U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Anaf heeft het woord.

Collega’s, in Vlaanderen is er een heel rijk gevuld jeugdwerklandschap, dat ook heel divers van aard geworden is. De tijd dat elk dorp Chiro, Scouts en KSJ/KSA had, ligt wat achter ons. Die zijn er gelukkig nog wel en dat zijn nog altijd heel sterke organisaties in het jeugdwerklandschap. Maar ondertussen zijn er ook andere vormen van jeugdwerk bij gekomen, die zich organiseren binnen zelforganisaties. Het zijn vaak jeugdwerkingen die groeien vanuit een initiatief van vrijwilligers die vaak behoren tot een bepaalde gemeenschap of tot een bepaalde wijk, omdat ze merken dat er daar onvoldoende vrijetijdsaanbod is voor jongeren. Op die manier hebben die jeugdwerkingen vaak ook een historische band met grootstedelijkheid, inclusiviteit en kansarmoede. Ze bereiken daardoor ook jongeren die het traditioneel jeugdwerk misschien iets minder goed bereikt, ondanks alle jarenlange inspanningen van het traditionele jeugdwerk.

Anders dan bij andere jeugdwerkingen draait de organisatie van die zelforganisaties vaak nog meer op vrijwillige basis. Het zijn vaak dingen die bottom-up georganiseerd worden, wat er toch vaak voor zorgt dat er een gemis van knowhow is bij de organisatoren inzake subsidiëring en samenwerking met de lokale en bovenlokale overheden. Ze hebben geen grote koepelorganisaties, die er bijvoorbeeld wel zijn bij de Scouts en Gidsen Vlaanderen en bij de Chirojeugd. Ze vinden moeilijker hun weg naar subsidies en lokale overheden, zoals de jeugd- of cultuurdienst. Ze ondervinden dus vaak drempels om hun vrijetijdsaanbod uit te bouwen of te verbreden. Er is wel de koepelorganisatie Roots vzw, die deze verenigingen al twintig jaar ondersteunt en meer dan honderd aangesloten jeugdorganisaties telt in Vlaanderen en Brussel. Ze delen hun expertise ook met de hele sector.

Ik heb een aantal vragen, minister.

Erkent u het belang van jeugdwerk georganiseerd binnen zelforganisaties?

Op welke manier zult u die zelforganisaties deze legislatuur structureel ondersteunen?

Hoe wilt u de drempels wegwerken die er op lokaal niveau nog bestaan voor de ondersteuning van jeugdwerk van zelforganisaties, zodat die organisaties hun weg vinden naar lokale ondersteuning?

Bent u reeds in overleg met Roots vzw om de noden van deze jeugdwerkingen te bespreken?

Minister Dalle heeft het woord.

Minister Benjamin Dalle

Bedankt, collega Anaf, voor deze vraag over de zelforganisaties. U weet dat het decreet van 20 januari 2012 het jeugdwerk definieert als sociaal-cultureel werk op basis van niet-commerciële doelen voor of door de jeugd van 3 tot en met 30 jaar, in de vrije tijd, onder educatieve begeleiding en ter bevordering van de algemene en integrale ontwikkeling van de jeugd die daaraan deelneemt op vrijwillige basis. Ik vestig de aandacht op de zinsnede ‘door de jeugd’.

Het feit dat jongeren zich engageren en organiseren om hun vrije tijd in te vullen, is een belangrijk kenmerk van het jeugdwerk in Vlaanderen. Ik vind het absoluut positief dat jongeren het initiatief nemen om nieuwe jeugdverenigingen op te richten en zo het jeugdwerklandschap te verrijken met organisaties die gedragen worden door vrijwilligers, zoals die zelforganisaties.

Het is belangrijk dat alle kinderen en jongeren kunnen deelnemen aan het jeugdwerk dankzij zowel een divers aanbod als het verlagen van drempels tot dat aanbod. Gelet op de contacten sinds jaren, heb ik er vertrouwen in dat ook bovenbouworganisaties en grotere landelijke organisaties met de noden van de zelforganisaties rekening houden. Dat is iets wat in elk geval bijzonder belangrijk is in mijn beleid.

Ik kom dan tot uw vragen over ondersteuning. Heel wat zelforganisaties zijn kleinere lokale jeugdwerkinitiatieven, waarin de lokale besturen een belangrijke rol spelen omdat ze voor het lokaal jeugdbeleid bevoegd zijn.

Vanuit de Vlaamse overheid zijn er ook verschillende relevante lijnen. Wanneer organisaties groter worden, kunnen ze landelijk erkend worden. Dat is voor organisaties die in verschillende provincies activiteiten ontwikkelen.

We hebben ook het decreet over de bovenlokale jeugdwerking, waarmee we bijvoorbeeld een aantal jeugdhuizen voor vier jaar hebben erkend. Ik denk ook aan bovenlokale organisaties die werken met kwetsbare kinderen en jongeren en die werken met personen met een handicap en dergelijke. Zo zijn er ook verschillende zelforganisaties erkend. Dat is een van mijn eerste beslissingen eind 2019 voor de periode 2020-2023.

We hebben ook verschillende initiatieven die ingaan op projectwerking. Het spreekt voor zich dat ook de zelforganisaties daarop kunnen inspelen. Er zijn dus wel een aantal subsidielijnen beschikbaar.

Dan kom ik tot het concrete voorbeeld van de vzw Roots. Zij werden tot 2020 als landelijk georganiseerde jeugdvereniging erkend en gesubsidieerd. De erkenning werd stopgezet omdat de vereniging niet langer aan de decretale subsidievoorwaarden voldeed. Ze hebben een nieuwe erkenningsaanvraag ingediend en opnieuw werd vastgesteld dat de vereniging niet aan de decretale voorwaarden voldeed. Die analyse is gebeurd door mijn administratie en is op een professionele en correcte manier gebeurd. Dit is de toepassing van het Jeugddecreet.

Het is een heel vervelende situatie omdat Roots een bijzonder waardevolle organisatie is met een breed netwerk van zelforganisaties, die een grote toegevoegde waarde hebben in Vlaanderen en Brussel. Mijn kabinet is sinds het begin in nauw contact met hen om te bekijken wat de verschillende mogelijkheden zijn. Ik heb de coördinator zelf een aantal dagen geleden ontmoet, waarbij we de verschillende mogelijkheden naar ondersteuning hebben onderzocht. We blijven in elk geval in contact om ervoor te zorgen dat dit waardevolle initiatief ook in de toekomst verder ondersteund kan worden en verder kan groeien om vooral de zelforganisaties sterk te kunnen ondersteunen.

De heer Anaf heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

U zegt dat zelforganisaties vaak lokale initiatieven zijn die dan ook lokaal ondersteund kunnen worden. Dat is terecht. Anderzijds zijn er ook lokale chirogroepen, scoutsgroepen, KSJ-groepen die lokaal ondersteund worden. Het gaat mij erom hoe de koepel op Vlaams niveau gesubsidieerd of ondersteund kan worden.

We spreken al jarenlang over inclusiviteit van het jeugdwerk en er gebeurt wel heel wat, maar vaak is het projectmatig. Ik ben er eigenlijk naar op zoek hoe we structureel een aantal dingen kunnen verankeren. Dat is een uitdaging voor de toekomst, ook als je naar het jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan (JKP) kijkt, een belangrijke prioriteit. Maar ik mis vaak het structurele aspect van hoe we inclusiviteit in het jeugdwerk zullen kunnen verbeteren.

Wat Roots betreft, kunt u vertellen wat er met de subsidievoorwaarden niet meer in orde is waardoor ze geen ondersteuning meer kunnen krijgen? Welke opties ziet u om er toch nog ondersteuning aan te kunnen geven? Ondersteuning is natuurlijk alleen maar mogelijk als ze voldoen aan de voorwaarden, maar welke pistes ziet u nog mogelijk?

Mevrouw Perdaens heeft het woord.

Eerder deze week kwam er een onderzoek naar buiten naar vrijetijdsbesteding. Dat was een onderzoek in opdracht van MNM en Radio 2. Een van de elementen die daaruit blijkt, is dat vier op tien mensen met een laag inkomen aangeven dat activiteiten niet binnen hun budget passen en dat kinderen en jongeren dus niet kunnen deelnemen aan activiteiten als gevolg van financiële redenen.

Jeugdwerkingen kunnen hiervoor mogelijks een oplossing bieden. Maar, minister, u gaf terecht ook aan dat die sleutel eigenlijk vooral lokaal ligt, dat die noden lokaal aangevoeld kunnen worden, dat beleid daar lokaal heel specifiek op gericht kan worden. Mijn vraag is hier heel erg simpel. Neemt u dit op met uw collega van Binnenlands Bestuur? Of plant u misschien zelf vorming of sensibilisering hierrond bij de lokale besturen, zodat zij hier aandacht voor hebben en deze organisaties mee kunnen begeleiden naar het meetrekken van deze kwetsbare kinderen en jongeren?

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Dit is een zeer terechte vraag van collega Anaf. Ik wil mij eerst en vooral aansluiten bij de oproep van collega Perdaens of wij hier de lokale besturen geen impuls kunnen geven om daar over na te denken en te kijken wat er lokaal op het terrein nodig is. Dit is natuurlijk niet alleen een vraag over wat de lokale besturen zouden kunnen en moeten doen, maar ook een vraag over ons eigen jeugdbeleid. Ik denk dat deze vraag ook leert dat ‘one size fits all’ niet altijd het juiste antwoord is in het jeugdwerk en dat de diversiteit net de kracht is van ons Vlaamse jeugdwerk. U zegt enerzijds dat Roots een super waardevolle werking is en dat we moeten zoeken hoe we daar een antwoord op kunnen geven, en anderzijds zegt u dat ze niet voldoen aan de decretale voorwaarden om middelen te krijgen. Zegt dat iets over ons decreet? Zitten daar gaten in die op dit moment niet ingevuld worden op basis van de noden die er zijn op het terrein en de waarden die bepaalde organisaties hebben? Organisaties kunnen ook maar om de vier jaar instappen. Is er een mogelijkheid om dat te vervroegen? En aansluitend bij wat collega Anaf vraagt, zijn er op dit moment misschien extra mogelijkheden via coronamiddelen enzovoort, maar je kunt je toch de vraag stellen hoe we een structureel antwoord geven op de noodzaak om hiermee aan de slag te gaan. Mijn grootste vraag is: hoe komt het dat ons decretaal kader niet op maat is van waardevolle werkingen als Roots vzw en moeten we daarin bijsturen?

Minister Dalle heeft het woord.

Minister Benjamin Dalle

Om in te gaan op de vraag van collega Anaf waarom Roots geweigerd is. Ik vind het delicaat om met de individuele analyse hier naar voren te komen, maar het gaat voornamelijk over het criterium om in vier Vlaamse provincies of in drie provincies en Brussel actief te zijn en daar voldoende modules en aanbod te ontwikkelen. Het gaat over dat criterium. Onze administratie heeft daar een grondige analyse van gemaakt. Daar is ook veel over heen en weer geschreven. Dat is zeer grondig gebeurd. Ik kan bevestigen dat hun werk zoals steeds correct is gebeurd. Dat is ook een antwoord op de vraag van collega Vaneeckhout of ons decreet niet aangepast is. U weet dat ik een zeer grondige herziening voorzie van de relevante decreten, waaronder het decreet landelijk jeugdwerk, maar zeker ook met integratie van het bovenlokale jeugdwerk en het lokale jeugdwerk, dat decretaal veel minder belangrijk is. Ik ben er immers van overtuigd dat er nog een aantal incoherenties zijn en dat de goede spreiding over heel Vlaanderen en Brussel niet altijd gegarandeerd is, met name waar het gaat over bovenlokaal jeugdwerk. Maar dat is hier niet de essentie. Wat Roots betreft, is het probleem dat zij gedurende een bepaalde periode geen al te goede werking hebben gehad, om het met een understatement te zeggen. Zij hebben nu hun werking opnieuw in handen genomen en zijn nu opnieuw goed bezig, maar de timing is niet in hun voordeel geweest, waardoor ze op het meest bepalende moment nog niet klaar waren om te voldoen aan de decretale voorwaarden. Zij zijn erkend geweest, zij zouden erkend kunnen worden, maar er is een probleem geweest in hun werking waardoor ze op het juiste moment niet het juiste konden doen, en waardoor wij decretaal ook niet de mogelijkheid hebben om hen te erkennen.

Er zijn natuurlijk verschillende andere mogelijkheden dan een landelijke erkenning. Die kunnen ook een opstap zijn naar een landelijke erkenning. Op dat vlak zijn een viertal elementen relevant. Ten eerste heb ik aan de bovenbouworganisaties de opdracht gegeven om boven op hun reguliere beheersovereenkomst projecten uit te werken rond jeugdwerk voor allen, de JKP-doelstelling nummer vier. Zij krijgen daar ook extra middelen voor. 

Ik ben ervan overtuigd dat zij ook zeer veel nut zullen hebben om met organisaties zoals Roots te bekijken hoe dit aangepakt kan worden. Dit kan een opportuniteit zijn voor Roots om zich daarin in te schrijven.

Er zijn natuurlijk ook projectsubsidies voor experimenteel jeugdwerk. Ook dit kan een opportuniteit zijn voor Roots om een sterk project te ontwikkelen. In opvolging van het actieplan Generatie Veerkracht zullen we een nieuwe projectoproep lanceren met betrekking tot kwetsbare kinderen en jongeren. Ook daar kan Roots desgevallend een sterk project voor indienen.

Ik begrijp dat Roots ook de ambitie heeft om de werking in Brussel te versterken. Mogelijks zijn er ook vanuit het Brusselbeleid opportuniteiten te vinden.

Daarnaast bestaat de ondersteuning door lokale besturen. Stad Antwerpen neemt daar een mooi engagement in op. Mogelijks zijn er nog andere gemeentebesturen geïnteresseerd, ook de VGC in Brussel bijvoorbeeld, om daar iets rond te doen.

Mijnheer Anaf, ik deel niet helemaal uw analogie met de koepels Scouts Vlaanderen of Chirojeugd Vlaanderen. Dat is één organisatie met één visie, één doelstelling en één missie die lokaal is vertakt. Bij Roots is dat verschillend. Meer nog, de essentie van hun werking – zoals ik die begrijp – is dat men heel veel lokale autonomie toestaat, waarbij organisaties met totaal verschillende visies samenkomen. Er is natuurlijk een rode draad, namelijk dat ze geloven in de filosofie van zelforganisatie. Maar er is toch een groot verschil met landelijk georganiseerd jeugdwerk dat sterke koepels kent en dat lokaal vertakt is.

We hebben ook een koepel met betrekking tot kwetsbare kinderen en jongeren – dat is niet helemaal hetzelfde als de doelgroep van Roots, maar is er wel aan gelinkt – namelijk Uit De Marge. Die heeft ook tot taak de koepel te zijn van organisaties die bezig zijn met kwetsbare kinderen en jongeren.

Ik verwacht ook dat men in de jeugdsector nog beter samenwerkt dan vandaag het geval is en dat gevestigde organisaties voldoende rekening houden en voldoende partnerships opzetten met zelforganisaties. Ik denk dat dat ook een deel is van de oplossing. Het is niet altijd een goed idee om nieuwe koepels te installeren. Er zijn ook vaak andere opties. In elk geval zal er in de komende jaren creatief nagedacht moeten worden om de zelforganisaties te kunnen versterken.

De heer Anaf heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. U hebt in elk geval gelijk als u het hebt over het verschil tussen de grote organisaties van Scouts en Chiro ten opzichte van Roots en die zelforganisaties. Dat klopt zeker en vast. Dat wil ik zeker onderkennen.

Ik kan u geen bijkomende vragen meer stellen. Het zou goed zijn als er bij de herziening van het decreet – zoals het vaak gebeurt – van onderuit, vanuit het jeugdwerk betrokkenheid is en dat het parlement de discussie goed op tijd kan starten en erbij betrokken wordt. Jeugdwerk is per definitie iets dat niet voor de eeuwigheid in steen is gebeiteld. Je zult een aantal nieuwe jeugdwerkinitiatieven zien komen. Het zal zaak zijn om het decreet zo aan te passen dat we niet alles betonneren, maar dat we mogelijkheden houden voor creativiteit in het jeugdwerk. Maar goed, dat is een discussie die we hopelijk samen nog vaak zullen voeren in deze commissie.

Ik dank u voor het antwoord en voor de richting die u aangeeft voor Roots.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.