U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw De Rudder heeft het woord.

Uit een vrijetijdsonderzoek van de studiedienst van de VRT blijkt dat 7 procent van de Vlamingen door geldzorgen minder plezier heeft in het leven. Bij mensen met een laag inkomen is dat zelfs 42 procent. Wie moet rondkomen met een laag inkomen, geeft veel minder geld uit aan vrijetijdsactiviteiten. Vier op de tien mensen met een laag inkomen geven aan dat activiteiten niet binnen hun budget passen. Die financiële stress en de harde keuzes die gemaakt moeten worden, veroorzaken minder plezier in het leven. Ze hebben minder sociale contacten, kunnen niet meepraten en raken op die manier ook geïsoleerd. Dat is uiteraard schrijnend om vast te stellen, maar de vraag is wat we hier nu mee kunnen aanvangen en hoe we daarmee omgaan.

Minister-president, wat is uw reactie op de resultaten van dit vrijetijdsonderzoek? Welke initiatieven zijn reeds ondernomen of gaan genomen worden vanuit het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media? Kunnen deze resultaten dan voor een bijsturing zorgen?

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Ik geef hierop een gecoördineerd antwoord, ook met het kabinet van minister Dalle van Media en Jeugd, en met het kabinet van minister Weyts, wat Sport betreft. Ik ga over al die verschillende beleidsdomeinen het antwoord geven. Het is dus gecoördineerd met de collega’s.

Wat mijn reactie is? Dat is niet gecoördineerd, dat is mijn reactie. Het verontrust me dat uit het onderzoek van de VRT blijkt en bevestigd wordt dat nog steeds zoveel mensen in armoede vandaag de dag de weg niet vinden naar kwaliteitsvolle vrijetijdsbesteding.  Nochtans blijf ik sterk inzetten op instrumenten die zowel het lokale aanbod, via de lokale besturen, als het bovenlokale aanbod toegankelijker moeten maken. Al sinds 2009 ondersteunt de Vlaamse Regering via het Participatiedecreet, meer bepaald de subsidie lokale netwerken voor de bevordering van de vrijetijdsparticipatie, zowel cultuur, jeugdwerk als sport, van personen in armoede, de lokale overheden om participatiedrempels voor personen in armoede op het vlak van cultuur, jeugdwerk en sport weg te werken. Deze lokale netwerken kenden een sterke groei van 35 gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) in 2009 tot 172 gemeenten, een intergemeentelijk samenwerkingsverband van 5 gemeenten en de VGC in 2021. Samen vertegenwoordigen zij momenteel een subsidie van 1.349.637,90 euro van het jaarlijkse totaalbedrag van 1.551.000 euro dat voor alle Vlaamse gemeenten en de VGC tijdens de periode 2020-2025 door de Vlaamse Regering werd voorzien.

Daarenboven blijft Vlaanderen ook sinds 2009 de werking van VRIJUIT – dat is het oude Fonds Vrijetijdsparticipatie –, een onderdeel van Demos vzw, ondersteunen. Mensen in armoede in gemeenten met een lokale lidorganisatie van VRIJUIT kunnen via deze lidorganisatie aan een verminderde prijs deelnemen aan bovenlokale culturele, jeugd- en sportactiviteiten. De lidorganisaties zorgen voor de toeleiding van hun leden. In gemeenten waar de UiTPAS is uitgerold, kunnen mensen in armoede op een niet stigmatiserende manier aan kansentarief deelnemen aan cultuur, jeugdwerk en sport. Voor de werking van Demos vzw, waarvan de ondersteuning van de lokale netwerken een onderdeel vormt, heb ik in 2021 560.090 euro voorzien.

Voor de tussenkomsten van VRIJUIT ontvangt de organisatie dit kalenderjaar 300.000 euro. In de begroting 2021 is 774.912 euro voor de UiTPAS uitgetrokken. De afstemming van al die instrumenten op elkaar is aan verbetering toe. Daarin wil ik de komende jaren stappen vooruitzetten zodat vrijetijdsbeleving nog toegankelijker wordt.

Wat betreft de initiatieven op het vlak van cultuur heb ik in mijn antwoord op de vorige vraag al aangehaald dat Vlaanderen momenteel al over een aantal instrumenten beschikt, zoals de lokale netwerken vrijetijdsparticipatie, VRIJUIT en de UiTPAS, die de participatie van personen in armoede bevorderen. Ik heb de participatie-instelling Demos vzw de opdracht gegevens om – dat is decretaal bepaald – de gemeenten die momenteel nog niet over een lokaal netwerk beschikken, te overtuigen om daar werk van te maken. Aangezien het hier vaak over kleine gemeenten gaat, gebeurt dat bij voorkeur in de vorm van intergemeentelijke samenwerkingen. Dergelijke samenwerkingen kunnen ook de verdere uitrol van de UiTPAS bevorderen, aangezien er daarvoor een bepaald aantal inwoners verplicht is. Ik blijf dan ook de uitrol van UiTPAS naar andere steden en gemeenten ondersteunen. Dat geldt eveneens voor de werking van VRIJUIT. Ook zal ik blijvend werk maken van een betere afstemming van die diverse instrumenten om de vrijetijdsparticipatie van mensen in armoede te verhogen.

Wat jeugd betreft geef ik het antwoord van collega Dalle. Jammer genoeg moeten we nog altijd vaststellen dat kinderen en jongeren in armoede te veel drempels ervaren wanneer het aankomt op hun vrijetijdsbesteding. Uit de omgevingsanalyse in het jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan (JKP) uit 2018 bleek al dat vrijetijdsbesteding niet voor elk kind of elke jongere bereikbaar of beschikbaar is. Dat is ook een belangrijk signaal in het jaarlijks verticaal armoedeoverleg en wordt nogmaals bevestigd door de cijfers die we in dit onderzoek te zien kregen.

In deze legislatuur willen we hier op verschillende manieren op inzetten. Vooreerst wil de voltallige regering werk maken van het verlagen van de drempels voor kinderen en jongeren via het jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan. Prioriteit 4 ‘Vrijetijdsbesteding voor allen’ speelt rechtstreeks in op die problematiek. Door in te zetten op oplossingsstrategieën en kruisbestuivingen willen we maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren toeleiden naar een vrijetijdsaanbod op hun maat en hebben we aandacht voor werkingen die hun vraag en aanbod afstemmen op de buurt en op de samenleving. We vertrekken altijd vanuit de vraag en de kracht van deze kinderen en jongeren. Concreet lanceerden minister Dalle en minister Somers, bevoegd voor de integratie en de inburgering, de projectoproep ‘Verbindingsambassadeurs in het jeugdwerk’. In totaal gaan de komende twee jaar negentien projecten, verspreid over Vlaanderen en Brussel, aan de slag om verbinding te stimuleren tussen diverse verenigingen op Vlaams en lokaal niveau en in goede afstemming met lokale besturen om kinderen en jongeren te bereiken die we nu vaak niet bereiken.

In dat kader werd ook aan de bovenbouworganisaties Jeugd, namelijk Bataljong, De Ambrassade, het Coördinatieorgaan voor Internationale Jongerenwerking (JINT) en het Kenniscentrum Kinderrechten (KeKi), een specifieke opdracht toegekend tot de realisatie van inclusief jeugdwerk in Vlaanderen en Brussel. Kinderen en jongeren die opgroeien in armoede, behoren tot de doelgroep waarvoor een specifiek ondersteuningsaanbod zal worden uitgewerkt. Het projectplan is op dit moment in opmaak.

In het kader van het relanceplan Vlaamse Veerkracht wordt werk gemaakt van een projectoproep die zich richt op netwerken die ervoor kunnen zorgen dat kinderen en jongeren in kwetsbare situaties kunnen deelnemen aan een gevarieerde, zinvolle en creatieve vrijetijdsbeleving op hun vraag en maat. Naast de resultaten van de projecten zelf worden de gehanteerde methodieken gemonitord en geanalyseerd met het oog op een duurzame aanpak, opschaling en bredere uitrol in Vlaanderen en Brussel. De oproep wordt op 1 april bekendgemaakt.

Ook droeg minister Dalle acties aan binnen de doelstelling Kinderarmoede van het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA). In de volgende jaren zal hij dat operationaliseren en uitrollen om de vrijetijdsbesteding van kinderen en jongeren in armoede te versterken.

Tot slot verwijs ik nog graag naar de subsidiëring van geprofessionaliseerde jeugdwerkingen met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren binnen het decreet Bovenlokaal Jeugdbeleid die activiteiten met kinderen en jongeren in de vrije tijd organiseren. Ook daar worden landelijk erkende jeugdverenigingen ondersteund die specifieke initiatieven nemen om maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren te laten deelnemen aan kampen, workshops en vakanties. Ze werken vaak samen met instanties zoals het Steunpunt Vakantieparticipatie om de drempel tot het aanbod te verlagen.

Dan het luik Media. Dit antwoord is gecoördineerd met minister Dalle. In de nieuwe beheersovereenkomst met de VRT wordt de VRT gevraagd om ambitieus in te zetten op de representativiteit en de toegankelijkheid van haar aanbod. Daarbij wordt ook aandacht gegeven aan mensen in armoede.

De VRT heeft in haar aanbod regelmatig aandacht voor mensen in armoede. Dat gebeurt onder andere in de dagelijkse berichtgeving, waarbij ook extra aandacht gaat naar zogenaamde kruispunten, zoals ouderen en armoede of alleenstaande ouders en armoede.

De cel Diversiteit van de VRT heeft vanuit haar diversiteitsbeleid ook regelmatig overleg met organisaties die actief zijn rond mensen in armoede, zoals het Netwerk tegen Armoede, dat 58 verenigingen overkoepelt en andere organisaties. Dat geldt ook voor programmamakers van de VRT die een programma(-item) maken, waarbij aandacht gaat naar mensen in armoede.

Het diversiteitsbeleid van Ketnet focust onder andere op kinderen in armoede. Na gesprekken met experten heeft het merk een actieplan ontwikkeld. In programma’s waar de deelname van kinderen gevraagd wordt, is er specifieke aandacht voor kinderen in armoede. Dit betekent onder meer dat er zowel in ondersteuning als budgettaire ruimte wordt voorzien om die kinderen te begeleiden, bijvoorbeeld door het inzetten van een coach, in vervoer voorzien, telefoonkaart gebruiken, aankopen tokens enzovoort.

In fictiereeksen komt het armoedethema ook aan bod. Trailers en andere Ketnetcontent zijn doordrongen van diversiteit en hebben oog voor kinderen in sociale armoede, bijvoorbeeld door niet in de trailers enkel de fancy Zweedse keuken te tonen.

Ketnet is toegankelijk voor alle kinderen door onder meer alle Ketnetcontent steeds gratis en reclamevrij aan te bieden. Ook heel wat acties en events van Ketnet worden gratis aangeboden. Voor betalende activiteiten wordt in samenwerking met het Netwerk tegen Armoede en Pelicano gezorgd voor sterk gereduceerde tarieven voor gezinnen met kinderen in armoede. Deelnamemogelijkheden en communicatie van informatie omtrent de events worden via het Netwerk tegen Armoede specifiek naar gezinnen in armoede gestuurd. Ik verwijs naar events waarvoor x aantal plaatsen voorbehouden zijn voor gezinnen in armoede.

Ook in verschillende andere VRT-programma’s worden mensen in armoede centraal geplaatst. denk maar aan de reeks ‘De Weekenden’, waarin een diversiteit aan mensen wordt geportretteerd, of ‘Gentbrugge’, naar de gelijknamige wijk in Gent. Het was trouwens Karrewiet, het kinderjournaal van de VRT, dat vorig jaar de aangrijpende getuigenis van Dylan bracht.

Uit de resultaten van het onderzoek haalt de VRT zelf een aantal zaken die voor haar ook van belang zijn. De VRT is zich ervan bewust dat niet iedereen op de digitale weg zit. Dat is belangrijk bij het ontwikkelen en verspreiden van haar aanbod. Heden ten dage wordt vaak verwezen naar Netflix of andere streamingplatformen, maar niet iedereen kan daarover beschikken en is mee op dit vlak. Om mee te zijn is en blijft het belangrijk dat de VRT haar nieuwsaanbod volledig gratis blijft aanbieden. Ook dataverbruik is een aandachtspunt. Niet iedereen in Vlaanderen kan het zich veroorloven om een hoog dataverbruik op het internet te hebben. Dat is een element dat belangrijk is in het aanbieden van streamingaanbod. Ook niet alle jongeren zijn digitaal mee. Jongeren die socio-economisch kwetsbaar zijn, zitten qua digitale mogelijkheden vaak in dezelfde situatie als veel 65-plussers.

Ook in de beheersovereenkomst met het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) wordt gevraagd om in te zetten op toegankelijke participatie. Ik citeer: “Het VAF zal zich inspannen om, waar mogelijk, mee te werken aan de acties die vervat zitten in het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding en die betrekking hebben op hun doelstellingen. Zo zal er waar nodig overleg gepland worden met het Vlaams Netwerk tegen Armoede en andere relevante stakeholders zoals vormingsinstellingen.”

Dan kom ik tot het luik Sport, en het antwoord is gecoördineerd met minister Weyts. Vanuit het sportbeleid worden naast de initiatieven die reeds kaderen in het Participatiedecreet, zoals VRIJUIT en de lokale netwerken, ook een aantal specifieke maatregelen genomen om maatschappelijk kwetsbare groepen gelijkwaardige kansen te bieden om deel te nemen aan sport- en beweegactiviteiten.

In eerste instantie is het in deze context relevant te verwijzen naar het beleidsnetwerk Inclusie In en Door Sport, dat in 2019 werd opgestart vanuit Sport Vlaanderen. Dit netwerk werkt vanuit een sector- en beleidsdomeinoverschrijdende kijk op de thematiek aan een masterplan/beleidskader ‘Inclusie in en door Sport’. Via een duurzame en kwaliteitsvolle samenwerking tussen relevante sportactoren wil het netwerk de kansen tot sportparticipatie van specifieke kwetsbare groepen verbeteren en werken aan een inclusief sportlandschap.

Daarnaast wil het netwerk ook meer inzetten op sport als middel of hefboom om extrasportieve maatschappelijke doelen te bereiken en dus de maatschappelijke rol van sport te versterken.

Een belangrijke partner in heel dit traject is Demos. Zij werkten in 2018, in het kader van een specifieke ondersteuning vanuit Sport, aan een project rond sport en armoede, waarvan de voornaamste resultaten meegenomen worden in de voorbereidingen van het masterplan Inclusie In en Door Sport.

Demos trekt en coördineert ook het sociaal-sportief platform als een netwerkhub voor sociaal-sportieve praktijken. Het doel is tweeledig: krachten bundelen en meer wegen op het huidige sociale sportbeleid. Deze praktijken nemen extra maatregelen om de toegankelijkheid van hun sportaanbod te verhogen. Hun aanbod is aangepast aan de leefwereld van hun doelpubliek, waardoor ze een sportprogramma ontwikkelen dat verbonden is aan andere levensdomeinen zoals onderwijs, huisvesting, jeugdhulpverlening enzovoort.

Verder ondersteunt de minister van Sport Social SportUp, een boostprogramma voor sociale innovatie in de sportsector dat nu voor de tweede keer georganiseerd wordt. In dit programma begeleiden Sport Vlaanderen en de Sociale InnovatieFabriek praktijken en organisaties die sport en beweging gebruiken om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken via sociale innovatie in de sportsector. Een aantal van de deelnemende organisaties heeft een specifieke focus op kinderen in armoede, zoals Sportaround en Sportpret.

Zoals in het regeerakkoord aangegeven, zal de minister van Sport vanuit het sportbeleid ook nagaan hoe de werking van de UiTPAS verder geoptimaliseerd kan worden in de sportsector. Dit is trouwens een actie die ook werd toegevoegd aan het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA). Naast het VAPA draagt de minister van Sport ook bij tot het jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan (JKP).

Specifiek met betrekking tot mensen in armoede kan ik verwijzen naar twee specifieke sportacties. Een eerste actie is de promotie van laagdrempelige buitenschoolse sport- en beweeginitiatieven op en vlak bij de school voor kinderen en jongeren die hier nood aan hebben, met een sterke focus op het bereiken van kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties.

Een andere actie zet in op het implementeren en professionaliseren van buurtsport als methodiek. Buurtsport wordt hierbij benaderd als een verzamelterm voor laagdrempelige en buurtgerichte initiatieven, gebaseerd op een visie die een optimale toegankelijkheid van sport wil garanderen voor kansengroepen.

Ten slotte is het relevant aan te geven dat Sport Vlaanderen zelf ook initiatieven neemt om het eigen sportaanbod toegankelijk te maken voor kwetsbare groepen Zo is er een samenwerking opgezet tussen de UiTPAS en de ‘Sport Na School’-pas, werken ze bij de organisatie van eigen sport- en beweegevenementen samen met VRIJUIT, en stimuleren ze andere organisatoren van evenementen die subsidies krijgen van Sport Vlaanderen, om samen te werken met VRIJUIT. Uiteraard biedt Sport Vlaanderen ook korting aan voor mensen in armoede die deelnemen aan hun sportkampen via Iedereen Verdient Vakantie, sportlessen enzovoort.

Mevrouw De Rudder heeft het woord.

Minister-president, ik dank u voor uw zeer uitgebreid antwoord.

Voor mensen in armoede komt vrije tijd niet altijd op de eerste plaats, en dat heeft te maken met de redenen die zijn aangehaald. Het is goed dat u een duidelijk overzicht hebt gegeven, want het toont aan dat er al heel veel gebeurt en dat er heel veel ondersteuning is vanuit Vlaanderen op alle beleidsdomeinen. Dit is een bevoegdheid die bij elke minister zit. Het is goed dat u daar vanuit uw rol als minister-president mee voor kunt zorgen.

U hebt ook verwezen naar het VAPA, waarin per beleidsdomein heel wat acties staan opgesomd. Ik zal daar ook nog andere ministers over bevragen.

De problematiek van vrije tijd van mensen in armoede was er al voor corona, maar ik ben ervan overtuigd dat corona mensen nog meer in financiële problemen heeft gebracht. We moeten daar dan ook in de komende maanden en jaren op blijven inzetten.

Ik blijf aandringen op het borgen en delen van goede praktijkvoorbeelden, zodat ze een structureel en duurzaam effect kunnen krijgen. Er zijn nog heel wat lokale besturen op zoek naar goede praktijkvoorbeelden om daarmee aan de slag te kunnen gaan. Lokale besturen moeten niet altijd zelf het warm water uitvinden. Als we die deling van voorbeelden nog meer in de praktijk kunnen brengen, dan zal dat voor veel lokale besturen een goede ondersteuning zijn.

Ik ben ervan overtuigd dat we moeten blijven inzetten op deze problematiek, dat elke minister hier ook zijn verantwoordelijkheid in moet blijven nemen en dat u daar ook over zult waken. Dank u wel.

De heer Pelckmans heeft het woord.

Gustaaf Pelckmans (Groen)

Bedankt, collega De Rudder, voor deze zeer interessante en heel terechte vraag. Wij hebben een heel gelijkaardige vraag lopen bij minister Beke, een vraag van collega Groothedde. We hebben daar nog geen antwoord op.

Minister, ik zou even willen focussen op waar we hier, in deze commissie, zitten. Dit wordt heel erg lokaal bespeeld. We kennen allemaal de UiTPAS. Ik stel wel vast – en u hebt dat zelf ook gezegd – dat de afstemming tussen de lokale besturen beter kan. Dat is natuurlijk ook voor een stuk het gevolg van het loslaten van die lokale besturen. Vroeger kon je bijvoorbeeld voor de toelagen van lokale cultuurinstellingen echt wel eisen stellen: ‘Als jullie die middelen willen, moet jullie daar en daar op inzetten.’ Die kans hebben jullie uit handen gegeven. Dat is het eeuwige dilemma waar we op stoten.

We willen altijd constructief vooruitdenken, en ik denk dat de steunpunten in dezen nog wel een belangrijke rol kunnen spelen, om er met acties voor te zorgen dat de afstemming tussen de verschillende acties van de gemeentebesturen beter wordt. Het kan toch niet zijn dat, omdat je toevallig in een gemeente woont waar daar heel weinig aandacht voor is, je minder kansen krijgt dan in de gemeente ernaast. Dit zou prioritair van bovenaf een stuk mee moeten worden aangestuurd.

Ik wil ook even focussen op cultuur. We hebben dit al een paar keer gezegd, ook in het kader van het Kunstendecreet. De woorden ‘participatie’ en ‘kansarmoede’ komen daar nauwelijks in voor, ook niet in ons eigen decreet waarover we daarnet gestemd hebben. We hebben het hier al een paar keer gehad over herijking, de efficiëntieoefening tussen de verschillende decreten. Laat ons die herijking ook eens inhoudelijk doorvoeren en de herijkingsopdracht geven om bij elk cultuurdecreet dat we nu nog goedkeuren, een duidelijke passage te hebben met acties en middelen rond kansarmoede en participatie. Dat zou echt een opening zijn.

Ten tweede, en dat is ook een vraag die ik uitdrukkelijk stel: we weten dat er een demarche bezig is om met de werkgroep onder leiding van mevrouw Schramme op lange termijn na te denken, na covid. Laat alstublieft – en u kunt daar als minister voor zorgen – kansarmoede en participatie daar een ontzettend belangrijk onderdeel van zijn. We hebben in covidtijden ondervonden hoe precair die situatie is. En de cijfers die nu op tafel liggen, bewijzen dat. Laat ons daar alstublieft ook een heel belangrijk onderwerp van maken. Dank u voor uw antwoorden.

De heer Meremans heeft het woord.

Ik wil toch even reageren. De collega van Groen spreekt over meer controle vanuit de overheid. Dat betekent wel dat jij moet aansturen wat de gemeenten moeten doen, ook inzake armoedebestrijding. Dat is niet de taak van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering moet middelen beschikbaar maken en organisaties ondersteunen.

U zegt, mijnheer Pelckmans, dat dat de fout is van het loslaten van de controle vanuit Vlaanderen. Vroeger was die er. Je had sportbeleidsplannen, je had cultuurbeleidsplannen, je had beleidsplannen voor alles en nog wat. En dan? Je maakt een plan. En dan wordt dat plan ingediend. Dat is een mooi plan. En dan? Was er controle? Denkt u werkelijk dat de Vlaamse Regering op het terrein ging kijken wat ermee gebeurd was? Neen, dat plan werd bekeken. Het werd goedgekeurd. En voilà, het was in orde. Is er daarmee een betere armoedebestrijding? Is er daarmee een beter cultuurbeleid? Is er daarmee een beter sportbeleid? Neen.

Dat is de essentie. Je mag nog zoveel middelen vrijmaken voor armoedebestrijding, voor integratie van mensen in precaire situaties, voor cultuur, voor sport, het zijn de lokale actoren en vooral de samenwerking met de sociale dienst van de gemeente of stad die de drempels voor die mensen gaan verlagen.

De UiTPAS is een heel mooi initiatief, maar het gaat om die drempel. Je moet mensen bijna over de drempel van het cultuurcentrum brengen. Je moet hen over de drempel van de bibliotheek en de sporthal brengen. Dat doen ze niet alleen. Daarvoor zijn ze te precair. Dat is belangrijk. En dat is de rol van de gemeenten en steden. Je gaat het echt niet veranderen met zoveel plannen die er weer bij moeten komen.

Dat is de essentie. Daar moeten we op inzetten. We kunnen dat wel monitoren, maar het is zeker een rol voor de lokale gemeenten en steden, die dat dan met lokale organisaties wel degelijk voor elkaar moeten brengen. Daar zijn voorbeelden genoeg van. Maar je gaat dat niet verbeteren door nog meer controle. Wat de overheid moet doen, doet ze, namelijk het ondersteunen van diverse organisaties en daar middelen voor vrijmaken. Maar de werking op het terrein, dat gebeurt door lokale mensen, zij het van lokale organisaties, zij het van gemeente of stad.

Mevrouw Segers heeft het woord.

Collega De Rudder, ik denk dat u niet goed beseft op welke zere tenen u hier hebt getrapt. Want dit is natuurlijk wel een heel fundamentele discussie in onze commissie.

Participatie, cultuurparticipatie en eigenlijk alle vormen van participatie, ook politieke participatie en participatie aan het leven: dat is een ongelooflijk complexe zaak, die zeer ongelijk gedeeld is en waarbij het op bijzonder lange termijn werken is om de kloof te dichten tussen mensen die participeren en mensen die niet participeren. En dat zijn inderdaad vaak mensen in armoede, maar niet altijd. Er zijn veel meer drempels dan alleen de financiële drempel.

De Nederlandse socioloog Harry Ganzeboom heeft daar veel rond gewerkt. Als je de participatiedrempels tegen elkaar afzet, gaat het over tijd, over geld, maar zelfs dat niet in eerste instantie. Maar het is natuurlijk wel een eerste belangrijke drempel. Het gaat vooral over culturele competentie. Mensen hebben heel vaak het gevoel: ‘Dit is niet voor ons soort mensen.’ Om die drempel te overschrijden, daar moet je mensen in begeleiden. En daar moet je ook in investeren.

In 2009 heeft minister Anciaux inderdaad het belangrijke Participatiedecreet gemaakt en middelen geoormerkt bij het lokale bestuur. Collega Meremans, we gaan daarover altijd grondig van mening verschillen. Ik blijf altijd geloven, zoals collega Pelckmans ook aangeeft, dat het loslaten van dat oormerken – zeker en vast niet in alle gemeenten – maakt dat de aandacht daarvoor minder is en dat het minder dwingend is. Ik merk dat zelfs in mijn eigen gemeente.

De UiTPAS is inderdaad een heel belangrijk instrument, omdat het, zo laagdrempelig mogelijk, maakt dat er een financiële tegemoetkoming gebeurt op een manier dat mensen zich niet gestigmatiseerd voelen. Maar die is nog niet overal uitgerold. Wat gaat u ondernemen, minister-president, om ervoor te zorgen dat de UiTPAS zo snel mogelijk uitgerold en operationeel is in alle gemeenten? Bent u ook van plan om extra te investeren, in deze legislatuur nog, in de uitvoering van het o zo belangrijke Participatiedecreet?

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Mevrouw Segers, mijnheer Pelckmans, we zullen daar inderdaad blijvend over van mening verschillen. Ik heb echt geloof in de lokale besturen. Ik heb geloof in de lokale democratie. Ik denk dat de situaties van gemeente tot gemeente zo verschillend zijn, dat je binnen gemeentes andere accenten moet kunnen leggen, en dat, als we al die middelen van bovenaf ordonneren en oormerken, dat niet altijd het beste beleid is. Maar goed, dat zijn twee verschillende visies. Het heeft niet veel zin om daar iedere keer over te jeremiëren.

Mijnheer Pelckmans, ik wil gerust nog een demarche doen naar de werkgroep onder leiding van mevrouw Schramme. Ik vind het ook belangrijk dat participatie daarin naar voren komt.

Mevrouw Segers, wat de UiTPAS betreft, verwijs ik naar mijn uitgebreid antwoord van daarnet. Daar staat letterlijk in wat we gaan doen rond de UiTPAS. U begon uw vraagstelling met zere tenen: dat mevrouw De Rudder niet beseft op welke zere tenen ze daarmee getrapt heeft. Het zou mij verwonderen om te weten welke zere tenen u bedoelde, maar in ieder geval de mijne niet.

Mevrouw De Rudder heeft het woord.

We hebben het uitvoerig besproken. Belangrijk is ook wat de heer Meremans aanhaalde, dat we het vertrouwen en het geloof in de lokale besturen moeten hebben. Zij zijn tot veel in staat. Zij weten ook het beste wat er leeft op het terrein. We hebben dat ook gezien met de middelen die vanuit Vlaanderen besteed zijn voor de lokale besturen en die ze konden verdelen rond jeugd, cultuur en sport. Dat is in heel veel lokale besturen op een zeer goede manier gelopen. Dat vertrouwen moeten we dus hebben.

Minister-president, ik wil ook nog verwijzen naar het belang van die participatiesurvey. We moeten natuurlijk – mevrouw Segers heeft het ook gezegd – de drempel waarom mensen niet deelnemen aan een vrijetijdsaanbod, in kaart brengen, hoe het komt dat er een drempel is. Als we dat in kaart brengen, kunnen we daar gericht op gaan werken. Dat is belangrijk. Ik denk dat die enquêtes uitgesteld zijn door corona, maar het is belangrijk dat weer op te nemen om dat zeker goed in kaart te brengen.

Afsluitend wil ik nog eens het belang benadrukken van het vrijetijdsaanbod over alle sectoren heen, het belang van alle ministers voor elke verantwoordelijkheid binnen hun domeinen om daar echt te blijven op inzetten en op werken, zodat we nog meer mensen over die drempel krijgen en zo veel mogelijk mensen kunnen laten deelnemen aan het vrijetijdsaanbod.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.