U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Mijnheer Van de Wauwer, als u uw vraag een beetje zou kunnen samenvatten, dan zullen heel veel collega’s u dankbaar zijn.

Ik ga het proberen. Ik zal alvast beloven dat telkens wanneer het over een intergemeentelijke samenwerkingsverband gaat, ik telkens ‘IGS’ zal zeggen. Dat is al een eerste samenvatting.

Minister-president, ik heb bij u op 11 februari ook geïnformeerd naar de stand van zaken van het advies van het departement over de regiovorming, en naar de gevolgen daarvan voor de cultuursector. U hebt toen gezegd dat u een advies had bezorgd aan minister Somers, dat er overleg over geweest is met steunpunt OP/TIL en met publiek. De dertien referentieregio’s werden naast de verschillende regionale werkingen gelegd, die nu bestaan binnen de diverse cultuurdecreten. Ik zal niet de opsomming geven van alle verschillende decreten. Alleszins, u verzekerde me toen dat het culturele middenveld bij de verdere implementatie van die regiovorming betrokken zou worden. U wees er ook op dat pas na de definitieve afbakening van die referentieregio’s duidelijk zou worden wat de impact van die beslissing zou zijn, onder andere op de aanpassing van de regelgeving.

Op vrijdag 12 maart heeft de regering een beslissing genomen over de regiovorming. Er is uiteindelijk gekozen voor het model met 17 referentieregio’s. Van de lokale besturen wordt verwacht dat ze hun bestaande intercommunale samenwerkingsverbanden die de referentieregio’s overschrijden, uiterlijk op 1 januari 2031 aligneren met de regio’s of de supraregio’s. Maar er is ook een uiterst belangrijke rol voor de Vlaamse overheid weggelegd. De bestaande, door Vlaanderen opgelegde of gestimuleerde, samenwerkingsverbanden zullen tegen ten laatste 1 januari 2025 gealigneerd worden op de referentieregio’s. Wat de samenwerkingsverbanden in het domein Cultuur betreft, kunnen we in de beslissing van 12 maart lezen dat de wijziging van de werkingsgebieden ingaat bij de eerstvolgende erkenningsrondes. Dat betekent concreet dat bepaalde vormen van bovenlokale samenwerking in de cultuursector zich voor de datum van 1 januari 2025 zullen dienen te aligneren. Op dat vlak hebben wij wel wat ongerustheid gehoord, zowel in de cultuursector als bij de lokale besturen. Daarom wil ik een aantal vragen stellen om hopelijk een paar van die ongerustheden weg te nemen.

Minister, kunt u een concreet overzicht geven van welke door Vlaanderen gestimuleerde samenwerkingen in het domein Cultuur voor de datum van 1 januari 2025 gealigneerd moeten worden op de referentieregio’s vanwege het feit dat de eerstvolgende erkenningsronde voor die datum valt? Hoe wordt die vervroegde alignatie voorbereid? Welk stappenplan voorziet u en welk overleg plant u hierover met de cultuursector en de lokale besturen?

Voor heel wat van de huidige culturele intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (IGS’en) en erfgoedcellen valt de nieuwe regio-indeling niet goed omdat er hier en daar een gemeente buiten de nieuwe regio valt. Het voorbeeld waar u tijdens mijn vorige vraag om uitleg naar verwees, de Merode, wordt zelfs in drieën getrokken. In theorie wil dat zeggen dat die gemeenten niet langer deel kunnen uitmaken van hun huidige samenwerkingsverband, en zij zullen dus tegen het volgende indienmoment in 2025 moeten uitstappen. Daarover heb ik de volgende vragen. Moeten die gemeenten daartoe zelf een initiatief nemen of gaat Vlaanderen dit begeleiden en mee coördineren? Kunnen daar ook uitzonderingen op komen? Bent u bereid om de overgangsperiode ook later dan 2025, dus het eerste indienmoment, voor te stellen voor de respectievelijke cultuurdecreten?

Zowel voor de IGS'en, de erfgoedcellen als voor de Avansa's, de vroegere volkshogescholen, is eigenlijk nog maar recent een nieuwe beleidsperiode begonnen. In theorie kunnen zij hun beleidsplannen uitvoeren, maar het lijkt toch geen goed bestuur om nu te investeren in een netwerk of structuur waarvan je weet dat die op korte termijn moet worden aangepast. Je kunt immers niet doen alsof je geen weet hebt van deze regiovormingsbeslissing. Bovendien kan het ook zijn dat lokale besturen door deze oefening zelf beslissen om niet langer samen te werken binnen een regio waar geen toekomst is. Een vervroegde uitstap op initiatief van de gemeenten zelf zal dus impact hebben op zowel de financiering als de uitvoering van het goedgekeurde beleidsplan.

Hierover heb ik volgende vragen. Hoe zal de overheid hiermee omgaan als de goedgekeurde plannen niet worden uitgevoerd zoals afgesproken? Zal Vlaanderen toestaan dat de beleidsplannen worden bijgestuurd en zal het departement hier ook de nodige begeleiding in voorzien? Wanneer door vervroegde uittreding van een gemeentebestuur hun financiële bijdrage wegvalt, zal de Vlaamse overheid dan ook haar cofinanciering verminderen of is dit een vorm van overmacht en blijft de Vlaamse overheid haar genomen engagementen naleven? Zijn er manieren om lokale besturen te stimuleren om de aangegane engagementen voor deze legislatuur na te leven?

Concreet zijn er regio's die in hun planning voorzien hebben om te starten met de uitrol van de UiTPAS. Opnieuw geef ik graag het voorbeeld van de Merode. Al de voorbereidingen liggen daar nu klaar om in april een dossier in te dienen. Alleen zal dat voor een regio zijn die binnen x-aantal jaar niet meer bestaat. Hoe moet een IGS hier nu mee omgaan: mag men alles uitvoeren zoals gepland of moet men eigenlijk voorafnames doen op de oefening die nu bezig is?

En ten slotte heb ik nog een concrete vraag vanuit de oude volkshogescholen: welke impact heeft de regiovorming op deze instellingen? Het zijn immers private vzw’s en dus geen IGS’en. Hun financiering is echter gebaseerd op het inwonersaantal. Doordat er hier en daar gemeenten wegvallen uit een bepaald verzorgingsgebied, kan dit ook een impact hebben op hun subsidies. Hoe zal hier rekening mee gehouden worden?

Het is een hele boterham, maar het zou goed zijn als hier een verduidelijking op zal komen. Ik kijk uit naar uw antwoord, minister. U mag trouwens ook IGS zeggen in plaats van intergemeentelijk samenwerkingsverband.

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Mijnheer Van den Wauwer, dank u wel. Op voorhand wil ik dit zeggen: voor de Merode heb ik een uitzondering laten maken in het besluit van de Vlaamse Regering, omdat men ook van de eigenheid van zulke dingen moet uitgaan en dat domein de Merode zich in drie provincies en dus per definitie ook in drie regio’s situeert. Dat opsplitsen zou echt idioot zijn. Men kan ons vaak van idiote beslissingen verdenken, maar toch niet van beslissingen die ik zelf idioot zou vinden. Wat de Merode betreft, dat is dus een van het beperkte aantal uitzonderingen. Dat wilde ik al meteen op voorhand zeggen, maar voor de rest zijn uw vragen natuurlijk pertinent.

U vroeg een overzicht van de door Vlaanderen gestimuleerde samenwerkingsverbanden die hieronder zouden vallen. Zoals u terecht aanhaalt, gaat het voor het beleidsdomein Cultuur in concreto over intergemeentelijke samenwerking in het kader van het Bovenlokaal Cultuurdecreet van 15 juni 2018, intergemeentelijke samenwerking in het kader van het Cultureelerfgoeddecreet van 24 februari 2017, sociaal-culturele volwassenenorganisaties met een werking binnen een specifieke regio in het kader van het decreet van 7 juli 2017 houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk en UiTPAS-regio’s binnen de uitvoering van de beheersovereenkomst met publiq vzw. Dat zijn dus de vier domeinen waarover we hier spreken.

De huidige subsidieperiode van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in het kader van het Bovenlokaal Cultuurdecreet loopt van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2025, over een periode van zes jaar. Dat betekent dat de nieuwe subsidieperiode start op 1 januari 2026. Deze intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in het kader van het Bovenlokaal Cultuurdecreet moeten hun samenstelling bijgevolg uiterlijk op 1 januari 2026 gealigneerd hebben op de referentieregio’s. Deze periode mogen ze dus ongewijzigd uitdoen, maar ze moeten zich natuurlijk wel voorbereiden om zich vanaf 1 januari 2026 te aligneren.

De huidige subsidieperiode voor de intergemeentelijke samenwerking in het kader van het Cultureelerfgoeddecreet loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2026, dus ook een periode van zes jaar. Dat betekent dat de nieuwe subsidieperiode start op 1 januari 2027. Deze intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in het kader van het Cultureelerfgoeddecreet moeten hun samenstelling bijgevolg uiterlijk op 1 januari 2027 gealigneerd hebben op de referentieregio’s.

Wat de sociaal-culturele volwassenenorganisaties met een werking binnen een specifieke regio in het kader van het decreet houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk betreft, wens ik te benadrukken dat het niet gaat om intergemeentelijke samenwerkingen. De evaluatie van de beoordelingsprocedure voor de beleidsperiode 2021-2025 voor de gehele sector is lopende en zal, zoals aangegeven in de beleids- en begrotingstoelichting (BBT) Cultuur, worden aangegrepen voor eventuele decreetsaanpassingen. De vraag of en hoe de afgebakende regio’s in het decreet houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk moeten worden gealigneerd op de referentieregio’s, die moet ik nog bekijken. Ik zal hierover in eerste instantie in overleg gaan met de betrokken actoren.

De UiTPAS-regio’s worden niet rechtstreeks gesubsidieerd door de Vlaamse overheid, maar kaderen binnen de uitvoering van de beheersovereenkomst met publiq vzw. Deze UiTPAS-regio’s ontstaan organisch, op initiatief van de lokale besturen zelf. Deze UiTPAS-regio’s moeten bijgevolg hun samenstelling uiterlijk op 1 januari 2025 aligneren op de referentieregio’s.

Zoals u ziet, moet geen enkele regio vóór 1 januari 2025 worden gealigneerd. Dat geeft mijn administratie, in samenwerking met het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB), de tijd om deze transitie degelijk voor te bereiden en de lokale besturen daarbij te ondersteunen. In dit kader zal ik ook de taakstelling van OP/TIL uitbreiden met de opdracht om de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden omtrent bovenlokale cultuur en de lokale besturen te ondersteunen bij het aligneren op de referentieregio’s. Daarnaast wil ik ook vermelden dat het regelgevend kader voor de intergemeentelijke samenwerking tegen begin 2024 zal worden aangepast.

Wat met gemeentes die buiten de nieuwe regio vallen? U hebt de Merode als voorbeeld gegeven, maar dat heb ik dus al gezegd.

De Vlaamse overheid roept de lokale besturen op en moedigt hen aan om stappen vooruit te zetten binnen hun referentieregio’s, maar voorziet tegelijk ook in ondersteuning hierbij. Op 4 december 2020 kende de Vlaamse Regering de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) een subsidie toe voor een project Labo Regiovorming, voor de periode 2021-2023. Dit project heeft tot doel om een ontwikkeltraject uit te werken voor de regio’s die nog geen lange traditie van samenwerking hebben, regionale doorbraakprojecten te organiseren en ondersteuning te bieden aan regio’s die hun bovenlokale ruimte willen saneren.

Gemeenten die zich op de grens tussen twee of meer referentieregio’s bevinden en zich engageren om hun samenwerkingsverbanden af te stemmen op hun referentieregio, kunnen aanspraak maken op een juridische en technische ondersteuning op maat vanuit het Agentschap Binnenlands Bestuur.

Bovendien zal ik, zoals al eerder gezegd, de taakstelling van OP/TIL uitbreiden met de opdracht om intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en lokale besturen te ondersteunen bij het aligneren op de referentieregio’s.

Voor samenwerkingsverbanden die al dan niet tijdelijk referentieregiogrenzen willen overschrijden of blijven overschrijden, moet de bevoegde minister hiervoor een gemotiveerde vraag richten aan de Vlaamse Regering volgens het ‘pas toe of leg uit’-principe. Dit kan dus enkel na goedkeuring door de Vlaamse Regering.

Ik zeg dus niet dat een uitzondering niet mogelijk is, maar de betrachting is natuurlijk om zoveel mogelijk die referentieregio’s te vormen. Een uitzondering staat al nominatief bij de beslissing van de Vlaamse Regering.

Het lijkt me weinig opportuun om vooruit te lopen op zaken die misschien wel of niet kunnen gebeuren. Als regio’s die binnen het beleidsdomein Cultuur gesubsidieerd worden, hun goedgekeurde beleidsplannen niet uitvoeren zoals afgesproken, zal dit binnen het voorziene toezicht worden geëvalueerd.

Binnen datzelfde kader van toezicht en opvolging door mijn administratie kan dan geval per geval bekeken worden in hoeverre beleidsplannen kunnen worden bijgestuurd. Dit moet steeds in overleg tussen de regio’s en de administratie gebeuren. Dit is nu trouwens al mogelijk in het kader van toezicht.

Als gemeentebesturen beslissen om vervroegd terug te treden uit een gesubsidieerd intergemeentelijk samenwerkingsverband, zal geval per geval moeten worden bekeken wat de financiële en andere gevolgen hiervan zijn. Dit zal uiteraard ook afhangen van het specifieke decretale kader. Zo stelt het Bovenlokaal Cultuurdecreet bijvoorbeeld dat het intergemeentelijk samenwerkingsverband minstens eenzelfde bedrag moet bijdragen als het als subsidie jaarlijks ontvangt. Het decreet mengt zich echter niet met de interne verdeling van deze bijdrage. Dat betekent dus concreet dat de overblijvende gemeenten elk een hogere bijdrage zullen moeten betalen. De Vlaamse overheid zal inderdaad haar genomen engagementen naleven, maar wel binnen het kader van de regelgeving.

Lokale besturen zijn natuurlijk autonoom om hun eigen keuzes te maken. Het voorziene tijdspad geeft hun en ons de tijd om eerst een grondige analyse te maken om dan op basis van grondige overwegingen keuzes te kunnen maken.

Het is voor iedereen duidelijk dat de implementatie van de regiovorming stap voor stap zal moeten gebeuren en dat soms moeilijke knopen zullen moeten worden doorgehakt. De transitieperiode die hiervoor nodig is, zal inderdaad specifieke vragen en keuzes meebrengen voor de lokale besturen. Het steunpunt OP/TIL zal voor de regio’s binnen het beleidsdomein Cultuur de lokale besturen adviseren en ondersteunen in deze transitieperiode. Specifiek voor de UiTPAS-regio’s zal publiq vzw in samenspraak met de lokale besturen een overgangstraject uitwerken.

Wat de sociaal-culturele volwassenenorganisaties betreft met een werking binnen een specifieke regio in het kader van het decreet houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk, de Avansa’s, verwijs ik naar mijn antwoord van daarnet. We zullen rustig bekijken of we decretale aanpassingen moeten doorvoeren, en indien nodig welke.

De beslissing over de regiovorming is nog maar zeer recent genomen, en u begrijpt dat mijn administratie nu ook even alles rustig moet kunnen bekijken. De bedoeling is om verrommeling tegen te gaan en al die zaken zoveel mogelijk in die regiovorming te krijgen. Het is niet mijn bedoeling om targets inzake data te halen, maar wel om dat project te doen slagen. En als hier of daar dan een extra jaar nodig is met de zekerheid dat het daar dan in transformeert, dan verkies ik dat boven ‘je moet en je zult’, waarbij een hoop problemen worden gecreëerd die een jaar nadien eventueel opgelost zouden zijn. We zullen dat met gezond verstand en pragmatisme bekijken, vooral om het gestelde doel te bereiken en niet om te sanctioneren. Het gezond verstand is het adagium.

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Bedankt voor uw heel uitgebreide antwoord, minister. Ik denk dat uw visie de juiste is. Pragmatisme is hier inderdaad op zijn plaats. U hebt mij daarmee gerustgesteld, en ik vermoed ook heel veel van die samenwerkingsverbanden die nu bestaan. Bedankt ook om alle decreten eens op te sommen waarover het ging. Nu gaat het ook volledig zo in het verslag staan. Ik was er daarstraks heel snel over gegaan.

Ik ben ook blij om te horen dat de Merode inderdaad een uitzondering krijgt. Want dat zou niet logisch zijn. Door die drie verschillende provincies en verschillende regio’s heeft het een speciaal statuut. Zij kunnen dus zo verder werken. Het is ook een heel goede zaak dat verwacht wordt dat de alignatie tegen het einde van deze subsidieperiodes gebeurt. Dat is al een heel verduidelijkend antwoord. Dat kan voor wat rust en vertrouwen zorgen.

Wat ook rust en vertrouwen geeft, is dat de taakstelling van OP/TIL is uitgebreid en dat zij de nodige ondersteuning zullen kunnen bieden. Ik heb daar wel een bijkomende vraag over. Ik kan mij inbeelden dat dat een serieuze werklast en opvolging genereert bij OP/TIL. Gaan zij daar extra middelen voor krijgen, gezien de extra taakstelling die ze krijgen? Kunt u daar iets over zeggen? Dat lijkt me wel relevant voor OP/TIL.

Wat de verdere uitzonderingen betreft, ben ik blij om te horen dat er geen principiële onmogelijkheid bestaat om die uitzonderingen te krijgen. Ik begrijp dat dat gemotiveerd moet gebeuren en ik vertrouw erop dat de Vlaamse Regering daar dan de juiste keuze in zal maken.

Ik ben blij dat, indien één van die gemeentebesturen uittreedt, de Vlaamse overheid altijd haar engagement zal blijven nakomen. We moeten er wel op letten dat dit er niet voor gaat zorgen dat andere samenwerkingsverbanden ook uit elkaar zullen vallen, wanneer de extra lasten op die andere gemeentebesturen vallen. Ik begrijp het doel van de regiovorming volledig, namelijk verrommeling tegengaan, samenwerkingen zoeken en daar meerwaarde in vinden. Ik hoop dat het resultaat dan niet gaat zijn dat, indien één gemeente uitvalt, de hele puzzel uit elkaar valt en de gemeentebesturen de stekker eruit trekken doordat zij meerdere bijdragen moeten doen.

Ik heb voor de rest geen bijkomende vragen. En wat de Avansa’s betreft: dat zullen wij ook verder blijven opvolgen. Bedankt voor de verduidelijking die u hebt kunnen scheppen vandaag.

De heer Pelckmans heeft het woord.

Gustaaf Pelckmans (Groen)

Bedankt voor de interessante vraag. Ik zal het kort houden, want ik denk dat we allemaal wat op ons tandvlees zitten, maar ik wil één element inbrengen dat nog niet gehoord is.

Collega Meremans en de minister weten dat Groen een grote voorstander is van een verstandige en intelligente uitbouw van de cultuurregio’s. Dat is iets waar we echt in geloven. Ik ga niet één, maar twee handen reiken om daar samen aan te werken. Maar het is wel degelijk een ‘work in progress’.

Ik zou graag het accent willen toevoegen vanuit de visie van de organisaties, de instellingen, de cultuurcentra, de bibliotheken. Natuurlijk moeten we daar de lokale besturen en de IGS’en bij betrekken, maar laat ons alsjeblieft ook eens kijken naar de mensen in het veld, over wie het uiteindelijk allemaal gaat, dat zij daar toch ook hun visie over kunnen ontwikkelen. Want die zouden daar wel eens andere ideeën over kunnen hebben.

Het is goed dat OP/TIL daarbij ingeschakeld wordt. Ik hoop, samen met collega Van de Wauwer, dat daar voldoende mensen en middelen voor worden ingezet, maar ik denk dat we ook moeten werken, op iets langere termijn, aan enthousiasmering van dit project. We gaan echt ‘out of the box’ moeten denken. En dat gaat echt wel verder dan IGS’en en lokale besturen. Denk vooral aan alle organisaties waar we het eigenlijk allemaal voor doen, zodat die vooral ook gehoord worden. Dat is mijn korte, maar heel duidelijke oproep. En mijn handreiking hebt u al gehoord en gezien.

De heer Meremans heeft het woord.

Ik heb zelf in het verleden een aantal samenwerkingsverbanden opgericht. Mee opgericht, voor alle duidelijkheid. Ik heb dat zeker en vast niet alleen gedaan. Ook een erfgoedcel voor … (onverstaanbaar) … twee gemeenten die nu in een andere regio vallen. Geraardsbergen komt bij de Denderregio, maar is eigenlijk van de erfgoedcel Vlaamse Ardennen. Je hebt daar toch wel wat overlappingen. Daar zal toch pragmatisch mee moeten worden omgegaan. Die gemeenten zijn historisch en sociologisch met elkaar verbonden. Het meest logische is natuurlijk dat je altijd binnen de referentieregio blijft. Dan heb je verbanden met andere samenwerkingsverbanden, die je kunt clusteren, wat natuurlijk de verrommeling moet tegengaan. Daar wou ik de nodige aandacht voor vragen.

De expertise mag niet verloren gaan. Ze werd van onderuit opgebouwd door ambtenaren en cultuurwerkers die elkaar kennen. Dat mag zeker en vast niet verloren gaan. Ik begrijp dat we ons zullen moeten aligneren, maar inderdaad: met een gezonde dosis pragmatisme. We moeten inderdaad, zoals de heer Pelckmans terecht zegt, blijven enthousiasmeren om daarvoor te gaan.

Uit de toelichting van minister Somers heb ik begrepen dat het zal gaan om een matroesjkamodel. Binnen een referentieregio kun je nog samenwerkingsverbanden hebben, die dan binnen een regio een aantal gemeenten met elkaar verbinden. Zeker voor cultuur is dat niet onbelangrijk. Ik snap wel dat een zekere schaal groot is, maar je werkt vaak met verenigingen, met erfgoedcellen, met heemkringen. De afstand mag daar niet te groot zijn. Wij kijken uit naar hoe het daar verder verloopt.

Ik ben geen believer van provincies. Van mij mogen die morgen allemaal worden afgeschaft. Ik heb daar geen enkel probleem mee. Maar dat zal die discussie ongetwijfeld opnieuw doen losbarsten. We zullen wel zien hoe dat verder verloopt.

Mevrouw Segers heeft het woord.

Ja, collega Meremans, het woord ‘provincie’ viel – en dat was exact wat ik ging zeggen. Ik sta de afgelopen vijf jaar echt met open mond te kijken naar de hele reparatie die is moeten gebeuren na de louter en alleen ideologisch ingegeven beslissing om de persoonsgebonden materies weg te halen bij de provincies. Daar is een gat geslagen. Men heeft toen beseft dat de afstand tussen Vlaanderen en de lokale besturen te groot is. De provincies deden voortreffelijk werk als het ging over cultuur, sport, noem maar op. Dat is nu weg. Dan heeft men beseft dat men daar een tussenniveau moet creëren. Dan was er het decreet Bovenlokaal Cultuurbeleid, en nu die regio’s. Ik ga het niet nog eens zeggen, ik kan het eindeloos blijven herhalen: we hadden ons met z’n allen deze oefening kunnen besparen. We zijn nu aan het repareren wat we hebben weggegooid.

Dit gezegd zijnde. De regio’s zijn nu uitgewerkt. Het is belangrijk om dat inderdaad als een ‘work in progress’ te zien. Daar sluit ik mij wel aan bij collega Meremans, die zegt dat de pragmatiek daar moet vooropstaan. Minister-president, u hoor ik zeggen dat we nu de regio’s hebben ingedeeld, dat er daar nooit sprake is geweest van een participatief traject, en dat het nu ‘comply or explain’ is: als je denkt dat je er moet van afwijken, moet je het uitleggen. Dit houdt echt weinig rekening met de realiteit op het terrein. Zoals dat geldt voor de regio Dendermonde, geldt dat ook voor bijvoorbeeld mijn regio. Onze buurgemeente Denderleeuw hoort bij de Denderstreek. De Dender zit daartussen. Wij zitten in Liedekerke aan de verkeerde kant van de Dender. Wij kunnen ook op het Randfonds geen beroep doen. Wij zitten in Halle-Vilvoorde. Maar natuurlijk, de socio-demografische stemming van Liedekerke in acht genomen, horen wij veel meer bij elkaar dan de rest.

Minister-president, ik wil u vragen of u bereid bent om uw rigide houding toch wat af te zwakken en de pragmatiek voorop te houden en te kijken naar bestaande samenwerkingen tussen gemeenten.

Mevrouw D’Hose heeft het woord.

Ik ben het vaak eens met u, collega Segers, maar nu fundamenteel niet. Ik zal u zeggen waarom.

Ten eerste, u maakt een denkfout door te zeggen dat de regio's in de plaats komen van de provincies. We zitten hier niet in de commissie Binnenlands Bestuur, maar dat is niet juist. We zijn tijdens de vorige legislatuur – u weet dat maar al te goed – gestart met de afslanking van de provincies met de persoonsgebonden bevoegdheden. Ik hoop dat we op een dag zullen komen tot de volledige afslanking. Collega Meremans en ikzelf zitten op dat vlak absoluut op één lijn. Maar die regio's zijn geen apart verkozen laag zoals de provincies dat zijn. Absoluut niet. Die regio's zijn er net om al die bovenlokale verrommeling weg te werken die er al bestond, ook toen de provincies nog persoonsgebonden bevoegdheden hadden. Het is dus niet zo dat de regio’s nu worden opgericht om een lacune te vullen die zou zijn ontstaan doordat we de provincies hebben afgeslankt. Absoluut niet. Er is in dezen een compleet ander finaliteit. Ik denk dat u hier een denkfout maakt. De bedoeling van die regio’s is het wegwerken van de verrommeling. Als politicus moet je daar volop achter staan. Je moet daar geen koudwatervrees over hebben. Soms moet je de kleine, heel vaak politieke afwegingen durven te overstijgen en vooral in overleg met de spelers op het terrein ergens proberen te geraken.

Sorry, maar in de vorige legislatuur was er ook veel koudwatervrees over de afslanking van de provincies. En ja, er zijn altijd weer fouten. En het decreet Bovenlokaal is niet perfect. Maar op zich is dat toch een Boeing die we met z’n allen op een redelijke manier hebben kunnen doen landen. Ik hoop dat we daar op een dag met die regio-oefening ook zullen eindigen. Ik hoop dat we uiteindelijk zullen eindigen in een bestuurslaag, met Vlaanderen en sterke steden en gemeenten, en dat wat ertussen hangt is opgeheven. Zo hebben we een duidelijke en heldere bestuursstructuur. Dat is alvast mijn droom voor een Vlaamse interne staatshervorming. Ik dank u. 

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Eerst en vooral kan ik mij voor 100 procent aansluiten bij wat mevrouw D’Hose nu heeft gezegd. Mevrouw Segers, dit is geen bestuursniveau. Het was een poging om in de verrommeling die er bestond in de intermediaire, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, intercommunales en weet ik veel wat, waarin een kat haar jongen niet meer terugvond, toch enige vereenvoudiging te brengen. Het is geen bestuursniveau, het zal geen verkozen organen kennen zoals een provincieraad en weet ik veel wat. Eigenlijk moet ik het antwoord van mevrouw D’Hose niet herhalen, want dat is voor 300 procent correct.

Mijnheer Van de Wauwer, OP/TIL zal inderdaad bijkomende middelen hebben. Dat is geen begrotingsaanpassing, maar zal binnen de administratie gebeuren. Het is een verschuiving van geld dat van de provincie komt. Uit de pot van bovenlokaal bibliotheekbeleid zal een bijkomende financiering naar OP/TIL gaan om die transformatie te begeleiden.

U hebt het over het uiteenvallen door het wegvallen van één gemeente. Ik denk dat de verneveling door het wegvallen van één gemeente in zo’n samenwerkingsverband nog wel zal meevallen. We zullen er inderdaad op toezien. Het decreet schrijft voor dat Vlaanderen evenveel bijlegt als de som van de gemeenten.

Er zijn heel veel mogelijkheden, maar de twee uitersten zijn: ofwel minder van Vlaanderen, ofwel iets meer van de gemeenten, ofwel iets daartussen. Maar dat is het decreet. Ik denk niet dat de soep daar zo heet zal worden gegeten en dat dat zal leiden tot het uiteenvallen van die samenwerkingsverbanden.

Mijnheer Pelckmans, alle organisaties horen, dat is zeer ambitieus. Maar ik denk dat je zoiets maar succesvol kunt doorvoeren wanneer je inderdaad overleg pleegt met de organisaties en je de timing op het ritme van de organisaties afstemt. Maar je moet wel zeggen: tegen dan of dan moeten we ergens landen. Want anders is dat eindeloos. Maar dat dat het best in samenspraak gebeurt, lijkt mij de logica zelf.

Mijnheer Meremans, het is inderdaad misschien wel goed om het matroesjkamodel nog eens aan te halen. Het referentiepunt is de regio’s. Maar de regio’s kunnen subregio’s hebben. De samenwerkingsverbanden kunnen zich situeren binnen een regio, niet over de grenzen van twee regio’s heen, maar wel binnen een regio.

Regio's kunnen ook samen een samenwerkingsverband hebben. Dat was het probleem of de discussie voor bijvoorbeeld Limburg. Daar zijn er een heel aantal samenwerkingsverbanden over heel het grondgebied van de provincie Limburg. Als Limburg nu in drie regio’s wordt gesplitst, kunnen die drie regio’s nog gemakkelijk die dingen samen verderzetten. Maar wat we dan weer niet willen is een halve regio hier en een halve regio daar. Dat moet wel het geheel van regio’s omvatten.

Mevrouw Segers, toen ik daarnet sprak over pragmatisme, ging het voor mij over de timing, waarbij we bekijken hoe we daar stapsgewijs toe komen. Ik bedoelde niet dat we nu nog overal uitzonderingen zouden toelaten om finaal nergens te eindigen. Het pragmatisme zit mij dus in het proces, niet in het resultaat. Ik ben bereid om af te wijken van die zaken in zeer, zeer uitzonderlijke gevallen, dat staat ook in het besluit van de Vlaamse Regering. Maar dat zal dan een beslissing van de Vlaamse Regering zijn.

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Minister-president, ik dank u voor de verduidelijking die u nog gegeven hebt. Het doel van mijn vraag was om die onduidelijkheden weg te nemen, en ik denk dat dat grotendeels gelukt is, waarvoor dank. En mijn excuses dat we hier ongewild de discussie of het debat over de provincies opnieuw hebben gevoerd.

Ik wil hier nog een klein element aan toevoegen. Na het wegnemen van de persoonsgebonden zaken bij de provincies is wel gebleken dat ook tegenstanders van de provincies wel hebben gemerkt wat voor goede zaken er op dat domein toch gebeurden.

Minister-president, ik heb toch nog een laatste oproep. Wat dat pragmatisme betreft had ik ook wel begrepen dat die mogelijkheid er was om toch uitzonderingen toe te laten. Ik zeg niet dat het de regel moet zijn, maar ik hoop dat dat ook wel onder dat pragmatisme valt, en dat zoiets toch kan, indien nodig en indien goed gemotiveerd. Het is inderdaad geen bestuursniveau dat erbij komt maar het is wel een hele bestuurlijke operatie. En het is ook veel meer dan een bestuurlijke operatie alleen. Dit zal heel veel impact hebben. En als ik dan vraag naar pragmatisme, dan heb ik het ook over die erfgoedcellen. Zij vormen samenwerkingen omdat ze samen zorg willen dragen voor het gemeenschappelijk, gezamenlijk erfgoed dat ze beheren.

Bij de UiTPAS-regio’s zijn dat samenwerkingen op basis van dezelfde sociologische kenmerken. Als blijkt dat dat een goede grond is om eventueel een uitzondering te krijgen, goed gemotiveerd, dan hoop ik dat dat pragmatisme eventueel toch kan. Het is toch een oproep om zeker ook in het achterhoofd te houden dat dit meer is dan een bestuurlijke operatie alleen tegen verrommeling. Die operatie is absoluut nodig, het is een goede oefening. Maar houd dat ook zeker mee in het achterhoofd.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.