U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, ongeveer 2 à 3 procent van de Vlamingen is hoogbegaafd. Veel informatie en expertise over de omgang met hoogbegaafde leerlingen is in de praktijk eigenlijk nog veel te weinig bekend. Daarom diende ik, samen met de collega’s van CD&V en Open Vld op 29 april 2019 een resolutie in, die unaniem werd goedgekeurd, om de problematiek onder de aandacht te brengen. In het Vlaamse regeerakkoord van enkele maanden later werd de omgang met hoogbegaafden ook op de agenda gezet, waarvoor dank.

Voor het eerst worden er specifieke middelen vrijgemaakt om aan een hoogbegaafdenbeleid te bouwen. U gaf daartoe een ondersteuningsimpuls van een half miljoen euro. Met die centen krijgen een expertisecentrum, vier scholen uit het secundair onderwijs en negen scholen uit het basisonderwijs de opdracht om het hoogbegaafdenbeleid verder vorm te geven. Ook in het nieuwe decreet leersteun zal hoogbegaafdheid een plaats krijgen.

Op maandag 15 maart berichtten De Morgen en Het Laatste Nieuws dat de eerste middelbare hoogbegaafdenschool start in het schooljaar 2021-2022. Daaruit blijkt nog maar eens hoe hoog de nood is om in te zetten op een leeromgeving waar elke leerling, dus ook de hoogbegaafde, zich goed voelt en zijn ontwikkelingskansen maximaal kan ontplooien.

Ik heb daarover de volgende vragen, minister. Welke maatregelen wilt u nemen om hoogbegaafde jongeren aan boord te houden in het gewone onderwijs? Is het een gewenste evolutie dat scholen specifiek voor die doelgroep ontstaan? Op welke termijn zal het hoogbegaafdenbeleid verdere uitwerking krijgen, zowel in het kader van het decreet leersteun als in het kader van de kennisopbouw van het expertisecentrum en de dertien begeleidingsprojecten?

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, in het regeerakkoord schenken we de nodige aandacht aan de hoogbegaafden en de zeer gemakkelijk lerenden. Ik citeer: “Leerkrachten leren deze kinderen zo vroeg mogelijk herkennen en signaleren. Ook voor deze leerlingen moeten leraren een beroep kunnen doen op ondersteuning en moeten deze leerlingen gebruik kunnen maken van hulpmiddelen om het lesaanbod op hun specifieke behoeften te kunnen afstemmen. Hiertoe passen we de regelgeving aan.” Eind vorig jaar zijn, zoals collega Krekels al aangaf, een aantal projecten van start gegaan in scholen die inzetten op de begeleiding van deze doelgroep. Ze krijgen extra ondersteuning van een expertisecentrum en de kans om goede praktijken met elkaar te delen.

Maar eigenlijk zijn heel veel  scholen zoekend naar hoe ze hoogbegaafde kinderen of snel lerende kinderen met hun mogelijkheden, talenten en beperkingen op de beste manier kunnen ondersteunen. Ook voor die leerlingen moet een zorgcontinuüm kunnen worden uitgebouwd, zodat ook scholen op dat vlak aan inclusief onderwijs kunnen werken.

Er zijn niet per se meer hoogbegaafde leerlingen dan pakweg tien jaar geleden, maar ze worden nu wel sneller ontdekt, zo stelt professor Kieboom van de Universiteit Hasselt (UHasselt). De professor stelt ook dat het hoog tijd werd om de nodige ondersteuning te voorzien voor hoogbegaafde leerlingen en zeer gemakkelijk lerenden. Ze verwijst naar haar eigen ervaringen met ouders die zeggen al heel lang op zoek te zijn naar de passende begeleiding voor hun hoogbegaafde kind.

Zonder alle details te kennen, horen we nu via de media dat een school uit Houthalen volgend schooljaar zou starten met een A+-klas van zestien twaalfjarigen in het eerste jaar secundair onderwijs. Hoogbegaafde leerlingen worden er gegroepeerd en in een aparte klas gestoken. Ik heb in dat kader de volgende vragen, minister. Welke maatregelen treft u, behalve de projectoproep, nog om leerkrachten te ondersteunen in het begeleiden van hoogbegaafden of zeer snel lerenden? Hoe zult u scholen ondersteunen om in het zorgcontinuüm ook de nodige aandacht te hebben voor hoogbegaafde leerlingen? Hoe zult u ook voor deze doelgroep de nodige ondersteuning garanderen in het nieuwe leersteundecreet waar we op wachten? Hoe kijkt u naar het initiatief in Houthalen, onder meer in het kader van het respecteren van het inschrijvingsrecht?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Eerst wil ik meegeven dat er vandaag al een uitgebreid decretaal kader bestaat, dat scholen de ruimte geeft om in te spelen op de noden van cognitief sterke leerlingen.

Elke school moet een beleid inzake leerlingenbegeleiding uitwerken, toepassen en evalueren, ook voor leerlingen die hoogbegaafd zijn. We verwachte dat scholen een sterk zorgbeleid uitwerken volgens de principes van het zorgcontinuüm: inzetten op brede basiszorg voor álle leerlingen en voorzien in extra ondersteuning voor die leerlingen voor wie die brede basiszorg niet volstaat en die specifieke noden hebben die moeten worden beantwoord.

Dat kan onder de vorm van redelijke aanpassingen, waaronder compenseren, remediëren, differentiëren en dispenseren. Dispenserende maatregelen zijn maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het curriculum of de leerling vrijstelt van bepaalde doelen, met de bedoeling om bijvoorbeeld hoogbegaafde leerlingen extra uit te dagen via een verkorte instructie of via het verdiepen of verbreden van de leerstof.

Scholen zijn ook vrij om organisatorische maatregelen te treffen om zeer makkelijk lerende of hoogbegaafde leerlingen meer uit te dagen: via binnenklasdifferentiatie, maar ook via klasoverschrijdende projecten of een klasoverschrijdend lesaanbod. Zaken als ‘peer tutoring’, zelfstandige studie, bijkomend aanbod ter verrijking, bepaalde leerstof of vakken versneld aanbieden, het aanbod van een extra vak: het zijn allemaal mogelijkheden om de leerlingen extra uit te dagen.

In het secundair onderwijs is de mogelijkheid van flexibele trajecten voor hoogbegaafde leerlingen in de regelgeving ingeschreven. Daardoor zijn er mogelijkheden om een leerling gedurende een deel of het geheel van het schooljaar vrij te stellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van om het even welk structuuronderdeel. Daarvoor is wel handelingsgerichte diagnostiek van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) vereist en een gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad. De vrijgekomen uren worden besteed aan een door de betrokken klassenraad samengesteld vervangend en evenwaardig individueel lesprogramma dat de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantast. Dat kan zijn: een zelfgekozen project, lessen volgen aan een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO) of hoger onderwijs, al vakken volgen van een hoger leerjaar om zich voor te bereiden op examens bij de examencommissie. Dat zijn allemaal bestaande mogelijkheden.

Scholen kunnen zich, met de steun van het CLB, inspireren op het handelingsgericht diagnostisch protocol, dat gaat over cognitief sterk functioneren. De CLB-sector heeft dat samen met de onderwijsverstrekkers ontwikkeld. Dat biedt aanknopingspunten voor beleid en praktijk in de verschillende fasen van het zorgcontinuüm. 

Wat betreft die specifieke school en het initiatief dat daar werd genomen: in het project met de voorbeeldscholen dat we begin dit schooljaar zijn gestart, was een van de belangrijke criteria dat het beleid ten aanzien van cognitief sterke leerlingen ingebed is in het bredere beleid op leerlingenbegeleiding. Scholen moeten, als ze gefinancierd of gesubsidieerd willen worden, de geldende regelgeving over het inschrijvingsrecht respecteren. Dat wil zeggen dat een schoolbestuur enkel leerlingen kan weigeren op basis van capaciteit als de desbetreffende capaciteit vóór de start van de inschrijvingen is vastgelegd. De school moet dus vooraf haar capaciteit vastleggen en moet de leerlingen tijdens de vrije inschrijvingsperiode inschrijven op basis van chronologie. Als er leerlingen geweigerd worden, en hun ouders hiermee niet akkoord gaan, kunnen ze klacht indienen bij de Commissie inzake Leerlingenrechten.

Je kunt dus als school klemtonen leggen. Je kunt een specifiek beleid voeren, bijvoorbeeld in casu voor hoogbegaafden. Maar je kunt niet zeggen: ‘Gij wel, gij niet, gij wel, gij niet.’ Dat is het beginsel van het Inschrijvingsdecreet.

De bedoeling van het project met de voorbeeldscholen is om in het tweede projectjaar, volgend schooljaar 2021-2022, in te zetten op de ervaringen rond wetenschappelijk onderbouwd beleid en rond de praktijk ten aanzien van andere scholen, via ondersteuning en coaching, en met begeleiding door het expertisecentrum. Tegelijkertijd zullen vanuit het project aanbevelingen komen die we in het beleid kunnen gebruiken om waar nodig de regelgeving bij te sturen. Die maatregelen zouden ten vroegste ingaan in het schooljaar 2022-2023.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoorden.

Ik heb het over hoogbegaafdheid, maar uiteraard sluit dat woord zowel de zeer makkelijk lerenden als de hoogbegaafden en de uitermate hoogbegaafden in. Daarbij wil ik wel stellen dat ik mij heel bewust ben van het feit dat die drie grotere groepen een heel specifieke aandacht nodig hebben.

Minister, u bent toch wel de eerste minister die heel duidelijk wil toewerken naar dat hoogbegaafdenbeleid. U wijst terecht op een aantal zaken. U spreekt over de mogelijkheid van een uitgebreid decretaal handelen. Over het beleid van leerlingenbegeleiding dat de scholen moeten hebben. Over het inzetten op de brede basiszorg. De flexibele trajecten voor hoogbegaafde leerlingen zijn al mogelijk in het secundair onderwijs, met als voorwaarde de handelingsgerichte diagnostiek van het CLB en dan de beslissing van de toelatingsklassenraad. Dat klopt allemaal. Maar het was natuurlijk toch wel nodig om een nieuw duidelijk beleid op te starten. En in de vorige legislatuur was het nodig om die resolutie te schrijven. Waarom? Omwille van de kennis rond hoogbegaafdheid. Het kan inderdaad dat de flexibele trajecten mogelijk zijn, maar wordt daar wel maximaal gebruik van gemaakt als er zo weinig kennis is rond hoogbegaafdheid? Het antwoord is helaas neen. Men aarzelt in de scholen, men stelt uit, men ziet vaak niet de val van het onderpresteren. Men doet uiteindelijk niets of men wacht veel te lang. De leerling blijft in de kou staan.

U zoekt daarop, samen met ons, antwoorden, onder meer met uw oproep naar de voorbeeldscholen en het expertisecentrum. Dat is aan het rollen, ik weet het. Misschien kunt u daar toch al iets meer over vertellen? We zitten er allemaal een beetje op te wachten. Hoe gaan we de werking, de kennis, de expertise verankeren in een Vlaanderenbreed sterk hoogbegaafdenbeleid?

Zal dat met of zonder extra middelen zijn? Dat is misschien een wat gevaarlijke vraag. Ik laat dat nog even in het midden aangezien corona al heel veel extra middelen vraagt. Maar als we daar echt een hoogbegaafdenbeleid aan willen koppelen, mogen we er niet ongevoelig voor zijn dat dat misschien toch ook wel wat nodig zal hebben. Net zoals dat half miljoen euro dat nu ook al is vrijgemaakt om iets extra te kunnen doen. Zal er dan voldoende verankering mogelijk zijn om dat, na het vergaren van alle kennis en expertise, in te zetten in de eerstelijnszorg, dus in de scholen zelf, maar ook in de tweede lijn, namelijk de lerarenopleidingen en de nascholingen?

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, dank u voor uw antwoord. Ik onderschrijf wat mevrouw Krekels aangeeft, dat we moeten nadenken over het inclusief onderwijs en dan starten van de mooie lijn van het zorgcontinuüm waarbij we op maat van elk kind de noden van elk kind erkennen.

Ik geef een kleine anekdote uit het leven zoals het is. Toevallig had ik daarnet nog een directeur van het gewoon onderwijs aan de lijn. Hij vertelde mij een verhaal over zijn dagelijkse dag. Hij gaf aan dat leerkrachten er heel vaak niet meer toe komen om net die kinderen die wat extra uitdagingen nodig hebben uit te dagen omdat er zoveel op hen afkomt. Maar ook omdat, zoals mevrouw Krekels aangaf, de kennis er niet altijd is om de zeer gemakkelijk lerenden, de hoogbegaafden en dan zeker de kinderen die uitermate hoogbegaafd zijn te herkennen. Men heeft daarover niet altijd veel kennis.

Zonder mensen met de vinger te moeten wijzen, ik denk net dat we moeten versterken. Ik geloof heel sterk in dat zorgcontinuüm, dat we vanuit fase nul en één ook al proberen om oplossingen te bieden op maat van elk kind. En er is al heel veel mogelijk. U gaf een hele opsomming van mogelijkheden, het dispenseren bijvoorbeeld, maar ik merk toch dat een aantal leerkrachten dat toch nog helemaal niet echt in de vingers hebben. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat die zaken duidelijker worden, dat men daar meer kennis van kan krijgen? Ook wat betreft het project dat u op poten zet: hoe kunnen we dat misschien versneld in de scholen bekendmaken?

Corona heeft ons heel veel geleerd. Corona heeft ons geleerd dat sommige leerlingen ook genieten van het onderwijs thuis, omdat ze op eigen tempo de lessen kunnen volgen, zelf ook een aantal extra uitdagingen opzoeken. Ik ben benieuwd wat we daaruit leren, maar ik ben ook heel benieuwd wat we kunnen leren uit de projecten die nu lopen. Zoals mevrouw Krekels ook zei: misschien met wat meer goesting en wat sneller werken.

Wat me vooral interesseert of waar ik u zeker in volg, is dat we als scholen enkel leerlingen kunnen weigeren op basis van capaciteit, dus niet op basis van de mogelijke selectie van hoogbegaafdheid. Minister, zult u die scholen daar zeker ook op aanspreken, dat ze dit dan ook op die manier moeten doen?

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Dank u wel collega’s voor de interessante vraag.

Ik heb altijd een beetje een dubbel gevoel. Aan de ene kant is het natuurlijk goed dat er tegemoetgekomen wordt aan de bestaande nood van de doelgroep en dat er een eerste eigen school voor de hoogbegaafden wordt opgericht. Aan de andere kant geeft dat ook aan dat die leerlingen zich niet goed voelen in ons ‘normaal’ onderwijs. Dat is natuurlijk een jammerlijke zaak.

Ik kijk ook uit, zoals de twee vraagstellers, naar de resultaten van de proefprojecten en uiteraard ben ik ook heel benieuwd naar het nieuwe Leersteundecreet. Ik vrees soms dat onze gewone hoogbegaafden, dus niet de superhoogbegaafden, een beetje fungeren als een kanarie in de koolmijn voor het welbevinden in onze gewone scholen. Daarom is die eigen school dus een beetje onrustwekkend.

Ik wil mevrouw Krekels groot gelijk geven: alles begint met kennis en in de leerlingenopleiding moet die hoogbegaafdheid meer aan bod komen, zodat de leerlingen ook beter begeleid kunnen worden.

De heer Daniëls heeft het woord.

Dank u wel collega’s en voorzitter voor de vraag.

Ik had dit weekend nog het geluk om de hele zaterdagochtend een webinar te volgen, waarin onder andere Exentra en dus mevrouw Kieboom aan bod kwamen. Het was zeer interessant om te horen. Ik treed collega’s Krekels en Vandromme erin bij dat we onze leerkrachten vooral bewust moeten maken van de mogelijkheden van hoogbegaafde kinderen en ook van de gevaren van het niet-erkennen van hoogbegaafdheid. Dat bracht mevrouw Kieboom absoluut onder de aandacht bracht.

Een van de zaken was dat excelleren in scholen niet meer als aanmoedigend werd beschouwd: de prijs van de beste leerling voor wiskunde wordt niet meer gegeven vanwege de kritiek dat al de andere kindjes dan niet die prijs halen. De norm is niet het excelleren, maar het nivelleren. Zij vond dat een heel raar iets. Waarom kan een kind niet uitblinken in wat het doet en waarom dag dit niet benoemd worden? Alle kinderen blinken op die manier wel ergens in uit. Zij vond het jammer dat dat in een verdomhoekje gezet werd, want aan die kinderen werd op die manier gezegd dat ze niet normaal waren. Dat werd bevestigd in het zelfbeeld van die kinderen. Ik vind het inderdaad een interessante optie om dat toch nog eens te bekijken. Ik denk dat we vanuit de nivelleringsgedachte niet meewarig moeten doen over Kangoeroewedstrijden die in veel scholen gebeuren, maar eigenlijk motiverend moeten zijn voor scholen die zeggen: ‘Daag die kinderen maar eens uit.’

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Aan het project van de voorbeeldscholen dat we nu hebben georganiseerd nemen negen basisscholen en vier secundaire scholen deel. Daarnaast hebben we ook een expertisecentrum ter begeleiding, om het beleid en de praktijk in die voorbeeldscholen in beeld te brengen. Ik wil dat gebruiken als een aanleiding, niet alleen om nieuwe voorstellen te doen, maar ook om te wijzen op het bestaande. Als je ziet welke mogelijkheden er vandaag zijn, waar misschien te weinig gebruik van wordt gemaakt, is dat een aanleiding om het bestaande instrumentarium voor het voetlicht te plaatsen en ook de boodschap mee te geven dat het een goede zaak is om te gaan prikkelen, om uit te dagen en om te excelleren en dus te proberen om zo veel mogelijk scholieren daarin mee te krijgen, maar ook de leerkrachten nog eens goed duidelijk te maken welke mogelijkheden er vandaag zijn, mogelijk aangevuld met de goede praktijken die ons zullen worden aangediend door die voorbeeldscholen.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw bijkomende antwoorden. Ik hoor ook dankzij collega’s die durven dispenseren, dat er bij leerkrachten vaak nog een aarzeling is omdat men leerstof moet laten wegvallen en men heeft daar vaak toch nog wat twijfel over. Wat betreft de setting van de hoogbegaafde leerlingen in het huidige onderwijs, begrijp ik heel goed het dubbele gevoel dat er is over die aparte hoogbegaafde scholen of klassen, maar we moeten gewoon realistisch zijn dat dat gewoon een noodzakelijk antwoord is op de noden van vandaag omdat er ergens toch tekortkomingen zijn. Als we dat willen vermijden, moeten naast de bestaande zaken – die u, minister, terecht hebt aangewezen – toch een aantal andere decretale mogelijkheden worden gecreëerd of misschien bij al die bestaande zaken heel gedetailleerd worden uitgewerkt hoe je die kunt gebruiken in het beleid van de school voor de hoogbegaafde leerlingen, voor zowel heel gemakkelijk lerenden als hoogbegaafden als uitermate hoogbegaafden. Misschien moeten we leerkrachten helpen om die informatie te filteren zodat ze durven om wat flexibeler te werken in het secundair onderwijs, maar evengoed in de lagere school is het mogelijk dat men durft te dispenseren, dat men de bestaande zaken durft uitvoeren. We kunnen ze misschien apart  opsommen of wat dan ook. Via het project protocollering diagnostiek (Prodia) is er een protocol voor die cognitief sterke leerlingen dat het CLB heeft uitgeschreven, maar blijkbaar is dat niet voldoende of biedt dat niet genoeg zekerheid. Ik denk dat we in die zin toch al wat werk kunnen verzetten. Het kost ook niets om verschillende initiatieven te vertalen naar die praktische invulling op de werkvloer. Dat is heel belangrijk. Misschien kunnen we daar een 'quick win' mee behalen en kan die in het lopende project heel duidelijk meegenomen worden.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Dank u wel, minister. Elk talent telt. Ik denk dat we daar over alle partijgrenzen heen van overtuigd zijn. Uit eigen ervaring kan ik een voorbeeld geven van iemand die een jaartje heeft overgeslagen en die dan nog extra uitgedaagd moet worden en waar de leerkracht in het basisonderwijs er excellent in slaagt om van elk kind het talent in de picture te zetten en bij de ene leerling is dat inderdaad wiskunde, de wereldoriëntatie (WO) en de vele weetjes. Die mag dan iedere dag de klas toespreken met het weetje van de dag dat hij in de krant las. Leerkrachten gaan heel creatief om met de talenten van hun leerlingen. Dat wou ik toch nog even in de picture zetten. Bovendien las ik gisteren in de krant dat een lokale school hier, een vrij technisch instituut (vti), heel trots was omdat er twee leerlingen van hun school naar de wiskundeolympiade worden gestuurd. Ik denk dat scholen echt wel fier zijn op de talenten die er zijn in een klas en in de school.

Wat ik nog wil aanvullen, minister, is dat scholen en leerkrachten ervan overtuigd mogen worden dat ze de bestaande autonomie en de ruimte die ze kunnen gebruiken, mogen gebruiken.

Mij interesseert het heel sterk waarom leerkrachten dat niet doen. Waarom benutten ze die autonomie niet? Is het vanwege de draagkracht? Is het vanwege de veelheid van dingen die we van hen verwachten? Heeft het te maken met durf? Dat is iets dat we heel sterk moeten onderzoeken. Ik hoop in elk geval dat dat ook ruimte krijgt in het nieuwe leersteundecreet en dat we kunnen zien hoe we leerkrachten effectief gaan ondersteunen in het inclusief onderwijs en in het aanbieden van onderwijs dat rekening houdt met elk talent van elk kind.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.