U bent hier
Commissievergadering
dinsdag 30 maart 2021, 12.49u
– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.
Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.
Minister, op 20 maart maakte de sector geestelijke gezondheidszorg de balans op: de sector staat op de kaart bij de beleidsmakers, maar er zijn nog heel wat pijnpunten. Een aantal zaken die aangehaald werden, hadden betrekking op kinderen en jongeren met hulpvragen. Zo raken jongvolwassenen moeilijk over de drempel van de volwassenenpsychiatrie en blijven de wachtlijsten voor kinderen en jongeren onaanvaardbaar lang. Ik wil daar heel graag aan toevoegen dat de druk op de K-diensten deze weken onhoudbaar hoog is en dat de situatie zich nog meer acuut lijkt voor te doen dan al in de Staten-Generaal van de Geestelijke Gezondheidszorg (SGGG) werd aangekaart.
Er waren een aantal concrete suggesties en vragen.
Ten eerste was er de vraag naar een laagdrempelig en specifiek zorgaanbod voor jongeren in de transitieleeftijd. Daarbij denkt men ook aan intersectorale samenwerking.
Ten tweede wordt de vraag herhaald om het capaciteitstekort in vrijwel alle vormen van geestelijke gezondheidszorg aan te pakken, zodat iedereen met een zorgnood binnen een redelijke termijn een behandeling zou kunnen krijgen. U erkende eerder al de nood aan ondersteuning tijdens die wachttijd.
U kondigde daarbij ook aan dat er een richtlijn voor de geestelijke gezondheidszorg in het leven wordt geroepen die stelt dat de ‘context’ steeds betrokken moet worden. Daartoe krijgt het Familieplatform Geestelijke Gezondheid een extra subsidie.
Wat betreft de jongeren en jongvolwassenen: welke acties die nu nog niet bestaan, zult u inzetten om de transitie te vergemakkelijken? Ik heb het over de leeftijd tussen 17 en 23 jaar, niet meer thuis in de kinderpsychiatrie en niet echt thuis in de volwassenenpsychiatrie.
Een aspect dat de Staten-Generaal aanhaalde om de transitie te vergemakkelijken is de samenwerking met andere sectoren, bijvoorbeeld de jeugdhulp. Hoe zult u ingaan op de suggestie naar samenwerking tussen verschillende sectoren? Vindt u het zinvol dat daarbij ook een doorgedreven samenwerking komt tussen de verschillende ‘lijnen’ binnen de ggz? De eerste, tweede en derde lijn werken soms elk een beetje vanuit hun domein. Kunnen we niet overschrijdend denken?
Hoe zult u de wachttijdondersteuning concreet invullen? Zult u voorzien dat de hulpvrager tijdens de wachtperiode ergens anders of door een andere dienst wordt opgevangen? Of wilt u het mogelijk maken dat de dienst waar de hulpvrager op wacht, begint samen te werken met de plek waar het kind op dat moment verblijft, zodat er minder breuken komen in het traject?
Meer aandacht voor de contextuele benadering van de patiënten is een heel goede aanpak. Wel rest nog de vraag hoe dit concreet in de praktijk aangepakt zal worden. Is deze richtlijn een aanbeveling of een verplichting voor de geestelijke gezondheidszorg?
Minister Beke heeft het woord.
Ik heb inderdaad kennisgenomen van de Staten-Generaal. Meer nog, ik heb er zelf aan deelgenomen, en het was boeiend.
Wat betreft acties die specifiek gericht zijn naar de transitieleeftijd en doorstroom van jongeren naar een gepast laagdrempelig aanbod denk ik dat we in de eerste plaats kijken naar het uitbreidingsbudget dat, zoals u weet, recent werd toegekend aan de centra voor geestelijke gezondheidszorg (CGG’s).
Ik heb aan de CGG’s expliciet de opdracht gegeven om minstens 50 procent van deze bijkomende middelen te investeren in de doelgroep kinderen, jongeren en jongvolwassenen tot en met 23 jaar. Er is aan de CGG’s gevraagd om een plan van aanpak op te maken voor de besteding van deze bijkomende middelen. Elk CGG kan op die manier rekening houden met de hoogste noden binnen het CGG en binnen de regio. De uitbreidingsmiddelen zijn in de regio’s besproken met de netwerken geestelijke gezondheid.
Daarnaast wil ik meegeven dat het thema transitieleeftijd en zorgcontinuïteit zowel in de netwerken geestelijke gezondheid voor kinderen en jongeren als in de netwerken voor volwassenen een cruciale opdracht is. Er is aan beide netwerken gevraagd om hier prioritair op in te zetten, er wordt bij de opvolging van de netwerken door de Vlaamse en federale overheid uitgebreid aandacht aan besteed.
Intersectorale samenwerking in de ondersteuning van kinderen en jongeren is geen nieuw gegeven. De laatste jaren gebeurt de verdere uitwerking van jeugdhulp onder andere in de samenwerkingsverbanden ‘één gezin – één plan’ steeds vanuit een intersectorale insteek. Momenteel worden deze samenwerkingsverbanden uitgerold in heel Vlaanderen.
Daarnaast is de uitbreiding van de OverKophuizen een belangrijk bijkomend intersectoraal initiatief dat zorgt voor een laagdrempelig aanbod voor jongeren en waar nodig de doorstroom kan worden voorzien naar de nodige hulpverlening.
Indien de stap gezet wordt naar hulpverlening, is het belangrijk dat kinderen en jongeren toegeleid worden naar de best passende hulpverlening en dat ze tijdig gebruik kunnen maken van het aanbod. We moeten zowel inzetten op wachttijdbejegening als op het verminderen van de wachttijden.
Voorzieningen kunnen cliënten tijdens de wachttijd regelmatig contacteren om de evolutie van hun hulpvraag bij te houden en alvast een eerste ondersteuning te bieden. Er wordt aan cliënten duidelijk gemaakt dat ze niet zomaar in de kou blijven staan. Het idee van wachttijdondersteuning is niet nieuw. Voor de CGG’s is dit een bekend element in hun beleid rond instroom, doorstroom en uitstroom. Dit kan via verschillende methodieken concreet vorm krijgen, zoals via online zelfhulp, het aanstellen van een referentiepersoon, een groepsaanbod, psycho-educatie enzovoort.
Ik ben blij dat de Staten-Generaal hier ook de nadruk op legt. De sector moet hier zelf nog meer mee aan de slag en voluit de kaart van innovatie trekken. De recente evoluties in het vormen van intersectorale onthaalpunten, zoals de kruispunten, waar vraagverheldering gebeurt en ook kortdurend aanbod mogelijk is, past als evolutie ook helemaal in dit gegeven.
De Vlaamse Regering neemt hier ook een deel van de verantwoordelijkheid in op, door het creëren van extra aanbod en door dit aanbod gericht in te zetten. Ik verwijs naar de structurele uitbreidingen die er gebeurd zijn in de jeugdhulp, de CAW’s en CGG’s, de uitrol van de OverKop-huizen en de samenwerkingsverbanden ‘één gezin – één plan’. De investeringen zijn groot, het is aan de sector om in maximale samenwerking, onderling en met de hulpvrager zelf en diens context, die investeringen ook te laten renderen in een concreet en snel beschikbaar hulpaanbod op maat van de hulpvraag.
We hebben aan het Familieplatform Geestelijke Gezondheid een extra subsidie toegekend om de implementatie van de multidisciplinaire richtlijn over het betrekken van de context in de geestelijke gezondheidszorg, te ondersteunen. Ik heb daar in mijn tussenkomst op de Staten-Generaal ook naar verwezen. De focus van dit implementatietraject ligt in de eerste plaats op de stap van studie naar praktijk en het creëren van een draagvlak.
Het Familieplatform Geestelijke Gezondheid is een actieve partner binnen het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg (VIKZ) en neemt initiatief om te komen tot kwaliteitsindicatoren om na te gaan in hoeverre voorzieningen binnen de geestelijke gezondheidszorg een familievriendelijk beleid hebben.
Als derde element is er de normering waaraan voorzieningen moeten voldoen, en het toezicht hierop vanuit Zorginspectie. Het agentschap Zorg en Gezondheid zal, zodra dit kan worden ingepland, starten met het traject om de bepalingen uit de multidisciplinaire richtlijn ook op te nemen in kwaliteitskaders, zodat het nadien ook kan worden meegenomen als element binnen inspecties en handhaving.
Vooraleer we tot dit punt geraken, geldt de richtlijn als een aanbeveling en kan de sector zich voorbereiden op de implementatie ervan, met dus een aanbod vanuit het Familieplatform Geestelijke Gezondheid ter ondersteuning van die implementatie. Het aanbod wordt momenteel voorbereid. We voorzien de lancering ervan in juni.
Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.
Minister, uw uitbreidingsbudget van de CGG's, dat kennen we al een tijdje. U verwijst opnieuw naar de plannen van aanpak. In welke mate voorzien die plannen van aanpak in samenwerking met gespecialiseerde diensten? Er zijn nogal wat jongeren en jongvolwassenen met angst- en stemmingsproblemen, en emotieregulatieproblemen. Die zorgen voor problemen in de ontwikkeling van de persoonlijkheid bijvoorbeeld, die ook via groepssessies deels kunnen worden aangepakt. Er is veel expertise en ook veel bereidheid om met de CGG's samen te werken en ter plekke een groepsaanbod te voorzien. Het mag zelfs in de eerste lijn.
Minister, het lijkt heel moeilijk om die lijnen te doorbreken. Kunt u dat faciliteren binnen het uitbreidingsbudget, en op welke manier? Op korte tijd zullen we veel meer jongeren en jongvolwassenen kunnen begeleiden met soms minder ingrijpende vormen van hulp dan telkens weer enkel te moeten voortgaan op individuele gesprekken, die voor sommigen zeker ook nodig zullen zijn. Ik denk dat we op een andere manier zullen moeten kijken naar de mate waarin we jongeren kunnen bijstaan en vooral naar de snelheid waarmee we getrapt zullen kunnen werken. Ziet u daar iets in? Zo ja, kunt u een dergelijke samenwerking faciliteren?
Ik heb nog een vraag over de wachttijdregeling. Ik ben het absoluut eens met uw visie. Als men vanuit de plek, of dat nu het gezin is of een voorziening waar een kind aanwezig is, met de plek waar het kind wordt aangemeld, samenwerkt terwijl men wacht, dan zorgt dat voor meer continuïteit, ze leren elkaar kennen. Hoe wilt u dat concreet doen? Staan daar specifieke budgetten tegenover? Is dat simpelweg een verwachting die u uitspreekt en waarvan u hoopt dat men daaraan zal voldoen? Denkt u misschien dat bij projecten rond de ideale wereld dit een belangrijk criterium kan zijn bij de selectie van de bootprojecten?
Minister, mijn vraag is vooral hoe u dat wilt doen. Dat wordt een belangrijke opdracht om de wachttijden inhoudelijk te benutten en ervoor te zorgen dat er iets verandert. Ik ben het eens met uw visie, maar ik zou graag concreet weten hoe u dat wilt doen.
Wat de contextgesprekken en de normering betreft, is het mij nog niet helemaal duidelijk hoe u wilt dat die richtlijn eruitziet. Zal die context worden betrokken bij elke plek waar jongeren worden opgevangen of zal dat in sommige gevallen gebeuren? Kunt u daar al iets over zeggen of is de richtlijn nog zodanig in uitwerking dat het nog te vroeg is om daar meer zicht op te bieden?
Mevrouw Wouters heeft het woord.
Minister, het is langer dan vandaag duidelijk dat er heel wat mis is met het systeem van de geestelijke gezondheidszorg. Een van de aanbevelingen van de Staten-Generaal van de Geestelijke Gezondheidszorg is te investeren in onderzoek naar een implementatie van een effectieve e-hulpverlening. De coronacrisis heeft bewezen dat e-hulpverlening zeker niet onbelangrijk is. Hoe evalueert u de huidige e-hulpverlening? Worden de hulpverleners voldoende begeleid bij de implementatie hiervan? Is onderzoek gevoerd of zal nog onderzoek worden gevoerd om na te gaan hoe dit kan worden verbeterd?
Mevrouw Saeys heeft het woord.
Voorzitter, de vraag naar een laagdrempelig en specifiek zorgaanbod voor jongeren op de transitieleeftijd is belangrijk, want we zien dat jongeren in die transitieperiode met psychische problemen worden geconfronteerd of dat psychische problemen zich dan manifesteren. In de jeugdhulp zijn we gestart met rondetafelgesprekken om de overgang van jongeren naar de volwassenheid op het vlak van hulpverlening te begeleiden.
Minister, bent u bereid voor de geestelijke gezondheidszorg hetzelfde te doen? Op jonge leeftijd is er begeleiding voor die jongeren vanuit de geestelijke gezondheidszorg. Als ze 18 jaar en ouder zijn, komen ze in de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen terecht. Het is belangrijk dat de breuk die zou kunnen ontstaan, zo veel mogelijk wordt weggenomen, zodat de therapeutische relatie behouden blijft.
Over preventie wordt niets gezegd. Ik denk dat dit heel belangrijk is. Hoe zullen we juist voorkomen dat onze jongeren massaal in de geestelijke gezondheidzorg instromen?
De heer Vaneeckhout heeft het woord.
Mevrouw Saeys, u hebt me op het einde gerustgesteld door ook op preventie in te gaan. Zeker tijdens de komende periode zal dat ten dele het antwoord zijn. We moeten daar meer de focus op leggen en op die manier structureel winnen op het einde van de rit.
Er is een pleidooi gehouden om te voorzien in voldoende middelen om de overgang tussen jongvolwassenheid en volwassenheid te verbeteren en om het aanbod uit te breiden zonder dit ten koste te laten gaan van zij die in de jongerengroep zitten. We moeten de lengte tot aan de volwassenheid langer maken, maar we moeten vermijden dat dit met dezelfde middelen gebeurt, want dan krijgen we natuurlijk een lager aanbod. Ik sluit me dan ook aan bij deze vraag om uitleg. Op welke manier zult u dat concreet doen? Welke financiële engagementen zullen hier de komende vijf tot tien jaar structureel tegenover staan?
Minister Beke heeft het woord.
Mijnheer Vaneeckhout, ik dank u voor uw dermate groot vertrouwen in mij, want u daagt me uit om daar de komende tien jaar naar te kijken. Ik zal zo meteen antwoorden op uw vraag over de structurele engagementen, maar ik zal eerst op de andere vragen ingaan.
We overleggen met de federale overheid om, zeker gezien de grote druk die momenteel op het mentaal welzijn van de jongeren ligt, de samenwerking tussen de verschillende diensten te bevorderen. We zullen dit opnemen in de netwerken van de geestelijke gezondheidszorg en we zullen nagaan hoe de concrete samenwerking in de praktijk kan worden verkend.
Het is wel niet onze visie om op zich een apart budget te voorzien voor wachttijdbejegening. Het is belangrijk dat dit een deel is van de verantwoordelijkheid die de voorzieningen zelf ook dragen. Wat wij willen doen, is met een uitbreiding van de capaciteit de voorzieningen appelleren om met de hulpvragen ook concreet aan de slag te gaan. Dat is uiteindelijk de finale bedoeling van die hele capaciteitsversterking.
De multidisciplinaire richtlijnen zullen binnenkort gepubliceerd worden op de website van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG) en dan kunnen die al bekeken worden.
Het ondersteuningspakket van het familieplatform start normaal gezien in juni. Meer kan ik daar op dit ogenblik nog niet over zeggen. Wij voeren een programma van vroegdetectie en interventie uit binnen de netwerken van de ggz. Er zijn ook al heel wat acties heel specifiek op maat van die jongvolwassenen vanuit Opgroeien opgestart.
Ik wil ook nog verwijzen naar de specifieke woonvormen en specifieke woonbegeleiding voor jongvolwassenen vanuit de initiatieven voor beschut wonen. Als men spreekt over de aparte budgetten voor jongvolwassenen, kijken wij vooral ook flexibel naar leeftijdsgrenzen om zo de overgang van jeugdzorg naar volwassenzorg te bevorderen. Dat heb ik op die Staten-Generaal ook aan bod gebracht. We hebben daar al belangrijke stappen in gezet en ik denk dat we op die weg moeten voortgaan.
Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.
Minister, ik denk dat louter de wens uitspreken rond die wachttijdbejegening niet veel zal helpen. Ik geef u een voorbeeld dat ik goed ken, een afdeling waar jongeren tussen 17 en 25 jaar worden opgevangen, met een capaciteit van twintig jongeren. Men heeft een aantal weken geleden de wachtlijst afgesloten omdat er vijftig wachtenden waren, vijftig jongeren die wachten op een opname in de residentiële psychiatrie. Met de capaciteit van een afdeling die twintig jongeren begeleidt, kun je niet vijftig wachtenden ook begeleiden. Het is onmogelijk om dat zonder extra middelen te doen. Idem bij de jeugdhulp. Als ik zie dat, wanneer kinderen worden aangemeld, zij voor de meeste voorzieningen twee tot drie jaar moeten wachten, dan zal er in die twee tot drie jaar tijd ook hulp voorzien moeten worden. Het aantal jongeren dat wacht op hulp is groter dan het aantal jongeren dat hulp krijgt en waarvoor we middelen voorzien. U zult met die wachttijdbejegening, waar ik heel hard achter sta, niet kunnen verwachten dat medewerkers, of het nu gaat om eerste, tweede of derde lijn, dat kunnen opvangen met de capaciteit die ze nu hebben, omdat het aantal wachtenden zo hoog is en zeker bij de kinderen en jongeren de afgelopen maanden ongelooflijk is toegenomen. U zult daar toch een antwoord op moeten bieden, u en uw federale collega natuurlijk – ik spreek hier niet enkel u aan. Maar zonder die middelen zijn zij menselijk niet in staat om in die wachttijd mensen ook fatsoenlijk op te volgen. Ik wou u dat toch even meegeven en vragen of u dat kunt heroverwegen. Ik ben wel blij met uw ander antwoord, dat u met het federale niveau tracht om de samenwerking te bevorderen en eventueel ook tussen de lijnen door – zo begrijp ik het toch – hulp aan te bieden in de toekomst.
De vraag om uitleg is afgehandeld.
Vergadering bijwonen
Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website.
De publiekstribune is gesloten.
De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website.
U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.
Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.
