U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Jans heeft het woord.

Minister, de Koning Boudewijnstichting en onderzoekers van LUCAS KU Leuven en van de universiteit van Luik hebben met de hulp van een hele reeks partners tellingen uitgevoerd in de steden Gent, Aarlen, Luik en de provincie Limburg om de omvang van de problematiek en de profielkenmerken van de dak- en thuislozen in kaart te brengen. Ze maakten daarbij gebruik van de zes ETHOS-categorieën (European Typology on Homelessness and Housing Exclusion), aangevuld met een zevende categorie: ‘dreigende uithuiszetting’. Daardoor konden ze op grotere schaal meer problematische woonsituaties vatten dan waar we tot nu toe vaak inzicht in hadden of kregen.

De resultaten tonen aan dat de woningmarkt voor een diverse groep mensen onbereikbaar is. Dat leidt ertoe dat zij langer in een instelling verblijven, bij familie of vrienden inwonen, alternatieve non-conventionele ruimten bewonen, in een tijdelijk opvanginitiatief van de overheid terechtkomen of, in het ergste geval, op straat moeten slapen.

Het rapport maakt ook duidelijk dat de problematiek over een bredere groep gaat dan wat het klassieke beeld van de alleenstaande man met een verslavings- of psychiatrische problematiek doet vermoeden. De meest choquerende resultaten gaan over de kinderen. In Limburg gaat het om 285 kinderen, die vooral in opvanginitiatieven voor thuislozen verblijven, bij familie of vrienden logeren of met een dreigende uithuiszetting geconfronteerd worden. In Gent gaat het om 401 kinderen die zich in eenzelfde situatie bevinden.

Ook de problematiek van dreigende uithuiszetting is in kaart gebracht, een verzuchting die al vaak in deze commissie aan bod kwam.

Het is duidelijk dat de verschillende overheden met deze resultaten aan de slag moeten. De Gentse organisaties die deelnamen aan de telling, achten het noodzakelijk dat de mensen van de Vlaamse overheid, de deputatie, het Vlaams Woningfonds en het federale niveau worden betrokken bij de lokale stedelijke taskforce.

Binnen het beleidsdomein Wonen is een van de belangrijkste hefbomen de toewijzing van sociale woningen. De diversiteit aan profielen binnen hetzelfde gebied, maar ook het verschil tussen bijvoorbeeld Limburg en Gent, lijkt de keuze te rechtvaardigen om in het toewijzingsbeleid de lokale autonomie sterker te laten spelen. De omvang van de problematiek zet echter ook het belang van een voldoende sterk gewaarborgde tweede pijler in de verf, met voldoende toewijzingsmogelijkheden voor mensen met een dergelijke welzijnsproblematiek. Daarnaast hebt u reeds initiatieven genomen om noodwoningen te bouwen in samenwerking met de steden en gemeenten – dat is al aan bod gekomen vandaag.

Welke impact hebben de cijfers van de studie, die een nieuw licht doen schijnen op de omvang en de diversiteit van de doelgroep voor de lopende beleidsinstrumenten, zoals de hervorming van de toewijzingen en de co-investeringen voor noodwoningen?

Acht u het wenselijk om vanuit het beleidsdomein Wonen bijkomende instrumenten te ontwikkelen in het kader van de strijd tegen dak- en thuisloosheid?

Zult u ingaan op de vraag om met de andere overheden mee aan tafel te schuiven bij de lokale besturen die met deze cijfers aan de slag willen gaan? Zo ja, kunnen hier goede praktijken uit gedistilleerd worden die gedeeld kunnen worden met andere steden en gemeenten?

Kan de Vlaamse Regering bijdragen aan het uitvoeren en interpreteren van de tellingen in vervolgonderzoeken?

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Minister, ik verwijs ook naar de Koning Boudewijnstichting, die een globaal rapport heeft gepubliceerd over de dak- en thuisloosheid in België. Collega Jans heeft al aangehaald waar de tellingen zijn gebeurd, dus ik ga niet in herhaling vallen.

De Koning Boudewijnstichting heeft dit onderzoek uitgevoerd, nadat gebleken was dat in zowat alle Europese landen het aantal dak- en thuislozen toeneemt en dat het in België ontbrak aan een globaal overzicht. In oktober, hebben ze aangekondigd, zal er een nieuwe telling volgen, waarbij ook vier andere steden of regio’s uit Wallonië en Vlaanderen zullen worden opgenomen.

Jammer genoeg verbaast het ons niet dat we in Vlaanderen niet over duidelijke cijfers beschikken wat het aantal dak- en thuislozen betreft. Meermaals is in commissies waar verschillende maatschappelijke problemen worden besproken, gebleken dat we over onduidelijke of zelfs geen cijfers beschikken. Het is onzes inziens heel moeilijk om een gericht beleid te voeren zonder over duidelijke data te beschikken. Dit was ook de hoofddoelstelling van het rapport, namelijk een impuls geven aan het organiseren van herhaaldelijke tellingen om op basis van deze gegevens de strijd tegen dak- en thuisloosheid aan te gaan.

Collega Jans heeft al een aantal conclusies en besluittrekkingen uit het rapport toegelicht, dus ik ga dat ook niet herhalen, al wil ik er toch wel eentje uit pikken, namelijk dat deze studie ook wijst op een falend uitwijzingsbeleid. In Gent is 58 procent van de dak- en thuislozen die niet de Belgische nationaliteit hebben, illegaal in het land.

Hoe evalueert u de cijfers voor Vlaanderen – Gent, Leuven en Limburg – vermeld in dit rapport?

Zult u een initiatief nemen om deze tellingen verder te zetten, naar het voorbeeld van de Koning Boudewijnstichting? Er is wel een nieuwe telling gepland in oktober, maar dit gaat slechts over vier extra steden. Zult u een tool ontwikkelen waarmee het aantal dak- en thuislozen systematisch wordt gemonitord?

Zult u met uw collega, minister van Armoedebestrijding Wouter Beke, het huidige beleid herbekijken na deze cijfers?

Zult u aankloppen bij uw federale collega’s en hen aansporen om de illegale daklozen versneld uit te wijzen naar hun land van herkomst? Als je ziet dat 58 procent van de dak- en thuislozen in Gent eigenlijk illegaal in het land zijn, dan zit je natuurlijk met een fundamenteel probleem. Daar zijn we met het Vlaams Belang natuurlijk al langer van op de hoogte, maar met deze studie wordt dat nog eens pijnlijk duidelijk. Vandaar dus ook de vraag of er contact zal worden opgenomen met uw federale collega om ook op dat vlak een aantal stappen te zetten.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Ik neem een aantal vragen samen. Ik zal eerst ingaan op de meer algemene vragen, vragen 1 en 2 van mevrouw Jans en vragen 1 en 3 van de heer D’haeseleer.

De uitgevoerde lokale tellingen geven een nauwkeuriger beeld van de omvang, maar ook van het profiel van de mensen in een situatie van dak- en thuisloosheid. Hoewel het over lokale tellingen gaat en dit geen representatieve uitspraken toelaat voor heel Vlaanderen, geven de resultaten wel bepaalde indicaties. Door de gehanteerde methodiek zijn ook de zogenaamde verborgen vormen van dak- en thuisloosheid, zoals de personen die tijdelijk bij familie of vrienden verblijven, meer gevat en krijgen we dus een ruimer en correcter beeld.

De resultaten tonen onder andere de grote diversiteit achter de globale cijfers aan. Hét profiel van de dak- en thuisloze bestaat niet. Er gaat een brede waaier van profielen achter schuil, met een aantal recentere tendensen zoals verjonging, vervrouwelijking, meer gezinnen en meer personen met een migratieachtergrond. Daarnaast wordt ook bevestigd dat dak- en thuisloosheid geen louter grootstedelijk fenomeen is, maar zich ook manifesteert in kleinere steden.

Dit alles wijst op het belang van een lokale aanpak op maat, waarbij op lokaal niveau kan worden ingespeeld op de specifieke noden en behoeften. We willen vanuit Vlaanderen het kader en de nodige instrumenten aanreiken aan de lokale besturen om effectief in te zetten op de aanpak van de problematiek. Zoals u weet, heb ik eind vorig jaar, in overleg en onder coördinatie van mijn collega-minister van Welzijn, het actieplan ter voorkoming en bestrijding van dak- en thuisloosheid 2020-2024 voorgelegd aan de Vlaamse Regering.

De doelstellingen en acties uiteengezet in het actieplan dak- en thuisloosheid blijven in het licht van deze tellingen valabel, met zowel inzet op de preventie als het bestrijden van dak- en thuisloosheid. De resultaten tonen wel nogmaals de noodzaak aan van een gecoördineerde en gezamenlijke aanpak. Een effectieve afstemming en samenwerking tussen de betrokken beleidsdomeinen Wonen, Welzijn maar ook Gezondheidszorg, zijn cruciaal, en dit zowel op Vlaams niveau alsook lokaal op het terrein tussen de actoren. De diversiteit in de profielen en leefsituaties van de personen in dak- en thuisloosheid benadrukt het belang van de inzet op oplossingen op maat van de betrokken personen en gezinnen. De lokale besturen zullen met deze resultaten veel gerichter aan de slag kunnen gaan.

Ik zal de resultaten van deze tellingen meenemen in de verdere uitvoering en opvolging van de acties opgenomen in het actieplan. Er zijn reeds heel wat instrumenten en mogelijkheden om vanuit wonen in te zetten op de aanpak van dak- en thuisloosheid. In het kader van woongerichte oplossingen, blijft de beschikbaarheid van betaalbare, kwaliteitsvolle woongelegenheden cruciaal. Hierop wil ik volop blijven inzetten, zowel via de klassieke sociale huisvesting als via het aanbod van de sociale verhuurkantoren, maar ook via de huurtoelagen. De uitbreiding van de noodopvangcapaciteit zal bovendien jaarlijks herhaald worden. Daarnaast geven de cijfers een indicatie van de specifieke problematieken en groepen waar mogelijk bijkomende aandacht voor aangewezen is, zoals onder meer het toenemend aantal jongvolwassen dak- en thuislozen, de dak- en thuislozen met een instellingsverleden.

In het nieuwe toewijzingsstelsel voor de sociale huur zal hiermee rekening gehouden worden. Zowel de ruimte voor lokaal maatwerk als voor de toewijzing aan kwetsbare groepen worden hier als aandachtspunten meegenomen. Ook begeleiding vormt hier een cruciale factor. De nood aan begeleiding wordt momenteel door het Steunpunt Wonen onderzocht.

Dan kom ik aan vraag 2 van de heer D’haeseleer en aan de vragen 3 en 4 van mevrouw Jans. Wat betreft de vragen over de ondersteuning van de uitvoering van lokale tellingen, wil ik erop wijzen dat in het actieplan dak- en thuisloosheid een betere monitoring van de problematiek een aandachtspunt is. Het ondersteunen van de lokale tellingen is een van de geformuleerde acties vanuit Welzijn. Er wordt dan ook voorzien in de financiering van de methodische ondersteuning van de lokale tellingen van dak- en thuisloosheid. Voor meer concrete informatie over dit initiatief verwijs ik naar mijn collega-minister van Welzijn.

Collega Jans, wat uw derde vraag betreft, zal ik uiteraard mee aan tafel schuiven bij de lokale besturen als hier vraag naar is. Zoals ik al een aantal keer heb aangehaald, is een lokale aanpak in dezen cruciaal. Doordat er nu een beter zicht is op de problematiek, zal die lokale aanpak gerichter kunnen gebeuren. Met een verdere uitrol van een bredere telling zal de problematiek nog beter in kaart kunnen worden gebracht. En ook het delen van goede ervaringen en praktijken in de aanpak van dak- en thuisloosheid is waardevol en kan inspirerend werken.

Ten slotte is er de laatste vraag van de heer D’haeseleer. De bevoegdheden zijn hier duidelijk. Ik wijs er telkens op dat bijvoorbeeld de druk op onze woningmarkt, de 400.000 extra woningen die wij nodig hebben tegen 2050, twee oorzaken heeft: eerst en vooral de demografie met meer eenpersoonsgezinnen, en anderzijds de migratiedruk die een vaststaand feit is. In Nederland is de druk op de woningmarkt nog een stuk hoger en daar wordt de migratie veel meer meegenomen in het debat. Ik probeer dat ook te doen. Maar ik denk niet dat het op zijn bevoegdheden wijzen van mijn federale collega daar in de praktijk veel aan zal veranderen.

Mevrouw Jans heeft het woord.

Minister, ik vind het positief dat u in uw antwoord de problematiek en het belang van de lokale aanpak erkent. De steden en gemeenten zijn inderdaad de aangewezen instanties om een beleid op maat te voeren. Maar het blijft belangrijk dat Vlaanderen het kader aanreikt gericht op preventie en spreiding. De jaarlijkse uitbreiding van de noodopvangcapaciteit vind ik een belangrijke maatregel.

U hebt herhaald en bevestigd dat bij de toewijzingen de kwetsbare groepen een relevante plek krijgen. Ik denk dat het cruciaal zal zijn dat niet alleen de toewijzingen kunnen gebeuren door de lokale besturen, maar dat het ook toegelaten zal zijn om voor de kwetsbare groepen een beleid op maat te voeren. Ik kan me voorstellen dat daarvoor in een gemeente met een bijzonder groot psychiatrisch ziekenhuis aandacht kan zijn. Ik kan me voorstellen dat er in een stedelijke context een heel ander toewijzingsbeleid moet worden gevoerd dan in een plattelandsgemeente. Ik vind het ook positief dat u overleg wilt voeren met de lokale besturen die hierrond willen werken, en dat u de goede voorbeelden wilt delen. Veel lokale besturen moeten er immers nog echt mee beginnen.

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Ik deel uw analyse, minister. Het rapport heeft een aantal nieuwe inzichten gebracht. Achter de cijfers zit een grote diversiteit. Ik weet niet of het aan de naam van de stichting te wijten is dat die inzichten naar boven zijn gekomen. Ik denk het niet, maar het kan in ieder geval een meerwaarde betekenen voor het beleid.

Ik deel de mening van collega Jans dat bij een lokale aanpak ook een aanpak op maat heel belangrijk is. Ik zal nog minister Beke ondervragen over de ondersteuning van de lokale tellingen, die mijns inziens onontbeerlijk zijn voor een lokale aanpak. Hoever staat het daarmee en wat zijn de effecten en de resultaten? 

Ik ga met u akkoord, minister, over de druk op de woningmarkt. Ons migratiebeleid legt een ongekende druk op de woningmarkt, en het opengrenzenbeleid zal dat in de toekomst niet verbeteren. In het bijzonder is de problematiek van de illegalen groot. Het blijft dweilen met de kraan open als er niet efficiënt op ingegrepen wordt. Ik vrees dat wij in de komende jaren nog heel veel sociale woningen zullen moeten bouwen om het tekort te kunnen verminderen. Maar als de instroom en de vraag groter blijft dan het aanbod, kan men blijven bouwen. Als men dan nog de open ruimte wil bewaren, denk ik niet dat er nog veel oplossingen zijn tenzij dat men de politieke moed heeft om ten minste aan de instroom en aan een efficiënt uitwijzingsbeleid te werken.

Ik deel uw analyse, minister, maar u schuift de bal door naar het federale niveau, dat er wel bevoegd voor is maar waarvan wij niet veel heil moeten verwachten op dat vlak. Ik vrees dat een dergelijk immigratiebeleid en de aanpak van illegalen er uiteindelijk toe zal leiden dat de Vlaamse maatregelen, die goed zijn, de effecten van het federale migratiebeleid niet zullen kunnen compenseren. Vroeg of laat zullen wij toch knopen moeten doorhakken – voor ons liever vroeg dan laat – tegen de instroom van buitenlanders. Het kan hard klinken maar vol is nu eenmaal vol, minister. Ik denk dat het bewaren van de open ruimte en de ongebreidelde opengrenzenpolitiek onverzoenbaar zijn.

De heer Veys heeft het woord.

Ik vond het in eerste instantie wel fijn dat de vraag hier gesteld werd. Het is wel een bevoegdheid van minister Beke om de daklozentellingen te organiseren. Er is daar in de commissie Welzijn ook al vaker over gesproken.

Ik heb dat seminarie van de Koning Boudewijnstichting bijgewoond. Het was heel interessant. Maar het maakt eens te meer duidelijk dat Housing First echt wel de oplossing is voor dit probleem. In die zin vind ik het goed dat de regering inzet op het organiseren van daklozentellingen. Ik denk dat we tien jaar geleden met de ambitie begonnen zijn om op Vlaams niveau een telling te kunnen organiseren. Dat loopt al even, dus het is goed dat die er komt.

Ik wil er wel nog eens op wijzen dat Vlaanderen een even groot budget heeft als de Koning Boudewijnstichting. Het is 81.000 tegenover 90.000 euro op jaarbasis. Vlaanderen moet dus even goed kunnen doen als de Koning Boudewijnstichting, zo niet beter. De ambities mogen toch wat hoger liggen.

De daklozentelling is een goede manier om het probleem beter in kaart te brengen, maar geen probleem zonder oplossing natuurlijk. Housing First is daarvoor toch echt wel de oplossing. Dat werd ook aangegeven in dat seminarie. Er werd duidelijk gesteld dat men vanuit de sector echt wel naar Vlaanderen kijkt, en naar wat daar zal gebeuren. Daar heb ik nog enkele vragen bij.

Ik heb al schriftelijke vragen gesteld aan minister Beke en aan minister Diependaele, maar er kon toen niet veel worden gezegd over de doelstelling, hoeveel woningen we daarvoor ter beschikking gaan stellen, hoeveel mensen we daarmee kunnen helpen. Mij is het op dit moment niet eens duidelijk of dat dat regulier beleid is – de werking van het Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) dat wordt voortgezet –, of dat het effectief nieuw beleid is, dat we dus meer gaan doen om meer mensen te kunnen helpen. Minister, ik hoop dat u mij daarover meer duidelijkheid kunt geven. Hoeveel mensen gaat u helpen met de Housing Firstprojecten? Wanneer kunnen we daar wel een zicht op krijgen? Ik maak me zorgen dat we niet snel genoeg aan het werk zijn.

Mevrouw Verheyen heeft het woord.

Ik volg dit thema ook al langer op. Ik heb een vraag om uitleg ingediend met een iets andere insteek over dit thema voor volgende week in de commissie Welzijn.

Mijn gemeente heeft ook meegedaan aan die telling. Ik heb dat dus van dichtbij gezien. Ik weet dat die telling zeer breed ging. Vorige week schrok ik een beetje van een aantal krantenkoppen. Er waren titels die niet echt genuanceerd waren, maar gelukkig waren de artikels wel veel meer genuanceerd dan de titels. We weten dat heel veel mensen jammer genoeg de artikels niet lezen en enkel de titels. Het is jammer dat een aantal partijen daarin zijn meegegaan. Ik zie hier Vooruit staan. Dat is blijkbaar een beweging en geen partij, dus u hoeft zich niet aangesproken te voelen. Ik vond dat een beetje jammer, en dat wil ik toch even zeggen.

Heel dat verhaal heeft een zekere nuance nodig. Ik heb dat zelf doorgenomen en de belangrijkste conclusies heb ik hier horen geven. De belangrijkste conclusie is dat er niet zoiets als ‘de dakloze’ bestaat. Het profiel van de dak- en thuislozen bestaat gewoon niet omdat er een zeer grote diversiteit achter die cijfers zit.

Als we die profielen dieper gaan analyseren, gaan we zien dat betaalbare huisvesting heel belangrijk is, dat het een onderdeel is van de oplossing, maar dat dat absoluut niet het enige is. Veel van die problemen zijn welzijns- en gezondheidsproblemen. Dan kijk ik in de richting van minister Beke. Het gaat dan over verslavingen, mentale problemen, gevangenisverlaters, jongeren die 18 jaar zijn geworden en uit de jeugdzorg komen en een plekje proberen te vinden. Het is echt wel ontzettend breed.

Minister, is er een mogelijkheid om het bestaand actieplan aan te passen en meer op maat te maken omdat we zien – zeker wat de Limburgse cijfers betreft – dat iedere categorie – er zijn nogal wat categorieën – een eigen aanpak nodig heeft? Ieder heeft zijn eigen specifieke behoeften. Ik zal deze vraag volgende week ook aan minister Beke stellen.

Mevrouw Moerenhout heeft het woord.

Minister, het zijn heel zorgwekkende resultaten van de Koning Boudewijnstichting, maar het is zo goed dat ze er zijn. Als we geen zicht hebben op de problematiek, kan er geen fijnmazig en efficiënt beleid komen. Ik deel de vraag naar de absolute noodzaak van een Vlaamse telling, wat ook de specifieke vraag was van de Koning Boudewijnstichting.

In het verleden hebt u doorverwezen naar minister Beke. Ik heb net als andere collega's voor minister Beke hierover ook een vraag ingediend. In uw beleidsdomein zijn er toch ook heel belangrijke hefbomen om die grondoorzaak aan te pakken. In vorige vragen hebben we het al gehad over de nood aan meer noodwoningen, over de uitbreiding van de huurpremie enzovoort. Er is natuurlijk nog veel meer nodig.

Ik steun collega Veys als hij het heeft over Housing First. Dat mag inderdaad sneller vooruitgaan.

Ik maak me heel erg zorgen over het volgende. Mevrouw Verheyen heeft daarnet de diverse profielen die naar voren zijn gekomen in de telling, terecht aangehaald. Ik maak de brug met de fusie, de nieuwe sociale woonactor. Ik dacht dat het criterium voor de rol van de lokale binding de komende weken of maanden zal worden afgeklopt. Dat is iets heel precairs dat vaak verband houdt met die profielen. Ik geef een voorbeeld: een dame die vlucht voor intrafamiliaal geweld. Zij behoort tot een bepaalde doelgroep die snel een dak boven het hoofd nodig heeft, al dan niet met kinderen. Dat is een doelgroep die net niet gebaat is bij de lokale binding. Zo zijn er nog wel een aantal doelgroepen. Ik maak me daar heel veel zorgen over. Ik zou u wel willen vragen om de komende maanden bij het afkloppen van de lokale binding alstublieft rekening te houden met een doelgroep zoals deze.

Om te besluiten heb ik een concrete vraag. Ook heel opvallend was het hoge aantal kinderen. Vaak zitten die kinderen blijkbaar onder de zogenaamde verborgen daklozen. Minister, u zei daarnet dat jongvolwassenen bijzondere aandacht nodig hebben, maar dat geldt ook voor kinderen. Kinderen zijn extra kwetsbaar. Zij nemen de trauma's heel lang mee, vaak een leven lang en generaties lang. Het gaat niet alleen over het feit van geen dak boven het hoofd te hebben, maar ook alle andere dingen die daarbij komen kijken. We wisten al dat er bij een op de vier uithuiszettingen kinderen betrokken zijn. Nu blijkt dat heel veel van die kinderen niet direct een andere woning krijgen of vinden. Minister, bent u bereid op basis van deze cijfers om ook daar een specifiek beleid voor te ontwikkelen of te onderzoeken hoe u als minister van Wonen het probleem van die uiterst kwetsbare doelgroep van kinderen binnen de dak- en thuisloosheid kunt aanpakken?

Zoals mevrouw Verheyen zei, is daar een meer specifieke aanpak nodig. We hebben daar de vorige legislatuur ook heel veel over gedebatteerd en op het einde van de legislatuur is dat uiteindelijk geëindigd in het feit dat de vrederechter nu een briefje krijgt waarin staat of er al dan niet kinderen betrokken zijn, maar er zijn nog altijd geen juridische consequenties aan gekoppeld. Daar zijn echt nog wel stappen vooruit te zetten. Dat zijn niet de grootste stappen, maar dat zou echt wel een impact kunnen hebben op het leven van een aantal kinderen. Minister, bent u bereid om dat deze legislatuur ook te bekijken?

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Minister, we hebben het bij de vorige vraag ook al uitgebreid gehad over noodwoningen en hoe die een oplossing zijn voor het lokale beleid om dakloosheid als gevolg van een uithuiszetting te vermijden. Het benieuwt me in het kader van deze vraag of het onderzoek ons al een duidelijke kijk geeft op de bezetting van de noodwoningen. Zorgen zij effectief voor een oplossing in urgente situaties? Ik vraag me tegelijkertijd ook af hoe het zit met samenwerkingsverbanden tussen de lokale besturen. Als er mensen in nood zijn, hoe wordt er dan samengewerkt om elkaar te helpen over de grenzen van de lokale besturen heen? Zijn er al voorbeelden van? Hoe staat u daartegenover? Welke extra inspanningen zult u leveren om samen met de minister van Armoedebestrijding die verborgen dakloosheid in Vlaanderen aan het licht te brengen?

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Collega's, dank u wel voor de bijkomende vragen.

Mevrouw Jans, ik kan uw slotanalyse helemaal volgen. Ze klopt. U weet ook dat de lokale binding niet van toepassing is op de versnelde toewijzing. Daar steun ik u in, en u weet dat gelukkig ook. Wat betreft de lokale aanpak op maat, zit volgens mij de belangrijkste sleutel erin dat de lokale besturen het beste op de hoogte zijn van de lokale context en dus ook het beste kunnen ingrijpen op die problematiek. Wij moeten hun daarvoor de nodige ondersteuning bieden.

Mijnheer Veys, Housing First, ik geloof evenveel in dat concept als u, maar het is niet zo dat wij daar een bepaald aantal woningen voor voorzien. Dat hang opnieuw af van die lokale context, van die lokale besturen en hoe ze daarmee omgaan. De versnelde toewijzing is nog altijd van toepassing daarop.

U vraagt wat wij doen rond het aanbieden van die woningen. Dat gaat om een totaalpakket: extra investeren in sociale woningen, de noodwoningen waar we het daarnet over hadden, de ondersteuning van SVK’s en dergelijke meer. Dat is wat wij doen om het aantal woningen zoveel mogelijk op te pompen. De manier waarop lokale besturen daar in het kader van Housing First mee omgaan, is voor hun rekening.

Verschillende mensen hebben er ook al naar verwezen – en dat klopt natuurlijk: het gaat om een multiproblematiek. Alleen al in dat kader klopt de titel ‘Housing First’ ook wel en is hij zeer toepasselijk. Het eerste wat je moet doen om die mensen te helpen, is hen van een deftige woning voorzien. Dat doen we dan ook. Maar het gaat om veel meer dan dat, en daarvoor moet ik kijken naar de andere bevoegde collega’s, met name collega Beke, als minister van Welzijn.

Mevrouw Verheyen, u vroeg – en mevrouw Moerenhout ondersteunde dat – om de actieplannen bij te sturen. Er is een tweejaarlijks platform met de stakeholders. Dit kan daar natuurlijk aan bod komen. We overleggen voortdurend met de mensen die hierrond actief zijn op het terrein. Een nuttige inbreng kan natuurlijk gebruikt worden om eventueel bij te sturen of wat dan ook.

Mevrouw Moerenhout, zoals ik gezegd heb: lokale binding is niet van toepassing op die versnelde toewijzing. Ik snap niet goed waar u heel die analyse haalt, want dat is gewoon wat in de beleidsnota staat.

Wat kinderen en bijzondere aandacht daarvoor betreft: als we de ouders helpen, zijn de kinderen normaal gezien ook geholpen. Als dat niet het geval is, zit je natuurlijk in een veel grotere welzijnsproblematiek, een multiproblematiek. Dan gaat het eventueel zover dat kinderen van de ouders weggehaald worden, maar dat is zeker niet iets wat ik vanuit Wonen kan gaan doen, dat begrijpt u toch ook. Maar als u zegt dat ik specifiek op kinderen moet focussen … ik denk dat we ouders een woning moeten geven en dat die kinderen daarmee geholpen zijn.

Mevrouw De Vroe, van die samenwerkingsverbanden kan ik u niet direct een voorbeeld geven. Die zijn er natuurlijk wel, en die zijn ook goed.

Wat de verborgen dakloosheid betreft, daarvoor doen we inspanningen om betere tellingen uit te voeren en daar dus meer zicht op te krijgen. En mijnheer Veys, in alle eerlijkheid, ik denk dat de budgetten daar op zich minder relevant zijn. Maar wat de Koning Boudewijnstichting nu gedaan heeft en wat wijzelf ook willen doen, is ervoor zorgen dat we daar een beter zicht op hebben. Dus op dat vlak is het initiatief al genomen.

Mevrouw Jans heeft het woord.

Collega’s en minister, bedankt voor de bijkomende vragen en informatie. Ik vind het een bijzonder belangrijk thema, en die tellingen geven ons wel wat inzicht in de complexe problematiek. Het is ook een vaststelling dat het niet alleen gaat over de grote steden, maar dat de problematiek complex is en zich ook op het platteland en in de kleinere steden afspeelt.

Housing First, waar een aantal keer naar verwezen is, staat ook in ons regeerakkoord. Het is absoluut een deel van de oplossing, maar, zoals ook in het rapport wordt aangehaald, ook maar voor een deel van de mensen: veel mensen zijn ermee geholpen, maar het is een complexe problematiek en een wonderoplossing bestaat niet. Ik hield er ook echt aan vast om deze vraag hier te stellen, in de commissie Wonen, wat niet wegneemt dat we dit thema ook in de commissie Welzijn van volgende week naar voren zullen brengen.

Ik denk dat we hier echt wel de vinger aan de pols moeten houden. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we er vanuit het beleidsdomein Wonen alles aan doen om deze situaties, stuk voor stuk dramatische situaties, complexe verhalen met veel facetten, gaande van welzijnsproblematieken tot overlast tot uithuiszettingen, te voorkomen waar mogelijk, en dat we dakloosheid actief blijven bestrijden op alle mogelijke fronten, zeker en vast ook vanuit dit beleidsdomein?

De heer D’haeseleer heeft het woord.

De studie heeft ten minste de verdienste dat ze tot een aantal bijkomende inzichten heeft geleid in het debat over dak- en thuislozen. Het is een ingewikkelde materie die veel beleidsniveaus raakt. Die tellingen zullen essentieel zijn om een aanpak op maat en een lokale aanpak mogelijk te maken. Wij gaan hier ongetwijfeld later nog op terugkomen bij alle ministers en niveaus die hiervoor bevoegd zijn.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.