymfed en het interdisciplinaire team van de topsportwerking zullen toch nog actiever werken rond blessurepreventie en zullen worden ingeschakeld om de aanbevelingen verder uit te werken en op te volgen.

De heer Meganck had het terecht ook over het uitstroombeleid. Dat staat nu op punt. Het moet worden besproken met de atletencommissie, met het ethisch adviesorgaan en met het bestuursorgaan van de Gymfed. Er is een ontwerp, maar dat moet nog door die besluitvormingsprocedure passeren.

De sporter staat centraal. Het resultaat van die aanbeveling is het Gymfed-sportmodel. Dat is een langetermijnvisie op het opleiden en begeleiden van sporters volgens hun noden, wensen en ontwikkeling. Daarmee worden de inspanningen rond ethisch en gezond sporten ondergebracht in een overkoepelende termijnstrategie. We willen borgen dat sporters hun volle potentieel kunnen bereiken, en dat op alle niveaus. De bouwstenen werden al gelegd tijdens een vorige olympiade, toen verschillende experten en medewerkers binnen alle geledingen van de federatie daarbij werden betrokken. Men ziet dat wel als een mijlpaal binnen de werking. Het Gymfed-sportmodel is een leidraad voor onder anderen trainers, sporters, ouders en bestuurders om kwaliteitsvol te werken, en fungeert als een ijkpunt voor de hele federatiewerking. Alle programma’s en activiteiten zullen getoetst worden aan dat model en desgevallend worden bijgestuurd. De Gymfed wil ook haar clubs motiveren en ondersteunen om hun werking volgens de principes van dat model op te zetten.

Over de gezondheid van het sporten binnen de Gymfed-clubs heb ik gezegd dat we een versnelling hoger moeten schakelen. Dat is een belangrijke doelstelling. We nemen in Vlaanderen goed het voortouw op het vlak van gezond en ethisch sporten. Maar dit situeert zich in eerste instantie op federatieniveau. Daar moeten we zorgen voor het trickledowneffect en afzakken naar het niveau van de clubs.

De Gymfed zet in op het sensibiliseren van haar clubs, alleszins rond het gezond en ethisch sporten. Samen met ICES worden er opleidingen aangeboden, onder andere over het vlaggensysteem, dat u kent, en meerdere intervisiemomenten met de aanspreekpunten. 236 clubs, driekwart van alle clubs van de Gymfed, hebben al hun aanspreekpunt bekendgemaakt. Dat is al een goede stap. Nu moeten we ervoor zorgen dat de andere clubs hetzelfde doen.

De Gymfed heeft gedrags- en ethische codes voor trainers, begeleiders, bestuursleden, sporters en juryleden in de clubs. Daarbij verbinden ze zich tot een gezond en ethisch sportklimaat. Het clubbestuur ziet toe op de naleving van de codes en ondertekent daarvoor jaarlijks een engagementsverklaring, waarmee de clubs zich verbinden tot het gegeven dat iedereen binnen de clubwerking kennis heeft van de ethische code. Het kwaliteitslabel kan niet worden behaald wanneer de clubs geen aanspreekpunt integriteit hebben. Professionele coaches moeten een blanco uittreksel van het strafregister voorleggen. Het aanvaarden van de tuchtprocedures en de tuchtreglementen door de clubs is verankerd in de statuten.

Tot daar de huidige aanpak en alvast de eerste omzetting van de aanbevelingen. Maar ik moet zeggen dat het rapport dateert van enkele weken geleden. Er is dus op heel korte termijn goed werk geleverd.

Heel wat vragen zijn reeds beantwoord, maar ik nodig de vraagstellers toch uit om al hun ingediende vragen te stellen.

Mevrouw Lambrecht heeft het woord.

Mijnheer Meganck, op 16 april gaf u als voorzitter van de onderzoekscommissie samen met de minister en de algemeen manager van de Gymfed toelichting bij het rapport over grensoverschrijdend gedrag in de gymnastiek. Op deze persconferentie werd aangegeven dat meerdere coaches binnen de Gymfederatie zich hebben bezondigd aan psychisch grensoverschrijdend gedrag en dat de Gymfed onvoldoende heeft ondernomen om dit aan te pakken. Zowel Ilse Arys, algemeen manager van de Gymfed, als het coachduo, de heer Kieffer en mevrouw Heuls, erkenden dat er fouten zijn gemaakt en dat er psychisch grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden. Dit schuldbesef ging gepaard met excuses en werd meteen ook gekoppeld aan de belofte om te leren uit de fouten en om de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport in de praktijk om te zetten. Enkel op die manier is immers een cultuurverandering mogelijk.

Minister, u kondigde op deze persconferentie de oprichting van een taskforce aan om de aanbevelingen te controleren. Daarnaast wordt ook aanbevolen om zowel de coaches als de gymnasten beter te begeleiden. In het geval van de gymnasten betekent dit onder meer een betere communicatie over de verwachtingen en risico’s die verbonden zijn aan het leven op de topsportschool, meer aandacht voor ethiek, blessures en mentale en fysieke ontwikkeling tijdens het verblijf, een uitstroombeleid voor wie de topsportwerking moet verlaten, maar ook het herstel van de geleden schade bij ex-gymnasten.

Minister, in de eerste aanbeveling van het rapport, over het installeren van de taskforce rond grensoverschrijdend gedrag, hebt u al wat uitleg gegeven. U zegt dat die taskforce een nieuwe cultuur zal installeren en bewaken.

Minister, u hebt op de persconferentie gezegd, en u hebt dat vandaag nog eens herhaald, dat de Gymfed die taskforce mag samenstellen, maar dat u zelf een stuurgroep zult oprichten die daar toezicht op zal houden. Ik denk dat dat een zeer goede zaak is. Die stuurgroep zal samengesteld worden uit minstens een ex-gymnaste en iemand uit de onderzoekscommissie. We hoorden u daarstraks ook spreken over ICES en nog twee anderen.

We hebben hier heel veel over de taskforce gepraat. Mijn vraag is wanneer die compleet zal zijn en wat de deadline is voor de Gymfed om daarmee te starten. Zijn er al ex-gymnasten gecontacteerd om deel uit te maken van de stuurgroep die u zult oprichten om daar toezicht op te houden? Zo neen, wanneer zal daar werk van worden gemaakt? Zal de taskforce of de stuurgroep ook op geregelde basis, bijvoorbeeld om de zoveel maanden, verslag uitbrengen over de toepassing van de aanbevelingen door de Gymfed? En zullen wij, als leden van de commissie, die verslagen kunnen ontvangen?

U hebt het gehad over de vorming voor de coaches, maar wie zal de huidige coaches dan vorming geven rond het werken met kinderen en jongeren? En wanneer start die vorming? Ik meen begrepen te hebben dat u spreekt over een kaderweekend. Het kan toch niet dat er maar één weekend in een jaar vorming is voor coaches die zulke daden gesteld hebben? Daar had ik toch wat meer uitleg over gewenst.

Hoe zal men de geleden schade bij de ex-gymnasten herstellen? Welke maatregelen kunnen we op dat vlak verwachten? Zowel u als de voorzitter in het rapport erkent dat er in het verleden fouten zijn gebeurd voor de groep. Maar erkent men ook de fouten per individu? Met andere woorden: zullen de slachtoffers individueel worden gecompenseerd voor de geleden schade? Of blijft het bij het collectieve excuus aan alle ex-gymnasten?

Welke maatregelen binnen de brede sportsector, zoals de API binnen elke sportclub, zullen hier voorkomen? Driekwart van de clubs hebben nu al zo’n aanspreekpunt. Dat zijn zeer hoopvolle cijfers. Wanneer wilt u op 100 procent landen, minister, zodat elke club zo'n aanspreekpunt heeft voor als er problemen zijn op ethisch vlak?

Mijnheer Meganck, wij als parlementsleden hebben uw rapport ontvangen bij de start van de persconferentie op 16 april. Dat was per toeval dat ik dat zag. We waren ook niet echt heel vroeg ingelicht. Kunt u even meegeven welke personen het rapport in de dagen voorafgaand aan de persconferentie hebben ontvangen? Wanneer heeft de minister het ontvangen? Wanneer kreeg de Gymfed het rapport? Wanneer kregen anderen het? Want wij, als parlementsleden, die een controleopdracht hebben, zijn eigenlijk een tijdje ervoor in gang moeten schieten om het nog allemaal door te nemen. Ik vind dat niet echt fair.

Kregen de getuigen die u gehoord hebt in het kader van de onderzoekscommissie, het rapport ook vooraf te zien? Als dat niet zo is, waarom kregen de slachtoffers niet de kans om het rapport, dat op 16 april is voorgesteld, vooraf in te kijken? Maar misschien is het wel gebeurd.

Waarom was er op de persconferentie, naast de Gymfed en de minister, geen vertegenwoordiger van de ex-gymnasten aanwezig? Dat zou een veel beter beeld van eensgezindheid geweest zijn. Zij liggen tenslotte aan de basis van de oprichting van deze onafhankelijke onderzoekscommissie.

Kunt u tot slot meer vertellen over de ontwikkeling van de open taskforce? Zijn er al stappen gezet door de Gymfed? Zijn er al namen van leden bekend? En vooral, wanneer zal dat starten? Wie neemt de samenstelling van de taskforce op zich? De timing heb ik nog niet gehoord. Ik dacht begrepen te hebben, mijnheer Meganck, dat u daar zelf ook deel van zou uitmaken. Kunt u dat ook nog even verduidelijken?

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, minister, mijnheer Meganck, collega’s, bedankt voor de uiteenzetting die we hebben gekregen over het rapport en voor de vragen die de minister al heeft beantwoord. Sta mij toch toe, voorzitter, het een beetje een vreemde manier van werken te vinden, om nu nog mijn vraag te stellen zoals ik ze had ingediend. De minister heeft intussen al op een heel aantal zaken geantwoord. Ik denk dat uw volgorde toch beter omgekeerd was geweest. Maar ik wil toch nog ingaan op een aantal zaken, al ga ik niet meer de hele toelichting van mijn vraag overnemen, omdat die ondertussen natuurlijk wel bekend is, ook door de toelichting van het rapport en de antwoorden van de minister. Maar ik neem toch graag een aantal zaken mee op.

De aanleiding voor de onderzoekscommissie is ons natuurlijk bekend, namelijk de verhalen van voormalige turnsters over psychisch grensoverschrijdend gedrag van coaches aan de topsportschool in Gent. De Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek heeft de voorbije periode haar werk gedaan. We kregen heel recent de aanbevelingen daarvan te lezen, die zijn opgenomen in het rapport. En we hebben er daarnet ook toelichting bij gekregen.

De vaststelling is dat er effectief sprake is van psychisch grensoverschrijdend gedrag. Dat doet mij er, als voormalig voorzitter van de commissie Grensoverschrijdend Gedrag in de vorige legislatuur, ook bij stilstaan dat we veel te vaak het aanvoelen hebben dat we bij grensoverschrijdend gedrag dadelijk denken aan fysiek of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Maar het gaat natuurlijk ook veel breder. We moeten dat ook altijd onder ogen blijven zien. Psychisch grensoverschrijdend gedrag is iets dat vaak – vaker nog dan fysiek grensoverschrijdend gedrag – niet geloofd wordt. Je ziet ook hier dat de atleten daar als kind of als jongere mee te maken kregen of het gewoon niet durfden te zeggen.

Mijnheer Meganck, u hebt vanuit de onderzoekscommissie dertien aanbevelingen geformuleerd. U hebt er daarnet overlopen. De minister is op de meeste daarvan ook al ingegaan. Ik wil ook graag het bruggetje maken naar de aanbevelingen die we vanuit het parlement bij resolutie hebben gedaan in 2018, naar aanleiding van de afsluiting van de werkzaamheden van de bijzondere commissie Grensoverschrijdend Gedrag. In die resolutie werd onder meer gevraagd om werk te maken van een performant registratiesysteem van meldingen, om ondersteuning en opleiding te organiseren voor aanspreekpunten integriteit, en om een uittreksel uit het strafregister, model 2, namelijk voor het uitoefenen van een activiteit in contact met minderjarigen, te verplichten voor wie als professioneel, dus als werknemer in loondienst of als zelfstandige, verantwoordelijkheid draagt over minderjarigen.

Die aanbevelingen zijn al bijna drie jaar oud, maar blijven vandaag eigenlijk nog altijd zeer actueel. Ik stel vast dat een aantal daarvan, misschien op een andere manier geformuleerd, ook nu worden hernomen in het rapport.

Minister, ik zal niet meer vragen op welke manier u gevolg zult geven aan de dertien aanbevelingen, want daar bent u al op ingegaan. Maar op welke manier werd er sinds de resolutie ter afsluiting van de commissie Grensoverschrijdend Gedrag in 2018 werk gemaakt van de ondersteuning en opleiding van de API’s? Hoe zult u daar nog sterker en verder op inzetten? Op welke manier wordt er in dialoog gegaan met de gymnasten die slachtoffer werden van grensoverschrijdend gedrag? Zal er gewerkt worden aan herstel? U hebt daar al iets over gezegd, maar ik denk dat dat altijd een heel belangrijke factor is. We kijken heel vaak naar de toekomst. En natuurlijk moeten we leren uit de aanbevelingen voor de toekomst. Ik stel ook vast dat er een verschil in appreciatie is tussen de oude en de huidige gymnasten. De voorzitter van de commissie heeft daar ook naar verwezen. Dat kan duiden op de nieuwe aanpak, waar u het ook over hebt gehad, minister. Maar dat betekent natuurlijk niet dat we niet ook moeten zorgen voor erkenning en herstel voor de gymnastes die in het verleden slachtoffer waren van dat grensoverschrijdend gedrag.

Er zitten een aantal heel terechte punten in wat zowel de voorzitter als de minister daarnet heeft gezegd, maar ik wil er toch op wijzen dat het formaliseren van een aantal zaken niet voldoende is. Het hebben van een API of een meldingsmogelijkheid bijvoorbeeld, is niet voldoende. Ze moeten ook goed werken. En ook dat is een werk van continue opvolging.

Laat ons er dus niet alleen voor zorgen dat het geformaliseerd wordt, laat ons ook continu bewaken dat het goed werkt. We kunnen daarin van elkaar leren.

Hoe zult u voorzien in een uitstroombeleid voor gymnastes die niet doorstoten naar de absolute top? De heer Meganck heeft er al naar verwezen: vooral in het turnen is dat een specifiek probleem.

Hoe kan erop worden toegezien dat er meer aandacht gegeven wordt aan de sporters als jonge mensen in ontwikkeling, in plaats van dat er enkel de nadruk gelegd wordt op hun prestaties? Kinderen en jongeren zijn heel kwetsbaar. We moeten echt luisteren naar wat zij vertellen. Signalen worden heel vaak niet opgevangen. We zien dat ook bij kindermishandeling. Signalen moeten sneller worden opgepikt, kinderen moeten sneller geloofd worden. Vaak worden klachten afgedaan als ‘flauw’ of ‘niet waar’, maar dat klopt natuurlijk niet.

Een laatste punt gaat over het eencampusmodel van de heer Meganck. Er kan een natuurlijk een nieuwe geest rondwaren in de werkwijze, maar sowieso houdt het werken in een beperkte omgeving, zelfs met de beste bedoelingen en met begeleiding, nog altijd meer risico in. Er wordt gemakkelijker afgegleden naar een aanpak die mogelijk wel grensoverschrijdend kan zijn. Dat kan op een sluipende manier gebeuren, niet van vandaag op morgen. Dat gebeurt stilaan. Mijnheer Meganck, hoe kunnen we dat voorkomen? Hoe blijven we daar continu alert voor?

De heer Deckmyn heeft het woord.

De onafhankelijke onderzoekscommissie gymnastiek was inderdaad nodig. Ze kwam er nadat halverwege vorig jaar turners en ex-turners naar buiten kwamen met klachten over zaken die fout liepen in de gymnastiekwereld. In het bijzonder de Gentse topsportwerking kwam onder vuur te liggen. De Gymfed reageerde snel op de aangehaalde feiten en kondigde op 29 juli 2020 de oprichting aan van een ‘onafhankelijke ethische commissie’. Dat er binnen deze commissie ook enkele leden zaten van de structureel voorziene ethische commissie van de Gymfed, deed gelukkig een aantal alarmbellen afgaan en noopte minister Weyts tot het oprichten van een multidisciplinair samengestelde onafhankelijke onderzoekscommissie ad hoc. De opdracht van deze commissie werd vastgelegd in het ministerieel besluit van 25 augustus 2020 en omvatte naast het feitelijke onderzoek ook de publicatie van de onderzoeksresultaten.

Dit rapport werd op 31 maart opgeleverd en belandde, nog voor het op 16 april aan de leden van deze commissie werd bezorgd, al bij de pers, die er, uiteraard, de nodige ruchtbaarheid aan gaf. Als parlementsleden liepen we achter de feiten aan, wat niet de bedoeling was. De ruchtbaarheid die de pers eraan gaf, was op zich niet zo verwonderlijk, want de feiten wegen behoorlijk zwaar. Vele ex-gymnasten kwamen op vaak erg jonge en dus kwetsbare leeftijd fysiek, emotioneel en zelfs sociaal onder een te hoge prestatiedruk te staan en dragen daar tot vandaag de sporen van. Op basis van de vele getuigenissen van ex-gymnasten, gestaafd door getuigenissen van omstaanders binnen en buiten Gymfed stelden de rapporteurs vast dat er wel degelijk sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag door de coaches en dat daarbij niet adequaat werd opgetreden door de federatie.

De heer Meganck gaf ook mee dat de klachten van gymnasten soms getriggerd werden omdat men geen echte mogelijkheid tot uitstroom had als men niet op topniveau kon presteren, in tegenstelling tot topvoetbal of andere atletiekdisciplines. Dat is een heel delicate uitspraak. Is het een vaststelling, een beschuldiging? Ik zeg niet dat u het zo bedoeld hebt, maar ik zou het zo kunnen interpreteren, mijnheer Meganck.

Ik wil dit terugkoppelen naar de minister. De heer Meganck maakt hier wel een punt. Minister, gaat u werk maken van een echt uitstroombeleid voor gymnasten?

In mijn oorspronkelijke vraag stond: welke conclusies trekt de minister uit dit rapport? Maar we hebben daarnet al een goed antwoord gekregen. Het wordt wel een delicate evenwichtsoefening om de bevindingen van dit rapport verder op te volgen.

In het rapport wordt gewezen op het feit dat de coherentie tussen het tuchtreglement en de tuchtprocedure bij klachtenbehandeling door de Gymfed met betrekking tot grensoverschrijdend gedrag nog beter op punt kan worden gezet, onder meer door een duidelijkere begripsbepaling. Hoe staat u hiertegenover? Zult u hierop aandringen? Welke termijn voorziet u voor een reglementaire aanpassing? Zult u met het Gymfed-dossier in het achterhoofd ook tuchtreglementen en -procedures bij de andere sportdisciplines laten toetsen op eventuele onduidelijkheden en ze desgevallend laten aanpassen? Dit is een heel belangrijk dossier, het is goed dat we dit hier via een gedachtewisseling bespreken, maar we moeten dit durven open te trekken naar andere sportdisciplines.

In het rapport wordt sterk aangedrongen op het installeren van een open taskforce rond grensoverschrijdend gedrag vanuit de Gymfed. Die zou moeten zorgen voor overzicht, het formuleren van doelstellingen, het bepalen van een plan van aanpak en moeten zorgen voor monitoring, opvolging en rapportering. De heer Meganck haalde aan dat die doelstellingen nogal vaag klinken, maar men wil dit concreet maken, dat is ook logisch. Minister, u vindt een dergelijke taskforce echt nodig. De Gymfed moet daar tijd voor krijgen. Daar wordt dan een stuurgroep aan gekoppeld. Op zich is dat een goede zaak, zeker als daar veel mensen met een onafhankelijke mening kunnen zitten. Hoe zal dat in zijn werk gaan, vooral inzake interactie? Dat is eigenlijk een vraag aan u beiden. Het is goed dat die stuurgroep er komt, maar er is een verschil tussen structuren creëren en concrete interactie tussen de structuren. Tegen wanneer zullen welke stappen worden gezet? Dat is een belangrijk aspect, het is niet voldoende om veel plannen te maken.

Bij uitbreiding kan ik mij nog wel een aantal andere sportdisciplines voor de geest halen waar grensoverschrijdend gedrag uit hoofde van coaches en trainers niet uitgesloten kan zijn. Het stimuleren van een gezonde sportattitude en -omgeving moet mijns inziens een absolute prioriteit zijn en blijven. Is het daarom niet aangewezen om preventie, opleiding en opvolging breder te zien en uit te breiden tot alle disciplines die onder de bevoegdheid van de minister vallen? In hoeverre kan Sport Vlaanderen hier een rol in spelen? In hoeverre gaat u daarop aansturen, minister? Een globale benadering van dit probleem lijkt mij logischer dan het zich louter beperken tot de Gymfed. Of vergis ik mij? Ik wil nog eens oproepen om de zaak breder te bekijken.

In het rapport wordt aanbevolen extra zorg te besteden aan het herstel, niet alleen van ex-gymnasten die slachtoffer werden van grensoverschrijdend gedrag, maar van de hele Gymfed. De rapporteurs roepen op om niet alleen verantwoordelijkheid te nemen, maar ook na te gaan hoe de geleden schade kan worden hersteld, in de mate van het mogelijke te streven naar herstel van de getroffenen en zich te engageren dat de problemen zich niet zullen herhalen. Hoe zult u dit concreet realiseren? Men kan nobele intenties hebben, maar die moeten zich vertalen. Maar goed, we hebben de taskforce en de stuurgroep, ik neem aan dat we alles in dit licht moeten zien.

De rapporteurs hameren op zaken als een grondige screening van de coaches en het investeren in de vorming van trainers – normale zaken, maar blijkbaar schortte hier toch heel wat. In het rapport wordt aanbevolen om niet alleen het coachesbestand in Gent grondig te screenen, maar bij uitbreiding ook in de regionale en lokale clubs. Acht u dit wenselijk, minister, mijnheer Meganck? En zo ja, hoe zal dit worden georganiseerd? Idem dito voor het vormen van de trainers.

In het verslag wordt aangegeven om integriteit als thema op te nemen van ‘clinics’ en Coaches Platformen bij onder meer de Vlaamse Trainer School, Sport Vlaanderen en het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC). Acht u dit wenselijk? Op welke manier kan dit worden ingevuld? Ook de bij de clubs lijkt het mij immers interessant om vorming rond integriteit te organiseren.

Er werd een opvallend hoge blessure-incidentie – vooral overbelastingletsels bij jonge gymnasten – vastgesteld. U zegt dat het niet meer is dan bij andere sporten. Waarop baseert u zich? U schudt ‘neen’, minister, misschien heb ik u verkeerd begrepen. U gaat me daar ongetwijfeld uitleg over geven.

In een eerste reactie pleit u voor het optrekken van de minimumleeftijd voor deelname aan de Olympische Spelen tot 18 jaar. Een dergelijk voorstel heeft natuurlijk een internationale dimensie. Daarom had ik graag van u vernomen hoe u dit voorstel wil concretiseren. U zei daarnet dat u op Europees niveau iets gaat proberen te forceren. Iedereen moet wel mee zijn. U gaf zelf net al aan dat de Oost-Europese landen wellicht niet geneigd zullen zijn om daarop in te gaan. Uw initiatief lijkt eerder pro forma te zijn en is eigenlijk op voorhand al gedoemd om te mislukken, omdat er geen draagvlak voor bestaat. Ik neem aan dat ik dat goed inschat. Indien niet, zult u mij ongetwijfeld corrigeren.

Tot slot, collega's, minister, mijnheer Meganck, de reeds genomen initiatieven zijn op zich zeker positief te noemen. Maar – en dat is de rode draad van mijn betoog – een goede opvolging zal zeker nodig zijn.

De heer Van Dijck heeft het woord.

Collega's, minister, mijnheer Meganck, hartelijk dank voor de zeer duidelijke uiteenzetting. Voorzitter, wij mogen toch wel onze appreciatie vanuit de N-VA-fractie overbrengen aan verschillende mensen in dezen. Vooreerst is er de moed van diegenen die een getuigenis hebben uitgebracht. Dat is heel belangrijk. Wanneer die moed ontbreekt, geraakt het probleem nooit opgelost. Dan is er de manier waarop de Gymfed onmiddellijk bereid was om actie te ondernemen, om te erkennen dat er een probleem was. Ten derde is er, minister, het beleid. U hebt onmiddellijk initiatief genomen. En natuurlijk, mijnheer Meganck, heeft uw commissie een zeer waardevol werkstuk afgeleverd, zeer breed, vanuit verschillende invalshoeken, met oog en oor voor de noden, en met een aantal aanbevelingen. Dat zijn de lessen die we vandaag moeten trekken.

Ik heb vorige week zondag nog Aagje Vanwalleghem gehoord in De zevende dag. Het viel mij op dat het feit dat de betrokken coaches en trainers tot inzicht waren gekomen en excuses hebben aangeboden, voor de gymnasten niet alleen een blijk van erkenning was maar ook mede een stuk van het verwerkingsproces mogelijk maakte. Ik wil dat als eerste punt naar voren schuiven: dat er inzicht is gekomen in het feit dat men fouten heeft gemaakt, is zeer belangrijk.

Mijnheer Meganck, het onderzoeksrapport is zeer duidelijk: er zijn in het verleden zaken gebeurd die niet door de beugel kunnen. Anderzijds stelt het rapport ook duidelijk dat het klimaat binnen de organisatie is veranderd en dat men nu toch wel op de goede weg is. Dat stemt mij positief. Dat er nog werk aan de winkel is, is ook duidelijk, maar de Gymfed is er alleszins al mee aan de slag gegaan, nog voordat de conclusies van dit zeer degelijke verslag werden ingesteld.

Ik ga niet uitweiden over de dertien aanbevelingen, dat is duidelijk aan bod gekomen. Maar het is nu zaak wat we hieruit kunnen leren voor andere federaties en andere clubs. Dat zat ook voor een stuk in het antwoord van de minister. Al van voor 2018, maar zeker sedert 2018 wordt er sterk werk gemaakt van een integriteitsbeleid en wordt er sterk ingezet op ethisch en gezond sporten. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring moet een sportfederatie een integriteitsbeleid voeren en een Aanspreekpunt Integriteit organiseren. Voor de nieuwe olympiade en de beleidsperiode 2021-2024 moet de sportfederatie die in aanmerking wil komen voor subsidiëring hieraan voldoen.

Naast dat Aanspreekpunt Integriteit verplichten we voor elke gesubsidieerde sportfederatie een adviesorgaan en een tuchtorgaan. Het Vlaams Sporttribunaal, dat vanuit het Vlaams Dopingtribunaal werd gevormd, is sinds 1 januari 2021 operationeel, om tuchtklachten van grensoverschrijdend gedrag overkoepelend voor de aangesloten sportfederaties tuchtrechtelijk te behandelen. Verder is er natuurlijk ook nog ICES, dat de federaties en clubs ondersteunt in deze problematiek.

We zijn dus enorme stappen vooruit aan het zetten. Maar we zijn er nog helemaal niet. Maar de boodschap en de inzichten kunnen leiden tot een dynamiek op het terrein.

Minister, ik heb maar één bijkomende vraag. Ik had ze al een tijdje in het achterhoofd, maar ik denk dat u er daarnet ook enigszins naar verwezen hebt. Het meldpunt ligt voor de sportfederaties al decretaal vast als subsidiëringsvoorwaarde. Hoe ziet u dat concreet gebeuren? Welke incentives wilt u geven opdat dat ook zou doordringen naar het clubniveau, naar alle clubs? Het betreft dan zowel het aanspreekpunt als het anonieme meldpunt. Misschien – ik hoed mij voor bijkomende taakbelastingen – kunnen lokale besturen daar ook een rol in spelen, via hun sportfunctionarissen en sportraden en dies meer, om niet alleen te sensibiliseren maar er ook op toe te zien dat dat in al onze sportclubs effectief in gang wordt gezet.

Ik dank nogmaals eenieder die hieraan op positieve wijze heeft bijgedragen, om de weg die we aan het bewandelen zijn, ook voort te zetten.

De heer Meganck heeft het woord.

Bart Meganck, voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek

Mevrouw Lambrecht, wij hebben ons rapport afgewerkt – na een intense periode, kan ik u zeggen – op 31 maart ’s nachts, en wij hebben het op 1 april heel vroeg bezorgd aan het kabinet van minister Ben Weyts. Het is enkel aan het kabinet bezorgd. Dat hebben we heel bewust gedaan, om geen enkel lek mogelijk te maken. Ik denk dat ik 100 procent garant kan staan dat er binnen mijn commissie geen enkel lek geweest zal zijn. Het is enkel aan de minister bezorgd omdat hij de opdrachtgever was, via het ministerieel besluit. Mevrouw Lambrecht, waarom hebben de getuigen of de slachtoffers niet vooraf het rapport gekregen? De afspraak was heel duidelijk dat het enkel naar de minister kon gaan.

Ik wil wijzen op de rol van de commissie. Minister Weyts wees er al op dat de commissie een onderzoekscommissie was en geen tuchtcommissie. Als magistraat, als rechter, ben ik gewoon om te zetelen in een rechtbank, in een hof. Daar is de indeling van de partijen heel duidelijk. Daar heeft men te maken met een eiser, een verweerder, een beklaagde, een burgerlijke partij en het openbaar ministerie. Dat is natuurlijk een andere onderzoekscommissie dan deze, die een eigen karakter had en die niet bepaald was door een wet en dergelijke meer. Wij hadden een heel andere rol te spelen. Nu wordt op hen het etiket ‘slachtoffer’ geplakt, maar voor ons was iedereen een gelijke getuige.

Een getuige kan zowel feiten melden die fout waren als zaken die positief waren in zijn of haar beleving. In die zin was er geen sprake van een homogene groep van slachtoffers. Dus konden wij aan die personen het rapport wel meedelen en aan andere niet. De afspraken daarover waren duidelijk.

Waarom waren er geen vertegenwoordigers van slachtoffers op de persconferentie? De bedoeling van de persconferentie – en de minister zal daar misschien nog meer willen op antwoorden – was om op een heel neutrale wijze beknopt het rapport toe te lichten en zeker niet om daar al een discussie te organiseren. De groep van de slachtoffers was niet homogeen. Wie van de zogenaamde slachtoffers, van diegenen die door ons rapport als slachtoffer zijn erkend, zouden wij daar dan wel geplaatst moeten hebben?

Mevrouw Schryvers, u stelde een vraag over het uittreksel van het strafregister. Vanuit mijn ervaring als strafrechter die ook actief is in de sportwerking, kan ik aangeven dat ICES daar al goed over heeft gereflecteerd en daar een rapport over heeft gemaakt. Ik kan daarbij aangeven dat het een nuttig instrument is om het strafregister te vragen, maar dat men op zijn hoede moet zijn, omdat het een vals gevoel van veiligheid kan geven. Niet elke pleger is al veroordeeld. Niet elke pleger is gekend of gevat. Het kan ook zijn dat een bepaalde zaak in onderzoek is en dat het nog niet op een strafregister is genoteerd, en dat men dan toch met een blanco of beperkt strafregister actief kan zijn binnen de sportwerking. Bovendien is er dan nog de federale problematiek dat de strafregisters niet helemaal actueel zijn en dat er soms maanden en zelfs een jaar achterstand is in het bijhouden van de strafregisters.

Voorzitter, overloop ik dit verder of wenst u dat te sturen?

Het is perfect. Men noteert meestal de vragen en u gaat in op wat u zelf verkiest.

Bart Meganck, voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek

Mijnheer Deckmyn, u vroeg naar het moment dat het rapport is meegedeeld. Daarop heb ik al geantwoord. Ik benadruk nog eens dat er vanuit de commissie geen enkel lek zal zijn geweest.

Wat betreft het uitstroombeleid: dat was helemaal niet bedoeld als een beschuldiging ten aanzien van de Gymfed of van andere instanties. Ik heb er enkel op willen wijzen dat dat binnen de gymnastiek iets heel specifieks is, zoals ook de heer Deckmyn heeft aangegeven. Daar zijn veel minder mogelijkheden om na het beëindigen van een topsportcarrière, om welke reden dan ook, op een lager echelon actief te zijn binnen de gymnastiek. Dat kan wel in andere competities. Ik heb het niet voldoende kunnen nagaan, maar in Duitsland bestaat er, denk ik, wel de mogelijkheid van een soort mastercompetitie waar men, zonder dat men per se een olympisch of EK- of WK-ticket op het oog heeft, toch nog op een zeer hoog niveau aan gymnastiek kan doen. Dat is het specifieke dat wij hebben vastgesteld met de topsportwerking in Vlaanderen: dat wanneer men, wanneer men de echelons heeft doorgelopen, binnenkomt in de topsportwerking, met het oog op deelname bij de senioren, als de grote of de enige betrachting heeft om dat hoogste ticket, het olympische ticket, te behalen. De fixatie zit natuurlijk op het behalen van de olympische deelname. Dat is een mooi streefdoel, maar het gevaar is dat men enkel daarop gericht is.

En misschien moet binnen de Gymfed zelf worden bekeken of het niet mogelijk is om ook zo’n competitie op een nog zeer hoog niveau te organiseren, maar niet met de betrachting om telkens tickets te behalen voor die internationale kampioenschappen. Dat is misschien een mogelijkheid die de Gymfed kan onderzoeken.

De heer Deckmyn heeft al gewezen op de belangrijke rol van de Vlaamse trainingsschool. Dat is juist, denk ik. Gezond en ethisch sporten komt hoe dan ook al aan bod in de opleidingen, maar dat kan natuurlijk nog altijd veel meer aan bod komen.

Ik heb in het begin van mijn uiteenzetting al aangegeven dat men binnen de Gymfed eigenlijk al heel ver stond in het uitwerken van de API, de ethische commissie of het ethische adviesorgaan. Mevrouw Caroline Jannes is de federatie-API. Zij werkt ook heel hard – ik weet dat, omdat ik haar ook persoonlijk ken vanuit andere hoedanigheden – aan het aansturen van de club-API’s. Ze zet daar heel erg op in. Dat gebeurt niet alleen jaarlijks. Op zeer frequente momenten organiseert ze vormingen voor het uitwerken en het begeleiden van club-API’s. En ik weet dat ze daar heel sterk op inzet en dat ze dus ook een belangrijke rol binnen de Gymfed heeft gekregen.

Ik denk dat ik daarmee grotendeels de vragen heb beantwoord die mijn richting uitkwamen, voorzitter. Mocht dat niet het geval zijn, dan hoor ik het graag.

Minister Weyts heeft het woord.

– Karin Brouwers treedt als voorzitter op.

Minister Ben Weyts

Ik zal nog wat aanvullen. De blessure-incidentie is in onze Vlaamse turnwereld niet hoger dan in andere landen, wel dan in andere sporttakken. Dat heeft natuurlijk gewoon te maken met de aard van de sportdiscipline zelf. Die is heel technisch, heel belastend, fysiek heel intens, en dat nog eens gekoppeld aan de jonge leeftijd. Dat hangt allemaal met elkaar samen. De blessure-incidentie is hoger in de gymnastiek dan in andere sportdisciplines, maar dat is ook zo in andere landen. Als je onze incidentie vergelijkt met het buitenland, zit dat op hetzelfde niveau.

Wat trouwens die jonge leeftijd betreft, en de vraag om de toegangsleeftijd te verhogen van 16 naar 18 jaar: daar groeit in Europa alleszins een consensus over. Ik heb nu geen volledig en exact beeld, maar alleszins bij de buurlanden groeit de steun voor die vraag. We moeten eens bekijken of we dat wat kunnen verruimen en er minstens op het niveau van de volledige Europese Unie enige overeenstemming zou zijn.

Ik zal het kader van het integriteitsbeleid even ruimer schetsen. Toenmalig minister Muyters heeft op dat vlak de afgelopen jaren baanbrekend werk verricht. We hebben in Vlaanderen echt een voortrekkersrol kunnen opnemen. Dat integriteitsbeleid bestaat uit zeven elementen, gaande van het aanspreekpunt integriteit tot het voorzien in een tuchtrechtelijk systeem, al dan niet via het Vlaams Sporttribunaal. Ook de stap naar het clubniveau moeten we nu nog sterker zetten. Dat is nu al opgenomen. Federaties zorgen via hun sportclubondersteuning voor een integriteitsbeleid op clubniveau, door clubs te stimuleren om laagdrempelige aanspreekpersonen aan te stellen, gedragscodes op te stellen en een handelingsprotocol op te maken op clubniveau, waarmee we dus letterlijk en figuurlijk tot op het sportterrein willen raken. Er is ook een ondersteuning en een opleiding van die aanspreekpunten, want dat is niet zo vrijblijvend. ICES organiseert in samenwerking met Dynamo twee specifieke opleidingen voor die aanspreekpunten, namelijk ‘Sport met grenzen’ en ‘Aan de slag als API in je sportclub’. Die opleidingen zijn verplicht.

Daarbovenop is er ook nog eens een jaarlijks terugkommoment, een jaarlijkse bijscholing of bij-opleiding voor de API’s. Het thema integriteit, met aandacht voor motiverend coachen en ethische dilemma's, is de voorbije jaren geïntegreerd in de opleiding en bijscholing van trainers binnen de Vlaamse trainersschool. We gaan daar blijven inzetten op kennis en expertise. Er is het M-factorproject, dat gaat over motiverend coachen. Dat wordt geïntegreerd in de trainerscursussen, zodat ook onze toekomstige trainers en de huidige, die worden bijgeschoold, die vernieuwende visie op coachen delen en implementeren.

We hebben ook duidelijk de focus op seksueel grensoverschrijdend gedrag verruimd naar andere vormen van grensoverschrijdend gedrag, waarover we hier vandaag ook spreken. Ik denk dat die uitbreiding ook een belangrijke pijler vormt in het nieuwe beleidsplan van ICES. Zij gaan hun ondersteuning, instrumenten en vormingen daarrond ook dit jaar nog meer uitbreiden.

Dan kom ik bij de verdere aanpak van de concrete casuïstiek rond de Gymfed. De taskforce wordt nu samengesteld. Ik ben zelf ook bezig met de samenstelling van de stuurgroep, waar alvast de voorzitter deel van zal uitmaken, en ook een ex-gymnaste. Ook daar heb ik contact opgenomen. Ik denk ook aan een vertegenwoordiger van ICES, en dan nog twee andere leden. Dat lijkt mij afdoende te zijn.

Ik heb gevraagd om mij terugkoppeling te geven en een actieplan uit te tekenen, met concrete deadlines en een tijdshorizon, want de omzetting van elke aanbeveling vergt een ander tijdspad. Ik heb gevraagd dat men tegen eind mei een actieplan zou kunnen opleveren. Tegen dan wil ik ook een stuurgroep op poten hebben gezet, die dan kan starten met het beoordelen van dat actieplan en die vervolgens ook kan instaan voor de opvolging. Ik blijf daar dus wel kort op de bal spelen en zorg ervoor dat een en ander geborgd wordt.

Het herstelbeleid hoort daarbij, maar dat is vooral afhankelijk van de wens van het slachtoffer. We hebben gevraagd om een outreachende aanpak te doen: neem contact en bekijk wat je kunt betekenen. Dat zal voor elk slachtoffer anders zijn. Enkelen hebben mij al laten weten dat het een goede aanpak is geweest en dat dat voor hen voldoende is. Voor anderen zal het ongetwijfeld niet zo zijn. Het zal afhankelijk zijn van de wensen van elk slachtoffer.

En dan zijn er nog de detailvragen over wie wanneer het rapport heeft ingekeken. Ik heb vooral getracht om omzichtig te werk te gaan. Ik heb het rapport begin april gekregen. De woensdag daarop heb ik de Gymfed daarvan in kennis gesteld en hen aangespoord tot onmiddellijke actie, die ze ook onmiddellijk ondernomen hebben. Ik heb de termijnen ook kort gehouden, om dan al op vrijdag daarover te communiceren, in alle sereniteit. Want wat we echt konden missen als kiespijn, was een perslek. Ik kon dat dus gewoon niet breed rondsturen. Ik heb het een uur op voorhand of zo aan de commissieleden bezorgd. Als je dat vroeger doet, weet je geheid dat dat lekt en dat het in de pers komt. We zijn erin geslaagd om dat klimaat van sereniteit te garanderen in de praktijk. Ik vind dat dit vooralsnog een geslaagde operatie is geweest. Nu zal het erop aankomen om te garanderen dat de aanbevelingen ook correct worden uitgevoerd. Maar ik denk dat we daarvoor ook wel het nodige voorzien hebben.

Mevrouw Lambrecht heeft het woord.

Ik heb op een paar vragen geen antwoord gekregen, voorzitter. Ik zal ze opnieuw stellen. Minister, zal de taskforce of de stuurgroep op geregelde basis verslag uitbrengen rond de toepassing van de aanbevelingen van de Gymfed? En gaan wij, als leden van deze commissie, die verslagen ontvangen? Op welke manier zal dat gebeuren?

Ik heb in de uiteenzetting ook gehoord dat er een kaderweekend zou zijn om de coaches vorming te geven. Begrijp ik het goed dat de huidige vorming die is vooropgesteld, één keer per jaar een weekend is? Hopelijk heb ik dat fout begrepen. Wie zal de huidige vorming rond werken met kinderen en jongeren aan de coaches geven? En wanneer start men met die vorming?

Hoe zal men de geleden schade bij de ex-gymnasten herstellen? Welke maatregelen zijn er op dat vlak? Worden ex-gymnasten individueel gecompenseerd voor de geleden schade of blijft het enkel bij het collectieve excuus?

De voorzitter van de onderzoekscommissie zit in de stuurgroep, maar zit hij ook in de taskforce?

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Ik dank de minister en de voorzitter van de onderzoekscommissie voor hun bijkomende toelichtingen.

We kijken nu in eerste instantie uit naar het actieplan dat is aangekondigd. De minister heeft daar een datum voor vooropgesteld: eind mei. Ik ben heel benieuwd om dan te zien op welke manier dat actieplan is opgesteld en hoe men verder met de aanbevelingen aan de slag is gegaan.

Ik ben in het verleden – dat is soms het voordeel van al langer actief te zijn in het parlement – al enkele keren betrokken geweest bij een aantal acties rond erkenning en heling, bijvoorbeeld van slachtoffers van historisch misbruik of van slachtoffers van gedwongen adopties. En ik heb telkens weer gemerkt hoe belangrijk die erkenning is: het aanvoelen dat wat je gezegd hebt, geloofd is, en vooral ook dat wat er gebeurd is, niet oké was en dat jou dat kan hebben aangetast als jongere, dat je daar de gevolgen van hebt ondervonden en die nog kunt ondervinden. Ik wil toch echt vragen om daar op een goede manier en heel omzichtig mee om te gaan en om, als het collectief gebeurt, de verschillende slachtoffers daarbij te betrekken, en om ook te kijken naar de manier waarop dit op een individuele manier kan gebeuren. Want verschillende slachtoffers hebben ook wel verschillende noden – dat weten we ook allemaal.

Ik denk dat we ook allemaal heel veel respect mogen en moeten hebben voor slachtoffers die dan op een bepaald moment toch aan de alarmbel durven te trekken en die het dan eigenlijk mogelijk maken dat er ook een kentering is in het beleid. Dan is het natuurlijk goed dat daar op deze manier op is ingespeeld door de oprichting van de commissie en dat we daaruit leren. We moeten naar de toekomst kijken, maar dat is niet genoeg. We moeten ook slachtoffers uit het verleden herstel kunnen geven.

Ik wil tot slot nog even ingaan op het uittreksel uit het strafregister. Minister, u weet dat ik daar al schriftelijke vragen over heb gesteld. Straks staat er ook nog een vraag om uitleg van collega Lambrecht op de agenda. Ik heb er gisteren ook nog een vraag om uitleg over gesteld aan minister Demir. De heer Meganck ging er nu op in. We zijn er ons ten zeerste van bewust dat het voorleggen van een uittreksel uit het strafregister geen afdoende oplossing is voor elk probleem of elk risico dat men kan lopen. Vanzelfsprekend is dat niet zo. Er is niet één zaligmakende oplossing die zal zorgen dat er geen fysiek, seksueel of psychisch grensoverschrijdend gedrag meer gebeurt. Die is er niet.

Maar wat we wel moeten doen, is de mazen van het net zo klein mogelijk maken. Dat is een en-en-enverhaal. We moeten daarbij verschillende acties nemen. De #MeToo-commissie van vorige legislatuur heeft daarom als uitdrukkelijk punt gesteld, vanzelfsprekend mee tussen andere aanbevelingen, dat het voorleggen van een uittreksel uit het strafregister, model 2, een van de elementen is die we toch zouden moeten kunnen vragen aan mensen die op een professionele manier kinderen en jongeren begeleiden en daarvoor verantwoordelijkheid dragen. Dat is toen zo goedgekeurd in het parlement. Ik ben tevreden dat daar momenteel werk van wordt gemaakt. Maar ik erken dat het niet voldoende is, dat het niet alles oplost en dat het een momentopname is. Dat weet ik zeer goed. Soms loopt er al een strafonderzoek en is er nog geen veroordeling. Soms staat de veroordeling nog niet ingeschreven op het uittreksel. Het is een momentopname, maar het kan wel een belangrijke momentopname zijn. En we lezen toch nog te vaak dat mensen die veroordeeld zijn, toch nog ergens anders aan de slag kunnen, bijvoorbeeld in een andere vereniging.

In het onderwijs en in de welzijnssector is dat al heel lang gangbaar. Daar maakt niemand daar een probleem van. Ik erken natuurlijk de bekommernis van verenigingen of ze nog voldoende vrijwilligers zullen vinden. In de resolutie is de aanbeveling geformuleerd voor mensen die professioneel bezig zijn. We moeten alle mazen van het net zo goed mogelijk sluiten. In dat kader blijf ik heel sterk achter die aanbeveling staan en ben ik heel tevreden dat ze nu binnenkort zal worden uitgevoerd. Ik dank u.

De heer Deckmyn heeft het woord.

Mijnheer Meganck, minister, ik dank jullie voor jullie antwoorden.

Ik heb eigenlijk niet veel bijkomende vragen. Maar ik wilde even aangeven dat er, naar aanleiding van deze feiten, een moment is gekomen waar er publiekelijk een erkenning van de fouten is gebeurd. Op zich is dat belangrijk. Er zijn excuses aangeboden. De grote vraag die echter overblijft, is of dit voldoende is voor de gymnasten die daar een probleem hadden. Dat is niet evident. Hoe wordt dit verder opgevolgd? Of stopt het hier wat de erkenning van de fouten uit het verleden betreft?

Alles staat of valt natuurlijk met de verdere opvolging van de aanbevelingen en de verdere concrete uitwerking van onder meer die taskforce en de stuurgroep. Ik vind het ook belangrijk dat we alvast de komende maanden op dat vlak de nodige feedback zullen blijven krijgen. Ik dank u.

De heer Meganck heeft het woord.

Bart Meganck, voorzitter, Onafhankelijke Onderzoekscommissie Gymnastiek

Ik wil zeker niet het gras van voor de voeten van minister Weyts wegmaaien. Wat betreft het herstel kan ik alvast meegeven dat de Gymfed samenwerkt met ICES. Dat deden ze al in het verleden, voordat deze commissie was opgericht. Ze werken samen met ICES, dat een totaal onafhankelijk instituut is in verband met integriteit en ethiek in de sport. Hun API zou dus samenwerken met ICES om daar, zoals de minister al heeft aangegeven, contact op te nemen met diverse slachtoffers en na te gaan wat die slachtoffers als erkenning verwachten.

Dat lijkt mij een goede werkwijze, die de sereniteit kan waarborgen. Natuurlijk bestaat de kans – en dat is ook hun recht – dat bepaalde slachtoffers andere vergoedingen, hetzij financiële, hetzij morele, wensen. Dan hebben zij, zoals aangegeven, binnen de reglementen die van toepassing zijn, binnen de Gymfed, binnen het Vlaams Sporttribunaal, nog altijd de mogelijkheid om eventueel terecht te komen bij het Vlaams Sporttribunaal.

Mevrouw Lambrecht, u vraagt in welke hoedanigheid ik in de toekomst te werk zal gaan, in de taskforce of in de stuurgroep. Ik kan enkel zeggen dat de Gymfed ook daar bezig is met het aanpakken van de taskforce. We zijn natuurlijk nog maar enkele dagen na 16 april, de datum waarop ze effectief hebben kennisgenomen van het rapport. Ze mogen dus nog wel enige tijd krijgen. Wat de hoedanigheid betreft: de minister heeft mij aangesproken en ik heb toegezegd dat ik zeker mijn medewerking wil verlenen. Er moet nog meer concreet worden gemaakt op welke wijze dat zal zijn.

Ik wil niet meer te veel terugkomen op het strafregister, mevrouw Schryvers. U geeft heel terecht aan dat het een en-enverhaal is en dat dat zeker een belangrijk element is om de mazen van het net steeds kleiner te maken.

Misschien kan ik er nog iets constructiefs aan toevoegen. Maar dat is natuurlijk iets waarvoor men op de federale poort zal moeten kloppen. Ik heb al vaak gemerkt dat sportclubs of sportfederaties soms moeilijk aan informatie geraken over lopende of voorbije strafdossiers. Misschien zou de mogelijkheid moeten worden verruimd om hen toegang te bieden via de parketten. Maar dat gebeurt al. Ik heb al gemerkt dat zij veel vlotter dan vroeger toegang krijgen. Vroeger kregen zij op voorhand bijna steevast een njet. Nu wordt er vanuit de parketten al meer rekening gehouden met die bekommernis. Maar het is natuurlijk een gemeenschapsaangelegenheid. U zult op de federale poort moeten kloppen om die mogelijkheid nog meer te verruimen.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik houd het kort. Want verschillende vragen die opnieuw werden gesteld, zijn al beantwoord. Maar blijkbaar werden ze niet altijd even goed beluisterd.

Inzake het herstelbeleid heb ik geantwoord dat dat inderdaad een individuele aanpak zal vergen. Daarbij zal het geformuleerde antwoord afhankelijk zijn van de vragen en wensen van elk individueel slachtoffer. Maar daarom hebben we er wel voor gezorgd dat er een outreachende aanpak is, waarbij men heel open stelt: ‘Wij zijn bereid om in dialoog te treden en, in eerste instantie, te luisteren naar uw wensen en bekommernissen, om daar vervolgens ook een antwoord op te kunnen formuleren.’

Wat de taskforce betreft, hadden we ook al gezegd dat de voorzitter daarvan deel uitmaakt.

Ik heb ook de opvolging geschetst. Het actieplan wordt eind mei opgeleverd. Vervolgens kan de stuurgroep zich daarover buigen. Dat maakt het inzake timing mogelijk dat u mij daarover in juni kunt bevragen of welk ander parlementair initiatief ter zake kunt nemen. Het staat u als commissie vanzelfsprekend vrij om in die opvolging te voorzien. Maar ik verwacht dat we dan ongeveer een concreet actieplan hebben, met voor elke aanbeveling een tijdshorizont en een plan van aanpak. Dan zult u mij daar in juni over kunnen bevragen.

Nog een slotwoord, mevrouw Lambrecht? We moeten deze hoorzitting toch stilaan afsluiten, aangezien er nog een aantal vragen op de agenda staan. Maar u hebt zeker nog het recht om een laatste bemerking te maken.

Mevrouw Lambrecht heeft het woord.

Voorzitter, als we over zo’n rapport praten en we zijn pas om 9.30 uur gestart, moeten we ons toch niet opjagen.

Er is één vraag waarop ik geen antwoord heb gekregen. Ik denk echt dat ik het fout heb begrepen. Ik wil het voor mijzelf rechtzetten, zodat ik niet met een slecht gevoel daarover blijf zitten. Mijn vraag betreft de opleiding van de coaches, om hen ethischer te doen werken en hen op een goede manier te leren omgaan met jongeren. Heb ik goed begrepen dat er daarvoor één kaderweekend wordt voorzien? Want inderdaad, mijnheer Meganck, ik zag u knikken dat het niet klopt. Dat wil ik dus graag eens rechtzetten.

Ik ben tot nu toe redelijk gerustgesteld met wat ik hier hoorde. Maar, zoals de minister herhaaldelijk zelf heeft gezegd, zal een goede opvolging cruciaal zijn. Wat voorligt, lijkt mooi. Er zijn plannen. En de uitvoering zullen we in juni inderdaad voor een eerste bevraging aan u kunnen voorleggen, minister. Want zoals we al vaak hebben gezegd: geen enkele gouden medaille is een trauma waard. Ik dank u.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik wil nog iets zeggen over de integriteitsaanpak van de coaches. Dat is vaste prik bij zowel de opleiding als de bijscholing van die coaches. Gezond en ethisch sporten, integriteitsaanpak maakt vast deel uit van de opleiding en bijscholing van de coaches.

De vragen om uitleg en de hoorzitting zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.